ZESTIENDE HOOFDSTUK.De arts had toen hij Paula verliet haar gezegd, dat de Mukaukas elk oogenblik kon sterven, maar het was ook mogelijk, dat hij nog weken lang met den dood zou worstelen. Dat uitzicht scheen haar te troosten, want de gedachte dat de eenige ware vriend, dien zij in Memphis had bezeten, voor zij Philippus nader had leeren kennen, voor altijd zou heengaan, zonder hare rechtvaardiging te hebben gehoord, kwam haar onverdragelijk voor. Het was allesbehalve waarschijnlijk dat men in de omgeving van vrouw Neforis, met uitzondering van de kleindochter, haar in liefde zou gedenken, en zij verlangde er ook niet naar; maar de achting, die zij zich ook in het stadhouderlijk verblijf verworven had, wilde zij niet verliezen. Indien het den vriend gelukte de dagen van haar oom nog te verlengen, dan kon zij, wanneer de ware toedracht der zaak openlijk te zijner kennis werd gebracht, zijne oude vriendelijke gezindheid en zijn goedgunstig oordeel herwinnen.Zij beschouwde haar tegenwoordig verblijf als eene plaats van overgang, een wachtstation op den woestijntocht van haar eenzaam bestaan, en wat zij geleerd had onder hare Memphietische verwanten, daarvan wilde zij hier partij trekken. De hoop was thans meesteres in haar hart over smart en teleurstelling. Alleen de nabijheid van Orion hing als eene dreigende hagelwolk boven het bloeiende graanveld van haren innerlijken vrede, en toch was er niets, behalve de noodzakelijkheid van den bode hier af te wachten, dat haar vaster aan Memphis verbond, dan de mogelijkheid van ten minste uit de verte den verderen loop zijns levens te kunnen volgen. Wat zij voor hem gevoelde—zij zelve noemde het diepen afkeer—maakte, al wilde zij dit zichzelve ook niet toegeven, een wezenlijk deel uit van haar innerlijk leven.Haar nieuwe gastheer had haar als eene lieve huisgenooteopgenomen en het schenen wel geen arme lieden te zijn; hun huis was zeer ruim en zij het ook wat ouderwets en zonder opschik, toch gemakkelijk en met fijnen kunstzin ingericht. Zij was er door verrast dat de tuin zoo keurig onderhouden werd; een gebochelden tuinman en eenige kinderen had zij er druk in zien werken. Het bleken zonderlinge helpers te zijn, want evenals hun scheefgegroeide meester, bezaten ze allen een of ander lichamelijk gebrek.Het stuk grond, dat reikte tot aan de langs den Nijloever aangelegde straat voor voetgangers, wagens en sleepers van Nijlschepen, was smal en grensde aan weerszijden aan grootere eigendommen, en niet ver van de plaats waar het den stroom naderde, begon de schipbrug, die Memphis met het eiland Roda verbond. Aan de rechterzijde van deze bezitting lag het haar welbekende schoone huis, een paleis mocht men het wel noemen, van de weduwe Susanna; aan de linkerzijde een wijd uitgestrekt bosch, waarin slanke palmen, sykomoren met breede bladerenkronen en dicht opeen gegroeide blauwgroene tamarisken hunne schaduwen verspreidden. Tusschen deze vereeniging van prachtig opgeschoten planten en oude boomen lag een langwerpig geel, met een torentje gekroond gebouw verscholen, dat haar evenzeer niet onbekend was; want men had er ten huize van den stadhouder dikwijls over gesproken, en zij was hier reeds eenige malen geweest in het gezelschap van Perpetua. Dit was het Cæcilia-klooster, dat de laatste nonnen van haar orthodox geloof herbergde, die in Memphis nog geduld werden. Terwijl alle andere zusters van hare geloofsbelijdenis sedert lang uit de stad waren verdreven, mochten zij in hare oude woonstede blijven, niet alleen omdat men haar waardeerde als goede ziekenverpleegsters, een voorrecht waarop ook andere Melchietische orden konden roemen, maar veelmeer, omdat de verarmde stad de rijke belasting niet wilde missen, die zij jaarlijks betaalden. Die belasting vertegenwoordigde de renten van een aanzienlijk kapitaal, hetwelk een der voorvaderen van den Mukaukas aan het klooster had vermaakt, en wel met deze voorzichtige door Theodosius II met zijn keizerlijk zegel bekrachtigde bepaling, dat deze stichting, zoodra het klooster zou worden opgeheven, tegelijk met de landerijen en wat daarop gebouwd was—die het coenobium insgelijks aan de vrijgevigheid van den stichter te danken had—aan den regeerenden christelijken keizer in eigendom zouden overgaan.De overleden Mukaukas, had, niettegenstaande zijne stellige afkeer van al wat Melchietisch was, zich wel gewacht om de nuttige nonnen iets in den weg te leggen en hare groote bezittingen aan zijne verarmde vaderstad te onttrekken, ten eindeze den rijken muzelman in handen te spelen. De oorkonde, waarop de zusters haar recht grondden, was deugdelijk, en de rechtsgeleerde en verstandige stadhouder had haar niet enkel onaangetast gelaten, al was hij in de laatste jaren ook meer beangst geworden voor zijn eigen persoon, maar was zelfs zonder vrees voor wien dan ook, bepaald en onbewimpeld tegen het machtig opperhoofd der Jacobietische kerk voor hare rechtsgeldigheid in de bres gesprongen. Natuurlijk billijkte de Senaat van de vroegere hoofdstad Memphis zijne beslissing en duldde niet alleen de zusters die tot een ander geloof behoorden, maar verleende haar ook menigmaal bijstand.De Jacobietische geestelijkheid van de stad zag deze instelling door de vingers en richtte alleen omstreeks paschen haar oog naar het klooster, want op den voorafgaanden Zaterdag moesten de nonnen, overeenkomstig eene voor het monophusietisch schisma gemaakte bepaling, geborduurde priestergewaden, wijn van de voortreffelijkste wijnbergen bij Kochome in de nabijheid van de trappen-pyramide, en eene aanzienlijke hoeveelheid bloemen en gebak aan de Christus-kerk opbrengen. Zoo bleef het oude vrouwenklooster bestaan, en ofschoon geheel Egypte thans alleen Jacobietisch of Mohammedaansch was, en menige oude zuster in het laatste jaar het tijdelijke met het eeuwige verwisseld had, vroeg toch niemand er naar hoe het kwam, dat het aantal nonnen altijd op dezelfde hoogte bleef, totdat de Jacobietische aartsbisschop Benjamin in plaats van den Melchiet Cyrus den patriarchalen zetel innam. Dezen kerkvorst waren de kettersche vrouwen in Memphis, de havikken in de duiventil, zooals hij ze noemde, een gruwel, en hij meende de oude schenkingsoorkonde zoo te kunnen uitleggen, dat, aangezien er geen zuiver christelijk keizer meer was, terwijl het woord »christelijk” uitdrukkelijk in de oorkonde stond, het klooster bij zijne opheffing aan het eenig christelijk opperhoofd, dat het land thans bezat, dat wilde zeggen aan hem en zijne kerk moest vervallen. De kwade gezindheid van den patriarch tegen den Mukaukas was door den tegenstand, die hij in dit opzicht bij dezen had gevonden, tot openbare vijandschap geworden.Uit dit klooster vernam Paula thans een welluidend klaaggezang. Was de waardige abdis der nonnen gestorven? Neen, dit treurlied moest betrekking hebben op een ander sterfgeval, want door devenstersvan hare hoekkamer, die op den Nijl uitzagen, vernam zij van de straat, de schipbrug en uit eenige booten op den stroom de vreemde, schrille klaagtonen van Egyptische vrouwen. Geen Jacobietisch bewoner van Memphis zou het gewaagd hebben om bij den dood eener Melchietische op zulk eene wijze aan zijne droefheid lucht te geven, en toen hetaantal klagenden bleek toe te nemen, huiverde zij bij de gedachte, dat haar oom en vriend de vriendelijke, vermoeide oogen had gesloten. Diep bewogen en met betraande oogen bemerkte zij, hoe oprecht de dood van dezen rechtschapen man door al zijne medeburgers werd betreurd. Ja, hem alleen en geen ander Egyptenaar kon deze groote en levendige droefheid gelden. Weeklagende vrouwen op straat bestreken zich de borst en het voorhoofd met het Nijlslib van den oever; mannen bleven bij groepen staan en sloegen zich met hartstochtelijke gebaren voor het hoofd en op de borst. Op de schipbrug hield de een den ander staande, en ook van daar drongen weemoedige klaagtonen haar in de ooren.Eindelijk verscheen Philippus om te bevestigen wat zij wel vreesde. De dood van den stadhouder had hem niet minder getroffen dan haar, en hij moest Paula thans alles mededeelen wat hij wist van de laatste ure van den afgestorvene.»Bij al dezen jammer,” dus besloot de arts, »heb ik toch iets goeds opgemerkt. Wie zou er gaarne dwalen? En toch verheugt ons niets zoozeer dan het inzicht van zich in een mensch en zijne gezindheid tot zijn nadeel bedrogen te hebben. Deze Orion, die zich zelven zoo vergeten en zich zoo jegens u bezondigd heeft, is toch geen verloren mensch.”»Niet?” vroeg Paula haastig. »Zoo heeft hij dan ook u misleid?”»Misleid?” vroeg de arts. »Dat zou niet licht gebeuren. Ik heb helaas aan vele, zeer vele sterfbedden gestaan; want in den regel roept men mij eerst, wanneer de dood den kranke reeds met den vinger wenkt. Duizende bedroefden heb ik op zulke plaatsen des lijdens aangetroffen, en ik verzeker u, dat zijn de beste scholen, de beste akademiën voor iedereen, die het binnenste van zijne medemenschen wenscht te leeren kennen. Hier en op de markt, waar ’t om het mijn en dijn te doen is, ziet men onder ons mannen, die vaak wat edel en groot in ons is even zorgvuldig voor de wereld verbergen als anderen het gemeene en onbeduidende, ziet men, zeg ik, den mensch in zijn open gemoed. Na vele stervenden te hebben gezien en anderen die rouw over hen dragen, zou ik, al ben ik geen Menander of Lucianus, eene breede rij van menschenbeelden kunnen teekenen, die zoo waarachtig zijn als hadden zij hun binnenste buiten gekeerd.”»Dat stervenden zich voordoen gelijk zij zijn,” hernam Paula, »dat neem ik gaarne aan. Zij hebben zich niet meer voor anderen te ontzien; maar de rouwdragenden? Reeds het fatsoen vordert van hen, dat zij zich verslagen toonen en tranen storten.”»Ja, aan de sterfbedden heerscht droefheid,” vervolgdedearts, »maar het doodenvertrek is als eene kerk. De dood wijdt het en wie hem in het aangezicht ziet, die laat vaak het masker vallen, waarmede hij anders zijne medemenschen bedriegt. Dan ziet men aangezichten die ons doen huiveren, maar ook andere, die wij niet kunnen beschouwen zonder dat ze ons opnieuw met achting vervullen voor dat ellendig geslacht, waartoe we ons anders moeten rekenen.”»En voor zulk eene troostrijke figuur houdt gij Orion, den roover, den vervalscher der getuigen, den onrechtvaardigen rechter?” vroeg Paula, die van verbazing zich niet kon inhouden.»Wel zie nu eens!” zeide de arts lachend. »Net als alle andere vrouwen! Een goochelkunstje, en in een oogwenk is purper wat zoo even nog rozenrood was! Neen, tot zulk kleurverwisselingen heeft de zoon van den Mukaukas het nog niet gebracht, maar—en dit stel ik reeds hoog—hij heeft nog een hart dat voelt en voor indrukken vatbaar is. Het is voor mij boven allen twijfel verheven, dat hij met warme, ja hartstochtelijke liefde aan zijn vader gehecht was, ofschoon ik anders grond genoeg heb om het ergste van hem te denken. Zoolang ik tegenwoordig kon zijn bij dit sterven, was ik er getuige van, dat vader en zoon in vriendschap, ja teeder van elkander afscheid namen, en toen het arme hart van den braven, ouden man stilstond, vond ik Orion in een toestand weder, zooals wij die verwachten kunnen van geliefden, die verloren wat hun het dierbaarst op aarde was.”»Comediespel!” riep Paula, haar vriend in de rede vallende.»Voor zulk een spel, lieve vriendin, ontbrak het aan toeschouwers. Zulke aandoeningen dringt een Orion zich niet op voor zijne moeder en de kleine Maria.”»Maar hij is een dichter, en nog wel een hoogbegaafde. Hij zingt bij de lier heerlijke liederen, die hijzelf heeft gemaakt. Zijn geoefende, levendige geest verplaatst hem gemakkelijk in die stemming. Maar zijne ziel is verdorven, als eene spons met water zoo is hij verzadigd met goddeloosheid. Hij is een vat met schoone gaven, maar al wat er goeds en groots in hem was heeft hij verloren, alles!”Het verontwaardigde meisje had deze woorden haastig uitgesproken. De toorn had hare wangen doen kleuren en zij meende den arts tot hare zienswijze te hebben overgehaald. Doch deze schudde ernstig het hoofd en zeide: »Uwe rechtmatige boosheid voert u te ver. Hoe vaak hebt gij mij over mijn scherp oordeel en mijn twijfel berispt? Doch nu verzoek ik u mij te veroorloven u te doen deelen in eene ervaring, waartegen gij waarschijnlijk eergisteren nog niets zoudt hebben ingebracht.Ik heb booswichten van allerlei slag ontmoet. Denk maar eens hoeveel moorden door vergiftiging ik had te onderzoeken!”»Homeros noemde reeds Egypte het gifland,” zeide Paula, »en het is onbegrijpelijk dat het christendom hierin nog niets veranderd heeft. Meer boosheid, bedrog, haat en wangunst dan hier, heeft zelfs de wijze Kosmas, die de geheele wereld doorreisde, nergens aangetroffen.”»Gij ziet nu in welk eene goede school mijne ervaringen over het booze in den mensch gerijpt zijn,” zeide de arts lachend, »en zij leeren mij dat er geen misdadiger, zondaar of booswicht is, hoe verhard en verdorven, hoe gruwelijk en gewetenloos hij ook zijn mag, in wien nog niet eene of andere goede eigenschap is overgebleven. Herinnert gij u nog die afschuwelijke gifmengster Nechebt, die hare beide broeders en haar eigen vader om het leven bracht? Het is nog pas drie weken geleden gebeurd. En datzelfde beest in menschelijke gedaante heeft voor haar ontaarden zoon, die in het keizerlijke leger diende, honger en dorst geleden, zoodat zij bijna was omgekomen; zij is eindelijk eene gifmengster geworden, niet om haar eigen jammerlijken toestand te verbeteren, maar om den schandelijken jongen middelen te verschaffen voor nieuwe zwelgerijen. Ontelbare voorbeelden van dien aard zou ik kunnen aanvoeren, doch ik wil u alleen nog iets vertellen van een der bloeddorstigste en wreedaardigste roovers, die ontelbare malen aan de veiligheidsbeambten wist te ontkomen, tot hij hun eindelijk in handen viel. En waardoor? Omdat hij gehoord had dat zijn oud moedertje zwaar ziek was, en het verlangen hem te machtig was geworden om het rimpelige wijfje nog eens weer te zien, haar nog eens te kussen, gelijk toen hij een kind was.—Nu, zoo heeft Orion, voor hoe verdorven wij hem anders ook houden mogen, in elk geval eene eigenschap, die wij moeten erkennen: eene teedere liefde voor zijn vader en zijne moeder. Uwe spons verzadigt zich niet geheel met hetgeen gij goddeloosheid noemt: daar blijven altijd nog poriën open, die weerstand bieden. En als bij hem, gelijk bij anderen, het hart hiertoe behoort, dan zeg ik vol hoop met den Romein Horatius: ‘Nil desperandum!’ het zou onrecht zijn, indien wij hem geheel wilden opgeven.”Paula wist op deze verzekering geen antwoord te geven, ja de gedachte kwam bij haar op dat Orion, als hij niet gelogen had, alleen ter wille van zijne moeder, het kwikstaartje had gevrijd, met haar beeld in zijn hart. Juist begon de arts, die het gesprek liever op een ander onderwerp wilde brengen, weder te spreken over de laatste levensuren van Mukaukas, toen eene der mismaakte dienstmeisjes eene vrouw kwam aanmelden, die de dochter van Thomas verlangde te spreken. Weinige oogenblikkenlater lag het meisje aan de borst van hare oude, trouwe vriendin, de voedster, en deze juichte zoo vroolijk en lachte en weende zoo hartelijk uit louter blijdschap, als ware haar geen kwaad overkomen, terwijl Paula, de jongere, wie het gebeurde zielsleed had gedaan, de gedachte daaraan niet van zich kon zetten.Perpetua begreep haar en duidde haar die kalmte niet euvel, ofschoon zij zelve als dronken was van vreugde. Zij was, zoo vertelde zij, in hare heete gevangenis goed verzorgd, en een half uur geleden had de jonge heer, Orion zelf, de deur voor haar geopend. Hij was zeer genadig geweest, terwijl hij er bleek en ontdaan uitzag. De overmoedige jonge man was geheel verouderd, zijne bekreten oogen hadden haar, Perpetua, tot tranen geroerd. Wat Orion Paula en haarzelve gisteren had aangedaan, dat mocht God hem vergeven. Zeker was hij door booze geesten bezeten, want hij was zichzelf niet; maar hij bezat een vriendelijk goed hart, en ofschoon hij zich ook voor de rechters hard en onrechtvaardig jegens den armen Hiram had betoond, zoo had hij toch heden vroeg alles weder goed gemaakt. Hij had dezen niet alleen uit zijne gevangenis doen ontslaan, maar hem, zooals zij van den rentmeester Nilus had vernomen, met zijn jongen, twee paarden en rijke geschenken naar Damascus gezonden. Wie zelf verlangt dat zijn naaste hem vergeven zal, die mocht ook dezen jonkman gaarne vergeven. De groote Augustinus was in zijne jeugd zeker geen toonbeeld van deugd geweest en toch een licht der kerk geworden, en zoo zou de zoon van den Mukaukas ook wel in de voetstappen zijns vaders treden. Hij was zeker een goed en schoon jonkman, die ieder stof tot vreugde kon geven. Heden had hij zich zoo ernstig en plechtig gedragen als een bisschop, en misschien wandelde hij reeds op beter wegen. Wat Paula er van zeggen mocht: hijzelf had haar naar den wagen zijner moeder gebracht, en den menner bevolen haar hierheen te rijden. Haar boeltje zou morgen aan haar afgegeven en onder hare eigene oogen ingepakt en weggezonden worden. De rentmeester Nilus was met haar medegekomen, om eene boodschap aan Paula over te brengen. Hij was eerst naar het Caecilia-klooster gegaan.Paula verzocht haar hem vandaar te gaan halen, en zoodra Perpetua het vertrek verlaten had, zeide zij tot den arts: »Gij hebt reeds iemand gevonden, die het met u eens is. Wat zijn de menschen toch veranderlijk. Gisteren avond vond mijne kloeke Betta geen afgrond der hel diep genoeg voor onzen vijand; en nu! Ja, het is vleiend door zulk een heerschap in eigen persoon naar den wagen gebracht te worden; en hoe rasheeft mijn oudje al haar leed vergeten, hoe rustig en tevreden is zij, nu haar genadig verlof werd gegeven om de nette zaakjes, waaraan zij zoo gehecht is, eigenhandig in te pakken. Gij hebt mij eens gezegd dat de Jacobieten van den heidenschen god Osiris een heiligen Orion hebben gemaakt, en zoo ziet mijne Betta reeds in den zoon van den Mukaukas een toekomstigen Augustinus. Ik zie reeds hoe zij hem tot haar schutspatroon maakt, en mij, als wij eerst weer in Syrië zijn, smeekt om met haar eene bedevaart naar hem te doen.”»En misschien doet gij het haar ten gevalle,” zeide de arts, die sedert zijn hart in liefde voor haar ontbrand was, Paula heden voor het eerst niet zoo gestemd vond, als een man meent te mogen verwachten van de vrouw die hij aanbidt. Tot hiertoe had hij niets in haar opgemerkt, van haar gehoord of ondervonden, wat niet waardig en edel was, maar hare laatste woorden waren op heftigen, bitteren, sarcastischen toon geuit, en berisping en bespotting, die niet ten doel hadden te verbeteren maar te krenken, waren naar zijne overtuiging een edel vrouwelijk wezen onwaardig. Dat honend gelach, waarmede zij hare woorden besloot, had hem maar al te duidelijk geopenbaard, welk eene breede klove er gaapte tusschen hare en zijne inzichten. Hij was, dat kon hij zich niet ontveinzen, soms groffer, en niet zoo fijn ontwikkeld als Paula, en hij spotte meer dan goed was. Tot hiertoe had juist deze zijne gewoonte haar mishaagd, en dat had hem aangemoedigd, dat was geheel overeenkomstig het ideaal, hetwelk hij zich gevormd had van de vrouw naar zijn hart. En nu verviel zij tot eene spotternij, die haar niet schertsend over de lippen kwam, maar hartstochtelijk opwelde uit haar innig verstoord gemoed, en deze opmerking deed den menschenkenner leed en maakte hem tegelijk bezorgd.Paula kon het hem aanzien, dat hij hare laatste woorden afkeurde, en gevoelde dat die volzin: ‘misschien doet gij het haar ten gevalle’, eene diepere beteekenis had. De mannen, dacht zij, worden boos, wanneer zij hunne zienswijze zeer duidelijk hebben uitgesproken en wij vrouwen het wagen er onverwijld eene andere tegenover te stellen. Daar zij den vriend, aan wien zij zooveel goeds te danken had, voor geen prijs wilde krenken, zeide zij vriendelijk: »Ik wil de bedoeling van uwe zonderlinge profetie niet nasporen. Goddank is door uwe vriendelijke en verstandige tusschenkomst thans elke band tusschen mij en den zoon van mijn armen oom afgesneden. Spreken wij daarom over wat anders; wij hebben ons reeds te veel met hem beziggehouden!”»Zoo denk ook ik er over,” zeide de arts. »Overigens verzoek ik u mijn ‘misschien’ te vergeten. Ik ben een man vanhet tegenwoordige en geen profeet, maar dat zie ik toch aankomen, dat Orion alle pogingen in het werk zal stellen, om—het koste wat het wil—”»Welnu?”»Om eene toenadering te bewerken, uwe vergeving te verwerven, uw hart te treffen, u....”»Dat hij het beproeve!” sprak Paula, terwijl zij de rechterhand dreigend ophief.»En wanneer hij, de in ieder opzicht zoo veel begaafde, weder geheel tot zichzelven komt, en als een gelouterd man, die zich de achting van alle weldenkenden weet te verwerven....”»Dan toch zal ik nooit vergeven wat hij misdreven en mij aangedaan heeft. Meent gij, dat ik uw gesprek met Neforis nu reeds vergeten ben? Gij verlangt van uwe vrienden niets anders dan eene wakkere gezindheid, die aan de uwe beantwoordt, en wat anders dan juist die gezindheid heeft mij van Orion vervreemd? Ontelbaren hebben hunne handelwijze veranderd, maar ook—antwoord mij oprecht—ook hetgeen wij onder ‘gezindheid’ verstaan?”»Ook deze,” antwoordde haar de arts met diepen ernst, »ook deze kan veranderen. Of wilt gij u aan de zijde van den koopman en zijne muzelmansche geloofsgenooten scharen, die den mensch beschouwen als een speelbal van het blinde noodlot? Wat ons, volgens de opvatting onzer godgeleerden tot iets voorbestemd, dat is het kwade, hetwelk wij mede ter wereld brengen; de inwendige wedergeboorte, zooals zij het noemen, kan het onschadelijk maken en ten goede leiden. Maar aan wien gelukt het midden in het gewoel van de wereld, in den zin waarin de kerk het bedoelt, zichzelven te dooden, als levend te sterven en als nieuw mensch weder op te staan? Het gewaad van een boeteling past niet voor een Orion; doch er zijn voor hem andere mogelijkheden om het pad terug te vinden, dat hij verlaten heeft. Het lot heeft zijn verwenden lieveling tot heden zooveel vreugde geschonken, dat hij te midden van zooveel genot en stof tot dankbaarheid geen tijd vond om over het leven na te denken. Thans toont het hem zijn ernst en verlangt van hem dat hij zich bezinnen zal, en als hij een vriend vindt die hem toeroept, wat mijn vader mij reeds in een brief leerde, dien hij zijn eenigen kleinen jongen naliet, en hij genegen is dien te hooren, dan houd ik hem voor gered.”»En hoe luidt dat woord, die raad?” vroeg Paula in spanning.»In het kort aldus: Het leven is geen maaltijd, die de voorzienigheid ons voorzet om er van te genieten, maar een dienst dien zij ons te vervullen geeft met onze beste krachten. Ieder onderzoeke zijn aard en zijne gaven, en hoe beter het hem geluktdie aan te wenden tot heil en zegen van de maatschappij, waarvan hij als lid ter wereld kwam, des te meer zal hij zich innerlijk gelukkig gevoelen, des te zekerder zal hij eene heerlijke zielsrust verwerven, des te minder vrees zal de dood hem aanjagen. In het bewustzijn van ook zaden voor de toekomst te hebben uitgestrooid, sluit hij als een trouw huismeester aan den avond van elken dag en aan het einde van de laatste hem verleende levensure de oogen. Ziet Orion dat in, is hij bereid zich niet te onttrekken aan de verplichting die zijn bestaan hem oplegt, wijdt hij daaraan met oprechten ernst al zijne krachten, dan kan er een dag komen, waarop ik zelf met waardeering, ja met bewondering tot hem zal opzien. De schipbreuk, waarvan de Arabier sprak, is gekomen. Zien wij toe hoe hij zich uit de golven redt en na de stranding gedraagt.”»Zien wij toe,” herhaalde Paula, »en laten wij wenschen dat hij een raadsman zal vinden! Toen ik u daar hoorde spreken kwam de gedachte bij mij op als rustte op mij de verplichting.... Maar neen, neen! Hij zelf heeft door zijn roekeloos gedrag alle aanspraak op medelijden verloren, die ik na zulk een schrikkelijken slag ook voor een vijand zou mogen gevoelen. Hij, hij kan en zal niets voor mij zijn tot het einde der dagen. U ben ik dankbaar, dat deze vreedzame haven zich voor mij geopend heeft, help mij om al het vijandige te verbannen, dat zou kunnen naderen om de rust in dit toevluchtsoord te verstoren. Waagt Orion het, met welk doel dan ook, zich toegang te verschaffen tot dit huis of het binnen te sluipen, dan verlaat ik mij op u, mijn vriend en redder!”Bij deze woorden bood zij Philippus de hand, en terwijl hij de hare greep vloeide hem het bloed weder sneller door de aderen, en zeide hij blijmoedig: »Mijne kracht en mijn hart behooren u. Beschik daarover, en wanneer uwe ziel de vurige liefde van een trouw en eenvoudig man...”»Niet verder, neen, neen, Philippus!” sprak Paula, hem met angstige opgewondenheid in de rede vallende. »Laat ons als vrienden, als broeder en zuster innig aan elkander verbonden blijven.”»Als broeder en zuster?” herhaalde hij dof en met een weemoedig lachje. »O ja, ook de vriendschap is schoon. Doch—laat mij uitspreken—ik had van liefde gedroomd, hier, hier binnen voelde ik de branding van den golfslag der hartstochten, en ik voel haar nog.... Maar man, man....” en hier drukte hij de vuist tegen zijn voorhoofd—»hebt gij dwaas dan uw spiegelbeeld vergeten, weet gij niet meer dat gij een leelijke, grove gezel zijt, dat voor u de prachtige bloem, waarnaar gij streeft....”Bij dien heftigen uitval van vertwijfeling ging Paula eenige schreden terug, maar dadelijk liep zij haar vriend weer tegemoet, en terwijl zij moedig zijne hand greep, zeide zij met warmte: »Niet zoo, Philippus, mijne lieve, trouwe, eenige vriend. De prachtige bloem die gij verlangt, noch ik, noch iemand kan u haar schenken. Ik bezit haar niet meer, want toen zij zich eens hier binnen had ontplooid, zijn er voeten gekomen die haar roekeloos vertraden. Smaad niet dat spiegelbeeld, noem u zelven geen grove gezel. Zooals gij zijt, zoo kan ook de beste, de schoonste trotsch zijn op uwe liefde. Ben ik niet reeds trotsch en zal ik het niet blijven op uwe vriendschap?”»Vriendschap, vriendschap!” herhaalde hij heftig, zijne hand uit de hare rukkend. »Dit brandende, smachtende hart dorst naar gansch andere gevoelens! O vrouw, vrouw! Ik ken de ellendeling, die de bloem der bloemen in uw hart heeft vertreden, en ik dwaas ben zijn lofredenaar, zijn verdediger en—het koste wat het wil—zal het blijven, zoolang gij... Misschien schiet die prachtige bloem nieuwe wortels in den bodem van den haat, en ik, ongelukkige, die haar begoot, kan toezien.”Paula vatte nog eens beide handen van den arts en zeide in diepe smartelijke zielsangst: »Ik bid, ik bezweer u, ga zoo niet voort, hoe kan ik zonder mijzelve in gevaar te brengen van de grenzen der betamelijkheid te overschrijden, die het zedelijk gevoel eener jonkvrouw gebiedt te eerbiedigen; en hoe kan ik hier onder uwe bescherming in dagelijksche gemeenschap met u rustig leven, wanneer gij de grenzen niet ontziet, die eene trouwe, oprechte vriendschap afbakenen? Ik ben een verlaten meisje, en zou vertwijfelen en mijzelven prijsgeven, wanneer het geloof mij niet beschutte, dat ik mij op mijzelve verlaten kan. Vergenoeg u met hetgeen ik u thans kan aanbieden, en God zal u er voor beloonen! Laten wij beiden de achting waardig blijven, die wij, den hemel zij dank, met goed recht voor elkander gevoelen.”De arts boog zich bewogen tot haar neder, drukte, zichzelven bijna niet meester, de lippen op hare blanke en krachtige hand, terwijl Perpetua juist met den rentmeester de kamer binnen kwam.De eerlijke beambte, een eenvoudig man, van middelbare grootte en nog niet oud, met een bleek, fijn, verstandig gelaat, waarin de zorgen, de zware arbeid en de last der verantwoordelijkheid diepe sporen hadden gegroefd, sloeg haastig een scherpen blik op beiden en legde daarna eene belangrijke som in goudstukken voor Paula neder. Zijn jonge meester zond dit geld overeenkomstig den wil van zijn overleden vader, om in de eerste behoeften te voorzien; het overige of grootste gedeeltevan haar vermogen zou haar tegelijk met de afrekening uitbetaald worden, na de begrafenis van den Mukaukas. Wat het bedrag harer bezitting aanging, dit kon Nilus reeds nu ongeveer opgeven, en het bleek dat dit zoo groot was, dat Paula hare ooren niet gelooven kon. Zij zag zich nu gevrijwaard voor alle verdere zorgen, ja, zij was zoo welgesteld, dat zij in staat geweest zou zijn om in overdaad te leven.De arts was getuige geweest van dit onderhoud, en het had zijn hart angstig doen kloppen. De gedachte had hem zoo gelukkig gemaakt, dat hij voor de arme wees Paula alles zou zijn en hij haar voor uitwendig gebrek zou hebben kunnen bewaren. Hij was bereid geweest alles op zich te nemen, om de Damasceensche een behoorlijk onderkomen te verschaffen en haar te voorzien van alles wat zij noodig kon hebben, en nu bleek het dat zijne beschermeling niet alleen voornamer, maar ook rijker was dan hij. Het was hem als had Orions bode hem van eene schoone levensvreugde beroofd; en nadat hij haar gebracht had bij haar wakkeren ouden gastheer en de zijnen, verliet hij met gebogen hoofd het huis van Rufinus. Toen de tijd kwam om zich ter ruste te begeven, mocht Perpetua hare lieve meesteres weder helpen ontkleeden. Doch Paula kon den slaap niet vatten, en toen zij den volgenden morgen zich bij hare nieuwe vrienden voegde, moest zij erkennen dat zoo ergens hier de plaats was, waar zij den verloren vrede terug kon vinden, dat zij echter nog veel zou hebben te worstelen en een langen weg moeten afleggen, voor zij dien bereiken kon.
ZESTIENDE HOOFDSTUK.De arts had toen hij Paula verliet haar gezegd, dat de Mukaukas elk oogenblik kon sterven, maar het was ook mogelijk, dat hij nog weken lang met den dood zou worstelen. Dat uitzicht scheen haar te troosten, want de gedachte dat de eenige ware vriend, dien zij in Memphis had bezeten, voor zij Philippus nader had leeren kennen, voor altijd zou heengaan, zonder hare rechtvaardiging te hebben gehoord, kwam haar onverdragelijk voor. Het was allesbehalve waarschijnlijk dat men in de omgeving van vrouw Neforis, met uitzondering van de kleindochter, haar in liefde zou gedenken, en zij verlangde er ook niet naar; maar de achting, die zij zich ook in het stadhouderlijk verblijf verworven had, wilde zij niet verliezen. Indien het den vriend gelukte de dagen van haar oom nog te verlengen, dan kon zij, wanneer de ware toedracht der zaak openlijk te zijner kennis werd gebracht, zijne oude vriendelijke gezindheid en zijn goedgunstig oordeel herwinnen.Zij beschouwde haar tegenwoordig verblijf als eene plaats van overgang, een wachtstation op den woestijntocht van haar eenzaam bestaan, en wat zij geleerd had onder hare Memphietische verwanten, daarvan wilde zij hier partij trekken. De hoop was thans meesteres in haar hart over smart en teleurstelling. Alleen de nabijheid van Orion hing als eene dreigende hagelwolk boven het bloeiende graanveld van haren innerlijken vrede, en toch was er niets, behalve de noodzakelijkheid van den bode hier af te wachten, dat haar vaster aan Memphis verbond, dan de mogelijkheid van ten minste uit de verte den verderen loop zijns levens te kunnen volgen. Wat zij voor hem gevoelde—zij zelve noemde het diepen afkeer—maakte, al wilde zij dit zichzelve ook niet toegeven, een wezenlijk deel uit van haar innerlijk leven.Haar nieuwe gastheer had haar als eene lieve huisgenooteopgenomen en het schenen wel geen arme lieden te zijn; hun huis was zeer ruim en zij het ook wat ouderwets en zonder opschik, toch gemakkelijk en met fijnen kunstzin ingericht. Zij was er door verrast dat de tuin zoo keurig onderhouden werd; een gebochelden tuinman en eenige kinderen had zij er druk in zien werken. Het bleken zonderlinge helpers te zijn, want evenals hun scheefgegroeide meester, bezaten ze allen een of ander lichamelijk gebrek.Het stuk grond, dat reikte tot aan de langs den Nijloever aangelegde straat voor voetgangers, wagens en sleepers van Nijlschepen, was smal en grensde aan weerszijden aan grootere eigendommen, en niet ver van de plaats waar het den stroom naderde, begon de schipbrug, die Memphis met het eiland Roda verbond. Aan de rechterzijde van deze bezitting lag het haar welbekende schoone huis, een paleis mocht men het wel noemen, van de weduwe Susanna; aan de linkerzijde een wijd uitgestrekt bosch, waarin slanke palmen, sykomoren met breede bladerenkronen en dicht opeen gegroeide blauwgroene tamarisken hunne schaduwen verspreidden. Tusschen deze vereeniging van prachtig opgeschoten planten en oude boomen lag een langwerpig geel, met een torentje gekroond gebouw verscholen, dat haar evenzeer niet onbekend was; want men had er ten huize van den stadhouder dikwijls over gesproken, en zij was hier reeds eenige malen geweest in het gezelschap van Perpetua. Dit was het Cæcilia-klooster, dat de laatste nonnen van haar orthodox geloof herbergde, die in Memphis nog geduld werden. Terwijl alle andere zusters van hare geloofsbelijdenis sedert lang uit de stad waren verdreven, mochten zij in hare oude woonstede blijven, niet alleen omdat men haar waardeerde als goede ziekenverpleegsters, een voorrecht waarop ook andere Melchietische orden konden roemen, maar veelmeer, omdat de verarmde stad de rijke belasting niet wilde missen, die zij jaarlijks betaalden. Die belasting vertegenwoordigde de renten van een aanzienlijk kapitaal, hetwelk een der voorvaderen van den Mukaukas aan het klooster had vermaakt, en wel met deze voorzichtige door Theodosius II met zijn keizerlijk zegel bekrachtigde bepaling, dat deze stichting, zoodra het klooster zou worden opgeheven, tegelijk met de landerijen en wat daarop gebouwd was—die het coenobium insgelijks aan de vrijgevigheid van den stichter te danken had—aan den regeerenden christelijken keizer in eigendom zouden overgaan.De overleden Mukaukas, had, niettegenstaande zijne stellige afkeer van al wat Melchietisch was, zich wel gewacht om de nuttige nonnen iets in den weg te leggen en hare groote bezittingen aan zijne verarmde vaderstad te onttrekken, ten eindeze den rijken muzelman in handen te spelen. De oorkonde, waarop de zusters haar recht grondden, was deugdelijk, en de rechtsgeleerde en verstandige stadhouder had haar niet enkel onaangetast gelaten, al was hij in de laatste jaren ook meer beangst geworden voor zijn eigen persoon, maar was zelfs zonder vrees voor wien dan ook, bepaald en onbewimpeld tegen het machtig opperhoofd der Jacobietische kerk voor hare rechtsgeldigheid in de bres gesprongen. Natuurlijk billijkte de Senaat van de vroegere hoofdstad Memphis zijne beslissing en duldde niet alleen de zusters die tot een ander geloof behoorden, maar verleende haar ook menigmaal bijstand.De Jacobietische geestelijkheid van de stad zag deze instelling door de vingers en richtte alleen omstreeks paschen haar oog naar het klooster, want op den voorafgaanden Zaterdag moesten de nonnen, overeenkomstig eene voor het monophusietisch schisma gemaakte bepaling, geborduurde priestergewaden, wijn van de voortreffelijkste wijnbergen bij Kochome in de nabijheid van de trappen-pyramide, en eene aanzienlijke hoeveelheid bloemen en gebak aan de Christus-kerk opbrengen. Zoo bleef het oude vrouwenklooster bestaan, en ofschoon geheel Egypte thans alleen Jacobietisch of Mohammedaansch was, en menige oude zuster in het laatste jaar het tijdelijke met het eeuwige verwisseld had, vroeg toch niemand er naar hoe het kwam, dat het aantal nonnen altijd op dezelfde hoogte bleef, totdat de Jacobietische aartsbisschop Benjamin in plaats van den Melchiet Cyrus den patriarchalen zetel innam. Dezen kerkvorst waren de kettersche vrouwen in Memphis, de havikken in de duiventil, zooals hij ze noemde, een gruwel, en hij meende de oude schenkingsoorkonde zoo te kunnen uitleggen, dat, aangezien er geen zuiver christelijk keizer meer was, terwijl het woord »christelijk” uitdrukkelijk in de oorkonde stond, het klooster bij zijne opheffing aan het eenig christelijk opperhoofd, dat het land thans bezat, dat wilde zeggen aan hem en zijne kerk moest vervallen. De kwade gezindheid van den patriarch tegen den Mukaukas was door den tegenstand, die hij in dit opzicht bij dezen had gevonden, tot openbare vijandschap geworden.Uit dit klooster vernam Paula thans een welluidend klaaggezang. Was de waardige abdis der nonnen gestorven? Neen, dit treurlied moest betrekking hebben op een ander sterfgeval, want door devenstersvan hare hoekkamer, die op den Nijl uitzagen, vernam zij van de straat, de schipbrug en uit eenige booten op den stroom de vreemde, schrille klaagtonen van Egyptische vrouwen. Geen Jacobietisch bewoner van Memphis zou het gewaagd hebben om bij den dood eener Melchietische op zulk eene wijze aan zijne droefheid lucht te geven, en toen hetaantal klagenden bleek toe te nemen, huiverde zij bij de gedachte, dat haar oom en vriend de vriendelijke, vermoeide oogen had gesloten. Diep bewogen en met betraande oogen bemerkte zij, hoe oprecht de dood van dezen rechtschapen man door al zijne medeburgers werd betreurd. Ja, hem alleen en geen ander Egyptenaar kon deze groote en levendige droefheid gelden. Weeklagende vrouwen op straat bestreken zich de borst en het voorhoofd met het Nijlslib van den oever; mannen bleven bij groepen staan en sloegen zich met hartstochtelijke gebaren voor het hoofd en op de borst. Op de schipbrug hield de een den ander staande, en ook van daar drongen weemoedige klaagtonen haar in de ooren.Eindelijk verscheen Philippus om te bevestigen wat zij wel vreesde. De dood van den stadhouder had hem niet minder getroffen dan haar, en hij moest Paula thans alles mededeelen wat hij wist van de laatste ure van den afgestorvene.»Bij al dezen jammer,” dus besloot de arts, »heb ik toch iets goeds opgemerkt. Wie zou er gaarne dwalen? En toch verheugt ons niets zoozeer dan het inzicht van zich in een mensch en zijne gezindheid tot zijn nadeel bedrogen te hebben. Deze Orion, die zich zelven zoo vergeten en zich zoo jegens u bezondigd heeft, is toch geen verloren mensch.”»Niet?” vroeg Paula haastig. »Zoo heeft hij dan ook u misleid?”»Misleid?” vroeg de arts. »Dat zou niet licht gebeuren. Ik heb helaas aan vele, zeer vele sterfbedden gestaan; want in den regel roept men mij eerst, wanneer de dood den kranke reeds met den vinger wenkt. Duizende bedroefden heb ik op zulke plaatsen des lijdens aangetroffen, en ik verzeker u, dat zijn de beste scholen, de beste akademiën voor iedereen, die het binnenste van zijne medemenschen wenscht te leeren kennen. Hier en op de markt, waar ’t om het mijn en dijn te doen is, ziet men onder ons mannen, die vaak wat edel en groot in ons is even zorgvuldig voor de wereld verbergen als anderen het gemeene en onbeduidende, ziet men, zeg ik, den mensch in zijn open gemoed. Na vele stervenden te hebben gezien en anderen die rouw over hen dragen, zou ik, al ben ik geen Menander of Lucianus, eene breede rij van menschenbeelden kunnen teekenen, die zoo waarachtig zijn als hadden zij hun binnenste buiten gekeerd.”»Dat stervenden zich voordoen gelijk zij zijn,” hernam Paula, »dat neem ik gaarne aan. Zij hebben zich niet meer voor anderen te ontzien; maar de rouwdragenden? Reeds het fatsoen vordert van hen, dat zij zich verslagen toonen en tranen storten.”»Ja, aan de sterfbedden heerscht droefheid,” vervolgdedearts, »maar het doodenvertrek is als eene kerk. De dood wijdt het en wie hem in het aangezicht ziet, die laat vaak het masker vallen, waarmede hij anders zijne medemenschen bedriegt. Dan ziet men aangezichten die ons doen huiveren, maar ook andere, die wij niet kunnen beschouwen zonder dat ze ons opnieuw met achting vervullen voor dat ellendig geslacht, waartoe we ons anders moeten rekenen.”»En voor zulk eene troostrijke figuur houdt gij Orion, den roover, den vervalscher der getuigen, den onrechtvaardigen rechter?” vroeg Paula, die van verbazing zich niet kon inhouden.»Wel zie nu eens!” zeide de arts lachend. »Net als alle andere vrouwen! Een goochelkunstje, en in een oogwenk is purper wat zoo even nog rozenrood was! Neen, tot zulk kleurverwisselingen heeft de zoon van den Mukaukas het nog niet gebracht, maar—en dit stel ik reeds hoog—hij heeft nog een hart dat voelt en voor indrukken vatbaar is. Het is voor mij boven allen twijfel verheven, dat hij met warme, ja hartstochtelijke liefde aan zijn vader gehecht was, ofschoon ik anders grond genoeg heb om het ergste van hem te denken. Zoolang ik tegenwoordig kon zijn bij dit sterven, was ik er getuige van, dat vader en zoon in vriendschap, ja teeder van elkander afscheid namen, en toen het arme hart van den braven, ouden man stilstond, vond ik Orion in een toestand weder, zooals wij die verwachten kunnen van geliefden, die verloren wat hun het dierbaarst op aarde was.”»Comediespel!” riep Paula, haar vriend in de rede vallende.»Voor zulk een spel, lieve vriendin, ontbrak het aan toeschouwers. Zulke aandoeningen dringt een Orion zich niet op voor zijne moeder en de kleine Maria.”»Maar hij is een dichter, en nog wel een hoogbegaafde. Hij zingt bij de lier heerlijke liederen, die hijzelf heeft gemaakt. Zijn geoefende, levendige geest verplaatst hem gemakkelijk in die stemming. Maar zijne ziel is verdorven, als eene spons met water zoo is hij verzadigd met goddeloosheid. Hij is een vat met schoone gaven, maar al wat er goeds en groots in hem was heeft hij verloren, alles!”Het verontwaardigde meisje had deze woorden haastig uitgesproken. De toorn had hare wangen doen kleuren en zij meende den arts tot hare zienswijze te hebben overgehaald. Doch deze schudde ernstig het hoofd en zeide: »Uwe rechtmatige boosheid voert u te ver. Hoe vaak hebt gij mij over mijn scherp oordeel en mijn twijfel berispt? Doch nu verzoek ik u mij te veroorloven u te doen deelen in eene ervaring, waartegen gij waarschijnlijk eergisteren nog niets zoudt hebben ingebracht.Ik heb booswichten van allerlei slag ontmoet. Denk maar eens hoeveel moorden door vergiftiging ik had te onderzoeken!”»Homeros noemde reeds Egypte het gifland,” zeide Paula, »en het is onbegrijpelijk dat het christendom hierin nog niets veranderd heeft. Meer boosheid, bedrog, haat en wangunst dan hier, heeft zelfs de wijze Kosmas, die de geheele wereld doorreisde, nergens aangetroffen.”»Gij ziet nu in welk eene goede school mijne ervaringen over het booze in den mensch gerijpt zijn,” zeide de arts lachend, »en zij leeren mij dat er geen misdadiger, zondaar of booswicht is, hoe verhard en verdorven, hoe gruwelijk en gewetenloos hij ook zijn mag, in wien nog niet eene of andere goede eigenschap is overgebleven. Herinnert gij u nog die afschuwelijke gifmengster Nechebt, die hare beide broeders en haar eigen vader om het leven bracht? Het is nog pas drie weken geleden gebeurd. En datzelfde beest in menschelijke gedaante heeft voor haar ontaarden zoon, die in het keizerlijke leger diende, honger en dorst geleden, zoodat zij bijna was omgekomen; zij is eindelijk eene gifmengster geworden, niet om haar eigen jammerlijken toestand te verbeteren, maar om den schandelijken jongen middelen te verschaffen voor nieuwe zwelgerijen. Ontelbare voorbeelden van dien aard zou ik kunnen aanvoeren, doch ik wil u alleen nog iets vertellen van een der bloeddorstigste en wreedaardigste roovers, die ontelbare malen aan de veiligheidsbeambten wist te ontkomen, tot hij hun eindelijk in handen viel. En waardoor? Omdat hij gehoord had dat zijn oud moedertje zwaar ziek was, en het verlangen hem te machtig was geworden om het rimpelige wijfje nog eens weer te zien, haar nog eens te kussen, gelijk toen hij een kind was.—Nu, zoo heeft Orion, voor hoe verdorven wij hem anders ook houden mogen, in elk geval eene eigenschap, die wij moeten erkennen: eene teedere liefde voor zijn vader en zijne moeder. Uwe spons verzadigt zich niet geheel met hetgeen gij goddeloosheid noemt: daar blijven altijd nog poriën open, die weerstand bieden. En als bij hem, gelijk bij anderen, het hart hiertoe behoort, dan zeg ik vol hoop met den Romein Horatius: ‘Nil desperandum!’ het zou onrecht zijn, indien wij hem geheel wilden opgeven.”Paula wist op deze verzekering geen antwoord te geven, ja de gedachte kwam bij haar op dat Orion, als hij niet gelogen had, alleen ter wille van zijne moeder, het kwikstaartje had gevrijd, met haar beeld in zijn hart. Juist begon de arts, die het gesprek liever op een ander onderwerp wilde brengen, weder te spreken over de laatste levensuren van Mukaukas, toen eene der mismaakte dienstmeisjes eene vrouw kwam aanmelden, die de dochter van Thomas verlangde te spreken. Weinige oogenblikkenlater lag het meisje aan de borst van hare oude, trouwe vriendin, de voedster, en deze juichte zoo vroolijk en lachte en weende zoo hartelijk uit louter blijdschap, als ware haar geen kwaad overkomen, terwijl Paula, de jongere, wie het gebeurde zielsleed had gedaan, de gedachte daaraan niet van zich kon zetten.Perpetua begreep haar en duidde haar die kalmte niet euvel, ofschoon zij zelve als dronken was van vreugde. Zij was, zoo vertelde zij, in hare heete gevangenis goed verzorgd, en een half uur geleden had de jonge heer, Orion zelf, de deur voor haar geopend. Hij was zeer genadig geweest, terwijl hij er bleek en ontdaan uitzag. De overmoedige jonge man was geheel verouderd, zijne bekreten oogen hadden haar, Perpetua, tot tranen geroerd. Wat Orion Paula en haarzelve gisteren had aangedaan, dat mocht God hem vergeven. Zeker was hij door booze geesten bezeten, want hij was zichzelf niet; maar hij bezat een vriendelijk goed hart, en ofschoon hij zich ook voor de rechters hard en onrechtvaardig jegens den armen Hiram had betoond, zoo had hij toch heden vroeg alles weder goed gemaakt. Hij had dezen niet alleen uit zijne gevangenis doen ontslaan, maar hem, zooals zij van den rentmeester Nilus had vernomen, met zijn jongen, twee paarden en rijke geschenken naar Damascus gezonden. Wie zelf verlangt dat zijn naaste hem vergeven zal, die mocht ook dezen jonkman gaarne vergeven. De groote Augustinus was in zijne jeugd zeker geen toonbeeld van deugd geweest en toch een licht der kerk geworden, en zoo zou de zoon van den Mukaukas ook wel in de voetstappen zijns vaders treden. Hij was zeker een goed en schoon jonkman, die ieder stof tot vreugde kon geven. Heden had hij zich zoo ernstig en plechtig gedragen als een bisschop, en misschien wandelde hij reeds op beter wegen. Wat Paula er van zeggen mocht: hijzelf had haar naar den wagen zijner moeder gebracht, en den menner bevolen haar hierheen te rijden. Haar boeltje zou morgen aan haar afgegeven en onder hare eigene oogen ingepakt en weggezonden worden. De rentmeester Nilus was met haar medegekomen, om eene boodschap aan Paula over te brengen. Hij was eerst naar het Caecilia-klooster gegaan.Paula verzocht haar hem vandaar te gaan halen, en zoodra Perpetua het vertrek verlaten had, zeide zij tot den arts: »Gij hebt reeds iemand gevonden, die het met u eens is. Wat zijn de menschen toch veranderlijk. Gisteren avond vond mijne kloeke Betta geen afgrond der hel diep genoeg voor onzen vijand; en nu! Ja, het is vleiend door zulk een heerschap in eigen persoon naar den wagen gebracht te worden; en hoe rasheeft mijn oudje al haar leed vergeten, hoe rustig en tevreden is zij, nu haar genadig verlof werd gegeven om de nette zaakjes, waaraan zij zoo gehecht is, eigenhandig in te pakken. Gij hebt mij eens gezegd dat de Jacobieten van den heidenschen god Osiris een heiligen Orion hebben gemaakt, en zoo ziet mijne Betta reeds in den zoon van den Mukaukas een toekomstigen Augustinus. Ik zie reeds hoe zij hem tot haar schutspatroon maakt, en mij, als wij eerst weer in Syrië zijn, smeekt om met haar eene bedevaart naar hem te doen.”»En misschien doet gij het haar ten gevalle,” zeide de arts, die sedert zijn hart in liefde voor haar ontbrand was, Paula heden voor het eerst niet zoo gestemd vond, als een man meent te mogen verwachten van de vrouw die hij aanbidt. Tot hiertoe had hij niets in haar opgemerkt, van haar gehoord of ondervonden, wat niet waardig en edel was, maar hare laatste woorden waren op heftigen, bitteren, sarcastischen toon geuit, en berisping en bespotting, die niet ten doel hadden te verbeteren maar te krenken, waren naar zijne overtuiging een edel vrouwelijk wezen onwaardig. Dat honend gelach, waarmede zij hare woorden besloot, had hem maar al te duidelijk geopenbaard, welk eene breede klove er gaapte tusschen hare en zijne inzichten. Hij was, dat kon hij zich niet ontveinzen, soms groffer, en niet zoo fijn ontwikkeld als Paula, en hij spotte meer dan goed was. Tot hiertoe had juist deze zijne gewoonte haar mishaagd, en dat had hem aangemoedigd, dat was geheel overeenkomstig het ideaal, hetwelk hij zich gevormd had van de vrouw naar zijn hart. En nu verviel zij tot eene spotternij, die haar niet schertsend over de lippen kwam, maar hartstochtelijk opwelde uit haar innig verstoord gemoed, en deze opmerking deed den menschenkenner leed en maakte hem tegelijk bezorgd.Paula kon het hem aanzien, dat hij hare laatste woorden afkeurde, en gevoelde dat die volzin: ‘misschien doet gij het haar ten gevalle’, eene diepere beteekenis had. De mannen, dacht zij, worden boos, wanneer zij hunne zienswijze zeer duidelijk hebben uitgesproken en wij vrouwen het wagen er onverwijld eene andere tegenover te stellen. Daar zij den vriend, aan wien zij zooveel goeds te danken had, voor geen prijs wilde krenken, zeide zij vriendelijk: »Ik wil de bedoeling van uwe zonderlinge profetie niet nasporen. Goddank is door uwe vriendelijke en verstandige tusschenkomst thans elke band tusschen mij en den zoon van mijn armen oom afgesneden. Spreken wij daarom over wat anders; wij hebben ons reeds te veel met hem beziggehouden!”»Zoo denk ook ik er over,” zeide de arts. »Overigens verzoek ik u mijn ‘misschien’ te vergeten. Ik ben een man vanhet tegenwoordige en geen profeet, maar dat zie ik toch aankomen, dat Orion alle pogingen in het werk zal stellen, om—het koste wat het wil—”»Welnu?”»Om eene toenadering te bewerken, uwe vergeving te verwerven, uw hart te treffen, u....”»Dat hij het beproeve!” sprak Paula, terwijl zij de rechterhand dreigend ophief.»En wanneer hij, de in ieder opzicht zoo veel begaafde, weder geheel tot zichzelven komt, en als een gelouterd man, die zich de achting van alle weldenkenden weet te verwerven....”»Dan toch zal ik nooit vergeven wat hij misdreven en mij aangedaan heeft. Meent gij, dat ik uw gesprek met Neforis nu reeds vergeten ben? Gij verlangt van uwe vrienden niets anders dan eene wakkere gezindheid, die aan de uwe beantwoordt, en wat anders dan juist die gezindheid heeft mij van Orion vervreemd? Ontelbaren hebben hunne handelwijze veranderd, maar ook—antwoord mij oprecht—ook hetgeen wij onder ‘gezindheid’ verstaan?”»Ook deze,” antwoordde haar de arts met diepen ernst, »ook deze kan veranderen. Of wilt gij u aan de zijde van den koopman en zijne muzelmansche geloofsgenooten scharen, die den mensch beschouwen als een speelbal van het blinde noodlot? Wat ons, volgens de opvatting onzer godgeleerden tot iets voorbestemd, dat is het kwade, hetwelk wij mede ter wereld brengen; de inwendige wedergeboorte, zooals zij het noemen, kan het onschadelijk maken en ten goede leiden. Maar aan wien gelukt het midden in het gewoel van de wereld, in den zin waarin de kerk het bedoelt, zichzelven te dooden, als levend te sterven en als nieuw mensch weder op te staan? Het gewaad van een boeteling past niet voor een Orion; doch er zijn voor hem andere mogelijkheden om het pad terug te vinden, dat hij verlaten heeft. Het lot heeft zijn verwenden lieveling tot heden zooveel vreugde geschonken, dat hij te midden van zooveel genot en stof tot dankbaarheid geen tijd vond om over het leven na te denken. Thans toont het hem zijn ernst en verlangt van hem dat hij zich bezinnen zal, en als hij een vriend vindt die hem toeroept, wat mijn vader mij reeds in een brief leerde, dien hij zijn eenigen kleinen jongen naliet, en hij genegen is dien te hooren, dan houd ik hem voor gered.”»En hoe luidt dat woord, die raad?” vroeg Paula in spanning.»In het kort aldus: Het leven is geen maaltijd, die de voorzienigheid ons voorzet om er van te genieten, maar een dienst dien zij ons te vervullen geeft met onze beste krachten. Ieder onderzoeke zijn aard en zijne gaven, en hoe beter het hem geluktdie aan te wenden tot heil en zegen van de maatschappij, waarvan hij als lid ter wereld kwam, des te meer zal hij zich innerlijk gelukkig gevoelen, des te zekerder zal hij eene heerlijke zielsrust verwerven, des te minder vrees zal de dood hem aanjagen. In het bewustzijn van ook zaden voor de toekomst te hebben uitgestrooid, sluit hij als een trouw huismeester aan den avond van elken dag en aan het einde van de laatste hem verleende levensure de oogen. Ziet Orion dat in, is hij bereid zich niet te onttrekken aan de verplichting die zijn bestaan hem oplegt, wijdt hij daaraan met oprechten ernst al zijne krachten, dan kan er een dag komen, waarop ik zelf met waardeering, ja met bewondering tot hem zal opzien. De schipbreuk, waarvan de Arabier sprak, is gekomen. Zien wij toe hoe hij zich uit de golven redt en na de stranding gedraagt.”»Zien wij toe,” herhaalde Paula, »en laten wij wenschen dat hij een raadsman zal vinden! Toen ik u daar hoorde spreken kwam de gedachte bij mij op als rustte op mij de verplichting.... Maar neen, neen! Hij zelf heeft door zijn roekeloos gedrag alle aanspraak op medelijden verloren, die ik na zulk een schrikkelijken slag ook voor een vijand zou mogen gevoelen. Hij, hij kan en zal niets voor mij zijn tot het einde der dagen. U ben ik dankbaar, dat deze vreedzame haven zich voor mij geopend heeft, help mij om al het vijandige te verbannen, dat zou kunnen naderen om de rust in dit toevluchtsoord te verstoren. Waagt Orion het, met welk doel dan ook, zich toegang te verschaffen tot dit huis of het binnen te sluipen, dan verlaat ik mij op u, mijn vriend en redder!”Bij deze woorden bood zij Philippus de hand, en terwijl hij de hare greep vloeide hem het bloed weder sneller door de aderen, en zeide hij blijmoedig: »Mijne kracht en mijn hart behooren u. Beschik daarover, en wanneer uwe ziel de vurige liefde van een trouw en eenvoudig man...”»Niet verder, neen, neen, Philippus!” sprak Paula, hem met angstige opgewondenheid in de rede vallende. »Laat ons als vrienden, als broeder en zuster innig aan elkander verbonden blijven.”»Als broeder en zuster?” herhaalde hij dof en met een weemoedig lachje. »O ja, ook de vriendschap is schoon. Doch—laat mij uitspreken—ik had van liefde gedroomd, hier, hier binnen voelde ik de branding van den golfslag der hartstochten, en ik voel haar nog.... Maar man, man....” en hier drukte hij de vuist tegen zijn voorhoofd—»hebt gij dwaas dan uw spiegelbeeld vergeten, weet gij niet meer dat gij een leelijke, grove gezel zijt, dat voor u de prachtige bloem, waarnaar gij streeft....”Bij dien heftigen uitval van vertwijfeling ging Paula eenige schreden terug, maar dadelijk liep zij haar vriend weer tegemoet, en terwijl zij moedig zijne hand greep, zeide zij met warmte: »Niet zoo, Philippus, mijne lieve, trouwe, eenige vriend. De prachtige bloem die gij verlangt, noch ik, noch iemand kan u haar schenken. Ik bezit haar niet meer, want toen zij zich eens hier binnen had ontplooid, zijn er voeten gekomen die haar roekeloos vertraden. Smaad niet dat spiegelbeeld, noem u zelven geen grove gezel. Zooals gij zijt, zoo kan ook de beste, de schoonste trotsch zijn op uwe liefde. Ben ik niet reeds trotsch en zal ik het niet blijven op uwe vriendschap?”»Vriendschap, vriendschap!” herhaalde hij heftig, zijne hand uit de hare rukkend. »Dit brandende, smachtende hart dorst naar gansch andere gevoelens! O vrouw, vrouw! Ik ken de ellendeling, die de bloem der bloemen in uw hart heeft vertreden, en ik dwaas ben zijn lofredenaar, zijn verdediger en—het koste wat het wil—zal het blijven, zoolang gij... Misschien schiet die prachtige bloem nieuwe wortels in den bodem van den haat, en ik, ongelukkige, die haar begoot, kan toezien.”Paula vatte nog eens beide handen van den arts en zeide in diepe smartelijke zielsangst: »Ik bid, ik bezweer u, ga zoo niet voort, hoe kan ik zonder mijzelve in gevaar te brengen van de grenzen der betamelijkheid te overschrijden, die het zedelijk gevoel eener jonkvrouw gebiedt te eerbiedigen; en hoe kan ik hier onder uwe bescherming in dagelijksche gemeenschap met u rustig leven, wanneer gij de grenzen niet ontziet, die eene trouwe, oprechte vriendschap afbakenen? Ik ben een verlaten meisje, en zou vertwijfelen en mijzelven prijsgeven, wanneer het geloof mij niet beschutte, dat ik mij op mijzelve verlaten kan. Vergenoeg u met hetgeen ik u thans kan aanbieden, en God zal u er voor beloonen! Laten wij beiden de achting waardig blijven, die wij, den hemel zij dank, met goed recht voor elkander gevoelen.”De arts boog zich bewogen tot haar neder, drukte, zichzelven bijna niet meester, de lippen op hare blanke en krachtige hand, terwijl Perpetua juist met den rentmeester de kamer binnen kwam.De eerlijke beambte, een eenvoudig man, van middelbare grootte en nog niet oud, met een bleek, fijn, verstandig gelaat, waarin de zorgen, de zware arbeid en de last der verantwoordelijkheid diepe sporen hadden gegroefd, sloeg haastig een scherpen blik op beiden en legde daarna eene belangrijke som in goudstukken voor Paula neder. Zijn jonge meester zond dit geld overeenkomstig den wil van zijn overleden vader, om in de eerste behoeften te voorzien; het overige of grootste gedeeltevan haar vermogen zou haar tegelijk met de afrekening uitbetaald worden, na de begrafenis van den Mukaukas. Wat het bedrag harer bezitting aanging, dit kon Nilus reeds nu ongeveer opgeven, en het bleek dat dit zoo groot was, dat Paula hare ooren niet gelooven kon. Zij zag zich nu gevrijwaard voor alle verdere zorgen, ja, zij was zoo welgesteld, dat zij in staat geweest zou zijn om in overdaad te leven.De arts was getuige geweest van dit onderhoud, en het had zijn hart angstig doen kloppen. De gedachte had hem zoo gelukkig gemaakt, dat hij voor de arme wees Paula alles zou zijn en hij haar voor uitwendig gebrek zou hebben kunnen bewaren. Hij was bereid geweest alles op zich te nemen, om de Damasceensche een behoorlijk onderkomen te verschaffen en haar te voorzien van alles wat zij noodig kon hebben, en nu bleek het dat zijne beschermeling niet alleen voornamer, maar ook rijker was dan hij. Het was hem als had Orions bode hem van eene schoone levensvreugde beroofd; en nadat hij haar gebracht had bij haar wakkeren ouden gastheer en de zijnen, verliet hij met gebogen hoofd het huis van Rufinus. Toen de tijd kwam om zich ter ruste te begeven, mocht Perpetua hare lieve meesteres weder helpen ontkleeden. Doch Paula kon den slaap niet vatten, en toen zij den volgenden morgen zich bij hare nieuwe vrienden voegde, moest zij erkennen dat zoo ergens hier de plaats was, waar zij den verloren vrede terug kon vinden, dat zij echter nog veel zou hebben te worstelen en een langen weg moeten afleggen, voor zij dien bereiken kon.
ZESTIENDE HOOFDSTUK.De arts had toen hij Paula verliet haar gezegd, dat de Mukaukas elk oogenblik kon sterven, maar het was ook mogelijk, dat hij nog weken lang met den dood zou worstelen. Dat uitzicht scheen haar te troosten, want de gedachte dat de eenige ware vriend, dien zij in Memphis had bezeten, voor zij Philippus nader had leeren kennen, voor altijd zou heengaan, zonder hare rechtvaardiging te hebben gehoord, kwam haar onverdragelijk voor. Het was allesbehalve waarschijnlijk dat men in de omgeving van vrouw Neforis, met uitzondering van de kleindochter, haar in liefde zou gedenken, en zij verlangde er ook niet naar; maar de achting, die zij zich ook in het stadhouderlijk verblijf verworven had, wilde zij niet verliezen. Indien het den vriend gelukte de dagen van haar oom nog te verlengen, dan kon zij, wanneer de ware toedracht der zaak openlijk te zijner kennis werd gebracht, zijne oude vriendelijke gezindheid en zijn goedgunstig oordeel herwinnen.Zij beschouwde haar tegenwoordig verblijf als eene plaats van overgang, een wachtstation op den woestijntocht van haar eenzaam bestaan, en wat zij geleerd had onder hare Memphietische verwanten, daarvan wilde zij hier partij trekken. De hoop was thans meesteres in haar hart over smart en teleurstelling. Alleen de nabijheid van Orion hing als eene dreigende hagelwolk boven het bloeiende graanveld van haren innerlijken vrede, en toch was er niets, behalve de noodzakelijkheid van den bode hier af te wachten, dat haar vaster aan Memphis verbond, dan de mogelijkheid van ten minste uit de verte den verderen loop zijns levens te kunnen volgen. Wat zij voor hem gevoelde—zij zelve noemde het diepen afkeer—maakte, al wilde zij dit zichzelve ook niet toegeven, een wezenlijk deel uit van haar innerlijk leven.Haar nieuwe gastheer had haar als eene lieve huisgenooteopgenomen en het schenen wel geen arme lieden te zijn; hun huis was zeer ruim en zij het ook wat ouderwets en zonder opschik, toch gemakkelijk en met fijnen kunstzin ingericht. Zij was er door verrast dat de tuin zoo keurig onderhouden werd; een gebochelden tuinman en eenige kinderen had zij er druk in zien werken. Het bleken zonderlinge helpers te zijn, want evenals hun scheefgegroeide meester, bezaten ze allen een of ander lichamelijk gebrek.Het stuk grond, dat reikte tot aan de langs den Nijloever aangelegde straat voor voetgangers, wagens en sleepers van Nijlschepen, was smal en grensde aan weerszijden aan grootere eigendommen, en niet ver van de plaats waar het den stroom naderde, begon de schipbrug, die Memphis met het eiland Roda verbond. Aan de rechterzijde van deze bezitting lag het haar welbekende schoone huis, een paleis mocht men het wel noemen, van de weduwe Susanna; aan de linkerzijde een wijd uitgestrekt bosch, waarin slanke palmen, sykomoren met breede bladerenkronen en dicht opeen gegroeide blauwgroene tamarisken hunne schaduwen verspreidden. Tusschen deze vereeniging van prachtig opgeschoten planten en oude boomen lag een langwerpig geel, met een torentje gekroond gebouw verscholen, dat haar evenzeer niet onbekend was; want men had er ten huize van den stadhouder dikwijls over gesproken, en zij was hier reeds eenige malen geweest in het gezelschap van Perpetua. Dit was het Cæcilia-klooster, dat de laatste nonnen van haar orthodox geloof herbergde, die in Memphis nog geduld werden. Terwijl alle andere zusters van hare geloofsbelijdenis sedert lang uit de stad waren verdreven, mochten zij in hare oude woonstede blijven, niet alleen omdat men haar waardeerde als goede ziekenverpleegsters, een voorrecht waarop ook andere Melchietische orden konden roemen, maar veelmeer, omdat de verarmde stad de rijke belasting niet wilde missen, die zij jaarlijks betaalden. Die belasting vertegenwoordigde de renten van een aanzienlijk kapitaal, hetwelk een der voorvaderen van den Mukaukas aan het klooster had vermaakt, en wel met deze voorzichtige door Theodosius II met zijn keizerlijk zegel bekrachtigde bepaling, dat deze stichting, zoodra het klooster zou worden opgeheven, tegelijk met de landerijen en wat daarop gebouwd was—die het coenobium insgelijks aan de vrijgevigheid van den stichter te danken had—aan den regeerenden christelijken keizer in eigendom zouden overgaan.De overleden Mukaukas, had, niettegenstaande zijne stellige afkeer van al wat Melchietisch was, zich wel gewacht om de nuttige nonnen iets in den weg te leggen en hare groote bezittingen aan zijne verarmde vaderstad te onttrekken, ten eindeze den rijken muzelman in handen te spelen. De oorkonde, waarop de zusters haar recht grondden, was deugdelijk, en de rechtsgeleerde en verstandige stadhouder had haar niet enkel onaangetast gelaten, al was hij in de laatste jaren ook meer beangst geworden voor zijn eigen persoon, maar was zelfs zonder vrees voor wien dan ook, bepaald en onbewimpeld tegen het machtig opperhoofd der Jacobietische kerk voor hare rechtsgeldigheid in de bres gesprongen. Natuurlijk billijkte de Senaat van de vroegere hoofdstad Memphis zijne beslissing en duldde niet alleen de zusters die tot een ander geloof behoorden, maar verleende haar ook menigmaal bijstand.De Jacobietische geestelijkheid van de stad zag deze instelling door de vingers en richtte alleen omstreeks paschen haar oog naar het klooster, want op den voorafgaanden Zaterdag moesten de nonnen, overeenkomstig eene voor het monophusietisch schisma gemaakte bepaling, geborduurde priestergewaden, wijn van de voortreffelijkste wijnbergen bij Kochome in de nabijheid van de trappen-pyramide, en eene aanzienlijke hoeveelheid bloemen en gebak aan de Christus-kerk opbrengen. Zoo bleef het oude vrouwenklooster bestaan, en ofschoon geheel Egypte thans alleen Jacobietisch of Mohammedaansch was, en menige oude zuster in het laatste jaar het tijdelijke met het eeuwige verwisseld had, vroeg toch niemand er naar hoe het kwam, dat het aantal nonnen altijd op dezelfde hoogte bleef, totdat de Jacobietische aartsbisschop Benjamin in plaats van den Melchiet Cyrus den patriarchalen zetel innam. Dezen kerkvorst waren de kettersche vrouwen in Memphis, de havikken in de duiventil, zooals hij ze noemde, een gruwel, en hij meende de oude schenkingsoorkonde zoo te kunnen uitleggen, dat, aangezien er geen zuiver christelijk keizer meer was, terwijl het woord »christelijk” uitdrukkelijk in de oorkonde stond, het klooster bij zijne opheffing aan het eenig christelijk opperhoofd, dat het land thans bezat, dat wilde zeggen aan hem en zijne kerk moest vervallen. De kwade gezindheid van den patriarch tegen den Mukaukas was door den tegenstand, die hij in dit opzicht bij dezen had gevonden, tot openbare vijandschap geworden.Uit dit klooster vernam Paula thans een welluidend klaaggezang. Was de waardige abdis der nonnen gestorven? Neen, dit treurlied moest betrekking hebben op een ander sterfgeval, want door devenstersvan hare hoekkamer, die op den Nijl uitzagen, vernam zij van de straat, de schipbrug en uit eenige booten op den stroom de vreemde, schrille klaagtonen van Egyptische vrouwen. Geen Jacobietisch bewoner van Memphis zou het gewaagd hebben om bij den dood eener Melchietische op zulk eene wijze aan zijne droefheid lucht te geven, en toen hetaantal klagenden bleek toe te nemen, huiverde zij bij de gedachte, dat haar oom en vriend de vriendelijke, vermoeide oogen had gesloten. Diep bewogen en met betraande oogen bemerkte zij, hoe oprecht de dood van dezen rechtschapen man door al zijne medeburgers werd betreurd. Ja, hem alleen en geen ander Egyptenaar kon deze groote en levendige droefheid gelden. Weeklagende vrouwen op straat bestreken zich de borst en het voorhoofd met het Nijlslib van den oever; mannen bleven bij groepen staan en sloegen zich met hartstochtelijke gebaren voor het hoofd en op de borst. Op de schipbrug hield de een den ander staande, en ook van daar drongen weemoedige klaagtonen haar in de ooren.Eindelijk verscheen Philippus om te bevestigen wat zij wel vreesde. De dood van den stadhouder had hem niet minder getroffen dan haar, en hij moest Paula thans alles mededeelen wat hij wist van de laatste ure van den afgestorvene.»Bij al dezen jammer,” dus besloot de arts, »heb ik toch iets goeds opgemerkt. Wie zou er gaarne dwalen? En toch verheugt ons niets zoozeer dan het inzicht van zich in een mensch en zijne gezindheid tot zijn nadeel bedrogen te hebben. Deze Orion, die zich zelven zoo vergeten en zich zoo jegens u bezondigd heeft, is toch geen verloren mensch.”»Niet?” vroeg Paula haastig. »Zoo heeft hij dan ook u misleid?”»Misleid?” vroeg de arts. »Dat zou niet licht gebeuren. Ik heb helaas aan vele, zeer vele sterfbedden gestaan; want in den regel roept men mij eerst, wanneer de dood den kranke reeds met den vinger wenkt. Duizende bedroefden heb ik op zulke plaatsen des lijdens aangetroffen, en ik verzeker u, dat zijn de beste scholen, de beste akademiën voor iedereen, die het binnenste van zijne medemenschen wenscht te leeren kennen. Hier en op de markt, waar ’t om het mijn en dijn te doen is, ziet men onder ons mannen, die vaak wat edel en groot in ons is even zorgvuldig voor de wereld verbergen als anderen het gemeene en onbeduidende, ziet men, zeg ik, den mensch in zijn open gemoed. Na vele stervenden te hebben gezien en anderen die rouw over hen dragen, zou ik, al ben ik geen Menander of Lucianus, eene breede rij van menschenbeelden kunnen teekenen, die zoo waarachtig zijn als hadden zij hun binnenste buiten gekeerd.”»Dat stervenden zich voordoen gelijk zij zijn,” hernam Paula, »dat neem ik gaarne aan. Zij hebben zich niet meer voor anderen te ontzien; maar de rouwdragenden? Reeds het fatsoen vordert van hen, dat zij zich verslagen toonen en tranen storten.”»Ja, aan de sterfbedden heerscht droefheid,” vervolgdedearts, »maar het doodenvertrek is als eene kerk. De dood wijdt het en wie hem in het aangezicht ziet, die laat vaak het masker vallen, waarmede hij anders zijne medemenschen bedriegt. Dan ziet men aangezichten die ons doen huiveren, maar ook andere, die wij niet kunnen beschouwen zonder dat ze ons opnieuw met achting vervullen voor dat ellendig geslacht, waartoe we ons anders moeten rekenen.”»En voor zulk eene troostrijke figuur houdt gij Orion, den roover, den vervalscher der getuigen, den onrechtvaardigen rechter?” vroeg Paula, die van verbazing zich niet kon inhouden.»Wel zie nu eens!” zeide de arts lachend. »Net als alle andere vrouwen! Een goochelkunstje, en in een oogwenk is purper wat zoo even nog rozenrood was! Neen, tot zulk kleurverwisselingen heeft de zoon van den Mukaukas het nog niet gebracht, maar—en dit stel ik reeds hoog—hij heeft nog een hart dat voelt en voor indrukken vatbaar is. Het is voor mij boven allen twijfel verheven, dat hij met warme, ja hartstochtelijke liefde aan zijn vader gehecht was, ofschoon ik anders grond genoeg heb om het ergste van hem te denken. Zoolang ik tegenwoordig kon zijn bij dit sterven, was ik er getuige van, dat vader en zoon in vriendschap, ja teeder van elkander afscheid namen, en toen het arme hart van den braven, ouden man stilstond, vond ik Orion in een toestand weder, zooals wij die verwachten kunnen van geliefden, die verloren wat hun het dierbaarst op aarde was.”»Comediespel!” riep Paula, haar vriend in de rede vallende.»Voor zulk een spel, lieve vriendin, ontbrak het aan toeschouwers. Zulke aandoeningen dringt een Orion zich niet op voor zijne moeder en de kleine Maria.”»Maar hij is een dichter, en nog wel een hoogbegaafde. Hij zingt bij de lier heerlijke liederen, die hijzelf heeft gemaakt. Zijn geoefende, levendige geest verplaatst hem gemakkelijk in die stemming. Maar zijne ziel is verdorven, als eene spons met water zoo is hij verzadigd met goddeloosheid. Hij is een vat met schoone gaven, maar al wat er goeds en groots in hem was heeft hij verloren, alles!”Het verontwaardigde meisje had deze woorden haastig uitgesproken. De toorn had hare wangen doen kleuren en zij meende den arts tot hare zienswijze te hebben overgehaald. Doch deze schudde ernstig het hoofd en zeide: »Uwe rechtmatige boosheid voert u te ver. Hoe vaak hebt gij mij over mijn scherp oordeel en mijn twijfel berispt? Doch nu verzoek ik u mij te veroorloven u te doen deelen in eene ervaring, waartegen gij waarschijnlijk eergisteren nog niets zoudt hebben ingebracht.Ik heb booswichten van allerlei slag ontmoet. Denk maar eens hoeveel moorden door vergiftiging ik had te onderzoeken!”»Homeros noemde reeds Egypte het gifland,” zeide Paula, »en het is onbegrijpelijk dat het christendom hierin nog niets veranderd heeft. Meer boosheid, bedrog, haat en wangunst dan hier, heeft zelfs de wijze Kosmas, die de geheele wereld doorreisde, nergens aangetroffen.”»Gij ziet nu in welk eene goede school mijne ervaringen over het booze in den mensch gerijpt zijn,” zeide de arts lachend, »en zij leeren mij dat er geen misdadiger, zondaar of booswicht is, hoe verhard en verdorven, hoe gruwelijk en gewetenloos hij ook zijn mag, in wien nog niet eene of andere goede eigenschap is overgebleven. Herinnert gij u nog die afschuwelijke gifmengster Nechebt, die hare beide broeders en haar eigen vader om het leven bracht? Het is nog pas drie weken geleden gebeurd. En datzelfde beest in menschelijke gedaante heeft voor haar ontaarden zoon, die in het keizerlijke leger diende, honger en dorst geleden, zoodat zij bijna was omgekomen; zij is eindelijk eene gifmengster geworden, niet om haar eigen jammerlijken toestand te verbeteren, maar om den schandelijken jongen middelen te verschaffen voor nieuwe zwelgerijen. Ontelbare voorbeelden van dien aard zou ik kunnen aanvoeren, doch ik wil u alleen nog iets vertellen van een der bloeddorstigste en wreedaardigste roovers, die ontelbare malen aan de veiligheidsbeambten wist te ontkomen, tot hij hun eindelijk in handen viel. En waardoor? Omdat hij gehoord had dat zijn oud moedertje zwaar ziek was, en het verlangen hem te machtig was geworden om het rimpelige wijfje nog eens weer te zien, haar nog eens te kussen, gelijk toen hij een kind was.—Nu, zoo heeft Orion, voor hoe verdorven wij hem anders ook houden mogen, in elk geval eene eigenschap, die wij moeten erkennen: eene teedere liefde voor zijn vader en zijne moeder. Uwe spons verzadigt zich niet geheel met hetgeen gij goddeloosheid noemt: daar blijven altijd nog poriën open, die weerstand bieden. En als bij hem, gelijk bij anderen, het hart hiertoe behoort, dan zeg ik vol hoop met den Romein Horatius: ‘Nil desperandum!’ het zou onrecht zijn, indien wij hem geheel wilden opgeven.”Paula wist op deze verzekering geen antwoord te geven, ja de gedachte kwam bij haar op dat Orion, als hij niet gelogen had, alleen ter wille van zijne moeder, het kwikstaartje had gevrijd, met haar beeld in zijn hart. Juist begon de arts, die het gesprek liever op een ander onderwerp wilde brengen, weder te spreken over de laatste levensuren van Mukaukas, toen eene der mismaakte dienstmeisjes eene vrouw kwam aanmelden, die de dochter van Thomas verlangde te spreken. Weinige oogenblikkenlater lag het meisje aan de borst van hare oude, trouwe vriendin, de voedster, en deze juichte zoo vroolijk en lachte en weende zoo hartelijk uit louter blijdschap, als ware haar geen kwaad overkomen, terwijl Paula, de jongere, wie het gebeurde zielsleed had gedaan, de gedachte daaraan niet van zich kon zetten.Perpetua begreep haar en duidde haar die kalmte niet euvel, ofschoon zij zelve als dronken was van vreugde. Zij was, zoo vertelde zij, in hare heete gevangenis goed verzorgd, en een half uur geleden had de jonge heer, Orion zelf, de deur voor haar geopend. Hij was zeer genadig geweest, terwijl hij er bleek en ontdaan uitzag. De overmoedige jonge man was geheel verouderd, zijne bekreten oogen hadden haar, Perpetua, tot tranen geroerd. Wat Orion Paula en haarzelve gisteren had aangedaan, dat mocht God hem vergeven. Zeker was hij door booze geesten bezeten, want hij was zichzelf niet; maar hij bezat een vriendelijk goed hart, en ofschoon hij zich ook voor de rechters hard en onrechtvaardig jegens den armen Hiram had betoond, zoo had hij toch heden vroeg alles weder goed gemaakt. Hij had dezen niet alleen uit zijne gevangenis doen ontslaan, maar hem, zooals zij van den rentmeester Nilus had vernomen, met zijn jongen, twee paarden en rijke geschenken naar Damascus gezonden. Wie zelf verlangt dat zijn naaste hem vergeven zal, die mocht ook dezen jonkman gaarne vergeven. De groote Augustinus was in zijne jeugd zeker geen toonbeeld van deugd geweest en toch een licht der kerk geworden, en zoo zou de zoon van den Mukaukas ook wel in de voetstappen zijns vaders treden. Hij was zeker een goed en schoon jonkman, die ieder stof tot vreugde kon geven. Heden had hij zich zoo ernstig en plechtig gedragen als een bisschop, en misschien wandelde hij reeds op beter wegen. Wat Paula er van zeggen mocht: hijzelf had haar naar den wagen zijner moeder gebracht, en den menner bevolen haar hierheen te rijden. Haar boeltje zou morgen aan haar afgegeven en onder hare eigene oogen ingepakt en weggezonden worden. De rentmeester Nilus was met haar medegekomen, om eene boodschap aan Paula over te brengen. Hij was eerst naar het Caecilia-klooster gegaan.Paula verzocht haar hem vandaar te gaan halen, en zoodra Perpetua het vertrek verlaten had, zeide zij tot den arts: »Gij hebt reeds iemand gevonden, die het met u eens is. Wat zijn de menschen toch veranderlijk. Gisteren avond vond mijne kloeke Betta geen afgrond der hel diep genoeg voor onzen vijand; en nu! Ja, het is vleiend door zulk een heerschap in eigen persoon naar den wagen gebracht te worden; en hoe rasheeft mijn oudje al haar leed vergeten, hoe rustig en tevreden is zij, nu haar genadig verlof werd gegeven om de nette zaakjes, waaraan zij zoo gehecht is, eigenhandig in te pakken. Gij hebt mij eens gezegd dat de Jacobieten van den heidenschen god Osiris een heiligen Orion hebben gemaakt, en zoo ziet mijne Betta reeds in den zoon van den Mukaukas een toekomstigen Augustinus. Ik zie reeds hoe zij hem tot haar schutspatroon maakt, en mij, als wij eerst weer in Syrië zijn, smeekt om met haar eene bedevaart naar hem te doen.”»En misschien doet gij het haar ten gevalle,” zeide de arts, die sedert zijn hart in liefde voor haar ontbrand was, Paula heden voor het eerst niet zoo gestemd vond, als een man meent te mogen verwachten van de vrouw die hij aanbidt. Tot hiertoe had hij niets in haar opgemerkt, van haar gehoord of ondervonden, wat niet waardig en edel was, maar hare laatste woorden waren op heftigen, bitteren, sarcastischen toon geuit, en berisping en bespotting, die niet ten doel hadden te verbeteren maar te krenken, waren naar zijne overtuiging een edel vrouwelijk wezen onwaardig. Dat honend gelach, waarmede zij hare woorden besloot, had hem maar al te duidelijk geopenbaard, welk eene breede klove er gaapte tusschen hare en zijne inzichten. Hij was, dat kon hij zich niet ontveinzen, soms groffer, en niet zoo fijn ontwikkeld als Paula, en hij spotte meer dan goed was. Tot hiertoe had juist deze zijne gewoonte haar mishaagd, en dat had hem aangemoedigd, dat was geheel overeenkomstig het ideaal, hetwelk hij zich gevormd had van de vrouw naar zijn hart. En nu verviel zij tot eene spotternij, die haar niet schertsend over de lippen kwam, maar hartstochtelijk opwelde uit haar innig verstoord gemoed, en deze opmerking deed den menschenkenner leed en maakte hem tegelijk bezorgd.Paula kon het hem aanzien, dat hij hare laatste woorden afkeurde, en gevoelde dat die volzin: ‘misschien doet gij het haar ten gevalle’, eene diepere beteekenis had. De mannen, dacht zij, worden boos, wanneer zij hunne zienswijze zeer duidelijk hebben uitgesproken en wij vrouwen het wagen er onverwijld eene andere tegenover te stellen. Daar zij den vriend, aan wien zij zooveel goeds te danken had, voor geen prijs wilde krenken, zeide zij vriendelijk: »Ik wil de bedoeling van uwe zonderlinge profetie niet nasporen. Goddank is door uwe vriendelijke en verstandige tusschenkomst thans elke band tusschen mij en den zoon van mijn armen oom afgesneden. Spreken wij daarom over wat anders; wij hebben ons reeds te veel met hem beziggehouden!”»Zoo denk ook ik er over,” zeide de arts. »Overigens verzoek ik u mijn ‘misschien’ te vergeten. Ik ben een man vanhet tegenwoordige en geen profeet, maar dat zie ik toch aankomen, dat Orion alle pogingen in het werk zal stellen, om—het koste wat het wil—”»Welnu?”»Om eene toenadering te bewerken, uwe vergeving te verwerven, uw hart te treffen, u....”»Dat hij het beproeve!” sprak Paula, terwijl zij de rechterhand dreigend ophief.»En wanneer hij, de in ieder opzicht zoo veel begaafde, weder geheel tot zichzelven komt, en als een gelouterd man, die zich de achting van alle weldenkenden weet te verwerven....”»Dan toch zal ik nooit vergeven wat hij misdreven en mij aangedaan heeft. Meent gij, dat ik uw gesprek met Neforis nu reeds vergeten ben? Gij verlangt van uwe vrienden niets anders dan eene wakkere gezindheid, die aan de uwe beantwoordt, en wat anders dan juist die gezindheid heeft mij van Orion vervreemd? Ontelbaren hebben hunne handelwijze veranderd, maar ook—antwoord mij oprecht—ook hetgeen wij onder ‘gezindheid’ verstaan?”»Ook deze,” antwoordde haar de arts met diepen ernst, »ook deze kan veranderen. Of wilt gij u aan de zijde van den koopman en zijne muzelmansche geloofsgenooten scharen, die den mensch beschouwen als een speelbal van het blinde noodlot? Wat ons, volgens de opvatting onzer godgeleerden tot iets voorbestemd, dat is het kwade, hetwelk wij mede ter wereld brengen; de inwendige wedergeboorte, zooals zij het noemen, kan het onschadelijk maken en ten goede leiden. Maar aan wien gelukt het midden in het gewoel van de wereld, in den zin waarin de kerk het bedoelt, zichzelven te dooden, als levend te sterven en als nieuw mensch weder op te staan? Het gewaad van een boeteling past niet voor een Orion; doch er zijn voor hem andere mogelijkheden om het pad terug te vinden, dat hij verlaten heeft. Het lot heeft zijn verwenden lieveling tot heden zooveel vreugde geschonken, dat hij te midden van zooveel genot en stof tot dankbaarheid geen tijd vond om over het leven na te denken. Thans toont het hem zijn ernst en verlangt van hem dat hij zich bezinnen zal, en als hij een vriend vindt die hem toeroept, wat mijn vader mij reeds in een brief leerde, dien hij zijn eenigen kleinen jongen naliet, en hij genegen is dien te hooren, dan houd ik hem voor gered.”»En hoe luidt dat woord, die raad?” vroeg Paula in spanning.»In het kort aldus: Het leven is geen maaltijd, die de voorzienigheid ons voorzet om er van te genieten, maar een dienst dien zij ons te vervullen geeft met onze beste krachten. Ieder onderzoeke zijn aard en zijne gaven, en hoe beter het hem geluktdie aan te wenden tot heil en zegen van de maatschappij, waarvan hij als lid ter wereld kwam, des te meer zal hij zich innerlijk gelukkig gevoelen, des te zekerder zal hij eene heerlijke zielsrust verwerven, des te minder vrees zal de dood hem aanjagen. In het bewustzijn van ook zaden voor de toekomst te hebben uitgestrooid, sluit hij als een trouw huismeester aan den avond van elken dag en aan het einde van de laatste hem verleende levensure de oogen. Ziet Orion dat in, is hij bereid zich niet te onttrekken aan de verplichting die zijn bestaan hem oplegt, wijdt hij daaraan met oprechten ernst al zijne krachten, dan kan er een dag komen, waarop ik zelf met waardeering, ja met bewondering tot hem zal opzien. De schipbreuk, waarvan de Arabier sprak, is gekomen. Zien wij toe hoe hij zich uit de golven redt en na de stranding gedraagt.”»Zien wij toe,” herhaalde Paula, »en laten wij wenschen dat hij een raadsman zal vinden! Toen ik u daar hoorde spreken kwam de gedachte bij mij op als rustte op mij de verplichting.... Maar neen, neen! Hij zelf heeft door zijn roekeloos gedrag alle aanspraak op medelijden verloren, die ik na zulk een schrikkelijken slag ook voor een vijand zou mogen gevoelen. Hij, hij kan en zal niets voor mij zijn tot het einde der dagen. U ben ik dankbaar, dat deze vreedzame haven zich voor mij geopend heeft, help mij om al het vijandige te verbannen, dat zou kunnen naderen om de rust in dit toevluchtsoord te verstoren. Waagt Orion het, met welk doel dan ook, zich toegang te verschaffen tot dit huis of het binnen te sluipen, dan verlaat ik mij op u, mijn vriend en redder!”Bij deze woorden bood zij Philippus de hand, en terwijl hij de hare greep vloeide hem het bloed weder sneller door de aderen, en zeide hij blijmoedig: »Mijne kracht en mijn hart behooren u. Beschik daarover, en wanneer uwe ziel de vurige liefde van een trouw en eenvoudig man...”»Niet verder, neen, neen, Philippus!” sprak Paula, hem met angstige opgewondenheid in de rede vallende. »Laat ons als vrienden, als broeder en zuster innig aan elkander verbonden blijven.”»Als broeder en zuster?” herhaalde hij dof en met een weemoedig lachje. »O ja, ook de vriendschap is schoon. Doch—laat mij uitspreken—ik had van liefde gedroomd, hier, hier binnen voelde ik de branding van den golfslag der hartstochten, en ik voel haar nog.... Maar man, man....” en hier drukte hij de vuist tegen zijn voorhoofd—»hebt gij dwaas dan uw spiegelbeeld vergeten, weet gij niet meer dat gij een leelijke, grove gezel zijt, dat voor u de prachtige bloem, waarnaar gij streeft....”Bij dien heftigen uitval van vertwijfeling ging Paula eenige schreden terug, maar dadelijk liep zij haar vriend weer tegemoet, en terwijl zij moedig zijne hand greep, zeide zij met warmte: »Niet zoo, Philippus, mijne lieve, trouwe, eenige vriend. De prachtige bloem die gij verlangt, noch ik, noch iemand kan u haar schenken. Ik bezit haar niet meer, want toen zij zich eens hier binnen had ontplooid, zijn er voeten gekomen die haar roekeloos vertraden. Smaad niet dat spiegelbeeld, noem u zelven geen grove gezel. Zooals gij zijt, zoo kan ook de beste, de schoonste trotsch zijn op uwe liefde. Ben ik niet reeds trotsch en zal ik het niet blijven op uwe vriendschap?”»Vriendschap, vriendschap!” herhaalde hij heftig, zijne hand uit de hare rukkend. »Dit brandende, smachtende hart dorst naar gansch andere gevoelens! O vrouw, vrouw! Ik ken de ellendeling, die de bloem der bloemen in uw hart heeft vertreden, en ik dwaas ben zijn lofredenaar, zijn verdediger en—het koste wat het wil—zal het blijven, zoolang gij... Misschien schiet die prachtige bloem nieuwe wortels in den bodem van den haat, en ik, ongelukkige, die haar begoot, kan toezien.”Paula vatte nog eens beide handen van den arts en zeide in diepe smartelijke zielsangst: »Ik bid, ik bezweer u, ga zoo niet voort, hoe kan ik zonder mijzelve in gevaar te brengen van de grenzen der betamelijkheid te overschrijden, die het zedelijk gevoel eener jonkvrouw gebiedt te eerbiedigen; en hoe kan ik hier onder uwe bescherming in dagelijksche gemeenschap met u rustig leven, wanneer gij de grenzen niet ontziet, die eene trouwe, oprechte vriendschap afbakenen? Ik ben een verlaten meisje, en zou vertwijfelen en mijzelven prijsgeven, wanneer het geloof mij niet beschutte, dat ik mij op mijzelve verlaten kan. Vergenoeg u met hetgeen ik u thans kan aanbieden, en God zal u er voor beloonen! Laten wij beiden de achting waardig blijven, die wij, den hemel zij dank, met goed recht voor elkander gevoelen.”De arts boog zich bewogen tot haar neder, drukte, zichzelven bijna niet meester, de lippen op hare blanke en krachtige hand, terwijl Perpetua juist met den rentmeester de kamer binnen kwam.De eerlijke beambte, een eenvoudig man, van middelbare grootte en nog niet oud, met een bleek, fijn, verstandig gelaat, waarin de zorgen, de zware arbeid en de last der verantwoordelijkheid diepe sporen hadden gegroefd, sloeg haastig een scherpen blik op beiden en legde daarna eene belangrijke som in goudstukken voor Paula neder. Zijn jonge meester zond dit geld overeenkomstig den wil van zijn overleden vader, om in de eerste behoeften te voorzien; het overige of grootste gedeeltevan haar vermogen zou haar tegelijk met de afrekening uitbetaald worden, na de begrafenis van den Mukaukas. Wat het bedrag harer bezitting aanging, dit kon Nilus reeds nu ongeveer opgeven, en het bleek dat dit zoo groot was, dat Paula hare ooren niet gelooven kon. Zij zag zich nu gevrijwaard voor alle verdere zorgen, ja, zij was zoo welgesteld, dat zij in staat geweest zou zijn om in overdaad te leven.De arts was getuige geweest van dit onderhoud, en het had zijn hart angstig doen kloppen. De gedachte had hem zoo gelukkig gemaakt, dat hij voor de arme wees Paula alles zou zijn en hij haar voor uitwendig gebrek zou hebben kunnen bewaren. Hij was bereid geweest alles op zich te nemen, om de Damasceensche een behoorlijk onderkomen te verschaffen en haar te voorzien van alles wat zij noodig kon hebben, en nu bleek het dat zijne beschermeling niet alleen voornamer, maar ook rijker was dan hij. Het was hem als had Orions bode hem van eene schoone levensvreugde beroofd; en nadat hij haar gebracht had bij haar wakkeren ouden gastheer en de zijnen, verliet hij met gebogen hoofd het huis van Rufinus. Toen de tijd kwam om zich ter ruste te begeven, mocht Perpetua hare lieve meesteres weder helpen ontkleeden. Doch Paula kon den slaap niet vatten, en toen zij den volgenden morgen zich bij hare nieuwe vrienden voegde, moest zij erkennen dat zoo ergens hier de plaats was, waar zij den verloren vrede terug kon vinden, dat zij echter nog veel zou hebben te worstelen en een langen weg moeten afleggen, voor zij dien bereiken kon.
ZESTIENDE HOOFDSTUK.
De arts had toen hij Paula verliet haar gezegd, dat de Mukaukas elk oogenblik kon sterven, maar het was ook mogelijk, dat hij nog weken lang met den dood zou worstelen. Dat uitzicht scheen haar te troosten, want de gedachte dat de eenige ware vriend, dien zij in Memphis had bezeten, voor zij Philippus nader had leeren kennen, voor altijd zou heengaan, zonder hare rechtvaardiging te hebben gehoord, kwam haar onverdragelijk voor. Het was allesbehalve waarschijnlijk dat men in de omgeving van vrouw Neforis, met uitzondering van de kleindochter, haar in liefde zou gedenken, en zij verlangde er ook niet naar; maar de achting, die zij zich ook in het stadhouderlijk verblijf verworven had, wilde zij niet verliezen. Indien het den vriend gelukte de dagen van haar oom nog te verlengen, dan kon zij, wanneer de ware toedracht der zaak openlijk te zijner kennis werd gebracht, zijne oude vriendelijke gezindheid en zijn goedgunstig oordeel herwinnen.Zij beschouwde haar tegenwoordig verblijf als eene plaats van overgang, een wachtstation op den woestijntocht van haar eenzaam bestaan, en wat zij geleerd had onder hare Memphietische verwanten, daarvan wilde zij hier partij trekken. De hoop was thans meesteres in haar hart over smart en teleurstelling. Alleen de nabijheid van Orion hing als eene dreigende hagelwolk boven het bloeiende graanveld van haren innerlijken vrede, en toch was er niets, behalve de noodzakelijkheid van den bode hier af te wachten, dat haar vaster aan Memphis verbond, dan de mogelijkheid van ten minste uit de verte den verderen loop zijns levens te kunnen volgen. Wat zij voor hem gevoelde—zij zelve noemde het diepen afkeer—maakte, al wilde zij dit zichzelve ook niet toegeven, een wezenlijk deel uit van haar innerlijk leven.Haar nieuwe gastheer had haar als eene lieve huisgenooteopgenomen en het schenen wel geen arme lieden te zijn; hun huis was zeer ruim en zij het ook wat ouderwets en zonder opschik, toch gemakkelijk en met fijnen kunstzin ingericht. Zij was er door verrast dat de tuin zoo keurig onderhouden werd; een gebochelden tuinman en eenige kinderen had zij er druk in zien werken. Het bleken zonderlinge helpers te zijn, want evenals hun scheefgegroeide meester, bezaten ze allen een of ander lichamelijk gebrek.Het stuk grond, dat reikte tot aan de langs den Nijloever aangelegde straat voor voetgangers, wagens en sleepers van Nijlschepen, was smal en grensde aan weerszijden aan grootere eigendommen, en niet ver van de plaats waar het den stroom naderde, begon de schipbrug, die Memphis met het eiland Roda verbond. Aan de rechterzijde van deze bezitting lag het haar welbekende schoone huis, een paleis mocht men het wel noemen, van de weduwe Susanna; aan de linkerzijde een wijd uitgestrekt bosch, waarin slanke palmen, sykomoren met breede bladerenkronen en dicht opeen gegroeide blauwgroene tamarisken hunne schaduwen verspreidden. Tusschen deze vereeniging van prachtig opgeschoten planten en oude boomen lag een langwerpig geel, met een torentje gekroond gebouw verscholen, dat haar evenzeer niet onbekend was; want men had er ten huize van den stadhouder dikwijls over gesproken, en zij was hier reeds eenige malen geweest in het gezelschap van Perpetua. Dit was het Cæcilia-klooster, dat de laatste nonnen van haar orthodox geloof herbergde, die in Memphis nog geduld werden. Terwijl alle andere zusters van hare geloofsbelijdenis sedert lang uit de stad waren verdreven, mochten zij in hare oude woonstede blijven, niet alleen omdat men haar waardeerde als goede ziekenverpleegsters, een voorrecht waarop ook andere Melchietische orden konden roemen, maar veelmeer, omdat de verarmde stad de rijke belasting niet wilde missen, die zij jaarlijks betaalden. Die belasting vertegenwoordigde de renten van een aanzienlijk kapitaal, hetwelk een der voorvaderen van den Mukaukas aan het klooster had vermaakt, en wel met deze voorzichtige door Theodosius II met zijn keizerlijk zegel bekrachtigde bepaling, dat deze stichting, zoodra het klooster zou worden opgeheven, tegelijk met de landerijen en wat daarop gebouwd was—die het coenobium insgelijks aan de vrijgevigheid van den stichter te danken had—aan den regeerenden christelijken keizer in eigendom zouden overgaan.De overleden Mukaukas, had, niettegenstaande zijne stellige afkeer van al wat Melchietisch was, zich wel gewacht om de nuttige nonnen iets in den weg te leggen en hare groote bezittingen aan zijne verarmde vaderstad te onttrekken, ten eindeze den rijken muzelman in handen te spelen. De oorkonde, waarop de zusters haar recht grondden, was deugdelijk, en de rechtsgeleerde en verstandige stadhouder had haar niet enkel onaangetast gelaten, al was hij in de laatste jaren ook meer beangst geworden voor zijn eigen persoon, maar was zelfs zonder vrees voor wien dan ook, bepaald en onbewimpeld tegen het machtig opperhoofd der Jacobietische kerk voor hare rechtsgeldigheid in de bres gesprongen. Natuurlijk billijkte de Senaat van de vroegere hoofdstad Memphis zijne beslissing en duldde niet alleen de zusters die tot een ander geloof behoorden, maar verleende haar ook menigmaal bijstand.De Jacobietische geestelijkheid van de stad zag deze instelling door de vingers en richtte alleen omstreeks paschen haar oog naar het klooster, want op den voorafgaanden Zaterdag moesten de nonnen, overeenkomstig eene voor het monophusietisch schisma gemaakte bepaling, geborduurde priestergewaden, wijn van de voortreffelijkste wijnbergen bij Kochome in de nabijheid van de trappen-pyramide, en eene aanzienlijke hoeveelheid bloemen en gebak aan de Christus-kerk opbrengen. Zoo bleef het oude vrouwenklooster bestaan, en ofschoon geheel Egypte thans alleen Jacobietisch of Mohammedaansch was, en menige oude zuster in het laatste jaar het tijdelijke met het eeuwige verwisseld had, vroeg toch niemand er naar hoe het kwam, dat het aantal nonnen altijd op dezelfde hoogte bleef, totdat de Jacobietische aartsbisschop Benjamin in plaats van den Melchiet Cyrus den patriarchalen zetel innam. Dezen kerkvorst waren de kettersche vrouwen in Memphis, de havikken in de duiventil, zooals hij ze noemde, een gruwel, en hij meende de oude schenkingsoorkonde zoo te kunnen uitleggen, dat, aangezien er geen zuiver christelijk keizer meer was, terwijl het woord »christelijk” uitdrukkelijk in de oorkonde stond, het klooster bij zijne opheffing aan het eenig christelijk opperhoofd, dat het land thans bezat, dat wilde zeggen aan hem en zijne kerk moest vervallen. De kwade gezindheid van den patriarch tegen den Mukaukas was door den tegenstand, die hij in dit opzicht bij dezen had gevonden, tot openbare vijandschap geworden.Uit dit klooster vernam Paula thans een welluidend klaaggezang. Was de waardige abdis der nonnen gestorven? Neen, dit treurlied moest betrekking hebben op een ander sterfgeval, want door devenstersvan hare hoekkamer, die op den Nijl uitzagen, vernam zij van de straat, de schipbrug en uit eenige booten op den stroom de vreemde, schrille klaagtonen van Egyptische vrouwen. Geen Jacobietisch bewoner van Memphis zou het gewaagd hebben om bij den dood eener Melchietische op zulk eene wijze aan zijne droefheid lucht te geven, en toen hetaantal klagenden bleek toe te nemen, huiverde zij bij de gedachte, dat haar oom en vriend de vriendelijke, vermoeide oogen had gesloten. Diep bewogen en met betraande oogen bemerkte zij, hoe oprecht de dood van dezen rechtschapen man door al zijne medeburgers werd betreurd. Ja, hem alleen en geen ander Egyptenaar kon deze groote en levendige droefheid gelden. Weeklagende vrouwen op straat bestreken zich de borst en het voorhoofd met het Nijlslib van den oever; mannen bleven bij groepen staan en sloegen zich met hartstochtelijke gebaren voor het hoofd en op de borst. Op de schipbrug hield de een den ander staande, en ook van daar drongen weemoedige klaagtonen haar in de ooren.Eindelijk verscheen Philippus om te bevestigen wat zij wel vreesde. De dood van den stadhouder had hem niet minder getroffen dan haar, en hij moest Paula thans alles mededeelen wat hij wist van de laatste ure van den afgestorvene.»Bij al dezen jammer,” dus besloot de arts, »heb ik toch iets goeds opgemerkt. Wie zou er gaarne dwalen? En toch verheugt ons niets zoozeer dan het inzicht van zich in een mensch en zijne gezindheid tot zijn nadeel bedrogen te hebben. Deze Orion, die zich zelven zoo vergeten en zich zoo jegens u bezondigd heeft, is toch geen verloren mensch.”»Niet?” vroeg Paula haastig. »Zoo heeft hij dan ook u misleid?”»Misleid?” vroeg de arts. »Dat zou niet licht gebeuren. Ik heb helaas aan vele, zeer vele sterfbedden gestaan; want in den regel roept men mij eerst, wanneer de dood den kranke reeds met den vinger wenkt. Duizende bedroefden heb ik op zulke plaatsen des lijdens aangetroffen, en ik verzeker u, dat zijn de beste scholen, de beste akademiën voor iedereen, die het binnenste van zijne medemenschen wenscht te leeren kennen. Hier en op de markt, waar ’t om het mijn en dijn te doen is, ziet men onder ons mannen, die vaak wat edel en groot in ons is even zorgvuldig voor de wereld verbergen als anderen het gemeene en onbeduidende, ziet men, zeg ik, den mensch in zijn open gemoed. Na vele stervenden te hebben gezien en anderen die rouw over hen dragen, zou ik, al ben ik geen Menander of Lucianus, eene breede rij van menschenbeelden kunnen teekenen, die zoo waarachtig zijn als hadden zij hun binnenste buiten gekeerd.”»Dat stervenden zich voordoen gelijk zij zijn,” hernam Paula, »dat neem ik gaarne aan. Zij hebben zich niet meer voor anderen te ontzien; maar de rouwdragenden? Reeds het fatsoen vordert van hen, dat zij zich verslagen toonen en tranen storten.”»Ja, aan de sterfbedden heerscht droefheid,” vervolgdedearts, »maar het doodenvertrek is als eene kerk. De dood wijdt het en wie hem in het aangezicht ziet, die laat vaak het masker vallen, waarmede hij anders zijne medemenschen bedriegt. Dan ziet men aangezichten die ons doen huiveren, maar ook andere, die wij niet kunnen beschouwen zonder dat ze ons opnieuw met achting vervullen voor dat ellendig geslacht, waartoe we ons anders moeten rekenen.”»En voor zulk eene troostrijke figuur houdt gij Orion, den roover, den vervalscher der getuigen, den onrechtvaardigen rechter?” vroeg Paula, die van verbazing zich niet kon inhouden.»Wel zie nu eens!” zeide de arts lachend. »Net als alle andere vrouwen! Een goochelkunstje, en in een oogwenk is purper wat zoo even nog rozenrood was! Neen, tot zulk kleurverwisselingen heeft de zoon van den Mukaukas het nog niet gebracht, maar—en dit stel ik reeds hoog—hij heeft nog een hart dat voelt en voor indrukken vatbaar is. Het is voor mij boven allen twijfel verheven, dat hij met warme, ja hartstochtelijke liefde aan zijn vader gehecht was, ofschoon ik anders grond genoeg heb om het ergste van hem te denken. Zoolang ik tegenwoordig kon zijn bij dit sterven, was ik er getuige van, dat vader en zoon in vriendschap, ja teeder van elkander afscheid namen, en toen het arme hart van den braven, ouden man stilstond, vond ik Orion in een toestand weder, zooals wij die verwachten kunnen van geliefden, die verloren wat hun het dierbaarst op aarde was.”»Comediespel!” riep Paula, haar vriend in de rede vallende.»Voor zulk een spel, lieve vriendin, ontbrak het aan toeschouwers. Zulke aandoeningen dringt een Orion zich niet op voor zijne moeder en de kleine Maria.”»Maar hij is een dichter, en nog wel een hoogbegaafde. Hij zingt bij de lier heerlijke liederen, die hijzelf heeft gemaakt. Zijn geoefende, levendige geest verplaatst hem gemakkelijk in die stemming. Maar zijne ziel is verdorven, als eene spons met water zoo is hij verzadigd met goddeloosheid. Hij is een vat met schoone gaven, maar al wat er goeds en groots in hem was heeft hij verloren, alles!”Het verontwaardigde meisje had deze woorden haastig uitgesproken. De toorn had hare wangen doen kleuren en zij meende den arts tot hare zienswijze te hebben overgehaald. Doch deze schudde ernstig het hoofd en zeide: »Uwe rechtmatige boosheid voert u te ver. Hoe vaak hebt gij mij over mijn scherp oordeel en mijn twijfel berispt? Doch nu verzoek ik u mij te veroorloven u te doen deelen in eene ervaring, waartegen gij waarschijnlijk eergisteren nog niets zoudt hebben ingebracht.Ik heb booswichten van allerlei slag ontmoet. Denk maar eens hoeveel moorden door vergiftiging ik had te onderzoeken!”»Homeros noemde reeds Egypte het gifland,” zeide Paula, »en het is onbegrijpelijk dat het christendom hierin nog niets veranderd heeft. Meer boosheid, bedrog, haat en wangunst dan hier, heeft zelfs de wijze Kosmas, die de geheele wereld doorreisde, nergens aangetroffen.”»Gij ziet nu in welk eene goede school mijne ervaringen over het booze in den mensch gerijpt zijn,” zeide de arts lachend, »en zij leeren mij dat er geen misdadiger, zondaar of booswicht is, hoe verhard en verdorven, hoe gruwelijk en gewetenloos hij ook zijn mag, in wien nog niet eene of andere goede eigenschap is overgebleven. Herinnert gij u nog die afschuwelijke gifmengster Nechebt, die hare beide broeders en haar eigen vader om het leven bracht? Het is nog pas drie weken geleden gebeurd. En datzelfde beest in menschelijke gedaante heeft voor haar ontaarden zoon, die in het keizerlijke leger diende, honger en dorst geleden, zoodat zij bijna was omgekomen; zij is eindelijk eene gifmengster geworden, niet om haar eigen jammerlijken toestand te verbeteren, maar om den schandelijken jongen middelen te verschaffen voor nieuwe zwelgerijen. Ontelbare voorbeelden van dien aard zou ik kunnen aanvoeren, doch ik wil u alleen nog iets vertellen van een der bloeddorstigste en wreedaardigste roovers, die ontelbare malen aan de veiligheidsbeambten wist te ontkomen, tot hij hun eindelijk in handen viel. En waardoor? Omdat hij gehoord had dat zijn oud moedertje zwaar ziek was, en het verlangen hem te machtig was geworden om het rimpelige wijfje nog eens weer te zien, haar nog eens te kussen, gelijk toen hij een kind was.—Nu, zoo heeft Orion, voor hoe verdorven wij hem anders ook houden mogen, in elk geval eene eigenschap, die wij moeten erkennen: eene teedere liefde voor zijn vader en zijne moeder. Uwe spons verzadigt zich niet geheel met hetgeen gij goddeloosheid noemt: daar blijven altijd nog poriën open, die weerstand bieden. En als bij hem, gelijk bij anderen, het hart hiertoe behoort, dan zeg ik vol hoop met den Romein Horatius: ‘Nil desperandum!’ het zou onrecht zijn, indien wij hem geheel wilden opgeven.”Paula wist op deze verzekering geen antwoord te geven, ja de gedachte kwam bij haar op dat Orion, als hij niet gelogen had, alleen ter wille van zijne moeder, het kwikstaartje had gevrijd, met haar beeld in zijn hart. Juist begon de arts, die het gesprek liever op een ander onderwerp wilde brengen, weder te spreken over de laatste levensuren van Mukaukas, toen eene der mismaakte dienstmeisjes eene vrouw kwam aanmelden, die de dochter van Thomas verlangde te spreken. Weinige oogenblikkenlater lag het meisje aan de borst van hare oude, trouwe vriendin, de voedster, en deze juichte zoo vroolijk en lachte en weende zoo hartelijk uit louter blijdschap, als ware haar geen kwaad overkomen, terwijl Paula, de jongere, wie het gebeurde zielsleed had gedaan, de gedachte daaraan niet van zich kon zetten.Perpetua begreep haar en duidde haar die kalmte niet euvel, ofschoon zij zelve als dronken was van vreugde. Zij was, zoo vertelde zij, in hare heete gevangenis goed verzorgd, en een half uur geleden had de jonge heer, Orion zelf, de deur voor haar geopend. Hij was zeer genadig geweest, terwijl hij er bleek en ontdaan uitzag. De overmoedige jonge man was geheel verouderd, zijne bekreten oogen hadden haar, Perpetua, tot tranen geroerd. Wat Orion Paula en haarzelve gisteren had aangedaan, dat mocht God hem vergeven. Zeker was hij door booze geesten bezeten, want hij was zichzelf niet; maar hij bezat een vriendelijk goed hart, en ofschoon hij zich ook voor de rechters hard en onrechtvaardig jegens den armen Hiram had betoond, zoo had hij toch heden vroeg alles weder goed gemaakt. Hij had dezen niet alleen uit zijne gevangenis doen ontslaan, maar hem, zooals zij van den rentmeester Nilus had vernomen, met zijn jongen, twee paarden en rijke geschenken naar Damascus gezonden. Wie zelf verlangt dat zijn naaste hem vergeven zal, die mocht ook dezen jonkman gaarne vergeven. De groote Augustinus was in zijne jeugd zeker geen toonbeeld van deugd geweest en toch een licht der kerk geworden, en zoo zou de zoon van den Mukaukas ook wel in de voetstappen zijns vaders treden. Hij was zeker een goed en schoon jonkman, die ieder stof tot vreugde kon geven. Heden had hij zich zoo ernstig en plechtig gedragen als een bisschop, en misschien wandelde hij reeds op beter wegen. Wat Paula er van zeggen mocht: hijzelf had haar naar den wagen zijner moeder gebracht, en den menner bevolen haar hierheen te rijden. Haar boeltje zou morgen aan haar afgegeven en onder hare eigene oogen ingepakt en weggezonden worden. De rentmeester Nilus was met haar medegekomen, om eene boodschap aan Paula over te brengen. Hij was eerst naar het Caecilia-klooster gegaan.Paula verzocht haar hem vandaar te gaan halen, en zoodra Perpetua het vertrek verlaten had, zeide zij tot den arts: »Gij hebt reeds iemand gevonden, die het met u eens is. Wat zijn de menschen toch veranderlijk. Gisteren avond vond mijne kloeke Betta geen afgrond der hel diep genoeg voor onzen vijand; en nu! Ja, het is vleiend door zulk een heerschap in eigen persoon naar den wagen gebracht te worden; en hoe rasheeft mijn oudje al haar leed vergeten, hoe rustig en tevreden is zij, nu haar genadig verlof werd gegeven om de nette zaakjes, waaraan zij zoo gehecht is, eigenhandig in te pakken. Gij hebt mij eens gezegd dat de Jacobieten van den heidenschen god Osiris een heiligen Orion hebben gemaakt, en zoo ziet mijne Betta reeds in den zoon van den Mukaukas een toekomstigen Augustinus. Ik zie reeds hoe zij hem tot haar schutspatroon maakt, en mij, als wij eerst weer in Syrië zijn, smeekt om met haar eene bedevaart naar hem te doen.”»En misschien doet gij het haar ten gevalle,” zeide de arts, die sedert zijn hart in liefde voor haar ontbrand was, Paula heden voor het eerst niet zoo gestemd vond, als een man meent te mogen verwachten van de vrouw die hij aanbidt. Tot hiertoe had hij niets in haar opgemerkt, van haar gehoord of ondervonden, wat niet waardig en edel was, maar hare laatste woorden waren op heftigen, bitteren, sarcastischen toon geuit, en berisping en bespotting, die niet ten doel hadden te verbeteren maar te krenken, waren naar zijne overtuiging een edel vrouwelijk wezen onwaardig. Dat honend gelach, waarmede zij hare woorden besloot, had hem maar al te duidelijk geopenbaard, welk eene breede klove er gaapte tusschen hare en zijne inzichten. Hij was, dat kon hij zich niet ontveinzen, soms groffer, en niet zoo fijn ontwikkeld als Paula, en hij spotte meer dan goed was. Tot hiertoe had juist deze zijne gewoonte haar mishaagd, en dat had hem aangemoedigd, dat was geheel overeenkomstig het ideaal, hetwelk hij zich gevormd had van de vrouw naar zijn hart. En nu verviel zij tot eene spotternij, die haar niet schertsend over de lippen kwam, maar hartstochtelijk opwelde uit haar innig verstoord gemoed, en deze opmerking deed den menschenkenner leed en maakte hem tegelijk bezorgd.Paula kon het hem aanzien, dat hij hare laatste woorden afkeurde, en gevoelde dat die volzin: ‘misschien doet gij het haar ten gevalle’, eene diepere beteekenis had. De mannen, dacht zij, worden boos, wanneer zij hunne zienswijze zeer duidelijk hebben uitgesproken en wij vrouwen het wagen er onverwijld eene andere tegenover te stellen. Daar zij den vriend, aan wien zij zooveel goeds te danken had, voor geen prijs wilde krenken, zeide zij vriendelijk: »Ik wil de bedoeling van uwe zonderlinge profetie niet nasporen. Goddank is door uwe vriendelijke en verstandige tusschenkomst thans elke band tusschen mij en den zoon van mijn armen oom afgesneden. Spreken wij daarom over wat anders; wij hebben ons reeds te veel met hem beziggehouden!”»Zoo denk ook ik er over,” zeide de arts. »Overigens verzoek ik u mijn ‘misschien’ te vergeten. Ik ben een man vanhet tegenwoordige en geen profeet, maar dat zie ik toch aankomen, dat Orion alle pogingen in het werk zal stellen, om—het koste wat het wil—”»Welnu?”»Om eene toenadering te bewerken, uwe vergeving te verwerven, uw hart te treffen, u....”»Dat hij het beproeve!” sprak Paula, terwijl zij de rechterhand dreigend ophief.»En wanneer hij, de in ieder opzicht zoo veel begaafde, weder geheel tot zichzelven komt, en als een gelouterd man, die zich de achting van alle weldenkenden weet te verwerven....”»Dan toch zal ik nooit vergeven wat hij misdreven en mij aangedaan heeft. Meent gij, dat ik uw gesprek met Neforis nu reeds vergeten ben? Gij verlangt van uwe vrienden niets anders dan eene wakkere gezindheid, die aan de uwe beantwoordt, en wat anders dan juist die gezindheid heeft mij van Orion vervreemd? Ontelbaren hebben hunne handelwijze veranderd, maar ook—antwoord mij oprecht—ook hetgeen wij onder ‘gezindheid’ verstaan?”»Ook deze,” antwoordde haar de arts met diepen ernst, »ook deze kan veranderen. Of wilt gij u aan de zijde van den koopman en zijne muzelmansche geloofsgenooten scharen, die den mensch beschouwen als een speelbal van het blinde noodlot? Wat ons, volgens de opvatting onzer godgeleerden tot iets voorbestemd, dat is het kwade, hetwelk wij mede ter wereld brengen; de inwendige wedergeboorte, zooals zij het noemen, kan het onschadelijk maken en ten goede leiden. Maar aan wien gelukt het midden in het gewoel van de wereld, in den zin waarin de kerk het bedoelt, zichzelven te dooden, als levend te sterven en als nieuw mensch weder op te staan? Het gewaad van een boeteling past niet voor een Orion; doch er zijn voor hem andere mogelijkheden om het pad terug te vinden, dat hij verlaten heeft. Het lot heeft zijn verwenden lieveling tot heden zooveel vreugde geschonken, dat hij te midden van zooveel genot en stof tot dankbaarheid geen tijd vond om over het leven na te denken. Thans toont het hem zijn ernst en verlangt van hem dat hij zich bezinnen zal, en als hij een vriend vindt die hem toeroept, wat mijn vader mij reeds in een brief leerde, dien hij zijn eenigen kleinen jongen naliet, en hij genegen is dien te hooren, dan houd ik hem voor gered.”»En hoe luidt dat woord, die raad?” vroeg Paula in spanning.»In het kort aldus: Het leven is geen maaltijd, die de voorzienigheid ons voorzet om er van te genieten, maar een dienst dien zij ons te vervullen geeft met onze beste krachten. Ieder onderzoeke zijn aard en zijne gaven, en hoe beter het hem geluktdie aan te wenden tot heil en zegen van de maatschappij, waarvan hij als lid ter wereld kwam, des te meer zal hij zich innerlijk gelukkig gevoelen, des te zekerder zal hij eene heerlijke zielsrust verwerven, des te minder vrees zal de dood hem aanjagen. In het bewustzijn van ook zaden voor de toekomst te hebben uitgestrooid, sluit hij als een trouw huismeester aan den avond van elken dag en aan het einde van de laatste hem verleende levensure de oogen. Ziet Orion dat in, is hij bereid zich niet te onttrekken aan de verplichting die zijn bestaan hem oplegt, wijdt hij daaraan met oprechten ernst al zijne krachten, dan kan er een dag komen, waarop ik zelf met waardeering, ja met bewondering tot hem zal opzien. De schipbreuk, waarvan de Arabier sprak, is gekomen. Zien wij toe hoe hij zich uit de golven redt en na de stranding gedraagt.”»Zien wij toe,” herhaalde Paula, »en laten wij wenschen dat hij een raadsman zal vinden! Toen ik u daar hoorde spreken kwam de gedachte bij mij op als rustte op mij de verplichting.... Maar neen, neen! Hij zelf heeft door zijn roekeloos gedrag alle aanspraak op medelijden verloren, die ik na zulk een schrikkelijken slag ook voor een vijand zou mogen gevoelen. Hij, hij kan en zal niets voor mij zijn tot het einde der dagen. U ben ik dankbaar, dat deze vreedzame haven zich voor mij geopend heeft, help mij om al het vijandige te verbannen, dat zou kunnen naderen om de rust in dit toevluchtsoord te verstoren. Waagt Orion het, met welk doel dan ook, zich toegang te verschaffen tot dit huis of het binnen te sluipen, dan verlaat ik mij op u, mijn vriend en redder!”Bij deze woorden bood zij Philippus de hand, en terwijl hij de hare greep vloeide hem het bloed weder sneller door de aderen, en zeide hij blijmoedig: »Mijne kracht en mijn hart behooren u. Beschik daarover, en wanneer uwe ziel de vurige liefde van een trouw en eenvoudig man...”»Niet verder, neen, neen, Philippus!” sprak Paula, hem met angstige opgewondenheid in de rede vallende. »Laat ons als vrienden, als broeder en zuster innig aan elkander verbonden blijven.”»Als broeder en zuster?” herhaalde hij dof en met een weemoedig lachje. »O ja, ook de vriendschap is schoon. Doch—laat mij uitspreken—ik had van liefde gedroomd, hier, hier binnen voelde ik de branding van den golfslag der hartstochten, en ik voel haar nog.... Maar man, man....” en hier drukte hij de vuist tegen zijn voorhoofd—»hebt gij dwaas dan uw spiegelbeeld vergeten, weet gij niet meer dat gij een leelijke, grove gezel zijt, dat voor u de prachtige bloem, waarnaar gij streeft....”Bij dien heftigen uitval van vertwijfeling ging Paula eenige schreden terug, maar dadelijk liep zij haar vriend weer tegemoet, en terwijl zij moedig zijne hand greep, zeide zij met warmte: »Niet zoo, Philippus, mijne lieve, trouwe, eenige vriend. De prachtige bloem die gij verlangt, noch ik, noch iemand kan u haar schenken. Ik bezit haar niet meer, want toen zij zich eens hier binnen had ontplooid, zijn er voeten gekomen die haar roekeloos vertraden. Smaad niet dat spiegelbeeld, noem u zelven geen grove gezel. Zooals gij zijt, zoo kan ook de beste, de schoonste trotsch zijn op uwe liefde. Ben ik niet reeds trotsch en zal ik het niet blijven op uwe vriendschap?”»Vriendschap, vriendschap!” herhaalde hij heftig, zijne hand uit de hare rukkend. »Dit brandende, smachtende hart dorst naar gansch andere gevoelens! O vrouw, vrouw! Ik ken de ellendeling, die de bloem der bloemen in uw hart heeft vertreden, en ik dwaas ben zijn lofredenaar, zijn verdediger en—het koste wat het wil—zal het blijven, zoolang gij... Misschien schiet die prachtige bloem nieuwe wortels in den bodem van den haat, en ik, ongelukkige, die haar begoot, kan toezien.”Paula vatte nog eens beide handen van den arts en zeide in diepe smartelijke zielsangst: »Ik bid, ik bezweer u, ga zoo niet voort, hoe kan ik zonder mijzelve in gevaar te brengen van de grenzen der betamelijkheid te overschrijden, die het zedelijk gevoel eener jonkvrouw gebiedt te eerbiedigen; en hoe kan ik hier onder uwe bescherming in dagelijksche gemeenschap met u rustig leven, wanneer gij de grenzen niet ontziet, die eene trouwe, oprechte vriendschap afbakenen? Ik ben een verlaten meisje, en zou vertwijfelen en mijzelven prijsgeven, wanneer het geloof mij niet beschutte, dat ik mij op mijzelve verlaten kan. Vergenoeg u met hetgeen ik u thans kan aanbieden, en God zal u er voor beloonen! Laten wij beiden de achting waardig blijven, die wij, den hemel zij dank, met goed recht voor elkander gevoelen.”De arts boog zich bewogen tot haar neder, drukte, zichzelven bijna niet meester, de lippen op hare blanke en krachtige hand, terwijl Perpetua juist met den rentmeester de kamer binnen kwam.De eerlijke beambte, een eenvoudig man, van middelbare grootte en nog niet oud, met een bleek, fijn, verstandig gelaat, waarin de zorgen, de zware arbeid en de last der verantwoordelijkheid diepe sporen hadden gegroefd, sloeg haastig een scherpen blik op beiden en legde daarna eene belangrijke som in goudstukken voor Paula neder. Zijn jonge meester zond dit geld overeenkomstig den wil van zijn overleden vader, om in de eerste behoeften te voorzien; het overige of grootste gedeeltevan haar vermogen zou haar tegelijk met de afrekening uitbetaald worden, na de begrafenis van den Mukaukas. Wat het bedrag harer bezitting aanging, dit kon Nilus reeds nu ongeveer opgeven, en het bleek dat dit zoo groot was, dat Paula hare ooren niet gelooven kon. Zij zag zich nu gevrijwaard voor alle verdere zorgen, ja, zij was zoo welgesteld, dat zij in staat geweest zou zijn om in overdaad te leven.De arts was getuige geweest van dit onderhoud, en het had zijn hart angstig doen kloppen. De gedachte had hem zoo gelukkig gemaakt, dat hij voor de arme wees Paula alles zou zijn en hij haar voor uitwendig gebrek zou hebben kunnen bewaren. Hij was bereid geweest alles op zich te nemen, om de Damasceensche een behoorlijk onderkomen te verschaffen en haar te voorzien van alles wat zij noodig kon hebben, en nu bleek het dat zijne beschermeling niet alleen voornamer, maar ook rijker was dan hij. Het was hem als had Orions bode hem van eene schoone levensvreugde beroofd; en nadat hij haar gebracht had bij haar wakkeren ouden gastheer en de zijnen, verliet hij met gebogen hoofd het huis van Rufinus. Toen de tijd kwam om zich ter ruste te begeven, mocht Perpetua hare lieve meesteres weder helpen ontkleeden. Doch Paula kon den slaap niet vatten, en toen zij den volgenden morgen zich bij hare nieuwe vrienden voegde, moest zij erkennen dat zoo ergens hier de plaats was, waar zij den verloren vrede terug kon vinden, dat zij echter nog veel zou hebben te worstelen en een langen weg moeten afleggen, voor zij dien bereiken kon.
De arts had toen hij Paula verliet haar gezegd, dat de Mukaukas elk oogenblik kon sterven, maar het was ook mogelijk, dat hij nog weken lang met den dood zou worstelen. Dat uitzicht scheen haar te troosten, want de gedachte dat de eenige ware vriend, dien zij in Memphis had bezeten, voor zij Philippus nader had leeren kennen, voor altijd zou heengaan, zonder hare rechtvaardiging te hebben gehoord, kwam haar onverdragelijk voor. Het was allesbehalve waarschijnlijk dat men in de omgeving van vrouw Neforis, met uitzondering van de kleindochter, haar in liefde zou gedenken, en zij verlangde er ook niet naar; maar de achting, die zij zich ook in het stadhouderlijk verblijf verworven had, wilde zij niet verliezen. Indien het den vriend gelukte de dagen van haar oom nog te verlengen, dan kon zij, wanneer de ware toedracht der zaak openlijk te zijner kennis werd gebracht, zijne oude vriendelijke gezindheid en zijn goedgunstig oordeel herwinnen.
Zij beschouwde haar tegenwoordig verblijf als eene plaats van overgang, een wachtstation op den woestijntocht van haar eenzaam bestaan, en wat zij geleerd had onder hare Memphietische verwanten, daarvan wilde zij hier partij trekken. De hoop was thans meesteres in haar hart over smart en teleurstelling. Alleen de nabijheid van Orion hing als eene dreigende hagelwolk boven het bloeiende graanveld van haren innerlijken vrede, en toch was er niets, behalve de noodzakelijkheid van den bode hier af te wachten, dat haar vaster aan Memphis verbond, dan de mogelijkheid van ten minste uit de verte den verderen loop zijns levens te kunnen volgen. Wat zij voor hem gevoelde—zij zelve noemde het diepen afkeer—maakte, al wilde zij dit zichzelve ook niet toegeven, een wezenlijk deel uit van haar innerlijk leven.
Haar nieuwe gastheer had haar als eene lieve huisgenooteopgenomen en het schenen wel geen arme lieden te zijn; hun huis was zeer ruim en zij het ook wat ouderwets en zonder opschik, toch gemakkelijk en met fijnen kunstzin ingericht. Zij was er door verrast dat de tuin zoo keurig onderhouden werd; een gebochelden tuinman en eenige kinderen had zij er druk in zien werken. Het bleken zonderlinge helpers te zijn, want evenals hun scheefgegroeide meester, bezaten ze allen een of ander lichamelijk gebrek.
Het stuk grond, dat reikte tot aan de langs den Nijloever aangelegde straat voor voetgangers, wagens en sleepers van Nijlschepen, was smal en grensde aan weerszijden aan grootere eigendommen, en niet ver van de plaats waar het den stroom naderde, begon de schipbrug, die Memphis met het eiland Roda verbond. Aan de rechterzijde van deze bezitting lag het haar welbekende schoone huis, een paleis mocht men het wel noemen, van de weduwe Susanna; aan de linkerzijde een wijd uitgestrekt bosch, waarin slanke palmen, sykomoren met breede bladerenkronen en dicht opeen gegroeide blauwgroene tamarisken hunne schaduwen verspreidden. Tusschen deze vereeniging van prachtig opgeschoten planten en oude boomen lag een langwerpig geel, met een torentje gekroond gebouw verscholen, dat haar evenzeer niet onbekend was; want men had er ten huize van den stadhouder dikwijls over gesproken, en zij was hier reeds eenige malen geweest in het gezelschap van Perpetua. Dit was het Cæcilia-klooster, dat de laatste nonnen van haar orthodox geloof herbergde, die in Memphis nog geduld werden. Terwijl alle andere zusters van hare geloofsbelijdenis sedert lang uit de stad waren verdreven, mochten zij in hare oude woonstede blijven, niet alleen omdat men haar waardeerde als goede ziekenverpleegsters, een voorrecht waarop ook andere Melchietische orden konden roemen, maar veelmeer, omdat de verarmde stad de rijke belasting niet wilde missen, die zij jaarlijks betaalden. Die belasting vertegenwoordigde de renten van een aanzienlijk kapitaal, hetwelk een der voorvaderen van den Mukaukas aan het klooster had vermaakt, en wel met deze voorzichtige door Theodosius II met zijn keizerlijk zegel bekrachtigde bepaling, dat deze stichting, zoodra het klooster zou worden opgeheven, tegelijk met de landerijen en wat daarop gebouwd was—die het coenobium insgelijks aan de vrijgevigheid van den stichter te danken had—aan den regeerenden christelijken keizer in eigendom zouden overgaan.
De overleden Mukaukas, had, niettegenstaande zijne stellige afkeer van al wat Melchietisch was, zich wel gewacht om de nuttige nonnen iets in den weg te leggen en hare groote bezittingen aan zijne verarmde vaderstad te onttrekken, ten eindeze den rijken muzelman in handen te spelen. De oorkonde, waarop de zusters haar recht grondden, was deugdelijk, en de rechtsgeleerde en verstandige stadhouder had haar niet enkel onaangetast gelaten, al was hij in de laatste jaren ook meer beangst geworden voor zijn eigen persoon, maar was zelfs zonder vrees voor wien dan ook, bepaald en onbewimpeld tegen het machtig opperhoofd der Jacobietische kerk voor hare rechtsgeldigheid in de bres gesprongen. Natuurlijk billijkte de Senaat van de vroegere hoofdstad Memphis zijne beslissing en duldde niet alleen de zusters die tot een ander geloof behoorden, maar verleende haar ook menigmaal bijstand.
De Jacobietische geestelijkheid van de stad zag deze instelling door de vingers en richtte alleen omstreeks paschen haar oog naar het klooster, want op den voorafgaanden Zaterdag moesten de nonnen, overeenkomstig eene voor het monophusietisch schisma gemaakte bepaling, geborduurde priestergewaden, wijn van de voortreffelijkste wijnbergen bij Kochome in de nabijheid van de trappen-pyramide, en eene aanzienlijke hoeveelheid bloemen en gebak aan de Christus-kerk opbrengen. Zoo bleef het oude vrouwenklooster bestaan, en ofschoon geheel Egypte thans alleen Jacobietisch of Mohammedaansch was, en menige oude zuster in het laatste jaar het tijdelijke met het eeuwige verwisseld had, vroeg toch niemand er naar hoe het kwam, dat het aantal nonnen altijd op dezelfde hoogte bleef, totdat de Jacobietische aartsbisschop Benjamin in plaats van den Melchiet Cyrus den patriarchalen zetel innam. Dezen kerkvorst waren de kettersche vrouwen in Memphis, de havikken in de duiventil, zooals hij ze noemde, een gruwel, en hij meende de oude schenkingsoorkonde zoo te kunnen uitleggen, dat, aangezien er geen zuiver christelijk keizer meer was, terwijl het woord »christelijk” uitdrukkelijk in de oorkonde stond, het klooster bij zijne opheffing aan het eenig christelijk opperhoofd, dat het land thans bezat, dat wilde zeggen aan hem en zijne kerk moest vervallen. De kwade gezindheid van den patriarch tegen den Mukaukas was door den tegenstand, die hij in dit opzicht bij dezen had gevonden, tot openbare vijandschap geworden.
Uit dit klooster vernam Paula thans een welluidend klaaggezang. Was de waardige abdis der nonnen gestorven? Neen, dit treurlied moest betrekking hebben op een ander sterfgeval, want door devenstersvan hare hoekkamer, die op den Nijl uitzagen, vernam zij van de straat, de schipbrug en uit eenige booten op den stroom de vreemde, schrille klaagtonen van Egyptische vrouwen. Geen Jacobietisch bewoner van Memphis zou het gewaagd hebben om bij den dood eener Melchietische op zulk eene wijze aan zijne droefheid lucht te geven, en toen hetaantal klagenden bleek toe te nemen, huiverde zij bij de gedachte, dat haar oom en vriend de vriendelijke, vermoeide oogen had gesloten. Diep bewogen en met betraande oogen bemerkte zij, hoe oprecht de dood van dezen rechtschapen man door al zijne medeburgers werd betreurd. Ja, hem alleen en geen ander Egyptenaar kon deze groote en levendige droefheid gelden. Weeklagende vrouwen op straat bestreken zich de borst en het voorhoofd met het Nijlslib van den oever; mannen bleven bij groepen staan en sloegen zich met hartstochtelijke gebaren voor het hoofd en op de borst. Op de schipbrug hield de een den ander staande, en ook van daar drongen weemoedige klaagtonen haar in de ooren.
Eindelijk verscheen Philippus om te bevestigen wat zij wel vreesde. De dood van den stadhouder had hem niet minder getroffen dan haar, en hij moest Paula thans alles mededeelen wat hij wist van de laatste ure van den afgestorvene.
»Bij al dezen jammer,” dus besloot de arts, »heb ik toch iets goeds opgemerkt. Wie zou er gaarne dwalen? En toch verheugt ons niets zoozeer dan het inzicht van zich in een mensch en zijne gezindheid tot zijn nadeel bedrogen te hebben. Deze Orion, die zich zelven zoo vergeten en zich zoo jegens u bezondigd heeft, is toch geen verloren mensch.”
»Niet?” vroeg Paula haastig. »Zoo heeft hij dan ook u misleid?”
»Misleid?” vroeg de arts. »Dat zou niet licht gebeuren. Ik heb helaas aan vele, zeer vele sterfbedden gestaan; want in den regel roept men mij eerst, wanneer de dood den kranke reeds met den vinger wenkt. Duizende bedroefden heb ik op zulke plaatsen des lijdens aangetroffen, en ik verzeker u, dat zijn de beste scholen, de beste akademiën voor iedereen, die het binnenste van zijne medemenschen wenscht te leeren kennen. Hier en op de markt, waar ’t om het mijn en dijn te doen is, ziet men onder ons mannen, die vaak wat edel en groot in ons is even zorgvuldig voor de wereld verbergen als anderen het gemeene en onbeduidende, ziet men, zeg ik, den mensch in zijn open gemoed. Na vele stervenden te hebben gezien en anderen die rouw over hen dragen, zou ik, al ben ik geen Menander of Lucianus, eene breede rij van menschenbeelden kunnen teekenen, die zoo waarachtig zijn als hadden zij hun binnenste buiten gekeerd.”
»Dat stervenden zich voordoen gelijk zij zijn,” hernam Paula, »dat neem ik gaarne aan. Zij hebben zich niet meer voor anderen te ontzien; maar de rouwdragenden? Reeds het fatsoen vordert van hen, dat zij zich verslagen toonen en tranen storten.”
»Ja, aan de sterfbedden heerscht droefheid,” vervolgdedearts, »maar het doodenvertrek is als eene kerk. De dood wijdt het en wie hem in het aangezicht ziet, die laat vaak het masker vallen, waarmede hij anders zijne medemenschen bedriegt. Dan ziet men aangezichten die ons doen huiveren, maar ook andere, die wij niet kunnen beschouwen zonder dat ze ons opnieuw met achting vervullen voor dat ellendig geslacht, waartoe we ons anders moeten rekenen.”
»En voor zulk eene troostrijke figuur houdt gij Orion, den roover, den vervalscher der getuigen, den onrechtvaardigen rechter?” vroeg Paula, die van verbazing zich niet kon inhouden.
»Wel zie nu eens!” zeide de arts lachend. »Net als alle andere vrouwen! Een goochelkunstje, en in een oogwenk is purper wat zoo even nog rozenrood was! Neen, tot zulk kleurverwisselingen heeft de zoon van den Mukaukas het nog niet gebracht, maar—en dit stel ik reeds hoog—hij heeft nog een hart dat voelt en voor indrukken vatbaar is. Het is voor mij boven allen twijfel verheven, dat hij met warme, ja hartstochtelijke liefde aan zijn vader gehecht was, ofschoon ik anders grond genoeg heb om het ergste van hem te denken. Zoolang ik tegenwoordig kon zijn bij dit sterven, was ik er getuige van, dat vader en zoon in vriendschap, ja teeder van elkander afscheid namen, en toen het arme hart van den braven, ouden man stilstond, vond ik Orion in een toestand weder, zooals wij die verwachten kunnen van geliefden, die verloren wat hun het dierbaarst op aarde was.”
»Comediespel!” riep Paula, haar vriend in de rede vallende.
»Voor zulk een spel, lieve vriendin, ontbrak het aan toeschouwers. Zulke aandoeningen dringt een Orion zich niet op voor zijne moeder en de kleine Maria.”
»Maar hij is een dichter, en nog wel een hoogbegaafde. Hij zingt bij de lier heerlijke liederen, die hijzelf heeft gemaakt. Zijn geoefende, levendige geest verplaatst hem gemakkelijk in die stemming. Maar zijne ziel is verdorven, als eene spons met water zoo is hij verzadigd met goddeloosheid. Hij is een vat met schoone gaven, maar al wat er goeds en groots in hem was heeft hij verloren, alles!”
Het verontwaardigde meisje had deze woorden haastig uitgesproken. De toorn had hare wangen doen kleuren en zij meende den arts tot hare zienswijze te hebben overgehaald. Doch deze schudde ernstig het hoofd en zeide: »Uwe rechtmatige boosheid voert u te ver. Hoe vaak hebt gij mij over mijn scherp oordeel en mijn twijfel berispt? Doch nu verzoek ik u mij te veroorloven u te doen deelen in eene ervaring, waartegen gij waarschijnlijk eergisteren nog niets zoudt hebben ingebracht.Ik heb booswichten van allerlei slag ontmoet. Denk maar eens hoeveel moorden door vergiftiging ik had te onderzoeken!”
»Homeros noemde reeds Egypte het gifland,” zeide Paula, »en het is onbegrijpelijk dat het christendom hierin nog niets veranderd heeft. Meer boosheid, bedrog, haat en wangunst dan hier, heeft zelfs de wijze Kosmas, die de geheele wereld doorreisde, nergens aangetroffen.”
»Gij ziet nu in welk eene goede school mijne ervaringen over het booze in den mensch gerijpt zijn,” zeide de arts lachend, »en zij leeren mij dat er geen misdadiger, zondaar of booswicht is, hoe verhard en verdorven, hoe gruwelijk en gewetenloos hij ook zijn mag, in wien nog niet eene of andere goede eigenschap is overgebleven. Herinnert gij u nog die afschuwelijke gifmengster Nechebt, die hare beide broeders en haar eigen vader om het leven bracht? Het is nog pas drie weken geleden gebeurd. En datzelfde beest in menschelijke gedaante heeft voor haar ontaarden zoon, die in het keizerlijke leger diende, honger en dorst geleden, zoodat zij bijna was omgekomen; zij is eindelijk eene gifmengster geworden, niet om haar eigen jammerlijken toestand te verbeteren, maar om den schandelijken jongen middelen te verschaffen voor nieuwe zwelgerijen. Ontelbare voorbeelden van dien aard zou ik kunnen aanvoeren, doch ik wil u alleen nog iets vertellen van een der bloeddorstigste en wreedaardigste roovers, die ontelbare malen aan de veiligheidsbeambten wist te ontkomen, tot hij hun eindelijk in handen viel. En waardoor? Omdat hij gehoord had dat zijn oud moedertje zwaar ziek was, en het verlangen hem te machtig was geworden om het rimpelige wijfje nog eens weer te zien, haar nog eens te kussen, gelijk toen hij een kind was.—Nu, zoo heeft Orion, voor hoe verdorven wij hem anders ook houden mogen, in elk geval eene eigenschap, die wij moeten erkennen: eene teedere liefde voor zijn vader en zijne moeder. Uwe spons verzadigt zich niet geheel met hetgeen gij goddeloosheid noemt: daar blijven altijd nog poriën open, die weerstand bieden. En als bij hem, gelijk bij anderen, het hart hiertoe behoort, dan zeg ik vol hoop met den Romein Horatius: ‘Nil desperandum!’ het zou onrecht zijn, indien wij hem geheel wilden opgeven.”
Paula wist op deze verzekering geen antwoord te geven, ja de gedachte kwam bij haar op dat Orion, als hij niet gelogen had, alleen ter wille van zijne moeder, het kwikstaartje had gevrijd, met haar beeld in zijn hart. Juist begon de arts, die het gesprek liever op een ander onderwerp wilde brengen, weder te spreken over de laatste levensuren van Mukaukas, toen eene der mismaakte dienstmeisjes eene vrouw kwam aanmelden, die de dochter van Thomas verlangde te spreken. Weinige oogenblikkenlater lag het meisje aan de borst van hare oude, trouwe vriendin, de voedster, en deze juichte zoo vroolijk en lachte en weende zoo hartelijk uit louter blijdschap, als ware haar geen kwaad overkomen, terwijl Paula, de jongere, wie het gebeurde zielsleed had gedaan, de gedachte daaraan niet van zich kon zetten.
Perpetua begreep haar en duidde haar die kalmte niet euvel, ofschoon zij zelve als dronken was van vreugde. Zij was, zoo vertelde zij, in hare heete gevangenis goed verzorgd, en een half uur geleden had de jonge heer, Orion zelf, de deur voor haar geopend. Hij was zeer genadig geweest, terwijl hij er bleek en ontdaan uitzag. De overmoedige jonge man was geheel verouderd, zijne bekreten oogen hadden haar, Perpetua, tot tranen geroerd. Wat Orion Paula en haarzelve gisteren had aangedaan, dat mocht God hem vergeven. Zeker was hij door booze geesten bezeten, want hij was zichzelf niet; maar hij bezat een vriendelijk goed hart, en ofschoon hij zich ook voor de rechters hard en onrechtvaardig jegens den armen Hiram had betoond, zoo had hij toch heden vroeg alles weder goed gemaakt. Hij had dezen niet alleen uit zijne gevangenis doen ontslaan, maar hem, zooals zij van den rentmeester Nilus had vernomen, met zijn jongen, twee paarden en rijke geschenken naar Damascus gezonden. Wie zelf verlangt dat zijn naaste hem vergeven zal, die mocht ook dezen jonkman gaarne vergeven. De groote Augustinus was in zijne jeugd zeker geen toonbeeld van deugd geweest en toch een licht der kerk geworden, en zoo zou de zoon van den Mukaukas ook wel in de voetstappen zijns vaders treden. Hij was zeker een goed en schoon jonkman, die ieder stof tot vreugde kon geven. Heden had hij zich zoo ernstig en plechtig gedragen als een bisschop, en misschien wandelde hij reeds op beter wegen. Wat Paula er van zeggen mocht: hijzelf had haar naar den wagen zijner moeder gebracht, en den menner bevolen haar hierheen te rijden. Haar boeltje zou morgen aan haar afgegeven en onder hare eigene oogen ingepakt en weggezonden worden. De rentmeester Nilus was met haar medegekomen, om eene boodschap aan Paula over te brengen. Hij was eerst naar het Caecilia-klooster gegaan.
Paula verzocht haar hem vandaar te gaan halen, en zoodra Perpetua het vertrek verlaten had, zeide zij tot den arts: »Gij hebt reeds iemand gevonden, die het met u eens is. Wat zijn de menschen toch veranderlijk. Gisteren avond vond mijne kloeke Betta geen afgrond der hel diep genoeg voor onzen vijand; en nu! Ja, het is vleiend door zulk een heerschap in eigen persoon naar den wagen gebracht te worden; en hoe rasheeft mijn oudje al haar leed vergeten, hoe rustig en tevreden is zij, nu haar genadig verlof werd gegeven om de nette zaakjes, waaraan zij zoo gehecht is, eigenhandig in te pakken. Gij hebt mij eens gezegd dat de Jacobieten van den heidenschen god Osiris een heiligen Orion hebben gemaakt, en zoo ziet mijne Betta reeds in den zoon van den Mukaukas een toekomstigen Augustinus. Ik zie reeds hoe zij hem tot haar schutspatroon maakt, en mij, als wij eerst weer in Syrië zijn, smeekt om met haar eene bedevaart naar hem te doen.”
»En misschien doet gij het haar ten gevalle,” zeide de arts, die sedert zijn hart in liefde voor haar ontbrand was, Paula heden voor het eerst niet zoo gestemd vond, als een man meent te mogen verwachten van de vrouw die hij aanbidt. Tot hiertoe had hij niets in haar opgemerkt, van haar gehoord of ondervonden, wat niet waardig en edel was, maar hare laatste woorden waren op heftigen, bitteren, sarcastischen toon geuit, en berisping en bespotting, die niet ten doel hadden te verbeteren maar te krenken, waren naar zijne overtuiging een edel vrouwelijk wezen onwaardig. Dat honend gelach, waarmede zij hare woorden besloot, had hem maar al te duidelijk geopenbaard, welk eene breede klove er gaapte tusschen hare en zijne inzichten. Hij was, dat kon hij zich niet ontveinzen, soms groffer, en niet zoo fijn ontwikkeld als Paula, en hij spotte meer dan goed was. Tot hiertoe had juist deze zijne gewoonte haar mishaagd, en dat had hem aangemoedigd, dat was geheel overeenkomstig het ideaal, hetwelk hij zich gevormd had van de vrouw naar zijn hart. En nu verviel zij tot eene spotternij, die haar niet schertsend over de lippen kwam, maar hartstochtelijk opwelde uit haar innig verstoord gemoed, en deze opmerking deed den menschenkenner leed en maakte hem tegelijk bezorgd.
Paula kon het hem aanzien, dat hij hare laatste woorden afkeurde, en gevoelde dat die volzin: ‘misschien doet gij het haar ten gevalle’, eene diepere beteekenis had. De mannen, dacht zij, worden boos, wanneer zij hunne zienswijze zeer duidelijk hebben uitgesproken en wij vrouwen het wagen er onverwijld eene andere tegenover te stellen. Daar zij den vriend, aan wien zij zooveel goeds te danken had, voor geen prijs wilde krenken, zeide zij vriendelijk: »Ik wil de bedoeling van uwe zonderlinge profetie niet nasporen. Goddank is door uwe vriendelijke en verstandige tusschenkomst thans elke band tusschen mij en den zoon van mijn armen oom afgesneden. Spreken wij daarom over wat anders; wij hebben ons reeds te veel met hem beziggehouden!”
»Zoo denk ook ik er over,” zeide de arts. »Overigens verzoek ik u mijn ‘misschien’ te vergeten. Ik ben een man vanhet tegenwoordige en geen profeet, maar dat zie ik toch aankomen, dat Orion alle pogingen in het werk zal stellen, om—het koste wat het wil—”
»Welnu?”
»Om eene toenadering te bewerken, uwe vergeving te verwerven, uw hart te treffen, u....”
»Dat hij het beproeve!” sprak Paula, terwijl zij de rechterhand dreigend ophief.
»En wanneer hij, de in ieder opzicht zoo veel begaafde, weder geheel tot zichzelven komt, en als een gelouterd man, die zich de achting van alle weldenkenden weet te verwerven....”
»Dan toch zal ik nooit vergeven wat hij misdreven en mij aangedaan heeft. Meent gij, dat ik uw gesprek met Neforis nu reeds vergeten ben? Gij verlangt van uwe vrienden niets anders dan eene wakkere gezindheid, die aan de uwe beantwoordt, en wat anders dan juist die gezindheid heeft mij van Orion vervreemd? Ontelbaren hebben hunne handelwijze veranderd, maar ook—antwoord mij oprecht—ook hetgeen wij onder ‘gezindheid’ verstaan?”
»Ook deze,” antwoordde haar de arts met diepen ernst, »ook deze kan veranderen. Of wilt gij u aan de zijde van den koopman en zijne muzelmansche geloofsgenooten scharen, die den mensch beschouwen als een speelbal van het blinde noodlot? Wat ons, volgens de opvatting onzer godgeleerden tot iets voorbestemd, dat is het kwade, hetwelk wij mede ter wereld brengen; de inwendige wedergeboorte, zooals zij het noemen, kan het onschadelijk maken en ten goede leiden. Maar aan wien gelukt het midden in het gewoel van de wereld, in den zin waarin de kerk het bedoelt, zichzelven te dooden, als levend te sterven en als nieuw mensch weder op te staan? Het gewaad van een boeteling past niet voor een Orion; doch er zijn voor hem andere mogelijkheden om het pad terug te vinden, dat hij verlaten heeft. Het lot heeft zijn verwenden lieveling tot heden zooveel vreugde geschonken, dat hij te midden van zooveel genot en stof tot dankbaarheid geen tijd vond om over het leven na te denken. Thans toont het hem zijn ernst en verlangt van hem dat hij zich bezinnen zal, en als hij een vriend vindt die hem toeroept, wat mijn vader mij reeds in een brief leerde, dien hij zijn eenigen kleinen jongen naliet, en hij genegen is dien te hooren, dan houd ik hem voor gered.”
»En hoe luidt dat woord, die raad?” vroeg Paula in spanning.
»In het kort aldus: Het leven is geen maaltijd, die de voorzienigheid ons voorzet om er van te genieten, maar een dienst dien zij ons te vervullen geeft met onze beste krachten. Ieder onderzoeke zijn aard en zijne gaven, en hoe beter het hem geluktdie aan te wenden tot heil en zegen van de maatschappij, waarvan hij als lid ter wereld kwam, des te meer zal hij zich innerlijk gelukkig gevoelen, des te zekerder zal hij eene heerlijke zielsrust verwerven, des te minder vrees zal de dood hem aanjagen. In het bewustzijn van ook zaden voor de toekomst te hebben uitgestrooid, sluit hij als een trouw huismeester aan den avond van elken dag en aan het einde van de laatste hem verleende levensure de oogen. Ziet Orion dat in, is hij bereid zich niet te onttrekken aan de verplichting die zijn bestaan hem oplegt, wijdt hij daaraan met oprechten ernst al zijne krachten, dan kan er een dag komen, waarop ik zelf met waardeering, ja met bewondering tot hem zal opzien. De schipbreuk, waarvan de Arabier sprak, is gekomen. Zien wij toe hoe hij zich uit de golven redt en na de stranding gedraagt.”
»Zien wij toe,” herhaalde Paula, »en laten wij wenschen dat hij een raadsman zal vinden! Toen ik u daar hoorde spreken kwam de gedachte bij mij op als rustte op mij de verplichting.... Maar neen, neen! Hij zelf heeft door zijn roekeloos gedrag alle aanspraak op medelijden verloren, die ik na zulk een schrikkelijken slag ook voor een vijand zou mogen gevoelen. Hij, hij kan en zal niets voor mij zijn tot het einde der dagen. U ben ik dankbaar, dat deze vreedzame haven zich voor mij geopend heeft, help mij om al het vijandige te verbannen, dat zou kunnen naderen om de rust in dit toevluchtsoord te verstoren. Waagt Orion het, met welk doel dan ook, zich toegang te verschaffen tot dit huis of het binnen te sluipen, dan verlaat ik mij op u, mijn vriend en redder!”
Bij deze woorden bood zij Philippus de hand, en terwijl hij de hare greep vloeide hem het bloed weder sneller door de aderen, en zeide hij blijmoedig: »Mijne kracht en mijn hart behooren u. Beschik daarover, en wanneer uwe ziel de vurige liefde van een trouw en eenvoudig man...”
»Niet verder, neen, neen, Philippus!” sprak Paula, hem met angstige opgewondenheid in de rede vallende. »Laat ons als vrienden, als broeder en zuster innig aan elkander verbonden blijven.”
»Als broeder en zuster?” herhaalde hij dof en met een weemoedig lachje. »O ja, ook de vriendschap is schoon. Doch—laat mij uitspreken—ik had van liefde gedroomd, hier, hier binnen voelde ik de branding van den golfslag der hartstochten, en ik voel haar nog.... Maar man, man....” en hier drukte hij de vuist tegen zijn voorhoofd—»hebt gij dwaas dan uw spiegelbeeld vergeten, weet gij niet meer dat gij een leelijke, grove gezel zijt, dat voor u de prachtige bloem, waarnaar gij streeft....”
Bij dien heftigen uitval van vertwijfeling ging Paula eenige schreden terug, maar dadelijk liep zij haar vriend weer tegemoet, en terwijl zij moedig zijne hand greep, zeide zij met warmte: »Niet zoo, Philippus, mijne lieve, trouwe, eenige vriend. De prachtige bloem die gij verlangt, noch ik, noch iemand kan u haar schenken. Ik bezit haar niet meer, want toen zij zich eens hier binnen had ontplooid, zijn er voeten gekomen die haar roekeloos vertraden. Smaad niet dat spiegelbeeld, noem u zelven geen grove gezel. Zooals gij zijt, zoo kan ook de beste, de schoonste trotsch zijn op uwe liefde. Ben ik niet reeds trotsch en zal ik het niet blijven op uwe vriendschap?”
»Vriendschap, vriendschap!” herhaalde hij heftig, zijne hand uit de hare rukkend. »Dit brandende, smachtende hart dorst naar gansch andere gevoelens! O vrouw, vrouw! Ik ken de ellendeling, die de bloem der bloemen in uw hart heeft vertreden, en ik dwaas ben zijn lofredenaar, zijn verdediger en—het koste wat het wil—zal het blijven, zoolang gij... Misschien schiet die prachtige bloem nieuwe wortels in den bodem van den haat, en ik, ongelukkige, die haar begoot, kan toezien.”
Paula vatte nog eens beide handen van den arts en zeide in diepe smartelijke zielsangst: »Ik bid, ik bezweer u, ga zoo niet voort, hoe kan ik zonder mijzelve in gevaar te brengen van de grenzen der betamelijkheid te overschrijden, die het zedelijk gevoel eener jonkvrouw gebiedt te eerbiedigen; en hoe kan ik hier onder uwe bescherming in dagelijksche gemeenschap met u rustig leven, wanneer gij de grenzen niet ontziet, die eene trouwe, oprechte vriendschap afbakenen? Ik ben een verlaten meisje, en zou vertwijfelen en mijzelven prijsgeven, wanneer het geloof mij niet beschutte, dat ik mij op mijzelve verlaten kan. Vergenoeg u met hetgeen ik u thans kan aanbieden, en God zal u er voor beloonen! Laten wij beiden de achting waardig blijven, die wij, den hemel zij dank, met goed recht voor elkander gevoelen.”
De arts boog zich bewogen tot haar neder, drukte, zichzelven bijna niet meester, de lippen op hare blanke en krachtige hand, terwijl Perpetua juist met den rentmeester de kamer binnen kwam.
De eerlijke beambte, een eenvoudig man, van middelbare grootte en nog niet oud, met een bleek, fijn, verstandig gelaat, waarin de zorgen, de zware arbeid en de last der verantwoordelijkheid diepe sporen hadden gegroefd, sloeg haastig een scherpen blik op beiden en legde daarna eene belangrijke som in goudstukken voor Paula neder. Zijn jonge meester zond dit geld overeenkomstig den wil van zijn overleden vader, om in de eerste behoeften te voorzien; het overige of grootste gedeeltevan haar vermogen zou haar tegelijk met de afrekening uitbetaald worden, na de begrafenis van den Mukaukas. Wat het bedrag harer bezitting aanging, dit kon Nilus reeds nu ongeveer opgeven, en het bleek dat dit zoo groot was, dat Paula hare ooren niet gelooven kon. Zij zag zich nu gevrijwaard voor alle verdere zorgen, ja, zij was zoo welgesteld, dat zij in staat geweest zou zijn om in overdaad te leven.
De arts was getuige geweest van dit onderhoud, en het had zijn hart angstig doen kloppen. De gedachte had hem zoo gelukkig gemaakt, dat hij voor de arme wees Paula alles zou zijn en hij haar voor uitwendig gebrek zou hebben kunnen bewaren. Hij was bereid geweest alles op zich te nemen, om de Damasceensche een behoorlijk onderkomen te verschaffen en haar te voorzien van alles wat zij noodig kon hebben, en nu bleek het dat zijne beschermeling niet alleen voornamer, maar ook rijker was dan hij. Het was hem als had Orions bode hem van eene schoone levensvreugde beroofd; en nadat hij haar gebracht had bij haar wakkeren ouden gastheer en de zijnen, verliet hij met gebogen hoofd het huis van Rufinus. Toen de tijd kwam om zich ter ruste te begeven, mocht Perpetua hare lieve meesteres weder helpen ontkleeden. Doch Paula kon den slaap niet vatten, en toen zij den volgenden morgen zich bij hare nieuwe vrienden voegde, moest zij erkennen dat zoo ergens hier de plaats was, waar zij den verloren vrede terug kon vinden, dat zij echter nog veel zou hebben te worstelen en een langen weg moeten afleggen, voor zij dien bereiken kon.