TWAALFDE HOOFDSTUK.Met gebalde vuisten en kwaadaardigen blik daalde Orion de trap af. Het was hem of zijn hart zou bersten. Wat had hij gedaan, en wat was er van hem geworden! Zoo durfde eene vrouw hem bejegenen, eene vrouw, die hij zijne liefde had gewijd, de schoonste en edelste der vrouwen, de hoogmoedigste, wraakzuchtigste en hatelijkste tegelijk! Hij had eens ergens gelezen: »Wie eene laagheid heeft begaan, waarvan ook een ander weet, die draagt het doodsoordeel van zijne zielsrust in de plooien van zijn gewaad.” Hij gevoelde het gewicht van dit oordeel, en de andere die mede alles wist was Paula, was zij van wie hij bovenal gewenscht had dat zij tot hem mocht opzien! Gisteren hield hij het nog voor de grootste zaligheid op aarde haar te omarmen, haar de zijne te mogen noemen; thans kende hij maar één wensch, haar te vernederen, haar te straffen. Helaas, dat hem de handen gebonden waren, dat hij als een veroordeelde van hare genade afhing! Hij kon niet onder woorden brengen hoe onverdragelijk hem deze gedachte was. Maar zij zou hem leeren kennen! Als een blanke zwaan was hij tot nu toe het leven doorgegaan; als deze noodlottige ure, als deze vrouw hem tot een gier maakte, was het niet zijne, was het hare schuld! Weldra zou blijken wie de sterkste was van hen beiden. Hij moest haar straffen op eene wijze zooals men eene vrouw slechts tuchtigen kan, al moest hij ook langs den weg der misdaad en der ellende zijn doel bereiken. Hij vreesde niet dat de arts hare genegenheid had gewonnen, want hij voelde met onbetwistbare zekerheid dat, hoe zij hem hare vijandschap ook deed gevoelen, haar hart hem en hem alleen behoorde. »De gouden munt der liefde,” zeide hij tot zichzelven, »heeft twee zijden: teeder verlangen en bitteren haat; thans toont zij mij deze laatste zijde, maar hoe verschillend ook het beeld en het schrift van de munt mogen zijn, wanneer menhaar laat klinken geeft zij toch maar éen toon, en die toon ligt ook in hare beleedigende taal.”Aan de familietafel verontschuldigde hij Paula en at zelf zeer weinig, want de rechters waren sedert lang vergaderd en wachtten op hem.Reeds aan de voorvaderen van den Mukaukas, machtige gouwvorsten, was het recht verleend over leven en dood, en zij hadden zich daarvan zeker al bediend onder de Psamtikiden, aan wier heerschappij de Pers Cambyses zulk een gruwzaam einde had gemaakt. Als eerwaardige symbolen van dit recht prijkten thans nog uraeusslangen, adders wier beten den snelsten dood ten gevolge hebben, en de drakendooder St. George boven de paleizen van den Mukaukas te Memphis en te Lucopolis in Boven-Egypte. Op beide plaatsen stond het aan het hoofd der familie vrij, nadat Justinianus en het laatst keizer Heraclius die oude bevoegdheid opnieuw bevestigd hadden, om aan de onderhoorigen des huizes en de inwoners van het district, waarover hij gesteld was, eigenmachtig de doodstraf te doen voltrekken. De ridder St. George was tusschen de oude slangen geplaatst, om het heidensch symbool door een christelijk te vervangen. Vroeger had de ridder het hoofd van een sperwer, dat wil zeggen van den god Horus gedragen, die om zijn vader te wreken den boozen Seth Typhon had verslagen, doch reeds een paar honderd jaren geleden was de heidensche krokodillendooder in den christelijken overwinnaar van den draak veranderd geworden.De Arabieren hadden na de verovering des lands de oude instellingen en rechten en zoo ook die van den Mukaukas gehandhaafd. Het gerechtshof, dat in zaken betreffende het huispersoneel werd saamgeroepen, bestond uit de hoogere privaatbeambten van het stadhouderlijk huis. Het ambt van opperrechter bekleedde de Mukaukas zelf en zijn volwassen zoon was zijn natuurlijke plaatsvervanger. Gedurende Orions afwezigheid had het hoofd van de rentmeesters, Nilus, een verstandig en bezadigd Egyptenaar, de plaats van zijn lijdenden meester vaak vervuld, maar heden was aan Orion opgedragen het voorzittersgestoelte in te nemen en het onderzoek te leiden.De zoon van den stadhouder haastte zich uit de eetzaal naar het slaapvertrek zijns vaders te gaan, en vroeg hem om zijn ring als teeken der volmacht, die hij op hem had overgedragen. De Mukaukas liet zich dezen gewillig van den vinger halen, en drukte den jongeling op het hart, dat zonder toegevendheid en gestreng moest worden gevonnisd. Hij was anders tot zachtheid geneigd, doch op een inbraak in zijn huis stond de dood, en in dit geval was het om der wille van den Arabischenkoopman geraden geen vergiffenis te schenken. Orion, indachtig aan zijne overeenkomst met Paula, verzocht nu zijn vader hem de handen geheel vrij te laten. De oude muzelman was een rechtvaardig heer, die onder zekere omstandigheden ook een zacht vonnis zou billijken. Bovendien was de misdadiger eigenlijk geen huisgenoot, maar hij stond in dienst bij eene bloedverwante. De Mukaukas prees het verstandig inzicht van zijn zoon. Als hij zich maar wat beter gevoelde, zou hij gaarne de zitting willen bijwonen, ten einde hem voor de eerste maal een ernstigen plicht te zien vervullen, die zijne geboorte en zijn stand waardig was. Orion kuste zijn vader met warmte en weemoedige ontroering de hand, want ieder woord van waardeering uit den mond van dezen geliefden man deed hem innerlijk goed, doch hij beschouwde het als eene ramp, dat hij zijn rechtersloopbaan, waarvan hij den ernst en de heiligheid gevoelde, aldus—aldus beginnen moest.Zachtmoediger gestemd, in gedachten verzonken en overwegende hoe Hiram te redden en Paula’s naam liefst geheel buiten de zaak te houden zou zijn, begaf hij zich naar de gerechtszaal, en vond vóor den ingang de voedster Perpetua in een levendig gesprek met den rentmeester Nilus. De oude vrouw was radeloos. Door haar arbeid aan de weefgetouwen had zij tot zooeven niets van al het gebeurde vernomen, en zij bezwoer thans de onschuld van den ongelukkigen Hiram. De steen, dien hij verkocht had, was het eigendom geweest van hare meesteres, en daarvoor ontbrak het goddank niet aan bewijzen, want de kas van den smaragd lag goed bewaard in de kist van hare meesteres. Gelukkig was het nog mogelijk geweest haar even te spreken, maar dat men haar, de dochter van Thomas, als ieder burger- of slavenkind voor het gerecht wilde dagen, dat was ongehoord, dat was schandelijk!Opeens stoorde Orion barsch dit onderhoud; hij gelastte den ouden deurwachter haar onverwijld te brengen naar het magazijn naast het tablinum, waar de voor het gebruik des huizes bestemde geweven stoffen bewaard werden, en haar daar tot naderordergoed te bewaken. De toon waarop hij dit bevel gaf was zoo meesterachtig, dat zelfs de voedster niet tegensprak; ook de rentmeester gehoorzaamde zwijgend zijn gebod, om zich weder bij de rechters te voegen. Nilus kwam verbaasd en angstig in de rechtzaal terug. Zóo had hij den zoon zijns meesters nog nooit gezien. Bij de mededeeling van de voedster waren hem de aderen op zijn jeugdig nog ongerimpeld voorhoofd sterk gezwollen, hadden zijne neusvleugels zich snel en krampachtig bewogen, was de welluidende klank uit zijne stem verdwenen en hadden zijne oogen dreigend gefonkeld.Nu was Orion alleen en hij knarste op de tanden van boosheid. Ondanks de gegeven belofte had Paula hem verraden, en hoe verachtelijk was de vrouwenlist, waarmede zij dit gedaan had. Voortreffelijk! Voor de rechters kon zij nu zwijgen, gerust zwijgen tot aan het einde der zitting; de voedster, haar spreekbuis, had aan Nilus, den ernstigsten en scherpzinnigsten man in het geheele college, de bewijzen toevertrouwd, die voor haar en tegen hem getuigden. Ongehoord, schandelijk! Een smadelijk, bij uitstek nijdig verraad! Maar nog had zij haar doel niet bereikt, nog had hij de handen vrij, om deze boozen aanval met een tegenstoot af te weren. Welke deze zijn moest, dat was hem reeds bij de mededeeling van de voedster duidelijk geworden, maar zijn geweten, zijne aangeboren neiging, de langdurige gewoonte om zich te houden binnen de perken van wat recht, goed en betamelijk is, dat alles verzette zich daartegen. Niet alleen had hijzelf nooit eene laaghartige gemeene daad begaan, maar het had zijne ergernis opgewekt, zoo vaak hij het had gezien van anderen; en het eenige wat hij ondernemen kon om Paula’s verraad onschadelijk te maken, het was—hij kon het niet loochenen—het was wel ongehoord en stout, maar niet minder verachtelijk en schandelijk. Doch hij wilde en mocht in dezen strijd niet onderliggen. De tijd drong, hij kon onmogelijk lang wikken en wegen, en plotseling ontwaakte in hem een kwaadaardige, woeste strijdlust, en gevoelde hij zich als in de dagen van de wedrennen in den circus, wanneer hij zijn vierspan aanzette om de anderen vooruit te komen. Vooruit dan, vooruit, al moest het voertuig in splinters slaan, al moesten de paarden er bij neervallen en de raderen van zijn wagen de strijdgenooten in het zand van de arena verbrijzelen!Met een paar haastige schreden bereikte hij het kamertje van den deurwachter, een wakker man, die sedert veertig jaren dit ambt bekleedde. Vroeger was hij smid geweest en thans gebruikte men hem om kleine herstellingen te doen aan het gewone huisraad. Orion was als kind een aardige knaap, die ieders hart wist te stelen, en dus ook de lieveling van dezen man geweest. Vaak had hij zich in diens kamertje opgehouden en hem de kunstgrepen van zijn handwerk afgezien. Met een bijzonderen aanleg voor werktuigkunde begaafd, had hij zich een leerzaam scholier van den oude betoond en het zoover gebracht, dat hij zijne ouders op hunne geboortedagen, die in Egypte bijzonder feestelijk gevierd en door het geven en ontvangen van geschenken opgeluisterd werden, met sierlijke kastjes en banden voor gebedenboeken kon verrassen, die hij met eigen hand gesneden en van sloten voorzien had. Hij kon alle instrumenten hanteeren en koos thans fluks de zoodanigen uit, diehij meende noodig te hebben. Op de vensterbank van het kamertje stond een bloemruiker, dien hij gisteren avond voor Paula bestelde, maar op dezen schrikkelijken dag vergeten had te halen. Met dezen in de hand en de instrumenten in de borstplooien van zijn gewaad snelde hij naar de trap.»Voorwaarts, altijd voorwaarts!” riep hij zichzelven toe, toen hij Paula’s kamer binnendrong, de deur grendelde, en zich op de knieën neerliet bij hare kist, na de bloemen uit de handen te hebben gelegd. Als hij ontdekt werd, dan heette het dat hij naar hare kamer was gegaan om dezen ruiker te brengen.»Voorwaarts, steeds voorwaarts!” dacht hij altijd, terwijl hij de scharnierenlosschroefde, waarmede het deksel aan de kist was verbonden. Zijne handen beefden, zijne ademhaling versnelde, maar het werk vorderde toch. Op deze manier moest het hem gelukken, want het kunstslot van de kist liet zich niet openen zonder het te vernielen. Daar lichtte hij het deksel en—als ondersteunden hem vriendelijke machten—bij den eersten greep in de kist hield hij de halsketen met de ledige kas in de hand. Het hulsel van bladgoud hing aan het kunstig gewerkt halssieraad; dit los te haken en bij zich te steken was het werk van een oogenblik.Maar nu ging het niet meer, al riep hij zich het »voorwaarts” nog zoo luide toe. Dat was een diefstal, daarmede ontroofde hij iets aan haar, die hij, als zij maar gewild had, bereidwillig met alles zou hebben overladen, waarmede het lot hem zoo overrijk gezegend had.»Neen, dat, dat...”Daar schoot hem plotseling eene zonderlinge gedachte door het hoofd, eene gedachte die hem, te midden van den vreeselijken ernst van deze ure een glimlach om de lippen plooide. Zonder verwijl voerde hij haar uit; hij greep diep in zijn onderkleed en haalde een edelsteen te voorschijn, die aan eene gouden keten op zijne borst hing. Dit kleinood, het meesterwerk van een groot Grieksch steensnijder uit den heidenschen tijd, was hem vereerd door zijn besten vriend in Konstantinopel, als tegengeschenk voor een vierspan, dat dezen bijzonder beviel, en de steen bezat inderdaad hooger waarde dan een half dozijn edele paarden. Als in een roes, half waanzinnig, volgde Orion dien ontstuimigen drang van zijn gemoed, en het verheugde hem dat hij een kostbaar stuk bij de hand had om in de plaats van het armzalig bladgoud te hangen. Met een paar handgrepen was alles in orde, maar het weder aanschroeven van descharnierenvorderde meer tijd, want zijne vingers beefden sterk, en hoe nader het oogenblik kwam, waarop hij Paula zijne overmacht wilde laten voelen, des te sneller klopte zijn hart, des te moeielijker viel het hem zijn geest tot kalme overweging te dwingen.Nadat hij de deur ontgrendeld had, moest hij weder als een dief de lange gang van de verdieping der gasten bespieden. Dit verhoogde zijne opgewondenheid tot verbittering tegen de wereld en het noodlot, en het meest tegen haar, die hem tot zulk eene smadelijke zelfvernedering dwong. De renner hield de teugels en den prikkel in de hand. Voorwaarts nu, voorwaarts! Evenals toen hij nog een jongen was, vloog hij de trappen af, telkens een drietal treden overspringende, en toen hij in de voorzaal de Grieksche opvoedster Eudoxia aantrof, die hare wilde kweekelinge Maria juist in huis trok, wierp Orion haar den bloemruiker toe, dien hij weder had meegebracht, en ijlde, zonder acht te geven op de smachtende blikken waarmede de bedaagde jonkvrouw hare dankzegging begeleidde, naar het kluisje van den deurwachter terug, waar hij zich haastig ontdeed van alle gereedschappen.Weinige oogenblikken later betrad hij de rechtzaal. De rentmeester Nilus wees op den hooger geplaatsten opperrechterszetel van zijn vader, maar eene sterke huivering weerhield hem dit eerwaardig gestoelte te bezetten. Met gloeiend hoofd en somberen blik, zoodat alle aanwezigen hem verbaasd en schuw aanzagen, opende hij met driftig uitgestoote woorden deze zitting. Nauw wist hijzelf wat hij sprak, en hij hoorde zijne eigene toespraak niet duidelijker dan het geruisch der zee uit de verte. Toch gelukte het hem klaar uiteen te zetten wat er gebeurd was, hij toonde den rechters den geroofden steen, dien men den dief afhandig had gemaakt, berichtte op welke wijze men dezen weder in bezit had gekregen, verklaarde den vrijgelatene van de dochter van Thomas schuldig aan inbraak, en beval hem tot zijne verantwoording aan te voeren wat hij vermocht.Doch de aangeklaagde wist er slechts met moeite stotterende uit te brengen, dat hij onschuldig was. Het was zijne zaak niet zichzelven te verdedigen, maar misschien zou zijne meesteres iets tot zijne rechtvaardiging in het midden willen brengen.Daarop streek Orion zijne verwarde haren uit het aangezicht, wierp het verhitte hoofd trotsch in den nek en zeide, zich tot de rechters keerende: »Zij is eene aanzienlijke jonkvrouw, eene verwante van ons huis, het is betamelijk haar buiten deze treurige zaak te houden. Hare voedster heeft Nilus bovendien medegedeeld, wat misschien in staat is om dezen ongelukkige te redden. Wij willen niets daarvan onopgemerkt laten, maar gij, die minder goed met de verhoudingen tusschen de verschillende personen bekend zijt, moet dit wel in het oog houden, om niet op een dwaalspoor te geraken. Zij is aan den beschuldigde gehecht, en hem en Perpetua schat zij hoog als het eenigewat haar uit het ouderlijk huis is overgebleven. Verder moet het mij en u niet verwonderen, wanneer eene edele vrouw als zij het waagt de schuld van een ander op zich te nemen, en zichzelve in een twijfelachtig licht te plaatsen, om een dienaar te redden, die altijd trouw en eerlijk is geweest. De voedster is bij de hand, zullen wij haar roepen, of heeft zij u Nilus alles toevertrouwd, wat hare meesteres ten gunste van den vrijgelatene aanvoerde?”»Perpetua heeft mij, en ten deele ook u eene geloofwaardige mededeeling gedaan,” antwoordde de rentmeester, »maar ik vermag haar toch niet zoo juist weer te geven als zijzelve, en ik dacht daarom dat het goed zou zijn de vrouw te laten voorkomen.”»Men brenge haar voor,” beval Orion, terwijl hij over de hoofden der rechters somber en ongenaakbaar in de ruimte staarde.Na een langdurig en pijnlijk zwijgen in de zaal verscheen de oude vrouw. Overtuigd van het goed recht harer zaak, trad zij onbeschroomd binnen, zag eerst den ongelukkigen Hiram niet zeer vriendelijk aan, omdat hij zoo lang gezwegen had, en vertelde daarop dat Paula, om zich het noodige geld ter opsporing van haren vader te verschaffen, door den vrijgelatene een kostbaren smaragd uit hare halsketen had laten nemen, en hoe door het verkoopen van dit kleinood haar landsman helaas in verdenking was gekomen.Deze verklaring van de voedster scheen het meerendeel der rechters gunstig voor den aangeklaagde te stemmen, doch Orion liet hun geen tijd om onder elkander van gedachten te wisselen, want nauwelijks had Perpetua haar verhaal geëindigd, of Orion greep den smaragd, die voor hem op tafel lag,enzeide driftig en verstoord: »Dus zou een steen, die zijn verkooper zelf, een der grootste kenners van juweelen, verklaard heeft eenig in zijne soort te zijn en dezelfde die in het tapijt heeft gezeten, opeens als door een wonder der natuur een dubbelganger gevonden hebben? Booze geesten drijven ook heden ten dage nog hun spel met de menschen, doch het is bezwaarlijk te gelooven dat zij dit doen in dit christelijk huis. Gij weet wat het woord‘bakersprookjes’in onze taal beteekent, en wat de voedster daar in het midden heeft gebracht moet blijkbaar daartoe gerekend worden. Dat mag men den jood Apelles doen gelooven, zooals de Romein Horatius zeide, maar zijn geloofsgenoot Gamaliël”—waarbij hij zich tot den juwelier wendde, die op de bank der getuigen zat,—»zeker niet, en nog minder mij, die dit weefsel doorzie. De dochter van den edelen Thomas heeft zich vernederd om met behulp van deze kunstenaresin het weven dit sprookje op het getouw te zetten en voor ons te ontrollen, ten einde ons rechters op een dwaalspoor te brengen en haren trouwen dienaar te redden vangevangenisstraf, dwangarbeid of den dood. Zoo zit de zaak in elkaar. Dwaal ik, vrouw, of blijft gij volharden bij uwe bewering?”De voedster, die gemeend had in Orion een verdediger te vinden voor hare meesteres, had zijne woorden gevolgd met klimmende verbazing. Uit zijne oogen fonkelden haar nu eens spot, dan groote verbolgenheid tegen, doch terwijl bij dezen onverwachten uitval de tranen haar in de oogen waren geschoten, bewaarde zij toch hare tegenwoordigheid van geest en verzekerde, dat zij evenals altijd zoo ook thans de waarheid had gezegd. De kas waarin de smaragd harer meesteres had gezeten, zou dit ten overvloede kunnen bewijzen.Hierop haalde Orion de schouders op, beval de voedster hare meesteres te roepen, wier persoonlijke tegenwoordigheid thans onvermijdelijk was geworden, en zeide tot den rentmeester: »Geleid haar, Nilus! Een dienaar brenge de kist hierheen, opdat deze door de eigenares zelve voor onze oogen geopend worde, vóor een ander de hand aan den inhoud kan slaan. Ik zou niet geschikt zijn voor deze boodschap, want niemand in dit Jakobietische huis, ik vrees zelfs niemand onder u, heeft genade gevonden in de oogen van deze schoone Melchietin. Mij is zij helaas bijzonder kwalijk gezind, en zoo moet ik aan anderen elken maatregel overlaten, die tot misverstand zou kunnen leiden. Breng haar hierheen, Nilus, natuurlijk met al de onderscheiding, die aan eene jonkvrouw van hooge geboorte toekomt.”Zoodra de afgezondenen zich verwijderd hadden, doorliep Orion de rechtzaal met haastige, rustelooze schreden.Maar eens bleef hij voor de rechters staan, zeggende: »Ook zelfs wanneer de kas van den smaragd gevonden wordt, hoe verklaren wij dan de aanwezigheid van twee, ik zeg twee steenen, elk eenig in zijne soort? Het is om zijn geduld te verliezen! Een teergevoelig meisje waagt het eene ernstige rechtbank op een dwaalspoor te brengen, ten gunste, ten gunste van....” Hij ging niet verder, maar stampte driftig met den voet op den grond en zette daarna stilzwijgend zijne wandeling voort.»Hij is nog een nieuweling,” dachten de rechters, die zijne groote gejaagdheid opmerkten, »anders zou hij zich de dwaze poging om een aangeklaagde schoon te wasschen niet zoo aantrekken, en zich door zoo iets niet uit zijn humeur laten brengen.”Het verschijnen van Paula maakte eindelijk aan dat op- en neerloopen van Orion een einde. Hij ontving haar met eene afgemetene buiging en verzocht haar plaats te nemen. Vervolgensnoodigde hij Nilus uit haar mede te deelen wat uit het onderzoek en de behandeling van de zaak tot hiertoe was gebleken, en te vragen wat haar naar zijne meening en die der overige rechters had kunnen bewegen den gestolen smaragd voor den hare te verklaren. Hij zou het zooveel mogelijk aan anderen overlaten haar te verhooren, want zij wist maar al te goed in welke verhouding zij tot elkander stonden. Voor dat hij de rechtzaal binnenkwam, had zij hare verklaring van den diefstal door Perpetua aan den rentmeester Nilus laten mededeelen; hij—en hier verhief hij zijne stem—zou het passender gevonden hebben, en meer overeenkomstig de verwantschap die er tusschen hen bestond, wanneer zij hemzelven, Orion, had toevertrouwd, wat zij dacht ten gunste van den vrijgelatene te doen; dan zou het hem mogelijk zijn geweest haar te waarschuwen. Dit wegcijferen van zijn persoon bij hare handelingen moest hij beschouwen als een nieuw bewijs van haar afkeer, en de gevolgen ervan zou zij aan zichzelve te wijten hebben; want nu moest het rechtsgeding onverbiddelijk zijn loop hebben.De toornige gloed zijner oogen verried haar wat zij van hem te wachten, en dat hij den kamp met haar aangenomen had. Zij hield zich overtuigd, volgens zijne opvatting de kort te voren gegeven belofte verbroken te hebben; doch zij had Perpetua geenszins opgedragen zich in deze aangelegenheid te mengen, zij had de voedster integendeel verzocht haar in het uiterste geval zelve de bewijzen te laten aanvoeren. Orion moest in den waan verkeeren, dat hem harerzijds een onrecht was aangedaan; maar zou hij daarom zichzelven zooverre kunnen vergeten, dat hij zijne bedreiging uitvoerde en een onschuldige, om alle verdenking van zich af te wenden, te gronde richtte, waarbij hij haar als valsche getuige zou brandmerken? Ja, ook voor dit uiterste schrikte hij niet terug! Zijn vlammend oog, zijne heftige gebaren, het geweldig hijgen van zijne borst, dit alles sprak het duidelijk genoeg uit. De strijd moest dus worden aanvaard. Liever ware zij op dit oogenblik gestorven, dan dat zij het zou hebben willen wagen hem door een woord van verontschuldiging zachter te stemmen. Zij voelde hoe zijn gemoed kookte, en zou zich aan zijne voeten hebben willen nederwerpen, om hem te smeeken toch tot bedaren te komen, ten einde zich te hoeden voor eene nieuwe misdaad; doch zij bewaarde hare trotsche waardigheid, en de blik waarmede zij den zijnen beantwoordde was niet minder toornig en uitdagend dan die van hem. Als twee jonge adelaars, die strijdlustig de veeren opsteken, de vleugels verder uitspreiden en de halzen rekken, stonden zij daar tegenover elkander, zij zeker van hare overwinning, in het bewustzijn van de rechtvaardigheid harer zaak, doch meerbeangst voor hem dan voor zichzelven, hij bijna blind voor het eigen gevaar, maar als een gladiator, die in de arena tegenover zijn doodvijand staat, meer bedacht om dezen te vellen, dan om eigen lijf en leven te beschermen.Terwijl de rentmeester haar mededeelde wat zij ten deele reeds wist, en daarop de verdenking herhaalde, dat zij zich had laten verleiden tot het geven van een valsch getuigenis om haar dienaar, die misschien uit liefde voor zijn verdwenen meester de inbraak had gewaagd, het leven te redden, zag zij meer naar Orion dan naar den redenaar. Deze laatste wees ten slotte op de kist, die tegelijk met Paula uit hare kamer in de zaal was gebracht, en gaf haar te kennen, dat de gezamenlijke rechters bereid waren alles aan te hooren en te onderzoeken, wat zij tot hare verdediging in het midden zou brengen.Orions gejaagdheid bereikte thans haar toppunt. Hij voelde dat hij doodsbleek werd en kon niet meer geregeld denken. De rechters, de aangeklaagde, zijne vijandin, alles wat binnen de wanden van de groote rechtzaal besloten was, lag daar voor hem als in grauwe kronkelende nevels gehuld. Al wat hij zag scheen hem als met helder smaragdgroen gekleurd. Het haar, de aangezichten, de gestalten der aanwezigen, alles schemerde en glinsterde in dien groenachtigen glans. Toen Paula echter trotsch en met vasten tred naar de kist toeliep, een kleinen sleutel uit haar gewaad haalde, dezen aan een beambte overhandigde en daarna als eenig antwoord op de mededeeling van Nilus, ja, als ware dit reeds te veel van haar gevergd, met koele hoogheid zeide: »Open de kist!,” toen zag hij weder dat glanzig bruine haar, den vurigen gloed harer blauwe oogen, de afwisselende bleekheid en blos harer wangen, het heldere gewaad, dat hare heerlijke gestalte in fraaie plooien omsloot, en haar zegepralenden glimlach. Hoe schoon, hoe begeerlijk was deze vrouw! Weldra zou zij onderliggen in den strijd met hem, maar deze overwinning zou hem te staan komen op het verlies van haar, en met haar van alles wat er reins en goeds zijner voorvaderen waardig in hem was. Eene stem in zijn binnenste riep het hem toe, maar hij bracht haar tot zwijgen met de voorwaartskreet van den agitator. Ja, vooruit tot het doel bereikt was, altijd voort over puin en steenen, door bloed en stof, tot zij den trotschen nek buigt, tot zij overwonnen en gebroken om genade smeekt.Daar sprong het deksel van de kist open. Paula bukte zich, ze haalde de halsketen te voorschijn en vertoonde die aan de rechters, zij hield de beide einden ver uit elkander, en... Wat was dat voor een akelige, hartverscheurende kreet van vertwijfeling! Zelfs Orion zou gewenscht hebben zoo iets nooit meerte hooren.—Daar wierp zij het halssieraad voor de rechters op tafel en met den uitroep: »Schandelijk, laaghartig!” trad zij terug en greep zich aan de trouwe Betta vast; want hare knieën begonnen te knikken en zij gevoelde dat zij op het punt stond in elkaar te zijgen. Orion vloog naar haar toe om haar te ondersteunen, maar zij stootte hem terug, en daarbij trof hem een blik zoo vol smart, toorn en verachting, dat hij roerloos voor haar bleef staan en de hand op zijn hart drukte.—En deze laaghartige daad, die twee menschenkinderen zoo diep zou grieven, had hij met een glimlach begonnen! Deze vertooning, die een doodsoordeel bevatte, tot welk een ontzettend einde kon zij leiden?Paula was intusschen zonder verder eenig geluid te geven op een zetel neergezonken, en ook hij zag zwijgend voor zich tot in de rij der aanwezige rechters een luid gelach opging en de oude Psamtik, de bevelhebber van de hoofdwacht, die sedert geruimen tijd in de rechtbank zitting had, uitriep: »Bij mijn ziel een kostelijke steen! Dat is de heidensche liefdegod Eros, dien zijn gevleugeld schatje Psyche in het aangezicht ziet. Hebt gij dien mooien roman van Apulejus niet gelezen, ‘de gouden ezel’ geheeten? Dit stukje komt daarin voor. Heilige Lukas, wat is dat fijn gesneden! De edele jonkvrouw heeft zeker den verkeerden halsketen gegrepen. He, Gamaliël, waar moet aan dat ding”—en hij wees hierbij op den gesneden steen—»dat groene duivenei gezeten hebben?”»Nergens,” antwoordde de jood. »De edele jonkvrouw....”Doch Orion legde dien getuige barsch het zwijgen op, waarna de rentmeester Nilus den steen in handen nam en dien opmerkzaam van alle zijden bekeek. Daarop ging de ernstige, rechtvaardige man, op wiens bijstand Paula zeker gerekend had, naar haar toe, haalde medelijdend de schouders op, en vroeg of er zich in de kist ook nog eene andere halsketen kon bevinden, met zulk eene gouden kas als waarvan zij gesproken had.Eene rilling voer haar door de leden, want het scheen wel dat hier een wonder was geschied. Maar neen, bij dezen slag die haar werd toegebracht waren geen hoogere machten in het spel. Orion meende dat zij hare belofte om hem te verschoonen en te zwijgen gebroken had, en dit was nu zijne wraak. Hoe en langs welken weg hij haar volvoerd had, dat was haar een raadsel. Welk een slag! Ja, ze had getroffen! Zou zij zich dien laten welgevallen as een geduldig kind? Neen, duizendmaal neen! Opeens herkreeg zij hare veerkracht, de haat staalde haar zwakken wil, en gelijk hij zich in den geest verplaatst had te midden van de wedrennen in de arena, zoo verbeeldde zij zich aan het schaakbord gezeten te zijn; en hetwas haar als streed zij met hem om te winnen, niet als met zijn vader om bloemen, kleine geschenken of de eer van het spel alleen, maar om een geheel anderen inzet, om dood of leven.Alles wilde zij er aan wagen om hem te overwinnen, en toch, neen—wat er ook van komen mocht—niet alles. Liever wilde zij de nederlaag lijden, dan hem overtuigen van diefstal, dan te verraden, wat zij in het viridarium had bespied. Zij had beloofd dat te zullen verzwijgen en den zoon te bewaren voor dezen smaad, dat zou het loon zijn dat zij den vader betaalde voor zijne goedheid. Hoe heerlijk, hoe groot had Orions beeld voor hare ziel gestaan! Met deze schandvlek wilde zij hem noch voor zichzelve noch voor de wereld bezoedelen. Maar in geen enkel ander opzicht mocht zij hem ontzien, en zij moest alles doen om hem de zegepraal te betwisten en Hiram te redden. Elk wapen was geoorloofd, alleen dit verraad wilde en mocht zij niet tegen hem plegen. Hij moest gevoelen dat zij edeler gezind was dan hij, dat zij in de moeielijkste omstandigheden des levens trouw bleef aan haar woord. Haar besluit was genomen, en zij begon dieper adem te halen, er kwam weer leven in haar oog, ofschoon het nog een wijle duurde, eer zij het rechte woord vond om den strijd te beginnen.Orion zag welk een bangen strijd zij voerde, hij gevoelde dat zij zich tot weerstand wapende, en had haar willen aanmoedigen om den eersten uitval te doen. Nog geen woord van verbazing of verontwaardiging, nog geen enkel verwijt was over hare lippen gekomen. Wat voerde zij in het schild, waarover peinsde zij? Hoe verrassender en gevaarlijker de uitval bleek te zijn, des te beter; hoe moediger zij zich verweerde, des te verder zou bij hem de pijnlijke gedachte op den achtergrond treden, dat hij strijd voerde tegen eene vrouw. Ook helden hadden roem gedragen op overwinningen over Amazonen behaald.Eindelijk stond zij op en ging naar Hiram toe. Men had hem aan den schandpaal gebonden en toen een smeekende blik uit zijne trouwe oogen haar trof werd haar tong ontboeid, was zij zich opeens bewust, dat zij zich niet enkel te verweren maar ook een ernstigen plicht te vervullen had. Nadat zij met enkele haastige schreden de tafel genaderd was, waarom de rechters in een halven cirkel gezeten waren, legde zij de linkerhand ten steun op het tafelvlak, en zeide, terwijl zij de rechter omhoog hief: »Gij zijt het offer van een afschuwelijk bedrog, en iemand heeft aan mij een schurkachtigen streek begaan om mij in het verderf te storten! Ziet die man daar aan den schandpaal er uit als een roover? Geen heer heeft ooit trouwer, eerlijker dienaar kunnen vrijlaten, en de dank dien Hiram daarvoor aan mijn vader verschuldigd is, heeft hij op zijn dochter overgedragen,daar hij uit liefde tot mij eigen huis, vrouw en kind verliet, om mij, de wees, naar den vreemde te volgen. Verlangt gij echter de waarheid te hooren, niets dan de waarheid en deze ten volle...”»Spreek!” riep Orion haar toe. Maar zij ging voort, zich tot Nilus en de overige rechters wendende, terwijl zij hem met voordacht over het hoofd zag. »Uw hoofd, de zoon van den Mukaukas, weet dat ik in plaats van beschuldigde eene aanklaagster zou kunnen worden, als ik wilde. Maar ik versmaad dit middel uit liefde voor zijn vader en omdat ik edeler denk dan hij. Hij zal mij wel begrijpen! Wat dezen smaragd aangaat, de vrijgelatene Hiram heeft hem gisteren avond voor mijne oogen met zijn mes uit het gouden hulsel gelicht; doch behalve wij, hebben, gode zij dank, ook nog anderen de kas zien hangen aan de keten, waartoe hij behoorde. Heden middag bevond zij zich nog op de plaats waar het eene misdadige hand later gelukt is dezen gesneden steen te bevestigen. Ik heb die, dat bezweer ik u bij Christus’ wonden, zooeven voor het eerst gezien. Het is een kostbaar stuk. Alleen een rijk man, de rijkste onder u allen, schenkt zulk een schat weg, onverschillig met welk doel, laten wij zeggen: om een vijand in het verderf te storten. Gamaliël,” en daarbij wendde zij zich tot den juwelier, »hoe Gamaliël, schat gij den onyx?”De Israëliet liet zich den steen nog eens overhandigen, draaide dien in alle richtingen en zeide ten laatste meesmuilende: »Ja, schoone jonkvrouw, wanneer mijne zwarte broeihen zulke eieren legde, zou ik het kippetje enkel met koeken van Arsinoë en vette oesters van Kanopus voederen. Dat ding is een landgoed waard, en al ben ik geen rijk man, ik betaal daarvoor ieder oogenblik twee groote talenten, al moest ik ze borgen.”Deze verklaringen misten hare krachtige uitwerking op de rechters niet. Doch Orion haastte zich te zeggen: »De wonderen vermenigvuldigen zich op dezen merkwaardigen dag. De edelmoedigheid, tot een ijdelen klank geworden, schijnt onder ons weer te ontwaken. Een verkwistende demon maakt uit een waardeloos stukje bladgoud een kostbaren onyx. Mag men vragen, jonkvrouw, wie die kas aan uw keten heeft gezien?”Zij geraakte in verzoeking om ook het laatste ontzag voor zijn persoon te laten varen en antwoordde met bevende stem: »Waarschijnlijk uw medehelpers, of gijzelf; want gij, gij alleen hebt reden...”Doch hij liet haar niet verder spreken, maar sneed haar de woorden af, door te zeggen: »Dat is te veel! O dat gij een man waart! Thans heb ik gezien hoever uwe edelmoedigheid gaat! Ook de haat, de bitterste vijandschap....”»Zij zouden het recht hebben u geheel te vernietigen!” riep zij diep verontwaardigd. »En wanneer ik u van deze afschuwelijke misdaad betichtte....”»Dan zoudt gij een misdaad begaan tegen mij, tegen uzelve en tegen dit huis,” hernam hij dreigend. »Neem u in acht meisje! Kan uwe verblinding zoover gaan, dat gij mij, mijzelven als getuige oproept, opdat ik het sprookje, dat gij ons opdischt..”»O neen, neen; dan zou ik nog iets edels van u moeten kunnen verwachten,” sprak zij, hem luid in de rede vallende. »Ik heb geheel andere getuigen: Maria, de kleindochter van den Mukaukas Georg.”Haar oog zocht bij die woorden het zijne, maar hij zeide: »Dat kind, welks hartje u toebehoort, en dat u volgt als een schoothondje!”»En buiten haar nog Katharina, de dochter van de weduwe Susanna,” haastte zij zich er bij te voegen, met blozende wangen en zeker van hare overwinning. »Zij is althans geen kind meer maar eene jonkvrouw, dat weet gij! Doch,” en nu keerde zij zich weder tot de rechters, »van u vorder ik, dat gij uw ambt waardig zult vervullen, door mij recht te laten wedervaren en de beide getuigen te doen voorkomen om haar te hooren.”Terstond antwoordde Orion, terwijl hij alle moeite deed om bedaard te blijven: »De grootouders mogen beslissen of men het weekhartige kind aan de verzoeking mag blootstellen door eene verklaring voor de rechters, zij moge dan luiden hoe zij wil, hare afgodisch beminde vriendin te redden. Haar leeftijd ontneemt overigens aan hare getuigenis alle waarde, en het stuit mij ook tegen de borst een kind van dit huis in deze pijnlijke zaak te mengen. Daarentegen is het de plicht van het gerechtshof de jonkvrouw Katharina voor te laten komen; en ikzelf bied mij aan haar te gaan roepen.”Paulas’ poging om hem weder in de rede te vallen wees hij ten stelligste af, men zou haar later in tegenwoordigheid der getuige geduldig aanhooren. De onyx was misschien afkomstig uit het huis haars vaders. Opnieuw werd Paula door rechtvaardige toorn overmeesterd en buiten zichzelve riep zij: »Neen, duizendmaal neen! Een ellendige booswicht, een uwer helpers, ik herhaal het, is mijne kamer binnengedrongen en heeft, terwijl ik bij de kranke vertoefde, het slot van mijne kist verbroken of met een valschen sleutel geopend.”»Dat kan onderzocht worden,” zeide Orion, en hij was blijkbaar zeker van zijne zaak, toen hij beval de kist op tafel te zetten en een der rechters verzocht als zaakkundige zijn oordeel uit te spreken.Paula kende den man zeer goed. Hij behoorde tot de aanzienlijkstebeambten des huizes en was de eerste werktuigkundige van den Mukaukas, wiens taak het was maten en gewichten, wateruurwerken en andere instrumenten te onderzoeken en te herstellen. Deze kundige man ging dadelijk over tot het onderzoek van het slot, dat hij in de beste orde bevond en van eene bijzondere samenstelling bleek te zijn, ook de kunstig vervaardigde sleutel had door geen looper vervangen kunnen worden, terwijl Paula moest toegeven de kist heden middag gesloten en den sleutel sedert dien tijd om haar hals gedragen te hebben.Orion hoorde deze verklaring schouderophalend aan en beval toen, vóór hij Katharina ging roepen, Paula en de voedster, van elkaar gescheiden, in aangrenzende vertrekken te brengen. Om in deze zaak tot klaarheid te komen, was een eerste vereischte verdere afspraken tusschen haar onmogelijk te maken. Zoodra de deur achter de vrouwen gesloten was, ijlde hij naar den tuin, waar hij Katharina hoopte te vinden.De rechters zagen hem na, terwijl ieder het zijne dacht. Zij stonden hier voor raadselen, die moeielijk waren op te lossen. Niemand achtte zich gerechtigd om te twijfelen aan de goede gezindheid van den zoon huns rechtvaardigen meesters, dien zij eerden als een hoogbegaafd en grootmoedig jonkman. Zijn strijd met Paula had hen pijnlijk aangedaan en ieder vroeg zich af hoe het gekomen was, dat het dezen lieveling der vrouwen niet scheen gelukt te zijn andere gevoelens, dan die van haat te wekken bij eene der schoonste van haar geslacht. De groote vijandschap tegen Orion, die zij niet verheelde, benadeelde hare zaak in de oogen der rechters, die maar al te goed wisten op welk een gespannen voet zij stond met vrouw Neforis. Het was meer dan vermetel van haar den zoon van den Mukaukas te beschuldigen de kist te hebben opengebroken; haat alleen had haar deze aanklacht op de lippen kunnen leggen. Toch lag er iets in haar wezen dat pleitte voor de deugdelijkheid van hare verklaringen, en als Katharina werkelijk kon betuigen de kas van den smaragd aan het halssieraad gezien te hebben, dan bleef er niets anders over dan het rechtsgeding van eene andere zijde aan te vangen en onderzoek te doen naar een anderen huisdief. Maar wie zou zulk een kostbaar stuk als dezen gesneden steen voor iets zonder waarde hebben weggesmeten? Neen, dat was ondenkbaar en de werktuigkundige Ammonius had gelijk toen hij beweerde, dat eene door haat bezielde vrouw tot alles in staat is, ook tot wat ongelooflijk schijnt.Intusschen was het volmaakt donker geworden en de gloeiend heete dag door een heerlijken, lauwen avond vervangen. DeMukaukas had zijn vertrek nog altijd niet verlaten, terwijl zijne gemalin benevens de weduwe Susanna en hare dochter, de kleine Maria en hare opvoedster in de opene gaanderij aan de zijde van den tuin en den Nijl een luchtje schepten en praatten. De vrouwen hadden hare hoofden omhuld met kanten sluiers, deels tegen de muggen, die van de rivierzijde, door het licht aangetrokken, bij zwermen kwamen toevliegen, deels tegen de dampen, die uit de Nijlvlakte opstegen. Zij wilden zich juist verkwikken met de zooeven gebrachte koele vruchtensappen, toen Orion verscheen.»Hoe is het afgeloopen?” riep zijne moeder hem bezorgd toe; want uit zijne verwarde haren en zijne hoogroode kleur maakte zij op, dat in de zitting niet alles glad van stapel was geloopen.»Ongehoorde dingen zijn er gebeurd,” was zijn antwoord. »Paula vecht als eene leeuwin voor den vrijgelatene haars vaders....”»Om ons te krenken en in verlegenheid te brengen,” hernam Neforis.»Neen, neen, moeder,” ging Orion met gejaagdheid voort. »Maar zij heeft een hoofd van ijzer, zij is eene vrouw die niets ontziet als het geldt haar wil door te zetten, en daarbij gaat zij met eene slimheid te werk, waardig den grootsten advocaat dien ik ooit op het tribunaal van de hoofdstad eene netelige zaak heb hooren bepleiten.Daar komt bij dat hare voorname houding en hare goddelijke schoonheid de hoofden van onze arme hofbeambten op hol brengen. Het is zeker braaf en edel zooveel ijver aan den dag te leggen voor een dienaar, doch dat alles kan haar niet helpen, want de bewijzen die tegen haren stotterenden vriend voor de hand liggen zijn volkomen overtuigend, en wanneer hare laatste bewering ontzenuwd is, zal de zaak beslist zijn. Zij geeft voor het kind en ook u, aanvallige Katharina, een halssieraad getoond te hebben.”»Getoond?” riep het kwikstaartje. »Ze heeft ons dat afgenomen, niet waar Maria?”»Maar wij hadden den keten zonder haar verlof weggenomen,” antwoordde de kleine.»En verlangt zij,” vroeg vrouw Neforis verstoord, »dat onze meisjes voor de rechtbank worden gebracht, om getuigenis af te leggen voor hare hoogheid?”»Dat verlangt zij,” bevestigde Orion. »Maar Maria’s uitspraak geldt niet bij de rechters....”»En ook al ware het anders,” hernam zijne moeder; »het kind mag in geen geval in deze nietswaardige zaak betrokken worden.”»Omdat ik voor Paula spreken zou!” riep Maria, terwijl zij driftig van haar zetel opsprong.»Gij zult uw mond houden!” riep de grootmoeder haar toe.»En wat Katharina betreft,” zeide de weduwe, »het komt niet bij mij op, haar voor al die heeren ten toon te stellen.”»Heeren!” zeide het meisje. »Mannen zijn het, kleine beambten en dergelijken meer. Ze kunnen lang op mij wachten!”»Maar gij zult toch aan hun verlangen moeten voldoen, trotsch meisje,” zeide Orion lachende, »want gij zijt goddank geen kind meer, en het staat der rechtbank vrij ieder volwassene als getuige voor de tafel te roepen. U zal niets geschieden, want gij staat onder mijne bescherming. Kom ga gerust met mij mede! Men moet in het leven alles leeren kennen. Hier helpt geen tegenstreven. Overigens behoeft gij slechts te zeggen wat gij gezien hebt en geleid ik u, als gij het mij vergunt, weder zorgvuldig aan dezen arm naar uwe moeder terug. Gij moet mij reeds heden uw kleinood toevertrouwen, vrouw Susanna, en de eerwaardige getuige zal u daarna zeggen, wat er verder met mij gebeuren zal.”Katharina begreep de beteekenis van die laatste geheimzinnige woorden, en het verheugde haar met den schoonen zoon van den stadhouder, den eersten man voor wien haar klein hartje klopte, alleen te mogen zijn; zij sprong dus vroolijk op, doch Maria klemde zich hartstochtelijk aan haar arm vast en verlangde zoo onstuimig en hardnekkig om meegenomen te worden, ten einde voor Paula te kunnen spreken, dat de opvoedster en vrouw Neforis haar slechts met moeite dwingen konden gehoorzaam te zijn en het paartje alleen te laten trekken.Beide moeders zagen hen met voldoening na en de gemalin van den stadhouder fluisterde de weduwe toe: »Heden voor het gerecht, en zeer spoedig, zoo God wil, voor het altaar in de kerk.”Om in de gerechtzaal te komen kon men of door het huis gaan, of buiten om loopen. Gaf men de voorkeur aan den laatsten weg, dan moest men allereerst door den tuin, en Orion koos dezen. In tegenwoordigheid van de vrouwen had hij zich geweld aangedaan, om de onrust die hem vervulde meester te blijven, en nu voelde hij hoe de strijd, dien hij had aangebonden en waaruit hij zich niet meer terugtrekken kon noch wilde, hem al verder en verder dreef en hem dwong het jonge schepseltje, dat nu—de teerling rolde al—zijne vrouw moest worden, op den schandelijken weg mede te sleepen, dien hij was opgegaan. Toen hij zijne moeder beloofd had niet morgen maar overmorgen om Katharina’s hand te zullen vragen, had hij gehoopt in dat tijdperk van uitstel hem toegestaan haar tekunnen bewijzen, dat de kleine toch niet de rechte vrouw voor hem was; en nu—welk een spot van het noodlot!—zag hij zich gedwongen, in alle opzichten juist het tegendeel te doen van datgene waartoe zijne neiging hem dreef. De vrouw die hij liefhad, ja nog altijd liefhad, hij bestreed haar als eene doodvijandin, en het meisje dat hem geheel onverschillig was, haar moest hij zijne hand reiken. Het was om krankzinnig te worden, maar het moest gebeuren, en met een herhaald »voorwaarts” besloot hij tot het schandelijk waagstuk, om het onervaren meisje aan zijn arm, zoo aan zich te verbinden, dat zij bereid was om zijnentwil onrecht te plegen. Zijn hart klopte of het springen moest, doch het was niet mogelijk langer te dralen of terug te treden; het gold, overwinnaar te blijven; dus voorwaarts, altijd voorwaarts!Zoodra zij buiten het licht der lantaarnen in de schaduw waren gekomen greep hij, blijde dat de duisternis zijne trekken onzichtbaar maakte, de tengere rechterhand van de naast hem wandelende kleine met beide handen en drukte zijne lippen op hare teedere vingertoppen.»Maar, Orion,” zeide zij schuchter, doch liet hem begaan.»Ik vorder wat mij rechtmatig toekomt, gij zonneschijn mijner ziel!” zeide hij op vleienden toon, »wanneer uw hartje zoo hevig klopt als het mijne, dan kunnen de moeders daarginds het hooren.”»Ja het klopt al,” zeide zij gelukkig, terwijl zij het krullekopje opzij hield.»Maar het mijne doet het toch sterker,” antwoordde hij met een zucht, terwijl hij haar handje tegen zijne borst drukte. Hij kon het gerust wagen want het krampachtig kloppen van zijn hart dreigde hem te doen stikken.Maar zij antwoordde blij te moe: »Ja, waarlijk, dat bonst...”»Zij mogen het daar ginds ook vernemen,” antwoordde hij met een gedwongen lachje. »Of uw moedertje niet reeds lang in onze harten gekeken heeft?”»Natuurlijk,” antwoordde zij zacht. »Zoo vroolijk als sedert uwe terugkomst heb ik haar zelden gezien.”»En gij, kleine tooveres?”»Ik? Natuurlijk ben ik ook vroolijk geweest; zij waren het allen. En uwe ouders...”»Neen, neen, Katharina! Ik wil weten wat gijzelve bij mijne terugkomst gevoeld hebt.”»Ach kom, hoe kan men zoo iets beschrijven?”»Zou dat niet kunnen?” vroeg hij, haar arm vaster in den zijnen drukkende. Hij moest haar winnen, en zijne dichterlijke verbeeldingskracht hielp hem, om wat hij nooit gevoeld had met gloeiende verven te schilderen. Hij liet haar zoete liefde-woordjeshooren en zij geloofde hem gaarne. Op zijn wenk ging zij vertrouwelijk zitten op een houten bank in de oude laan, die naar de noordzijde van het huis leidde. Aan verschillende heesters bloeiden daar heerlijke bloemen, die de lucht vervulden met een zoeten, bedwelmenden geur. De maneschijn drong door de dichte kronen der sykomoren en deed flikkerende strepen en kringen van licht spelen over het loof, op de stammen der boomen en den donkeren grond. Het loofdak boven hunne hoofden had de hitte van den dag teruggehouden, zoodat de lucht nog altijd zwoel en drukkend was. Het was op deze plaats dat hij haar voor het eerst zijn eenig bruidje noemde en haar hartje in ketenen sloeg. In elk zijner gloeiende woorden trilde de onstuimige, bange gejaagdheid, die zijne ziel martelde, zoodat zij klonken als waren ze innig en oprecht gemeend.De bloemengeur bedwelmde daarbij haar jong en onervaren gemoed en gewillig bood zij hem hare lippen tot een kus. Innig gelukkig gevoelde zij hier de eerste zaligheid eener jeugdige liefde die wederliefde vindt, levenslang zou zij met hem verbonden willen zijn. Doch reeds na eenige oogenblikken sprong hij op, verlangende aan de teedere minnekoozerij een einde te maken, die ook hem begon te betooveren en zeide luid en driftig: »O dat verwenschte rechtsgeding! Maar dat is het lot van den man! Zijn plicht roept en hij moet midden uit alle vreugde van het paradijs naar de aarde terugkeeren. Geef mij uw arm, gij mijne eenige, mijn alles!”Katharina gehoorzaamde en liet zich als in een roes van blijdschap over het onverwacht geluk, dat haar wedervoer, door hem meetroonen. Zij hoorde echter vreemd op, toen hij haar zeide: »Na deze hemelsche zaligheid moeten wij aan de nuchterste van alle zaken denken. Hoe afkeerig ben ik van datgene waarom het nu te doen is; hoe geweldig stuit het mij tegen de borst. Gaarne zou ik voor Paula een vriend, een trouw beschermer zijn, in plaats van haar tegenstander!”Bij deze woorden gevoelde hij hoe de linkerarm van het meisje op den zijnen zich onrustig bewoog, en dit was hem een prikkel om verder te gaan op den weg der misdaad. Katharina zelve wees hem de richting aan, die hij volgen moest om zijn doel te bereiken, en terwijl hij voortging om haar ijverzucht te doen ontvlammen terwijl hij Paulas schoon en edel voorkomen prees, verontschuldigde hij zich voor zijn geweten met deze drogreden, dat hij als bruidegom gerechtigd was zijne bruid te dwingen zijn geluk en zijne eer te redden. Toch had hij bij elk vleiend woord het gevoel als vernederde hij zichzelven, als beging hij daarmede tegen Paula een nieuw onrecht. Het viel hem maar al te gemakkelijk haar lof te verkondigen.Doch terwijl hij dit deed met toenemende warmte, tikte zij hem op den arm en zeide half schertsend, half op ernstig verdrietigen toon: »O deze godin! Ben ik, of is zij uwe geliefde? Pas op dat ge mij niet jaloersch maakt, hoort ge!”»Klein gekkinnetje!” antwoordde hij vroolijk, en om haar gerust te stellen liet hij erop volgen: »Zij is als de koele maan, en gij zijt de lichtende, verwarmende zon. Ja, Paula! wij willen haar overlaten aan een der Olympische goden of aan een aartsengel, maar ik zing den lof van mijn klein levenslustig meisje, dat met mij het leven genieten zal en al zijne vreugde.”»Ja, dat willen wij!” juichte zij, meenende den horizont harer toekomst in het glansrijkste zonlicht te aanschouwen.»Goede hemel,” dus brak hij als verrast dit onderhoud af. »Het licht schijnt al in die rampzalige rechtzaal. O de liefde, de liefde! Door hare betoovering hebben wij het doel van onzen gang vergeten. Zeg nu eens, schatje, weet gij nog precies hoe het halssieraad er uitzag, waarmede gij en Maria heden middag gespeeld hebt?”»Het was zeer kunstig bewerkt, alleen hing in het midden een leelijk verbogen stuk bladgoud.”»Gij zijt ook eene kenster van kunstwerken! Hebt gij dan den keurig gesneden steen over het hoofd gezien, die in deze onaanzienlijke kas besloten was?”»Neen, waarlijk niet!”»Ja toch, klein wijsneusje!”»Neen, mijn lieve!” en toen zij dit uitsprak, sloeg zij de oogen vroolijk op, als ware haar een waagstuk gelukt. »Wat gesneden steenen zijn weet ik zeer goed. Vader heeft eene groote verzameling ervan nagelaten, en moeder zegt dat zij volgens het testament mijn toekomstigen man zullen toebehooren.”»Dan zal ik u, mijn heerlijk juweel, in eene lijst van louter onyxen kunnen zetten.”»Neen, neen,” antwoordde zij vroolijk, »geef mij later maar een kastje, want ik ben zulk een vluchtig ding. Doch het mag niet anders zijn, neen niet anders dan uw hart!”»Deze goudsmidsarbeid is al verricht! Maar nu in ernst, kindjelief, wat aan Paulas halsketting hing was een onyx, en gij, kleine keurster van juweelen, hebt den steen slechts van achteren bezien; dáar heeft hij een rug zooals gij beschrijft, een eenvoudig hulsel van bladgoud!”»Maar Orion!”»Hebt ge mij lief, hartediefje, weerspreek mij dan niet verder. Later zal ik u altijd naar uw oordeel vragen, maar in dit geval kan mij uwe dwaling in groote moeielijkheden brengen en mij dwingen aan Paula toe te geven en haar tot mijne bondgenootete maken.—Hier zijn wij er, maar blijven wij nog een oogenblik staan! En nu nog over dien steen. Ziet gij: wij kunnen beiden dwalen, ik zoowel als gij, maar ik geloof zeker gelijk te hebben, en wanneer gij in dit geval iets anders verklaart dan ik heb gedaan, dan sta ik als een leugenaar voor de rechters. Wij zijn nu toch bruid en bruidegom, dus één, geheel één, en wat een onzer treft of verheft, dat vereert of verlaagt tegelijk de andere. Zegt gij, die mij liefhebt en van wie de lieden al mompelen, dat gij eerlang als meesteres in dit paleis gebieden zult, iets anders dan ik, zoo zullen zij het zeker gelooven. Zie, gij zijt zoo door en door goed, maar nog te jong en te rein om alle eischen te begrijpen eener almachtige liefde, die alles gelooft en verdraagt. Als gij in dit geval niet gaarne aan mijn verlangen gehoor geeft, dan hebt gij mij zeker niet lief, zooals gij mij zoudt moeten liefhebben. En is het dan zoo iets moeilijks wat ik van u vraag? Ik wensch van u niet anders, dan dat gij voor de rechters zult verklaren, dat gij heden middag Paulas halsketting gezien hebt, en dat daaraan een gesneden steen hing, een onyx met Amor en Psyche. Verder niets!”»Moet ik dat getuigen voor al die rechters?” vroeg Katharina met een bedenkelijk gezicht.»Dat moet gij doen, vriendelijke engel!” hernam Orion teeder. »Zoudt gij het aardig vinden, als eene bruid hare geliefde de eerste bede knorrig weigerde, omdat zij er eenig bezwaar tegen heeft of meent alleen gelijk te hebben?Neen, neen, als er maar een vonkje liefde voor mij in uw hartje gloort, als gij mij niet dwingen wilt Paula te verzoeken, dat zij genade met mij zal hebben...”»Maar waarom is het dan toch te doen? Wie kan er zooveel waarde aan hechten of een gesneden steen of een eenvoudig stuk bladgoud...”»Dat zal u later alles omstandig verklaard worden,” voegde hij haar haastig toe.»Toe, doe het nu dadelijk...”»Dat gaat niet; wij hebben het geduld der rechters reeds veel te lang op de proef gesteld. Er is geen oogenblik te verliezen!”»Nu goed dan, maar ik zal van verlegenheid en schaamte bezwijken, wanneer ik voor de rechters een getuigenis afleg...”»Dat waar is,” zoo drong hij verder aan, »en waarmede gij mij toonen kunt, hoezeer ge mij liefhebt.”»Wat is dat verschrikkelijk!” zeide zij angstig. »Bind mij ten minste den sluier vast om het aangezicht. Al die gebaarde mannen...”»Als de struisvogel,” zeide Orion met een glimlach, terwijl hij aan haar verlangen voldeed. »Indien gij er werkelijk andersover denkt dan uw... hoe hebt gij daareven ook gezegd? Herhaal het nog eens!”»Uw liefste!” zeide zij blozende en innig, terwijl zij Orion hielp haar den sluier dubbel voor het gezicht te binden, en zij weerde hem niet af, toen hij haar in het oor fluisterde: »Laat eens zien of een kus ook door zulk eene vermomming nog goed smaakt!—Kom nu, in weinige oogenblikken is alles gedaan.”Na deze woorden leidde hij haar snel het voorportaal van de rechtzaal binnen en verzocht haar een oogenblik te wachten. Aan de rechters deelde hij haastig mede, dat vrouw Susanna hem haar dochtertje slechts had toevertrouwd onder voorwaarde, dat hij haar onverwijld bij hare moeder zou terugbrengen, nadat zij hare verklaring als getuige had afgelegd. Vervolgens liet hij Paula roepen en noodigde haar uit zich neer te zetten.Katharina was met loome schreden en een beklemd hart het voorportaal van de rechtzaal binnengegaan. Zij had zich menigmaal door kleine omwegen uit de verlegenheid weten te redden om eene berisping te ontgaan, maar zij had nog nooit ernstig gelogen, en nu begon alles in haar zich te verzetten tegen het voornemen om iets te verklaren wat stellig onwaar was. Maar kon het dan slecht zijn wat Orion, de edelste van alle mannen, de afgod van de gansche stad, zoo dringend van haar begeerde? Maakte de liefde, volgens zijne opvatting, het haar niet tot plicht om alles te doen, wat hem voor nadeel en schade kon bewaren? Wel-is-waar kwam dit haar niet geheel billijk voor, maar misschien begreep zij het nog niet genoeg, omdat zij zoo jong en onervaren was. Het beangstigde haar ook dat haar geliefde, wanneer zij tegen zijn wil handelde, gedwongen zou zijn met Paula een verbond aan te gaan. Aan zelfbewustzijn ontbrak het haar niet, en zij zeide tot zichzelve, dat zij voor geen meisje in Memphis behoefde onder te doen, alleen die schoone, trotsche, groote Damasceensche stond, dit gevoelde zij, verre boven haar, en zij kon niet vergeten hoe eergisteren, toen Paula met haren bruidegom in den tuin op en neder wandelde, de overste van Memphis had uitgeroepen: »Welk een buitengewoon mooi paar!” Vaak had zij gedacht, dat er geen schooner, minzamer, lieftalliger schepsel op aarde leefde dan de dochter van Thomas, en kon zij hunkeren naar een blik, een vriendelijk woord van haar. Maar sedert dat zeggen van den stadsoverste was zekere verbittering tegen Paula in hare ziel ontwaakt, die daarna van verschillende zijden rijkelijk voedsel had gekregen. Paula bejegende haar altijd als een kind, niet als een volwassen meisje, dat zij toch was. Waarom had zij heden middag haren bruidegom, want zoo mocht zij Orion thans noemen, willen opzoeken en haar van hem afhouden? En wat was de redendat Orion, terwijl hij de bekentenis aflegde dat hij haar liefhad, telkens meer dan met warmte, met geestdrift van die jonkvrouw had gesproken? Neen voor deze verleidster moest zij op hare hoede zijn, en wanneer men sprak van een groot geluk dat haar weervaren was, Paula zou het haar zeker niet gunnen, want Katharina voelde en wist, dat deze haren geliefde met alles behalve onverschillige oogen aanzag. Zij bezat op de wereld geene andere vijandin dan Paula en van deze mededingster had hare liefde alles te vreezen. Opeens vroeg zij zich af, of het bladgoud dat zij gezien had toch niet een gesneden steen zou hebben kunnen zijn. Zij had immers de halsketen maar een oogenblik opmerkzaam bekeken? En waarom zou zij scherper hebben gezien dan de groote wonderschoone oogen van Orion?Zeker, hij had gelijk, gelijk zooals altijd. De meeste gesneden steenen hadden eene ovale gedaante, en ovaal was ook dat ding waaromtrent zij getuigen moest. Het was van Orion niet te denken, dat hij iets leugenachtigs van haar verlangen zou. In elk geval was het de plicht zijner bruid om hem voor schande te behoeden en te verhinderen, dat hij een verbond zou sluiten met die schoone sirene. Zij wist wat zij te zeggen had en reeds wilde zij een gedeelte van den sluier losmaken, om Paula recht goed in het aangezicht te zien, toen Orion terugkeerde om haar naar de rechtzaal te voeren.Tot zijne vreugde, ja tot zijne verbazing sprak Katharina hier zonder aarzelen uit, dat er heden middag een gesneden steen in Paulas halssieraad had gehangen, en toen men haar den onyx toonde en vroeg of zij zich dezen herinnerde, antwoordde zij kalm:»Deze kan het geweest zijn of ook niet; ik herinner mij alleen nog de ovale gouden achterzijde. Voor het overige liet deze jonkvrouw haar kleinood maar enkele oogenblikken in mijne handen.”Toen de rentmeester Nilus haar uitnoodigde, om de voorstelling van Amor en Psyche nader te bekijken en haar geheugen te scherpen, antwoordde zij ontwijkend: »Ik mag zulke heidensche voorstellingen niet; wij Jacobietische meisjes dragen andere sieraden.”Daar rees Paula op, en trad met een blik vol streng verwijt haar te gemoet, en nu verblijdde de kleine Katharina zich, dat zij op het denkbeeld was gekomen om zich het hoofd te bedekken met een dubbelen sluier. Maar de groote verlegenheid waarin zij gebracht werd door den scherpen blik der Damasceensche, duurde slechts kort, want toen deze haar waarschuwend toeriep: »Gij legt nadruk op uwe getuigenis, maar gij hebt niet minder dan ik der waarheid de eere te geven. Bedenk wat er van uweuitspraak afhangt; dat bezweer ik u, kind,” viel de kleine hare tegenpartij in de rede en zeide verstoord, met hartstochtelijke gejaagdheid: »Ik ben geen kind meer, ook niet voor u, en vóor ik spreek bedenk ik mij, zooals mij dat geleerd werd!”Daarop wierp zij het kopje trotsch in den nek en herhaalde nog eens stellig: »Deze onyx heeft in het midden van de keten gehangen.”»Gij schandelijke leugenaartser!” riep de voedster, zichzelve niet meer meester, haar in het aangezicht.Katharina verschrikte hevig en zag om, als had haar een adder gebeten naar haar die het gewaagd had haar zoo gruwelijk en onbeschaamd te beleedigen. Hulpeloos, terwijl zij op het punt was in tranen uit te barsten, keek haar oog naar bijstand rond, en zij behoefde niet lang op een wreker te wachten, want Orion gaf dadelijk bevel Perpetua wegens hare valsche verklaring naar de gevangenis te brengen, de Damasceensche te ontslaan, omdat zij niet had gezworen en alleen uit goede bedoeling een ongelooflijk verhaal had verdicht, en de kist weder naar hare kamer te dragen.Daar trad de jonkvrouw nog eens voor de tafel, maakte den onyx van de keten los, wierp dien den jood Gamaliël toe, die hem opving, en zeide: »Dien schenk ik u, man! Misschien koopt de schurk, die hem aan mijn keten heeft gehangen, u dien weer af. Mijne grootmoeder heeft dit halssieraad van den heiligen keizer Theodosius ontvangen, en eer ik het verder door het geschenk van een ellendeling laat bezoedelen, werp ik zelve het in den Nijl. Op u arme, bedrogene rechters ben ik niet toornig, doch ik beklaag u! Mijn Hiram”—en hier wees zij op den vrijgelatene—»is een eerlijk man, dien ik met dankbare liefde gedenken zal tot in den dood; maar deze onrechtvaardige zoon van een rechtvaardigen vader, die daar....” Dit roepende wees zij op Orion; doch de jongeling ontnam haar het woord door haar toe te duwen: »Genoeg!”Zij trachtte al hare krachten te verzamelen en zeide: »Ik zal doen wat gij verlangt, want uw geweten zal u honderdmaal herhalen, wat ik verzwijg. En nu nog een woord!” Daarop ging zij naar hem toe en fluisterde hem in het oor: »Ik heb de overwinning op mijzelve behaald, om het scherpste wapen tegen u ongebruikt te laten, overeenkomstig mijn gegeven woord. Wanneer gij niet de ellendigste zijt van alle ellendigen, gedenk dan het uwe en red Hiram!”Een zwijgend hoofdknikken was zijn antwoord. Zij bleef op den drempel nog even staan en zeide tot Katharina: »U, kind, want meer zijt gij nog niet, u zal de zoon van den Mukaukas voor den dienst hem bewezen met onbeschrijfelijke smarten beloonen.”Met deze woorden verliet zij de zaal, besteeg met wankelende schreden de trap, en toen zij weder naast de legerstede van de arme waanzinnige neerzat, schonk de goede God haar den lenigenden balsem van te kunnen weenen. Haar vriend, de arts, vond haar weenende en stoorde haar niet, tot zij zelve hem bij haar riep en hem toevertrouwde, wat haar op dezen moeielijken dag overkomen was.Orion en Katharina hadden hunne blijmoedige stemming verloren en begaven zich ernstig naar de zuilengaanderij terug. Toen zij onderweg bij hem op verklaring aandrong, waarom hij haar verleid had dit getuigenis af te leggen, troostte hij haar met een uitstel tot morgen. Zij vonden vrouw Susanna alleen, want zijne moeder was bij haar gemaal geroepen, wiens lijden was verergerd, en had de kleine Maria medegenomen. Nadat hij de weduwe begroet en haar met Katharina naar den wagen geleid had, keerde hij naar de rechtzaal terug.Daar gekomen zette hij den rechters de geheele toedracht der zaak en alles wat tegen den vrijgelatene getuigde nog eens in een kort bestek uiteen. Daarop werd het oordeel geveld. De trouwe Hiram werd ter dood veroordeeld. Alleen de stem van den rentmeester Nilus had er zich tegen verklaard. Orion beval de voltrekking van het vonnis op te schorten en keerde niet weder in huis terug. Hij liet zijn wildsten hengst zadelen en reed geheel alleen de woestijn in. Hij had overwonnen, maar het was als ware hij bij die wedstrijd in het slijk geraakt en moest hij daarin stikken.
TWAALFDE HOOFDSTUK.Met gebalde vuisten en kwaadaardigen blik daalde Orion de trap af. Het was hem of zijn hart zou bersten. Wat had hij gedaan, en wat was er van hem geworden! Zoo durfde eene vrouw hem bejegenen, eene vrouw, die hij zijne liefde had gewijd, de schoonste en edelste der vrouwen, de hoogmoedigste, wraakzuchtigste en hatelijkste tegelijk! Hij had eens ergens gelezen: »Wie eene laagheid heeft begaan, waarvan ook een ander weet, die draagt het doodsoordeel van zijne zielsrust in de plooien van zijn gewaad.” Hij gevoelde het gewicht van dit oordeel, en de andere die mede alles wist was Paula, was zij van wie hij bovenal gewenscht had dat zij tot hem mocht opzien! Gisteren hield hij het nog voor de grootste zaligheid op aarde haar te omarmen, haar de zijne te mogen noemen; thans kende hij maar één wensch, haar te vernederen, haar te straffen. Helaas, dat hem de handen gebonden waren, dat hij als een veroordeelde van hare genade afhing! Hij kon niet onder woorden brengen hoe onverdragelijk hem deze gedachte was. Maar zij zou hem leeren kennen! Als een blanke zwaan was hij tot nu toe het leven doorgegaan; als deze noodlottige ure, als deze vrouw hem tot een gier maakte, was het niet zijne, was het hare schuld! Weldra zou blijken wie de sterkste was van hen beiden. Hij moest haar straffen op eene wijze zooals men eene vrouw slechts tuchtigen kan, al moest hij ook langs den weg der misdaad en der ellende zijn doel bereiken. Hij vreesde niet dat de arts hare genegenheid had gewonnen, want hij voelde met onbetwistbare zekerheid dat, hoe zij hem hare vijandschap ook deed gevoelen, haar hart hem en hem alleen behoorde. »De gouden munt der liefde,” zeide hij tot zichzelven, »heeft twee zijden: teeder verlangen en bitteren haat; thans toont zij mij deze laatste zijde, maar hoe verschillend ook het beeld en het schrift van de munt mogen zijn, wanneer menhaar laat klinken geeft zij toch maar éen toon, en die toon ligt ook in hare beleedigende taal.”Aan de familietafel verontschuldigde hij Paula en at zelf zeer weinig, want de rechters waren sedert lang vergaderd en wachtten op hem.Reeds aan de voorvaderen van den Mukaukas, machtige gouwvorsten, was het recht verleend over leven en dood, en zij hadden zich daarvan zeker al bediend onder de Psamtikiden, aan wier heerschappij de Pers Cambyses zulk een gruwzaam einde had gemaakt. Als eerwaardige symbolen van dit recht prijkten thans nog uraeusslangen, adders wier beten den snelsten dood ten gevolge hebben, en de drakendooder St. George boven de paleizen van den Mukaukas te Memphis en te Lucopolis in Boven-Egypte. Op beide plaatsen stond het aan het hoofd der familie vrij, nadat Justinianus en het laatst keizer Heraclius die oude bevoegdheid opnieuw bevestigd hadden, om aan de onderhoorigen des huizes en de inwoners van het district, waarover hij gesteld was, eigenmachtig de doodstraf te doen voltrekken. De ridder St. George was tusschen de oude slangen geplaatst, om het heidensch symbool door een christelijk te vervangen. Vroeger had de ridder het hoofd van een sperwer, dat wil zeggen van den god Horus gedragen, die om zijn vader te wreken den boozen Seth Typhon had verslagen, doch reeds een paar honderd jaren geleden was de heidensche krokodillendooder in den christelijken overwinnaar van den draak veranderd geworden.De Arabieren hadden na de verovering des lands de oude instellingen en rechten en zoo ook die van den Mukaukas gehandhaafd. Het gerechtshof, dat in zaken betreffende het huispersoneel werd saamgeroepen, bestond uit de hoogere privaatbeambten van het stadhouderlijk huis. Het ambt van opperrechter bekleedde de Mukaukas zelf en zijn volwassen zoon was zijn natuurlijke plaatsvervanger. Gedurende Orions afwezigheid had het hoofd van de rentmeesters, Nilus, een verstandig en bezadigd Egyptenaar, de plaats van zijn lijdenden meester vaak vervuld, maar heden was aan Orion opgedragen het voorzittersgestoelte in te nemen en het onderzoek te leiden.De zoon van den stadhouder haastte zich uit de eetzaal naar het slaapvertrek zijns vaders te gaan, en vroeg hem om zijn ring als teeken der volmacht, die hij op hem had overgedragen. De Mukaukas liet zich dezen gewillig van den vinger halen, en drukte den jongeling op het hart, dat zonder toegevendheid en gestreng moest worden gevonnisd. Hij was anders tot zachtheid geneigd, doch op een inbraak in zijn huis stond de dood, en in dit geval was het om der wille van den Arabischenkoopman geraden geen vergiffenis te schenken. Orion, indachtig aan zijne overeenkomst met Paula, verzocht nu zijn vader hem de handen geheel vrij te laten. De oude muzelman was een rechtvaardig heer, die onder zekere omstandigheden ook een zacht vonnis zou billijken. Bovendien was de misdadiger eigenlijk geen huisgenoot, maar hij stond in dienst bij eene bloedverwante. De Mukaukas prees het verstandig inzicht van zijn zoon. Als hij zich maar wat beter gevoelde, zou hij gaarne de zitting willen bijwonen, ten einde hem voor de eerste maal een ernstigen plicht te zien vervullen, die zijne geboorte en zijn stand waardig was. Orion kuste zijn vader met warmte en weemoedige ontroering de hand, want ieder woord van waardeering uit den mond van dezen geliefden man deed hem innerlijk goed, doch hij beschouwde het als eene ramp, dat hij zijn rechtersloopbaan, waarvan hij den ernst en de heiligheid gevoelde, aldus—aldus beginnen moest.Zachtmoediger gestemd, in gedachten verzonken en overwegende hoe Hiram te redden en Paula’s naam liefst geheel buiten de zaak te houden zou zijn, begaf hij zich naar de gerechtszaal, en vond vóor den ingang de voedster Perpetua in een levendig gesprek met den rentmeester Nilus. De oude vrouw was radeloos. Door haar arbeid aan de weefgetouwen had zij tot zooeven niets van al het gebeurde vernomen, en zij bezwoer thans de onschuld van den ongelukkigen Hiram. De steen, dien hij verkocht had, was het eigendom geweest van hare meesteres, en daarvoor ontbrak het goddank niet aan bewijzen, want de kas van den smaragd lag goed bewaard in de kist van hare meesteres. Gelukkig was het nog mogelijk geweest haar even te spreken, maar dat men haar, de dochter van Thomas, als ieder burger- of slavenkind voor het gerecht wilde dagen, dat was ongehoord, dat was schandelijk!Opeens stoorde Orion barsch dit onderhoud; hij gelastte den ouden deurwachter haar onverwijld te brengen naar het magazijn naast het tablinum, waar de voor het gebruik des huizes bestemde geweven stoffen bewaard werden, en haar daar tot naderordergoed te bewaken. De toon waarop hij dit bevel gaf was zoo meesterachtig, dat zelfs de voedster niet tegensprak; ook de rentmeester gehoorzaamde zwijgend zijn gebod, om zich weder bij de rechters te voegen. Nilus kwam verbaasd en angstig in de rechtzaal terug. Zóo had hij den zoon zijns meesters nog nooit gezien. Bij de mededeeling van de voedster waren hem de aderen op zijn jeugdig nog ongerimpeld voorhoofd sterk gezwollen, hadden zijne neusvleugels zich snel en krampachtig bewogen, was de welluidende klank uit zijne stem verdwenen en hadden zijne oogen dreigend gefonkeld.Nu was Orion alleen en hij knarste op de tanden van boosheid. Ondanks de gegeven belofte had Paula hem verraden, en hoe verachtelijk was de vrouwenlist, waarmede zij dit gedaan had. Voortreffelijk! Voor de rechters kon zij nu zwijgen, gerust zwijgen tot aan het einde der zitting; de voedster, haar spreekbuis, had aan Nilus, den ernstigsten en scherpzinnigsten man in het geheele college, de bewijzen toevertrouwd, die voor haar en tegen hem getuigden. Ongehoord, schandelijk! Een smadelijk, bij uitstek nijdig verraad! Maar nog had zij haar doel niet bereikt, nog had hij de handen vrij, om deze boozen aanval met een tegenstoot af te weren. Welke deze zijn moest, dat was hem reeds bij de mededeeling van de voedster duidelijk geworden, maar zijn geweten, zijne aangeboren neiging, de langdurige gewoonte om zich te houden binnen de perken van wat recht, goed en betamelijk is, dat alles verzette zich daartegen. Niet alleen had hijzelf nooit eene laaghartige gemeene daad begaan, maar het had zijne ergernis opgewekt, zoo vaak hij het had gezien van anderen; en het eenige wat hij ondernemen kon om Paula’s verraad onschadelijk te maken, het was—hij kon het niet loochenen—het was wel ongehoord en stout, maar niet minder verachtelijk en schandelijk. Doch hij wilde en mocht in dezen strijd niet onderliggen. De tijd drong, hij kon onmogelijk lang wikken en wegen, en plotseling ontwaakte in hem een kwaadaardige, woeste strijdlust, en gevoelde hij zich als in de dagen van de wedrennen in den circus, wanneer hij zijn vierspan aanzette om de anderen vooruit te komen. Vooruit dan, vooruit, al moest het voertuig in splinters slaan, al moesten de paarden er bij neervallen en de raderen van zijn wagen de strijdgenooten in het zand van de arena verbrijzelen!Met een paar haastige schreden bereikte hij het kamertje van den deurwachter, een wakker man, die sedert veertig jaren dit ambt bekleedde. Vroeger was hij smid geweest en thans gebruikte men hem om kleine herstellingen te doen aan het gewone huisraad. Orion was als kind een aardige knaap, die ieders hart wist te stelen, en dus ook de lieveling van dezen man geweest. Vaak had hij zich in diens kamertje opgehouden en hem de kunstgrepen van zijn handwerk afgezien. Met een bijzonderen aanleg voor werktuigkunde begaafd, had hij zich een leerzaam scholier van den oude betoond en het zoover gebracht, dat hij zijne ouders op hunne geboortedagen, die in Egypte bijzonder feestelijk gevierd en door het geven en ontvangen van geschenken opgeluisterd werden, met sierlijke kastjes en banden voor gebedenboeken kon verrassen, die hij met eigen hand gesneden en van sloten voorzien had. Hij kon alle instrumenten hanteeren en koos thans fluks de zoodanigen uit, diehij meende noodig te hebben. Op de vensterbank van het kamertje stond een bloemruiker, dien hij gisteren avond voor Paula bestelde, maar op dezen schrikkelijken dag vergeten had te halen. Met dezen in de hand en de instrumenten in de borstplooien van zijn gewaad snelde hij naar de trap.»Voorwaarts, altijd voorwaarts!” riep hij zichzelven toe, toen hij Paula’s kamer binnendrong, de deur grendelde, en zich op de knieën neerliet bij hare kist, na de bloemen uit de handen te hebben gelegd. Als hij ontdekt werd, dan heette het dat hij naar hare kamer was gegaan om dezen ruiker te brengen.»Voorwaarts, steeds voorwaarts!” dacht hij altijd, terwijl hij de scharnierenlosschroefde, waarmede het deksel aan de kist was verbonden. Zijne handen beefden, zijne ademhaling versnelde, maar het werk vorderde toch. Op deze manier moest het hem gelukken, want het kunstslot van de kist liet zich niet openen zonder het te vernielen. Daar lichtte hij het deksel en—als ondersteunden hem vriendelijke machten—bij den eersten greep in de kist hield hij de halsketen met de ledige kas in de hand. Het hulsel van bladgoud hing aan het kunstig gewerkt halssieraad; dit los te haken en bij zich te steken was het werk van een oogenblik.Maar nu ging het niet meer, al riep hij zich het »voorwaarts” nog zoo luide toe. Dat was een diefstal, daarmede ontroofde hij iets aan haar, die hij, als zij maar gewild had, bereidwillig met alles zou hebben overladen, waarmede het lot hem zoo overrijk gezegend had.»Neen, dat, dat...”Daar schoot hem plotseling eene zonderlinge gedachte door het hoofd, eene gedachte die hem, te midden van den vreeselijken ernst van deze ure een glimlach om de lippen plooide. Zonder verwijl voerde hij haar uit; hij greep diep in zijn onderkleed en haalde een edelsteen te voorschijn, die aan eene gouden keten op zijne borst hing. Dit kleinood, het meesterwerk van een groot Grieksch steensnijder uit den heidenschen tijd, was hem vereerd door zijn besten vriend in Konstantinopel, als tegengeschenk voor een vierspan, dat dezen bijzonder beviel, en de steen bezat inderdaad hooger waarde dan een half dozijn edele paarden. Als in een roes, half waanzinnig, volgde Orion dien ontstuimigen drang van zijn gemoed, en het verheugde hem dat hij een kostbaar stuk bij de hand had om in de plaats van het armzalig bladgoud te hangen. Met een paar handgrepen was alles in orde, maar het weder aanschroeven van descharnierenvorderde meer tijd, want zijne vingers beefden sterk, en hoe nader het oogenblik kwam, waarop hij Paula zijne overmacht wilde laten voelen, des te sneller klopte zijn hart, des te moeielijker viel het hem zijn geest tot kalme overweging te dwingen.Nadat hij de deur ontgrendeld had, moest hij weder als een dief de lange gang van de verdieping der gasten bespieden. Dit verhoogde zijne opgewondenheid tot verbittering tegen de wereld en het noodlot, en het meest tegen haar, die hem tot zulk eene smadelijke zelfvernedering dwong. De renner hield de teugels en den prikkel in de hand. Voorwaarts nu, voorwaarts! Evenals toen hij nog een jongen was, vloog hij de trappen af, telkens een drietal treden overspringende, en toen hij in de voorzaal de Grieksche opvoedster Eudoxia aantrof, die hare wilde kweekelinge Maria juist in huis trok, wierp Orion haar den bloemruiker toe, dien hij weder had meegebracht, en ijlde, zonder acht te geven op de smachtende blikken waarmede de bedaagde jonkvrouw hare dankzegging begeleidde, naar het kluisje van den deurwachter terug, waar hij zich haastig ontdeed van alle gereedschappen.Weinige oogenblikken later betrad hij de rechtzaal. De rentmeester Nilus wees op den hooger geplaatsten opperrechterszetel van zijn vader, maar eene sterke huivering weerhield hem dit eerwaardig gestoelte te bezetten. Met gloeiend hoofd en somberen blik, zoodat alle aanwezigen hem verbaasd en schuw aanzagen, opende hij met driftig uitgestoote woorden deze zitting. Nauw wist hijzelf wat hij sprak, en hij hoorde zijne eigene toespraak niet duidelijker dan het geruisch der zee uit de verte. Toch gelukte het hem klaar uiteen te zetten wat er gebeurd was, hij toonde den rechters den geroofden steen, dien men den dief afhandig had gemaakt, berichtte op welke wijze men dezen weder in bezit had gekregen, verklaarde den vrijgelatene van de dochter van Thomas schuldig aan inbraak, en beval hem tot zijne verantwoording aan te voeren wat hij vermocht.Doch de aangeklaagde wist er slechts met moeite stotterende uit te brengen, dat hij onschuldig was. Het was zijne zaak niet zichzelven te verdedigen, maar misschien zou zijne meesteres iets tot zijne rechtvaardiging in het midden willen brengen.Daarop streek Orion zijne verwarde haren uit het aangezicht, wierp het verhitte hoofd trotsch in den nek en zeide, zich tot de rechters keerende: »Zij is eene aanzienlijke jonkvrouw, eene verwante van ons huis, het is betamelijk haar buiten deze treurige zaak te houden. Hare voedster heeft Nilus bovendien medegedeeld, wat misschien in staat is om dezen ongelukkige te redden. Wij willen niets daarvan onopgemerkt laten, maar gij, die minder goed met de verhoudingen tusschen de verschillende personen bekend zijt, moet dit wel in het oog houden, om niet op een dwaalspoor te geraken. Zij is aan den beschuldigde gehecht, en hem en Perpetua schat zij hoog als het eenigewat haar uit het ouderlijk huis is overgebleven. Verder moet het mij en u niet verwonderen, wanneer eene edele vrouw als zij het waagt de schuld van een ander op zich te nemen, en zichzelve in een twijfelachtig licht te plaatsen, om een dienaar te redden, die altijd trouw en eerlijk is geweest. De voedster is bij de hand, zullen wij haar roepen, of heeft zij u Nilus alles toevertrouwd, wat hare meesteres ten gunste van den vrijgelatene aanvoerde?”»Perpetua heeft mij, en ten deele ook u eene geloofwaardige mededeeling gedaan,” antwoordde de rentmeester, »maar ik vermag haar toch niet zoo juist weer te geven als zijzelve, en ik dacht daarom dat het goed zou zijn de vrouw te laten voorkomen.”»Men brenge haar voor,” beval Orion, terwijl hij over de hoofden der rechters somber en ongenaakbaar in de ruimte staarde.Na een langdurig en pijnlijk zwijgen in de zaal verscheen de oude vrouw. Overtuigd van het goed recht harer zaak, trad zij onbeschroomd binnen, zag eerst den ongelukkigen Hiram niet zeer vriendelijk aan, omdat hij zoo lang gezwegen had, en vertelde daarop dat Paula, om zich het noodige geld ter opsporing van haren vader te verschaffen, door den vrijgelatene een kostbaren smaragd uit hare halsketen had laten nemen, en hoe door het verkoopen van dit kleinood haar landsman helaas in verdenking was gekomen.Deze verklaring van de voedster scheen het meerendeel der rechters gunstig voor den aangeklaagde te stemmen, doch Orion liet hun geen tijd om onder elkander van gedachten te wisselen, want nauwelijks had Perpetua haar verhaal geëindigd, of Orion greep den smaragd, die voor hem op tafel lag,enzeide driftig en verstoord: »Dus zou een steen, die zijn verkooper zelf, een der grootste kenners van juweelen, verklaard heeft eenig in zijne soort te zijn en dezelfde die in het tapijt heeft gezeten, opeens als door een wonder der natuur een dubbelganger gevonden hebben? Booze geesten drijven ook heden ten dage nog hun spel met de menschen, doch het is bezwaarlijk te gelooven dat zij dit doen in dit christelijk huis. Gij weet wat het woord‘bakersprookjes’in onze taal beteekent, en wat de voedster daar in het midden heeft gebracht moet blijkbaar daartoe gerekend worden. Dat mag men den jood Apelles doen gelooven, zooals de Romein Horatius zeide, maar zijn geloofsgenoot Gamaliël”—waarbij hij zich tot den juwelier wendde, die op de bank der getuigen zat,—»zeker niet, en nog minder mij, die dit weefsel doorzie. De dochter van den edelen Thomas heeft zich vernederd om met behulp van deze kunstenaresin het weven dit sprookje op het getouw te zetten en voor ons te ontrollen, ten einde ons rechters op een dwaalspoor te brengen en haren trouwen dienaar te redden vangevangenisstraf, dwangarbeid of den dood. Zoo zit de zaak in elkaar. Dwaal ik, vrouw, of blijft gij volharden bij uwe bewering?”De voedster, die gemeend had in Orion een verdediger te vinden voor hare meesteres, had zijne woorden gevolgd met klimmende verbazing. Uit zijne oogen fonkelden haar nu eens spot, dan groote verbolgenheid tegen, doch terwijl bij dezen onverwachten uitval de tranen haar in de oogen waren geschoten, bewaarde zij toch hare tegenwoordigheid van geest en verzekerde, dat zij evenals altijd zoo ook thans de waarheid had gezegd. De kas waarin de smaragd harer meesteres had gezeten, zou dit ten overvloede kunnen bewijzen.Hierop haalde Orion de schouders op, beval de voedster hare meesteres te roepen, wier persoonlijke tegenwoordigheid thans onvermijdelijk was geworden, en zeide tot den rentmeester: »Geleid haar, Nilus! Een dienaar brenge de kist hierheen, opdat deze door de eigenares zelve voor onze oogen geopend worde, vóor een ander de hand aan den inhoud kan slaan. Ik zou niet geschikt zijn voor deze boodschap, want niemand in dit Jakobietische huis, ik vrees zelfs niemand onder u, heeft genade gevonden in de oogen van deze schoone Melchietin. Mij is zij helaas bijzonder kwalijk gezind, en zoo moet ik aan anderen elken maatregel overlaten, die tot misverstand zou kunnen leiden. Breng haar hierheen, Nilus, natuurlijk met al de onderscheiding, die aan eene jonkvrouw van hooge geboorte toekomt.”Zoodra de afgezondenen zich verwijderd hadden, doorliep Orion de rechtzaal met haastige, rustelooze schreden.Maar eens bleef hij voor de rechters staan, zeggende: »Ook zelfs wanneer de kas van den smaragd gevonden wordt, hoe verklaren wij dan de aanwezigheid van twee, ik zeg twee steenen, elk eenig in zijne soort? Het is om zijn geduld te verliezen! Een teergevoelig meisje waagt het eene ernstige rechtbank op een dwaalspoor te brengen, ten gunste, ten gunste van....” Hij ging niet verder, maar stampte driftig met den voet op den grond en zette daarna stilzwijgend zijne wandeling voort.»Hij is nog een nieuweling,” dachten de rechters, die zijne groote gejaagdheid opmerkten, »anders zou hij zich de dwaze poging om een aangeklaagde schoon te wasschen niet zoo aantrekken, en zich door zoo iets niet uit zijn humeur laten brengen.”Het verschijnen van Paula maakte eindelijk aan dat op- en neerloopen van Orion een einde. Hij ontving haar met eene afgemetene buiging en verzocht haar plaats te nemen. Vervolgensnoodigde hij Nilus uit haar mede te deelen wat uit het onderzoek en de behandeling van de zaak tot hiertoe was gebleken, en te vragen wat haar naar zijne meening en die der overige rechters had kunnen bewegen den gestolen smaragd voor den hare te verklaren. Hij zou het zooveel mogelijk aan anderen overlaten haar te verhooren, want zij wist maar al te goed in welke verhouding zij tot elkander stonden. Voor dat hij de rechtzaal binnenkwam, had zij hare verklaring van den diefstal door Perpetua aan den rentmeester Nilus laten mededeelen; hij—en hier verhief hij zijne stem—zou het passender gevonden hebben, en meer overeenkomstig de verwantschap die er tusschen hen bestond, wanneer zij hemzelven, Orion, had toevertrouwd, wat zij dacht ten gunste van den vrijgelatene te doen; dan zou het hem mogelijk zijn geweest haar te waarschuwen. Dit wegcijferen van zijn persoon bij hare handelingen moest hij beschouwen als een nieuw bewijs van haar afkeer, en de gevolgen ervan zou zij aan zichzelve te wijten hebben; want nu moest het rechtsgeding onverbiddelijk zijn loop hebben.De toornige gloed zijner oogen verried haar wat zij van hem te wachten, en dat hij den kamp met haar aangenomen had. Zij hield zich overtuigd, volgens zijne opvatting de kort te voren gegeven belofte verbroken te hebben; doch zij had Perpetua geenszins opgedragen zich in deze aangelegenheid te mengen, zij had de voedster integendeel verzocht haar in het uiterste geval zelve de bewijzen te laten aanvoeren. Orion moest in den waan verkeeren, dat hem harerzijds een onrecht was aangedaan; maar zou hij daarom zichzelven zooverre kunnen vergeten, dat hij zijne bedreiging uitvoerde en een onschuldige, om alle verdenking van zich af te wenden, te gronde richtte, waarbij hij haar als valsche getuige zou brandmerken? Ja, ook voor dit uiterste schrikte hij niet terug! Zijn vlammend oog, zijne heftige gebaren, het geweldig hijgen van zijne borst, dit alles sprak het duidelijk genoeg uit. De strijd moest dus worden aanvaard. Liever ware zij op dit oogenblik gestorven, dan dat zij het zou hebben willen wagen hem door een woord van verontschuldiging zachter te stemmen. Zij voelde hoe zijn gemoed kookte, en zou zich aan zijne voeten hebben willen nederwerpen, om hem te smeeken toch tot bedaren te komen, ten einde zich te hoeden voor eene nieuwe misdaad; doch zij bewaarde hare trotsche waardigheid, en de blik waarmede zij den zijnen beantwoordde was niet minder toornig en uitdagend dan die van hem. Als twee jonge adelaars, die strijdlustig de veeren opsteken, de vleugels verder uitspreiden en de halzen rekken, stonden zij daar tegenover elkander, zij zeker van hare overwinning, in het bewustzijn van de rechtvaardigheid harer zaak, doch meerbeangst voor hem dan voor zichzelven, hij bijna blind voor het eigen gevaar, maar als een gladiator, die in de arena tegenover zijn doodvijand staat, meer bedacht om dezen te vellen, dan om eigen lijf en leven te beschermen.Terwijl de rentmeester haar mededeelde wat zij ten deele reeds wist, en daarop de verdenking herhaalde, dat zij zich had laten verleiden tot het geven van een valsch getuigenis om haar dienaar, die misschien uit liefde voor zijn verdwenen meester de inbraak had gewaagd, het leven te redden, zag zij meer naar Orion dan naar den redenaar. Deze laatste wees ten slotte op de kist, die tegelijk met Paula uit hare kamer in de zaal was gebracht, en gaf haar te kennen, dat de gezamenlijke rechters bereid waren alles aan te hooren en te onderzoeken, wat zij tot hare verdediging in het midden zou brengen.Orions gejaagdheid bereikte thans haar toppunt. Hij voelde dat hij doodsbleek werd en kon niet meer geregeld denken. De rechters, de aangeklaagde, zijne vijandin, alles wat binnen de wanden van de groote rechtzaal besloten was, lag daar voor hem als in grauwe kronkelende nevels gehuld. Al wat hij zag scheen hem als met helder smaragdgroen gekleurd. Het haar, de aangezichten, de gestalten der aanwezigen, alles schemerde en glinsterde in dien groenachtigen glans. Toen Paula echter trotsch en met vasten tred naar de kist toeliep, een kleinen sleutel uit haar gewaad haalde, dezen aan een beambte overhandigde en daarna als eenig antwoord op de mededeeling van Nilus, ja, als ware dit reeds te veel van haar gevergd, met koele hoogheid zeide: »Open de kist!,” toen zag hij weder dat glanzig bruine haar, den vurigen gloed harer blauwe oogen, de afwisselende bleekheid en blos harer wangen, het heldere gewaad, dat hare heerlijke gestalte in fraaie plooien omsloot, en haar zegepralenden glimlach. Hoe schoon, hoe begeerlijk was deze vrouw! Weldra zou zij onderliggen in den strijd met hem, maar deze overwinning zou hem te staan komen op het verlies van haar, en met haar van alles wat er reins en goeds zijner voorvaderen waardig in hem was. Eene stem in zijn binnenste riep het hem toe, maar hij bracht haar tot zwijgen met de voorwaartskreet van den agitator. Ja, vooruit tot het doel bereikt was, altijd voort over puin en steenen, door bloed en stof, tot zij den trotschen nek buigt, tot zij overwonnen en gebroken om genade smeekt.Daar sprong het deksel van de kist open. Paula bukte zich, ze haalde de halsketen te voorschijn en vertoonde die aan de rechters, zij hield de beide einden ver uit elkander, en... Wat was dat voor een akelige, hartverscheurende kreet van vertwijfeling! Zelfs Orion zou gewenscht hebben zoo iets nooit meerte hooren.—Daar wierp zij het halssieraad voor de rechters op tafel en met den uitroep: »Schandelijk, laaghartig!” trad zij terug en greep zich aan de trouwe Betta vast; want hare knieën begonnen te knikken en zij gevoelde dat zij op het punt stond in elkaar te zijgen. Orion vloog naar haar toe om haar te ondersteunen, maar zij stootte hem terug, en daarbij trof hem een blik zoo vol smart, toorn en verachting, dat hij roerloos voor haar bleef staan en de hand op zijn hart drukte.—En deze laaghartige daad, die twee menschenkinderen zoo diep zou grieven, had hij met een glimlach begonnen! Deze vertooning, die een doodsoordeel bevatte, tot welk een ontzettend einde kon zij leiden?Paula was intusschen zonder verder eenig geluid te geven op een zetel neergezonken, en ook hij zag zwijgend voor zich tot in de rij der aanwezige rechters een luid gelach opging en de oude Psamtik, de bevelhebber van de hoofdwacht, die sedert geruimen tijd in de rechtbank zitting had, uitriep: »Bij mijn ziel een kostelijke steen! Dat is de heidensche liefdegod Eros, dien zijn gevleugeld schatje Psyche in het aangezicht ziet. Hebt gij dien mooien roman van Apulejus niet gelezen, ‘de gouden ezel’ geheeten? Dit stukje komt daarin voor. Heilige Lukas, wat is dat fijn gesneden! De edele jonkvrouw heeft zeker den verkeerden halsketen gegrepen. He, Gamaliël, waar moet aan dat ding”—en hij wees hierbij op den gesneden steen—»dat groene duivenei gezeten hebben?”»Nergens,” antwoordde de jood. »De edele jonkvrouw....”Doch Orion legde dien getuige barsch het zwijgen op, waarna de rentmeester Nilus den steen in handen nam en dien opmerkzaam van alle zijden bekeek. Daarop ging de ernstige, rechtvaardige man, op wiens bijstand Paula zeker gerekend had, naar haar toe, haalde medelijdend de schouders op, en vroeg of er zich in de kist ook nog eene andere halsketen kon bevinden, met zulk eene gouden kas als waarvan zij gesproken had.Eene rilling voer haar door de leden, want het scheen wel dat hier een wonder was geschied. Maar neen, bij dezen slag die haar werd toegebracht waren geen hoogere machten in het spel. Orion meende dat zij hare belofte om hem te verschoonen en te zwijgen gebroken had, en dit was nu zijne wraak. Hoe en langs welken weg hij haar volvoerd had, dat was haar een raadsel. Welk een slag! Ja, ze had getroffen! Zou zij zich dien laten welgevallen as een geduldig kind? Neen, duizendmaal neen! Opeens herkreeg zij hare veerkracht, de haat staalde haar zwakken wil, en gelijk hij zich in den geest verplaatst had te midden van de wedrennen in de arena, zoo verbeeldde zij zich aan het schaakbord gezeten te zijn; en hetwas haar als streed zij met hem om te winnen, niet als met zijn vader om bloemen, kleine geschenken of de eer van het spel alleen, maar om een geheel anderen inzet, om dood of leven.Alles wilde zij er aan wagen om hem te overwinnen, en toch, neen—wat er ook van komen mocht—niet alles. Liever wilde zij de nederlaag lijden, dan hem overtuigen van diefstal, dan te verraden, wat zij in het viridarium had bespied. Zij had beloofd dat te zullen verzwijgen en den zoon te bewaren voor dezen smaad, dat zou het loon zijn dat zij den vader betaalde voor zijne goedheid. Hoe heerlijk, hoe groot had Orions beeld voor hare ziel gestaan! Met deze schandvlek wilde zij hem noch voor zichzelve noch voor de wereld bezoedelen. Maar in geen enkel ander opzicht mocht zij hem ontzien, en zij moest alles doen om hem de zegepraal te betwisten en Hiram te redden. Elk wapen was geoorloofd, alleen dit verraad wilde en mocht zij niet tegen hem plegen. Hij moest gevoelen dat zij edeler gezind was dan hij, dat zij in de moeielijkste omstandigheden des levens trouw bleef aan haar woord. Haar besluit was genomen, en zij begon dieper adem te halen, er kwam weer leven in haar oog, ofschoon het nog een wijle duurde, eer zij het rechte woord vond om den strijd te beginnen.Orion zag welk een bangen strijd zij voerde, hij gevoelde dat zij zich tot weerstand wapende, en had haar willen aanmoedigen om den eersten uitval te doen. Nog geen woord van verbazing of verontwaardiging, nog geen enkel verwijt was over hare lippen gekomen. Wat voerde zij in het schild, waarover peinsde zij? Hoe verrassender en gevaarlijker de uitval bleek te zijn, des te beter; hoe moediger zij zich verweerde, des te verder zou bij hem de pijnlijke gedachte op den achtergrond treden, dat hij strijd voerde tegen eene vrouw. Ook helden hadden roem gedragen op overwinningen over Amazonen behaald.Eindelijk stond zij op en ging naar Hiram toe. Men had hem aan den schandpaal gebonden en toen een smeekende blik uit zijne trouwe oogen haar trof werd haar tong ontboeid, was zij zich opeens bewust, dat zij zich niet enkel te verweren maar ook een ernstigen plicht te vervullen had. Nadat zij met enkele haastige schreden de tafel genaderd was, waarom de rechters in een halven cirkel gezeten waren, legde zij de linkerhand ten steun op het tafelvlak, en zeide, terwijl zij de rechter omhoog hief: »Gij zijt het offer van een afschuwelijk bedrog, en iemand heeft aan mij een schurkachtigen streek begaan om mij in het verderf te storten! Ziet die man daar aan den schandpaal er uit als een roover? Geen heer heeft ooit trouwer, eerlijker dienaar kunnen vrijlaten, en de dank dien Hiram daarvoor aan mijn vader verschuldigd is, heeft hij op zijn dochter overgedragen,daar hij uit liefde tot mij eigen huis, vrouw en kind verliet, om mij, de wees, naar den vreemde te volgen. Verlangt gij echter de waarheid te hooren, niets dan de waarheid en deze ten volle...”»Spreek!” riep Orion haar toe. Maar zij ging voort, zich tot Nilus en de overige rechters wendende, terwijl zij hem met voordacht over het hoofd zag. »Uw hoofd, de zoon van den Mukaukas, weet dat ik in plaats van beschuldigde eene aanklaagster zou kunnen worden, als ik wilde. Maar ik versmaad dit middel uit liefde voor zijn vader en omdat ik edeler denk dan hij. Hij zal mij wel begrijpen! Wat dezen smaragd aangaat, de vrijgelatene Hiram heeft hem gisteren avond voor mijne oogen met zijn mes uit het gouden hulsel gelicht; doch behalve wij, hebben, gode zij dank, ook nog anderen de kas zien hangen aan de keten, waartoe hij behoorde. Heden middag bevond zij zich nog op de plaats waar het eene misdadige hand later gelukt is dezen gesneden steen te bevestigen. Ik heb die, dat bezweer ik u bij Christus’ wonden, zooeven voor het eerst gezien. Het is een kostbaar stuk. Alleen een rijk man, de rijkste onder u allen, schenkt zulk een schat weg, onverschillig met welk doel, laten wij zeggen: om een vijand in het verderf te storten. Gamaliël,” en daarbij wendde zij zich tot den juwelier, »hoe Gamaliël, schat gij den onyx?”De Israëliet liet zich den steen nog eens overhandigen, draaide dien in alle richtingen en zeide ten laatste meesmuilende: »Ja, schoone jonkvrouw, wanneer mijne zwarte broeihen zulke eieren legde, zou ik het kippetje enkel met koeken van Arsinoë en vette oesters van Kanopus voederen. Dat ding is een landgoed waard, en al ben ik geen rijk man, ik betaal daarvoor ieder oogenblik twee groote talenten, al moest ik ze borgen.”Deze verklaringen misten hare krachtige uitwerking op de rechters niet. Doch Orion haastte zich te zeggen: »De wonderen vermenigvuldigen zich op dezen merkwaardigen dag. De edelmoedigheid, tot een ijdelen klank geworden, schijnt onder ons weer te ontwaken. Een verkwistende demon maakt uit een waardeloos stukje bladgoud een kostbaren onyx. Mag men vragen, jonkvrouw, wie die kas aan uw keten heeft gezien?”Zij geraakte in verzoeking om ook het laatste ontzag voor zijn persoon te laten varen en antwoordde met bevende stem: »Waarschijnlijk uw medehelpers, of gijzelf; want gij, gij alleen hebt reden...”Doch hij liet haar niet verder spreken, maar sneed haar de woorden af, door te zeggen: »Dat is te veel! O dat gij een man waart! Thans heb ik gezien hoever uwe edelmoedigheid gaat! Ook de haat, de bitterste vijandschap....”»Zij zouden het recht hebben u geheel te vernietigen!” riep zij diep verontwaardigd. »En wanneer ik u van deze afschuwelijke misdaad betichtte....”»Dan zoudt gij een misdaad begaan tegen mij, tegen uzelve en tegen dit huis,” hernam hij dreigend. »Neem u in acht meisje! Kan uwe verblinding zoover gaan, dat gij mij, mijzelven als getuige oproept, opdat ik het sprookje, dat gij ons opdischt..”»O neen, neen; dan zou ik nog iets edels van u moeten kunnen verwachten,” sprak zij, hem luid in de rede vallende. »Ik heb geheel andere getuigen: Maria, de kleindochter van den Mukaukas Georg.”Haar oog zocht bij die woorden het zijne, maar hij zeide: »Dat kind, welks hartje u toebehoort, en dat u volgt als een schoothondje!”»En buiten haar nog Katharina, de dochter van de weduwe Susanna,” haastte zij zich er bij te voegen, met blozende wangen en zeker van hare overwinning. »Zij is althans geen kind meer maar eene jonkvrouw, dat weet gij! Doch,” en nu keerde zij zich weder tot de rechters, »van u vorder ik, dat gij uw ambt waardig zult vervullen, door mij recht te laten wedervaren en de beide getuigen te doen voorkomen om haar te hooren.”Terstond antwoordde Orion, terwijl hij alle moeite deed om bedaard te blijven: »De grootouders mogen beslissen of men het weekhartige kind aan de verzoeking mag blootstellen door eene verklaring voor de rechters, zij moge dan luiden hoe zij wil, hare afgodisch beminde vriendin te redden. Haar leeftijd ontneemt overigens aan hare getuigenis alle waarde, en het stuit mij ook tegen de borst een kind van dit huis in deze pijnlijke zaak te mengen. Daarentegen is het de plicht van het gerechtshof de jonkvrouw Katharina voor te laten komen; en ikzelf bied mij aan haar te gaan roepen.”Paulas’ poging om hem weder in de rede te vallen wees hij ten stelligste af, men zou haar later in tegenwoordigheid der getuige geduldig aanhooren. De onyx was misschien afkomstig uit het huis haars vaders. Opnieuw werd Paula door rechtvaardige toorn overmeesterd en buiten zichzelve riep zij: »Neen, duizendmaal neen! Een ellendige booswicht, een uwer helpers, ik herhaal het, is mijne kamer binnengedrongen en heeft, terwijl ik bij de kranke vertoefde, het slot van mijne kist verbroken of met een valschen sleutel geopend.”»Dat kan onderzocht worden,” zeide Orion, en hij was blijkbaar zeker van zijne zaak, toen hij beval de kist op tafel te zetten en een der rechters verzocht als zaakkundige zijn oordeel uit te spreken.Paula kende den man zeer goed. Hij behoorde tot de aanzienlijkstebeambten des huizes en was de eerste werktuigkundige van den Mukaukas, wiens taak het was maten en gewichten, wateruurwerken en andere instrumenten te onderzoeken en te herstellen. Deze kundige man ging dadelijk over tot het onderzoek van het slot, dat hij in de beste orde bevond en van eene bijzondere samenstelling bleek te zijn, ook de kunstig vervaardigde sleutel had door geen looper vervangen kunnen worden, terwijl Paula moest toegeven de kist heden middag gesloten en den sleutel sedert dien tijd om haar hals gedragen te hebben.Orion hoorde deze verklaring schouderophalend aan en beval toen, vóór hij Katharina ging roepen, Paula en de voedster, van elkaar gescheiden, in aangrenzende vertrekken te brengen. Om in deze zaak tot klaarheid te komen, was een eerste vereischte verdere afspraken tusschen haar onmogelijk te maken. Zoodra de deur achter de vrouwen gesloten was, ijlde hij naar den tuin, waar hij Katharina hoopte te vinden.De rechters zagen hem na, terwijl ieder het zijne dacht. Zij stonden hier voor raadselen, die moeielijk waren op te lossen. Niemand achtte zich gerechtigd om te twijfelen aan de goede gezindheid van den zoon huns rechtvaardigen meesters, dien zij eerden als een hoogbegaafd en grootmoedig jonkman. Zijn strijd met Paula had hen pijnlijk aangedaan en ieder vroeg zich af hoe het gekomen was, dat het dezen lieveling der vrouwen niet scheen gelukt te zijn andere gevoelens, dan die van haat te wekken bij eene der schoonste van haar geslacht. De groote vijandschap tegen Orion, die zij niet verheelde, benadeelde hare zaak in de oogen der rechters, die maar al te goed wisten op welk een gespannen voet zij stond met vrouw Neforis. Het was meer dan vermetel van haar den zoon van den Mukaukas te beschuldigen de kist te hebben opengebroken; haat alleen had haar deze aanklacht op de lippen kunnen leggen. Toch lag er iets in haar wezen dat pleitte voor de deugdelijkheid van hare verklaringen, en als Katharina werkelijk kon betuigen de kas van den smaragd aan het halssieraad gezien te hebben, dan bleef er niets anders over dan het rechtsgeding van eene andere zijde aan te vangen en onderzoek te doen naar een anderen huisdief. Maar wie zou zulk een kostbaar stuk als dezen gesneden steen voor iets zonder waarde hebben weggesmeten? Neen, dat was ondenkbaar en de werktuigkundige Ammonius had gelijk toen hij beweerde, dat eene door haat bezielde vrouw tot alles in staat is, ook tot wat ongelooflijk schijnt.Intusschen was het volmaakt donker geworden en de gloeiend heete dag door een heerlijken, lauwen avond vervangen. DeMukaukas had zijn vertrek nog altijd niet verlaten, terwijl zijne gemalin benevens de weduwe Susanna en hare dochter, de kleine Maria en hare opvoedster in de opene gaanderij aan de zijde van den tuin en den Nijl een luchtje schepten en praatten. De vrouwen hadden hare hoofden omhuld met kanten sluiers, deels tegen de muggen, die van de rivierzijde, door het licht aangetrokken, bij zwermen kwamen toevliegen, deels tegen de dampen, die uit de Nijlvlakte opstegen. Zij wilden zich juist verkwikken met de zooeven gebrachte koele vruchtensappen, toen Orion verscheen.»Hoe is het afgeloopen?” riep zijne moeder hem bezorgd toe; want uit zijne verwarde haren en zijne hoogroode kleur maakte zij op, dat in de zitting niet alles glad van stapel was geloopen.»Ongehoorde dingen zijn er gebeurd,” was zijn antwoord. »Paula vecht als eene leeuwin voor den vrijgelatene haars vaders....”»Om ons te krenken en in verlegenheid te brengen,” hernam Neforis.»Neen, neen, moeder,” ging Orion met gejaagdheid voort. »Maar zij heeft een hoofd van ijzer, zij is eene vrouw die niets ontziet als het geldt haar wil door te zetten, en daarbij gaat zij met eene slimheid te werk, waardig den grootsten advocaat dien ik ooit op het tribunaal van de hoofdstad eene netelige zaak heb hooren bepleiten.Daar komt bij dat hare voorname houding en hare goddelijke schoonheid de hoofden van onze arme hofbeambten op hol brengen. Het is zeker braaf en edel zooveel ijver aan den dag te leggen voor een dienaar, doch dat alles kan haar niet helpen, want de bewijzen die tegen haren stotterenden vriend voor de hand liggen zijn volkomen overtuigend, en wanneer hare laatste bewering ontzenuwd is, zal de zaak beslist zijn. Zij geeft voor het kind en ook u, aanvallige Katharina, een halssieraad getoond te hebben.”»Getoond?” riep het kwikstaartje. »Ze heeft ons dat afgenomen, niet waar Maria?”»Maar wij hadden den keten zonder haar verlof weggenomen,” antwoordde de kleine.»En verlangt zij,” vroeg vrouw Neforis verstoord, »dat onze meisjes voor de rechtbank worden gebracht, om getuigenis af te leggen voor hare hoogheid?”»Dat verlangt zij,” bevestigde Orion. »Maar Maria’s uitspraak geldt niet bij de rechters....”»En ook al ware het anders,” hernam zijne moeder; »het kind mag in geen geval in deze nietswaardige zaak betrokken worden.”»Omdat ik voor Paula spreken zou!” riep Maria, terwijl zij driftig van haar zetel opsprong.»Gij zult uw mond houden!” riep de grootmoeder haar toe.»En wat Katharina betreft,” zeide de weduwe, »het komt niet bij mij op, haar voor al die heeren ten toon te stellen.”»Heeren!” zeide het meisje. »Mannen zijn het, kleine beambten en dergelijken meer. Ze kunnen lang op mij wachten!”»Maar gij zult toch aan hun verlangen moeten voldoen, trotsch meisje,” zeide Orion lachende, »want gij zijt goddank geen kind meer, en het staat der rechtbank vrij ieder volwassene als getuige voor de tafel te roepen. U zal niets geschieden, want gij staat onder mijne bescherming. Kom ga gerust met mij mede! Men moet in het leven alles leeren kennen. Hier helpt geen tegenstreven. Overigens behoeft gij slechts te zeggen wat gij gezien hebt en geleid ik u, als gij het mij vergunt, weder zorgvuldig aan dezen arm naar uwe moeder terug. Gij moet mij reeds heden uw kleinood toevertrouwen, vrouw Susanna, en de eerwaardige getuige zal u daarna zeggen, wat er verder met mij gebeuren zal.”Katharina begreep de beteekenis van die laatste geheimzinnige woorden, en het verheugde haar met den schoonen zoon van den stadhouder, den eersten man voor wien haar klein hartje klopte, alleen te mogen zijn; zij sprong dus vroolijk op, doch Maria klemde zich hartstochtelijk aan haar arm vast en verlangde zoo onstuimig en hardnekkig om meegenomen te worden, ten einde voor Paula te kunnen spreken, dat de opvoedster en vrouw Neforis haar slechts met moeite dwingen konden gehoorzaam te zijn en het paartje alleen te laten trekken.Beide moeders zagen hen met voldoening na en de gemalin van den stadhouder fluisterde de weduwe toe: »Heden voor het gerecht, en zeer spoedig, zoo God wil, voor het altaar in de kerk.”Om in de gerechtzaal te komen kon men of door het huis gaan, of buiten om loopen. Gaf men de voorkeur aan den laatsten weg, dan moest men allereerst door den tuin, en Orion koos dezen. In tegenwoordigheid van de vrouwen had hij zich geweld aangedaan, om de onrust die hem vervulde meester te blijven, en nu voelde hij hoe de strijd, dien hij had aangebonden en waaruit hij zich niet meer terugtrekken kon noch wilde, hem al verder en verder dreef en hem dwong het jonge schepseltje, dat nu—de teerling rolde al—zijne vrouw moest worden, op den schandelijken weg mede te sleepen, dien hij was opgegaan. Toen hij zijne moeder beloofd had niet morgen maar overmorgen om Katharina’s hand te zullen vragen, had hij gehoopt in dat tijdperk van uitstel hem toegestaan haar tekunnen bewijzen, dat de kleine toch niet de rechte vrouw voor hem was; en nu—welk een spot van het noodlot!—zag hij zich gedwongen, in alle opzichten juist het tegendeel te doen van datgene waartoe zijne neiging hem dreef. De vrouw die hij liefhad, ja nog altijd liefhad, hij bestreed haar als eene doodvijandin, en het meisje dat hem geheel onverschillig was, haar moest hij zijne hand reiken. Het was om krankzinnig te worden, maar het moest gebeuren, en met een herhaald »voorwaarts” besloot hij tot het schandelijk waagstuk, om het onervaren meisje aan zijn arm, zoo aan zich te verbinden, dat zij bereid was om zijnentwil onrecht te plegen. Zijn hart klopte of het springen moest, doch het was niet mogelijk langer te dralen of terug te treden; het gold, overwinnaar te blijven; dus voorwaarts, altijd voorwaarts!Zoodra zij buiten het licht der lantaarnen in de schaduw waren gekomen greep hij, blijde dat de duisternis zijne trekken onzichtbaar maakte, de tengere rechterhand van de naast hem wandelende kleine met beide handen en drukte zijne lippen op hare teedere vingertoppen.»Maar, Orion,” zeide zij schuchter, doch liet hem begaan.»Ik vorder wat mij rechtmatig toekomt, gij zonneschijn mijner ziel!” zeide hij op vleienden toon, »wanneer uw hartje zoo hevig klopt als het mijne, dan kunnen de moeders daarginds het hooren.”»Ja het klopt al,” zeide zij gelukkig, terwijl zij het krullekopje opzij hield.»Maar het mijne doet het toch sterker,” antwoordde hij met een zucht, terwijl hij haar handje tegen zijne borst drukte. Hij kon het gerust wagen want het krampachtig kloppen van zijn hart dreigde hem te doen stikken.Maar zij antwoordde blij te moe: »Ja, waarlijk, dat bonst...”»Zij mogen het daar ginds ook vernemen,” antwoordde hij met een gedwongen lachje. »Of uw moedertje niet reeds lang in onze harten gekeken heeft?”»Natuurlijk,” antwoordde zij zacht. »Zoo vroolijk als sedert uwe terugkomst heb ik haar zelden gezien.”»En gij, kleine tooveres?”»Ik? Natuurlijk ben ik ook vroolijk geweest; zij waren het allen. En uwe ouders...”»Neen, neen, Katharina! Ik wil weten wat gijzelve bij mijne terugkomst gevoeld hebt.”»Ach kom, hoe kan men zoo iets beschrijven?”»Zou dat niet kunnen?” vroeg hij, haar arm vaster in den zijnen drukkende. Hij moest haar winnen, en zijne dichterlijke verbeeldingskracht hielp hem, om wat hij nooit gevoeld had met gloeiende verven te schilderen. Hij liet haar zoete liefde-woordjeshooren en zij geloofde hem gaarne. Op zijn wenk ging zij vertrouwelijk zitten op een houten bank in de oude laan, die naar de noordzijde van het huis leidde. Aan verschillende heesters bloeiden daar heerlijke bloemen, die de lucht vervulden met een zoeten, bedwelmenden geur. De maneschijn drong door de dichte kronen der sykomoren en deed flikkerende strepen en kringen van licht spelen over het loof, op de stammen der boomen en den donkeren grond. Het loofdak boven hunne hoofden had de hitte van den dag teruggehouden, zoodat de lucht nog altijd zwoel en drukkend was. Het was op deze plaats dat hij haar voor het eerst zijn eenig bruidje noemde en haar hartje in ketenen sloeg. In elk zijner gloeiende woorden trilde de onstuimige, bange gejaagdheid, die zijne ziel martelde, zoodat zij klonken als waren ze innig en oprecht gemeend.De bloemengeur bedwelmde daarbij haar jong en onervaren gemoed en gewillig bood zij hem hare lippen tot een kus. Innig gelukkig gevoelde zij hier de eerste zaligheid eener jeugdige liefde die wederliefde vindt, levenslang zou zij met hem verbonden willen zijn. Doch reeds na eenige oogenblikken sprong hij op, verlangende aan de teedere minnekoozerij een einde te maken, die ook hem begon te betooveren en zeide luid en driftig: »O dat verwenschte rechtsgeding! Maar dat is het lot van den man! Zijn plicht roept en hij moet midden uit alle vreugde van het paradijs naar de aarde terugkeeren. Geef mij uw arm, gij mijne eenige, mijn alles!”Katharina gehoorzaamde en liet zich als in een roes van blijdschap over het onverwacht geluk, dat haar wedervoer, door hem meetroonen. Zij hoorde echter vreemd op, toen hij haar zeide: »Na deze hemelsche zaligheid moeten wij aan de nuchterste van alle zaken denken. Hoe afkeerig ben ik van datgene waarom het nu te doen is; hoe geweldig stuit het mij tegen de borst. Gaarne zou ik voor Paula een vriend, een trouw beschermer zijn, in plaats van haar tegenstander!”Bij deze woorden gevoelde hij hoe de linkerarm van het meisje op den zijnen zich onrustig bewoog, en dit was hem een prikkel om verder te gaan op den weg der misdaad. Katharina zelve wees hem de richting aan, die hij volgen moest om zijn doel te bereiken, en terwijl hij voortging om haar ijverzucht te doen ontvlammen terwijl hij Paulas schoon en edel voorkomen prees, verontschuldigde hij zich voor zijn geweten met deze drogreden, dat hij als bruidegom gerechtigd was zijne bruid te dwingen zijn geluk en zijne eer te redden. Toch had hij bij elk vleiend woord het gevoel als vernederde hij zichzelven, als beging hij daarmede tegen Paula een nieuw onrecht. Het viel hem maar al te gemakkelijk haar lof te verkondigen.Doch terwijl hij dit deed met toenemende warmte, tikte zij hem op den arm en zeide half schertsend, half op ernstig verdrietigen toon: »O deze godin! Ben ik, of is zij uwe geliefde? Pas op dat ge mij niet jaloersch maakt, hoort ge!”»Klein gekkinnetje!” antwoordde hij vroolijk, en om haar gerust te stellen liet hij erop volgen: »Zij is als de koele maan, en gij zijt de lichtende, verwarmende zon. Ja, Paula! wij willen haar overlaten aan een der Olympische goden of aan een aartsengel, maar ik zing den lof van mijn klein levenslustig meisje, dat met mij het leven genieten zal en al zijne vreugde.”»Ja, dat willen wij!” juichte zij, meenende den horizont harer toekomst in het glansrijkste zonlicht te aanschouwen.»Goede hemel,” dus brak hij als verrast dit onderhoud af. »Het licht schijnt al in die rampzalige rechtzaal. O de liefde, de liefde! Door hare betoovering hebben wij het doel van onzen gang vergeten. Zeg nu eens, schatje, weet gij nog precies hoe het halssieraad er uitzag, waarmede gij en Maria heden middag gespeeld hebt?”»Het was zeer kunstig bewerkt, alleen hing in het midden een leelijk verbogen stuk bladgoud.”»Gij zijt ook eene kenster van kunstwerken! Hebt gij dan den keurig gesneden steen over het hoofd gezien, die in deze onaanzienlijke kas besloten was?”»Neen, waarlijk niet!”»Ja toch, klein wijsneusje!”»Neen, mijn lieve!” en toen zij dit uitsprak, sloeg zij de oogen vroolijk op, als ware haar een waagstuk gelukt. »Wat gesneden steenen zijn weet ik zeer goed. Vader heeft eene groote verzameling ervan nagelaten, en moeder zegt dat zij volgens het testament mijn toekomstigen man zullen toebehooren.”»Dan zal ik u, mijn heerlijk juweel, in eene lijst van louter onyxen kunnen zetten.”»Neen, neen,” antwoordde zij vroolijk, »geef mij later maar een kastje, want ik ben zulk een vluchtig ding. Doch het mag niet anders zijn, neen niet anders dan uw hart!”»Deze goudsmidsarbeid is al verricht! Maar nu in ernst, kindjelief, wat aan Paulas halsketting hing was een onyx, en gij, kleine keurster van juweelen, hebt den steen slechts van achteren bezien; dáar heeft hij een rug zooals gij beschrijft, een eenvoudig hulsel van bladgoud!”»Maar Orion!”»Hebt ge mij lief, hartediefje, weerspreek mij dan niet verder. Later zal ik u altijd naar uw oordeel vragen, maar in dit geval kan mij uwe dwaling in groote moeielijkheden brengen en mij dwingen aan Paula toe te geven en haar tot mijne bondgenootete maken.—Hier zijn wij er, maar blijven wij nog een oogenblik staan! En nu nog over dien steen. Ziet gij: wij kunnen beiden dwalen, ik zoowel als gij, maar ik geloof zeker gelijk te hebben, en wanneer gij in dit geval iets anders verklaart dan ik heb gedaan, dan sta ik als een leugenaar voor de rechters. Wij zijn nu toch bruid en bruidegom, dus één, geheel één, en wat een onzer treft of verheft, dat vereert of verlaagt tegelijk de andere. Zegt gij, die mij liefhebt en van wie de lieden al mompelen, dat gij eerlang als meesteres in dit paleis gebieden zult, iets anders dan ik, zoo zullen zij het zeker gelooven. Zie, gij zijt zoo door en door goed, maar nog te jong en te rein om alle eischen te begrijpen eener almachtige liefde, die alles gelooft en verdraagt. Als gij in dit geval niet gaarne aan mijn verlangen gehoor geeft, dan hebt gij mij zeker niet lief, zooals gij mij zoudt moeten liefhebben. En is het dan zoo iets moeilijks wat ik van u vraag? Ik wensch van u niet anders, dan dat gij voor de rechters zult verklaren, dat gij heden middag Paulas halsketting gezien hebt, en dat daaraan een gesneden steen hing, een onyx met Amor en Psyche. Verder niets!”»Moet ik dat getuigen voor al die rechters?” vroeg Katharina met een bedenkelijk gezicht.»Dat moet gij doen, vriendelijke engel!” hernam Orion teeder. »Zoudt gij het aardig vinden, als eene bruid hare geliefde de eerste bede knorrig weigerde, omdat zij er eenig bezwaar tegen heeft of meent alleen gelijk te hebben?Neen, neen, als er maar een vonkje liefde voor mij in uw hartje gloort, als gij mij niet dwingen wilt Paula te verzoeken, dat zij genade met mij zal hebben...”»Maar waarom is het dan toch te doen? Wie kan er zooveel waarde aan hechten of een gesneden steen of een eenvoudig stuk bladgoud...”»Dat zal u later alles omstandig verklaard worden,” voegde hij haar haastig toe.»Toe, doe het nu dadelijk...”»Dat gaat niet; wij hebben het geduld der rechters reeds veel te lang op de proef gesteld. Er is geen oogenblik te verliezen!”»Nu goed dan, maar ik zal van verlegenheid en schaamte bezwijken, wanneer ik voor de rechters een getuigenis afleg...”»Dat waar is,” zoo drong hij verder aan, »en waarmede gij mij toonen kunt, hoezeer ge mij liefhebt.”»Wat is dat verschrikkelijk!” zeide zij angstig. »Bind mij ten minste den sluier vast om het aangezicht. Al die gebaarde mannen...”»Als de struisvogel,” zeide Orion met een glimlach, terwijl hij aan haar verlangen voldeed. »Indien gij er werkelijk andersover denkt dan uw... hoe hebt gij daareven ook gezegd? Herhaal het nog eens!”»Uw liefste!” zeide zij blozende en innig, terwijl zij Orion hielp haar den sluier dubbel voor het gezicht te binden, en zij weerde hem niet af, toen hij haar in het oor fluisterde: »Laat eens zien of een kus ook door zulk eene vermomming nog goed smaakt!—Kom nu, in weinige oogenblikken is alles gedaan.”Na deze woorden leidde hij haar snel het voorportaal van de rechtzaal binnen en verzocht haar een oogenblik te wachten. Aan de rechters deelde hij haastig mede, dat vrouw Susanna hem haar dochtertje slechts had toevertrouwd onder voorwaarde, dat hij haar onverwijld bij hare moeder zou terugbrengen, nadat zij hare verklaring als getuige had afgelegd. Vervolgens liet hij Paula roepen en noodigde haar uit zich neer te zetten.Katharina was met loome schreden en een beklemd hart het voorportaal van de rechtzaal binnengegaan. Zij had zich menigmaal door kleine omwegen uit de verlegenheid weten te redden om eene berisping te ontgaan, maar zij had nog nooit ernstig gelogen, en nu begon alles in haar zich te verzetten tegen het voornemen om iets te verklaren wat stellig onwaar was. Maar kon het dan slecht zijn wat Orion, de edelste van alle mannen, de afgod van de gansche stad, zoo dringend van haar begeerde? Maakte de liefde, volgens zijne opvatting, het haar niet tot plicht om alles te doen, wat hem voor nadeel en schade kon bewaren? Wel-is-waar kwam dit haar niet geheel billijk voor, maar misschien begreep zij het nog niet genoeg, omdat zij zoo jong en onervaren was. Het beangstigde haar ook dat haar geliefde, wanneer zij tegen zijn wil handelde, gedwongen zou zijn met Paula een verbond aan te gaan. Aan zelfbewustzijn ontbrak het haar niet, en zij zeide tot zichzelve, dat zij voor geen meisje in Memphis behoefde onder te doen, alleen die schoone, trotsche, groote Damasceensche stond, dit gevoelde zij, verre boven haar, en zij kon niet vergeten hoe eergisteren, toen Paula met haren bruidegom in den tuin op en neder wandelde, de overste van Memphis had uitgeroepen: »Welk een buitengewoon mooi paar!” Vaak had zij gedacht, dat er geen schooner, minzamer, lieftalliger schepsel op aarde leefde dan de dochter van Thomas, en kon zij hunkeren naar een blik, een vriendelijk woord van haar. Maar sedert dat zeggen van den stadsoverste was zekere verbittering tegen Paula in hare ziel ontwaakt, die daarna van verschillende zijden rijkelijk voedsel had gekregen. Paula bejegende haar altijd als een kind, niet als een volwassen meisje, dat zij toch was. Waarom had zij heden middag haren bruidegom, want zoo mocht zij Orion thans noemen, willen opzoeken en haar van hem afhouden? En wat was de redendat Orion, terwijl hij de bekentenis aflegde dat hij haar liefhad, telkens meer dan met warmte, met geestdrift van die jonkvrouw had gesproken? Neen voor deze verleidster moest zij op hare hoede zijn, en wanneer men sprak van een groot geluk dat haar weervaren was, Paula zou het haar zeker niet gunnen, want Katharina voelde en wist, dat deze haren geliefde met alles behalve onverschillige oogen aanzag. Zij bezat op de wereld geene andere vijandin dan Paula en van deze mededingster had hare liefde alles te vreezen. Opeens vroeg zij zich af, of het bladgoud dat zij gezien had toch niet een gesneden steen zou hebben kunnen zijn. Zij had immers de halsketen maar een oogenblik opmerkzaam bekeken? En waarom zou zij scherper hebben gezien dan de groote wonderschoone oogen van Orion?Zeker, hij had gelijk, gelijk zooals altijd. De meeste gesneden steenen hadden eene ovale gedaante, en ovaal was ook dat ding waaromtrent zij getuigen moest. Het was van Orion niet te denken, dat hij iets leugenachtigs van haar verlangen zou. In elk geval was het de plicht zijner bruid om hem voor schande te behoeden en te verhinderen, dat hij een verbond zou sluiten met die schoone sirene. Zij wist wat zij te zeggen had en reeds wilde zij een gedeelte van den sluier losmaken, om Paula recht goed in het aangezicht te zien, toen Orion terugkeerde om haar naar de rechtzaal te voeren.Tot zijne vreugde, ja tot zijne verbazing sprak Katharina hier zonder aarzelen uit, dat er heden middag een gesneden steen in Paulas halssieraad had gehangen, en toen men haar den onyx toonde en vroeg of zij zich dezen herinnerde, antwoordde zij kalm:»Deze kan het geweest zijn of ook niet; ik herinner mij alleen nog de ovale gouden achterzijde. Voor het overige liet deze jonkvrouw haar kleinood maar enkele oogenblikken in mijne handen.”Toen de rentmeester Nilus haar uitnoodigde, om de voorstelling van Amor en Psyche nader te bekijken en haar geheugen te scherpen, antwoordde zij ontwijkend: »Ik mag zulke heidensche voorstellingen niet; wij Jacobietische meisjes dragen andere sieraden.”Daar rees Paula op, en trad met een blik vol streng verwijt haar te gemoet, en nu verblijdde de kleine Katharina zich, dat zij op het denkbeeld was gekomen om zich het hoofd te bedekken met een dubbelen sluier. Maar de groote verlegenheid waarin zij gebracht werd door den scherpen blik der Damasceensche, duurde slechts kort, want toen deze haar waarschuwend toeriep: »Gij legt nadruk op uwe getuigenis, maar gij hebt niet minder dan ik der waarheid de eere te geven. Bedenk wat er van uweuitspraak afhangt; dat bezweer ik u, kind,” viel de kleine hare tegenpartij in de rede en zeide verstoord, met hartstochtelijke gejaagdheid: »Ik ben geen kind meer, ook niet voor u, en vóor ik spreek bedenk ik mij, zooals mij dat geleerd werd!”Daarop wierp zij het kopje trotsch in den nek en herhaalde nog eens stellig: »Deze onyx heeft in het midden van de keten gehangen.”»Gij schandelijke leugenaartser!” riep de voedster, zichzelve niet meer meester, haar in het aangezicht.Katharina verschrikte hevig en zag om, als had haar een adder gebeten naar haar die het gewaagd had haar zoo gruwelijk en onbeschaamd te beleedigen. Hulpeloos, terwijl zij op het punt was in tranen uit te barsten, keek haar oog naar bijstand rond, en zij behoefde niet lang op een wreker te wachten, want Orion gaf dadelijk bevel Perpetua wegens hare valsche verklaring naar de gevangenis te brengen, de Damasceensche te ontslaan, omdat zij niet had gezworen en alleen uit goede bedoeling een ongelooflijk verhaal had verdicht, en de kist weder naar hare kamer te dragen.Daar trad de jonkvrouw nog eens voor de tafel, maakte den onyx van de keten los, wierp dien den jood Gamaliël toe, die hem opving, en zeide: »Dien schenk ik u, man! Misschien koopt de schurk, die hem aan mijn keten heeft gehangen, u dien weer af. Mijne grootmoeder heeft dit halssieraad van den heiligen keizer Theodosius ontvangen, en eer ik het verder door het geschenk van een ellendeling laat bezoedelen, werp ik zelve het in den Nijl. Op u arme, bedrogene rechters ben ik niet toornig, doch ik beklaag u! Mijn Hiram”—en hier wees zij op den vrijgelatene—»is een eerlijk man, dien ik met dankbare liefde gedenken zal tot in den dood; maar deze onrechtvaardige zoon van een rechtvaardigen vader, die daar....” Dit roepende wees zij op Orion; doch de jongeling ontnam haar het woord door haar toe te duwen: »Genoeg!”Zij trachtte al hare krachten te verzamelen en zeide: »Ik zal doen wat gij verlangt, want uw geweten zal u honderdmaal herhalen, wat ik verzwijg. En nu nog een woord!” Daarop ging zij naar hem toe en fluisterde hem in het oor: »Ik heb de overwinning op mijzelve behaald, om het scherpste wapen tegen u ongebruikt te laten, overeenkomstig mijn gegeven woord. Wanneer gij niet de ellendigste zijt van alle ellendigen, gedenk dan het uwe en red Hiram!”Een zwijgend hoofdknikken was zijn antwoord. Zij bleef op den drempel nog even staan en zeide tot Katharina: »U, kind, want meer zijt gij nog niet, u zal de zoon van den Mukaukas voor den dienst hem bewezen met onbeschrijfelijke smarten beloonen.”Met deze woorden verliet zij de zaal, besteeg met wankelende schreden de trap, en toen zij weder naast de legerstede van de arme waanzinnige neerzat, schonk de goede God haar den lenigenden balsem van te kunnen weenen. Haar vriend, de arts, vond haar weenende en stoorde haar niet, tot zij zelve hem bij haar riep en hem toevertrouwde, wat haar op dezen moeielijken dag overkomen was.Orion en Katharina hadden hunne blijmoedige stemming verloren en begaven zich ernstig naar de zuilengaanderij terug. Toen zij onderweg bij hem op verklaring aandrong, waarom hij haar verleid had dit getuigenis af te leggen, troostte hij haar met een uitstel tot morgen. Zij vonden vrouw Susanna alleen, want zijne moeder was bij haar gemaal geroepen, wiens lijden was verergerd, en had de kleine Maria medegenomen. Nadat hij de weduwe begroet en haar met Katharina naar den wagen geleid had, keerde hij naar de rechtzaal terug.Daar gekomen zette hij den rechters de geheele toedracht der zaak en alles wat tegen den vrijgelatene getuigde nog eens in een kort bestek uiteen. Daarop werd het oordeel geveld. De trouwe Hiram werd ter dood veroordeeld. Alleen de stem van den rentmeester Nilus had er zich tegen verklaard. Orion beval de voltrekking van het vonnis op te schorten en keerde niet weder in huis terug. Hij liet zijn wildsten hengst zadelen en reed geheel alleen de woestijn in. Hij had overwonnen, maar het was als ware hij bij die wedstrijd in het slijk geraakt en moest hij daarin stikken.
TWAALFDE HOOFDSTUK.Met gebalde vuisten en kwaadaardigen blik daalde Orion de trap af. Het was hem of zijn hart zou bersten. Wat had hij gedaan, en wat was er van hem geworden! Zoo durfde eene vrouw hem bejegenen, eene vrouw, die hij zijne liefde had gewijd, de schoonste en edelste der vrouwen, de hoogmoedigste, wraakzuchtigste en hatelijkste tegelijk! Hij had eens ergens gelezen: »Wie eene laagheid heeft begaan, waarvan ook een ander weet, die draagt het doodsoordeel van zijne zielsrust in de plooien van zijn gewaad.” Hij gevoelde het gewicht van dit oordeel, en de andere die mede alles wist was Paula, was zij van wie hij bovenal gewenscht had dat zij tot hem mocht opzien! Gisteren hield hij het nog voor de grootste zaligheid op aarde haar te omarmen, haar de zijne te mogen noemen; thans kende hij maar één wensch, haar te vernederen, haar te straffen. Helaas, dat hem de handen gebonden waren, dat hij als een veroordeelde van hare genade afhing! Hij kon niet onder woorden brengen hoe onverdragelijk hem deze gedachte was. Maar zij zou hem leeren kennen! Als een blanke zwaan was hij tot nu toe het leven doorgegaan; als deze noodlottige ure, als deze vrouw hem tot een gier maakte, was het niet zijne, was het hare schuld! Weldra zou blijken wie de sterkste was van hen beiden. Hij moest haar straffen op eene wijze zooals men eene vrouw slechts tuchtigen kan, al moest hij ook langs den weg der misdaad en der ellende zijn doel bereiken. Hij vreesde niet dat de arts hare genegenheid had gewonnen, want hij voelde met onbetwistbare zekerheid dat, hoe zij hem hare vijandschap ook deed gevoelen, haar hart hem en hem alleen behoorde. »De gouden munt der liefde,” zeide hij tot zichzelven, »heeft twee zijden: teeder verlangen en bitteren haat; thans toont zij mij deze laatste zijde, maar hoe verschillend ook het beeld en het schrift van de munt mogen zijn, wanneer menhaar laat klinken geeft zij toch maar éen toon, en die toon ligt ook in hare beleedigende taal.”Aan de familietafel verontschuldigde hij Paula en at zelf zeer weinig, want de rechters waren sedert lang vergaderd en wachtten op hem.Reeds aan de voorvaderen van den Mukaukas, machtige gouwvorsten, was het recht verleend over leven en dood, en zij hadden zich daarvan zeker al bediend onder de Psamtikiden, aan wier heerschappij de Pers Cambyses zulk een gruwzaam einde had gemaakt. Als eerwaardige symbolen van dit recht prijkten thans nog uraeusslangen, adders wier beten den snelsten dood ten gevolge hebben, en de drakendooder St. George boven de paleizen van den Mukaukas te Memphis en te Lucopolis in Boven-Egypte. Op beide plaatsen stond het aan het hoofd der familie vrij, nadat Justinianus en het laatst keizer Heraclius die oude bevoegdheid opnieuw bevestigd hadden, om aan de onderhoorigen des huizes en de inwoners van het district, waarover hij gesteld was, eigenmachtig de doodstraf te doen voltrekken. De ridder St. George was tusschen de oude slangen geplaatst, om het heidensch symbool door een christelijk te vervangen. Vroeger had de ridder het hoofd van een sperwer, dat wil zeggen van den god Horus gedragen, die om zijn vader te wreken den boozen Seth Typhon had verslagen, doch reeds een paar honderd jaren geleden was de heidensche krokodillendooder in den christelijken overwinnaar van den draak veranderd geworden.De Arabieren hadden na de verovering des lands de oude instellingen en rechten en zoo ook die van den Mukaukas gehandhaafd. Het gerechtshof, dat in zaken betreffende het huispersoneel werd saamgeroepen, bestond uit de hoogere privaatbeambten van het stadhouderlijk huis. Het ambt van opperrechter bekleedde de Mukaukas zelf en zijn volwassen zoon was zijn natuurlijke plaatsvervanger. Gedurende Orions afwezigheid had het hoofd van de rentmeesters, Nilus, een verstandig en bezadigd Egyptenaar, de plaats van zijn lijdenden meester vaak vervuld, maar heden was aan Orion opgedragen het voorzittersgestoelte in te nemen en het onderzoek te leiden.De zoon van den stadhouder haastte zich uit de eetzaal naar het slaapvertrek zijns vaders te gaan, en vroeg hem om zijn ring als teeken der volmacht, die hij op hem had overgedragen. De Mukaukas liet zich dezen gewillig van den vinger halen, en drukte den jongeling op het hart, dat zonder toegevendheid en gestreng moest worden gevonnisd. Hij was anders tot zachtheid geneigd, doch op een inbraak in zijn huis stond de dood, en in dit geval was het om der wille van den Arabischenkoopman geraden geen vergiffenis te schenken. Orion, indachtig aan zijne overeenkomst met Paula, verzocht nu zijn vader hem de handen geheel vrij te laten. De oude muzelman was een rechtvaardig heer, die onder zekere omstandigheden ook een zacht vonnis zou billijken. Bovendien was de misdadiger eigenlijk geen huisgenoot, maar hij stond in dienst bij eene bloedverwante. De Mukaukas prees het verstandig inzicht van zijn zoon. Als hij zich maar wat beter gevoelde, zou hij gaarne de zitting willen bijwonen, ten einde hem voor de eerste maal een ernstigen plicht te zien vervullen, die zijne geboorte en zijn stand waardig was. Orion kuste zijn vader met warmte en weemoedige ontroering de hand, want ieder woord van waardeering uit den mond van dezen geliefden man deed hem innerlijk goed, doch hij beschouwde het als eene ramp, dat hij zijn rechtersloopbaan, waarvan hij den ernst en de heiligheid gevoelde, aldus—aldus beginnen moest.Zachtmoediger gestemd, in gedachten verzonken en overwegende hoe Hiram te redden en Paula’s naam liefst geheel buiten de zaak te houden zou zijn, begaf hij zich naar de gerechtszaal, en vond vóor den ingang de voedster Perpetua in een levendig gesprek met den rentmeester Nilus. De oude vrouw was radeloos. Door haar arbeid aan de weefgetouwen had zij tot zooeven niets van al het gebeurde vernomen, en zij bezwoer thans de onschuld van den ongelukkigen Hiram. De steen, dien hij verkocht had, was het eigendom geweest van hare meesteres, en daarvoor ontbrak het goddank niet aan bewijzen, want de kas van den smaragd lag goed bewaard in de kist van hare meesteres. Gelukkig was het nog mogelijk geweest haar even te spreken, maar dat men haar, de dochter van Thomas, als ieder burger- of slavenkind voor het gerecht wilde dagen, dat was ongehoord, dat was schandelijk!Opeens stoorde Orion barsch dit onderhoud; hij gelastte den ouden deurwachter haar onverwijld te brengen naar het magazijn naast het tablinum, waar de voor het gebruik des huizes bestemde geweven stoffen bewaard werden, en haar daar tot naderordergoed te bewaken. De toon waarop hij dit bevel gaf was zoo meesterachtig, dat zelfs de voedster niet tegensprak; ook de rentmeester gehoorzaamde zwijgend zijn gebod, om zich weder bij de rechters te voegen. Nilus kwam verbaasd en angstig in de rechtzaal terug. Zóo had hij den zoon zijns meesters nog nooit gezien. Bij de mededeeling van de voedster waren hem de aderen op zijn jeugdig nog ongerimpeld voorhoofd sterk gezwollen, hadden zijne neusvleugels zich snel en krampachtig bewogen, was de welluidende klank uit zijne stem verdwenen en hadden zijne oogen dreigend gefonkeld.Nu was Orion alleen en hij knarste op de tanden van boosheid. Ondanks de gegeven belofte had Paula hem verraden, en hoe verachtelijk was de vrouwenlist, waarmede zij dit gedaan had. Voortreffelijk! Voor de rechters kon zij nu zwijgen, gerust zwijgen tot aan het einde der zitting; de voedster, haar spreekbuis, had aan Nilus, den ernstigsten en scherpzinnigsten man in het geheele college, de bewijzen toevertrouwd, die voor haar en tegen hem getuigden. Ongehoord, schandelijk! Een smadelijk, bij uitstek nijdig verraad! Maar nog had zij haar doel niet bereikt, nog had hij de handen vrij, om deze boozen aanval met een tegenstoot af te weren. Welke deze zijn moest, dat was hem reeds bij de mededeeling van de voedster duidelijk geworden, maar zijn geweten, zijne aangeboren neiging, de langdurige gewoonte om zich te houden binnen de perken van wat recht, goed en betamelijk is, dat alles verzette zich daartegen. Niet alleen had hijzelf nooit eene laaghartige gemeene daad begaan, maar het had zijne ergernis opgewekt, zoo vaak hij het had gezien van anderen; en het eenige wat hij ondernemen kon om Paula’s verraad onschadelijk te maken, het was—hij kon het niet loochenen—het was wel ongehoord en stout, maar niet minder verachtelijk en schandelijk. Doch hij wilde en mocht in dezen strijd niet onderliggen. De tijd drong, hij kon onmogelijk lang wikken en wegen, en plotseling ontwaakte in hem een kwaadaardige, woeste strijdlust, en gevoelde hij zich als in de dagen van de wedrennen in den circus, wanneer hij zijn vierspan aanzette om de anderen vooruit te komen. Vooruit dan, vooruit, al moest het voertuig in splinters slaan, al moesten de paarden er bij neervallen en de raderen van zijn wagen de strijdgenooten in het zand van de arena verbrijzelen!Met een paar haastige schreden bereikte hij het kamertje van den deurwachter, een wakker man, die sedert veertig jaren dit ambt bekleedde. Vroeger was hij smid geweest en thans gebruikte men hem om kleine herstellingen te doen aan het gewone huisraad. Orion was als kind een aardige knaap, die ieders hart wist te stelen, en dus ook de lieveling van dezen man geweest. Vaak had hij zich in diens kamertje opgehouden en hem de kunstgrepen van zijn handwerk afgezien. Met een bijzonderen aanleg voor werktuigkunde begaafd, had hij zich een leerzaam scholier van den oude betoond en het zoover gebracht, dat hij zijne ouders op hunne geboortedagen, die in Egypte bijzonder feestelijk gevierd en door het geven en ontvangen van geschenken opgeluisterd werden, met sierlijke kastjes en banden voor gebedenboeken kon verrassen, die hij met eigen hand gesneden en van sloten voorzien had. Hij kon alle instrumenten hanteeren en koos thans fluks de zoodanigen uit, diehij meende noodig te hebben. Op de vensterbank van het kamertje stond een bloemruiker, dien hij gisteren avond voor Paula bestelde, maar op dezen schrikkelijken dag vergeten had te halen. Met dezen in de hand en de instrumenten in de borstplooien van zijn gewaad snelde hij naar de trap.»Voorwaarts, altijd voorwaarts!” riep hij zichzelven toe, toen hij Paula’s kamer binnendrong, de deur grendelde, en zich op de knieën neerliet bij hare kist, na de bloemen uit de handen te hebben gelegd. Als hij ontdekt werd, dan heette het dat hij naar hare kamer was gegaan om dezen ruiker te brengen.»Voorwaarts, steeds voorwaarts!” dacht hij altijd, terwijl hij de scharnierenlosschroefde, waarmede het deksel aan de kist was verbonden. Zijne handen beefden, zijne ademhaling versnelde, maar het werk vorderde toch. Op deze manier moest het hem gelukken, want het kunstslot van de kist liet zich niet openen zonder het te vernielen. Daar lichtte hij het deksel en—als ondersteunden hem vriendelijke machten—bij den eersten greep in de kist hield hij de halsketen met de ledige kas in de hand. Het hulsel van bladgoud hing aan het kunstig gewerkt halssieraad; dit los te haken en bij zich te steken was het werk van een oogenblik.Maar nu ging het niet meer, al riep hij zich het »voorwaarts” nog zoo luide toe. Dat was een diefstal, daarmede ontroofde hij iets aan haar, die hij, als zij maar gewild had, bereidwillig met alles zou hebben overladen, waarmede het lot hem zoo overrijk gezegend had.»Neen, dat, dat...”Daar schoot hem plotseling eene zonderlinge gedachte door het hoofd, eene gedachte die hem, te midden van den vreeselijken ernst van deze ure een glimlach om de lippen plooide. Zonder verwijl voerde hij haar uit; hij greep diep in zijn onderkleed en haalde een edelsteen te voorschijn, die aan eene gouden keten op zijne borst hing. Dit kleinood, het meesterwerk van een groot Grieksch steensnijder uit den heidenschen tijd, was hem vereerd door zijn besten vriend in Konstantinopel, als tegengeschenk voor een vierspan, dat dezen bijzonder beviel, en de steen bezat inderdaad hooger waarde dan een half dozijn edele paarden. Als in een roes, half waanzinnig, volgde Orion dien ontstuimigen drang van zijn gemoed, en het verheugde hem dat hij een kostbaar stuk bij de hand had om in de plaats van het armzalig bladgoud te hangen. Met een paar handgrepen was alles in orde, maar het weder aanschroeven van descharnierenvorderde meer tijd, want zijne vingers beefden sterk, en hoe nader het oogenblik kwam, waarop hij Paula zijne overmacht wilde laten voelen, des te sneller klopte zijn hart, des te moeielijker viel het hem zijn geest tot kalme overweging te dwingen.Nadat hij de deur ontgrendeld had, moest hij weder als een dief de lange gang van de verdieping der gasten bespieden. Dit verhoogde zijne opgewondenheid tot verbittering tegen de wereld en het noodlot, en het meest tegen haar, die hem tot zulk eene smadelijke zelfvernedering dwong. De renner hield de teugels en den prikkel in de hand. Voorwaarts nu, voorwaarts! Evenals toen hij nog een jongen was, vloog hij de trappen af, telkens een drietal treden overspringende, en toen hij in de voorzaal de Grieksche opvoedster Eudoxia aantrof, die hare wilde kweekelinge Maria juist in huis trok, wierp Orion haar den bloemruiker toe, dien hij weder had meegebracht, en ijlde, zonder acht te geven op de smachtende blikken waarmede de bedaagde jonkvrouw hare dankzegging begeleidde, naar het kluisje van den deurwachter terug, waar hij zich haastig ontdeed van alle gereedschappen.Weinige oogenblikken later betrad hij de rechtzaal. De rentmeester Nilus wees op den hooger geplaatsten opperrechterszetel van zijn vader, maar eene sterke huivering weerhield hem dit eerwaardig gestoelte te bezetten. Met gloeiend hoofd en somberen blik, zoodat alle aanwezigen hem verbaasd en schuw aanzagen, opende hij met driftig uitgestoote woorden deze zitting. Nauw wist hijzelf wat hij sprak, en hij hoorde zijne eigene toespraak niet duidelijker dan het geruisch der zee uit de verte. Toch gelukte het hem klaar uiteen te zetten wat er gebeurd was, hij toonde den rechters den geroofden steen, dien men den dief afhandig had gemaakt, berichtte op welke wijze men dezen weder in bezit had gekregen, verklaarde den vrijgelatene van de dochter van Thomas schuldig aan inbraak, en beval hem tot zijne verantwoording aan te voeren wat hij vermocht.Doch de aangeklaagde wist er slechts met moeite stotterende uit te brengen, dat hij onschuldig was. Het was zijne zaak niet zichzelven te verdedigen, maar misschien zou zijne meesteres iets tot zijne rechtvaardiging in het midden willen brengen.Daarop streek Orion zijne verwarde haren uit het aangezicht, wierp het verhitte hoofd trotsch in den nek en zeide, zich tot de rechters keerende: »Zij is eene aanzienlijke jonkvrouw, eene verwante van ons huis, het is betamelijk haar buiten deze treurige zaak te houden. Hare voedster heeft Nilus bovendien medegedeeld, wat misschien in staat is om dezen ongelukkige te redden. Wij willen niets daarvan onopgemerkt laten, maar gij, die minder goed met de verhoudingen tusschen de verschillende personen bekend zijt, moet dit wel in het oog houden, om niet op een dwaalspoor te geraken. Zij is aan den beschuldigde gehecht, en hem en Perpetua schat zij hoog als het eenigewat haar uit het ouderlijk huis is overgebleven. Verder moet het mij en u niet verwonderen, wanneer eene edele vrouw als zij het waagt de schuld van een ander op zich te nemen, en zichzelve in een twijfelachtig licht te plaatsen, om een dienaar te redden, die altijd trouw en eerlijk is geweest. De voedster is bij de hand, zullen wij haar roepen, of heeft zij u Nilus alles toevertrouwd, wat hare meesteres ten gunste van den vrijgelatene aanvoerde?”»Perpetua heeft mij, en ten deele ook u eene geloofwaardige mededeeling gedaan,” antwoordde de rentmeester, »maar ik vermag haar toch niet zoo juist weer te geven als zijzelve, en ik dacht daarom dat het goed zou zijn de vrouw te laten voorkomen.”»Men brenge haar voor,” beval Orion, terwijl hij over de hoofden der rechters somber en ongenaakbaar in de ruimte staarde.Na een langdurig en pijnlijk zwijgen in de zaal verscheen de oude vrouw. Overtuigd van het goed recht harer zaak, trad zij onbeschroomd binnen, zag eerst den ongelukkigen Hiram niet zeer vriendelijk aan, omdat hij zoo lang gezwegen had, en vertelde daarop dat Paula, om zich het noodige geld ter opsporing van haren vader te verschaffen, door den vrijgelatene een kostbaren smaragd uit hare halsketen had laten nemen, en hoe door het verkoopen van dit kleinood haar landsman helaas in verdenking was gekomen.Deze verklaring van de voedster scheen het meerendeel der rechters gunstig voor den aangeklaagde te stemmen, doch Orion liet hun geen tijd om onder elkander van gedachten te wisselen, want nauwelijks had Perpetua haar verhaal geëindigd, of Orion greep den smaragd, die voor hem op tafel lag,enzeide driftig en verstoord: »Dus zou een steen, die zijn verkooper zelf, een der grootste kenners van juweelen, verklaard heeft eenig in zijne soort te zijn en dezelfde die in het tapijt heeft gezeten, opeens als door een wonder der natuur een dubbelganger gevonden hebben? Booze geesten drijven ook heden ten dage nog hun spel met de menschen, doch het is bezwaarlijk te gelooven dat zij dit doen in dit christelijk huis. Gij weet wat het woord‘bakersprookjes’in onze taal beteekent, en wat de voedster daar in het midden heeft gebracht moet blijkbaar daartoe gerekend worden. Dat mag men den jood Apelles doen gelooven, zooals de Romein Horatius zeide, maar zijn geloofsgenoot Gamaliël”—waarbij hij zich tot den juwelier wendde, die op de bank der getuigen zat,—»zeker niet, en nog minder mij, die dit weefsel doorzie. De dochter van den edelen Thomas heeft zich vernederd om met behulp van deze kunstenaresin het weven dit sprookje op het getouw te zetten en voor ons te ontrollen, ten einde ons rechters op een dwaalspoor te brengen en haren trouwen dienaar te redden vangevangenisstraf, dwangarbeid of den dood. Zoo zit de zaak in elkaar. Dwaal ik, vrouw, of blijft gij volharden bij uwe bewering?”De voedster, die gemeend had in Orion een verdediger te vinden voor hare meesteres, had zijne woorden gevolgd met klimmende verbazing. Uit zijne oogen fonkelden haar nu eens spot, dan groote verbolgenheid tegen, doch terwijl bij dezen onverwachten uitval de tranen haar in de oogen waren geschoten, bewaarde zij toch hare tegenwoordigheid van geest en verzekerde, dat zij evenals altijd zoo ook thans de waarheid had gezegd. De kas waarin de smaragd harer meesteres had gezeten, zou dit ten overvloede kunnen bewijzen.Hierop haalde Orion de schouders op, beval de voedster hare meesteres te roepen, wier persoonlijke tegenwoordigheid thans onvermijdelijk was geworden, en zeide tot den rentmeester: »Geleid haar, Nilus! Een dienaar brenge de kist hierheen, opdat deze door de eigenares zelve voor onze oogen geopend worde, vóor een ander de hand aan den inhoud kan slaan. Ik zou niet geschikt zijn voor deze boodschap, want niemand in dit Jakobietische huis, ik vrees zelfs niemand onder u, heeft genade gevonden in de oogen van deze schoone Melchietin. Mij is zij helaas bijzonder kwalijk gezind, en zoo moet ik aan anderen elken maatregel overlaten, die tot misverstand zou kunnen leiden. Breng haar hierheen, Nilus, natuurlijk met al de onderscheiding, die aan eene jonkvrouw van hooge geboorte toekomt.”Zoodra de afgezondenen zich verwijderd hadden, doorliep Orion de rechtzaal met haastige, rustelooze schreden.Maar eens bleef hij voor de rechters staan, zeggende: »Ook zelfs wanneer de kas van den smaragd gevonden wordt, hoe verklaren wij dan de aanwezigheid van twee, ik zeg twee steenen, elk eenig in zijne soort? Het is om zijn geduld te verliezen! Een teergevoelig meisje waagt het eene ernstige rechtbank op een dwaalspoor te brengen, ten gunste, ten gunste van....” Hij ging niet verder, maar stampte driftig met den voet op den grond en zette daarna stilzwijgend zijne wandeling voort.»Hij is nog een nieuweling,” dachten de rechters, die zijne groote gejaagdheid opmerkten, »anders zou hij zich de dwaze poging om een aangeklaagde schoon te wasschen niet zoo aantrekken, en zich door zoo iets niet uit zijn humeur laten brengen.”Het verschijnen van Paula maakte eindelijk aan dat op- en neerloopen van Orion een einde. Hij ontving haar met eene afgemetene buiging en verzocht haar plaats te nemen. Vervolgensnoodigde hij Nilus uit haar mede te deelen wat uit het onderzoek en de behandeling van de zaak tot hiertoe was gebleken, en te vragen wat haar naar zijne meening en die der overige rechters had kunnen bewegen den gestolen smaragd voor den hare te verklaren. Hij zou het zooveel mogelijk aan anderen overlaten haar te verhooren, want zij wist maar al te goed in welke verhouding zij tot elkander stonden. Voor dat hij de rechtzaal binnenkwam, had zij hare verklaring van den diefstal door Perpetua aan den rentmeester Nilus laten mededeelen; hij—en hier verhief hij zijne stem—zou het passender gevonden hebben, en meer overeenkomstig de verwantschap die er tusschen hen bestond, wanneer zij hemzelven, Orion, had toevertrouwd, wat zij dacht ten gunste van den vrijgelatene te doen; dan zou het hem mogelijk zijn geweest haar te waarschuwen. Dit wegcijferen van zijn persoon bij hare handelingen moest hij beschouwen als een nieuw bewijs van haar afkeer, en de gevolgen ervan zou zij aan zichzelve te wijten hebben; want nu moest het rechtsgeding onverbiddelijk zijn loop hebben.De toornige gloed zijner oogen verried haar wat zij van hem te wachten, en dat hij den kamp met haar aangenomen had. Zij hield zich overtuigd, volgens zijne opvatting de kort te voren gegeven belofte verbroken te hebben; doch zij had Perpetua geenszins opgedragen zich in deze aangelegenheid te mengen, zij had de voedster integendeel verzocht haar in het uiterste geval zelve de bewijzen te laten aanvoeren. Orion moest in den waan verkeeren, dat hem harerzijds een onrecht was aangedaan; maar zou hij daarom zichzelven zooverre kunnen vergeten, dat hij zijne bedreiging uitvoerde en een onschuldige, om alle verdenking van zich af te wenden, te gronde richtte, waarbij hij haar als valsche getuige zou brandmerken? Ja, ook voor dit uiterste schrikte hij niet terug! Zijn vlammend oog, zijne heftige gebaren, het geweldig hijgen van zijne borst, dit alles sprak het duidelijk genoeg uit. De strijd moest dus worden aanvaard. Liever ware zij op dit oogenblik gestorven, dan dat zij het zou hebben willen wagen hem door een woord van verontschuldiging zachter te stemmen. Zij voelde hoe zijn gemoed kookte, en zou zich aan zijne voeten hebben willen nederwerpen, om hem te smeeken toch tot bedaren te komen, ten einde zich te hoeden voor eene nieuwe misdaad; doch zij bewaarde hare trotsche waardigheid, en de blik waarmede zij den zijnen beantwoordde was niet minder toornig en uitdagend dan die van hem. Als twee jonge adelaars, die strijdlustig de veeren opsteken, de vleugels verder uitspreiden en de halzen rekken, stonden zij daar tegenover elkander, zij zeker van hare overwinning, in het bewustzijn van de rechtvaardigheid harer zaak, doch meerbeangst voor hem dan voor zichzelven, hij bijna blind voor het eigen gevaar, maar als een gladiator, die in de arena tegenover zijn doodvijand staat, meer bedacht om dezen te vellen, dan om eigen lijf en leven te beschermen.Terwijl de rentmeester haar mededeelde wat zij ten deele reeds wist, en daarop de verdenking herhaalde, dat zij zich had laten verleiden tot het geven van een valsch getuigenis om haar dienaar, die misschien uit liefde voor zijn verdwenen meester de inbraak had gewaagd, het leven te redden, zag zij meer naar Orion dan naar den redenaar. Deze laatste wees ten slotte op de kist, die tegelijk met Paula uit hare kamer in de zaal was gebracht, en gaf haar te kennen, dat de gezamenlijke rechters bereid waren alles aan te hooren en te onderzoeken, wat zij tot hare verdediging in het midden zou brengen.Orions gejaagdheid bereikte thans haar toppunt. Hij voelde dat hij doodsbleek werd en kon niet meer geregeld denken. De rechters, de aangeklaagde, zijne vijandin, alles wat binnen de wanden van de groote rechtzaal besloten was, lag daar voor hem als in grauwe kronkelende nevels gehuld. Al wat hij zag scheen hem als met helder smaragdgroen gekleurd. Het haar, de aangezichten, de gestalten der aanwezigen, alles schemerde en glinsterde in dien groenachtigen glans. Toen Paula echter trotsch en met vasten tred naar de kist toeliep, een kleinen sleutel uit haar gewaad haalde, dezen aan een beambte overhandigde en daarna als eenig antwoord op de mededeeling van Nilus, ja, als ware dit reeds te veel van haar gevergd, met koele hoogheid zeide: »Open de kist!,” toen zag hij weder dat glanzig bruine haar, den vurigen gloed harer blauwe oogen, de afwisselende bleekheid en blos harer wangen, het heldere gewaad, dat hare heerlijke gestalte in fraaie plooien omsloot, en haar zegepralenden glimlach. Hoe schoon, hoe begeerlijk was deze vrouw! Weldra zou zij onderliggen in den strijd met hem, maar deze overwinning zou hem te staan komen op het verlies van haar, en met haar van alles wat er reins en goeds zijner voorvaderen waardig in hem was. Eene stem in zijn binnenste riep het hem toe, maar hij bracht haar tot zwijgen met de voorwaartskreet van den agitator. Ja, vooruit tot het doel bereikt was, altijd voort over puin en steenen, door bloed en stof, tot zij den trotschen nek buigt, tot zij overwonnen en gebroken om genade smeekt.Daar sprong het deksel van de kist open. Paula bukte zich, ze haalde de halsketen te voorschijn en vertoonde die aan de rechters, zij hield de beide einden ver uit elkander, en... Wat was dat voor een akelige, hartverscheurende kreet van vertwijfeling! Zelfs Orion zou gewenscht hebben zoo iets nooit meerte hooren.—Daar wierp zij het halssieraad voor de rechters op tafel en met den uitroep: »Schandelijk, laaghartig!” trad zij terug en greep zich aan de trouwe Betta vast; want hare knieën begonnen te knikken en zij gevoelde dat zij op het punt stond in elkaar te zijgen. Orion vloog naar haar toe om haar te ondersteunen, maar zij stootte hem terug, en daarbij trof hem een blik zoo vol smart, toorn en verachting, dat hij roerloos voor haar bleef staan en de hand op zijn hart drukte.—En deze laaghartige daad, die twee menschenkinderen zoo diep zou grieven, had hij met een glimlach begonnen! Deze vertooning, die een doodsoordeel bevatte, tot welk een ontzettend einde kon zij leiden?Paula was intusschen zonder verder eenig geluid te geven op een zetel neergezonken, en ook hij zag zwijgend voor zich tot in de rij der aanwezige rechters een luid gelach opging en de oude Psamtik, de bevelhebber van de hoofdwacht, die sedert geruimen tijd in de rechtbank zitting had, uitriep: »Bij mijn ziel een kostelijke steen! Dat is de heidensche liefdegod Eros, dien zijn gevleugeld schatje Psyche in het aangezicht ziet. Hebt gij dien mooien roman van Apulejus niet gelezen, ‘de gouden ezel’ geheeten? Dit stukje komt daarin voor. Heilige Lukas, wat is dat fijn gesneden! De edele jonkvrouw heeft zeker den verkeerden halsketen gegrepen. He, Gamaliël, waar moet aan dat ding”—en hij wees hierbij op den gesneden steen—»dat groene duivenei gezeten hebben?”»Nergens,” antwoordde de jood. »De edele jonkvrouw....”Doch Orion legde dien getuige barsch het zwijgen op, waarna de rentmeester Nilus den steen in handen nam en dien opmerkzaam van alle zijden bekeek. Daarop ging de ernstige, rechtvaardige man, op wiens bijstand Paula zeker gerekend had, naar haar toe, haalde medelijdend de schouders op, en vroeg of er zich in de kist ook nog eene andere halsketen kon bevinden, met zulk eene gouden kas als waarvan zij gesproken had.Eene rilling voer haar door de leden, want het scheen wel dat hier een wonder was geschied. Maar neen, bij dezen slag die haar werd toegebracht waren geen hoogere machten in het spel. Orion meende dat zij hare belofte om hem te verschoonen en te zwijgen gebroken had, en dit was nu zijne wraak. Hoe en langs welken weg hij haar volvoerd had, dat was haar een raadsel. Welk een slag! Ja, ze had getroffen! Zou zij zich dien laten welgevallen as een geduldig kind? Neen, duizendmaal neen! Opeens herkreeg zij hare veerkracht, de haat staalde haar zwakken wil, en gelijk hij zich in den geest verplaatst had te midden van de wedrennen in de arena, zoo verbeeldde zij zich aan het schaakbord gezeten te zijn; en hetwas haar als streed zij met hem om te winnen, niet als met zijn vader om bloemen, kleine geschenken of de eer van het spel alleen, maar om een geheel anderen inzet, om dood of leven.Alles wilde zij er aan wagen om hem te overwinnen, en toch, neen—wat er ook van komen mocht—niet alles. Liever wilde zij de nederlaag lijden, dan hem overtuigen van diefstal, dan te verraden, wat zij in het viridarium had bespied. Zij had beloofd dat te zullen verzwijgen en den zoon te bewaren voor dezen smaad, dat zou het loon zijn dat zij den vader betaalde voor zijne goedheid. Hoe heerlijk, hoe groot had Orions beeld voor hare ziel gestaan! Met deze schandvlek wilde zij hem noch voor zichzelve noch voor de wereld bezoedelen. Maar in geen enkel ander opzicht mocht zij hem ontzien, en zij moest alles doen om hem de zegepraal te betwisten en Hiram te redden. Elk wapen was geoorloofd, alleen dit verraad wilde en mocht zij niet tegen hem plegen. Hij moest gevoelen dat zij edeler gezind was dan hij, dat zij in de moeielijkste omstandigheden des levens trouw bleef aan haar woord. Haar besluit was genomen, en zij begon dieper adem te halen, er kwam weer leven in haar oog, ofschoon het nog een wijle duurde, eer zij het rechte woord vond om den strijd te beginnen.Orion zag welk een bangen strijd zij voerde, hij gevoelde dat zij zich tot weerstand wapende, en had haar willen aanmoedigen om den eersten uitval te doen. Nog geen woord van verbazing of verontwaardiging, nog geen enkel verwijt was over hare lippen gekomen. Wat voerde zij in het schild, waarover peinsde zij? Hoe verrassender en gevaarlijker de uitval bleek te zijn, des te beter; hoe moediger zij zich verweerde, des te verder zou bij hem de pijnlijke gedachte op den achtergrond treden, dat hij strijd voerde tegen eene vrouw. Ook helden hadden roem gedragen op overwinningen over Amazonen behaald.Eindelijk stond zij op en ging naar Hiram toe. Men had hem aan den schandpaal gebonden en toen een smeekende blik uit zijne trouwe oogen haar trof werd haar tong ontboeid, was zij zich opeens bewust, dat zij zich niet enkel te verweren maar ook een ernstigen plicht te vervullen had. Nadat zij met enkele haastige schreden de tafel genaderd was, waarom de rechters in een halven cirkel gezeten waren, legde zij de linkerhand ten steun op het tafelvlak, en zeide, terwijl zij de rechter omhoog hief: »Gij zijt het offer van een afschuwelijk bedrog, en iemand heeft aan mij een schurkachtigen streek begaan om mij in het verderf te storten! Ziet die man daar aan den schandpaal er uit als een roover? Geen heer heeft ooit trouwer, eerlijker dienaar kunnen vrijlaten, en de dank dien Hiram daarvoor aan mijn vader verschuldigd is, heeft hij op zijn dochter overgedragen,daar hij uit liefde tot mij eigen huis, vrouw en kind verliet, om mij, de wees, naar den vreemde te volgen. Verlangt gij echter de waarheid te hooren, niets dan de waarheid en deze ten volle...”»Spreek!” riep Orion haar toe. Maar zij ging voort, zich tot Nilus en de overige rechters wendende, terwijl zij hem met voordacht over het hoofd zag. »Uw hoofd, de zoon van den Mukaukas, weet dat ik in plaats van beschuldigde eene aanklaagster zou kunnen worden, als ik wilde. Maar ik versmaad dit middel uit liefde voor zijn vader en omdat ik edeler denk dan hij. Hij zal mij wel begrijpen! Wat dezen smaragd aangaat, de vrijgelatene Hiram heeft hem gisteren avond voor mijne oogen met zijn mes uit het gouden hulsel gelicht; doch behalve wij, hebben, gode zij dank, ook nog anderen de kas zien hangen aan de keten, waartoe hij behoorde. Heden middag bevond zij zich nog op de plaats waar het eene misdadige hand later gelukt is dezen gesneden steen te bevestigen. Ik heb die, dat bezweer ik u bij Christus’ wonden, zooeven voor het eerst gezien. Het is een kostbaar stuk. Alleen een rijk man, de rijkste onder u allen, schenkt zulk een schat weg, onverschillig met welk doel, laten wij zeggen: om een vijand in het verderf te storten. Gamaliël,” en daarbij wendde zij zich tot den juwelier, »hoe Gamaliël, schat gij den onyx?”De Israëliet liet zich den steen nog eens overhandigen, draaide dien in alle richtingen en zeide ten laatste meesmuilende: »Ja, schoone jonkvrouw, wanneer mijne zwarte broeihen zulke eieren legde, zou ik het kippetje enkel met koeken van Arsinoë en vette oesters van Kanopus voederen. Dat ding is een landgoed waard, en al ben ik geen rijk man, ik betaal daarvoor ieder oogenblik twee groote talenten, al moest ik ze borgen.”Deze verklaringen misten hare krachtige uitwerking op de rechters niet. Doch Orion haastte zich te zeggen: »De wonderen vermenigvuldigen zich op dezen merkwaardigen dag. De edelmoedigheid, tot een ijdelen klank geworden, schijnt onder ons weer te ontwaken. Een verkwistende demon maakt uit een waardeloos stukje bladgoud een kostbaren onyx. Mag men vragen, jonkvrouw, wie die kas aan uw keten heeft gezien?”Zij geraakte in verzoeking om ook het laatste ontzag voor zijn persoon te laten varen en antwoordde met bevende stem: »Waarschijnlijk uw medehelpers, of gijzelf; want gij, gij alleen hebt reden...”Doch hij liet haar niet verder spreken, maar sneed haar de woorden af, door te zeggen: »Dat is te veel! O dat gij een man waart! Thans heb ik gezien hoever uwe edelmoedigheid gaat! Ook de haat, de bitterste vijandschap....”»Zij zouden het recht hebben u geheel te vernietigen!” riep zij diep verontwaardigd. »En wanneer ik u van deze afschuwelijke misdaad betichtte....”»Dan zoudt gij een misdaad begaan tegen mij, tegen uzelve en tegen dit huis,” hernam hij dreigend. »Neem u in acht meisje! Kan uwe verblinding zoover gaan, dat gij mij, mijzelven als getuige oproept, opdat ik het sprookje, dat gij ons opdischt..”»O neen, neen; dan zou ik nog iets edels van u moeten kunnen verwachten,” sprak zij, hem luid in de rede vallende. »Ik heb geheel andere getuigen: Maria, de kleindochter van den Mukaukas Georg.”Haar oog zocht bij die woorden het zijne, maar hij zeide: »Dat kind, welks hartje u toebehoort, en dat u volgt als een schoothondje!”»En buiten haar nog Katharina, de dochter van de weduwe Susanna,” haastte zij zich er bij te voegen, met blozende wangen en zeker van hare overwinning. »Zij is althans geen kind meer maar eene jonkvrouw, dat weet gij! Doch,” en nu keerde zij zich weder tot de rechters, »van u vorder ik, dat gij uw ambt waardig zult vervullen, door mij recht te laten wedervaren en de beide getuigen te doen voorkomen om haar te hooren.”Terstond antwoordde Orion, terwijl hij alle moeite deed om bedaard te blijven: »De grootouders mogen beslissen of men het weekhartige kind aan de verzoeking mag blootstellen door eene verklaring voor de rechters, zij moge dan luiden hoe zij wil, hare afgodisch beminde vriendin te redden. Haar leeftijd ontneemt overigens aan hare getuigenis alle waarde, en het stuit mij ook tegen de borst een kind van dit huis in deze pijnlijke zaak te mengen. Daarentegen is het de plicht van het gerechtshof de jonkvrouw Katharina voor te laten komen; en ikzelf bied mij aan haar te gaan roepen.”Paulas’ poging om hem weder in de rede te vallen wees hij ten stelligste af, men zou haar later in tegenwoordigheid der getuige geduldig aanhooren. De onyx was misschien afkomstig uit het huis haars vaders. Opnieuw werd Paula door rechtvaardige toorn overmeesterd en buiten zichzelve riep zij: »Neen, duizendmaal neen! Een ellendige booswicht, een uwer helpers, ik herhaal het, is mijne kamer binnengedrongen en heeft, terwijl ik bij de kranke vertoefde, het slot van mijne kist verbroken of met een valschen sleutel geopend.”»Dat kan onderzocht worden,” zeide Orion, en hij was blijkbaar zeker van zijne zaak, toen hij beval de kist op tafel te zetten en een der rechters verzocht als zaakkundige zijn oordeel uit te spreken.Paula kende den man zeer goed. Hij behoorde tot de aanzienlijkstebeambten des huizes en was de eerste werktuigkundige van den Mukaukas, wiens taak het was maten en gewichten, wateruurwerken en andere instrumenten te onderzoeken en te herstellen. Deze kundige man ging dadelijk over tot het onderzoek van het slot, dat hij in de beste orde bevond en van eene bijzondere samenstelling bleek te zijn, ook de kunstig vervaardigde sleutel had door geen looper vervangen kunnen worden, terwijl Paula moest toegeven de kist heden middag gesloten en den sleutel sedert dien tijd om haar hals gedragen te hebben.Orion hoorde deze verklaring schouderophalend aan en beval toen, vóór hij Katharina ging roepen, Paula en de voedster, van elkaar gescheiden, in aangrenzende vertrekken te brengen. Om in deze zaak tot klaarheid te komen, was een eerste vereischte verdere afspraken tusschen haar onmogelijk te maken. Zoodra de deur achter de vrouwen gesloten was, ijlde hij naar den tuin, waar hij Katharina hoopte te vinden.De rechters zagen hem na, terwijl ieder het zijne dacht. Zij stonden hier voor raadselen, die moeielijk waren op te lossen. Niemand achtte zich gerechtigd om te twijfelen aan de goede gezindheid van den zoon huns rechtvaardigen meesters, dien zij eerden als een hoogbegaafd en grootmoedig jonkman. Zijn strijd met Paula had hen pijnlijk aangedaan en ieder vroeg zich af hoe het gekomen was, dat het dezen lieveling der vrouwen niet scheen gelukt te zijn andere gevoelens, dan die van haat te wekken bij eene der schoonste van haar geslacht. De groote vijandschap tegen Orion, die zij niet verheelde, benadeelde hare zaak in de oogen der rechters, die maar al te goed wisten op welk een gespannen voet zij stond met vrouw Neforis. Het was meer dan vermetel van haar den zoon van den Mukaukas te beschuldigen de kist te hebben opengebroken; haat alleen had haar deze aanklacht op de lippen kunnen leggen. Toch lag er iets in haar wezen dat pleitte voor de deugdelijkheid van hare verklaringen, en als Katharina werkelijk kon betuigen de kas van den smaragd aan het halssieraad gezien te hebben, dan bleef er niets anders over dan het rechtsgeding van eene andere zijde aan te vangen en onderzoek te doen naar een anderen huisdief. Maar wie zou zulk een kostbaar stuk als dezen gesneden steen voor iets zonder waarde hebben weggesmeten? Neen, dat was ondenkbaar en de werktuigkundige Ammonius had gelijk toen hij beweerde, dat eene door haat bezielde vrouw tot alles in staat is, ook tot wat ongelooflijk schijnt.Intusschen was het volmaakt donker geworden en de gloeiend heete dag door een heerlijken, lauwen avond vervangen. DeMukaukas had zijn vertrek nog altijd niet verlaten, terwijl zijne gemalin benevens de weduwe Susanna en hare dochter, de kleine Maria en hare opvoedster in de opene gaanderij aan de zijde van den tuin en den Nijl een luchtje schepten en praatten. De vrouwen hadden hare hoofden omhuld met kanten sluiers, deels tegen de muggen, die van de rivierzijde, door het licht aangetrokken, bij zwermen kwamen toevliegen, deels tegen de dampen, die uit de Nijlvlakte opstegen. Zij wilden zich juist verkwikken met de zooeven gebrachte koele vruchtensappen, toen Orion verscheen.»Hoe is het afgeloopen?” riep zijne moeder hem bezorgd toe; want uit zijne verwarde haren en zijne hoogroode kleur maakte zij op, dat in de zitting niet alles glad van stapel was geloopen.»Ongehoorde dingen zijn er gebeurd,” was zijn antwoord. »Paula vecht als eene leeuwin voor den vrijgelatene haars vaders....”»Om ons te krenken en in verlegenheid te brengen,” hernam Neforis.»Neen, neen, moeder,” ging Orion met gejaagdheid voort. »Maar zij heeft een hoofd van ijzer, zij is eene vrouw die niets ontziet als het geldt haar wil door te zetten, en daarbij gaat zij met eene slimheid te werk, waardig den grootsten advocaat dien ik ooit op het tribunaal van de hoofdstad eene netelige zaak heb hooren bepleiten.Daar komt bij dat hare voorname houding en hare goddelijke schoonheid de hoofden van onze arme hofbeambten op hol brengen. Het is zeker braaf en edel zooveel ijver aan den dag te leggen voor een dienaar, doch dat alles kan haar niet helpen, want de bewijzen die tegen haren stotterenden vriend voor de hand liggen zijn volkomen overtuigend, en wanneer hare laatste bewering ontzenuwd is, zal de zaak beslist zijn. Zij geeft voor het kind en ook u, aanvallige Katharina, een halssieraad getoond te hebben.”»Getoond?” riep het kwikstaartje. »Ze heeft ons dat afgenomen, niet waar Maria?”»Maar wij hadden den keten zonder haar verlof weggenomen,” antwoordde de kleine.»En verlangt zij,” vroeg vrouw Neforis verstoord, »dat onze meisjes voor de rechtbank worden gebracht, om getuigenis af te leggen voor hare hoogheid?”»Dat verlangt zij,” bevestigde Orion. »Maar Maria’s uitspraak geldt niet bij de rechters....”»En ook al ware het anders,” hernam zijne moeder; »het kind mag in geen geval in deze nietswaardige zaak betrokken worden.”»Omdat ik voor Paula spreken zou!” riep Maria, terwijl zij driftig van haar zetel opsprong.»Gij zult uw mond houden!” riep de grootmoeder haar toe.»En wat Katharina betreft,” zeide de weduwe, »het komt niet bij mij op, haar voor al die heeren ten toon te stellen.”»Heeren!” zeide het meisje. »Mannen zijn het, kleine beambten en dergelijken meer. Ze kunnen lang op mij wachten!”»Maar gij zult toch aan hun verlangen moeten voldoen, trotsch meisje,” zeide Orion lachende, »want gij zijt goddank geen kind meer, en het staat der rechtbank vrij ieder volwassene als getuige voor de tafel te roepen. U zal niets geschieden, want gij staat onder mijne bescherming. Kom ga gerust met mij mede! Men moet in het leven alles leeren kennen. Hier helpt geen tegenstreven. Overigens behoeft gij slechts te zeggen wat gij gezien hebt en geleid ik u, als gij het mij vergunt, weder zorgvuldig aan dezen arm naar uwe moeder terug. Gij moet mij reeds heden uw kleinood toevertrouwen, vrouw Susanna, en de eerwaardige getuige zal u daarna zeggen, wat er verder met mij gebeuren zal.”Katharina begreep de beteekenis van die laatste geheimzinnige woorden, en het verheugde haar met den schoonen zoon van den stadhouder, den eersten man voor wien haar klein hartje klopte, alleen te mogen zijn; zij sprong dus vroolijk op, doch Maria klemde zich hartstochtelijk aan haar arm vast en verlangde zoo onstuimig en hardnekkig om meegenomen te worden, ten einde voor Paula te kunnen spreken, dat de opvoedster en vrouw Neforis haar slechts met moeite dwingen konden gehoorzaam te zijn en het paartje alleen te laten trekken.Beide moeders zagen hen met voldoening na en de gemalin van den stadhouder fluisterde de weduwe toe: »Heden voor het gerecht, en zeer spoedig, zoo God wil, voor het altaar in de kerk.”Om in de gerechtzaal te komen kon men of door het huis gaan, of buiten om loopen. Gaf men de voorkeur aan den laatsten weg, dan moest men allereerst door den tuin, en Orion koos dezen. In tegenwoordigheid van de vrouwen had hij zich geweld aangedaan, om de onrust die hem vervulde meester te blijven, en nu voelde hij hoe de strijd, dien hij had aangebonden en waaruit hij zich niet meer terugtrekken kon noch wilde, hem al verder en verder dreef en hem dwong het jonge schepseltje, dat nu—de teerling rolde al—zijne vrouw moest worden, op den schandelijken weg mede te sleepen, dien hij was opgegaan. Toen hij zijne moeder beloofd had niet morgen maar overmorgen om Katharina’s hand te zullen vragen, had hij gehoopt in dat tijdperk van uitstel hem toegestaan haar tekunnen bewijzen, dat de kleine toch niet de rechte vrouw voor hem was; en nu—welk een spot van het noodlot!—zag hij zich gedwongen, in alle opzichten juist het tegendeel te doen van datgene waartoe zijne neiging hem dreef. De vrouw die hij liefhad, ja nog altijd liefhad, hij bestreed haar als eene doodvijandin, en het meisje dat hem geheel onverschillig was, haar moest hij zijne hand reiken. Het was om krankzinnig te worden, maar het moest gebeuren, en met een herhaald »voorwaarts” besloot hij tot het schandelijk waagstuk, om het onervaren meisje aan zijn arm, zoo aan zich te verbinden, dat zij bereid was om zijnentwil onrecht te plegen. Zijn hart klopte of het springen moest, doch het was niet mogelijk langer te dralen of terug te treden; het gold, overwinnaar te blijven; dus voorwaarts, altijd voorwaarts!Zoodra zij buiten het licht der lantaarnen in de schaduw waren gekomen greep hij, blijde dat de duisternis zijne trekken onzichtbaar maakte, de tengere rechterhand van de naast hem wandelende kleine met beide handen en drukte zijne lippen op hare teedere vingertoppen.»Maar, Orion,” zeide zij schuchter, doch liet hem begaan.»Ik vorder wat mij rechtmatig toekomt, gij zonneschijn mijner ziel!” zeide hij op vleienden toon, »wanneer uw hartje zoo hevig klopt als het mijne, dan kunnen de moeders daarginds het hooren.”»Ja het klopt al,” zeide zij gelukkig, terwijl zij het krullekopje opzij hield.»Maar het mijne doet het toch sterker,” antwoordde hij met een zucht, terwijl hij haar handje tegen zijne borst drukte. Hij kon het gerust wagen want het krampachtig kloppen van zijn hart dreigde hem te doen stikken.Maar zij antwoordde blij te moe: »Ja, waarlijk, dat bonst...”»Zij mogen het daar ginds ook vernemen,” antwoordde hij met een gedwongen lachje. »Of uw moedertje niet reeds lang in onze harten gekeken heeft?”»Natuurlijk,” antwoordde zij zacht. »Zoo vroolijk als sedert uwe terugkomst heb ik haar zelden gezien.”»En gij, kleine tooveres?”»Ik? Natuurlijk ben ik ook vroolijk geweest; zij waren het allen. En uwe ouders...”»Neen, neen, Katharina! Ik wil weten wat gijzelve bij mijne terugkomst gevoeld hebt.”»Ach kom, hoe kan men zoo iets beschrijven?”»Zou dat niet kunnen?” vroeg hij, haar arm vaster in den zijnen drukkende. Hij moest haar winnen, en zijne dichterlijke verbeeldingskracht hielp hem, om wat hij nooit gevoeld had met gloeiende verven te schilderen. Hij liet haar zoete liefde-woordjeshooren en zij geloofde hem gaarne. Op zijn wenk ging zij vertrouwelijk zitten op een houten bank in de oude laan, die naar de noordzijde van het huis leidde. Aan verschillende heesters bloeiden daar heerlijke bloemen, die de lucht vervulden met een zoeten, bedwelmenden geur. De maneschijn drong door de dichte kronen der sykomoren en deed flikkerende strepen en kringen van licht spelen over het loof, op de stammen der boomen en den donkeren grond. Het loofdak boven hunne hoofden had de hitte van den dag teruggehouden, zoodat de lucht nog altijd zwoel en drukkend was. Het was op deze plaats dat hij haar voor het eerst zijn eenig bruidje noemde en haar hartje in ketenen sloeg. In elk zijner gloeiende woorden trilde de onstuimige, bange gejaagdheid, die zijne ziel martelde, zoodat zij klonken als waren ze innig en oprecht gemeend.De bloemengeur bedwelmde daarbij haar jong en onervaren gemoed en gewillig bood zij hem hare lippen tot een kus. Innig gelukkig gevoelde zij hier de eerste zaligheid eener jeugdige liefde die wederliefde vindt, levenslang zou zij met hem verbonden willen zijn. Doch reeds na eenige oogenblikken sprong hij op, verlangende aan de teedere minnekoozerij een einde te maken, die ook hem begon te betooveren en zeide luid en driftig: »O dat verwenschte rechtsgeding! Maar dat is het lot van den man! Zijn plicht roept en hij moet midden uit alle vreugde van het paradijs naar de aarde terugkeeren. Geef mij uw arm, gij mijne eenige, mijn alles!”Katharina gehoorzaamde en liet zich als in een roes van blijdschap over het onverwacht geluk, dat haar wedervoer, door hem meetroonen. Zij hoorde echter vreemd op, toen hij haar zeide: »Na deze hemelsche zaligheid moeten wij aan de nuchterste van alle zaken denken. Hoe afkeerig ben ik van datgene waarom het nu te doen is; hoe geweldig stuit het mij tegen de borst. Gaarne zou ik voor Paula een vriend, een trouw beschermer zijn, in plaats van haar tegenstander!”Bij deze woorden gevoelde hij hoe de linkerarm van het meisje op den zijnen zich onrustig bewoog, en dit was hem een prikkel om verder te gaan op den weg der misdaad. Katharina zelve wees hem de richting aan, die hij volgen moest om zijn doel te bereiken, en terwijl hij voortging om haar ijverzucht te doen ontvlammen terwijl hij Paulas schoon en edel voorkomen prees, verontschuldigde hij zich voor zijn geweten met deze drogreden, dat hij als bruidegom gerechtigd was zijne bruid te dwingen zijn geluk en zijne eer te redden. Toch had hij bij elk vleiend woord het gevoel als vernederde hij zichzelven, als beging hij daarmede tegen Paula een nieuw onrecht. Het viel hem maar al te gemakkelijk haar lof te verkondigen.Doch terwijl hij dit deed met toenemende warmte, tikte zij hem op den arm en zeide half schertsend, half op ernstig verdrietigen toon: »O deze godin! Ben ik, of is zij uwe geliefde? Pas op dat ge mij niet jaloersch maakt, hoort ge!”»Klein gekkinnetje!” antwoordde hij vroolijk, en om haar gerust te stellen liet hij erop volgen: »Zij is als de koele maan, en gij zijt de lichtende, verwarmende zon. Ja, Paula! wij willen haar overlaten aan een der Olympische goden of aan een aartsengel, maar ik zing den lof van mijn klein levenslustig meisje, dat met mij het leven genieten zal en al zijne vreugde.”»Ja, dat willen wij!” juichte zij, meenende den horizont harer toekomst in het glansrijkste zonlicht te aanschouwen.»Goede hemel,” dus brak hij als verrast dit onderhoud af. »Het licht schijnt al in die rampzalige rechtzaal. O de liefde, de liefde! Door hare betoovering hebben wij het doel van onzen gang vergeten. Zeg nu eens, schatje, weet gij nog precies hoe het halssieraad er uitzag, waarmede gij en Maria heden middag gespeeld hebt?”»Het was zeer kunstig bewerkt, alleen hing in het midden een leelijk verbogen stuk bladgoud.”»Gij zijt ook eene kenster van kunstwerken! Hebt gij dan den keurig gesneden steen over het hoofd gezien, die in deze onaanzienlijke kas besloten was?”»Neen, waarlijk niet!”»Ja toch, klein wijsneusje!”»Neen, mijn lieve!” en toen zij dit uitsprak, sloeg zij de oogen vroolijk op, als ware haar een waagstuk gelukt. »Wat gesneden steenen zijn weet ik zeer goed. Vader heeft eene groote verzameling ervan nagelaten, en moeder zegt dat zij volgens het testament mijn toekomstigen man zullen toebehooren.”»Dan zal ik u, mijn heerlijk juweel, in eene lijst van louter onyxen kunnen zetten.”»Neen, neen,” antwoordde zij vroolijk, »geef mij later maar een kastje, want ik ben zulk een vluchtig ding. Doch het mag niet anders zijn, neen niet anders dan uw hart!”»Deze goudsmidsarbeid is al verricht! Maar nu in ernst, kindjelief, wat aan Paulas halsketting hing was een onyx, en gij, kleine keurster van juweelen, hebt den steen slechts van achteren bezien; dáar heeft hij een rug zooals gij beschrijft, een eenvoudig hulsel van bladgoud!”»Maar Orion!”»Hebt ge mij lief, hartediefje, weerspreek mij dan niet verder. Later zal ik u altijd naar uw oordeel vragen, maar in dit geval kan mij uwe dwaling in groote moeielijkheden brengen en mij dwingen aan Paula toe te geven en haar tot mijne bondgenootete maken.—Hier zijn wij er, maar blijven wij nog een oogenblik staan! En nu nog over dien steen. Ziet gij: wij kunnen beiden dwalen, ik zoowel als gij, maar ik geloof zeker gelijk te hebben, en wanneer gij in dit geval iets anders verklaart dan ik heb gedaan, dan sta ik als een leugenaar voor de rechters. Wij zijn nu toch bruid en bruidegom, dus één, geheel één, en wat een onzer treft of verheft, dat vereert of verlaagt tegelijk de andere. Zegt gij, die mij liefhebt en van wie de lieden al mompelen, dat gij eerlang als meesteres in dit paleis gebieden zult, iets anders dan ik, zoo zullen zij het zeker gelooven. Zie, gij zijt zoo door en door goed, maar nog te jong en te rein om alle eischen te begrijpen eener almachtige liefde, die alles gelooft en verdraagt. Als gij in dit geval niet gaarne aan mijn verlangen gehoor geeft, dan hebt gij mij zeker niet lief, zooals gij mij zoudt moeten liefhebben. En is het dan zoo iets moeilijks wat ik van u vraag? Ik wensch van u niet anders, dan dat gij voor de rechters zult verklaren, dat gij heden middag Paulas halsketting gezien hebt, en dat daaraan een gesneden steen hing, een onyx met Amor en Psyche. Verder niets!”»Moet ik dat getuigen voor al die rechters?” vroeg Katharina met een bedenkelijk gezicht.»Dat moet gij doen, vriendelijke engel!” hernam Orion teeder. »Zoudt gij het aardig vinden, als eene bruid hare geliefde de eerste bede knorrig weigerde, omdat zij er eenig bezwaar tegen heeft of meent alleen gelijk te hebben?Neen, neen, als er maar een vonkje liefde voor mij in uw hartje gloort, als gij mij niet dwingen wilt Paula te verzoeken, dat zij genade met mij zal hebben...”»Maar waarom is het dan toch te doen? Wie kan er zooveel waarde aan hechten of een gesneden steen of een eenvoudig stuk bladgoud...”»Dat zal u later alles omstandig verklaard worden,” voegde hij haar haastig toe.»Toe, doe het nu dadelijk...”»Dat gaat niet; wij hebben het geduld der rechters reeds veel te lang op de proef gesteld. Er is geen oogenblik te verliezen!”»Nu goed dan, maar ik zal van verlegenheid en schaamte bezwijken, wanneer ik voor de rechters een getuigenis afleg...”»Dat waar is,” zoo drong hij verder aan, »en waarmede gij mij toonen kunt, hoezeer ge mij liefhebt.”»Wat is dat verschrikkelijk!” zeide zij angstig. »Bind mij ten minste den sluier vast om het aangezicht. Al die gebaarde mannen...”»Als de struisvogel,” zeide Orion met een glimlach, terwijl hij aan haar verlangen voldeed. »Indien gij er werkelijk andersover denkt dan uw... hoe hebt gij daareven ook gezegd? Herhaal het nog eens!”»Uw liefste!” zeide zij blozende en innig, terwijl zij Orion hielp haar den sluier dubbel voor het gezicht te binden, en zij weerde hem niet af, toen hij haar in het oor fluisterde: »Laat eens zien of een kus ook door zulk eene vermomming nog goed smaakt!—Kom nu, in weinige oogenblikken is alles gedaan.”Na deze woorden leidde hij haar snel het voorportaal van de rechtzaal binnen en verzocht haar een oogenblik te wachten. Aan de rechters deelde hij haastig mede, dat vrouw Susanna hem haar dochtertje slechts had toevertrouwd onder voorwaarde, dat hij haar onverwijld bij hare moeder zou terugbrengen, nadat zij hare verklaring als getuige had afgelegd. Vervolgens liet hij Paula roepen en noodigde haar uit zich neer te zetten.Katharina was met loome schreden en een beklemd hart het voorportaal van de rechtzaal binnengegaan. Zij had zich menigmaal door kleine omwegen uit de verlegenheid weten te redden om eene berisping te ontgaan, maar zij had nog nooit ernstig gelogen, en nu begon alles in haar zich te verzetten tegen het voornemen om iets te verklaren wat stellig onwaar was. Maar kon het dan slecht zijn wat Orion, de edelste van alle mannen, de afgod van de gansche stad, zoo dringend van haar begeerde? Maakte de liefde, volgens zijne opvatting, het haar niet tot plicht om alles te doen, wat hem voor nadeel en schade kon bewaren? Wel-is-waar kwam dit haar niet geheel billijk voor, maar misschien begreep zij het nog niet genoeg, omdat zij zoo jong en onervaren was. Het beangstigde haar ook dat haar geliefde, wanneer zij tegen zijn wil handelde, gedwongen zou zijn met Paula een verbond aan te gaan. Aan zelfbewustzijn ontbrak het haar niet, en zij zeide tot zichzelve, dat zij voor geen meisje in Memphis behoefde onder te doen, alleen die schoone, trotsche, groote Damasceensche stond, dit gevoelde zij, verre boven haar, en zij kon niet vergeten hoe eergisteren, toen Paula met haren bruidegom in den tuin op en neder wandelde, de overste van Memphis had uitgeroepen: »Welk een buitengewoon mooi paar!” Vaak had zij gedacht, dat er geen schooner, minzamer, lieftalliger schepsel op aarde leefde dan de dochter van Thomas, en kon zij hunkeren naar een blik, een vriendelijk woord van haar. Maar sedert dat zeggen van den stadsoverste was zekere verbittering tegen Paula in hare ziel ontwaakt, die daarna van verschillende zijden rijkelijk voedsel had gekregen. Paula bejegende haar altijd als een kind, niet als een volwassen meisje, dat zij toch was. Waarom had zij heden middag haren bruidegom, want zoo mocht zij Orion thans noemen, willen opzoeken en haar van hem afhouden? En wat was de redendat Orion, terwijl hij de bekentenis aflegde dat hij haar liefhad, telkens meer dan met warmte, met geestdrift van die jonkvrouw had gesproken? Neen voor deze verleidster moest zij op hare hoede zijn, en wanneer men sprak van een groot geluk dat haar weervaren was, Paula zou het haar zeker niet gunnen, want Katharina voelde en wist, dat deze haren geliefde met alles behalve onverschillige oogen aanzag. Zij bezat op de wereld geene andere vijandin dan Paula en van deze mededingster had hare liefde alles te vreezen. Opeens vroeg zij zich af, of het bladgoud dat zij gezien had toch niet een gesneden steen zou hebben kunnen zijn. Zij had immers de halsketen maar een oogenblik opmerkzaam bekeken? En waarom zou zij scherper hebben gezien dan de groote wonderschoone oogen van Orion?Zeker, hij had gelijk, gelijk zooals altijd. De meeste gesneden steenen hadden eene ovale gedaante, en ovaal was ook dat ding waaromtrent zij getuigen moest. Het was van Orion niet te denken, dat hij iets leugenachtigs van haar verlangen zou. In elk geval was het de plicht zijner bruid om hem voor schande te behoeden en te verhinderen, dat hij een verbond zou sluiten met die schoone sirene. Zij wist wat zij te zeggen had en reeds wilde zij een gedeelte van den sluier losmaken, om Paula recht goed in het aangezicht te zien, toen Orion terugkeerde om haar naar de rechtzaal te voeren.Tot zijne vreugde, ja tot zijne verbazing sprak Katharina hier zonder aarzelen uit, dat er heden middag een gesneden steen in Paulas halssieraad had gehangen, en toen men haar den onyx toonde en vroeg of zij zich dezen herinnerde, antwoordde zij kalm:»Deze kan het geweest zijn of ook niet; ik herinner mij alleen nog de ovale gouden achterzijde. Voor het overige liet deze jonkvrouw haar kleinood maar enkele oogenblikken in mijne handen.”Toen de rentmeester Nilus haar uitnoodigde, om de voorstelling van Amor en Psyche nader te bekijken en haar geheugen te scherpen, antwoordde zij ontwijkend: »Ik mag zulke heidensche voorstellingen niet; wij Jacobietische meisjes dragen andere sieraden.”Daar rees Paula op, en trad met een blik vol streng verwijt haar te gemoet, en nu verblijdde de kleine Katharina zich, dat zij op het denkbeeld was gekomen om zich het hoofd te bedekken met een dubbelen sluier. Maar de groote verlegenheid waarin zij gebracht werd door den scherpen blik der Damasceensche, duurde slechts kort, want toen deze haar waarschuwend toeriep: »Gij legt nadruk op uwe getuigenis, maar gij hebt niet minder dan ik der waarheid de eere te geven. Bedenk wat er van uweuitspraak afhangt; dat bezweer ik u, kind,” viel de kleine hare tegenpartij in de rede en zeide verstoord, met hartstochtelijke gejaagdheid: »Ik ben geen kind meer, ook niet voor u, en vóor ik spreek bedenk ik mij, zooals mij dat geleerd werd!”Daarop wierp zij het kopje trotsch in den nek en herhaalde nog eens stellig: »Deze onyx heeft in het midden van de keten gehangen.”»Gij schandelijke leugenaartser!” riep de voedster, zichzelve niet meer meester, haar in het aangezicht.Katharina verschrikte hevig en zag om, als had haar een adder gebeten naar haar die het gewaagd had haar zoo gruwelijk en onbeschaamd te beleedigen. Hulpeloos, terwijl zij op het punt was in tranen uit te barsten, keek haar oog naar bijstand rond, en zij behoefde niet lang op een wreker te wachten, want Orion gaf dadelijk bevel Perpetua wegens hare valsche verklaring naar de gevangenis te brengen, de Damasceensche te ontslaan, omdat zij niet had gezworen en alleen uit goede bedoeling een ongelooflijk verhaal had verdicht, en de kist weder naar hare kamer te dragen.Daar trad de jonkvrouw nog eens voor de tafel, maakte den onyx van de keten los, wierp dien den jood Gamaliël toe, die hem opving, en zeide: »Dien schenk ik u, man! Misschien koopt de schurk, die hem aan mijn keten heeft gehangen, u dien weer af. Mijne grootmoeder heeft dit halssieraad van den heiligen keizer Theodosius ontvangen, en eer ik het verder door het geschenk van een ellendeling laat bezoedelen, werp ik zelve het in den Nijl. Op u arme, bedrogene rechters ben ik niet toornig, doch ik beklaag u! Mijn Hiram”—en hier wees zij op den vrijgelatene—»is een eerlijk man, dien ik met dankbare liefde gedenken zal tot in den dood; maar deze onrechtvaardige zoon van een rechtvaardigen vader, die daar....” Dit roepende wees zij op Orion; doch de jongeling ontnam haar het woord door haar toe te duwen: »Genoeg!”Zij trachtte al hare krachten te verzamelen en zeide: »Ik zal doen wat gij verlangt, want uw geweten zal u honderdmaal herhalen, wat ik verzwijg. En nu nog een woord!” Daarop ging zij naar hem toe en fluisterde hem in het oor: »Ik heb de overwinning op mijzelve behaald, om het scherpste wapen tegen u ongebruikt te laten, overeenkomstig mijn gegeven woord. Wanneer gij niet de ellendigste zijt van alle ellendigen, gedenk dan het uwe en red Hiram!”Een zwijgend hoofdknikken was zijn antwoord. Zij bleef op den drempel nog even staan en zeide tot Katharina: »U, kind, want meer zijt gij nog niet, u zal de zoon van den Mukaukas voor den dienst hem bewezen met onbeschrijfelijke smarten beloonen.”Met deze woorden verliet zij de zaal, besteeg met wankelende schreden de trap, en toen zij weder naast de legerstede van de arme waanzinnige neerzat, schonk de goede God haar den lenigenden balsem van te kunnen weenen. Haar vriend, de arts, vond haar weenende en stoorde haar niet, tot zij zelve hem bij haar riep en hem toevertrouwde, wat haar op dezen moeielijken dag overkomen was.Orion en Katharina hadden hunne blijmoedige stemming verloren en begaven zich ernstig naar de zuilengaanderij terug. Toen zij onderweg bij hem op verklaring aandrong, waarom hij haar verleid had dit getuigenis af te leggen, troostte hij haar met een uitstel tot morgen. Zij vonden vrouw Susanna alleen, want zijne moeder was bij haar gemaal geroepen, wiens lijden was verergerd, en had de kleine Maria medegenomen. Nadat hij de weduwe begroet en haar met Katharina naar den wagen geleid had, keerde hij naar de rechtzaal terug.Daar gekomen zette hij den rechters de geheele toedracht der zaak en alles wat tegen den vrijgelatene getuigde nog eens in een kort bestek uiteen. Daarop werd het oordeel geveld. De trouwe Hiram werd ter dood veroordeeld. Alleen de stem van den rentmeester Nilus had er zich tegen verklaard. Orion beval de voltrekking van het vonnis op te schorten en keerde niet weder in huis terug. Hij liet zijn wildsten hengst zadelen en reed geheel alleen de woestijn in. Hij had overwonnen, maar het was als ware hij bij die wedstrijd in het slijk geraakt en moest hij daarin stikken.
TWAALFDE HOOFDSTUK.
Met gebalde vuisten en kwaadaardigen blik daalde Orion de trap af. Het was hem of zijn hart zou bersten. Wat had hij gedaan, en wat was er van hem geworden! Zoo durfde eene vrouw hem bejegenen, eene vrouw, die hij zijne liefde had gewijd, de schoonste en edelste der vrouwen, de hoogmoedigste, wraakzuchtigste en hatelijkste tegelijk! Hij had eens ergens gelezen: »Wie eene laagheid heeft begaan, waarvan ook een ander weet, die draagt het doodsoordeel van zijne zielsrust in de plooien van zijn gewaad.” Hij gevoelde het gewicht van dit oordeel, en de andere die mede alles wist was Paula, was zij van wie hij bovenal gewenscht had dat zij tot hem mocht opzien! Gisteren hield hij het nog voor de grootste zaligheid op aarde haar te omarmen, haar de zijne te mogen noemen; thans kende hij maar één wensch, haar te vernederen, haar te straffen. Helaas, dat hem de handen gebonden waren, dat hij als een veroordeelde van hare genade afhing! Hij kon niet onder woorden brengen hoe onverdragelijk hem deze gedachte was. Maar zij zou hem leeren kennen! Als een blanke zwaan was hij tot nu toe het leven doorgegaan; als deze noodlottige ure, als deze vrouw hem tot een gier maakte, was het niet zijne, was het hare schuld! Weldra zou blijken wie de sterkste was van hen beiden. Hij moest haar straffen op eene wijze zooals men eene vrouw slechts tuchtigen kan, al moest hij ook langs den weg der misdaad en der ellende zijn doel bereiken. Hij vreesde niet dat de arts hare genegenheid had gewonnen, want hij voelde met onbetwistbare zekerheid dat, hoe zij hem hare vijandschap ook deed gevoelen, haar hart hem en hem alleen behoorde. »De gouden munt der liefde,” zeide hij tot zichzelven, »heeft twee zijden: teeder verlangen en bitteren haat; thans toont zij mij deze laatste zijde, maar hoe verschillend ook het beeld en het schrift van de munt mogen zijn, wanneer menhaar laat klinken geeft zij toch maar éen toon, en die toon ligt ook in hare beleedigende taal.”Aan de familietafel verontschuldigde hij Paula en at zelf zeer weinig, want de rechters waren sedert lang vergaderd en wachtten op hem.Reeds aan de voorvaderen van den Mukaukas, machtige gouwvorsten, was het recht verleend over leven en dood, en zij hadden zich daarvan zeker al bediend onder de Psamtikiden, aan wier heerschappij de Pers Cambyses zulk een gruwzaam einde had gemaakt. Als eerwaardige symbolen van dit recht prijkten thans nog uraeusslangen, adders wier beten den snelsten dood ten gevolge hebben, en de drakendooder St. George boven de paleizen van den Mukaukas te Memphis en te Lucopolis in Boven-Egypte. Op beide plaatsen stond het aan het hoofd der familie vrij, nadat Justinianus en het laatst keizer Heraclius die oude bevoegdheid opnieuw bevestigd hadden, om aan de onderhoorigen des huizes en de inwoners van het district, waarover hij gesteld was, eigenmachtig de doodstraf te doen voltrekken. De ridder St. George was tusschen de oude slangen geplaatst, om het heidensch symbool door een christelijk te vervangen. Vroeger had de ridder het hoofd van een sperwer, dat wil zeggen van den god Horus gedragen, die om zijn vader te wreken den boozen Seth Typhon had verslagen, doch reeds een paar honderd jaren geleden was de heidensche krokodillendooder in den christelijken overwinnaar van den draak veranderd geworden.De Arabieren hadden na de verovering des lands de oude instellingen en rechten en zoo ook die van den Mukaukas gehandhaafd. Het gerechtshof, dat in zaken betreffende het huispersoneel werd saamgeroepen, bestond uit de hoogere privaatbeambten van het stadhouderlijk huis. Het ambt van opperrechter bekleedde de Mukaukas zelf en zijn volwassen zoon was zijn natuurlijke plaatsvervanger. Gedurende Orions afwezigheid had het hoofd van de rentmeesters, Nilus, een verstandig en bezadigd Egyptenaar, de plaats van zijn lijdenden meester vaak vervuld, maar heden was aan Orion opgedragen het voorzittersgestoelte in te nemen en het onderzoek te leiden.De zoon van den stadhouder haastte zich uit de eetzaal naar het slaapvertrek zijns vaders te gaan, en vroeg hem om zijn ring als teeken der volmacht, die hij op hem had overgedragen. De Mukaukas liet zich dezen gewillig van den vinger halen, en drukte den jongeling op het hart, dat zonder toegevendheid en gestreng moest worden gevonnisd. Hij was anders tot zachtheid geneigd, doch op een inbraak in zijn huis stond de dood, en in dit geval was het om der wille van den Arabischenkoopman geraden geen vergiffenis te schenken. Orion, indachtig aan zijne overeenkomst met Paula, verzocht nu zijn vader hem de handen geheel vrij te laten. De oude muzelman was een rechtvaardig heer, die onder zekere omstandigheden ook een zacht vonnis zou billijken. Bovendien was de misdadiger eigenlijk geen huisgenoot, maar hij stond in dienst bij eene bloedverwante. De Mukaukas prees het verstandig inzicht van zijn zoon. Als hij zich maar wat beter gevoelde, zou hij gaarne de zitting willen bijwonen, ten einde hem voor de eerste maal een ernstigen plicht te zien vervullen, die zijne geboorte en zijn stand waardig was. Orion kuste zijn vader met warmte en weemoedige ontroering de hand, want ieder woord van waardeering uit den mond van dezen geliefden man deed hem innerlijk goed, doch hij beschouwde het als eene ramp, dat hij zijn rechtersloopbaan, waarvan hij den ernst en de heiligheid gevoelde, aldus—aldus beginnen moest.Zachtmoediger gestemd, in gedachten verzonken en overwegende hoe Hiram te redden en Paula’s naam liefst geheel buiten de zaak te houden zou zijn, begaf hij zich naar de gerechtszaal, en vond vóor den ingang de voedster Perpetua in een levendig gesprek met den rentmeester Nilus. De oude vrouw was radeloos. Door haar arbeid aan de weefgetouwen had zij tot zooeven niets van al het gebeurde vernomen, en zij bezwoer thans de onschuld van den ongelukkigen Hiram. De steen, dien hij verkocht had, was het eigendom geweest van hare meesteres, en daarvoor ontbrak het goddank niet aan bewijzen, want de kas van den smaragd lag goed bewaard in de kist van hare meesteres. Gelukkig was het nog mogelijk geweest haar even te spreken, maar dat men haar, de dochter van Thomas, als ieder burger- of slavenkind voor het gerecht wilde dagen, dat was ongehoord, dat was schandelijk!Opeens stoorde Orion barsch dit onderhoud; hij gelastte den ouden deurwachter haar onverwijld te brengen naar het magazijn naast het tablinum, waar de voor het gebruik des huizes bestemde geweven stoffen bewaard werden, en haar daar tot naderordergoed te bewaken. De toon waarop hij dit bevel gaf was zoo meesterachtig, dat zelfs de voedster niet tegensprak; ook de rentmeester gehoorzaamde zwijgend zijn gebod, om zich weder bij de rechters te voegen. Nilus kwam verbaasd en angstig in de rechtzaal terug. Zóo had hij den zoon zijns meesters nog nooit gezien. Bij de mededeeling van de voedster waren hem de aderen op zijn jeugdig nog ongerimpeld voorhoofd sterk gezwollen, hadden zijne neusvleugels zich snel en krampachtig bewogen, was de welluidende klank uit zijne stem verdwenen en hadden zijne oogen dreigend gefonkeld.Nu was Orion alleen en hij knarste op de tanden van boosheid. Ondanks de gegeven belofte had Paula hem verraden, en hoe verachtelijk was de vrouwenlist, waarmede zij dit gedaan had. Voortreffelijk! Voor de rechters kon zij nu zwijgen, gerust zwijgen tot aan het einde der zitting; de voedster, haar spreekbuis, had aan Nilus, den ernstigsten en scherpzinnigsten man in het geheele college, de bewijzen toevertrouwd, die voor haar en tegen hem getuigden. Ongehoord, schandelijk! Een smadelijk, bij uitstek nijdig verraad! Maar nog had zij haar doel niet bereikt, nog had hij de handen vrij, om deze boozen aanval met een tegenstoot af te weren. Welke deze zijn moest, dat was hem reeds bij de mededeeling van de voedster duidelijk geworden, maar zijn geweten, zijne aangeboren neiging, de langdurige gewoonte om zich te houden binnen de perken van wat recht, goed en betamelijk is, dat alles verzette zich daartegen. Niet alleen had hijzelf nooit eene laaghartige gemeene daad begaan, maar het had zijne ergernis opgewekt, zoo vaak hij het had gezien van anderen; en het eenige wat hij ondernemen kon om Paula’s verraad onschadelijk te maken, het was—hij kon het niet loochenen—het was wel ongehoord en stout, maar niet minder verachtelijk en schandelijk. Doch hij wilde en mocht in dezen strijd niet onderliggen. De tijd drong, hij kon onmogelijk lang wikken en wegen, en plotseling ontwaakte in hem een kwaadaardige, woeste strijdlust, en gevoelde hij zich als in de dagen van de wedrennen in den circus, wanneer hij zijn vierspan aanzette om de anderen vooruit te komen. Vooruit dan, vooruit, al moest het voertuig in splinters slaan, al moesten de paarden er bij neervallen en de raderen van zijn wagen de strijdgenooten in het zand van de arena verbrijzelen!Met een paar haastige schreden bereikte hij het kamertje van den deurwachter, een wakker man, die sedert veertig jaren dit ambt bekleedde. Vroeger was hij smid geweest en thans gebruikte men hem om kleine herstellingen te doen aan het gewone huisraad. Orion was als kind een aardige knaap, die ieders hart wist te stelen, en dus ook de lieveling van dezen man geweest. Vaak had hij zich in diens kamertje opgehouden en hem de kunstgrepen van zijn handwerk afgezien. Met een bijzonderen aanleg voor werktuigkunde begaafd, had hij zich een leerzaam scholier van den oude betoond en het zoover gebracht, dat hij zijne ouders op hunne geboortedagen, die in Egypte bijzonder feestelijk gevierd en door het geven en ontvangen van geschenken opgeluisterd werden, met sierlijke kastjes en banden voor gebedenboeken kon verrassen, die hij met eigen hand gesneden en van sloten voorzien had. Hij kon alle instrumenten hanteeren en koos thans fluks de zoodanigen uit, diehij meende noodig te hebben. Op de vensterbank van het kamertje stond een bloemruiker, dien hij gisteren avond voor Paula bestelde, maar op dezen schrikkelijken dag vergeten had te halen. Met dezen in de hand en de instrumenten in de borstplooien van zijn gewaad snelde hij naar de trap.»Voorwaarts, altijd voorwaarts!” riep hij zichzelven toe, toen hij Paula’s kamer binnendrong, de deur grendelde, en zich op de knieën neerliet bij hare kist, na de bloemen uit de handen te hebben gelegd. Als hij ontdekt werd, dan heette het dat hij naar hare kamer was gegaan om dezen ruiker te brengen.»Voorwaarts, steeds voorwaarts!” dacht hij altijd, terwijl hij de scharnierenlosschroefde, waarmede het deksel aan de kist was verbonden. Zijne handen beefden, zijne ademhaling versnelde, maar het werk vorderde toch. Op deze manier moest het hem gelukken, want het kunstslot van de kist liet zich niet openen zonder het te vernielen. Daar lichtte hij het deksel en—als ondersteunden hem vriendelijke machten—bij den eersten greep in de kist hield hij de halsketen met de ledige kas in de hand. Het hulsel van bladgoud hing aan het kunstig gewerkt halssieraad; dit los te haken en bij zich te steken was het werk van een oogenblik.Maar nu ging het niet meer, al riep hij zich het »voorwaarts” nog zoo luide toe. Dat was een diefstal, daarmede ontroofde hij iets aan haar, die hij, als zij maar gewild had, bereidwillig met alles zou hebben overladen, waarmede het lot hem zoo overrijk gezegend had.»Neen, dat, dat...”Daar schoot hem plotseling eene zonderlinge gedachte door het hoofd, eene gedachte die hem, te midden van den vreeselijken ernst van deze ure een glimlach om de lippen plooide. Zonder verwijl voerde hij haar uit; hij greep diep in zijn onderkleed en haalde een edelsteen te voorschijn, die aan eene gouden keten op zijne borst hing. Dit kleinood, het meesterwerk van een groot Grieksch steensnijder uit den heidenschen tijd, was hem vereerd door zijn besten vriend in Konstantinopel, als tegengeschenk voor een vierspan, dat dezen bijzonder beviel, en de steen bezat inderdaad hooger waarde dan een half dozijn edele paarden. Als in een roes, half waanzinnig, volgde Orion dien ontstuimigen drang van zijn gemoed, en het verheugde hem dat hij een kostbaar stuk bij de hand had om in de plaats van het armzalig bladgoud te hangen. Met een paar handgrepen was alles in orde, maar het weder aanschroeven van descharnierenvorderde meer tijd, want zijne vingers beefden sterk, en hoe nader het oogenblik kwam, waarop hij Paula zijne overmacht wilde laten voelen, des te sneller klopte zijn hart, des te moeielijker viel het hem zijn geest tot kalme overweging te dwingen.Nadat hij de deur ontgrendeld had, moest hij weder als een dief de lange gang van de verdieping der gasten bespieden. Dit verhoogde zijne opgewondenheid tot verbittering tegen de wereld en het noodlot, en het meest tegen haar, die hem tot zulk eene smadelijke zelfvernedering dwong. De renner hield de teugels en den prikkel in de hand. Voorwaarts nu, voorwaarts! Evenals toen hij nog een jongen was, vloog hij de trappen af, telkens een drietal treden overspringende, en toen hij in de voorzaal de Grieksche opvoedster Eudoxia aantrof, die hare wilde kweekelinge Maria juist in huis trok, wierp Orion haar den bloemruiker toe, dien hij weder had meegebracht, en ijlde, zonder acht te geven op de smachtende blikken waarmede de bedaagde jonkvrouw hare dankzegging begeleidde, naar het kluisje van den deurwachter terug, waar hij zich haastig ontdeed van alle gereedschappen.Weinige oogenblikken later betrad hij de rechtzaal. De rentmeester Nilus wees op den hooger geplaatsten opperrechterszetel van zijn vader, maar eene sterke huivering weerhield hem dit eerwaardig gestoelte te bezetten. Met gloeiend hoofd en somberen blik, zoodat alle aanwezigen hem verbaasd en schuw aanzagen, opende hij met driftig uitgestoote woorden deze zitting. Nauw wist hijzelf wat hij sprak, en hij hoorde zijne eigene toespraak niet duidelijker dan het geruisch der zee uit de verte. Toch gelukte het hem klaar uiteen te zetten wat er gebeurd was, hij toonde den rechters den geroofden steen, dien men den dief afhandig had gemaakt, berichtte op welke wijze men dezen weder in bezit had gekregen, verklaarde den vrijgelatene van de dochter van Thomas schuldig aan inbraak, en beval hem tot zijne verantwoording aan te voeren wat hij vermocht.Doch de aangeklaagde wist er slechts met moeite stotterende uit te brengen, dat hij onschuldig was. Het was zijne zaak niet zichzelven te verdedigen, maar misschien zou zijne meesteres iets tot zijne rechtvaardiging in het midden willen brengen.Daarop streek Orion zijne verwarde haren uit het aangezicht, wierp het verhitte hoofd trotsch in den nek en zeide, zich tot de rechters keerende: »Zij is eene aanzienlijke jonkvrouw, eene verwante van ons huis, het is betamelijk haar buiten deze treurige zaak te houden. Hare voedster heeft Nilus bovendien medegedeeld, wat misschien in staat is om dezen ongelukkige te redden. Wij willen niets daarvan onopgemerkt laten, maar gij, die minder goed met de verhoudingen tusschen de verschillende personen bekend zijt, moet dit wel in het oog houden, om niet op een dwaalspoor te geraken. Zij is aan den beschuldigde gehecht, en hem en Perpetua schat zij hoog als het eenigewat haar uit het ouderlijk huis is overgebleven. Verder moet het mij en u niet verwonderen, wanneer eene edele vrouw als zij het waagt de schuld van een ander op zich te nemen, en zichzelve in een twijfelachtig licht te plaatsen, om een dienaar te redden, die altijd trouw en eerlijk is geweest. De voedster is bij de hand, zullen wij haar roepen, of heeft zij u Nilus alles toevertrouwd, wat hare meesteres ten gunste van den vrijgelatene aanvoerde?”»Perpetua heeft mij, en ten deele ook u eene geloofwaardige mededeeling gedaan,” antwoordde de rentmeester, »maar ik vermag haar toch niet zoo juist weer te geven als zijzelve, en ik dacht daarom dat het goed zou zijn de vrouw te laten voorkomen.”»Men brenge haar voor,” beval Orion, terwijl hij over de hoofden der rechters somber en ongenaakbaar in de ruimte staarde.Na een langdurig en pijnlijk zwijgen in de zaal verscheen de oude vrouw. Overtuigd van het goed recht harer zaak, trad zij onbeschroomd binnen, zag eerst den ongelukkigen Hiram niet zeer vriendelijk aan, omdat hij zoo lang gezwegen had, en vertelde daarop dat Paula, om zich het noodige geld ter opsporing van haren vader te verschaffen, door den vrijgelatene een kostbaren smaragd uit hare halsketen had laten nemen, en hoe door het verkoopen van dit kleinood haar landsman helaas in verdenking was gekomen.Deze verklaring van de voedster scheen het meerendeel der rechters gunstig voor den aangeklaagde te stemmen, doch Orion liet hun geen tijd om onder elkander van gedachten te wisselen, want nauwelijks had Perpetua haar verhaal geëindigd, of Orion greep den smaragd, die voor hem op tafel lag,enzeide driftig en verstoord: »Dus zou een steen, die zijn verkooper zelf, een der grootste kenners van juweelen, verklaard heeft eenig in zijne soort te zijn en dezelfde die in het tapijt heeft gezeten, opeens als door een wonder der natuur een dubbelganger gevonden hebben? Booze geesten drijven ook heden ten dage nog hun spel met de menschen, doch het is bezwaarlijk te gelooven dat zij dit doen in dit christelijk huis. Gij weet wat het woord‘bakersprookjes’in onze taal beteekent, en wat de voedster daar in het midden heeft gebracht moet blijkbaar daartoe gerekend worden. Dat mag men den jood Apelles doen gelooven, zooals de Romein Horatius zeide, maar zijn geloofsgenoot Gamaliël”—waarbij hij zich tot den juwelier wendde, die op de bank der getuigen zat,—»zeker niet, en nog minder mij, die dit weefsel doorzie. De dochter van den edelen Thomas heeft zich vernederd om met behulp van deze kunstenaresin het weven dit sprookje op het getouw te zetten en voor ons te ontrollen, ten einde ons rechters op een dwaalspoor te brengen en haren trouwen dienaar te redden vangevangenisstraf, dwangarbeid of den dood. Zoo zit de zaak in elkaar. Dwaal ik, vrouw, of blijft gij volharden bij uwe bewering?”De voedster, die gemeend had in Orion een verdediger te vinden voor hare meesteres, had zijne woorden gevolgd met klimmende verbazing. Uit zijne oogen fonkelden haar nu eens spot, dan groote verbolgenheid tegen, doch terwijl bij dezen onverwachten uitval de tranen haar in de oogen waren geschoten, bewaarde zij toch hare tegenwoordigheid van geest en verzekerde, dat zij evenals altijd zoo ook thans de waarheid had gezegd. De kas waarin de smaragd harer meesteres had gezeten, zou dit ten overvloede kunnen bewijzen.Hierop haalde Orion de schouders op, beval de voedster hare meesteres te roepen, wier persoonlijke tegenwoordigheid thans onvermijdelijk was geworden, en zeide tot den rentmeester: »Geleid haar, Nilus! Een dienaar brenge de kist hierheen, opdat deze door de eigenares zelve voor onze oogen geopend worde, vóor een ander de hand aan den inhoud kan slaan. Ik zou niet geschikt zijn voor deze boodschap, want niemand in dit Jakobietische huis, ik vrees zelfs niemand onder u, heeft genade gevonden in de oogen van deze schoone Melchietin. Mij is zij helaas bijzonder kwalijk gezind, en zoo moet ik aan anderen elken maatregel overlaten, die tot misverstand zou kunnen leiden. Breng haar hierheen, Nilus, natuurlijk met al de onderscheiding, die aan eene jonkvrouw van hooge geboorte toekomt.”Zoodra de afgezondenen zich verwijderd hadden, doorliep Orion de rechtzaal met haastige, rustelooze schreden.Maar eens bleef hij voor de rechters staan, zeggende: »Ook zelfs wanneer de kas van den smaragd gevonden wordt, hoe verklaren wij dan de aanwezigheid van twee, ik zeg twee steenen, elk eenig in zijne soort? Het is om zijn geduld te verliezen! Een teergevoelig meisje waagt het eene ernstige rechtbank op een dwaalspoor te brengen, ten gunste, ten gunste van....” Hij ging niet verder, maar stampte driftig met den voet op den grond en zette daarna stilzwijgend zijne wandeling voort.»Hij is nog een nieuweling,” dachten de rechters, die zijne groote gejaagdheid opmerkten, »anders zou hij zich de dwaze poging om een aangeklaagde schoon te wasschen niet zoo aantrekken, en zich door zoo iets niet uit zijn humeur laten brengen.”Het verschijnen van Paula maakte eindelijk aan dat op- en neerloopen van Orion een einde. Hij ontving haar met eene afgemetene buiging en verzocht haar plaats te nemen. Vervolgensnoodigde hij Nilus uit haar mede te deelen wat uit het onderzoek en de behandeling van de zaak tot hiertoe was gebleken, en te vragen wat haar naar zijne meening en die der overige rechters had kunnen bewegen den gestolen smaragd voor den hare te verklaren. Hij zou het zooveel mogelijk aan anderen overlaten haar te verhooren, want zij wist maar al te goed in welke verhouding zij tot elkander stonden. Voor dat hij de rechtzaal binnenkwam, had zij hare verklaring van den diefstal door Perpetua aan den rentmeester Nilus laten mededeelen; hij—en hier verhief hij zijne stem—zou het passender gevonden hebben, en meer overeenkomstig de verwantschap die er tusschen hen bestond, wanneer zij hemzelven, Orion, had toevertrouwd, wat zij dacht ten gunste van den vrijgelatene te doen; dan zou het hem mogelijk zijn geweest haar te waarschuwen. Dit wegcijferen van zijn persoon bij hare handelingen moest hij beschouwen als een nieuw bewijs van haar afkeer, en de gevolgen ervan zou zij aan zichzelve te wijten hebben; want nu moest het rechtsgeding onverbiddelijk zijn loop hebben.De toornige gloed zijner oogen verried haar wat zij van hem te wachten, en dat hij den kamp met haar aangenomen had. Zij hield zich overtuigd, volgens zijne opvatting de kort te voren gegeven belofte verbroken te hebben; doch zij had Perpetua geenszins opgedragen zich in deze aangelegenheid te mengen, zij had de voedster integendeel verzocht haar in het uiterste geval zelve de bewijzen te laten aanvoeren. Orion moest in den waan verkeeren, dat hem harerzijds een onrecht was aangedaan; maar zou hij daarom zichzelven zooverre kunnen vergeten, dat hij zijne bedreiging uitvoerde en een onschuldige, om alle verdenking van zich af te wenden, te gronde richtte, waarbij hij haar als valsche getuige zou brandmerken? Ja, ook voor dit uiterste schrikte hij niet terug! Zijn vlammend oog, zijne heftige gebaren, het geweldig hijgen van zijne borst, dit alles sprak het duidelijk genoeg uit. De strijd moest dus worden aanvaard. Liever ware zij op dit oogenblik gestorven, dan dat zij het zou hebben willen wagen hem door een woord van verontschuldiging zachter te stemmen. Zij voelde hoe zijn gemoed kookte, en zou zich aan zijne voeten hebben willen nederwerpen, om hem te smeeken toch tot bedaren te komen, ten einde zich te hoeden voor eene nieuwe misdaad; doch zij bewaarde hare trotsche waardigheid, en de blik waarmede zij den zijnen beantwoordde was niet minder toornig en uitdagend dan die van hem. Als twee jonge adelaars, die strijdlustig de veeren opsteken, de vleugels verder uitspreiden en de halzen rekken, stonden zij daar tegenover elkander, zij zeker van hare overwinning, in het bewustzijn van de rechtvaardigheid harer zaak, doch meerbeangst voor hem dan voor zichzelven, hij bijna blind voor het eigen gevaar, maar als een gladiator, die in de arena tegenover zijn doodvijand staat, meer bedacht om dezen te vellen, dan om eigen lijf en leven te beschermen.Terwijl de rentmeester haar mededeelde wat zij ten deele reeds wist, en daarop de verdenking herhaalde, dat zij zich had laten verleiden tot het geven van een valsch getuigenis om haar dienaar, die misschien uit liefde voor zijn verdwenen meester de inbraak had gewaagd, het leven te redden, zag zij meer naar Orion dan naar den redenaar. Deze laatste wees ten slotte op de kist, die tegelijk met Paula uit hare kamer in de zaal was gebracht, en gaf haar te kennen, dat de gezamenlijke rechters bereid waren alles aan te hooren en te onderzoeken, wat zij tot hare verdediging in het midden zou brengen.Orions gejaagdheid bereikte thans haar toppunt. Hij voelde dat hij doodsbleek werd en kon niet meer geregeld denken. De rechters, de aangeklaagde, zijne vijandin, alles wat binnen de wanden van de groote rechtzaal besloten was, lag daar voor hem als in grauwe kronkelende nevels gehuld. Al wat hij zag scheen hem als met helder smaragdgroen gekleurd. Het haar, de aangezichten, de gestalten der aanwezigen, alles schemerde en glinsterde in dien groenachtigen glans. Toen Paula echter trotsch en met vasten tred naar de kist toeliep, een kleinen sleutel uit haar gewaad haalde, dezen aan een beambte overhandigde en daarna als eenig antwoord op de mededeeling van Nilus, ja, als ware dit reeds te veel van haar gevergd, met koele hoogheid zeide: »Open de kist!,” toen zag hij weder dat glanzig bruine haar, den vurigen gloed harer blauwe oogen, de afwisselende bleekheid en blos harer wangen, het heldere gewaad, dat hare heerlijke gestalte in fraaie plooien omsloot, en haar zegepralenden glimlach. Hoe schoon, hoe begeerlijk was deze vrouw! Weldra zou zij onderliggen in den strijd met hem, maar deze overwinning zou hem te staan komen op het verlies van haar, en met haar van alles wat er reins en goeds zijner voorvaderen waardig in hem was. Eene stem in zijn binnenste riep het hem toe, maar hij bracht haar tot zwijgen met de voorwaartskreet van den agitator. Ja, vooruit tot het doel bereikt was, altijd voort over puin en steenen, door bloed en stof, tot zij den trotschen nek buigt, tot zij overwonnen en gebroken om genade smeekt.Daar sprong het deksel van de kist open. Paula bukte zich, ze haalde de halsketen te voorschijn en vertoonde die aan de rechters, zij hield de beide einden ver uit elkander, en... Wat was dat voor een akelige, hartverscheurende kreet van vertwijfeling! Zelfs Orion zou gewenscht hebben zoo iets nooit meerte hooren.—Daar wierp zij het halssieraad voor de rechters op tafel en met den uitroep: »Schandelijk, laaghartig!” trad zij terug en greep zich aan de trouwe Betta vast; want hare knieën begonnen te knikken en zij gevoelde dat zij op het punt stond in elkaar te zijgen. Orion vloog naar haar toe om haar te ondersteunen, maar zij stootte hem terug, en daarbij trof hem een blik zoo vol smart, toorn en verachting, dat hij roerloos voor haar bleef staan en de hand op zijn hart drukte.—En deze laaghartige daad, die twee menschenkinderen zoo diep zou grieven, had hij met een glimlach begonnen! Deze vertooning, die een doodsoordeel bevatte, tot welk een ontzettend einde kon zij leiden?Paula was intusschen zonder verder eenig geluid te geven op een zetel neergezonken, en ook hij zag zwijgend voor zich tot in de rij der aanwezige rechters een luid gelach opging en de oude Psamtik, de bevelhebber van de hoofdwacht, die sedert geruimen tijd in de rechtbank zitting had, uitriep: »Bij mijn ziel een kostelijke steen! Dat is de heidensche liefdegod Eros, dien zijn gevleugeld schatje Psyche in het aangezicht ziet. Hebt gij dien mooien roman van Apulejus niet gelezen, ‘de gouden ezel’ geheeten? Dit stukje komt daarin voor. Heilige Lukas, wat is dat fijn gesneden! De edele jonkvrouw heeft zeker den verkeerden halsketen gegrepen. He, Gamaliël, waar moet aan dat ding”—en hij wees hierbij op den gesneden steen—»dat groene duivenei gezeten hebben?”»Nergens,” antwoordde de jood. »De edele jonkvrouw....”Doch Orion legde dien getuige barsch het zwijgen op, waarna de rentmeester Nilus den steen in handen nam en dien opmerkzaam van alle zijden bekeek. Daarop ging de ernstige, rechtvaardige man, op wiens bijstand Paula zeker gerekend had, naar haar toe, haalde medelijdend de schouders op, en vroeg of er zich in de kist ook nog eene andere halsketen kon bevinden, met zulk eene gouden kas als waarvan zij gesproken had.Eene rilling voer haar door de leden, want het scheen wel dat hier een wonder was geschied. Maar neen, bij dezen slag die haar werd toegebracht waren geen hoogere machten in het spel. Orion meende dat zij hare belofte om hem te verschoonen en te zwijgen gebroken had, en dit was nu zijne wraak. Hoe en langs welken weg hij haar volvoerd had, dat was haar een raadsel. Welk een slag! Ja, ze had getroffen! Zou zij zich dien laten welgevallen as een geduldig kind? Neen, duizendmaal neen! Opeens herkreeg zij hare veerkracht, de haat staalde haar zwakken wil, en gelijk hij zich in den geest verplaatst had te midden van de wedrennen in de arena, zoo verbeeldde zij zich aan het schaakbord gezeten te zijn; en hetwas haar als streed zij met hem om te winnen, niet als met zijn vader om bloemen, kleine geschenken of de eer van het spel alleen, maar om een geheel anderen inzet, om dood of leven.Alles wilde zij er aan wagen om hem te overwinnen, en toch, neen—wat er ook van komen mocht—niet alles. Liever wilde zij de nederlaag lijden, dan hem overtuigen van diefstal, dan te verraden, wat zij in het viridarium had bespied. Zij had beloofd dat te zullen verzwijgen en den zoon te bewaren voor dezen smaad, dat zou het loon zijn dat zij den vader betaalde voor zijne goedheid. Hoe heerlijk, hoe groot had Orions beeld voor hare ziel gestaan! Met deze schandvlek wilde zij hem noch voor zichzelve noch voor de wereld bezoedelen. Maar in geen enkel ander opzicht mocht zij hem ontzien, en zij moest alles doen om hem de zegepraal te betwisten en Hiram te redden. Elk wapen was geoorloofd, alleen dit verraad wilde en mocht zij niet tegen hem plegen. Hij moest gevoelen dat zij edeler gezind was dan hij, dat zij in de moeielijkste omstandigheden des levens trouw bleef aan haar woord. Haar besluit was genomen, en zij begon dieper adem te halen, er kwam weer leven in haar oog, ofschoon het nog een wijle duurde, eer zij het rechte woord vond om den strijd te beginnen.Orion zag welk een bangen strijd zij voerde, hij gevoelde dat zij zich tot weerstand wapende, en had haar willen aanmoedigen om den eersten uitval te doen. Nog geen woord van verbazing of verontwaardiging, nog geen enkel verwijt was over hare lippen gekomen. Wat voerde zij in het schild, waarover peinsde zij? Hoe verrassender en gevaarlijker de uitval bleek te zijn, des te beter; hoe moediger zij zich verweerde, des te verder zou bij hem de pijnlijke gedachte op den achtergrond treden, dat hij strijd voerde tegen eene vrouw. Ook helden hadden roem gedragen op overwinningen over Amazonen behaald.Eindelijk stond zij op en ging naar Hiram toe. Men had hem aan den schandpaal gebonden en toen een smeekende blik uit zijne trouwe oogen haar trof werd haar tong ontboeid, was zij zich opeens bewust, dat zij zich niet enkel te verweren maar ook een ernstigen plicht te vervullen had. Nadat zij met enkele haastige schreden de tafel genaderd was, waarom de rechters in een halven cirkel gezeten waren, legde zij de linkerhand ten steun op het tafelvlak, en zeide, terwijl zij de rechter omhoog hief: »Gij zijt het offer van een afschuwelijk bedrog, en iemand heeft aan mij een schurkachtigen streek begaan om mij in het verderf te storten! Ziet die man daar aan den schandpaal er uit als een roover? Geen heer heeft ooit trouwer, eerlijker dienaar kunnen vrijlaten, en de dank dien Hiram daarvoor aan mijn vader verschuldigd is, heeft hij op zijn dochter overgedragen,daar hij uit liefde tot mij eigen huis, vrouw en kind verliet, om mij, de wees, naar den vreemde te volgen. Verlangt gij echter de waarheid te hooren, niets dan de waarheid en deze ten volle...”»Spreek!” riep Orion haar toe. Maar zij ging voort, zich tot Nilus en de overige rechters wendende, terwijl zij hem met voordacht over het hoofd zag. »Uw hoofd, de zoon van den Mukaukas, weet dat ik in plaats van beschuldigde eene aanklaagster zou kunnen worden, als ik wilde. Maar ik versmaad dit middel uit liefde voor zijn vader en omdat ik edeler denk dan hij. Hij zal mij wel begrijpen! Wat dezen smaragd aangaat, de vrijgelatene Hiram heeft hem gisteren avond voor mijne oogen met zijn mes uit het gouden hulsel gelicht; doch behalve wij, hebben, gode zij dank, ook nog anderen de kas zien hangen aan de keten, waartoe hij behoorde. Heden middag bevond zij zich nog op de plaats waar het eene misdadige hand later gelukt is dezen gesneden steen te bevestigen. Ik heb die, dat bezweer ik u bij Christus’ wonden, zooeven voor het eerst gezien. Het is een kostbaar stuk. Alleen een rijk man, de rijkste onder u allen, schenkt zulk een schat weg, onverschillig met welk doel, laten wij zeggen: om een vijand in het verderf te storten. Gamaliël,” en daarbij wendde zij zich tot den juwelier, »hoe Gamaliël, schat gij den onyx?”De Israëliet liet zich den steen nog eens overhandigen, draaide dien in alle richtingen en zeide ten laatste meesmuilende: »Ja, schoone jonkvrouw, wanneer mijne zwarte broeihen zulke eieren legde, zou ik het kippetje enkel met koeken van Arsinoë en vette oesters van Kanopus voederen. Dat ding is een landgoed waard, en al ben ik geen rijk man, ik betaal daarvoor ieder oogenblik twee groote talenten, al moest ik ze borgen.”Deze verklaringen misten hare krachtige uitwerking op de rechters niet. Doch Orion haastte zich te zeggen: »De wonderen vermenigvuldigen zich op dezen merkwaardigen dag. De edelmoedigheid, tot een ijdelen klank geworden, schijnt onder ons weer te ontwaken. Een verkwistende demon maakt uit een waardeloos stukje bladgoud een kostbaren onyx. Mag men vragen, jonkvrouw, wie die kas aan uw keten heeft gezien?”Zij geraakte in verzoeking om ook het laatste ontzag voor zijn persoon te laten varen en antwoordde met bevende stem: »Waarschijnlijk uw medehelpers, of gijzelf; want gij, gij alleen hebt reden...”Doch hij liet haar niet verder spreken, maar sneed haar de woorden af, door te zeggen: »Dat is te veel! O dat gij een man waart! Thans heb ik gezien hoever uwe edelmoedigheid gaat! Ook de haat, de bitterste vijandschap....”»Zij zouden het recht hebben u geheel te vernietigen!” riep zij diep verontwaardigd. »En wanneer ik u van deze afschuwelijke misdaad betichtte....”»Dan zoudt gij een misdaad begaan tegen mij, tegen uzelve en tegen dit huis,” hernam hij dreigend. »Neem u in acht meisje! Kan uwe verblinding zoover gaan, dat gij mij, mijzelven als getuige oproept, opdat ik het sprookje, dat gij ons opdischt..”»O neen, neen; dan zou ik nog iets edels van u moeten kunnen verwachten,” sprak zij, hem luid in de rede vallende. »Ik heb geheel andere getuigen: Maria, de kleindochter van den Mukaukas Georg.”Haar oog zocht bij die woorden het zijne, maar hij zeide: »Dat kind, welks hartje u toebehoort, en dat u volgt als een schoothondje!”»En buiten haar nog Katharina, de dochter van de weduwe Susanna,” haastte zij zich er bij te voegen, met blozende wangen en zeker van hare overwinning. »Zij is althans geen kind meer maar eene jonkvrouw, dat weet gij! Doch,” en nu keerde zij zich weder tot de rechters, »van u vorder ik, dat gij uw ambt waardig zult vervullen, door mij recht te laten wedervaren en de beide getuigen te doen voorkomen om haar te hooren.”Terstond antwoordde Orion, terwijl hij alle moeite deed om bedaard te blijven: »De grootouders mogen beslissen of men het weekhartige kind aan de verzoeking mag blootstellen door eene verklaring voor de rechters, zij moge dan luiden hoe zij wil, hare afgodisch beminde vriendin te redden. Haar leeftijd ontneemt overigens aan hare getuigenis alle waarde, en het stuit mij ook tegen de borst een kind van dit huis in deze pijnlijke zaak te mengen. Daarentegen is het de plicht van het gerechtshof de jonkvrouw Katharina voor te laten komen; en ikzelf bied mij aan haar te gaan roepen.”Paulas’ poging om hem weder in de rede te vallen wees hij ten stelligste af, men zou haar later in tegenwoordigheid der getuige geduldig aanhooren. De onyx was misschien afkomstig uit het huis haars vaders. Opnieuw werd Paula door rechtvaardige toorn overmeesterd en buiten zichzelve riep zij: »Neen, duizendmaal neen! Een ellendige booswicht, een uwer helpers, ik herhaal het, is mijne kamer binnengedrongen en heeft, terwijl ik bij de kranke vertoefde, het slot van mijne kist verbroken of met een valschen sleutel geopend.”»Dat kan onderzocht worden,” zeide Orion, en hij was blijkbaar zeker van zijne zaak, toen hij beval de kist op tafel te zetten en een der rechters verzocht als zaakkundige zijn oordeel uit te spreken.Paula kende den man zeer goed. Hij behoorde tot de aanzienlijkstebeambten des huizes en was de eerste werktuigkundige van den Mukaukas, wiens taak het was maten en gewichten, wateruurwerken en andere instrumenten te onderzoeken en te herstellen. Deze kundige man ging dadelijk over tot het onderzoek van het slot, dat hij in de beste orde bevond en van eene bijzondere samenstelling bleek te zijn, ook de kunstig vervaardigde sleutel had door geen looper vervangen kunnen worden, terwijl Paula moest toegeven de kist heden middag gesloten en den sleutel sedert dien tijd om haar hals gedragen te hebben.Orion hoorde deze verklaring schouderophalend aan en beval toen, vóór hij Katharina ging roepen, Paula en de voedster, van elkaar gescheiden, in aangrenzende vertrekken te brengen. Om in deze zaak tot klaarheid te komen, was een eerste vereischte verdere afspraken tusschen haar onmogelijk te maken. Zoodra de deur achter de vrouwen gesloten was, ijlde hij naar den tuin, waar hij Katharina hoopte te vinden.De rechters zagen hem na, terwijl ieder het zijne dacht. Zij stonden hier voor raadselen, die moeielijk waren op te lossen. Niemand achtte zich gerechtigd om te twijfelen aan de goede gezindheid van den zoon huns rechtvaardigen meesters, dien zij eerden als een hoogbegaafd en grootmoedig jonkman. Zijn strijd met Paula had hen pijnlijk aangedaan en ieder vroeg zich af hoe het gekomen was, dat het dezen lieveling der vrouwen niet scheen gelukt te zijn andere gevoelens, dan die van haat te wekken bij eene der schoonste van haar geslacht. De groote vijandschap tegen Orion, die zij niet verheelde, benadeelde hare zaak in de oogen der rechters, die maar al te goed wisten op welk een gespannen voet zij stond met vrouw Neforis. Het was meer dan vermetel van haar den zoon van den Mukaukas te beschuldigen de kist te hebben opengebroken; haat alleen had haar deze aanklacht op de lippen kunnen leggen. Toch lag er iets in haar wezen dat pleitte voor de deugdelijkheid van hare verklaringen, en als Katharina werkelijk kon betuigen de kas van den smaragd aan het halssieraad gezien te hebben, dan bleef er niets anders over dan het rechtsgeding van eene andere zijde aan te vangen en onderzoek te doen naar een anderen huisdief. Maar wie zou zulk een kostbaar stuk als dezen gesneden steen voor iets zonder waarde hebben weggesmeten? Neen, dat was ondenkbaar en de werktuigkundige Ammonius had gelijk toen hij beweerde, dat eene door haat bezielde vrouw tot alles in staat is, ook tot wat ongelooflijk schijnt.Intusschen was het volmaakt donker geworden en de gloeiend heete dag door een heerlijken, lauwen avond vervangen. DeMukaukas had zijn vertrek nog altijd niet verlaten, terwijl zijne gemalin benevens de weduwe Susanna en hare dochter, de kleine Maria en hare opvoedster in de opene gaanderij aan de zijde van den tuin en den Nijl een luchtje schepten en praatten. De vrouwen hadden hare hoofden omhuld met kanten sluiers, deels tegen de muggen, die van de rivierzijde, door het licht aangetrokken, bij zwermen kwamen toevliegen, deels tegen de dampen, die uit de Nijlvlakte opstegen. Zij wilden zich juist verkwikken met de zooeven gebrachte koele vruchtensappen, toen Orion verscheen.»Hoe is het afgeloopen?” riep zijne moeder hem bezorgd toe; want uit zijne verwarde haren en zijne hoogroode kleur maakte zij op, dat in de zitting niet alles glad van stapel was geloopen.»Ongehoorde dingen zijn er gebeurd,” was zijn antwoord. »Paula vecht als eene leeuwin voor den vrijgelatene haars vaders....”»Om ons te krenken en in verlegenheid te brengen,” hernam Neforis.»Neen, neen, moeder,” ging Orion met gejaagdheid voort. »Maar zij heeft een hoofd van ijzer, zij is eene vrouw die niets ontziet als het geldt haar wil door te zetten, en daarbij gaat zij met eene slimheid te werk, waardig den grootsten advocaat dien ik ooit op het tribunaal van de hoofdstad eene netelige zaak heb hooren bepleiten.Daar komt bij dat hare voorname houding en hare goddelijke schoonheid de hoofden van onze arme hofbeambten op hol brengen. Het is zeker braaf en edel zooveel ijver aan den dag te leggen voor een dienaar, doch dat alles kan haar niet helpen, want de bewijzen die tegen haren stotterenden vriend voor de hand liggen zijn volkomen overtuigend, en wanneer hare laatste bewering ontzenuwd is, zal de zaak beslist zijn. Zij geeft voor het kind en ook u, aanvallige Katharina, een halssieraad getoond te hebben.”»Getoond?” riep het kwikstaartje. »Ze heeft ons dat afgenomen, niet waar Maria?”»Maar wij hadden den keten zonder haar verlof weggenomen,” antwoordde de kleine.»En verlangt zij,” vroeg vrouw Neforis verstoord, »dat onze meisjes voor de rechtbank worden gebracht, om getuigenis af te leggen voor hare hoogheid?”»Dat verlangt zij,” bevestigde Orion. »Maar Maria’s uitspraak geldt niet bij de rechters....”»En ook al ware het anders,” hernam zijne moeder; »het kind mag in geen geval in deze nietswaardige zaak betrokken worden.”»Omdat ik voor Paula spreken zou!” riep Maria, terwijl zij driftig van haar zetel opsprong.»Gij zult uw mond houden!” riep de grootmoeder haar toe.»En wat Katharina betreft,” zeide de weduwe, »het komt niet bij mij op, haar voor al die heeren ten toon te stellen.”»Heeren!” zeide het meisje. »Mannen zijn het, kleine beambten en dergelijken meer. Ze kunnen lang op mij wachten!”»Maar gij zult toch aan hun verlangen moeten voldoen, trotsch meisje,” zeide Orion lachende, »want gij zijt goddank geen kind meer, en het staat der rechtbank vrij ieder volwassene als getuige voor de tafel te roepen. U zal niets geschieden, want gij staat onder mijne bescherming. Kom ga gerust met mij mede! Men moet in het leven alles leeren kennen. Hier helpt geen tegenstreven. Overigens behoeft gij slechts te zeggen wat gij gezien hebt en geleid ik u, als gij het mij vergunt, weder zorgvuldig aan dezen arm naar uwe moeder terug. Gij moet mij reeds heden uw kleinood toevertrouwen, vrouw Susanna, en de eerwaardige getuige zal u daarna zeggen, wat er verder met mij gebeuren zal.”Katharina begreep de beteekenis van die laatste geheimzinnige woorden, en het verheugde haar met den schoonen zoon van den stadhouder, den eersten man voor wien haar klein hartje klopte, alleen te mogen zijn; zij sprong dus vroolijk op, doch Maria klemde zich hartstochtelijk aan haar arm vast en verlangde zoo onstuimig en hardnekkig om meegenomen te worden, ten einde voor Paula te kunnen spreken, dat de opvoedster en vrouw Neforis haar slechts met moeite dwingen konden gehoorzaam te zijn en het paartje alleen te laten trekken.Beide moeders zagen hen met voldoening na en de gemalin van den stadhouder fluisterde de weduwe toe: »Heden voor het gerecht, en zeer spoedig, zoo God wil, voor het altaar in de kerk.”Om in de gerechtzaal te komen kon men of door het huis gaan, of buiten om loopen. Gaf men de voorkeur aan den laatsten weg, dan moest men allereerst door den tuin, en Orion koos dezen. In tegenwoordigheid van de vrouwen had hij zich geweld aangedaan, om de onrust die hem vervulde meester te blijven, en nu voelde hij hoe de strijd, dien hij had aangebonden en waaruit hij zich niet meer terugtrekken kon noch wilde, hem al verder en verder dreef en hem dwong het jonge schepseltje, dat nu—de teerling rolde al—zijne vrouw moest worden, op den schandelijken weg mede te sleepen, dien hij was opgegaan. Toen hij zijne moeder beloofd had niet morgen maar overmorgen om Katharina’s hand te zullen vragen, had hij gehoopt in dat tijdperk van uitstel hem toegestaan haar tekunnen bewijzen, dat de kleine toch niet de rechte vrouw voor hem was; en nu—welk een spot van het noodlot!—zag hij zich gedwongen, in alle opzichten juist het tegendeel te doen van datgene waartoe zijne neiging hem dreef. De vrouw die hij liefhad, ja nog altijd liefhad, hij bestreed haar als eene doodvijandin, en het meisje dat hem geheel onverschillig was, haar moest hij zijne hand reiken. Het was om krankzinnig te worden, maar het moest gebeuren, en met een herhaald »voorwaarts” besloot hij tot het schandelijk waagstuk, om het onervaren meisje aan zijn arm, zoo aan zich te verbinden, dat zij bereid was om zijnentwil onrecht te plegen. Zijn hart klopte of het springen moest, doch het was niet mogelijk langer te dralen of terug te treden; het gold, overwinnaar te blijven; dus voorwaarts, altijd voorwaarts!Zoodra zij buiten het licht der lantaarnen in de schaduw waren gekomen greep hij, blijde dat de duisternis zijne trekken onzichtbaar maakte, de tengere rechterhand van de naast hem wandelende kleine met beide handen en drukte zijne lippen op hare teedere vingertoppen.»Maar, Orion,” zeide zij schuchter, doch liet hem begaan.»Ik vorder wat mij rechtmatig toekomt, gij zonneschijn mijner ziel!” zeide hij op vleienden toon, »wanneer uw hartje zoo hevig klopt als het mijne, dan kunnen de moeders daarginds het hooren.”»Ja het klopt al,” zeide zij gelukkig, terwijl zij het krullekopje opzij hield.»Maar het mijne doet het toch sterker,” antwoordde hij met een zucht, terwijl hij haar handje tegen zijne borst drukte. Hij kon het gerust wagen want het krampachtig kloppen van zijn hart dreigde hem te doen stikken.Maar zij antwoordde blij te moe: »Ja, waarlijk, dat bonst...”»Zij mogen het daar ginds ook vernemen,” antwoordde hij met een gedwongen lachje. »Of uw moedertje niet reeds lang in onze harten gekeken heeft?”»Natuurlijk,” antwoordde zij zacht. »Zoo vroolijk als sedert uwe terugkomst heb ik haar zelden gezien.”»En gij, kleine tooveres?”»Ik? Natuurlijk ben ik ook vroolijk geweest; zij waren het allen. En uwe ouders...”»Neen, neen, Katharina! Ik wil weten wat gijzelve bij mijne terugkomst gevoeld hebt.”»Ach kom, hoe kan men zoo iets beschrijven?”»Zou dat niet kunnen?” vroeg hij, haar arm vaster in den zijnen drukkende. Hij moest haar winnen, en zijne dichterlijke verbeeldingskracht hielp hem, om wat hij nooit gevoeld had met gloeiende verven te schilderen. Hij liet haar zoete liefde-woordjeshooren en zij geloofde hem gaarne. Op zijn wenk ging zij vertrouwelijk zitten op een houten bank in de oude laan, die naar de noordzijde van het huis leidde. Aan verschillende heesters bloeiden daar heerlijke bloemen, die de lucht vervulden met een zoeten, bedwelmenden geur. De maneschijn drong door de dichte kronen der sykomoren en deed flikkerende strepen en kringen van licht spelen over het loof, op de stammen der boomen en den donkeren grond. Het loofdak boven hunne hoofden had de hitte van den dag teruggehouden, zoodat de lucht nog altijd zwoel en drukkend was. Het was op deze plaats dat hij haar voor het eerst zijn eenig bruidje noemde en haar hartje in ketenen sloeg. In elk zijner gloeiende woorden trilde de onstuimige, bange gejaagdheid, die zijne ziel martelde, zoodat zij klonken als waren ze innig en oprecht gemeend.De bloemengeur bedwelmde daarbij haar jong en onervaren gemoed en gewillig bood zij hem hare lippen tot een kus. Innig gelukkig gevoelde zij hier de eerste zaligheid eener jeugdige liefde die wederliefde vindt, levenslang zou zij met hem verbonden willen zijn. Doch reeds na eenige oogenblikken sprong hij op, verlangende aan de teedere minnekoozerij een einde te maken, die ook hem begon te betooveren en zeide luid en driftig: »O dat verwenschte rechtsgeding! Maar dat is het lot van den man! Zijn plicht roept en hij moet midden uit alle vreugde van het paradijs naar de aarde terugkeeren. Geef mij uw arm, gij mijne eenige, mijn alles!”Katharina gehoorzaamde en liet zich als in een roes van blijdschap over het onverwacht geluk, dat haar wedervoer, door hem meetroonen. Zij hoorde echter vreemd op, toen hij haar zeide: »Na deze hemelsche zaligheid moeten wij aan de nuchterste van alle zaken denken. Hoe afkeerig ben ik van datgene waarom het nu te doen is; hoe geweldig stuit het mij tegen de borst. Gaarne zou ik voor Paula een vriend, een trouw beschermer zijn, in plaats van haar tegenstander!”Bij deze woorden gevoelde hij hoe de linkerarm van het meisje op den zijnen zich onrustig bewoog, en dit was hem een prikkel om verder te gaan op den weg der misdaad. Katharina zelve wees hem de richting aan, die hij volgen moest om zijn doel te bereiken, en terwijl hij voortging om haar ijverzucht te doen ontvlammen terwijl hij Paulas schoon en edel voorkomen prees, verontschuldigde hij zich voor zijn geweten met deze drogreden, dat hij als bruidegom gerechtigd was zijne bruid te dwingen zijn geluk en zijne eer te redden. Toch had hij bij elk vleiend woord het gevoel als vernederde hij zichzelven, als beging hij daarmede tegen Paula een nieuw onrecht. Het viel hem maar al te gemakkelijk haar lof te verkondigen.Doch terwijl hij dit deed met toenemende warmte, tikte zij hem op den arm en zeide half schertsend, half op ernstig verdrietigen toon: »O deze godin! Ben ik, of is zij uwe geliefde? Pas op dat ge mij niet jaloersch maakt, hoort ge!”»Klein gekkinnetje!” antwoordde hij vroolijk, en om haar gerust te stellen liet hij erop volgen: »Zij is als de koele maan, en gij zijt de lichtende, verwarmende zon. Ja, Paula! wij willen haar overlaten aan een der Olympische goden of aan een aartsengel, maar ik zing den lof van mijn klein levenslustig meisje, dat met mij het leven genieten zal en al zijne vreugde.”»Ja, dat willen wij!” juichte zij, meenende den horizont harer toekomst in het glansrijkste zonlicht te aanschouwen.»Goede hemel,” dus brak hij als verrast dit onderhoud af. »Het licht schijnt al in die rampzalige rechtzaal. O de liefde, de liefde! Door hare betoovering hebben wij het doel van onzen gang vergeten. Zeg nu eens, schatje, weet gij nog precies hoe het halssieraad er uitzag, waarmede gij en Maria heden middag gespeeld hebt?”»Het was zeer kunstig bewerkt, alleen hing in het midden een leelijk verbogen stuk bladgoud.”»Gij zijt ook eene kenster van kunstwerken! Hebt gij dan den keurig gesneden steen over het hoofd gezien, die in deze onaanzienlijke kas besloten was?”»Neen, waarlijk niet!”»Ja toch, klein wijsneusje!”»Neen, mijn lieve!” en toen zij dit uitsprak, sloeg zij de oogen vroolijk op, als ware haar een waagstuk gelukt. »Wat gesneden steenen zijn weet ik zeer goed. Vader heeft eene groote verzameling ervan nagelaten, en moeder zegt dat zij volgens het testament mijn toekomstigen man zullen toebehooren.”»Dan zal ik u, mijn heerlijk juweel, in eene lijst van louter onyxen kunnen zetten.”»Neen, neen,” antwoordde zij vroolijk, »geef mij later maar een kastje, want ik ben zulk een vluchtig ding. Doch het mag niet anders zijn, neen niet anders dan uw hart!”»Deze goudsmidsarbeid is al verricht! Maar nu in ernst, kindjelief, wat aan Paulas halsketting hing was een onyx, en gij, kleine keurster van juweelen, hebt den steen slechts van achteren bezien; dáar heeft hij een rug zooals gij beschrijft, een eenvoudig hulsel van bladgoud!”»Maar Orion!”»Hebt ge mij lief, hartediefje, weerspreek mij dan niet verder. Later zal ik u altijd naar uw oordeel vragen, maar in dit geval kan mij uwe dwaling in groote moeielijkheden brengen en mij dwingen aan Paula toe te geven en haar tot mijne bondgenootete maken.—Hier zijn wij er, maar blijven wij nog een oogenblik staan! En nu nog over dien steen. Ziet gij: wij kunnen beiden dwalen, ik zoowel als gij, maar ik geloof zeker gelijk te hebben, en wanneer gij in dit geval iets anders verklaart dan ik heb gedaan, dan sta ik als een leugenaar voor de rechters. Wij zijn nu toch bruid en bruidegom, dus één, geheel één, en wat een onzer treft of verheft, dat vereert of verlaagt tegelijk de andere. Zegt gij, die mij liefhebt en van wie de lieden al mompelen, dat gij eerlang als meesteres in dit paleis gebieden zult, iets anders dan ik, zoo zullen zij het zeker gelooven. Zie, gij zijt zoo door en door goed, maar nog te jong en te rein om alle eischen te begrijpen eener almachtige liefde, die alles gelooft en verdraagt. Als gij in dit geval niet gaarne aan mijn verlangen gehoor geeft, dan hebt gij mij zeker niet lief, zooals gij mij zoudt moeten liefhebben. En is het dan zoo iets moeilijks wat ik van u vraag? Ik wensch van u niet anders, dan dat gij voor de rechters zult verklaren, dat gij heden middag Paulas halsketting gezien hebt, en dat daaraan een gesneden steen hing, een onyx met Amor en Psyche. Verder niets!”»Moet ik dat getuigen voor al die rechters?” vroeg Katharina met een bedenkelijk gezicht.»Dat moet gij doen, vriendelijke engel!” hernam Orion teeder. »Zoudt gij het aardig vinden, als eene bruid hare geliefde de eerste bede knorrig weigerde, omdat zij er eenig bezwaar tegen heeft of meent alleen gelijk te hebben?Neen, neen, als er maar een vonkje liefde voor mij in uw hartje gloort, als gij mij niet dwingen wilt Paula te verzoeken, dat zij genade met mij zal hebben...”»Maar waarom is het dan toch te doen? Wie kan er zooveel waarde aan hechten of een gesneden steen of een eenvoudig stuk bladgoud...”»Dat zal u later alles omstandig verklaard worden,” voegde hij haar haastig toe.»Toe, doe het nu dadelijk...”»Dat gaat niet; wij hebben het geduld der rechters reeds veel te lang op de proef gesteld. Er is geen oogenblik te verliezen!”»Nu goed dan, maar ik zal van verlegenheid en schaamte bezwijken, wanneer ik voor de rechters een getuigenis afleg...”»Dat waar is,” zoo drong hij verder aan, »en waarmede gij mij toonen kunt, hoezeer ge mij liefhebt.”»Wat is dat verschrikkelijk!” zeide zij angstig. »Bind mij ten minste den sluier vast om het aangezicht. Al die gebaarde mannen...”»Als de struisvogel,” zeide Orion met een glimlach, terwijl hij aan haar verlangen voldeed. »Indien gij er werkelijk andersover denkt dan uw... hoe hebt gij daareven ook gezegd? Herhaal het nog eens!”»Uw liefste!” zeide zij blozende en innig, terwijl zij Orion hielp haar den sluier dubbel voor het gezicht te binden, en zij weerde hem niet af, toen hij haar in het oor fluisterde: »Laat eens zien of een kus ook door zulk eene vermomming nog goed smaakt!—Kom nu, in weinige oogenblikken is alles gedaan.”Na deze woorden leidde hij haar snel het voorportaal van de rechtzaal binnen en verzocht haar een oogenblik te wachten. Aan de rechters deelde hij haastig mede, dat vrouw Susanna hem haar dochtertje slechts had toevertrouwd onder voorwaarde, dat hij haar onverwijld bij hare moeder zou terugbrengen, nadat zij hare verklaring als getuige had afgelegd. Vervolgens liet hij Paula roepen en noodigde haar uit zich neer te zetten.Katharina was met loome schreden en een beklemd hart het voorportaal van de rechtzaal binnengegaan. Zij had zich menigmaal door kleine omwegen uit de verlegenheid weten te redden om eene berisping te ontgaan, maar zij had nog nooit ernstig gelogen, en nu begon alles in haar zich te verzetten tegen het voornemen om iets te verklaren wat stellig onwaar was. Maar kon het dan slecht zijn wat Orion, de edelste van alle mannen, de afgod van de gansche stad, zoo dringend van haar begeerde? Maakte de liefde, volgens zijne opvatting, het haar niet tot plicht om alles te doen, wat hem voor nadeel en schade kon bewaren? Wel-is-waar kwam dit haar niet geheel billijk voor, maar misschien begreep zij het nog niet genoeg, omdat zij zoo jong en onervaren was. Het beangstigde haar ook dat haar geliefde, wanneer zij tegen zijn wil handelde, gedwongen zou zijn met Paula een verbond aan te gaan. Aan zelfbewustzijn ontbrak het haar niet, en zij zeide tot zichzelve, dat zij voor geen meisje in Memphis behoefde onder te doen, alleen die schoone, trotsche, groote Damasceensche stond, dit gevoelde zij, verre boven haar, en zij kon niet vergeten hoe eergisteren, toen Paula met haren bruidegom in den tuin op en neder wandelde, de overste van Memphis had uitgeroepen: »Welk een buitengewoon mooi paar!” Vaak had zij gedacht, dat er geen schooner, minzamer, lieftalliger schepsel op aarde leefde dan de dochter van Thomas, en kon zij hunkeren naar een blik, een vriendelijk woord van haar. Maar sedert dat zeggen van den stadsoverste was zekere verbittering tegen Paula in hare ziel ontwaakt, die daarna van verschillende zijden rijkelijk voedsel had gekregen. Paula bejegende haar altijd als een kind, niet als een volwassen meisje, dat zij toch was. Waarom had zij heden middag haren bruidegom, want zoo mocht zij Orion thans noemen, willen opzoeken en haar van hem afhouden? En wat was de redendat Orion, terwijl hij de bekentenis aflegde dat hij haar liefhad, telkens meer dan met warmte, met geestdrift van die jonkvrouw had gesproken? Neen voor deze verleidster moest zij op hare hoede zijn, en wanneer men sprak van een groot geluk dat haar weervaren was, Paula zou het haar zeker niet gunnen, want Katharina voelde en wist, dat deze haren geliefde met alles behalve onverschillige oogen aanzag. Zij bezat op de wereld geene andere vijandin dan Paula en van deze mededingster had hare liefde alles te vreezen. Opeens vroeg zij zich af, of het bladgoud dat zij gezien had toch niet een gesneden steen zou hebben kunnen zijn. Zij had immers de halsketen maar een oogenblik opmerkzaam bekeken? En waarom zou zij scherper hebben gezien dan de groote wonderschoone oogen van Orion?Zeker, hij had gelijk, gelijk zooals altijd. De meeste gesneden steenen hadden eene ovale gedaante, en ovaal was ook dat ding waaromtrent zij getuigen moest. Het was van Orion niet te denken, dat hij iets leugenachtigs van haar verlangen zou. In elk geval was het de plicht zijner bruid om hem voor schande te behoeden en te verhinderen, dat hij een verbond zou sluiten met die schoone sirene. Zij wist wat zij te zeggen had en reeds wilde zij een gedeelte van den sluier losmaken, om Paula recht goed in het aangezicht te zien, toen Orion terugkeerde om haar naar de rechtzaal te voeren.Tot zijne vreugde, ja tot zijne verbazing sprak Katharina hier zonder aarzelen uit, dat er heden middag een gesneden steen in Paulas halssieraad had gehangen, en toen men haar den onyx toonde en vroeg of zij zich dezen herinnerde, antwoordde zij kalm:»Deze kan het geweest zijn of ook niet; ik herinner mij alleen nog de ovale gouden achterzijde. Voor het overige liet deze jonkvrouw haar kleinood maar enkele oogenblikken in mijne handen.”Toen de rentmeester Nilus haar uitnoodigde, om de voorstelling van Amor en Psyche nader te bekijken en haar geheugen te scherpen, antwoordde zij ontwijkend: »Ik mag zulke heidensche voorstellingen niet; wij Jacobietische meisjes dragen andere sieraden.”Daar rees Paula op, en trad met een blik vol streng verwijt haar te gemoet, en nu verblijdde de kleine Katharina zich, dat zij op het denkbeeld was gekomen om zich het hoofd te bedekken met een dubbelen sluier. Maar de groote verlegenheid waarin zij gebracht werd door den scherpen blik der Damasceensche, duurde slechts kort, want toen deze haar waarschuwend toeriep: »Gij legt nadruk op uwe getuigenis, maar gij hebt niet minder dan ik der waarheid de eere te geven. Bedenk wat er van uweuitspraak afhangt; dat bezweer ik u, kind,” viel de kleine hare tegenpartij in de rede en zeide verstoord, met hartstochtelijke gejaagdheid: »Ik ben geen kind meer, ook niet voor u, en vóor ik spreek bedenk ik mij, zooals mij dat geleerd werd!”Daarop wierp zij het kopje trotsch in den nek en herhaalde nog eens stellig: »Deze onyx heeft in het midden van de keten gehangen.”»Gij schandelijke leugenaartser!” riep de voedster, zichzelve niet meer meester, haar in het aangezicht.Katharina verschrikte hevig en zag om, als had haar een adder gebeten naar haar die het gewaagd had haar zoo gruwelijk en onbeschaamd te beleedigen. Hulpeloos, terwijl zij op het punt was in tranen uit te barsten, keek haar oog naar bijstand rond, en zij behoefde niet lang op een wreker te wachten, want Orion gaf dadelijk bevel Perpetua wegens hare valsche verklaring naar de gevangenis te brengen, de Damasceensche te ontslaan, omdat zij niet had gezworen en alleen uit goede bedoeling een ongelooflijk verhaal had verdicht, en de kist weder naar hare kamer te dragen.Daar trad de jonkvrouw nog eens voor de tafel, maakte den onyx van de keten los, wierp dien den jood Gamaliël toe, die hem opving, en zeide: »Dien schenk ik u, man! Misschien koopt de schurk, die hem aan mijn keten heeft gehangen, u dien weer af. Mijne grootmoeder heeft dit halssieraad van den heiligen keizer Theodosius ontvangen, en eer ik het verder door het geschenk van een ellendeling laat bezoedelen, werp ik zelve het in den Nijl. Op u arme, bedrogene rechters ben ik niet toornig, doch ik beklaag u! Mijn Hiram”—en hier wees zij op den vrijgelatene—»is een eerlijk man, dien ik met dankbare liefde gedenken zal tot in den dood; maar deze onrechtvaardige zoon van een rechtvaardigen vader, die daar....” Dit roepende wees zij op Orion; doch de jongeling ontnam haar het woord door haar toe te duwen: »Genoeg!”Zij trachtte al hare krachten te verzamelen en zeide: »Ik zal doen wat gij verlangt, want uw geweten zal u honderdmaal herhalen, wat ik verzwijg. En nu nog een woord!” Daarop ging zij naar hem toe en fluisterde hem in het oor: »Ik heb de overwinning op mijzelve behaald, om het scherpste wapen tegen u ongebruikt te laten, overeenkomstig mijn gegeven woord. Wanneer gij niet de ellendigste zijt van alle ellendigen, gedenk dan het uwe en red Hiram!”Een zwijgend hoofdknikken was zijn antwoord. Zij bleef op den drempel nog even staan en zeide tot Katharina: »U, kind, want meer zijt gij nog niet, u zal de zoon van den Mukaukas voor den dienst hem bewezen met onbeschrijfelijke smarten beloonen.”Met deze woorden verliet zij de zaal, besteeg met wankelende schreden de trap, en toen zij weder naast de legerstede van de arme waanzinnige neerzat, schonk de goede God haar den lenigenden balsem van te kunnen weenen. Haar vriend, de arts, vond haar weenende en stoorde haar niet, tot zij zelve hem bij haar riep en hem toevertrouwde, wat haar op dezen moeielijken dag overkomen was.Orion en Katharina hadden hunne blijmoedige stemming verloren en begaven zich ernstig naar de zuilengaanderij terug. Toen zij onderweg bij hem op verklaring aandrong, waarom hij haar verleid had dit getuigenis af te leggen, troostte hij haar met een uitstel tot morgen. Zij vonden vrouw Susanna alleen, want zijne moeder was bij haar gemaal geroepen, wiens lijden was verergerd, en had de kleine Maria medegenomen. Nadat hij de weduwe begroet en haar met Katharina naar den wagen geleid had, keerde hij naar de rechtzaal terug.Daar gekomen zette hij den rechters de geheele toedracht der zaak en alles wat tegen den vrijgelatene getuigde nog eens in een kort bestek uiteen. Daarop werd het oordeel geveld. De trouwe Hiram werd ter dood veroordeeld. Alleen de stem van den rentmeester Nilus had er zich tegen verklaard. Orion beval de voltrekking van het vonnis op te schorten en keerde niet weder in huis terug. Hij liet zijn wildsten hengst zadelen en reed geheel alleen de woestijn in. Hij had overwonnen, maar het was als ware hij bij die wedstrijd in het slijk geraakt en moest hij daarin stikken.
Met gebalde vuisten en kwaadaardigen blik daalde Orion de trap af. Het was hem of zijn hart zou bersten. Wat had hij gedaan, en wat was er van hem geworden! Zoo durfde eene vrouw hem bejegenen, eene vrouw, die hij zijne liefde had gewijd, de schoonste en edelste der vrouwen, de hoogmoedigste, wraakzuchtigste en hatelijkste tegelijk! Hij had eens ergens gelezen: »Wie eene laagheid heeft begaan, waarvan ook een ander weet, die draagt het doodsoordeel van zijne zielsrust in de plooien van zijn gewaad.” Hij gevoelde het gewicht van dit oordeel, en de andere die mede alles wist was Paula, was zij van wie hij bovenal gewenscht had dat zij tot hem mocht opzien! Gisteren hield hij het nog voor de grootste zaligheid op aarde haar te omarmen, haar de zijne te mogen noemen; thans kende hij maar één wensch, haar te vernederen, haar te straffen. Helaas, dat hem de handen gebonden waren, dat hij als een veroordeelde van hare genade afhing! Hij kon niet onder woorden brengen hoe onverdragelijk hem deze gedachte was. Maar zij zou hem leeren kennen! Als een blanke zwaan was hij tot nu toe het leven doorgegaan; als deze noodlottige ure, als deze vrouw hem tot een gier maakte, was het niet zijne, was het hare schuld! Weldra zou blijken wie de sterkste was van hen beiden. Hij moest haar straffen op eene wijze zooals men eene vrouw slechts tuchtigen kan, al moest hij ook langs den weg der misdaad en der ellende zijn doel bereiken. Hij vreesde niet dat de arts hare genegenheid had gewonnen, want hij voelde met onbetwistbare zekerheid dat, hoe zij hem hare vijandschap ook deed gevoelen, haar hart hem en hem alleen behoorde. »De gouden munt der liefde,” zeide hij tot zichzelven, »heeft twee zijden: teeder verlangen en bitteren haat; thans toont zij mij deze laatste zijde, maar hoe verschillend ook het beeld en het schrift van de munt mogen zijn, wanneer menhaar laat klinken geeft zij toch maar éen toon, en die toon ligt ook in hare beleedigende taal.”
Aan de familietafel verontschuldigde hij Paula en at zelf zeer weinig, want de rechters waren sedert lang vergaderd en wachtten op hem.
Reeds aan de voorvaderen van den Mukaukas, machtige gouwvorsten, was het recht verleend over leven en dood, en zij hadden zich daarvan zeker al bediend onder de Psamtikiden, aan wier heerschappij de Pers Cambyses zulk een gruwzaam einde had gemaakt. Als eerwaardige symbolen van dit recht prijkten thans nog uraeusslangen, adders wier beten den snelsten dood ten gevolge hebben, en de drakendooder St. George boven de paleizen van den Mukaukas te Memphis en te Lucopolis in Boven-Egypte. Op beide plaatsen stond het aan het hoofd der familie vrij, nadat Justinianus en het laatst keizer Heraclius die oude bevoegdheid opnieuw bevestigd hadden, om aan de onderhoorigen des huizes en de inwoners van het district, waarover hij gesteld was, eigenmachtig de doodstraf te doen voltrekken. De ridder St. George was tusschen de oude slangen geplaatst, om het heidensch symbool door een christelijk te vervangen. Vroeger had de ridder het hoofd van een sperwer, dat wil zeggen van den god Horus gedragen, die om zijn vader te wreken den boozen Seth Typhon had verslagen, doch reeds een paar honderd jaren geleden was de heidensche krokodillendooder in den christelijken overwinnaar van den draak veranderd geworden.
De Arabieren hadden na de verovering des lands de oude instellingen en rechten en zoo ook die van den Mukaukas gehandhaafd. Het gerechtshof, dat in zaken betreffende het huispersoneel werd saamgeroepen, bestond uit de hoogere privaatbeambten van het stadhouderlijk huis. Het ambt van opperrechter bekleedde de Mukaukas zelf en zijn volwassen zoon was zijn natuurlijke plaatsvervanger. Gedurende Orions afwezigheid had het hoofd van de rentmeesters, Nilus, een verstandig en bezadigd Egyptenaar, de plaats van zijn lijdenden meester vaak vervuld, maar heden was aan Orion opgedragen het voorzittersgestoelte in te nemen en het onderzoek te leiden.
De zoon van den stadhouder haastte zich uit de eetzaal naar het slaapvertrek zijns vaders te gaan, en vroeg hem om zijn ring als teeken der volmacht, die hij op hem had overgedragen. De Mukaukas liet zich dezen gewillig van den vinger halen, en drukte den jongeling op het hart, dat zonder toegevendheid en gestreng moest worden gevonnisd. Hij was anders tot zachtheid geneigd, doch op een inbraak in zijn huis stond de dood, en in dit geval was het om der wille van den Arabischenkoopman geraden geen vergiffenis te schenken. Orion, indachtig aan zijne overeenkomst met Paula, verzocht nu zijn vader hem de handen geheel vrij te laten. De oude muzelman was een rechtvaardig heer, die onder zekere omstandigheden ook een zacht vonnis zou billijken. Bovendien was de misdadiger eigenlijk geen huisgenoot, maar hij stond in dienst bij eene bloedverwante. De Mukaukas prees het verstandig inzicht van zijn zoon. Als hij zich maar wat beter gevoelde, zou hij gaarne de zitting willen bijwonen, ten einde hem voor de eerste maal een ernstigen plicht te zien vervullen, die zijne geboorte en zijn stand waardig was. Orion kuste zijn vader met warmte en weemoedige ontroering de hand, want ieder woord van waardeering uit den mond van dezen geliefden man deed hem innerlijk goed, doch hij beschouwde het als eene ramp, dat hij zijn rechtersloopbaan, waarvan hij den ernst en de heiligheid gevoelde, aldus—aldus beginnen moest.
Zachtmoediger gestemd, in gedachten verzonken en overwegende hoe Hiram te redden en Paula’s naam liefst geheel buiten de zaak te houden zou zijn, begaf hij zich naar de gerechtszaal, en vond vóor den ingang de voedster Perpetua in een levendig gesprek met den rentmeester Nilus. De oude vrouw was radeloos. Door haar arbeid aan de weefgetouwen had zij tot zooeven niets van al het gebeurde vernomen, en zij bezwoer thans de onschuld van den ongelukkigen Hiram. De steen, dien hij verkocht had, was het eigendom geweest van hare meesteres, en daarvoor ontbrak het goddank niet aan bewijzen, want de kas van den smaragd lag goed bewaard in de kist van hare meesteres. Gelukkig was het nog mogelijk geweest haar even te spreken, maar dat men haar, de dochter van Thomas, als ieder burger- of slavenkind voor het gerecht wilde dagen, dat was ongehoord, dat was schandelijk!
Opeens stoorde Orion barsch dit onderhoud; hij gelastte den ouden deurwachter haar onverwijld te brengen naar het magazijn naast het tablinum, waar de voor het gebruik des huizes bestemde geweven stoffen bewaard werden, en haar daar tot naderordergoed te bewaken. De toon waarop hij dit bevel gaf was zoo meesterachtig, dat zelfs de voedster niet tegensprak; ook de rentmeester gehoorzaamde zwijgend zijn gebod, om zich weder bij de rechters te voegen. Nilus kwam verbaasd en angstig in de rechtzaal terug. Zóo had hij den zoon zijns meesters nog nooit gezien. Bij de mededeeling van de voedster waren hem de aderen op zijn jeugdig nog ongerimpeld voorhoofd sterk gezwollen, hadden zijne neusvleugels zich snel en krampachtig bewogen, was de welluidende klank uit zijne stem verdwenen en hadden zijne oogen dreigend gefonkeld.
Nu was Orion alleen en hij knarste op de tanden van boosheid. Ondanks de gegeven belofte had Paula hem verraden, en hoe verachtelijk was de vrouwenlist, waarmede zij dit gedaan had. Voortreffelijk! Voor de rechters kon zij nu zwijgen, gerust zwijgen tot aan het einde der zitting; de voedster, haar spreekbuis, had aan Nilus, den ernstigsten en scherpzinnigsten man in het geheele college, de bewijzen toevertrouwd, die voor haar en tegen hem getuigden. Ongehoord, schandelijk! Een smadelijk, bij uitstek nijdig verraad! Maar nog had zij haar doel niet bereikt, nog had hij de handen vrij, om deze boozen aanval met een tegenstoot af te weren. Welke deze zijn moest, dat was hem reeds bij de mededeeling van de voedster duidelijk geworden, maar zijn geweten, zijne aangeboren neiging, de langdurige gewoonte om zich te houden binnen de perken van wat recht, goed en betamelijk is, dat alles verzette zich daartegen. Niet alleen had hijzelf nooit eene laaghartige gemeene daad begaan, maar het had zijne ergernis opgewekt, zoo vaak hij het had gezien van anderen; en het eenige wat hij ondernemen kon om Paula’s verraad onschadelijk te maken, het was—hij kon het niet loochenen—het was wel ongehoord en stout, maar niet minder verachtelijk en schandelijk. Doch hij wilde en mocht in dezen strijd niet onderliggen. De tijd drong, hij kon onmogelijk lang wikken en wegen, en plotseling ontwaakte in hem een kwaadaardige, woeste strijdlust, en gevoelde hij zich als in de dagen van de wedrennen in den circus, wanneer hij zijn vierspan aanzette om de anderen vooruit te komen. Vooruit dan, vooruit, al moest het voertuig in splinters slaan, al moesten de paarden er bij neervallen en de raderen van zijn wagen de strijdgenooten in het zand van de arena verbrijzelen!
Met een paar haastige schreden bereikte hij het kamertje van den deurwachter, een wakker man, die sedert veertig jaren dit ambt bekleedde. Vroeger was hij smid geweest en thans gebruikte men hem om kleine herstellingen te doen aan het gewone huisraad. Orion was als kind een aardige knaap, die ieders hart wist te stelen, en dus ook de lieveling van dezen man geweest. Vaak had hij zich in diens kamertje opgehouden en hem de kunstgrepen van zijn handwerk afgezien. Met een bijzonderen aanleg voor werktuigkunde begaafd, had hij zich een leerzaam scholier van den oude betoond en het zoover gebracht, dat hij zijne ouders op hunne geboortedagen, die in Egypte bijzonder feestelijk gevierd en door het geven en ontvangen van geschenken opgeluisterd werden, met sierlijke kastjes en banden voor gebedenboeken kon verrassen, die hij met eigen hand gesneden en van sloten voorzien had. Hij kon alle instrumenten hanteeren en koos thans fluks de zoodanigen uit, diehij meende noodig te hebben. Op de vensterbank van het kamertje stond een bloemruiker, dien hij gisteren avond voor Paula bestelde, maar op dezen schrikkelijken dag vergeten had te halen. Met dezen in de hand en de instrumenten in de borstplooien van zijn gewaad snelde hij naar de trap.
»Voorwaarts, altijd voorwaarts!” riep hij zichzelven toe, toen hij Paula’s kamer binnendrong, de deur grendelde, en zich op de knieën neerliet bij hare kist, na de bloemen uit de handen te hebben gelegd. Als hij ontdekt werd, dan heette het dat hij naar hare kamer was gegaan om dezen ruiker te brengen.
»Voorwaarts, steeds voorwaarts!” dacht hij altijd, terwijl hij de scharnierenlosschroefde, waarmede het deksel aan de kist was verbonden. Zijne handen beefden, zijne ademhaling versnelde, maar het werk vorderde toch. Op deze manier moest het hem gelukken, want het kunstslot van de kist liet zich niet openen zonder het te vernielen. Daar lichtte hij het deksel en—als ondersteunden hem vriendelijke machten—bij den eersten greep in de kist hield hij de halsketen met de ledige kas in de hand. Het hulsel van bladgoud hing aan het kunstig gewerkt halssieraad; dit los te haken en bij zich te steken was het werk van een oogenblik.
Maar nu ging het niet meer, al riep hij zich het »voorwaarts” nog zoo luide toe. Dat was een diefstal, daarmede ontroofde hij iets aan haar, die hij, als zij maar gewild had, bereidwillig met alles zou hebben overladen, waarmede het lot hem zoo overrijk gezegend had.»Neen, dat, dat...”
Daar schoot hem plotseling eene zonderlinge gedachte door het hoofd, eene gedachte die hem, te midden van den vreeselijken ernst van deze ure een glimlach om de lippen plooide. Zonder verwijl voerde hij haar uit; hij greep diep in zijn onderkleed en haalde een edelsteen te voorschijn, die aan eene gouden keten op zijne borst hing. Dit kleinood, het meesterwerk van een groot Grieksch steensnijder uit den heidenschen tijd, was hem vereerd door zijn besten vriend in Konstantinopel, als tegengeschenk voor een vierspan, dat dezen bijzonder beviel, en de steen bezat inderdaad hooger waarde dan een half dozijn edele paarden. Als in een roes, half waanzinnig, volgde Orion dien ontstuimigen drang van zijn gemoed, en het verheugde hem dat hij een kostbaar stuk bij de hand had om in de plaats van het armzalig bladgoud te hangen. Met een paar handgrepen was alles in orde, maar het weder aanschroeven van descharnierenvorderde meer tijd, want zijne vingers beefden sterk, en hoe nader het oogenblik kwam, waarop hij Paula zijne overmacht wilde laten voelen, des te sneller klopte zijn hart, des te moeielijker viel het hem zijn geest tot kalme overweging te dwingen.
Nadat hij de deur ontgrendeld had, moest hij weder als een dief de lange gang van de verdieping der gasten bespieden. Dit verhoogde zijne opgewondenheid tot verbittering tegen de wereld en het noodlot, en het meest tegen haar, die hem tot zulk eene smadelijke zelfvernedering dwong. De renner hield de teugels en den prikkel in de hand. Voorwaarts nu, voorwaarts! Evenals toen hij nog een jongen was, vloog hij de trappen af, telkens een drietal treden overspringende, en toen hij in de voorzaal de Grieksche opvoedster Eudoxia aantrof, die hare wilde kweekelinge Maria juist in huis trok, wierp Orion haar den bloemruiker toe, dien hij weder had meegebracht, en ijlde, zonder acht te geven op de smachtende blikken waarmede de bedaagde jonkvrouw hare dankzegging begeleidde, naar het kluisje van den deurwachter terug, waar hij zich haastig ontdeed van alle gereedschappen.
Weinige oogenblikken later betrad hij de rechtzaal. De rentmeester Nilus wees op den hooger geplaatsten opperrechterszetel van zijn vader, maar eene sterke huivering weerhield hem dit eerwaardig gestoelte te bezetten. Met gloeiend hoofd en somberen blik, zoodat alle aanwezigen hem verbaasd en schuw aanzagen, opende hij met driftig uitgestoote woorden deze zitting. Nauw wist hijzelf wat hij sprak, en hij hoorde zijne eigene toespraak niet duidelijker dan het geruisch der zee uit de verte. Toch gelukte het hem klaar uiteen te zetten wat er gebeurd was, hij toonde den rechters den geroofden steen, dien men den dief afhandig had gemaakt, berichtte op welke wijze men dezen weder in bezit had gekregen, verklaarde den vrijgelatene van de dochter van Thomas schuldig aan inbraak, en beval hem tot zijne verantwoording aan te voeren wat hij vermocht.
Doch de aangeklaagde wist er slechts met moeite stotterende uit te brengen, dat hij onschuldig was. Het was zijne zaak niet zichzelven te verdedigen, maar misschien zou zijne meesteres iets tot zijne rechtvaardiging in het midden willen brengen.
Daarop streek Orion zijne verwarde haren uit het aangezicht, wierp het verhitte hoofd trotsch in den nek en zeide, zich tot de rechters keerende: »Zij is eene aanzienlijke jonkvrouw, eene verwante van ons huis, het is betamelijk haar buiten deze treurige zaak te houden. Hare voedster heeft Nilus bovendien medegedeeld, wat misschien in staat is om dezen ongelukkige te redden. Wij willen niets daarvan onopgemerkt laten, maar gij, die minder goed met de verhoudingen tusschen de verschillende personen bekend zijt, moet dit wel in het oog houden, om niet op een dwaalspoor te geraken. Zij is aan den beschuldigde gehecht, en hem en Perpetua schat zij hoog als het eenigewat haar uit het ouderlijk huis is overgebleven. Verder moet het mij en u niet verwonderen, wanneer eene edele vrouw als zij het waagt de schuld van een ander op zich te nemen, en zichzelve in een twijfelachtig licht te plaatsen, om een dienaar te redden, die altijd trouw en eerlijk is geweest. De voedster is bij de hand, zullen wij haar roepen, of heeft zij u Nilus alles toevertrouwd, wat hare meesteres ten gunste van den vrijgelatene aanvoerde?”
»Perpetua heeft mij, en ten deele ook u eene geloofwaardige mededeeling gedaan,” antwoordde de rentmeester, »maar ik vermag haar toch niet zoo juist weer te geven als zijzelve, en ik dacht daarom dat het goed zou zijn de vrouw te laten voorkomen.”
»Men brenge haar voor,” beval Orion, terwijl hij over de hoofden der rechters somber en ongenaakbaar in de ruimte staarde.
Na een langdurig en pijnlijk zwijgen in de zaal verscheen de oude vrouw. Overtuigd van het goed recht harer zaak, trad zij onbeschroomd binnen, zag eerst den ongelukkigen Hiram niet zeer vriendelijk aan, omdat hij zoo lang gezwegen had, en vertelde daarop dat Paula, om zich het noodige geld ter opsporing van haren vader te verschaffen, door den vrijgelatene een kostbaren smaragd uit hare halsketen had laten nemen, en hoe door het verkoopen van dit kleinood haar landsman helaas in verdenking was gekomen.
Deze verklaring van de voedster scheen het meerendeel der rechters gunstig voor den aangeklaagde te stemmen, doch Orion liet hun geen tijd om onder elkander van gedachten te wisselen, want nauwelijks had Perpetua haar verhaal geëindigd, of Orion greep den smaragd, die voor hem op tafel lag,enzeide driftig en verstoord: »Dus zou een steen, die zijn verkooper zelf, een der grootste kenners van juweelen, verklaard heeft eenig in zijne soort te zijn en dezelfde die in het tapijt heeft gezeten, opeens als door een wonder der natuur een dubbelganger gevonden hebben? Booze geesten drijven ook heden ten dage nog hun spel met de menschen, doch het is bezwaarlijk te gelooven dat zij dit doen in dit christelijk huis. Gij weet wat het woord‘bakersprookjes’in onze taal beteekent, en wat de voedster daar in het midden heeft gebracht moet blijkbaar daartoe gerekend worden. Dat mag men den jood Apelles doen gelooven, zooals de Romein Horatius zeide, maar zijn geloofsgenoot Gamaliël”—waarbij hij zich tot den juwelier wendde, die op de bank der getuigen zat,—»zeker niet, en nog minder mij, die dit weefsel doorzie. De dochter van den edelen Thomas heeft zich vernederd om met behulp van deze kunstenaresin het weven dit sprookje op het getouw te zetten en voor ons te ontrollen, ten einde ons rechters op een dwaalspoor te brengen en haren trouwen dienaar te redden vangevangenisstraf, dwangarbeid of den dood. Zoo zit de zaak in elkaar. Dwaal ik, vrouw, of blijft gij volharden bij uwe bewering?”
De voedster, die gemeend had in Orion een verdediger te vinden voor hare meesteres, had zijne woorden gevolgd met klimmende verbazing. Uit zijne oogen fonkelden haar nu eens spot, dan groote verbolgenheid tegen, doch terwijl bij dezen onverwachten uitval de tranen haar in de oogen waren geschoten, bewaarde zij toch hare tegenwoordigheid van geest en verzekerde, dat zij evenals altijd zoo ook thans de waarheid had gezegd. De kas waarin de smaragd harer meesteres had gezeten, zou dit ten overvloede kunnen bewijzen.
Hierop haalde Orion de schouders op, beval de voedster hare meesteres te roepen, wier persoonlijke tegenwoordigheid thans onvermijdelijk was geworden, en zeide tot den rentmeester: »Geleid haar, Nilus! Een dienaar brenge de kist hierheen, opdat deze door de eigenares zelve voor onze oogen geopend worde, vóor een ander de hand aan den inhoud kan slaan. Ik zou niet geschikt zijn voor deze boodschap, want niemand in dit Jakobietische huis, ik vrees zelfs niemand onder u, heeft genade gevonden in de oogen van deze schoone Melchietin. Mij is zij helaas bijzonder kwalijk gezind, en zoo moet ik aan anderen elken maatregel overlaten, die tot misverstand zou kunnen leiden. Breng haar hierheen, Nilus, natuurlijk met al de onderscheiding, die aan eene jonkvrouw van hooge geboorte toekomt.”
Zoodra de afgezondenen zich verwijderd hadden, doorliep Orion de rechtzaal met haastige, rustelooze schreden.Maar eens bleef hij voor de rechters staan, zeggende: »Ook zelfs wanneer de kas van den smaragd gevonden wordt, hoe verklaren wij dan de aanwezigheid van twee, ik zeg twee steenen, elk eenig in zijne soort? Het is om zijn geduld te verliezen! Een teergevoelig meisje waagt het eene ernstige rechtbank op een dwaalspoor te brengen, ten gunste, ten gunste van....” Hij ging niet verder, maar stampte driftig met den voet op den grond en zette daarna stilzwijgend zijne wandeling voort.
»Hij is nog een nieuweling,” dachten de rechters, die zijne groote gejaagdheid opmerkten, »anders zou hij zich de dwaze poging om een aangeklaagde schoon te wasschen niet zoo aantrekken, en zich door zoo iets niet uit zijn humeur laten brengen.”
Het verschijnen van Paula maakte eindelijk aan dat op- en neerloopen van Orion een einde. Hij ontving haar met eene afgemetene buiging en verzocht haar plaats te nemen. Vervolgensnoodigde hij Nilus uit haar mede te deelen wat uit het onderzoek en de behandeling van de zaak tot hiertoe was gebleken, en te vragen wat haar naar zijne meening en die der overige rechters had kunnen bewegen den gestolen smaragd voor den hare te verklaren. Hij zou het zooveel mogelijk aan anderen overlaten haar te verhooren, want zij wist maar al te goed in welke verhouding zij tot elkander stonden. Voor dat hij de rechtzaal binnenkwam, had zij hare verklaring van den diefstal door Perpetua aan den rentmeester Nilus laten mededeelen; hij—en hier verhief hij zijne stem—zou het passender gevonden hebben, en meer overeenkomstig de verwantschap die er tusschen hen bestond, wanneer zij hemzelven, Orion, had toevertrouwd, wat zij dacht ten gunste van den vrijgelatene te doen; dan zou het hem mogelijk zijn geweest haar te waarschuwen. Dit wegcijferen van zijn persoon bij hare handelingen moest hij beschouwen als een nieuw bewijs van haar afkeer, en de gevolgen ervan zou zij aan zichzelve te wijten hebben; want nu moest het rechtsgeding onverbiddelijk zijn loop hebben.
De toornige gloed zijner oogen verried haar wat zij van hem te wachten, en dat hij den kamp met haar aangenomen had. Zij hield zich overtuigd, volgens zijne opvatting de kort te voren gegeven belofte verbroken te hebben; doch zij had Perpetua geenszins opgedragen zich in deze aangelegenheid te mengen, zij had de voedster integendeel verzocht haar in het uiterste geval zelve de bewijzen te laten aanvoeren. Orion moest in den waan verkeeren, dat hem harerzijds een onrecht was aangedaan; maar zou hij daarom zichzelven zooverre kunnen vergeten, dat hij zijne bedreiging uitvoerde en een onschuldige, om alle verdenking van zich af te wenden, te gronde richtte, waarbij hij haar als valsche getuige zou brandmerken? Ja, ook voor dit uiterste schrikte hij niet terug! Zijn vlammend oog, zijne heftige gebaren, het geweldig hijgen van zijne borst, dit alles sprak het duidelijk genoeg uit. De strijd moest dus worden aanvaard. Liever ware zij op dit oogenblik gestorven, dan dat zij het zou hebben willen wagen hem door een woord van verontschuldiging zachter te stemmen. Zij voelde hoe zijn gemoed kookte, en zou zich aan zijne voeten hebben willen nederwerpen, om hem te smeeken toch tot bedaren te komen, ten einde zich te hoeden voor eene nieuwe misdaad; doch zij bewaarde hare trotsche waardigheid, en de blik waarmede zij den zijnen beantwoordde was niet minder toornig en uitdagend dan die van hem. Als twee jonge adelaars, die strijdlustig de veeren opsteken, de vleugels verder uitspreiden en de halzen rekken, stonden zij daar tegenover elkander, zij zeker van hare overwinning, in het bewustzijn van de rechtvaardigheid harer zaak, doch meerbeangst voor hem dan voor zichzelven, hij bijna blind voor het eigen gevaar, maar als een gladiator, die in de arena tegenover zijn doodvijand staat, meer bedacht om dezen te vellen, dan om eigen lijf en leven te beschermen.
Terwijl de rentmeester haar mededeelde wat zij ten deele reeds wist, en daarop de verdenking herhaalde, dat zij zich had laten verleiden tot het geven van een valsch getuigenis om haar dienaar, die misschien uit liefde voor zijn verdwenen meester de inbraak had gewaagd, het leven te redden, zag zij meer naar Orion dan naar den redenaar. Deze laatste wees ten slotte op de kist, die tegelijk met Paula uit hare kamer in de zaal was gebracht, en gaf haar te kennen, dat de gezamenlijke rechters bereid waren alles aan te hooren en te onderzoeken, wat zij tot hare verdediging in het midden zou brengen.
Orions gejaagdheid bereikte thans haar toppunt. Hij voelde dat hij doodsbleek werd en kon niet meer geregeld denken. De rechters, de aangeklaagde, zijne vijandin, alles wat binnen de wanden van de groote rechtzaal besloten was, lag daar voor hem als in grauwe kronkelende nevels gehuld. Al wat hij zag scheen hem als met helder smaragdgroen gekleurd. Het haar, de aangezichten, de gestalten der aanwezigen, alles schemerde en glinsterde in dien groenachtigen glans. Toen Paula echter trotsch en met vasten tred naar de kist toeliep, een kleinen sleutel uit haar gewaad haalde, dezen aan een beambte overhandigde en daarna als eenig antwoord op de mededeeling van Nilus, ja, als ware dit reeds te veel van haar gevergd, met koele hoogheid zeide: »Open de kist!,” toen zag hij weder dat glanzig bruine haar, den vurigen gloed harer blauwe oogen, de afwisselende bleekheid en blos harer wangen, het heldere gewaad, dat hare heerlijke gestalte in fraaie plooien omsloot, en haar zegepralenden glimlach. Hoe schoon, hoe begeerlijk was deze vrouw! Weldra zou zij onderliggen in den strijd met hem, maar deze overwinning zou hem te staan komen op het verlies van haar, en met haar van alles wat er reins en goeds zijner voorvaderen waardig in hem was. Eene stem in zijn binnenste riep het hem toe, maar hij bracht haar tot zwijgen met de voorwaartskreet van den agitator. Ja, vooruit tot het doel bereikt was, altijd voort over puin en steenen, door bloed en stof, tot zij den trotschen nek buigt, tot zij overwonnen en gebroken om genade smeekt.
Daar sprong het deksel van de kist open. Paula bukte zich, ze haalde de halsketen te voorschijn en vertoonde die aan de rechters, zij hield de beide einden ver uit elkander, en... Wat was dat voor een akelige, hartverscheurende kreet van vertwijfeling! Zelfs Orion zou gewenscht hebben zoo iets nooit meerte hooren.—Daar wierp zij het halssieraad voor de rechters op tafel en met den uitroep: »Schandelijk, laaghartig!” trad zij terug en greep zich aan de trouwe Betta vast; want hare knieën begonnen te knikken en zij gevoelde dat zij op het punt stond in elkaar te zijgen. Orion vloog naar haar toe om haar te ondersteunen, maar zij stootte hem terug, en daarbij trof hem een blik zoo vol smart, toorn en verachting, dat hij roerloos voor haar bleef staan en de hand op zijn hart drukte.—En deze laaghartige daad, die twee menschenkinderen zoo diep zou grieven, had hij met een glimlach begonnen! Deze vertooning, die een doodsoordeel bevatte, tot welk een ontzettend einde kon zij leiden?
Paula was intusschen zonder verder eenig geluid te geven op een zetel neergezonken, en ook hij zag zwijgend voor zich tot in de rij der aanwezige rechters een luid gelach opging en de oude Psamtik, de bevelhebber van de hoofdwacht, die sedert geruimen tijd in de rechtbank zitting had, uitriep: »Bij mijn ziel een kostelijke steen! Dat is de heidensche liefdegod Eros, dien zijn gevleugeld schatje Psyche in het aangezicht ziet. Hebt gij dien mooien roman van Apulejus niet gelezen, ‘de gouden ezel’ geheeten? Dit stukje komt daarin voor. Heilige Lukas, wat is dat fijn gesneden! De edele jonkvrouw heeft zeker den verkeerden halsketen gegrepen. He, Gamaliël, waar moet aan dat ding”—en hij wees hierbij op den gesneden steen—»dat groene duivenei gezeten hebben?”
»Nergens,” antwoordde de jood. »De edele jonkvrouw....”
Doch Orion legde dien getuige barsch het zwijgen op, waarna de rentmeester Nilus den steen in handen nam en dien opmerkzaam van alle zijden bekeek. Daarop ging de ernstige, rechtvaardige man, op wiens bijstand Paula zeker gerekend had, naar haar toe, haalde medelijdend de schouders op, en vroeg of er zich in de kist ook nog eene andere halsketen kon bevinden, met zulk eene gouden kas als waarvan zij gesproken had.
Eene rilling voer haar door de leden, want het scheen wel dat hier een wonder was geschied. Maar neen, bij dezen slag die haar werd toegebracht waren geen hoogere machten in het spel. Orion meende dat zij hare belofte om hem te verschoonen en te zwijgen gebroken had, en dit was nu zijne wraak. Hoe en langs welken weg hij haar volvoerd had, dat was haar een raadsel. Welk een slag! Ja, ze had getroffen! Zou zij zich dien laten welgevallen as een geduldig kind? Neen, duizendmaal neen! Opeens herkreeg zij hare veerkracht, de haat staalde haar zwakken wil, en gelijk hij zich in den geest verplaatst had te midden van de wedrennen in de arena, zoo verbeeldde zij zich aan het schaakbord gezeten te zijn; en hetwas haar als streed zij met hem om te winnen, niet als met zijn vader om bloemen, kleine geschenken of de eer van het spel alleen, maar om een geheel anderen inzet, om dood of leven.
Alles wilde zij er aan wagen om hem te overwinnen, en toch, neen—wat er ook van komen mocht—niet alles. Liever wilde zij de nederlaag lijden, dan hem overtuigen van diefstal, dan te verraden, wat zij in het viridarium had bespied. Zij had beloofd dat te zullen verzwijgen en den zoon te bewaren voor dezen smaad, dat zou het loon zijn dat zij den vader betaalde voor zijne goedheid. Hoe heerlijk, hoe groot had Orions beeld voor hare ziel gestaan! Met deze schandvlek wilde zij hem noch voor zichzelve noch voor de wereld bezoedelen. Maar in geen enkel ander opzicht mocht zij hem ontzien, en zij moest alles doen om hem de zegepraal te betwisten en Hiram te redden. Elk wapen was geoorloofd, alleen dit verraad wilde en mocht zij niet tegen hem plegen. Hij moest gevoelen dat zij edeler gezind was dan hij, dat zij in de moeielijkste omstandigheden des levens trouw bleef aan haar woord. Haar besluit was genomen, en zij begon dieper adem te halen, er kwam weer leven in haar oog, ofschoon het nog een wijle duurde, eer zij het rechte woord vond om den strijd te beginnen.
Orion zag welk een bangen strijd zij voerde, hij gevoelde dat zij zich tot weerstand wapende, en had haar willen aanmoedigen om den eersten uitval te doen. Nog geen woord van verbazing of verontwaardiging, nog geen enkel verwijt was over hare lippen gekomen. Wat voerde zij in het schild, waarover peinsde zij? Hoe verrassender en gevaarlijker de uitval bleek te zijn, des te beter; hoe moediger zij zich verweerde, des te verder zou bij hem de pijnlijke gedachte op den achtergrond treden, dat hij strijd voerde tegen eene vrouw. Ook helden hadden roem gedragen op overwinningen over Amazonen behaald.
Eindelijk stond zij op en ging naar Hiram toe. Men had hem aan den schandpaal gebonden en toen een smeekende blik uit zijne trouwe oogen haar trof werd haar tong ontboeid, was zij zich opeens bewust, dat zij zich niet enkel te verweren maar ook een ernstigen plicht te vervullen had. Nadat zij met enkele haastige schreden de tafel genaderd was, waarom de rechters in een halven cirkel gezeten waren, legde zij de linkerhand ten steun op het tafelvlak, en zeide, terwijl zij de rechter omhoog hief: »Gij zijt het offer van een afschuwelijk bedrog, en iemand heeft aan mij een schurkachtigen streek begaan om mij in het verderf te storten! Ziet die man daar aan den schandpaal er uit als een roover? Geen heer heeft ooit trouwer, eerlijker dienaar kunnen vrijlaten, en de dank dien Hiram daarvoor aan mijn vader verschuldigd is, heeft hij op zijn dochter overgedragen,daar hij uit liefde tot mij eigen huis, vrouw en kind verliet, om mij, de wees, naar den vreemde te volgen. Verlangt gij echter de waarheid te hooren, niets dan de waarheid en deze ten volle...”
»Spreek!” riep Orion haar toe. Maar zij ging voort, zich tot Nilus en de overige rechters wendende, terwijl zij hem met voordacht over het hoofd zag. »Uw hoofd, de zoon van den Mukaukas, weet dat ik in plaats van beschuldigde eene aanklaagster zou kunnen worden, als ik wilde. Maar ik versmaad dit middel uit liefde voor zijn vader en omdat ik edeler denk dan hij. Hij zal mij wel begrijpen! Wat dezen smaragd aangaat, de vrijgelatene Hiram heeft hem gisteren avond voor mijne oogen met zijn mes uit het gouden hulsel gelicht; doch behalve wij, hebben, gode zij dank, ook nog anderen de kas zien hangen aan de keten, waartoe hij behoorde. Heden middag bevond zij zich nog op de plaats waar het eene misdadige hand later gelukt is dezen gesneden steen te bevestigen. Ik heb die, dat bezweer ik u bij Christus’ wonden, zooeven voor het eerst gezien. Het is een kostbaar stuk. Alleen een rijk man, de rijkste onder u allen, schenkt zulk een schat weg, onverschillig met welk doel, laten wij zeggen: om een vijand in het verderf te storten. Gamaliël,” en daarbij wendde zij zich tot den juwelier, »hoe Gamaliël, schat gij den onyx?”
De Israëliet liet zich den steen nog eens overhandigen, draaide dien in alle richtingen en zeide ten laatste meesmuilende: »Ja, schoone jonkvrouw, wanneer mijne zwarte broeihen zulke eieren legde, zou ik het kippetje enkel met koeken van Arsinoë en vette oesters van Kanopus voederen. Dat ding is een landgoed waard, en al ben ik geen rijk man, ik betaal daarvoor ieder oogenblik twee groote talenten, al moest ik ze borgen.”
Deze verklaringen misten hare krachtige uitwerking op de rechters niet. Doch Orion haastte zich te zeggen: »De wonderen vermenigvuldigen zich op dezen merkwaardigen dag. De edelmoedigheid, tot een ijdelen klank geworden, schijnt onder ons weer te ontwaken. Een verkwistende demon maakt uit een waardeloos stukje bladgoud een kostbaren onyx. Mag men vragen, jonkvrouw, wie die kas aan uw keten heeft gezien?”
Zij geraakte in verzoeking om ook het laatste ontzag voor zijn persoon te laten varen en antwoordde met bevende stem: »Waarschijnlijk uw medehelpers, of gijzelf; want gij, gij alleen hebt reden...”
Doch hij liet haar niet verder spreken, maar sneed haar de woorden af, door te zeggen: »Dat is te veel! O dat gij een man waart! Thans heb ik gezien hoever uwe edelmoedigheid gaat! Ook de haat, de bitterste vijandschap....”
»Zij zouden het recht hebben u geheel te vernietigen!” riep zij diep verontwaardigd. »En wanneer ik u van deze afschuwelijke misdaad betichtte....”
»Dan zoudt gij een misdaad begaan tegen mij, tegen uzelve en tegen dit huis,” hernam hij dreigend. »Neem u in acht meisje! Kan uwe verblinding zoover gaan, dat gij mij, mijzelven als getuige oproept, opdat ik het sprookje, dat gij ons opdischt..”
»O neen, neen; dan zou ik nog iets edels van u moeten kunnen verwachten,” sprak zij, hem luid in de rede vallende. »Ik heb geheel andere getuigen: Maria, de kleindochter van den Mukaukas Georg.”
Haar oog zocht bij die woorden het zijne, maar hij zeide: »Dat kind, welks hartje u toebehoort, en dat u volgt als een schoothondje!”
»En buiten haar nog Katharina, de dochter van de weduwe Susanna,” haastte zij zich er bij te voegen, met blozende wangen en zeker van hare overwinning. »Zij is althans geen kind meer maar eene jonkvrouw, dat weet gij! Doch,” en nu keerde zij zich weder tot de rechters, »van u vorder ik, dat gij uw ambt waardig zult vervullen, door mij recht te laten wedervaren en de beide getuigen te doen voorkomen om haar te hooren.”
Terstond antwoordde Orion, terwijl hij alle moeite deed om bedaard te blijven: »De grootouders mogen beslissen of men het weekhartige kind aan de verzoeking mag blootstellen door eene verklaring voor de rechters, zij moge dan luiden hoe zij wil, hare afgodisch beminde vriendin te redden. Haar leeftijd ontneemt overigens aan hare getuigenis alle waarde, en het stuit mij ook tegen de borst een kind van dit huis in deze pijnlijke zaak te mengen. Daarentegen is het de plicht van het gerechtshof de jonkvrouw Katharina voor te laten komen; en ikzelf bied mij aan haar te gaan roepen.”
Paulas’ poging om hem weder in de rede te vallen wees hij ten stelligste af, men zou haar later in tegenwoordigheid der getuige geduldig aanhooren. De onyx was misschien afkomstig uit het huis haars vaders. Opnieuw werd Paula door rechtvaardige toorn overmeesterd en buiten zichzelve riep zij: »Neen, duizendmaal neen! Een ellendige booswicht, een uwer helpers, ik herhaal het, is mijne kamer binnengedrongen en heeft, terwijl ik bij de kranke vertoefde, het slot van mijne kist verbroken of met een valschen sleutel geopend.”
»Dat kan onderzocht worden,” zeide Orion, en hij was blijkbaar zeker van zijne zaak, toen hij beval de kist op tafel te zetten en een der rechters verzocht als zaakkundige zijn oordeel uit te spreken.
Paula kende den man zeer goed. Hij behoorde tot de aanzienlijkstebeambten des huizes en was de eerste werktuigkundige van den Mukaukas, wiens taak het was maten en gewichten, wateruurwerken en andere instrumenten te onderzoeken en te herstellen. Deze kundige man ging dadelijk over tot het onderzoek van het slot, dat hij in de beste orde bevond en van eene bijzondere samenstelling bleek te zijn, ook de kunstig vervaardigde sleutel had door geen looper vervangen kunnen worden, terwijl Paula moest toegeven de kist heden middag gesloten en den sleutel sedert dien tijd om haar hals gedragen te hebben.
Orion hoorde deze verklaring schouderophalend aan en beval toen, vóór hij Katharina ging roepen, Paula en de voedster, van elkaar gescheiden, in aangrenzende vertrekken te brengen. Om in deze zaak tot klaarheid te komen, was een eerste vereischte verdere afspraken tusschen haar onmogelijk te maken. Zoodra de deur achter de vrouwen gesloten was, ijlde hij naar den tuin, waar hij Katharina hoopte te vinden.
De rechters zagen hem na, terwijl ieder het zijne dacht. Zij stonden hier voor raadselen, die moeielijk waren op te lossen. Niemand achtte zich gerechtigd om te twijfelen aan de goede gezindheid van den zoon huns rechtvaardigen meesters, dien zij eerden als een hoogbegaafd en grootmoedig jonkman. Zijn strijd met Paula had hen pijnlijk aangedaan en ieder vroeg zich af hoe het gekomen was, dat het dezen lieveling der vrouwen niet scheen gelukt te zijn andere gevoelens, dan die van haat te wekken bij eene der schoonste van haar geslacht. De groote vijandschap tegen Orion, die zij niet verheelde, benadeelde hare zaak in de oogen der rechters, die maar al te goed wisten op welk een gespannen voet zij stond met vrouw Neforis. Het was meer dan vermetel van haar den zoon van den Mukaukas te beschuldigen de kist te hebben opengebroken; haat alleen had haar deze aanklacht op de lippen kunnen leggen. Toch lag er iets in haar wezen dat pleitte voor de deugdelijkheid van hare verklaringen, en als Katharina werkelijk kon betuigen de kas van den smaragd aan het halssieraad gezien te hebben, dan bleef er niets anders over dan het rechtsgeding van eene andere zijde aan te vangen en onderzoek te doen naar een anderen huisdief. Maar wie zou zulk een kostbaar stuk als dezen gesneden steen voor iets zonder waarde hebben weggesmeten? Neen, dat was ondenkbaar en de werktuigkundige Ammonius had gelijk toen hij beweerde, dat eene door haat bezielde vrouw tot alles in staat is, ook tot wat ongelooflijk schijnt.
Intusschen was het volmaakt donker geworden en de gloeiend heete dag door een heerlijken, lauwen avond vervangen. DeMukaukas had zijn vertrek nog altijd niet verlaten, terwijl zijne gemalin benevens de weduwe Susanna en hare dochter, de kleine Maria en hare opvoedster in de opene gaanderij aan de zijde van den tuin en den Nijl een luchtje schepten en praatten. De vrouwen hadden hare hoofden omhuld met kanten sluiers, deels tegen de muggen, die van de rivierzijde, door het licht aangetrokken, bij zwermen kwamen toevliegen, deels tegen de dampen, die uit de Nijlvlakte opstegen. Zij wilden zich juist verkwikken met de zooeven gebrachte koele vruchtensappen, toen Orion verscheen.
»Hoe is het afgeloopen?” riep zijne moeder hem bezorgd toe; want uit zijne verwarde haren en zijne hoogroode kleur maakte zij op, dat in de zitting niet alles glad van stapel was geloopen.
»Ongehoorde dingen zijn er gebeurd,” was zijn antwoord. »Paula vecht als eene leeuwin voor den vrijgelatene haars vaders....”
»Om ons te krenken en in verlegenheid te brengen,” hernam Neforis.
»Neen, neen, moeder,” ging Orion met gejaagdheid voort. »Maar zij heeft een hoofd van ijzer, zij is eene vrouw die niets ontziet als het geldt haar wil door te zetten, en daarbij gaat zij met eene slimheid te werk, waardig den grootsten advocaat dien ik ooit op het tribunaal van de hoofdstad eene netelige zaak heb hooren bepleiten.Daar komt bij dat hare voorname houding en hare goddelijke schoonheid de hoofden van onze arme hofbeambten op hol brengen. Het is zeker braaf en edel zooveel ijver aan den dag te leggen voor een dienaar, doch dat alles kan haar niet helpen, want de bewijzen die tegen haren stotterenden vriend voor de hand liggen zijn volkomen overtuigend, en wanneer hare laatste bewering ontzenuwd is, zal de zaak beslist zijn. Zij geeft voor het kind en ook u, aanvallige Katharina, een halssieraad getoond te hebben.”
»Getoond?” riep het kwikstaartje. »Ze heeft ons dat afgenomen, niet waar Maria?”
»Maar wij hadden den keten zonder haar verlof weggenomen,” antwoordde de kleine.
»En verlangt zij,” vroeg vrouw Neforis verstoord, »dat onze meisjes voor de rechtbank worden gebracht, om getuigenis af te leggen voor hare hoogheid?”
»Dat verlangt zij,” bevestigde Orion. »Maar Maria’s uitspraak geldt niet bij de rechters....”
»En ook al ware het anders,” hernam zijne moeder; »het kind mag in geen geval in deze nietswaardige zaak betrokken worden.”
»Omdat ik voor Paula spreken zou!” riep Maria, terwijl zij driftig van haar zetel opsprong.
»Gij zult uw mond houden!” riep de grootmoeder haar toe.
»En wat Katharina betreft,” zeide de weduwe, »het komt niet bij mij op, haar voor al die heeren ten toon te stellen.”
»Heeren!” zeide het meisje. »Mannen zijn het, kleine beambten en dergelijken meer. Ze kunnen lang op mij wachten!”
»Maar gij zult toch aan hun verlangen moeten voldoen, trotsch meisje,” zeide Orion lachende, »want gij zijt goddank geen kind meer, en het staat der rechtbank vrij ieder volwassene als getuige voor de tafel te roepen. U zal niets geschieden, want gij staat onder mijne bescherming. Kom ga gerust met mij mede! Men moet in het leven alles leeren kennen. Hier helpt geen tegenstreven. Overigens behoeft gij slechts te zeggen wat gij gezien hebt en geleid ik u, als gij het mij vergunt, weder zorgvuldig aan dezen arm naar uwe moeder terug. Gij moet mij reeds heden uw kleinood toevertrouwen, vrouw Susanna, en de eerwaardige getuige zal u daarna zeggen, wat er verder met mij gebeuren zal.”
Katharina begreep de beteekenis van die laatste geheimzinnige woorden, en het verheugde haar met den schoonen zoon van den stadhouder, den eersten man voor wien haar klein hartje klopte, alleen te mogen zijn; zij sprong dus vroolijk op, doch Maria klemde zich hartstochtelijk aan haar arm vast en verlangde zoo onstuimig en hardnekkig om meegenomen te worden, ten einde voor Paula te kunnen spreken, dat de opvoedster en vrouw Neforis haar slechts met moeite dwingen konden gehoorzaam te zijn en het paartje alleen te laten trekken.
Beide moeders zagen hen met voldoening na en de gemalin van den stadhouder fluisterde de weduwe toe: »Heden voor het gerecht, en zeer spoedig, zoo God wil, voor het altaar in de kerk.”
Om in de gerechtzaal te komen kon men of door het huis gaan, of buiten om loopen. Gaf men de voorkeur aan den laatsten weg, dan moest men allereerst door den tuin, en Orion koos dezen. In tegenwoordigheid van de vrouwen had hij zich geweld aangedaan, om de onrust die hem vervulde meester te blijven, en nu voelde hij hoe de strijd, dien hij had aangebonden en waaruit hij zich niet meer terugtrekken kon noch wilde, hem al verder en verder dreef en hem dwong het jonge schepseltje, dat nu—de teerling rolde al—zijne vrouw moest worden, op den schandelijken weg mede te sleepen, dien hij was opgegaan. Toen hij zijne moeder beloofd had niet morgen maar overmorgen om Katharina’s hand te zullen vragen, had hij gehoopt in dat tijdperk van uitstel hem toegestaan haar tekunnen bewijzen, dat de kleine toch niet de rechte vrouw voor hem was; en nu—welk een spot van het noodlot!—zag hij zich gedwongen, in alle opzichten juist het tegendeel te doen van datgene waartoe zijne neiging hem dreef. De vrouw die hij liefhad, ja nog altijd liefhad, hij bestreed haar als eene doodvijandin, en het meisje dat hem geheel onverschillig was, haar moest hij zijne hand reiken. Het was om krankzinnig te worden, maar het moest gebeuren, en met een herhaald »voorwaarts” besloot hij tot het schandelijk waagstuk, om het onervaren meisje aan zijn arm, zoo aan zich te verbinden, dat zij bereid was om zijnentwil onrecht te plegen. Zijn hart klopte of het springen moest, doch het was niet mogelijk langer te dralen of terug te treden; het gold, overwinnaar te blijven; dus voorwaarts, altijd voorwaarts!
Zoodra zij buiten het licht der lantaarnen in de schaduw waren gekomen greep hij, blijde dat de duisternis zijne trekken onzichtbaar maakte, de tengere rechterhand van de naast hem wandelende kleine met beide handen en drukte zijne lippen op hare teedere vingertoppen.
»Maar, Orion,” zeide zij schuchter, doch liet hem begaan.
»Ik vorder wat mij rechtmatig toekomt, gij zonneschijn mijner ziel!” zeide hij op vleienden toon, »wanneer uw hartje zoo hevig klopt als het mijne, dan kunnen de moeders daarginds het hooren.”
»Ja het klopt al,” zeide zij gelukkig, terwijl zij het krullekopje opzij hield.
»Maar het mijne doet het toch sterker,” antwoordde hij met een zucht, terwijl hij haar handje tegen zijne borst drukte. Hij kon het gerust wagen want het krampachtig kloppen van zijn hart dreigde hem te doen stikken.
Maar zij antwoordde blij te moe: »Ja, waarlijk, dat bonst...”
»Zij mogen het daar ginds ook vernemen,” antwoordde hij met een gedwongen lachje. »Of uw moedertje niet reeds lang in onze harten gekeken heeft?”
»Natuurlijk,” antwoordde zij zacht. »Zoo vroolijk als sedert uwe terugkomst heb ik haar zelden gezien.”
»En gij, kleine tooveres?”
»Ik? Natuurlijk ben ik ook vroolijk geweest; zij waren het allen. En uwe ouders...”
»Neen, neen, Katharina! Ik wil weten wat gijzelve bij mijne terugkomst gevoeld hebt.”
»Ach kom, hoe kan men zoo iets beschrijven?”
»Zou dat niet kunnen?” vroeg hij, haar arm vaster in den zijnen drukkende. Hij moest haar winnen, en zijne dichterlijke verbeeldingskracht hielp hem, om wat hij nooit gevoeld had met gloeiende verven te schilderen. Hij liet haar zoete liefde-woordjeshooren en zij geloofde hem gaarne. Op zijn wenk ging zij vertrouwelijk zitten op een houten bank in de oude laan, die naar de noordzijde van het huis leidde. Aan verschillende heesters bloeiden daar heerlijke bloemen, die de lucht vervulden met een zoeten, bedwelmenden geur. De maneschijn drong door de dichte kronen der sykomoren en deed flikkerende strepen en kringen van licht spelen over het loof, op de stammen der boomen en den donkeren grond. Het loofdak boven hunne hoofden had de hitte van den dag teruggehouden, zoodat de lucht nog altijd zwoel en drukkend was. Het was op deze plaats dat hij haar voor het eerst zijn eenig bruidje noemde en haar hartje in ketenen sloeg. In elk zijner gloeiende woorden trilde de onstuimige, bange gejaagdheid, die zijne ziel martelde, zoodat zij klonken als waren ze innig en oprecht gemeend.
De bloemengeur bedwelmde daarbij haar jong en onervaren gemoed en gewillig bood zij hem hare lippen tot een kus. Innig gelukkig gevoelde zij hier de eerste zaligheid eener jeugdige liefde die wederliefde vindt, levenslang zou zij met hem verbonden willen zijn. Doch reeds na eenige oogenblikken sprong hij op, verlangende aan de teedere minnekoozerij een einde te maken, die ook hem begon te betooveren en zeide luid en driftig: »O dat verwenschte rechtsgeding! Maar dat is het lot van den man! Zijn plicht roept en hij moet midden uit alle vreugde van het paradijs naar de aarde terugkeeren. Geef mij uw arm, gij mijne eenige, mijn alles!”
Katharina gehoorzaamde en liet zich als in een roes van blijdschap over het onverwacht geluk, dat haar wedervoer, door hem meetroonen. Zij hoorde echter vreemd op, toen hij haar zeide: »Na deze hemelsche zaligheid moeten wij aan de nuchterste van alle zaken denken. Hoe afkeerig ben ik van datgene waarom het nu te doen is; hoe geweldig stuit het mij tegen de borst. Gaarne zou ik voor Paula een vriend, een trouw beschermer zijn, in plaats van haar tegenstander!”
Bij deze woorden gevoelde hij hoe de linkerarm van het meisje op den zijnen zich onrustig bewoog, en dit was hem een prikkel om verder te gaan op den weg der misdaad. Katharina zelve wees hem de richting aan, die hij volgen moest om zijn doel te bereiken, en terwijl hij voortging om haar ijverzucht te doen ontvlammen terwijl hij Paulas schoon en edel voorkomen prees, verontschuldigde hij zich voor zijn geweten met deze drogreden, dat hij als bruidegom gerechtigd was zijne bruid te dwingen zijn geluk en zijne eer te redden. Toch had hij bij elk vleiend woord het gevoel als vernederde hij zichzelven, als beging hij daarmede tegen Paula een nieuw onrecht. Het viel hem maar al te gemakkelijk haar lof te verkondigen.
Doch terwijl hij dit deed met toenemende warmte, tikte zij hem op den arm en zeide half schertsend, half op ernstig verdrietigen toon: »O deze godin! Ben ik, of is zij uwe geliefde? Pas op dat ge mij niet jaloersch maakt, hoort ge!”
»Klein gekkinnetje!” antwoordde hij vroolijk, en om haar gerust te stellen liet hij erop volgen: »Zij is als de koele maan, en gij zijt de lichtende, verwarmende zon. Ja, Paula! wij willen haar overlaten aan een der Olympische goden of aan een aartsengel, maar ik zing den lof van mijn klein levenslustig meisje, dat met mij het leven genieten zal en al zijne vreugde.”
»Ja, dat willen wij!” juichte zij, meenende den horizont harer toekomst in het glansrijkste zonlicht te aanschouwen.
»Goede hemel,” dus brak hij als verrast dit onderhoud af. »Het licht schijnt al in die rampzalige rechtzaal. O de liefde, de liefde! Door hare betoovering hebben wij het doel van onzen gang vergeten. Zeg nu eens, schatje, weet gij nog precies hoe het halssieraad er uitzag, waarmede gij en Maria heden middag gespeeld hebt?”
»Het was zeer kunstig bewerkt, alleen hing in het midden een leelijk verbogen stuk bladgoud.”
»Gij zijt ook eene kenster van kunstwerken! Hebt gij dan den keurig gesneden steen over het hoofd gezien, die in deze onaanzienlijke kas besloten was?”
»Neen, waarlijk niet!”
»Ja toch, klein wijsneusje!”
»Neen, mijn lieve!” en toen zij dit uitsprak, sloeg zij de oogen vroolijk op, als ware haar een waagstuk gelukt. »Wat gesneden steenen zijn weet ik zeer goed. Vader heeft eene groote verzameling ervan nagelaten, en moeder zegt dat zij volgens het testament mijn toekomstigen man zullen toebehooren.”
»Dan zal ik u, mijn heerlijk juweel, in eene lijst van louter onyxen kunnen zetten.”
»Neen, neen,” antwoordde zij vroolijk, »geef mij later maar een kastje, want ik ben zulk een vluchtig ding. Doch het mag niet anders zijn, neen niet anders dan uw hart!”
»Deze goudsmidsarbeid is al verricht! Maar nu in ernst, kindjelief, wat aan Paulas halsketting hing was een onyx, en gij, kleine keurster van juweelen, hebt den steen slechts van achteren bezien; dáar heeft hij een rug zooals gij beschrijft, een eenvoudig hulsel van bladgoud!”
»Maar Orion!”
»Hebt ge mij lief, hartediefje, weerspreek mij dan niet verder. Later zal ik u altijd naar uw oordeel vragen, maar in dit geval kan mij uwe dwaling in groote moeielijkheden brengen en mij dwingen aan Paula toe te geven en haar tot mijne bondgenootete maken.—Hier zijn wij er, maar blijven wij nog een oogenblik staan! En nu nog over dien steen. Ziet gij: wij kunnen beiden dwalen, ik zoowel als gij, maar ik geloof zeker gelijk te hebben, en wanneer gij in dit geval iets anders verklaart dan ik heb gedaan, dan sta ik als een leugenaar voor de rechters. Wij zijn nu toch bruid en bruidegom, dus één, geheel één, en wat een onzer treft of verheft, dat vereert of verlaagt tegelijk de andere. Zegt gij, die mij liefhebt en van wie de lieden al mompelen, dat gij eerlang als meesteres in dit paleis gebieden zult, iets anders dan ik, zoo zullen zij het zeker gelooven. Zie, gij zijt zoo door en door goed, maar nog te jong en te rein om alle eischen te begrijpen eener almachtige liefde, die alles gelooft en verdraagt. Als gij in dit geval niet gaarne aan mijn verlangen gehoor geeft, dan hebt gij mij zeker niet lief, zooals gij mij zoudt moeten liefhebben. En is het dan zoo iets moeilijks wat ik van u vraag? Ik wensch van u niet anders, dan dat gij voor de rechters zult verklaren, dat gij heden middag Paulas halsketting gezien hebt, en dat daaraan een gesneden steen hing, een onyx met Amor en Psyche. Verder niets!”
»Moet ik dat getuigen voor al die rechters?” vroeg Katharina met een bedenkelijk gezicht.
»Dat moet gij doen, vriendelijke engel!” hernam Orion teeder. »Zoudt gij het aardig vinden, als eene bruid hare geliefde de eerste bede knorrig weigerde, omdat zij er eenig bezwaar tegen heeft of meent alleen gelijk te hebben?Neen, neen, als er maar een vonkje liefde voor mij in uw hartje gloort, als gij mij niet dwingen wilt Paula te verzoeken, dat zij genade met mij zal hebben...”
»Maar waarom is het dan toch te doen? Wie kan er zooveel waarde aan hechten of een gesneden steen of een eenvoudig stuk bladgoud...”
»Dat zal u later alles omstandig verklaard worden,” voegde hij haar haastig toe.
»Toe, doe het nu dadelijk...”
»Dat gaat niet; wij hebben het geduld der rechters reeds veel te lang op de proef gesteld. Er is geen oogenblik te verliezen!”
»Nu goed dan, maar ik zal van verlegenheid en schaamte bezwijken, wanneer ik voor de rechters een getuigenis afleg...”
»Dat waar is,” zoo drong hij verder aan, »en waarmede gij mij toonen kunt, hoezeer ge mij liefhebt.”
»Wat is dat verschrikkelijk!” zeide zij angstig. »Bind mij ten minste den sluier vast om het aangezicht. Al die gebaarde mannen...”
»Als de struisvogel,” zeide Orion met een glimlach, terwijl hij aan haar verlangen voldeed. »Indien gij er werkelijk andersover denkt dan uw... hoe hebt gij daareven ook gezegd? Herhaal het nog eens!”
»Uw liefste!” zeide zij blozende en innig, terwijl zij Orion hielp haar den sluier dubbel voor het gezicht te binden, en zij weerde hem niet af, toen hij haar in het oor fluisterde: »Laat eens zien of een kus ook door zulk eene vermomming nog goed smaakt!—Kom nu, in weinige oogenblikken is alles gedaan.”
Na deze woorden leidde hij haar snel het voorportaal van de rechtzaal binnen en verzocht haar een oogenblik te wachten. Aan de rechters deelde hij haastig mede, dat vrouw Susanna hem haar dochtertje slechts had toevertrouwd onder voorwaarde, dat hij haar onverwijld bij hare moeder zou terugbrengen, nadat zij hare verklaring als getuige had afgelegd. Vervolgens liet hij Paula roepen en noodigde haar uit zich neer te zetten.
Katharina was met loome schreden en een beklemd hart het voorportaal van de rechtzaal binnengegaan. Zij had zich menigmaal door kleine omwegen uit de verlegenheid weten te redden om eene berisping te ontgaan, maar zij had nog nooit ernstig gelogen, en nu begon alles in haar zich te verzetten tegen het voornemen om iets te verklaren wat stellig onwaar was. Maar kon het dan slecht zijn wat Orion, de edelste van alle mannen, de afgod van de gansche stad, zoo dringend van haar begeerde? Maakte de liefde, volgens zijne opvatting, het haar niet tot plicht om alles te doen, wat hem voor nadeel en schade kon bewaren? Wel-is-waar kwam dit haar niet geheel billijk voor, maar misschien begreep zij het nog niet genoeg, omdat zij zoo jong en onervaren was. Het beangstigde haar ook dat haar geliefde, wanneer zij tegen zijn wil handelde, gedwongen zou zijn met Paula een verbond aan te gaan. Aan zelfbewustzijn ontbrak het haar niet, en zij zeide tot zichzelve, dat zij voor geen meisje in Memphis behoefde onder te doen, alleen die schoone, trotsche, groote Damasceensche stond, dit gevoelde zij, verre boven haar, en zij kon niet vergeten hoe eergisteren, toen Paula met haren bruidegom in den tuin op en neder wandelde, de overste van Memphis had uitgeroepen: »Welk een buitengewoon mooi paar!” Vaak had zij gedacht, dat er geen schooner, minzamer, lieftalliger schepsel op aarde leefde dan de dochter van Thomas, en kon zij hunkeren naar een blik, een vriendelijk woord van haar. Maar sedert dat zeggen van den stadsoverste was zekere verbittering tegen Paula in hare ziel ontwaakt, die daarna van verschillende zijden rijkelijk voedsel had gekregen. Paula bejegende haar altijd als een kind, niet als een volwassen meisje, dat zij toch was. Waarom had zij heden middag haren bruidegom, want zoo mocht zij Orion thans noemen, willen opzoeken en haar van hem afhouden? En wat was de redendat Orion, terwijl hij de bekentenis aflegde dat hij haar liefhad, telkens meer dan met warmte, met geestdrift van die jonkvrouw had gesproken? Neen voor deze verleidster moest zij op hare hoede zijn, en wanneer men sprak van een groot geluk dat haar weervaren was, Paula zou het haar zeker niet gunnen, want Katharina voelde en wist, dat deze haren geliefde met alles behalve onverschillige oogen aanzag. Zij bezat op de wereld geene andere vijandin dan Paula en van deze mededingster had hare liefde alles te vreezen. Opeens vroeg zij zich af, of het bladgoud dat zij gezien had toch niet een gesneden steen zou hebben kunnen zijn. Zij had immers de halsketen maar een oogenblik opmerkzaam bekeken? En waarom zou zij scherper hebben gezien dan de groote wonderschoone oogen van Orion?
Zeker, hij had gelijk, gelijk zooals altijd. De meeste gesneden steenen hadden eene ovale gedaante, en ovaal was ook dat ding waaromtrent zij getuigen moest. Het was van Orion niet te denken, dat hij iets leugenachtigs van haar verlangen zou. In elk geval was het de plicht zijner bruid om hem voor schande te behoeden en te verhinderen, dat hij een verbond zou sluiten met die schoone sirene. Zij wist wat zij te zeggen had en reeds wilde zij een gedeelte van den sluier losmaken, om Paula recht goed in het aangezicht te zien, toen Orion terugkeerde om haar naar de rechtzaal te voeren.
Tot zijne vreugde, ja tot zijne verbazing sprak Katharina hier zonder aarzelen uit, dat er heden middag een gesneden steen in Paulas halssieraad had gehangen, en toen men haar den onyx toonde en vroeg of zij zich dezen herinnerde, antwoordde zij kalm:»Deze kan het geweest zijn of ook niet; ik herinner mij alleen nog de ovale gouden achterzijde. Voor het overige liet deze jonkvrouw haar kleinood maar enkele oogenblikken in mijne handen.”
Toen de rentmeester Nilus haar uitnoodigde, om de voorstelling van Amor en Psyche nader te bekijken en haar geheugen te scherpen, antwoordde zij ontwijkend: »Ik mag zulke heidensche voorstellingen niet; wij Jacobietische meisjes dragen andere sieraden.”
Daar rees Paula op, en trad met een blik vol streng verwijt haar te gemoet, en nu verblijdde de kleine Katharina zich, dat zij op het denkbeeld was gekomen om zich het hoofd te bedekken met een dubbelen sluier. Maar de groote verlegenheid waarin zij gebracht werd door den scherpen blik der Damasceensche, duurde slechts kort, want toen deze haar waarschuwend toeriep: »Gij legt nadruk op uwe getuigenis, maar gij hebt niet minder dan ik der waarheid de eere te geven. Bedenk wat er van uweuitspraak afhangt; dat bezweer ik u, kind,” viel de kleine hare tegenpartij in de rede en zeide verstoord, met hartstochtelijke gejaagdheid: »Ik ben geen kind meer, ook niet voor u, en vóor ik spreek bedenk ik mij, zooals mij dat geleerd werd!”
Daarop wierp zij het kopje trotsch in den nek en herhaalde nog eens stellig: »Deze onyx heeft in het midden van de keten gehangen.”
»Gij schandelijke leugenaartser!” riep de voedster, zichzelve niet meer meester, haar in het aangezicht.
Katharina verschrikte hevig en zag om, als had haar een adder gebeten naar haar die het gewaagd had haar zoo gruwelijk en onbeschaamd te beleedigen. Hulpeloos, terwijl zij op het punt was in tranen uit te barsten, keek haar oog naar bijstand rond, en zij behoefde niet lang op een wreker te wachten, want Orion gaf dadelijk bevel Perpetua wegens hare valsche verklaring naar de gevangenis te brengen, de Damasceensche te ontslaan, omdat zij niet had gezworen en alleen uit goede bedoeling een ongelooflijk verhaal had verdicht, en de kist weder naar hare kamer te dragen.
Daar trad de jonkvrouw nog eens voor de tafel, maakte den onyx van de keten los, wierp dien den jood Gamaliël toe, die hem opving, en zeide: »Dien schenk ik u, man! Misschien koopt de schurk, die hem aan mijn keten heeft gehangen, u dien weer af. Mijne grootmoeder heeft dit halssieraad van den heiligen keizer Theodosius ontvangen, en eer ik het verder door het geschenk van een ellendeling laat bezoedelen, werp ik zelve het in den Nijl. Op u arme, bedrogene rechters ben ik niet toornig, doch ik beklaag u! Mijn Hiram”—en hier wees zij op den vrijgelatene—»is een eerlijk man, dien ik met dankbare liefde gedenken zal tot in den dood; maar deze onrechtvaardige zoon van een rechtvaardigen vader, die daar....” Dit roepende wees zij op Orion; doch de jongeling ontnam haar het woord door haar toe te duwen: »Genoeg!”
Zij trachtte al hare krachten te verzamelen en zeide: »Ik zal doen wat gij verlangt, want uw geweten zal u honderdmaal herhalen, wat ik verzwijg. En nu nog een woord!” Daarop ging zij naar hem toe en fluisterde hem in het oor: »Ik heb de overwinning op mijzelve behaald, om het scherpste wapen tegen u ongebruikt te laten, overeenkomstig mijn gegeven woord. Wanneer gij niet de ellendigste zijt van alle ellendigen, gedenk dan het uwe en red Hiram!”
Een zwijgend hoofdknikken was zijn antwoord. Zij bleef op den drempel nog even staan en zeide tot Katharina: »U, kind, want meer zijt gij nog niet, u zal de zoon van den Mukaukas voor den dienst hem bewezen met onbeschrijfelijke smarten beloonen.”
Met deze woorden verliet zij de zaal, besteeg met wankelende schreden de trap, en toen zij weder naast de legerstede van de arme waanzinnige neerzat, schonk de goede God haar den lenigenden balsem van te kunnen weenen. Haar vriend, de arts, vond haar weenende en stoorde haar niet, tot zij zelve hem bij haar riep en hem toevertrouwde, wat haar op dezen moeielijken dag overkomen was.
Orion en Katharina hadden hunne blijmoedige stemming verloren en begaven zich ernstig naar de zuilengaanderij terug. Toen zij onderweg bij hem op verklaring aandrong, waarom hij haar verleid had dit getuigenis af te leggen, troostte hij haar met een uitstel tot morgen. Zij vonden vrouw Susanna alleen, want zijne moeder was bij haar gemaal geroepen, wiens lijden was verergerd, en had de kleine Maria medegenomen. Nadat hij de weduwe begroet en haar met Katharina naar den wagen geleid had, keerde hij naar de rechtzaal terug.
Daar gekomen zette hij den rechters de geheele toedracht der zaak en alles wat tegen den vrijgelatene getuigde nog eens in een kort bestek uiteen. Daarop werd het oordeel geveld. De trouwe Hiram werd ter dood veroordeeld. Alleen de stem van den rentmeester Nilus had er zich tegen verklaard. Orion beval de voltrekking van het vonnis op te schorten en keerde niet weder in huis terug. Hij liet zijn wildsten hengst zadelen en reed geheel alleen de woestijn in. Hij had overwonnen, maar het was als ware hij bij die wedstrijd in het slijk geraakt en moest hij daarin stikken.