TWEEDE HOOFDSTUK.Orion bevond zich in het ruime vertrek alleen, en het was hem alsof na storm en onweder de geheele wereld rondom in het ijdele niets verzonk. Hij gevoelde in de eerste plaats, dat er iets verschrikkelijks had plaats gehad, dat hem uit het bereik van alles dreigde te werpen, waarvoor hij gewoon was te buigen, en dat hij tot hiertoe als heilig had beschouwd. Hij had den patriarch den oorlog verklaard ter eere van en uit liefde tot zijne goede engel, en de macht en invloed van dezen man waren niet minder groot dan zijne gestalte. Doch voor het oog van den jonkman verhief zich hoog en zegevierend het beeld van de geliefde, en hij zag in zijn vader een bondgenoot bij den kamp, dien hij geheel op eigene verantwoordelijkheid zou aangaan. Met behulp van zijn scherp geheugen en zijne helderheid van geest herinnerde hij zich thans ieder woord, dat hij uit den mond van den prelaat had vernomen. De geweldige grijsaard, wiens gemoed van geloofsijver overliep, had met hem gespeeld als een kat met een muis. Hij had getracht hem uit te hooren en te doorgronden, voor hij met het laatste voor den dag kwam, waarmede hij had moeten beginnen; daar hij van alles onderricht was, toen hij hem voor de eerste maal, als had hij geen ernstig verwijt tegen hem op het hart, de hand had gereikt. Orion nam zich voor, ook zonder hem vast te houden aan zijn geloof en zich door hem de beide andere hoogste goederen eener christenziel, liefde en hoop, niet te laten ontrooven. Als door een wonder scheen zijne moeder, ondanks den angst van haar bloedend hart, den kerkvorst nog niets van den vloek des vaders te hebben medegedeeld, en welk een wapen tegen hem zou zij Benjamin daarmede in de hand hebben gegeven! Met innig medelijden dacht hij aan de arme, ongelukkige vrouw, en daarbij bekroop hem de argwaan, dat de prelaat zich weder tot haar had begeven, om hem aan te klagen en haar tot nieuwe bekentenissen te bewegen.Sedert het vertrek van den patriarch was reeds eenige tijd verloopen, en zonder hem uitgeleide te doen, iets wat opzien moest baren, had Orion den hoogen gast laten vertrekken. In dit vergrijp tegen de welvoegelijkheid, de ongeschreven wet der samenleving, zag de zoon van een oud aanzienlijk huis, die de achting daarvoor als met de moedermelk had ingezogen, eene beleediging, die hij zichzelven had aangedaan, en om deze weder goed te maken, streek hij haastig met de hand zijne verwilderde haren terecht en ijlde naar het viridarium terug. Daar werd zijn vermoeden terstond bevestigd, want het gevolg van den patriarch stond nog vóor den ingang van de fonteinzaal, waar zijne moeder zich ophield en waaruit Benjamin zoo juist te voorschijn kwam.Met hoffelijke waardigheid, en als had hij met Orion in der minne onderhandeld, nam de grijsaard zijn geleide aan. In het viridarium vroeg hij zijn jongen gastheer naar den naam van eenige zeldzame gewassen en gaf hem den raad op zijne goederen zorg te dragen voor het aanplanten van schaduwgevende boomen. In de voorzaal stonden tegen de pilasters aan beide zijden van de hooge achterdeur de marmeren beelden van de waarheid en de gerechtigheid, kostelijke kunstwerken van den Alexandrijn Aristeas, die leefde ten tijde van keizer Hadrianus. De gerechtigheid droeg de weegschaal en het zwaard in de handen; de waarheid zag in een spiegel. Toen de patriarch deze beelden naderde, zeide hij tot den priester die hem vergezelde: »Nog altijd!” Hierop stond hij stil en zeide, zich half tot Orion en half tot den geestelijke wendende: »Uw vader heeft, gelijk ik zie, geen acht geslagen op mijn wenk, dat zulke heidensche beelden niet passen in een christelijk huis, en allerminst in een, dat een officieel karakter draagt. Wij weten wel welk karakter die symbolen aan deze beelden geven, maar hoe licht kan de mindere man, die hier moet wachten, die vrouw met den spiegel voor de ijdelheid houden terwijl die andere met de weegschaal hem in koopmanstaal schijnt te zeggen: betaal wat ons toekomt, anders—hierop doelt het zwaard—geldt het uw leven!”Daarop liep hij lachend verder, op luchtigen toon tot Orion zeggende: »Als ik terugkom—en gij weet wat ik hiermede bedoel—dan zal het mij genoegen doen als mijne oogen niet meer beleedigd worden door deze beelden uit den tijd der afgoderij.”»De waarheid en de gerechtigheid,” antwoordde Orion met een gedempte stem, »hebben bijna een vijftal eeuwen op deze plaats gestaan en in dit huis heerschappij gevoerd.”»Het zou schooner en eervoller zijn,” antwoordde de kerkvorst,»dat gij dit kondet zeggen van den eenigen, dien in een christelijk huis de eerste plaats toekomt; in zijn rijk gedijt elke andere christelijke deugd vanzelf. De christen moet uit zijn huis elk beeldwerk verbannen, alleen bij de deur zijns harten plaatse hij aan de eene post het geloof en aan de andere de deemoed.”Onderwijl waren zij in den tuin gekomen ter plaatse waar de wagen van de weduwe Susanna wachtte. Orion hielp den prelaat bij het instappen en toen deze hem ten aanzien van eene menigte geknielde beambten en slaven de hand tot een kus toestak, raakte de jonkman haar even met zijne lippen aan. In diep gebogen houding bleef hij staan, zoolang de heilige man door de opene zijde van de karos zijne handen zegenend over de schare uitstrekte; daarna begaf hij zich haastig tot zijne moeder.Hij had verwacht de ongelukkige vrouw uitgeput te zullen vinden door al de aandoeningen, die het bezoek van den prelaat bij haar had opgewekt, doch hij trof vrouw Neforis veel bedaarder aan dan hij haar sedert zijns vaders dood gezien had; haar anders zoo kalm gelaat droeg de uitdrukking eener dweepzieke opgewondenheid, die Orion verraste. Had zij aan zijn vader gedacht? Was het den patriarch gelukt haar vroom gemoed zoo te bezielen, dat zij zichzelve geheel vergeten kon? Zij was gereed om naar de kerk te gaan en nadat zij de eer had geroemd, die haar en haar huis door het bezoek van den allerheiligsten vader ten deel was gevallen, verlangde zij van Orion dat hij haar naar het godshuis zou begeleiden. Ofschoon hij deze uren voor geheel andere dingen bestemd had, voldeed de liefhebbende zoon terstond aan haar wensch, hief haar in den wagen, zeide den voerman dat hij langzaam zou rijden, en plaatste zich aan hare zijde.Onderweg vroeg hij haar wat zij den patriarch had medegedeeld, en haar antwoord zou hem hebben gerustgesteld, indien het hem niet in een ander opzicht met nieuwe bezorgdheid had vervuld. De anders zoo verstandige, rustige geest dezer kalme vrouw scheen onder het gewicht van het ongeluk geleden te hebben, want alles wat zij zeide scheen zeer verward en begreep hij maar half. Doch dit eene bleek hem duidelijk, dat zij den patriarch geen deelgenoot had gemaakt van den vloek, waarmede zijn vader gescheiden was. De kerkvorst had ook tegenover haar de houding van den gestorvene afgekeurd en dit had haar zeker den mond gesloten. Zij beklaagde zich tegen Orion, dat Benjamin den ontslapene nooit begrepen had, zoodat zij de vurige begeerte had moeten onderdrukken om haar hart geheel voor hem te ontsluiten. Eerst in de kerk, in tegenwoordigheid van den Verlosser zelven, zou zij het over zich kunnen verkrijgen,dezen in haar hart te laten lezen als in een open boek. In het huis Gods, dáar alleen, zoo had eene inwendige stem haar gezegd, zou zij vrijspraak vinden voor haar en haren zoon. Dag en nacht hoorde zij die stem, en hoeveel leed het haar deed hem smart aan te doen, thans moest hij het hooren: die stem liet niet af haar te bevelen den band te verscheuren, die hem aan de Melchietin verbond. Gisteren geloofde zij, dat het haar oudste gestorven zoon was die tot haar sprak, hij die voor zijn Jacobietisch geloof het leven liet. Die stem klonk als de zijne, en had haar toegeroepen, dat het oude huis van Menas zou ondergaan, wanneer die Melchietin het reine bloed van haar stam bezoedelde. Benjamin had hare bezorgdheid begrepen, en was andermaal tot haar gekomen alleen om haar te bezweren het misdadig verlangen van Orion naar de dochter van Thomas te bestrijden met al de kracht van haar moederlijk gezag. Daar de patriarch denzelfden eisch stelde als die stem, zoo kwam zij van God en moest hij haar gehoorzamen. De oude boosheid tegen Paula was weder ontwaakt en men kon het aan hare stem hooren, dat zij klom bij elken volzin, waarin zij haar gedacht.Orion smeekte haar zich te matigen en herinnerde haar aan de belofte hem gedaan bij het sterfbed van zijn vader, en toen zijne moeder hem weenende en klagende begon te antwoorden, hield de wagen voor de kerk stil. Thans spande hij al zijne krachten in om haar gerust te stellen, en daar de weeke, teedere klank zijner stem haar goeddeed, knikte zij hem vriendelijk toe, terwijl zij hem in het godshuis volgde. Achter den narthex, het voorportaal van de kerk, waar zich bij een klein marmeren waterbekken drie boetelingen ten aanzien van de binnentredende menigte den rug met geeselslagen kastijdden, moesten zij van elkander afscheid nemen; want de plaats voor de vrouwen bestemd bevond zich, afgescheiden van die der mannen, achter een sierlijk gesneden houten hekwerk. Terwijl vrouw Neforis in die richting voortschreed, schudde zij zacht het gebogen hoofd. Zij dacht aan de keus, die Orion haar stelde, om zich te schikken of naar de bevelen van den patriarch of naar de wenschen van haren zoon. Hoe gaarne had zij dien zoon weder vroolijk gezien, doch Benjamin had haar gedreigd met het verlies der hemelsche zaligheid, wanneer zij hare toestemming gaf tot Orions echtverbintenis met eene kettersche; de eeuwige zaligheid echter bestond voor haar in een wedervinden, een wederbezitten, en daarvoor wilde zij den zoon, benevens alles waaraan haar hart nog gehecht was, volgaarne prijs geven.Orion woonde de godsdienstoefening bij op de plaats zijner familie, dicht bij het allerheiligste, waar het altaar stond en depriesters de plechtigheden verrichtten. Het was gescheiden van het drieledige hoofdschip door een muur, die met gebrekkig beeldwerk en dun vergulde sieraden was getooid: even min als het geheele gebouw wekte dit gedeelte een diepen, heerlijken of verheffenden indruk. De oorspronkelijk rijk versierde basiliek was bij een treffen tusschen Jacobieten en Melchieten door de laatsten geplunderd, en de verarmde stad was niet in staat geweest om den ouden glans harer eerwaardige hoofdkerk ook maar eenigermate te herstellen. Orion zag rond, maar hij zag niets, dat hem tot eerbied kon stemmen.De geheele gemeente moest de godsdienstoefening staande bijwonen, en daar deze zeer lang pleegde te duren, steunden niet alleen de vrouwen achter het hekwerk, maar ook vele mannen gevoelden zich als lammen en kreupelen op krukken. Hoe leelijk klonk het Egyptisch gezang, dat telkens werd afgebroken door den schrillen klank van den slag op een metalen bekken, terwijl men daar tusschen het geruisch vernam van babbelende lieden, die zoodra hun gepraat in twisten ontaardde, door een priester luide en heftig tot de orde werden geroepen. In den regel liep alles met deze liturgische oefeningen af, als het avondmaal niet werd uitgedeeld; doch in deze dagen van angst besteeg sedert eene week geregeld een priester of monnik dag aan dag den kansel.Kort nadat de jonkman zijne plaats had ingenomen, begon de preek, en met eene pijnlijke gewaarwording herkende hij in den holoogigen, in lompen gehulden monnik, die haar hield, een geestelijke, dien hij meer dan eens in de herberg van Nesptah zoo beschonken had gezien, dat hij zijn bewustzijn geheel verloren had. En deze afzichtelijke kerel, die zelfs op den kansel pronkte met de smerigheid en verwaarloozing van zijn lichaam, donderde der sidderende gemeente in het oor, dat het uitblijven van het wassen des Nijlwaters een gevolg was van hare zonde en de straf Gods voor hare misdaden. In plaats van de beangstigde gemoederen te troosten, op lieflijken toon tot geloof op te wekken, en hen te vervullen met de hoop op betere tijden, stelde hij hun in vurige taal voor welk eene straf hun wachtte voor hunne kleingeloovigheid. God de Heer plaagde hen en het land met groote hitte, maar deze was een koele noordenwind in den adventstijd vergeleken bij den gloed van den helschen oven, dien de satan reeds voor hen stookte. De brandende zon op aarde verlichtte den dag, maar die vlammen daar beneden verbreidden geen licht, opdat de verschrikkingen dergenen geen einde zouden nemen, die de dienaars van den duivel met lans- en gaffelsteken, met knodsslagen en diepe beten in het vleesch over de smalle brug dreven, die naar zijn afschuwelijkrijk voerde. In hun doodsangst en bij het gedrang op dezen weg trapten moeders hare zuigelingen, vaders hunne dochters onder den voet, en wanneer de verdoemden den stekeligen drempel van de hellezaal betraden, kwam hun een akelige, giftige stank te gemoet, die hen dreigde te doen stikken en hen toch als de frissche lucht kracht verleende om nieuwe kwellingen te ondergaan met verhoogde gevoeligheid aller zintuigen. Daar dreunde hun het jammerlijk gehuil van den duivel in het oor,dat het gewelf der hel deed trillen, en opeens greep hij hen met vreeselijk geknars van het rooster waarop hij lag, perste en maalde hen fijn als druiven tusschen zijn ijzeren gebit, en slikte hen door naar zijn brandend ingewand, zoo zij niet door de knechten der satans in gloeiende ovens aan hunne tongen werden opgehangen, of beurtelings door de vlammen of door het ijs werden gesleept om eindelijk op het aambeeld der hel in stukken gebeukt, of met doeken en stroppen dood geworgd en gewrongen te worden. In vergelijking van zulk eene smart, die men dáar te lijden zou hebben, was elke zielepijn zoet als de kus eener geliefde. De moeder hoorde de kokende hersenen in den schedel harer zuigelingen borrelen....Bij dit afgrijselijk woord van den monnik wendde Orion zich huiverend van hem af. De vloek waarmede de patriarch hem bedreigd had, kwam hem voor den geest, en het was hem als werd de heete met wierookdamp bezwangerde lucht van het geheele sombere kerkgebouw vervuld met fladderende uilen en akelige vleermuizen. Een diepe afschuw greep hem aan en opeens ontwaakte de frissche moed der jeugd, de drang naar vrijheid, de lust om te leven met alle kracht in zijne ziel, en het scheen hem toe dat eene stem in zijn binnenste hem toeriep: »Weg met elken dwang en alle ketenen, ontplooi uwe wieken, geest die vleugelen draagt! Weg met dien god der verschrikking, die een andere is dan de hemelsche vader, wiens liefde de menschheid omvat. Ga vrij en ongebonden voorwaarts, steun op eigene kracht, begeef u kalm naar buiten in het volle, zonnige leven, geleid door uw eigen wil! Wees vrij, maar niet als de slaaf, die ternauwernood de boeien ontkomen en op eigen beenen staande, zich weder begeeft in de dienstbaarheid der zinnen; neen, om uit vrije aandrift, met het zweet op het voorhoofd rusteloos te streven, ten einde het hoogste doel te bereiken, alles tot ontwikkeling en tot zijn recht te brengen, wat er groots en goeds is in uwe ziel. Ja, het leven is een dienst! Evenals de leerlingen van de Stoa wil ook ik nastreven wat zij deugd noemden, met geen ander doel dan omdat het schoon is, omdat het ongestoord genot geeft deugdzaam te zijn. Geheel op eigene verantwoordelijkheid te zoeken wat het ware is, te doen wat ikals goed en recht heb erkend, dat zij voortaan het wit waarnaar ik jagen wil. Aan de beide groote wenschen van mijn hart: de verzoening met mijn vader en het bezit van Paula, voeg ik terstond als derde toe: het zoeken naar het hoogste doel dat voor mij bereikbaar is, en het kalm worstelen, om het zoo nabij te komen als mijne krachten toelaten. De weg, die daarheen leidt, is de arbeid, de leidster, die ik te volgen heb, om niet af te dwalen, mijne liefde!»Met gloeiende wangen en diep ademhalende keek hij rond, als zocht hij eene tegenpartij om daaraan zijne krachten te meten. De ellendige preek was ten einde en uit het gezang der gemeente klonken hem de woorden in het oor: »Heer, straf mij niet voor mijne misdaden.”Daar viel de gedachte aan zijn misdrijf en bovenal de vloek zijns stervenden vaders hem weer loodzwaar op het hart; hij liet het moede hoofd op de borst zinken en zeide tot zichzelven, dat hij te zwaar belast was om de stoute vlucht te wagen, waartoe hij de vleugels begon te ontplooien. Nog was hij niet ontheven van dien banvloek, nog gevoelde hij zich niet verlost van zijn last. Doch bij het woord »verlost” kwam het beeld hem voor den geest van den Verlosser, die de zonden der wereld op zich had genomen, en hoe meer hij zich verdiepte in het wezen van dien Heiland, dien hij sedert zijn kindsheid had liefgehad, des te vaster werd hij overtuigd, dat hij aan de vrijheid van zijn eigen wil geen afbreuk deed, maar veeleer gehoor gaf aan zijn oud verlangen, wanneer hij alles wat hem bezwaarde aan Jezus beleed; dat de liefde tot en het geloof in hem ook voor zijne ziel eene verlossende kracht bezat. En zoo verhief hij oog en hart tot hem; als aan een beproefd vriend vertrouwde hij hem alles toe wat hem beangstigde en in den weg stond en bad hem om zijn bijstand. In liefde tot Jezus wist hij zich éen met Paula, ofschoon zij eene andere voorstelling van hem had dan hij.Zij zag behalve de goddelijke ook nog eene menschelijke natuur in Christus, en over dit punt, waarin hare opvatting van de zijne verschilde, begon hij te peinzen. Terwijl hij nadacht over eene beschouwing, waarvan hij nog zoo kort geleden een afkeer had gevoeld, kwam het hem voor dat de geheel eenige gestalte van den Verlosser, wiens wezen liefde en waarheid ademde, hem nader stond, wanneer hij zich dacht dat die vlekkelooze en volmaakte als een mensch had gevoeld, dat hij de levenslust eens menschen in het hart had gedragen, dat ook hij ontvankelijk was geweest voor het lief en leed dat stervelingen kwelt, dat hij onder menschen had gewandeld, om zich met hen te verblijden, dat hij uit reine liefde voor dat rampzalig geslacht uit den hemel was neergedaald, om zich onuitsprekelijkevernederingen, smarten, ja den dood te getroosten met een bloedend hart, dat toch vervuld was van de blijmoedigste zelfverloochening. Ja, die Christus kon ook zijn Verlosser zijn; hij die met almacht heerschappij voerde werd voor hem een volmaakt en liefderijk vriend, een edele, zorgvuldige en dierbare broeder, wien men gaarne zijn hart zou schenken, die alles begreep, bereid was alles te vergeven, ook dat wat er omging in zijn, Orions, gewond, naar loutering smachtend gemoed, omdat hij eens zelf als mensch menschelijk had geleden. Heden waagde hij, de Jacobiet, voor de eerste maal dit alles zichzelven te bekennen, en dat niet enkel om Paula’s wil....Heftige slagen op een gebersten metalen schijf wekten hem met luid gedruisch uit deze overpeinzing; evenals aan het slot van elke belangrijke Jacobietische godsdienstoefening werd ook heden het heilig avondmaal bediend. De bisschop plaatste zich voor de kast van het Allerheiligste, goot wijn in een zilveren beker en brokkelde daarin twee met het Koptische kruis gestempelde broodjes. Van dit mengsel nam hij eerst zelf en reikte het daarna in een lepel uit aan de leden der gemeente, die éen voor éen naderden. Nadat twee ouderlingen hun deel hadden ontvangen, kreeg Orion ook het zijne. Ten laatste reinigde de priester de bokaal door er water in te gieten, en dronk ook dit, opdatervan den verlossenden drank niets verloren zou gaan. Hoe had het hart geklopt van den aankomenden jongeling, toen hij voor het eerst tot dit heiligste aller christelijke gebruiken werd toegelaten! Hij kende den diepen, heerlijken zin ervan, hij had de reinigende, verlossende, verkwikkende en tot alle goeds kracht gevende werking van het avondmaal vaak ondervonden, als hij het met zijne ouders en broeders te zamen genoot. Hoe waren zij verkwikt naar lichaam en ziel, vaster dan ooit aan elkander verbonden, vaak hand aan hand naar huis gegaan! Heden was het hem, die zich niet ergerde aan de gebrekkige vormen der Godsvereering volgens de geloofsbelijdenis zijner kindsheid, als werd door het brood en den wijn, het lichaam en het bloed des Verlossers, het verbond betegeld, dat hij in stilte met hem had gesloten, en als nam de Heiland met onzichtbare hand de schuld en den vloek van hem weg, die hem zoo zwaar drukte. Hij geraakte in eene hoog eerbiedige stemming, en het scheen hem toe, dat zijn volgend leven hem Gode nader zou brengen dan vroeger, en zijne liefde hem in staat zou stellen, ernstiger, vrijer en met meer inspanning de gaven te gebruiken die de hemel hem had verleend.
TWEEDE HOOFDSTUK.Orion bevond zich in het ruime vertrek alleen, en het was hem alsof na storm en onweder de geheele wereld rondom in het ijdele niets verzonk. Hij gevoelde in de eerste plaats, dat er iets verschrikkelijks had plaats gehad, dat hem uit het bereik van alles dreigde te werpen, waarvoor hij gewoon was te buigen, en dat hij tot hiertoe als heilig had beschouwd. Hij had den patriarch den oorlog verklaard ter eere van en uit liefde tot zijne goede engel, en de macht en invloed van dezen man waren niet minder groot dan zijne gestalte. Doch voor het oog van den jonkman verhief zich hoog en zegevierend het beeld van de geliefde, en hij zag in zijn vader een bondgenoot bij den kamp, dien hij geheel op eigene verantwoordelijkheid zou aangaan. Met behulp van zijn scherp geheugen en zijne helderheid van geest herinnerde hij zich thans ieder woord, dat hij uit den mond van den prelaat had vernomen. De geweldige grijsaard, wiens gemoed van geloofsijver overliep, had met hem gespeeld als een kat met een muis. Hij had getracht hem uit te hooren en te doorgronden, voor hij met het laatste voor den dag kwam, waarmede hij had moeten beginnen; daar hij van alles onderricht was, toen hij hem voor de eerste maal, als had hij geen ernstig verwijt tegen hem op het hart, de hand had gereikt. Orion nam zich voor, ook zonder hem vast te houden aan zijn geloof en zich door hem de beide andere hoogste goederen eener christenziel, liefde en hoop, niet te laten ontrooven. Als door een wonder scheen zijne moeder, ondanks den angst van haar bloedend hart, den kerkvorst nog niets van den vloek des vaders te hebben medegedeeld, en welk een wapen tegen hem zou zij Benjamin daarmede in de hand hebben gegeven! Met innig medelijden dacht hij aan de arme, ongelukkige vrouw, en daarbij bekroop hem de argwaan, dat de prelaat zich weder tot haar had begeven, om hem aan te klagen en haar tot nieuwe bekentenissen te bewegen.Sedert het vertrek van den patriarch was reeds eenige tijd verloopen, en zonder hem uitgeleide te doen, iets wat opzien moest baren, had Orion den hoogen gast laten vertrekken. In dit vergrijp tegen de welvoegelijkheid, de ongeschreven wet der samenleving, zag de zoon van een oud aanzienlijk huis, die de achting daarvoor als met de moedermelk had ingezogen, eene beleediging, die hij zichzelven had aangedaan, en om deze weder goed te maken, streek hij haastig met de hand zijne verwilderde haren terecht en ijlde naar het viridarium terug. Daar werd zijn vermoeden terstond bevestigd, want het gevolg van den patriarch stond nog vóor den ingang van de fonteinzaal, waar zijne moeder zich ophield en waaruit Benjamin zoo juist te voorschijn kwam.Met hoffelijke waardigheid, en als had hij met Orion in der minne onderhandeld, nam de grijsaard zijn geleide aan. In het viridarium vroeg hij zijn jongen gastheer naar den naam van eenige zeldzame gewassen en gaf hem den raad op zijne goederen zorg te dragen voor het aanplanten van schaduwgevende boomen. In de voorzaal stonden tegen de pilasters aan beide zijden van de hooge achterdeur de marmeren beelden van de waarheid en de gerechtigheid, kostelijke kunstwerken van den Alexandrijn Aristeas, die leefde ten tijde van keizer Hadrianus. De gerechtigheid droeg de weegschaal en het zwaard in de handen; de waarheid zag in een spiegel. Toen de patriarch deze beelden naderde, zeide hij tot den priester die hem vergezelde: »Nog altijd!” Hierop stond hij stil en zeide, zich half tot Orion en half tot den geestelijke wendende: »Uw vader heeft, gelijk ik zie, geen acht geslagen op mijn wenk, dat zulke heidensche beelden niet passen in een christelijk huis, en allerminst in een, dat een officieel karakter draagt. Wij weten wel welk karakter die symbolen aan deze beelden geven, maar hoe licht kan de mindere man, die hier moet wachten, die vrouw met den spiegel voor de ijdelheid houden terwijl die andere met de weegschaal hem in koopmanstaal schijnt te zeggen: betaal wat ons toekomt, anders—hierop doelt het zwaard—geldt het uw leven!”Daarop liep hij lachend verder, op luchtigen toon tot Orion zeggende: »Als ik terugkom—en gij weet wat ik hiermede bedoel—dan zal het mij genoegen doen als mijne oogen niet meer beleedigd worden door deze beelden uit den tijd der afgoderij.”»De waarheid en de gerechtigheid,” antwoordde Orion met een gedempte stem, »hebben bijna een vijftal eeuwen op deze plaats gestaan en in dit huis heerschappij gevoerd.”»Het zou schooner en eervoller zijn,” antwoordde de kerkvorst,»dat gij dit kondet zeggen van den eenigen, dien in een christelijk huis de eerste plaats toekomt; in zijn rijk gedijt elke andere christelijke deugd vanzelf. De christen moet uit zijn huis elk beeldwerk verbannen, alleen bij de deur zijns harten plaatse hij aan de eene post het geloof en aan de andere de deemoed.”Onderwijl waren zij in den tuin gekomen ter plaatse waar de wagen van de weduwe Susanna wachtte. Orion hielp den prelaat bij het instappen en toen deze hem ten aanzien van eene menigte geknielde beambten en slaven de hand tot een kus toestak, raakte de jonkman haar even met zijne lippen aan. In diep gebogen houding bleef hij staan, zoolang de heilige man door de opene zijde van de karos zijne handen zegenend over de schare uitstrekte; daarna begaf hij zich haastig tot zijne moeder.Hij had verwacht de ongelukkige vrouw uitgeput te zullen vinden door al de aandoeningen, die het bezoek van den prelaat bij haar had opgewekt, doch hij trof vrouw Neforis veel bedaarder aan dan hij haar sedert zijns vaders dood gezien had; haar anders zoo kalm gelaat droeg de uitdrukking eener dweepzieke opgewondenheid, die Orion verraste. Had zij aan zijn vader gedacht? Was het den patriarch gelukt haar vroom gemoed zoo te bezielen, dat zij zichzelve geheel vergeten kon? Zij was gereed om naar de kerk te gaan en nadat zij de eer had geroemd, die haar en haar huis door het bezoek van den allerheiligsten vader ten deel was gevallen, verlangde zij van Orion dat hij haar naar het godshuis zou begeleiden. Ofschoon hij deze uren voor geheel andere dingen bestemd had, voldeed de liefhebbende zoon terstond aan haar wensch, hief haar in den wagen, zeide den voerman dat hij langzaam zou rijden, en plaatste zich aan hare zijde.Onderweg vroeg hij haar wat zij den patriarch had medegedeeld, en haar antwoord zou hem hebben gerustgesteld, indien het hem niet in een ander opzicht met nieuwe bezorgdheid had vervuld. De anders zoo verstandige, rustige geest dezer kalme vrouw scheen onder het gewicht van het ongeluk geleden te hebben, want alles wat zij zeide scheen zeer verward en begreep hij maar half. Doch dit eene bleek hem duidelijk, dat zij den patriarch geen deelgenoot had gemaakt van den vloek, waarmede zijn vader gescheiden was. De kerkvorst had ook tegenover haar de houding van den gestorvene afgekeurd en dit had haar zeker den mond gesloten. Zij beklaagde zich tegen Orion, dat Benjamin den ontslapene nooit begrepen had, zoodat zij de vurige begeerte had moeten onderdrukken om haar hart geheel voor hem te ontsluiten. Eerst in de kerk, in tegenwoordigheid van den Verlosser zelven, zou zij het over zich kunnen verkrijgen,dezen in haar hart te laten lezen als in een open boek. In het huis Gods, dáar alleen, zoo had eene inwendige stem haar gezegd, zou zij vrijspraak vinden voor haar en haren zoon. Dag en nacht hoorde zij die stem, en hoeveel leed het haar deed hem smart aan te doen, thans moest hij het hooren: die stem liet niet af haar te bevelen den band te verscheuren, die hem aan de Melchietin verbond. Gisteren geloofde zij, dat het haar oudste gestorven zoon was die tot haar sprak, hij die voor zijn Jacobietisch geloof het leven liet. Die stem klonk als de zijne, en had haar toegeroepen, dat het oude huis van Menas zou ondergaan, wanneer die Melchietin het reine bloed van haar stam bezoedelde. Benjamin had hare bezorgdheid begrepen, en was andermaal tot haar gekomen alleen om haar te bezweren het misdadig verlangen van Orion naar de dochter van Thomas te bestrijden met al de kracht van haar moederlijk gezag. Daar de patriarch denzelfden eisch stelde als die stem, zoo kwam zij van God en moest hij haar gehoorzamen. De oude boosheid tegen Paula was weder ontwaakt en men kon het aan hare stem hooren, dat zij klom bij elken volzin, waarin zij haar gedacht.Orion smeekte haar zich te matigen en herinnerde haar aan de belofte hem gedaan bij het sterfbed van zijn vader, en toen zijne moeder hem weenende en klagende begon te antwoorden, hield de wagen voor de kerk stil. Thans spande hij al zijne krachten in om haar gerust te stellen, en daar de weeke, teedere klank zijner stem haar goeddeed, knikte zij hem vriendelijk toe, terwijl zij hem in het godshuis volgde. Achter den narthex, het voorportaal van de kerk, waar zich bij een klein marmeren waterbekken drie boetelingen ten aanzien van de binnentredende menigte den rug met geeselslagen kastijdden, moesten zij van elkander afscheid nemen; want de plaats voor de vrouwen bestemd bevond zich, afgescheiden van die der mannen, achter een sierlijk gesneden houten hekwerk. Terwijl vrouw Neforis in die richting voortschreed, schudde zij zacht het gebogen hoofd. Zij dacht aan de keus, die Orion haar stelde, om zich te schikken of naar de bevelen van den patriarch of naar de wenschen van haren zoon. Hoe gaarne had zij dien zoon weder vroolijk gezien, doch Benjamin had haar gedreigd met het verlies der hemelsche zaligheid, wanneer zij hare toestemming gaf tot Orions echtverbintenis met eene kettersche; de eeuwige zaligheid echter bestond voor haar in een wedervinden, een wederbezitten, en daarvoor wilde zij den zoon, benevens alles waaraan haar hart nog gehecht was, volgaarne prijs geven.Orion woonde de godsdienstoefening bij op de plaats zijner familie, dicht bij het allerheiligste, waar het altaar stond en depriesters de plechtigheden verrichtten. Het was gescheiden van het drieledige hoofdschip door een muur, die met gebrekkig beeldwerk en dun vergulde sieraden was getooid: even min als het geheele gebouw wekte dit gedeelte een diepen, heerlijken of verheffenden indruk. De oorspronkelijk rijk versierde basiliek was bij een treffen tusschen Jacobieten en Melchieten door de laatsten geplunderd, en de verarmde stad was niet in staat geweest om den ouden glans harer eerwaardige hoofdkerk ook maar eenigermate te herstellen. Orion zag rond, maar hij zag niets, dat hem tot eerbied kon stemmen.De geheele gemeente moest de godsdienstoefening staande bijwonen, en daar deze zeer lang pleegde te duren, steunden niet alleen de vrouwen achter het hekwerk, maar ook vele mannen gevoelden zich als lammen en kreupelen op krukken. Hoe leelijk klonk het Egyptisch gezang, dat telkens werd afgebroken door den schrillen klank van den slag op een metalen bekken, terwijl men daar tusschen het geruisch vernam van babbelende lieden, die zoodra hun gepraat in twisten ontaardde, door een priester luide en heftig tot de orde werden geroepen. In den regel liep alles met deze liturgische oefeningen af, als het avondmaal niet werd uitgedeeld; doch in deze dagen van angst besteeg sedert eene week geregeld een priester of monnik dag aan dag den kansel.Kort nadat de jonkman zijne plaats had ingenomen, begon de preek, en met eene pijnlijke gewaarwording herkende hij in den holoogigen, in lompen gehulden monnik, die haar hield, een geestelijke, dien hij meer dan eens in de herberg van Nesptah zoo beschonken had gezien, dat hij zijn bewustzijn geheel verloren had. En deze afzichtelijke kerel, die zelfs op den kansel pronkte met de smerigheid en verwaarloozing van zijn lichaam, donderde der sidderende gemeente in het oor, dat het uitblijven van het wassen des Nijlwaters een gevolg was van hare zonde en de straf Gods voor hare misdaden. In plaats van de beangstigde gemoederen te troosten, op lieflijken toon tot geloof op te wekken, en hen te vervullen met de hoop op betere tijden, stelde hij hun in vurige taal voor welk eene straf hun wachtte voor hunne kleingeloovigheid. God de Heer plaagde hen en het land met groote hitte, maar deze was een koele noordenwind in den adventstijd vergeleken bij den gloed van den helschen oven, dien de satan reeds voor hen stookte. De brandende zon op aarde verlichtte den dag, maar die vlammen daar beneden verbreidden geen licht, opdat de verschrikkingen dergenen geen einde zouden nemen, die de dienaars van den duivel met lans- en gaffelsteken, met knodsslagen en diepe beten in het vleesch over de smalle brug dreven, die naar zijn afschuwelijkrijk voerde. In hun doodsangst en bij het gedrang op dezen weg trapten moeders hare zuigelingen, vaders hunne dochters onder den voet, en wanneer de verdoemden den stekeligen drempel van de hellezaal betraden, kwam hun een akelige, giftige stank te gemoet, die hen dreigde te doen stikken en hen toch als de frissche lucht kracht verleende om nieuwe kwellingen te ondergaan met verhoogde gevoeligheid aller zintuigen. Daar dreunde hun het jammerlijk gehuil van den duivel in het oor,dat het gewelf der hel deed trillen, en opeens greep hij hen met vreeselijk geknars van het rooster waarop hij lag, perste en maalde hen fijn als druiven tusschen zijn ijzeren gebit, en slikte hen door naar zijn brandend ingewand, zoo zij niet door de knechten der satans in gloeiende ovens aan hunne tongen werden opgehangen, of beurtelings door de vlammen of door het ijs werden gesleept om eindelijk op het aambeeld der hel in stukken gebeukt, of met doeken en stroppen dood geworgd en gewrongen te worden. In vergelijking van zulk eene smart, die men dáar te lijden zou hebben, was elke zielepijn zoet als de kus eener geliefde. De moeder hoorde de kokende hersenen in den schedel harer zuigelingen borrelen....Bij dit afgrijselijk woord van den monnik wendde Orion zich huiverend van hem af. De vloek waarmede de patriarch hem bedreigd had, kwam hem voor den geest, en het was hem als werd de heete met wierookdamp bezwangerde lucht van het geheele sombere kerkgebouw vervuld met fladderende uilen en akelige vleermuizen. Een diepe afschuw greep hem aan en opeens ontwaakte de frissche moed der jeugd, de drang naar vrijheid, de lust om te leven met alle kracht in zijne ziel, en het scheen hem toe dat eene stem in zijn binnenste hem toeriep: »Weg met elken dwang en alle ketenen, ontplooi uwe wieken, geest die vleugelen draagt! Weg met dien god der verschrikking, die een andere is dan de hemelsche vader, wiens liefde de menschheid omvat. Ga vrij en ongebonden voorwaarts, steun op eigene kracht, begeef u kalm naar buiten in het volle, zonnige leven, geleid door uw eigen wil! Wees vrij, maar niet als de slaaf, die ternauwernood de boeien ontkomen en op eigen beenen staande, zich weder begeeft in de dienstbaarheid der zinnen; neen, om uit vrije aandrift, met het zweet op het voorhoofd rusteloos te streven, ten einde het hoogste doel te bereiken, alles tot ontwikkeling en tot zijn recht te brengen, wat er groots en goeds is in uwe ziel. Ja, het leven is een dienst! Evenals de leerlingen van de Stoa wil ook ik nastreven wat zij deugd noemden, met geen ander doel dan omdat het schoon is, omdat het ongestoord genot geeft deugdzaam te zijn. Geheel op eigene verantwoordelijkheid te zoeken wat het ware is, te doen wat ikals goed en recht heb erkend, dat zij voortaan het wit waarnaar ik jagen wil. Aan de beide groote wenschen van mijn hart: de verzoening met mijn vader en het bezit van Paula, voeg ik terstond als derde toe: het zoeken naar het hoogste doel dat voor mij bereikbaar is, en het kalm worstelen, om het zoo nabij te komen als mijne krachten toelaten. De weg, die daarheen leidt, is de arbeid, de leidster, die ik te volgen heb, om niet af te dwalen, mijne liefde!»Met gloeiende wangen en diep ademhalende keek hij rond, als zocht hij eene tegenpartij om daaraan zijne krachten te meten. De ellendige preek was ten einde en uit het gezang der gemeente klonken hem de woorden in het oor: »Heer, straf mij niet voor mijne misdaden.”Daar viel de gedachte aan zijn misdrijf en bovenal de vloek zijns stervenden vaders hem weer loodzwaar op het hart; hij liet het moede hoofd op de borst zinken en zeide tot zichzelven, dat hij te zwaar belast was om de stoute vlucht te wagen, waartoe hij de vleugels begon te ontplooien. Nog was hij niet ontheven van dien banvloek, nog gevoelde hij zich niet verlost van zijn last. Doch bij het woord »verlost” kwam het beeld hem voor den geest van den Verlosser, die de zonden der wereld op zich had genomen, en hoe meer hij zich verdiepte in het wezen van dien Heiland, dien hij sedert zijn kindsheid had liefgehad, des te vaster werd hij overtuigd, dat hij aan de vrijheid van zijn eigen wil geen afbreuk deed, maar veeleer gehoor gaf aan zijn oud verlangen, wanneer hij alles wat hem bezwaarde aan Jezus beleed; dat de liefde tot en het geloof in hem ook voor zijne ziel eene verlossende kracht bezat. En zoo verhief hij oog en hart tot hem; als aan een beproefd vriend vertrouwde hij hem alles toe wat hem beangstigde en in den weg stond en bad hem om zijn bijstand. In liefde tot Jezus wist hij zich éen met Paula, ofschoon zij eene andere voorstelling van hem had dan hij.Zij zag behalve de goddelijke ook nog eene menschelijke natuur in Christus, en over dit punt, waarin hare opvatting van de zijne verschilde, begon hij te peinzen. Terwijl hij nadacht over eene beschouwing, waarvan hij nog zoo kort geleden een afkeer had gevoeld, kwam het hem voor dat de geheel eenige gestalte van den Verlosser, wiens wezen liefde en waarheid ademde, hem nader stond, wanneer hij zich dacht dat die vlekkelooze en volmaakte als een mensch had gevoeld, dat hij de levenslust eens menschen in het hart had gedragen, dat ook hij ontvankelijk was geweest voor het lief en leed dat stervelingen kwelt, dat hij onder menschen had gewandeld, om zich met hen te verblijden, dat hij uit reine liefde voor dat rampzalig geslacht uit den hemel was neergedaald, om zich onuitsprekelijkevernederingen, smarten, ja den dood te getroosten met een bloedend hart, dat toch vervuld was van de blijmoedigste zelfverloochening. Ja, die Christus kon ook zijn Verlosser zijn; hij die met almacht heerschappij voerde werd voor hem een volmaakt en liefderijk vriend, een edele, zorgvuldige en dierbare broeder, wien men gaarne zijn hart zou schenken, die alles begreep, bereid was alles te vergeven, ook dat wat er omging in zijn, Orions, gewond, naar loutering smachtend gemoed, omdat hij eens zelf als mensch menschelijk had geleden. Heden waagde hij, de Jacobiet, voor de eerste maal dit alles zichzelven te bekennen, en dat niet enkel om Paula’s wil....Heftige slagen op een gebersten metalen schijf wekten hem met luid gedruisch uit deze overpeinzing; evenals aan het slot van elke belangrijke Jacobietische godsdienstoefening werd ook heden het heilig avondmaal bediend. De bisschop plaatste zich voor de kast van het Allerheiligste, goot wijn in een zilveren beker en brokkelde daarin twee met het Koptische kruis gestempelde broodjes. Van dit mengsel nam hij eerst zelf en reikte het daarna in een lepel uit aan de leden der gemeente, die éen voor éen naderden. Nadat twee ouderlingen hun deel hadden ontvangen, kreeg Orion ook het zijne. Ten laatste reinigde de priester de bokaal door er water in te gieten, en dronk ook dit, opdatervan den verlossenden drank niets verloren zou gaan. Hoe had het hart geklopt van den aankomenden jongeling, toen hij voor het eerst tot dit heiligste aller christelijke gebruiken werd toegelaten! Hij kende den diepen, heerlijken zin ervan, hij had de reinigende, verlossende, verkwikkende en tot alle goeds kracht gevende werking van het avondmaal vaak ondervonden, als hij het met zijne ouders en broeders te zamen genoot. Hoe waren zij verkwikt naar lichaam en ziel, vaster dan ooit aan elkander verbonden, vaak hand aan hand naar huis gegaan! Heden was het hem, die zich niet ergerde aan de gebrekkige vormen der Godsvereering volgens de geloofsbelijdenis zijner kindsheid, als werd door het brood en den wijn, het lichaam en het bloed des Verlossers, het verbond betegeld, dat hij in stilte met hem had gesloten, en als nam de Heiland met onzichtbare hand de schuld en den vloek van hem weg, die hem zoo zwaar drukte. Hij geraakte in eene hoog eerbiedige stemming, en het scheen hem toe, dat zijn volgend leven hem Gode nader zou brengen dan vroeger, en zijne liefde hem in staat zou stellen, ernstiger, vrijer en met meer inspanning de gaven te gebruiken die de hemel hem had verleend.
TWEEDE HOOFDSTUK.Orion bevond zich in het ruime vertrek alleen, en het was hem alsof na storm en onweder de geheele wereld rondom in het ijdele niets verzonk. Hij gevoelde in de eerste plaats, dat er iets verschrikkelijks had plaats gehad, dat hem uit het bereik van alles dreigde te werpen, waarvoor hij gewoon was te buigen, en dat hij tot hiertoe als heilig had beschouwd. Hij had den patriarch den oorlog verklaard ter eere van en uit liefde tot zijne goede engel, en de macht en invloed van dezen man waren niet minder groot dan zijne gestalte. Doch voor het oog van den jonkman verhief zich hoog en zegevierend het beeld van de geliefde, en hij zag in zijn vader een bondgenoot bij den kamp, dien hij geheel op eigene verantwoordelijkheid zou aangaan. Met behulp van zijn scherp geheugen en zijne helderheid van geest herinnerde hij zich thans ieder woord, dat hij uit den mond van den prelaat had vernomen. De geweldige grijsaard, wiens gemoed van geloofsijver overliep, had met hem gespeeld als een kat met een muis. Hij had getracht hem uit te hooren en te doorgronden, voor hij met het laatste voor den dag kwam, waarmede hij had moeten beginnen; daar hij van alles onderricht was, toen hij hem voor de eerste maal, als had hij geen ernstig verwijt tegen hem op het hart, de hand had gereikt. Orion nam zich voor, ook zonder hem vast te houden aan zijn geloof en zich door hem de beide andere hoogste goederen eener christenziel, liefde en hoop, niet te laten ontrooven. Als door een wonder scheen zijne moeder, ondanks den angst van haar bloedend hart, den kerkvorst nog niets van den vloek des vaders te hebben medegedeeld, en welk een wapen tegen hem zou zij Benjamin daarmede in de hand hebben gegeven! Met innig medelijden dacht hij aan de arme, ongelukkige vrouw, en daarbij bekroop hem de argwaan, dat de prelaat zich weder tot haar had begeven, om hem aan te klagen en haar tot nieuwe bekentenissen te bewegen.Sedert het vertrek van den patriarch was reeds eenige tijd verloopen, en zonder hem uitgeleide te doen, iets wat opzien moest baren, had Orion den hoogen gast laten vertrekken. In dit vergrijp tegen de welvoegelijkheid, de ongeschreven wet der samenleving, zag de zoon van een oud aanzienlijk huis, die de achting daarvoor als met de moedermelk had ingezogen, eene beleediging, die hij zichzelven had aangedaan, en om deze weder goed te maken, streek hij haastig met de hand zijne verwilderde haren terecht en ijlde naar het viridarium terug. Daar werd zijn vermoeden terstond bevestigd, want het gevolg van den patriarch stond nog vóor den ingang van de fonteinzaal, waar zijne moeder zich ophield en waaruit Benjamin zoo juist te voorschijn kwam.Met hoffelijke waardigheid, en als had hij met Orion in der minne onderhandeld, nam de grijsaard zijn geleide aan. In het viridarium vroeg hij zijn jongen gastheer naar den naam van eenige zeldzame gewassen en gaf hem den raad op zijne goederen zorg te dragen voor het aanplanten van schaduwgevende boomen. In de voorzaal stonden tegen de pilasters aan beide zijden van de hooge achterdeur de marmeren beelden van de waarheid en de gerechtigheid, kostelijke kunstwerken van den Alexandrijn Aristeas, die leefde ten tijde van keizer Hadrianus. De gerechtigheid droeg de weegschaal en het zwaard in de handen; de waarheid zag in een spiegel. Toen de patriarch deze beelden naderde, zeide hij tot den priester die hem vergezelde: »Nog altijd!” Hierop stond hij stil en zeide, zich half tot Orion en half tot den geestelijke wendende: »Uw vader heeft, gelijk ik zie, geen acht geslagen op mijn wenk, dat zulke heidensche beelden niet passen in een christelijk huis, en allerminst in een, dat een officieel karakter draagt. Wij weten wel welk karakter die symbolen aan deze beelden geven, maar hoe licht kan de mindere man, die hier moet wachten, die vrouw met den spiegel voor de ijdelheid houden terwijl die andere met de weegschaal hem in koopmanstaal schijnt te zeggen: betaal wat ons toekomt, anders—hierop doelt het zwaard—geldt het uw leven!”Daarop liep hij lachend verder, op luchtigen toon tot Orion zeggende: »Als ik terugkom—en gij weet wat ik hiermede bedoel—dan zal het mij genoegen doen als mijne oogen niet meer beleedigd worden door deze beelden uit den tijd der afgoderij.”»De waarheid en de gerechtigheid,” antwoordde Orion met een gedempte stem, »hebben bijna een vijftal eeuwen op deze plaats gestaan en in dit huis heerschappij gevoerd.”»Het zou schooner en eervoller zijn,” antwoordde de kerkvorst,»dat gij dit kondet zeggen van den eenigen, dien in een christelijk huis de eerste plaats toekomt; in zijn rijk gedijt elke andere christelijke deugd vanzelf. De christen moet uit zijn huis elk beeldwerk verbannen, alleen bij de deur zijns harten plaatse hij aan de eene post het geloof en aan de andere de deemoed.”Onderwijl waren zij in den tuin gekomen ter plaatse waar de wagen van de weduwe Susanna wachtte. Orion hielp den prelaat bij het instappen en toen deze hem ten aanzien van eene menigte geknielde beambten en slaven de hand tot een kus toestak, raakte de jonkman haar even met zijne lippen aan. In diep gebogen houding bleef hij staan, zoolang de heilige man door de opene zijde van de karos zijne handen zegenend over de schare uitstrekte; daarna begaf hij zich haastig tot zijne moeder.Hij had verwacht de ongelukkige vrouw uitgeput te zullen vinden door al de aandoeningen, die het bezoek van den prelaat bij haar had opgewekt, doch hij trof vrouw Neforis veel bedaarder aan dan hij haar sedert zijns vaders dood gezien had; haar anders zoo kalm gelaat droeg de uitdrukking eener dweepzieke opgewondenheid, die Orion verraste. Had zij aan zijn vader gedacht? Was het den patriarch gelukt haar vroom gemoed zoo te bezielen, dat zij zichzelve geheel vergeten kon? Zij was gereed om naar de kerk te gaan en nadat zij de eer had geroemd, die haar en haar huis door het bezoek van den allerheiligsten vader ten deel was gevallen, verlangde zij van Orion dat hij haar naar het godshuis zou begeleiden. Ofschoon hij deze uren voor geheel andere dingen bestemd had, voldeed de liefhebbende zoon terstond aan haar wensch, hief haar in den wagen, zeide den voerman dat hij langzaam zou rijden, en plaatste zich aan hare zijde.Onderweg vroeg hij haar wat zij den patriarch had medegedeeld, en haar antwoord zou hem hebben gerustgesteld, indien het hem niet in een ander opzicht met nieuwe bezorgdheid had vervuld. De anders zoo verstandige, rustige geest dezer kalme vrouw scheen onder het gewicht van het ongeluk geleden te hebben, want alles wat zij zeide scheen zeer verward en begreep hij maar half. Doch dit eene bleek hem duidelijk, dat zij den patriarch geen deelgenoot had gemaakt van den vloek, waarmede zijn vader gescheiden was. De kerkvorst had ook tegenover haar de houding van den gestorvene afgekeurd en dit had haar zeker den mond gesloten. Zij beklaagde zich tegen Orion, dat Benjamin den ontslapene nooit begrepen had, zoodat zij de vurige begeerte had moeten onderdrukken om haar hart geheel voor hem te ontsluiten. Eerst in de kerk, in tegenwoordigheid van den Verlosser zelven, zou zij het over zich kunnen verkrijgen,dezen in haar hart te laten lezen als in een open boek. In het huis Gods, dáar alleen, zoo had eene inwendige stem haar gezegd, zou zij vrijspraak vinden voor haar en haren zoon. Dag en nacht hoorde zij die stem, en hoeveel leed het haar deed hem smart aan te doen, thans moest hij het hooren: die stem liet niet af haar te bevelen den band te verscheuren, die hem aan de Melchietin verbond. Gisteren geloofde zij, dat het haar oudste gestorven zoon was die tot haar sprak, hij die voor zijn Jacobietisch geloof het leven liet. Die stem klonk als de zijne, en had haar toegeroepen, dat het oude huis van Menas zou ondergaan, wanneer die Melchietin het reine bloed van haar stam bezoedelde. Benjamin had hare bezorgdheid begrepen, en was andermaal tot haar gekomen alleen om haar te bezweren het misdadig verlangen van Orion naar de dochter van Thomas te bestrijden met al de kracht van haar moederlijk gezag. Daar de patriarch denzelfden eisch stelde als die stem, zoo kwam zij van God en moest hij haar gehoorzamen. De oude boosheid tegen Paula was weder ontwaakt en men kon het aan hare stem hooren, dat zij klom bij elken volzin, waarin zij haar gedacht.Orion smeekte haar zich te matigen en herinnerde haar aan de belofte hem gedaan bij het sterfbed van zijn vader, en toen zijne moeder hem weenende en klagende begon te antwoorden, hield de wagen voor de kerk stil. Thans spande hij al zijne krachten in om haar gerust te stellen, en daar de weeke, teedere klank zijner stem haar goeddeed, knikte zij hem vriendelijk toe, terwijl zij hem in het godshuis volgde. Achter den narthex, het voorportaal van de kerk, waar zich bij een klein marmeren waterbekken drie boetelingen ten aanzien van de binnentredende menigte den rug met geeselslagen kastijdden, moesten zij van elkander afscheid nemen; want de plaats voor de vrouwen bestemd bevond zich, afgescheiden van die der mannen, achter een sierlijk gesneden houten hekwerk. Terwijl vrouw Neforis in die richting voortschreed, schudde zij zacht het gebogen hoofd. Zij dacht aan de keus, die Orion haar stelde, om zich te schikken of naar de bevelen van den patriarch of naar de wenschen van haren zoon. Hoe gaarne had zij dien zoon weder vroolijk gezien, doch Benjamin had haar gedreigd met het verlies der hemelsche zaligheid, wanneer zij hare toestemming gaf tot Orions echtverbintenis met eene kettersche; de eeuwige zaligheid echter bestond voor haar in een wedervinden, een wederbezitten, en daarvoor wilde zij den zoon, benevens alles waaraan haar hart nog gehecht was, volgaarne prijs geven.Orion woonde de godsdienstoefening bij op de plaats zijner familie, dicht bij het allerheiligste, waar het altaar stond en depriesters de plechtigheden verrichtten. Het was gescheiden van het drieledige hoofdschip door een muur, die met gebrekkig beeldwerk en dun vergulde sieraden was getooid: even min als het geheele gebouw wekte dit gedeelte een diepen, heerlijken of verheffenden indruk. De oorspronkelijk rijk versierde basiliek was bij een treffen tusschen Jacobieten en Melchieten door de laatsten geplunderd, en de verarmde stad was niet in staat geweest om den ouden glans harer eerwaardige hoofdkerk ook maar eenigermate te herstellen. Orion zag rond, maar hij zag niets, dat hem tot eerbied kon stemmen.De geheele gemeente moest de godsdienstoefening staande bijwonen, en daar deze zeer lang pleegde te duren, steunden niet alleen de vrouwen achter het hekwerk, maar ook vele mannen gevoelden zich als lammen en kreupelen op krukken. Hoe leelijk klonk het Egyptisch gezang, dat telkens werd afgebroken door den schrillen klank van den slag op een metalen bekken, terwijl men daar tusschen het geruisch vernam van babbelende lieden, die zoodra hun gepraat in twisten ontaardde, door een priester luide en heftig tot de orde werden geroepen. In den regel liep alles met deze liturgische oefeningen af, als het avondmaal niet werd uitgedeeld; doch in deze dagen van angst besteeg sedert eene week geregeld een priester of monnik dag aan dag den kansel.Kort nadat de jonkman zijne plaats had ingenomen, begon de preek, en met eene pijnlijke gewaarwording herkende hij in den holoogigen, in lompen gehulden monnik, die haar hield, een geestelijke, dien hij meer dan eens in de herberg van Nesptah zoo beschonken had gezien, dat hij zijn bewustzijn geheel verloren had. En deze afzichtelijke kerel, die zelfs op den kansel pronkte met de smerigheid en verwaarloozing van zijn lichaam, donderde der sidderende gemeente in het oor, dat het uitblijven van het wassen des Nijlwaters een gevolg was van hare zonde en de straf Gods voor hare misdaden. In plaats van de beangstigde gemoederen te troosten, op lieflijken toon tot geloof op te wekken, en hen te vervullen met de hoop op betere tijden, stelde hij hun in vurige taal voor welk eene straf hun wachtte voor hunne kleingeloovigheid. God de Heer plaagde hen en het land met groote hitte, maar deze was een koele noordenwind in den adventstijd vergeleken bij den gloed van den helschen oven, dien de satan reeds voor hen stookte. De brandende zon op aarde verlichtte den dag, maar die vlammen daar beneden verbreidden geen licht, opdat de verschrikkingen dergenen geen einde zouden nemen, die de dienaars van den duivel met lans- en gaffelsteken, met knodsslagen en diepe beten in het vleesch over de smalle brug dreven, die naar zijn afschuwelijkrijk voerde. In hun doodsangst en bij het gedrang op dezen weg trapten moeders hare zuigelingen, vaders hunne dochters onder den voet, en wanneer de verdoemden den stekeligen drempel van de hellezaal betraden, kwam hun een akelige, giftige stank te gemoet, die hen dreigde te doen stikken en hen toch als de frissche lucht kracht verleende om nieuwe kwellingen te ondergaan met verhoogde gevoeligheid aller zintuigen. Daar dreunde hun het jammerlijk gehuil van den duivel in het oor,dat het gewelf der hel deed trillen, en opeens greep hij hen met vreeselijk geknars van het rooster waarop hij lag, perste en maalde hen fijn als druiven tusschen zijn ijzeren gebit, en slikte hen door naar zijn brandend ingewand, zoo zij niet door de knechten der satans in gloeiende ovens aan hunne tongen werden opgehangen, of beurtelings door de vlammen of door het ijs werden gesleept om eindelijk op het aambeeld der hel in stukken gebeukt, of met doeken en stroppen dood geworgd en gewrongen te worden. In vergelijking van zulk eene smart, die men dáar te lijden zou hebben, was elke zielepijn zoet als de kus eener geliefde. De moeder hoorde de kokende hersenen in den schedel harer zuigelingen borrelen....Bij dit afgrijselijk woord van den monnik wendde Orion zich huiverend van hem af. De vloek waarmede de patriarch hem bedreigd had, kwam hem voor den geest, en het was hem als werd de heete met wierookdamp bezwangerde lucht van het geheele sombere kerkgebouw vervuld met fladderende uilen en akelige vleermuizen. Een diepe afschuw greep hem aan en opeens ontwaakte de frissche moed der jeugd, de drang naar vrijheid, de lust om te leven met alle kracht in zijne ziel, en het scheen hem toe dat eene stem in zijn binnenste hem toeriep: »Weg met elken dwang en alle ketenen, ontplooi uwe wieken, geest die vleugelen draagt! Weg met dien god der verschrikking, die een andere is dan de hemelsche vader, wiens liefde de menschheid omvat. Ga vrij en ongebonden voorwaarts, steun op eigene kracht, begeef u kalm naar buiten in het volle, zonnige leven, geleid door uw eigen wil! Wees vrij, maar niet als de slaaf, die ternauwernood de boeien ontkomen en op eigen beenen staande, zich weder begeeft in de dienstbaarheid der zinnen; neen, om uit vrije aandrift, met het zweet op het voorhoofd rusteloos te streven, ten einde het hoogste doel te bereiken, alles tot ontwikkeling en tot zijn recht te brengen, wat er groots en goeds is in uwe ziel. Ja, het leven is een dienst! Evenals de leerlingen van de Stoa wil ook ik nastreven wat zij deugd noemden, met geen ander doel dan omdat het schoon is, omdat het ongestoord genot geeft deugdzaam te zijn. Geheel op eigene verantwoordelijkheid te zoeken wat het ware is, te doen wat ikals goed en recht heb erkend, dat zij voortaan het wit waarnaar ik jagen wil. Aan de beide groote wenschen van mijn hart: de verzoening met mijn vader en het bezit van Paula, voeg ik terstond als derde toe: het zoeken naar het hoogste doel dat voor mij bereikbaar is, en het kalm worstelen, om het zoo nabij te komen als mijne krachten toelaten. De weg, die daarheen leidt, is de arbeid, de leidster, die ik te volgen heb, om niet af te dwalen, mijne liefde!»Met gloeiende wangen en diep ademhalende keek hij rond, als zocht hij eene tegenpartij om daaraan zijne krachten te meten. De ellendige preek was ten einde en uit het gezang der gemeente klonken hem de woorden in het oor: »Heer, straf mij niet voor mijne misdaden.”Daar viel de gedachte aan zijn misdrijf en bovenal de vloek zijns stervenden vaders hem weer loodzwaar op het hart; hij liet het moede hoofd op de borst zinken en zeide tot zichzelven, dat hij te zwaar belast was om de stoute vlucht te wagen, waartoe hij de vleugels begon te ontplooien. Nog was hij niet ontheven van dien banvloek, nog gevoelde hij zich niet verlost van zijn last. Doch bij het woord »verlost” kwam het beeld hem voor den geest van den Verlosser, die de zonden der wereld op zich had genomen, en hoe meer hij zich verdiepte in het wezen van dien Heiland, dien hij sedert zijn kindsheid had liefgehad, des te vaster werd hij overtuigd, dat hij aan de vrijheid van zijn eigen wil geen afbreuk deed, maar veeleer gehoor gaf aan zijn oud verlangen, wanneer hij alles wat hem bezwaarde aan Jezus beleed; dat de liefde tot en het geloof in hem ook voor zijne ziel eene verlossende kracht bezat. En zoo verhief hij oog en hart tot hem; als aan een beproefd vriend vertrouwde hij hem alles toe wat hem beangstigde en in den weg stond en bad hem om zijn bijstand. In liefde tot Jezus wist hij zich éen met Paula, ofschoon zij eene andere voorstelling van hem had dan hij.Zij zag behalve de goddelijke ook nog eene menschelijke natuur in Christus, en over dit punt, waarin hare opvatting van de zijne verschilde, begon hij te peinzen. Terwijl hij nadacht over eene beschouwing, waarvan hij nog zoo kort geleden een afkeer had gevoeld, kwam het hem voor dat de geheel eenige gestalte van den Verlosser, wiens wezen liefde en waarheid ademde, hem nader stond, wanneer hij zich dacht dat die vlekkelooze en volmaakte als een mensch had gevoeld, dat hij de levenslust eens menschen in het hart had gedragen, dat ook hij ontvankelijk was geweest voor het lief en leed dat stervelingen kwelt, dat hij onder menschen had gewandeld, om zich met hen te verblijden, dat hij uit reine liefde voor dat rampzalig geslacht uit den hemel was neergedaald, om zich onuitsprekelijkevernederingen, smarten, ja den dood te getroosten met een bloedend hart, dat toch vervuld was van de blijmoedigste zelfverloochening. Ja, die Christus kon ook zijn Verlosser zijn; hij die met almacht heerschappij voerde werd voor hem een volmaakt en liefderijk vriend, een edele, zorgvuldige en dierbare broeder, wien men gaarne zijn hart zou schenken, die alles begreep, bereid was alles te vergeven, ook dat wat er omging in zijn, Orions, gewond, naar loutering smachtend gemoed, omdat hij eens zelf als mensch menschelijk had geleden. Heden waagde hij, de Jacobiet, voor de eerste maal dit alles zichzelven te bekennen, en dat niet enkel om Paula’s wil....Heftige slagen op een gebersten metalen schijf wekten hem met luid gedruisch uit deze overpeinzing; evenals aan het slot van elke belangrijke Jacobietische godsdienstoefening werd ook heden het heilig avondmaal bediend. De bisschop plaatste zich voor de kast van het Allerheiligste, goot wijn in een zilveren beker en brokkelde daarin twee met het Koptische kruis gestempelde broodjes. Van dit mengsel nam hij eerst zelf en reikte het daarna in een lepel uit aan de leden der gemeente, die éen voor éen naderden. Nadat twee ouderlingen hun deel hadden ontvangen, kreeg Orion ook het zijne. Ten laatste reinigde de priester de bokaal door er water in te gieten, en dronk ook dit, opdatervan den verlossenden drank niets verloren zou gaan. Hoe had het hart geklopt van den aankomenden jongeling, toen hij voor het eerst tot dit heiligste aller christelijke gebruiken werd toegelaten! Hij kende den diepen, heerlijken zin ervan, hij had de reinigende, verlossende, verkwikkende en tot alle goeds kracht gevende werking van het avondmaal vaak ondervonden, als hij het met zijne ouders en broeders te zamen genoot. Hoe waren zij verkwikt naar lichaam en ziel, vaster dan ooit aan elkander verbonden, vaak hand aan hand naar huis gegaan! Heden was het hem, die zich niet ergerde aan de gebrekkige vormen der Godsvereering volgens de geloofsbelijdenis zijner kindsheid, als werd door het brood en den wijn, het lichaam en het bloed des Verlossers, het verbond betegeld, dat hij in stilte met hem had gesloten, en als nam de Heiland met onzichtbare hand de schuld en den vloek van hem weg, die hem zoo zwaar drukte. Hij geraakte in eene hoog eerbiedige stemming, en het scheen hem toe, dat zijn volgend leven hem Gode nader zou brengen dan vroeger, en zijne liefde hem in staat zou stellen, ernstiger, vrijer en met meer inspanning de gaven te gebruiken die de hemel hem had verleend.
TWEEDE HOOFDSTUK.
Orion bevond zich in het ruime vertrek alleen, en het was hem alsof na storm en onweder de geheele wereld rondom in het ijdele niets verzonk. Hij gevoelde in de eerste plaats, dat er iets verschrikkelijks had plaats gehad, dat hem uit het bereik van alles dreigde te werpen, waarvoor hij gewoon was te buigen, en dat hij tot hiertoe als heilig had beschouwd. Hij had den patriarch den oorlog verklaard ter eere van en uit liefde tot zijne goede engel, en de macht en invloed van dezen man waren niet minder groot dan zijne gestalte. Doch voor het oog van den jonkman verhief zich hoog en zegevierend het beeld van de geliefde, en hij zag in zijn vader een bondgenoot bij den kamp, dien hij geheel op eigene verantwoordelijkheid zou aangaan. Met behulp van zijn scherp geheugen en zijne helderheid van geest herinnerde hij zich thans ieder woord, dat hij uit den mond van den prelaat had vernomen. De geweldige grijsaard, wiens gemoed van geloofsijver overliep, had met hem gespeeld als een kat met een muis. Hij had getracht hem uit te hooren en te doorgronden, voor hij met het laatste voor den dag kwam, waarmede hij had moeten beginnen; daar hij van alles onderricht was, toen hij hem voor de eerste maal, als had hij geen ernstig verwijt tegen hem op het hart, de hand had gereikt. Orion nam zich voor, ook zonder hem vast te houden aan zijn geloof en zich door hem de beide andere hoogste goederen eener christenziel, liefde en hoop, niet te laten ontrooven. Als door een wonder scheen zijne moeder, ondanks den angst van haar bloedend hart, den kerkvorst nog niets van den vloek des vaders te hebben medegedeeld, en welk een wapen tegen hem zou zij Benjamin daarmede in de hand hebben gegeven! Met innig medelijden dacht hij aan de arme, ongelukkige vrouw, en daarbij bekroop hem de argwaan, dat de prelaat zich weder tot haar had begeven, om hem aan te klagen en haar tot nieuwe bekentenissen te bewegen.Sedert het vertrek van den patriarch was reeds eenige tijd verloopen, en zonder hem uitgeleide te doen, iets wat opzien moest baren, had Orion den hoogen gast laten vertrekken. In dit vergrijp tegen de welvoegelijkheid, de ongeschreven wet der samenleving, zag de zoon van een oud aanzienlijk huis, die de achting daarvoor als met de moedermelk had ingezogen, eene beleediging, die hij zichzelven had aangedaan, en om deze weder goed te maken, streek hij haastig met de hand zijne verwilderde haren terecht en ijlde naar het viridarium terug. Daar werd zijn vermoeden terstond bevestigd, want het gevolg van den patriarch stond nog vóor den ingang van de fonteinzaal, waar zijne moeder zich ophield en waaruit Benjamin zoo juist te voorschijn kwam.Met hoffelijke waardigheid, en als had hij met Orion in der minne onderhandeld, nam de grijsaard zijn geleide aan. In het viridarium vroeg hij zijn jongen gastheer naar den naam van eenige zeldzame gewassen en gaf hem den raad op zijne goederen zorg te dragen voor het aanplanten van schaduwgevende boomen. In de voorzaal stonden tegen de pilasters aan beide zijden van de hooge achterdeur de marmeren beelden van de waarheid en de gerechtigheid, kostelijke kunstwerken van den Alexandrijn Aristeas, die leefde ten tijde van keizer Hadrianus. De gerechtigheid droeg de weegschaal en het zwaard in de handen; de waarheid zag in een spiegel. Toen de patriarch deze beelden naderde, zeide hij tot den priester die hem vergezelde: »Nog altijd!” Hierop stond hij stil en zeide, zich half tot Orion en half tot den geestelijke wendende: »Uw vader heeft, gelijk ik zie, geen acht geslagen op mijn wenk, dat zulke heidensche beelden niet passen in een christelijk huis, en allerminst in een, dat een officieel karakter draagt. Wij weten wel welk karakter die symbolen aan deze beelden geven, maar hoe licht kan de mindere man, die hier moet wachten, die vrouw met den spiegel voor de ijdelheid houden terwijl die andere met de weegschaal hem in koopmanstaal schijnt te zeggen: betaal wat ons toekomt, anders—hierop doelt het zwaard—geldt het uw leven!”Daarop liep hij lachend verder, op luchtigen toon tot Orion zeggende: »Als ik terugkom—en gij weet wat ik hiermede bedoel—dan zal het mij genoegen doen als mijne oogen niet meer beleedigd worden door deze beelden uit den tijd der afgoderij.”»De waarheid en de gerechtigheid,” antwoordde Orion met een gedempte stem, »hebben bijna een vijftal eeuwen op deze plaats gestaan en in dit huis heerschappij gevoerd.”»Het zou schooner en eervoller zijn,” antwoordde de kerkvorst,»dat gij dit kondet zeggen van den eenigen, dien in een christelijk huis de eerste plaats toekomt; in zijn rijk gedijt elke andere christelijke deugd vanzelf. De christen moet uit zijn huis elk beeldwerk verbannen, alleen bij de deur zijns harten plaatse hij aan de eene post het geloof en aan de andere de deemoed.”Onderwijl waren zij in den tuin gekomen ter plaatse waar de wagen van de weduwe Susanna wachtte. Orion hielp den prelaat bij het instappen en toen deze hem ten aanzien van eene menigte geknielde beambten en slaven de hand tot een kus toestak, raakte de jonkman haar even met zijne lippen aan. In diep gebogen houding bleef hij staan, zoolang de heilige man door de opene zijde van de karos zijne handen zegenend over de schare uitstrekte; daarna begaf hij zich haastig tot zijne moeder.Hij had verwacht de ongelukkige vrouw uitgeput te zullen vinden door al de aandoeningen, die het bezoek van den prelaat bij haar had opgewekt, doch hij trof vrouw Neforis veel bedaarder aan dan hij haar sedert zijns vaders dood gezien had; haar anders zoo kalm gelaat droeg de uitdrukking eener dweepzieke opgewondenheid, die Orion verraste. Had zij aan zijn vader gedacht? Was het den patriarch gelukt haar vroom gemoed zoo te bezielen, dat zij zichzelve geheel vergeten kon? Zij was gereed om naar de kerk te gaan en nadat zij de eer had geroemd, die haar en haar huis door het bezoek van den allerheiligsten vader ten deel was gevallen, verlangde zij van Orion dat hij haar naar het godshuis zou begeleiden. Ofschoon hij deze uren voor geheel andere dingen bestemd had, voldeed de liefhebbende zoon terstond aan haar wensch, hief haar in den wagen, zeide den voerman dat hij langzaam zou rijden, en plaatste zich aan hare zijde.Onderweg vroeg hij haar wat zij den patriarch had medegedeeld, en haar antwoord zou hem hebben gerustgesteld, indien het hem niet in een ander opzicht met nieuwe bezorgdheid had vervuld. De anders zoo verstandige, rustige geest dezer kalme vrouw scheen onder het gewicht van het ongeluk geleden te hebben, want alles wat zij zeide scheen zeer verward en begreep hij maar half. Doch dit eene bleek hem duidelijk, dat zij den patriarch geen deelgenoot had gemaakt van den vloek, waarmede zijn vader gescheiden was. De kerkvorst had ook tegenover haar de houding van den gestorvene afgekeurd en dit had haar zeker den mond gesloten. Zij beklaagde zich tegen Orion, dat Benjamin den ontslapene nooit begrepen had, zoodat zij de vurige begeerte had moeten onderdrukken om haar hart geheel voor hem te ontsluiten. Eerst in de kerk, in tegenwoordigheid van den Verlosser zelven, zou zij het over zich kunnen verkrijgen,dezen in haar hart te laten lezen als in een open boek. In het huis Gods, dáar alleen, zoo had eene inwendige stem haar gezegd, zou zij vrijspraak vinden voor haar en haren zoon. Dag en nacht hoorde zij die stem, en hoeveel leed het haar deed hem smart aan te doen, thans moest hij het hooren: die stem liet niet af haar te bevelen den band te verscheuren, die hem aan de Melchietin verbond. Gisteren geloofde zij, dat het haar oudste gestorven zoon was die tot haar sprak, hij die voor zijn Jacobietisch geloof het leven liet. Die stem klonk als de zijne, en had haar toegeroepen, dat het oude huis van Menas zou ondergaan, wanneer die Melchietin het reine bloed van haar stam bezoedelde. Benjamin had hare bezorgdheid begrepen, en was andermaal tot haar gekomen alleen om haar te bezweren het misdadig verlangen van Orion naar de dochter van Thomas te bestrijden met al de kracht van haar moederlijk gezag. Daar de patriarch denzelfden eisch stelde als die stem, zoo kwam zij van God en moest hij haar gehoorzamen. De oude boosheid tegen Paula was weder ontwaakt en men kon het aan hare stem hooren, dat zij klom bij elken volzin, waarin zij haar gedacht.Orion smeekte haar zich te matigen en herinnerde haar aan de belofte hem gedaan bij het sterfbed van zijn vader, en toen zijne moeder hem weenende en klagende begon te antwoorden, hield de wagen voor de kerk stil. Thans spande hij al zijne krachten in om haar gerust te stellen, en daar de weeke, teedere klank zijner stem haar goeddeed, knikte zij hem vriendelijk toe, terwijl zij hem in het godshuis volgde. Achter den narthex, het voorportaal van de kerk, waar zich bij een klein marmeren waterbekken drie boetelingen ten aanzien van de binnentredende menigte den rug met geeselslagen kastijdden, moesten zij van elkander afscheid nemen; want de plaats voor de vrouwen bestemd bevond zich, afgescheiden van die der mannen, achter een sierlijk gesneden houten hekwerk. Terwijl vrouw Neforis in die richting voortschreed, schudde zij zacht het gebogen hoofd. Zij dacht aan de keus, die Orion haar stelde, om zich te schikken of naar de bevelen van den patriarch of naar de wenschen van haren zoon. Hoe gaarne had zij dien zoon weder vroolijk gezien, doch Benjamin had haar gedreigd met het verlies der hemelsche zaligheid, wanneer zij hare toestemming gaf tot Orions echtverbintenis met eene kettersche; de eeuwige zaligheid echter bestond voor haar in een wedervinden, een wederbezitten, en daarvoor wilde zij den zoon, benevens alles waaraan haar hart nog gehecht was, volgaarne prijs geven.Orion woonde de godsdienstoefening bij op de plaats zijner familie, dicht bij het allerheiligste, waar het altaar stond en depriesters de plechtigheden verrichtten. Het was gescheiden van het drieledige hoofdschip door een muur, die met gebrekkig beeldwerk en dun vergulde sieraden was getooid: even min als het geheele gebouw wekte dit gedeelte een diepen, heerlijken of verheffenden indruk. De oorspronkelijk rijk versierde basiliek was bij een treffen tusschen Jacobieten en Melchieten door de laatsten geplunderd, en de verarmde stad was niet in staat geweest om den ouden glans harer eerwaardige hoofdkerk ook maar eenigermate te herstellen. Orion zag rond, maar hij zag niets, dat hem tot eerbied kon stemmen.De geheele gemeente moest de godsdienstoefening staande bijwonen, en daar deze zeer lang pleegde te duren, steunden niet alleen de vrouwen achter het hekwerk, maar ook vele mannen gevoelden zich als lammen en kreupelen op krukken. Hoe leelijk klonk het Egyptisch gezang, dat telkens werd afgebroken door den schrillen klank van den slag op een metalen bekken, terwijl men daar tusschen het geruisch vernam van babbelende lieden, die zoodra hun gepraat in twisten ontaardde, door een priester luide en heftig tot de orde werden geroepen. In den regel liep alles met deze liturgische oefeningen af, als het avondmaal niet werd uitgedeeld; doch in deze dagen van angst besteeg sedert eene week geregeld een priester of monnik dag aan dag den kansel.Kort nadat de jonkman zijne plaats had ingenomen, begon de preek, en met eene pijnlijke gewaarwording herkende hij in den holoogigen, in lompen gehulden monnik, die haar hield, een geestelijke, dien hij meer dan eens in de herberg van Nesptah zoo beschonken had gezien, dat hij zijn bewustzijn geheel verloren had. En deze afzichtelijke kerel, die zelfs op den kansel pronkte met de smerigheid en verwaarloozing van zijn lichaam, donderde der sidderende gemeente in het oor, dat het uitblijven van het wassen des Nijlwaters een gevolg was van hare zonde en de straf Gods voor hare misdaden. In plaats van de beangstigde gemoederen te troosten, op lieflijken toon tot geloof op te wekken, en hen te vervullen met de hoop op betere tijden, stelde hij hun in vurige taal voor welk eene straf hun wachtte voor hunne kleingeloovigheid. God de Heer plaagde hen en het land met groote hitte, maar deze was een koele noordenwind in den adventstijd vergeleken bij den gloed van den helschen oven, dien de satan reeds voor hen stookte. De brandende zon op aarde verlichtte den dag, maar die vlammen daar beneden verbreidden geen licht, opdat de verschrikkingen dergenen geen einde zouden nemen, die de dienaars van den duivel met lans- en gaffelsteken, met knodsslagen en diepe beten in het vleesch over de smalle brug dreven, die naar zijn afschuwelijkrijk voerde. In hun doodsangst en bij het gedrang op dezen weg trapten moeders hare zuigelingen, vaders hunne dochters onder den voet, en wanneer de verdoemden den stekeligen drempel van de hellezaal betraden, kwam hun een akelige, giftige stank te gemoet, die hen dreigde te doen stikken en hen toch als de frissche lucht kracht verleende om nieuwe kwellingen te ondergaan met verhoogde gevoeligheid aller zintuigen. Daar dreunde hun het jammerlijk gehuil van den duivel in het oor,dat het gewelf der hel deed trillen, en opeens greep hij hen met vreeselijk geknars van het rooster waarop hij lag, perste en maalde hen fijn als druiven tusschen zijn ijzeren gebit, en slikte hen door naar zijn brandend ingewand, zoo zij niet door de knechten der satans in gloeiende ovens aan hunne tongen werden opgehangen, of beurtelings door de vlammen of door het ijs werden gesleept om eindelijk op het aambeeld der hel in stukken gebeukt, of met doeken en stroppen dood geworgd en gewrongen te worden. In vergelijking van zulk eene smart, die men dáar te lijden zou hebben, was elke zielepijn zoet als de kus eener geliefde. De moeder hoorde de kokende hersenen in den schedel harer zuigelingen borrelen....Bij dit afgrijselijk woord van den monnik wendde Orion zich huiverend van hem af. De vloek waarmede de patriarch hem bedreigd had, kwam hem voor den geest, en het was hem als werd de heete met wierookdamp bezwangerde lucht van het geheele sombere kerkgebouw vervuld met fladderende uilen en akelige vleermuizen. Een diepe afschuw greep hem aan en opeens ontwaakte de frissche moed der jeugd, de drang naar vrijheid, de lust om te leven met alle kracht in zijne ziel, en het scheen hem toe dat eene stem in zijn binnenste hem toeriep: »Weg met elken dwang en alle ketenen, ontplooi uwe wieken, geest die vleugelen draagt! Weg met dien god der verschrikking, die een andere is dan de hemelsche vader, wiens liefde de menschheid omvat. Ga vrij en ongebonden voorwaarts, steun op eigene kracht, begeef u kalm naar buiten in het volle, zonnige leven, geleid door uw eigen wil! Wees vrij, maar niet als de slaaf, die ternauwernood de boeien ontkomen en op eigen beenen staande, zich weder begeeft in de dienstbaarheid der zinnen; neen, om uit vrije aandrift, met het zweet op het voorhoofd rusteloos te streven, ten einde het hoogste doel te bereiken, alles tot ontwikkeling en tot zijn recht te brengen, wat er groots en goeds is in uwe ziel. Ja, het leven is een dienst! Evenals de leerlingen van de Stoa wil ook ik nastreven wat zij deugd noemden, met geen ander doel dan omdat het schoon is, omdat het ongestoord genot geeft deugdzaam te zijn. Geheel op eigene verantwoordelijkheid te zoeken wat het ware is, te doen wat ikals goed en recht heb erkend, dat zij voortaan het wit waarnaar ik jagen wil. Aan de beide groote wenschen van mijn hart: de verzoening met mijn vader en het bezit van Paula, voeg ik terstond als derde toe: het zoeken naar het hoogste doel dat voor mij bereikbaar is, en het kalm worstelen, om het zoo nabij te komen als mijne krachten toelaten. De weg, die daarheen leidt, is de arbeid, de leidster, die ik te volgen heb, om niet af te dwalen, mijne liefde!»Met gloeiende wangen en diep ademhalende keek hij rond, als zocht hij eene tegenpartij om daaraan zijne krachten te meten. De ellendige preek was ten einde en uit het gezang der gemeente klonken hem de woorden in het oor: »Heer, straf mij niet voor mijne misdaden.”Daar viel de gedachte aan zijn misdrijf en bovenal de vloek zijns stervenden vaders hem weer loodzwaar op het hart; hij liet het moede hoofd op de borst zinken en zeide tot zichzelven, dat hij te zwaar belast was om de stoute vlucht te wagen, waartoe hij de vleugels begon te ontplooien. Nog was hij niet ontheven van dien banvloek, nog gevoelde hij zich niet verlost van zijn last. Doch bij het woord »verlost” kwam het beeld hem voor den geest van den Verlosser, die de zonden der wereld op zich had genomen, en hoe meer hij zich verdiepte in het wezen van dien Heiland, dien hij sedert zijn kindsheid had liefgehad, des te vaster werd hij overtuigd, dat hij aan de vrijheid van zijn eigen wil geen afbreuk deed, maar veeleer gehoor gaf aan zijn oud verlangen, wanneer hij alles wat hem bezwaarde aan Jezus beleed; dat de liefde tot en het geloof in hem ook voor zijne ziel eene verlossende kracht bezat. En zoo verhief hij oog en hart tot hem; als aan een beproefd vriend vertrouwde hij hem alles toe wat hem beangstigde en in den weg stond en bad hem om zijn bijstand. In liefde tot Jezus wist hij zich éen met Paula, ofschoon zij eene andere voorstelling van hem had dan hij.Zij zag behalve de goddelijke ook nog eene menschelijke natuur in Christus, en over dit punt, waarin hare opvatting van de zijne verschilde, begon hij te peinzen. Terwijl hij nadacht over eene beschouwing, waarvan hij nog zoo kort geleden een afkeer had gevoeld, kwam het hem voor dat de geheel eenige gestalte van den Verlosser, wiens wezen liefde en waarheid ademde, hem nader stond, wanneer hij zich dacht dat die vlekkelooze en volmaakte als een mensch had gevoeld, dat hij de levenslust eens menschen in het hart had gedragen, dat ook hij ontvankelijk was geweest voor het lief en leed dat stervelingen kwelt, dat hij onder menschen had gewandeld, om zich met hen te verblijden, dat hij uit reine liefde voor dat rampzalig geslacht uit den hemel was neergedaald, om zich onuitsprekelijkevernederingen, smarten, ja den dood te getroosten met een bloedend hart, dat toch vervuld was van de blijmoedigste zelfverloochening. Ja, die Christus kon ook zijn Verlosser zijn; hij die met almacht heerschappij voerde werd voor hem een volmaakt en liefderijk vriend, een edele, zorgvuldige en dierbare broeder, wien men gaarne zijn hart zou schenken, die alles begreep, bereid was alles te vergeven, ook dat wat er omging in zijn, Orions, gewond, naar loutering smachtend gemoed, omdat hij eens zelf als mensch menschelijk had geleden. Heden waagde hij, de Jacobiet, voor de eerste maal dit alles zichzelven te bekennen, en dat niet enkel om Paula’s wil....Heftige slagen op een gebersten metalen schijf wekten hem met luid gedruisch uit deze overpeinzing; evenals aan het slot van elke belangrijke Jacobietische godsdienstoefening werd ook heden het heilig avondmaal bediend. De bisschop plaatste zich voor de kast van het Allerheiligste, goot wijn in een zilveren beker en brokkelde daarin twee met het Koptische kruis gestempelde broodjes. Van dit mengsel nam hij eerst zelf en reikte het daarna in een lepel uit aan de leden der gemeente, die éen voor éen naderden. Nadat twee ouderlingen hun deel hadden ontvangen, kreeg Orion ook het zijne. Ten laatste reinigde de priester de bokaal door er water in te gieten, en dronk ook dit, opdatervan den verlossenden drank niets verloren zou gaan. Hoe had het hart geklopt van den aankomenden jongeling, toen hij voor het eerst tot dit heiligste aller christelijke gebruiken werd toegelaten! Hij kende den diepen, heerlijken zin ervan, hij had de reinigende, verlossende, verkwikkende en tot alle goeds kracht gevende werking van het avondmaal vaak ondervonden, als hij het met zijne ouders en broeders te zamen genoot. Hoe waren zij verkwikt naar lichaam en ziel, vaster dan ooit aan elkander verbonden, vaak hand aan hand naar huis gegaan! Heden was het hem, die zich niet ergerde aan de gebrekkige vormen der Godsvereering volgens de geloofsbelijdenis zijner kindsheid, als werd door het brood en den wijn, het lichaam en het bloed des Verlossers, het verbond betegeld, dat hij in stilte met hem had gesloten, en als nam de Heiland met onzichtbare hand de schuld en den vloek van hem weg, die hem zoo zwaar drukte. Hij geraakte in eene hoog eerbiedige stemming, en het scheen hem toe, dat zijn volgend leven hem Gode nader zou brengen dan vroeger, en zijne liefde hem in staat zou stellen, ernstiger, vrijer en met meer inspanning de gaven te gebruiken die de hemel hem had verleend.
Orion bevond zich in het ruime vertrek alleen, en het was hem alsof na storm en onweder de geheele wereld rondom in het ijdele niets verzonk. Hij gevoelde in de eerste plaats, dat er iets verschrikkelijks had plaats gehad, dat hem uit het bereik van alles dreigde te werpen, waarvoor hij gewoon was te buigen, en dat hij tot hiertoe als heilig had beschouwd. Hij had den patriarch den oorlog verklaard ter eere van en uit liefde tot zijne goede engel, en de macht en invloed van dezen man waren niet minder groot dan zijne gestalte. Doch voor het oog van den jonkman verhief zich hoog en zegevierend het beeld van de geliefde, en hij zag in zijn vader een bondgenoot bij den kamp, dien hij geheel op eigene verantwoordelijkheid zou aangaan. Met behulp van zijn scherp geheugen en zijne helderheid van geest herinnerde hij zich thans ieder woord, dat hij uit den mond van den prelaat had vernomen. De geweldige grijsaard, wiens gemoed van geloofsijver overliep, had met hem gespeeld als een kat met een muis. Hij had getracht hem uit te hooren en te doorgronden, voor hij met het laatste voor den dag kwam, waarmede hij had moeten beginnen; daar hij van alles onderricht was, toen hij hem voor de eerste maal, als had hij geen ernstig verwijt tegen hem op het hart, de hand had gereikt. Orion nam zich voor, ook zonder hem vast te houden aan zijn geloof en zich door hem de beide andere hoogste goederen eener christenziel, liefde en hoop, niet te laten ontrooven. Als door een wonder scheen zijne moeder, ondanks den angst van haar bloedend hart, den kerkvorst nog niets van den vloek des vaders te hebben medegedeeld, en welk een wapen tegen hem zou zij Benjamin daarmede in de hand hebben gegeven! Met innig medelijden dacht hij aan de arme, ongelukkige vrouw, en daarbij bekroop hem de argwaan, dat de prelaat zich weder tot haar had begeven, om hem aan te klagen en haar tot nieuwe bekentenissen te bewegen.
Sedert het vertrek van den patriarch was reeds eenige tijd verloopen, en zonder hem uitgeleide te doen, iets wat opzien moest baren, had Orion den hoogen gast laten vertrekken. In dit vergrijp tegen de welvoegelijkheid, de ongeschreven wet der samenleving, zag de zoon van een oud aanzienlijk huis, die de achting daarvoor als met de moedermelk had ingezogen, eene beleediging, die hij zichzelven had aangedaan, en om deze weder goed te maken, streek hij haastig met de hand zijne verwilderde haren terecht en ijlde naar het viridarium terug. Daar werd zijn vermoeden terstond bevestigd, want het gevolg van den patriarch stond nog vóor den ingang van de fonteinzaal, waar zijne moeder zich ophield en waaruit Benjamin zoo juist te voorschijn kwam.
Met hoffelijke waardigheid, en als had hij met Orion in der minne onderhandeld, nam de grijsaard zijn geleide aan. In het viridarium vroeg hij zijn jongen gastheer naar den naam van eenige zeldzame gewassen en gaf hem den raad op zijne goederen zorg te dragen voor het aanplanten van schaduwgevende boomen. In de voorzaal stonden tegen de pilasters aan beide zijden van de hooge achterdeur de marmeren beelden van de waarheid en de gerechtigheid, kostelijke kunstwerken van den Alexandrijn Aristeas, die leefde ten tijde van keizer Hadrianus. De gerechtigheid droeg de weegschaal en het zwaard in de handen; de waarheid zag in een spiegel. Toen de patriarch deze beelden naderde, zeide hij tot den priester die hem vergezelde: »Nog altijd!” Hierop stond hij stil en zeide, zich half tot Orion en half tot den geestelijke wendende: »Uw vader heeft, gelijk ik zie, geen acht geslagen op mijn wenk, dat zulke heidensche beelden niet passen in een christelijk huis, en allerminst in een, dat een officieel karakter draagt. Wij weten wel welk karakter die symbolen aan deze beelden geven, maar hoe licht kan de mindere man, die hier moet wachten, die vrouw met den spiegel voor de ijdelheid houden terwijl die andere met de weegschaal hem in koopmanstaal schijnt te zeggen: betaal wat ons toekomt, anders—hierop doelt het zwaard—geldt het uw leven!”
Daarop liep hij lachend verder, op luchtigen toon tot Orion zeggende: »Als ik terugkom—en gij weet wat ik hiermede bedoel—dan zal het mij genoegen doen als mijne oogen niet meer beleedigd worden door deze beelden uit den tijd der afgoderij.”
»De waarheid en de gerechtigheid,” antwoordde Orion met een gedempte stem, »hebben bijna een vijftal eeuwen op deze plaats gestaan en in dit huis heerschappij gevoerd.”
»Het zou schooner en eervoller zijn,” antwoordde de kerkvorst,»dat gij dit kondet zeggen van den eenigen, dien in een christelijk huis de eerste plaats toekomt; in zijn rijk gedijt elke andere christelijke deugd vanzelf. De christen moet uit zijn huis elk beeldwerk verbannen, alleen bij de deur zijns harten plaatse hij aan de eene post het geloof en aan de andere de deemoed.”
Onderwijl waren zij in den tuin gekomen ter plaatse waar de wagen van de weduwe Susanna wachtte. Orion hielp den prelaat bij het instappen en toen deze hem ten aanzien van eene menigte geknielde beambten en slaven de hand tot een kus toestak, raakte de jonkman haar even met zijne lippen aan. In diep gebogen houding bleef hij staan, zoolang de heilige man door de opene zijde van de karos zijne handen zegenend over de schare uitstrekte; daarna begaf hij zich haastig tot zijne moeder.
Hij had verwacht de ongelukkige vrouw uitgeput te zullen vinden door al de aandoeningen, die het bezoek van den prelaat bij haar had opgewekt, doch hij trof vrouw Neforis veel bedaarder aan dan hij haar sedert zijns vaders dood gezien had; haar anders zoo kalm gelaat droeg de uitdrukking eener dweepzieke opgewondenheid, die Orion verraste. Had zij aan zijn vader gedacht? Was het den patriarch gelukt haar vroom gemoed zoo te bezielen, dat zij zichzelve geheel vergeten kon? Zij was gereed om naar de kerk te gaan en nadat zij de eer had geroemd, die haar en haar huis door het bezoek van den allerheiligsten vader ten deel was gevallen, verlangde zij van Orion dat hij haar naar het godshuis zou begeleiden. Ofschoon hij deze uren voor geheel andere dingen bestemd had, voldeed de liefhebbende zoon terstond aan haar wensch, hief haar in den wagen, zeide den voerman dat hij langzaam zou rijden, en plaatste zich aan hare zijde.
Onderweg vroeg hij haar wat zij den patriarch had medegedeeld, en haar antwoord zou hem hebben gerustgesteld, indien het hem niet in een ander opzicht met nieuwe bezorgdheid had vervuld. De anders zoo verstandige, rustige geest dezer kalme vrouw scheen onder het gewicht van het ongeluk geleden te hebben, want alles wat zij zeide scheen zeer verward en begreep hij maar half. Doch dit eene bleek hem duidelijk, dat zij den patriarch geen deelgenoot had gemaakt van den vloek, waarmede zijn vader gescheiden was. De kerkvorst had ook tegenover haar de houding van den gestorvene afgekeurd en dit had haar zeker den mond gesloten. Zij beklaagde zich tegen Orion, dat Benjamin den ontslapene nooit begrepen had, zoodat zij de vurige begeerte had moeten onderdrukken om haar hart geheel voor hem te ontsluiten. Eerst in de kerk, in tegenwoordigheid van den Verlosser zelven, zou zij het over zich kunnen verkrijgen,dezen in haar hart te laten lezen als in een open boek. In het huis Gods, dáar alleen, zoo had eene inwendige stem haar gezegd, zou zij vrijspraak vinden voor haar en haren zoon. Dag en nacht hoorde zij die stem, en hoeveel leed het haar deed hem smart aan te doen, thans moest hij het hooren: die stem liet niet af haar te bevelen den band te verscheuren, die hem aan de Melchietin verbond. Gisteren geloofde zij, dat het haar oudste gestorven zoon was die tot haar sprak, hij die voor zijn Jacobietisch geloof het leven liet. Die stem klonk als de zijne, en had haar toegeroepen, dat het oude huis van Menas zou ondergaan, wanneer die Melchietin het reine bloed van haar stam bezoedelde. Benjamin had hare bezorgdheid begrepen, en was andermaal tot haar gekomen alleen om haar te bezweren het misdadig verlangen van Orion naar de dochter van Thomas te bestrijden met al de kracht van haar moederlijk gezag. Daar de patriarch denzelfden eisch stelde als die stem, zoo kwam zij van God en moest hij haar gehoorzamen. De oude boosheid tegen Paula was weder ontwaakt en men kon het aan hare stem hooren, dat zij klom bij elken volzin, waarin zij haar gedacht.
Orion smeekte haar zich te matigen en herinnerde haar aan de belofte hem gedaan bij het sterfbed van zijn vader, en toen zijne moeder hem weenende en klagende begon te antwoorden, hield de wagen voor de kerk stil. Thans spande hij al zijne krachten in om haar gerust te stellen, en daar de weeke, teedere klank zijner stem haar goeddeed, knikte zij hem vriendelijk toe, terwijl zij hem in het godshuis volgde. Achter den narthex, het voorportaal van de kerk, waar zich bij een klein marmeren waterbekken drie boetelingen ten aanzien van de binnentredende menigte den rug met geeselslagen kastijdden, moesten zij van elkander afscheid nemen; want de plaats voor de vrouwen bestemd bevond zich, afgescheiden van die der mannen, achter een sierlijk gesneden houten hekwerk. Terwijl vrouw Neforis in die richting voortschreed, schudde zij zacht het gebogen hoofd. Zij dacht aan de keus, die Orion haar stelde, om zich te schikken of naar de bevelen van den patriarch of naar de wenschen van haren zoon. Hoe gaarne had zij dien zoon weder vroolijk gezien, doch Benjamin had haar gedreigd met het verlies der hemelsche zaligheid, wanneer zij hare toestemming gaf tot Orions echtverbintenis met eene kettersche; de eeuwige zaligheid echter bestond voor haar in een wedervinden, een wederbezitten, en daarvoor wilde zij den zoon, benevens alles waaraan haar hart nog gehecht was, volgaarne prijs geven.
Orion woonde de godsdienstoefening bij op de plaats zijner familie, dicht bij het allerheiligste, waar het altaar stond en depriesters de plechtigheden verrichtten. Het was gescheiden van het drieledige hoofdschip door een muur, die met gebrekkig beeldwerk en dun vergulde sieraden was getooid: even min als het geheele gebouw wekte dit gedeelte een diepen, heerlijken of verheffenden indruk. De oorspronkelijk rijk versierde basiliek was bij een treffen tusschen Jacobieten en Melchieten door de laatsten geplunderd, en de verarmde stad was niet in staat geweest om den ouden glans harer eerwaardige hoofdkerk ook maar eenigermate te herstellen. Orion zag rond, maar hij zag niets, dat hem tot eerbied kon stemmen.
De geheele gemeente moest de godsdienstoefening staande bijwonen, en daar deze zeer lang pleegde te duren, steunden niet alleen de vrouwen achter het hekwerk, maar ook vele mannen gevoelden zich als lammen en kreupelen op krukken. Hoe leelijk klonk het Egyptisch gezang, dat telkens werd afgebroken door den schrillen klank van den slag op een metalen bekken, terwijl men daar tusschen het geruisch vernam van babbelende lieden, die zoodra hun gepraat in twisten ontaardde, door een priester luide en heftig tot de orde werden geroepen. In den regel liep alles met deze liturgische oefeningen af, als het avondmaal niet werd uitgedeeld; doch in deze dagen van angst besteeg sedert eene week geregeld een priester of monnik dag aan dag den kansel.
Kort nadat de jonkman zijne plaats had ingenomen, begon de preek, en met eene pijnlijke gewaarwording herkende hij in den holoogigen, in lompen gehulden monnik, die haar hield, een geestelijke, dien hij meer dan eens in de herberg van Nesptah zoo beschonken had gezien, dat hij zijn bewustzijn geheel verloren had. En deze afzichtelijke kerel, die zelfs op den kansel pronkte met de smerigheid en verwaarloozing van zijn lichaam, donderde der sidderende gemeente in het oor, dat het uitblijven van het wassen des Nijlwaters een gevolg was van hare zonde en de straf Gods voor hare misdaden. In plaats van de beangstigde gemoederen te troosten, op lieflijken toon tot geloof op te wekken, en hen te vervullen met de hoop op betere tijden, stelde hij hun in vurige taal voor welk eene straf hun wachtte voor hunne kleingeloovigheid. God de Heer plaagde hen en het land met groote hitte, maar deze was een koele noordenwind in den adventstijd vergeleken bij den gloed van den helschen oven, dien de satan reeds voor hen stookte. De brandende zon op aarde verlichtte den dag, maar die vlammen daar beneden verbreidden geen licht, opdat de verschrikkingen dergenen geen einde zouden nemen, die de dienaars van den duivel met lans- en gaffelsteken, met knodsslagen en diepe beten in het vleesch over de smalle brug dreven, die naar zijn afschuwelijkrijk voerde. In hun doodsangst en bij het gedrang op dezen weg trapten moeders hare zuigelingen, vaders hunne dochters onder den voet, en wanneer de verdoemden den stekeligen drempel van de hellezaal betraden, kwam hun een akelige, giftige stank te gemoet, die hen dreigde te doen stikken en hen toch als de frissche lucht kracht verleende om nieuwe kwellingen te ondergaan met verhoogde gevoeligheid aller zintuigen. Daar dreunde hun het jammerlijk gehuil van den duivel in het oor,dat het gewelf der hel deed trillen, en opeens greep hij hen met vreeselijk geknars van het rooster waarop hij lag, perste en maalde hen fijn als druiven tusschen zijn ijzeren gebit, en slikte hen door naar zijn brandend ingewand, zoo zij niet door de knechten der satans in gloeiende ovens aan hunne tongen werden opgehangen, of beurtelings door de vlammen of door het ijs werden gesleept om eindelijk op het aambeeld der hel in stukken gebeukt, of met doeken en stroppen dood geworgd en gewrongen te worden. In vergelijking van zulk eene smart, die men dáar te lijden zou hebben, was elke zielepijn zoet als de kus eener geliefde. De moeder hoorde de kokende hersenen in den schedel harer zuigelingen borrelen....
Bij dit afgrijselijk woord van den monnik wendde Orion zich huiverend van hem af. De vloek waarmede de patriarch hem bedreigd had, kwam hem voor den geest, en het was hem als werd de heete met wierookdamp bezwangerde lucht van het geheele sombere kerkgebouw vervuld met fladderende uilen en akelige vleermuizen. Een diepe afschuw greep hem aan en opeens ontwaakte de frissche moed der jeugd, de drang naar vrijheid, de lust om te leven met alle kracht in zijne ziel, en het scheen hem toe dat eene stem in zijn binnenste hem toeriep: »Weg met elken dwang en alle ketenen, ontplooi uwe wieken, geest die vleugelen draagt! Weg met dien god der verschrikking, die een andere is dan de hemelsche vader, wiens liefde de menschheid omvat. Ga vrij en ongebonden voorwaarts, steun op eigene kracht, begeef u kalm naar buiten in het volle, zonnige leven, geleid door uw eigen wil! Wees vrij, maar niet als de slaaf, die ternauwernood de boeien ontkomen en op eigen beenen staande, zich weder begeeft in de dienstbaarheid der zinnen; neen, om uit vrije aandrift, met het zweet op het voorhoofd rusteloos te streven, ten einde het hoogste doel te bereiken, alles tot ontwikkeling en tot zijn recht te brengen, wat er groots en goeds is in uwe ziel. Ja, het leven is een dienst! Evenals de leerlingen van de Stoa wil ook ik nastreven wat zij deugd noemden, met geen ander doel dan omdat het schoon is, omdat het ongestoord genot geeft deugdzaam te zijn. Geheel op eigene verantwoordelijkheid te zoeken wat het ware is, te doen wat ikals goed en recht heb erkend, dat zij voortaan het wit waarnaar ik jagen wil. Aan de beide groote wenschen van mijn hart: de verzoening met mijn vader en het bezit van Paula, voeg ik terstond als derde toe: het zoeken naar het hoogste doel dat voor mij bereikbaar is, en het kalm worstelen, om het zoo nabij te komen als mijne krachten toelaten. De weg, die daarheen leidt, is de arbeid, de leidster, die ik te volgen heb, om niet af te dwalen, mijne liefde!»
Met gloeiende wangen en diep ademhalende keek hij rond, als zocht hij eene tegenpartij om daaraan zijne krachten te meten. De ellendige preek was ten einde en uit het gezang der gemeente klonken hem de woorden in het oor: »Heer, straf mij niet voor mijne misdaden.”Daar viel de gedachte aan zijn misdrijf en bovenal de vloek zijns stervenden vaders hem weer loodzwaar op het hart; hij liet het moede hoofd op de borst zinken en zeide tot zichzelven, dat hij te zwaar belast was om de stoute vlucht te wagen, waartoe hij de vleugels begon te ontplooien. Nog was hij niet ontheven van dien banvloek, nog gevoelde hij zich niet verlost van zijn last. Doch bij het woord »verlost” kwam het beeld hem voor den geest van den Verlosser, die de zonden der wereld op zich had genomen, en hoe meer hij zich verdiepte in het wezen van dien Heiland, dien hij sedert zijn kindsheid had liefgehad, des te vaster werd hij overtuigd, dat hij aan de vrijheid van zijn eigen wil geen afbreuk deed, maar veeleer gehoor gaf aan zijn oud verlangen, wanneer hij alles wat hem bezwaarde aan Jezus beleed; dat de liefde tot en het geloof in hem ook voor zijne ziel eene verlossende kracht bezat. En zoo verhief hij oog en hart tot hem; als aan een beproefd vriend vertrouwde hij hem alles toe wat hem beangstigde en in den weg stond en bad hem om zijn bijstand. In liefde tot Jezus wist hij zich éen met Paula, ofschoon zij eene andere voorstelling van hem had dan hij.
Zij zag behalve de goddelijke ook nog eene menschelijke natuur in Christus, en over dit punt, waarin hare opvatting van de zijne verschilde, begon hij te peinzen. Terwijl hij nadacht over eene beschouwing, waarvan hij nog zoo kort geleden een afkeer had gevoeld, kwam het hem voor dat de geheel eenige gestalte van den Verlosser, wiens wezen liefde en waarheid ademde, hem nader stond, wanneer hij zich dacht dat die vlekkelooze en volmaakte als een mensch had gevoeld, dat hij de levenslust eens menschen in het hart had gedragen, dat ook hij ontvankelijk was geweest voor het lief en leed dat stervelingen kwelt, dat hij onder menschen had gewandeld, om zich met hen te verblijden, dat hij uit reine liefde voor dat rampzalig geslacht uit den hemel was neergedaald, om zich onuitsprekelijkevernederingen, smarten, ja den dood te getroosten met een bloedend hart, dat toch vervuld was van de blijmoedigste zelfverloochening. Ja, die Christus kon ook zijn Verlosser zijn; hij die met almacht heerschappij voerde werd voor hem een volmaakt en liefderijk vriend, een edele, zorgvuldige en dierbare broeder, wien men gaarne zijn hart zou schenken, die alles begreep, bereid was alles te vergeven, ook dat wat er omging in zijn, Orions, gewond, naar loutering smachtend gemoed, omdat hij eens zelf als mensch menschelijk had geleden. Heden waagde hij, de Jacobiet, voor de eerste maal dit alles zichzelven te bekennen, en dat niet enkel om Paula’s wil....
Heftige slagen op een gebersten metalen schijf wekten hem met luid gedruisch uit deze overpeinzing; evenals aan het slot van elke belangrijke Jacobietische godsdienstoefening werd ook heden het heilig avondmaal bediend. De bisschop plaatste zich voor de kast van het Allerheiligste, goot wijn in een zilveren beker en brokkelde daarin twee met het Koptische kruis gestempelde broodjes. Van dit mengsel nam hij eerst zelf en reikte het daarna in een lepel uit aan de leden der gemeente, die éen voor éen naderden. Nadat twee ouderlingen hun deel hadden ontvangen, kreeg Orion ook het zijne. Ten laatste reinigde de priester de bokaal door er water in te gieten, en dronk ook dit, opdatervan den verlossenden drank niets verloren zou gaan. Hoe had het hart geklopt van den aankomenden jongeling, toen hij voor het eerst tot dit heiligste aller christelijke gebruiken werd toegelaten! Hij kende den diepen, heerlijken zin ervan, hij had de reinigende, verlossende, verkwikkende en tot alle goeds kracht gevende werking van het avondmaal vaak ondervonden, als hij het met zijne ouders en broeders te zamen genoot. Hoe waren zij verkwikt naar lichaam en ziel, vaster dan ooit aan elkander verbonden, vaak hand aan hand naar huis gegaan! Heden was het hem, die zich niet ergerde aan de gebrekkige vormen der Godsvereering volgens de geloofsbelijdenis zijner kindsheid, als werd door het brood en den wijn, het lichaam en het bloed des Verlossers, het verbond betegeld, dat hij in stilte met hem had gesloten, en als nam de Heiland met onzichtbare hand de schuld en den vloek van hem weg, die hem zoo zwaar drukte. Hij geraakte in eene hoog eerbiedige stemming, en het scheen hem toe, dat zijn volgend leven hem Gode nader zou brengen dan vroeger, en zijne liefde hem in staat zou stellen, ernstiger, vrijer en met meer inspanning de gaven te gebruiken die de hemel hem had verleend.