19. Wanneer 't met de ondeugden zoo verre gekomen is, dat zij eene verbeteringe van den Staat vereisschen, moet men als kruipende daar toe overgaan. Want alle verouderde gebreken eensklaps te willen uitroeijen, is even zoo veel, als of men eenen zieken een braakmiddel, eene buikzuivering en eene aderlatinge, op een en den zelven tijd, voorschreef.
20. Die alles stoutelijk belooven, en veele zaaken te gelijk op zig nemen, zijn of gekken, die hunne eigene kragten niet kennen, en het gewigt der zaaken niet beseffen, of kwade en verbasterde burgers die zig zelven en niet het Gemeenebest ten dienst staan. Een voorzigtig man meet zijne kragten af eer hij den jast op zig neemt, en een regtaartig onderdaan, welken de welvaart des Vaderlands ter harte gaat, weet al te wel, dat geen paard al loopende beslagen moet worden.
In dit Vorstendom zijn drie Hooge Schoolen of Academiën, waar van de eerste isPotu, de tweedeKeba, en de derdeNahami.De Wetenschappen die aldaar aangekweekt worden, zijn de Geschiedkunde, de Landbouw, de Wiskunde en de Rechtsgeleerdheid. Aangaande de Godgeleerdheid: dewijl dezelve zoo besnoeit en beknopt is, dat zij bijna in twee bladzijden vervat en opgestelt kan worden, en nademaal dezelve alleen deeze Leerstukken bevat, dat wij liefde en eerbied voor God hebben, die de Schepper en Bestierder van al het geschapene is, die in het toekomende leven de deugd beloonen en de ondeugd zal straffen; zoo is 'er geen Academische Studie, nog zij kan 'er ook niet wezen, vermits bij de wetten stiptelijk bevolen is, dat niemant over het Wezen of de Eigenschappen Gods zal hebben te disputeeren. Ook wordt de Geneeskunde hier onder de Academische Letter-oeffeningen niet gerekent: want overmits deeze boomen soberlijk leeven, zijn 'er de inwendige ziekten voor het meerder gedeelte onbekend. Van de Overnatuurkunde en van de hoogdravende Studiën zal ik niet spreeken, nademaal ik boven hebbe aangetoont, dat alle de gene die over de natuur des Goddelijken Wezens, over de hoedanigheid der Engelen, en over 't bestaan der Ziele disputeeren, na voorafgaande aderlatinge, in het publyke dol- of tugt-huis worden gezet.
De Academische Oeffeningen bestaan hier in: De jonge Studenten zijn gehouden in 't begin haarer Letter oeffeningen over te geeven eene ontleeding van die moeijelijke en fraaije geschilstukken. De zwarigheden die zij daar in staan op te lossen, worden hen op gezette tijden voorgestelt, zekere belooning gestelt zijnde voor den genen, die 't allergeleerdst en 't allerfraaist het raadzel weet op te lossen. Door deeze middelen wordt een iegelijk inderdaad aangespoort tot vordering, en speuren de Opzigters der Letter-oeffeningen na, hoe verre eens iegelijks bekwaamheid gaat, en in welke Wetenschap hij wat groots belooft. Niemant legt zig meer dan op eene Wetenschap uit: want zig in die alle te willen oeffenen, wordt bij hen voor 't werk van een zwak en onbestendig vernuft gehouden: en om deeze redenen is het, dat de Studiën aldaar, vermits dezelve zoo eng bepaalt zijn, binnen korten tijd tot rijpheid worden gebragt. De Leermeesters zelfs zijn gehouden jaarlijks proeven hunner geleerdheid te geven. Aan eenen Leeraar in de Zedekundige-Wijsgeerte wordt bevolen, het een of 't ander moeijelijk geschilstuk te verklaren: die in de Geschiedkunde, eene Historie of een gedeelte daar van op te stellen: den Huisman en Wiskundigen wordt opgelegt duistere zaaken na te speuren, en hunne wetenschappen door nieuwe uitvindingen licht bij te zetten. De proefstukken der Rechtsgeleerden bestaan in welgepaste en verstandig opgestelde redenvoeringen: want deeze alleen zijn genoodzaakt in deRhetoricaof Redeneerkunde zig te oeffenen; aangezien zij het alleen zijn, welken deeze oeffeningen in 't vervolg te passe komen, en tot het ampt van Advocaat, 't geen in kragten klem van welspreekendheid beslaat, bekwaam maken. Hierom was het, dat toen ik hen zeide, dat alle Academische Proefstukken bij ons in 't doen van eene redenvoeringe geschiedden, zij dat gebruik geheel en al verwierpen, zeggende; dat zoo alle handwerkslieden eene proef moesten geven met schoenen te maken, de meeste proefstukken onvoltooit en onbeschaaft voor den dag komen, en de schoenmakers alleen den prijs zouden wegdragen. Ik maakte maar alleen gewag van de redenvoeringen, niet durvende reppen van zintwistingen, vermits dezelve aldaar onder de Schouwspelen worden gerekent. De openbaare Leeraars onderwijzen aldaar op geen strenge of heerschagtige wijze, in zaaken die noodig zijn vermaant of geweten te worden, even gelijk het de manier is onder onze Wijsgeeren; maar geestige en aangename gelijkenissen uitgedagt hebbende, geeven zij als door een soort van betovering eenen indruk van de zaaken, die zij nuttiglijk hebben opgemerkt.
Het is verwonderlijk met welk eene deftigheid en luister de Academische Handelingen verrigt worden, en de Promotien hier geschieden: want men draagt 'er de aller uiterste zorg, dat 'er niets in de Academische Handelingen gevonden worde, 't geen oorzaak tot lachen geeven, of tot een soort van Schouwspel verstrekken kan: immers zij houden het daar voor, dat alle Academische Plegtigheden, van de Tooneelspelen te onderscheiden zijn in deftigheid en aanzienlijkheid, ten einde de Wetenschappen, door op eene onbetamelijke wijze behandeld te worden, niet in veragtinge komen. Hierom durfde ik geen gewag maken van de Plegtigheden, waar mede in onze Waereld de Promotien geschiedden, nademaal 'er uit 't geen mij teKebawas overkomen, toen ik onze Doctoraale Promotien beschreef, reden genoeg was, om 'er voor altoos van te zwijgen.
Behalven deeze Academiën hebben alle andere Steden haare hooge Kweek-schoolen, en mindere Schoolen, alwaar op de neigingen der vernuften naauwkeurig gelet wordt, om al vroeg te konnen zien, waar naar een iegelijk het hoofd staat te hangen, of in wat soort van Letter-oeffeningen hij de grootste hoop zal geven. Terwijl ik mijne leerjaaren in het Kweek-school teKebadoorbragt, had ik tot mijne makkers vier jongelingen, zoonen van den Opperpriester, welke alle in de Krijgskunde; vier andere van een Raadsheers geslagt, die in handwerken en ambagten; en twee jonge Dogters die in den Scheepvaart onderwezen wierden: want hier wordt enkel en alleen op der leerlingen geneigdheid, zonder onderscheid van staat of kunne, agt geslagen. De Bestierders der Kweek-schoolen, de vernuften grondig ondertast hebbende, geven een iegelijk een getuigenisse naar waarheid, gelijk wij boven vermeld hebben. Die getuigenissen worden gehouden voor zeer opregtelijk, en zonder aanzien van persoon verleent te zijn, schoon 't mij anders voorkwam: aangezien ik het getuigenisse dat mij van het Kweek-school teKebaafgegeven was, voor gek, onbetamelijk en onbillijk hield.
Niemant staat het hier vrij Boeken te schrijven, voor dat hij dertig jaaren oud, en van de Bestierders der Letter oeffeningen bekwaam daar toe geoordeelt is. Hierom komen 'er weinige, maar geleerde en zeer wel doorwrogte, schriften in 't licht: waarom ik ook, hebbende beneden mijne jaaren van onderscheid vijf of zes verhandelingen geschreven, dat aan niemant durfde zeggen, uit vreeze van uitgelachen te zullen worden.
Dit zij genoeg gezegt van den Inborst, Godsdienst, Staatkunde en Letter-oeffeningen deezes Volks. Daar is nog overig van eenige merkwaardige zaaken, en die deeze Natie eigen zijn, iets te melden.
Wanneer de eene boom den anderen tot een tweegevegt uitdaagt, wordt aan den uitdager voor altoos het gebruik der wapenen ontzegt, daarenboven wordt hem bevolen om als een kind onder voogdij te staan, vermids hij zijne driften geen meester is: geheel anders dan bij ons, alwaar zoodanige uitdagingen bekent, en voor teekenen van eenen heldenmoed gehouden worden, voornamentlijk in onze Noorsche Landen, in welke deeze kwaade gewoonten geboren zijn; nademaal de uitdagingen onder de Grieken, Romeinen, en andere oude Volkeren ten eenemaal onbekent zijn geweest.
In dePotuaanscheRechtsgeleerdheid heb ik dit zeldzaame stuk aangeteekent. De namen der gene die in een onderling rechtsgeding zijn, blijven voorde Rechters verborgen, en het geding zelf wordt niet beslist in de plaats alwaar het zijnen oorsprong heeft gekregen; maar wordt naar de afgelegenste Provinciën ter beslissinge verzonden. De reden deezer vreemde gewoonte is deeze: de ondervinding leert, dat veele Rechters zig door vereeringen laten omkoopen, of dat zij door eenzijdigheid vervoert worden. Derhalven meenen zij dat tegen zoodanige bekoringen 't allerbest voorzien wordt, wanneer de namen dergene die in geding zijn, verzwegen worden, en als de Aanlegger en Verweerder te gelijk met de zaaken, haave of erve waar over geschil is, onbekent blijven. Alleen worden de bewijsstukken voor en tegen aan scheidsmannen, naar 's Vorsten goeddunken, met eenige verkortingen en letters verzonden: bij voorbeeld:of A. die in 't bezit is, de zaak, door hem in bezit genomen, behoort weder te geven aan B. die dezelve eischt, en hem daar over in rechten vervolgt. Het ware te wenschen dat die manier bij ons was ingevoert, nademaal wij menigmalen ondervonden hebben wat partijschap of andere aanlokzelen op het gemoed der Rechters konnen te weeg brengen.
Het recht wordt onbedwongen en zonder aanzien van Persoon geoeffent. De Vorst alleen is ongehouden voor de Rechtbank te verschijnen. Maar zoo haast is hij niet dood, of de publyke aanklagers, anders gezegt 's Lands-Advocaten, zenden den Overledenen eene dagvaarding t'huis. Als dan worden in den vollen Raad de verrigtingen des afgestorven Vorsts onderzogt, en eindelijk een vonnis gevelt, 't welk naar gelang van des Overledens, verdiensten uit zekere bekortingen onderscheiden wordt. Die bekortingen zijn ten naasten bij de volgende.Loffelijk, niet onloffelijk; wel; niet kwalijk; duldelijk; tamelijk.Welke afgebroken woorden op de markt aan het volk door den openbaaren uitroeper worden voorgeleezen; en dat gedaan zijnde op des Overledens graf-tombe uitgehouwen. Van deze gewoonte geven dePotuanersdeeze reden: dat namentlijk de Vorst, zoo lang hij in leven is, niet voor 't recht kan gedaagd worden, zonder opschuddingen en beroerten, aangezien men hem, zoo lang hij leeft, schuldig is eene blinde gehoorzaamheid, en eene geduurige eerbied, waar door een Staat staande gehouden wordt; dog dat dat verband, waar mede de Onderdanen aan hunne Souverainen verbonden zijn, ophoudt, zoo dra de Vorst komt aflijvig te worden, en dat ze om die reden als eenigermaten hun eigen meester geworden zijnde, ook zig zelven konnen bestieren. Door deeze heilzaame, schoon zeer zeldzaame, Wet, wordt 's Vorsten veiligheid gehandhaaft, de hoogheid des oppergezags niet benadeelt, en egter teffens betracht het welvaren van den Staat: want die characters, hoe zeer ook op den Overledenen toegepast, zijn egter prikkels tot de deugd voor de levenden, en het blijkt uit de Geschiedenissen vanPotudat 'er in den tijd van geheele vierhonderd jaaren agter een, slegts twee Vorsten zijn geweest, welke alleenlijk het laatste character, te weten dat vantamelijk, hebben weggedragen. Bijna alle de andere hebben dat vanloffelijk, ofniet onloffelijkverdient, gelijk de opschriften hunner tomben aantoonen, die nog gaaf en ongeschonden, en van den alverslindenden tijd bewaard zijn. Het character vantamelijk, dat in dePotuaanschetaal doorRip-sac-siwordt uitgedrukt, verwekt zoodanige droefheid in de Vorstelijke Familie, dat de Opvolger van den overledenen Prins, en te gelijk zijn gantsche Huis, zes volle maanden daar over in den rouw gekleed gaan. En het is 'er zoo verre van daan, dat de opvolgende Vorsten op de Rechters, over derzelver onaangename vonnissen, eenigzins vertoornt zouden zijn, dat dezelve hen veel eer tot prikkels zijn, om loffelijk te regeeren; en om door deugd, voorzigtigheid, gerechtigheid en bescheidenheid, de vlekke, waar mede de Vorstelijke Familie besmet is, uit te wisschen.
De reden, waarom een van die twee Princen een met dat character getekent geweest is, was deeze: dat, hoe zeer ook die vanPotuervaren zijn in 't stuk der krijgskunde, zij egter niemand den oorlog aandoen; maar zig dapper verweeren, wanneer zij aangetast worden: waar door het ook geschied is, dat zij tusschen andere die in den oorlog zaten, scheidsmannen geworden zijn, en dat verscheide volkeren deezes Aardbols zig aan het regtmatig en vreedzaame gebied dezer Natie onderworpen hebben. Dog de VorstMekleta,de palen zijns gebieds willende uitbreiden, deedt zijne nabuuren den oorlog aan, en bragt ze eerlang te onder. Maar zoo veel die vanPotudoor den aanwasch van die overwonnen volkeren in magt toenamen, even zoo veel verlooren zij ook, wijl de genegenheid hunner nabuuren tot schrik en afgunst oversloeg: en die overgroote agtinge van regtmatigheid en billijkheid, waar door de Staat vanPotuwas magtig geworden en staande gebleven, zedert aan 't waggelen was geraakt: om welke redenen ook dePotuaners, om wederom de toegenegenheid van andere volkeren tot zig te trekken, de geheugenisse van den overleden Vorst met deeze vlekke gebrandmerkt hebben. Waar in nu de misslag van den anderen Vorst, mede met zodanig character beteekent, bestondt, is mij niet gebleken.
De openbaare Leeraars zijn de gene die bereids den derden ouderdom hebben bereikt. Om dit wat nader te verklaaren, moet men weeten, dat het leeven der boomen verdeeld wordt in drie soorten van ouderdom. De eerste is der gene die in landszaaken onderwezen worden. In den tweeden ouderdom stellen zij die zaaken te werk welke zij geleerd hebben; en in den derden, op eene eerlijke wijze van 's Lands dienst ontslagen zijnde, onderwijzen zij wederom andere. Hierom heeft niemant het recht om in 't openbaar te leeren, ten zij hij in landszaaken bejaard geworden is: wijl niemant geoordeeld worde leerstukken te konnen opgeven die op hunne beenen staan, ten zij alleen de gene die, door ondervinding, eene bondige kennisse daar van gekregen heeft.
Wanneer iemant, wegens een ergerlijk levensgedrag geschandvlekt zijnde, eenen treffelijken en voor den Staat heilzamen raad heeft opgegeven, wordt deszelfs naam verzwegen, op dat een goede raad niet bevlekt worde door den schandelijken raadgever; en men beveelt dien te stellen op den naam van eenen man van eere: aldus blijft de goede raad in stand, alleen met veranderinge van den schandelijken raadgever.
In het stuk des Godsdiensts heb ik ondervonden, dat het verboden is over de grondstukken des Geloofs, en vooral over 't Wezen en de Eigenschappen Gods te zintwisten; dog nopende andere zaaken zijn oordeel op te geven, en bijzondere gevoelens in overweginge voor te stellen, staat elk een vrij. DePotuanenzeggen, dat het nadeel dat uit zodanige twistredenen ontstaat, vergeleken kan worden bij de onweders die huizen en boomen om verre werpen; dog te gelijk de lugt zuiveren, bedervinge daar in voorkomen, en verhoeden, dat zij door al te lange stilte niet verrotte. De reden waarom zij zoo weinige Feestdagen hebben, is op dat het geslagt der boomen door ledigheid niet vadzig worde: want dePotuanenstellen vast, dat de Godsdienst meer bestaat in noodzaakelijke werken te verrigten, dan in bidden en geloften te doen. Van de Poëzy wordt 'er niet veel werk gemaakt, schoon het Vorstendom niet geheel en al van Dichters ontbloot is. Dog de Onderaardsche Poëzy verschilt, van Onrijm alleen in hoogdravendheid der taal; waarom zij ook als iets kinderlijks belachten, 't geen ik hen verhaalde van de voeten en het rijm onzer Vaarsen.
Onder de Leeraars vanPotuzijn 'er, die Hoogleeraars van goeden smaak genoemt worden. Deezen is opgelegt te bezorgen dat de jeugd zig niet ophoude met wisjewasjes, of zaaken van weinig belang, op dat 'er geen ongezoute of straatgeschriften, die den goeden smaak bederven, voor den dag komen; en dat uit de Boeken, die gedrukt staan te worden, al 't geen tegen de gezonde reden aanloopt, uitgeligt worde. Om welke redenen alleen aldaar een gebod legt, dat de Boeken moeten onderzogt en nagezien worden; geheel anders dan in onze Waereld; alwaar zelfs van de allerbeste Onderzoekers de Boeken enkel en alleen opgehouden plegen te worden, om dat ze in de kraam der Regeering niet dienen, of om dat ze eenigzins afwijken van den aangenomen spraakstijl, of om dat 'er de menschelijke gebreken, al schertsende en naar waarheid, in worden doorgehaald: waar door het geschiedt, dat de Letter-oeffeningen gestuit, en de welopgestelde geschriften geen licht konnen geven. Maar vermits die vanPotueenen vrijen koophandel met hunne nabuuren hebben, sluipen 'er dikwils prulschriften, of die naar den smaak van 't slegt volkje opgestelt zijn, binnen. Hierom zijn 'er Onderzoekers aangesteld, die zig dagelijks in de Boekwinkels laten vinden. Zij wordenSyla-Macatie, dat is Boekerijveegers, genaamt: want gelijk 'er in onze Waereld een soort van volk is, die de schoorsteenen en vuurovens jaarlijks vegen, zoo zoeken ook deeze Onderzoekers, na dat zij de Boeken, die te koop geveilt worden, doorsnuffelt hebben, 'er naauwkeuriglijk de prullen uit, en werpen al 't geen zij vinden lorren en vodden te zijn, alleen dienende om den goeden smaak te bederven, in de riolen. Hierom zeide ik in mij zelv': ô! wat zou dat eene slagtinge maaken onder de Boeken, zoo die instellinge in onze Waereld plaats hadt!
Maar boven al is te prijzen het toevoorzigt der gene, die uit den inborst der jeugd afneemen, welken levensloop dezelve te verkiezen staa: want gelijk het gehoor der Musikanten de allerminste ongelijkluidendheid der snaaren gewaar wordt; zoo weten ook deeze Kenners en Opzienders der deugden en gebreken, dikwils uit het star-oogen, uit het strak-houden of zamentrekken der wenkbrauwen, uit de somberheid, uit het vrolijk gelaat, uit den lach, uit de spraak, uit de agterhoudinge, en uit diergelijke zaaken, ligtelijk te oordeelen, wat een iegelijk dienstig, of tegen deszelfs natuur strijdig is.
Maar om weer van mij zelv' te spreken. Ik sleet mijnen tijd gantsch niet genoeglijk met deeze wonderbaarlijke boomen, welke ik ten spot en veragtinge verstrekte, om dat men mij nagaf dat ik van een vlug verstand was: ook nam ik zeer kwalijk op de schampscheuten die mij deswegens wierden toegeworpen: want door de bank heetten zij mijSkabba, dat is te zeggen, den gaauwert of den schielijkaart. Maar 't meest van allen stak mij in den krop, dat zelfs mijne waschvrouw zoodanig vonnis over mij streek, die, schoon zij van het uittrekzel van 't janhagel, en een rampzalige Lindeboom, geen penning waardig, was, egter geen zwaarigheid maakte om mij, met dien haatelijken naam te noemen.
Na dat ik twee jaaren lang de moeijelijke bedieninge van Postlooper had waargenomen, en, belast met bevel-brieven, het geheele Landschap had doorgeloopen, kreeg ik eindelijk verdriet in mijn moeijelijk en te gelijk onwaardig ampt: waarom ik met smeekingen op smeekingen den doorlugtigen Vorst om mijn ontslag lastig viel, verzoekende teffens eene aanzienlijker bedieninge. Dog ik liep gestadig een blaauwen scheen, wijl de Vorst van gedagten was, dat mijne schouderen te zwak waren om een ampt van gewigt te torsschen. Ook haalde hij eenige wetten en gewoonten aan, regelregt strijdig met mijn verzoek, en welke tot hooge en gewigtige bedieningen alleen bekwame mannen vereischten: waarom hij zeide noodig te zijn, dat ik mijn eenmaal aanvaardde ampt bleef bedienen, tot dat ik door verdiensten mij den weg baande tot iets grooters; besluitende zijne redenen met deeze vermaning:
Die naar wat groots wil staan, die dient vooral te weten.Dat hij zig zelf steeds heeft met eigen maat te meten.Men wil dat van de Goon het groote KEN U ZELFZij eertijds neergedaalt: ook pronkte Apoll's gewelf,Weleer met deeze spreuk Gij dan wilt dit gedenken,Betrachtend' uwen pligt......
Dit dubbel blaauwtje deedt mij een stout en wanhoopig besluit nemen. Zedert dien tijd trachtte ik wat nieuws uit te vinden, waar door ik de voortreffelijkheid van mijn verstand mogt toonen, en teffens den smaad, mij opgelegt, wegnemen. Ik had mij bijna een geheel jaar lang uitgelegt in 't doorsnuffelen der wetten en gewoonten deezes Vorstendoms, zullende onderstaan, of ik niet bij geval eenige gebreken, die verbetering noodig hadden, zoude konnen ontdekken. Ik had mijn voornemen aan zekeren Braambosch, waar mede ik zeer gemeenzaam omging, en met welken ik van jok en ernst pleeg te praten, geopenbaart. Dees vondt mijne uitvindinge juist zoo vreemd niet; dog maakte veel zwarigheid of dezelve wel heilzaam voor den Staat zoude zijn. Het was, zeide hij, de pligt van een Verbeteraar, den aart en gesteldheid van het Land, dat hij trachtte te verbeteren, zig zelv' voor oogen te stellen: want een en dezelve zaak is van eenen gantsch verscheiden uitslag, volkeren, even gelijk een en het zelve geneesmiddel, waar door het eene lichaam herstelt wordt, gantsch schadelijk is aan 't andere. Voorts deedt hij mij zien, aan hoe groot een gevaar ik mij bloot gaf met deeze kans te wagen; dat de Raad stondt te vergaderen over mijn leven of dood, en dat het met mij gedaan was, zoo mijn aanraden van de Onderzoekers verworpen wierdt. Derhalven badt hij mij zeer, dat ik alles rijper wilde overwegen schoon hij mij van mijn voornemen niet geheel en al wilde afschrikken, nademaal het mogelijk was, dat ik, na rijp overleg, iets heilzaams, zoo voor mij zelv', als voorden Staat, kwam te ontdekken: volgende dan den raad van mijnen Vriend, rekte ik den tijd; en zedert mijn Postloopers-ampt met geduld waarnemende, doorliep ik, naar gewoonte, Landen en Steden. En op dat mij niet uit de geheugenis ginge, 't geen ik op reis had opgemerkt, gaf ik, alles in zoo goeden stijl, als 't in mijne magt was, aangetekent hebbende, den Vorst een Boek over dat niet klein was. Hoe zeer dit werk naar 's Vorsten smaak was, bleek terstont daar uit, dat hij mijnen arbeid in den Raad mee eene openbaare loftuitinge verhefte, en 't Boek naarstig hebbende doorgelezen, besloot, zig van mij te bedienen in 't ontdekken van de geheele PlaneetNazar. Ik had eene andere belooninge voor mijnen arbeid gewagt; waarom ik stillekens met den Digter zeide
De deugd wordt wel geprezen;Maar zelden loon bewezen.
Dog vermids ik gaarne van staat verandert had, en na mijne wederkomste, van 's Vorsten milddadigheid belooninge wagtte, was ik niet geheel en al onwillig om mijnen dienst toe te zeggen.
De PlaneetNazar, schoon ze in haaren omtrek naauwlijks twee honderd Duitsche mijlen beslaat, schijnt egter van eene groote uitgestrektheid te zijn, wegens der inwoonderen langzaamheid van gang. Hier van daan is het, dat de meeste Gewesten, vooral die wat afgelegener zijn, deeze Onderaardlingen nog onbekent zijn: want geen eenPotuaanis in staat om in den tijd van twee jaaren dien Bol te Voet om te reizen: daar ik het, wijl ik zeer wel ter been was, binnen den tijd van eene maand konde doen. Maar daar ik het meest benaauwt voor was, was, zoo als ik mij inbeeldde, de verscheidenheid van taal. Dog eenige gaven mij moed, betuigende dat alle de bewoonders der Planeet, hoe zeer ze kragtig verschilden in zeden, egter alle een en dezelve uitspraak hadden; en dat ook het geheele boomgeslagt opregt, vriendelijk, en goedertieren was, zulks ik, zonder eenig gevaar, de gantsche Planet zoude konnen omwandelen. Dit was een gewillig paard de sporen geven, en ik begaf mij op reis met het begin van dePopulier-Maand.
De dingen die staan te volgen, zijn zoo verbazende, dat ze veel eer naar de versiersels der Digters, of zuivere harsschenschimmen schijnen te gelijken: vooral wijl die verscheidenheid zoo in lichaam ais in geest, welke ik op mijne reize ondervonden hebbe, zelfs, niet onder de onderling allerafgelegenste Volkeren, en die onder eene andere lugtstreek leeven, te wagten is. Dog men moet weten, dat de meeste Volkeren deezes Aardbols door zeeën en zee-engtens van malkanderen zijn gescheiden; en dat deeze Planeet een soort van Archipel vertoont. Zelden vaart men deeze zee-engtens over, en de veerluiden, die aan de oevers op de wagt staan, worden alleenlijk op die posten geplaatst om der reizigers wille: want de inwoonders zetten bijna nooit hunne voeten buiten de grenzen hunner geboorteplaats, en zoo zij door den nood gedwongen zijn die zee engtens over te vaaren, keeren zij welhaast weder terugge, als hebbende van stonden aan eene tegenheid in een vreemd gewest. Hier van daan is het, dat zoo veele Natien als men 'er heeft, men ook zoo veele nieuwe Waerelden vindt. Dog de voornaamste reden deezer ongelijkheid spruit uit den verscheiden aart des gronds, 't welk te zien is uit de verscheide kleuren der landerijen en der akkers, en uit de doorslaande ongelijkheid der planten, vrugten, en peulvrugten; zoo dat het geen wonder is dat in die verscheidenheid van landerijen en vrugten, ook zoo veel verscheidenheid in den inborst der inwoonders, en zoo veele verscheidene natuuren in dezelve te vinden zijn. In onze waereld is 'er weinig onderscheid van zeden, studien, kleuren, lichaamsform, zelfs in de Volkeren die onderling 't verst-afgelegen zijn. Want mitsdien de aart des gronds bijna overal dezelve is, behalven alleen dat de eene aarde vrugtbaarder is dan de andere, en dat ook de natuur der vrugten, der kruiden en des waters dezelve is, konnen 'er niet zoo veele Schepzelen van zoo verscheiden geslagt voortgebragt worden, als 'er op dien Onderaardschen Bol geboren worden, alwaar ieder stuk lands zijne bijzondere hoedanigheid heeft. Den vreemdelingen wordt 'er wel vergunt te reizen en koopmanschap te bedrijven; dog geenzins daar te woonen: ook kan het hen om den verscheiden en tegenstrijdigen aart der landstreeken niet toegestaan worden. Daar door komt het, dat alle vreemdelingen die men op den weg ontmoet, of reizigers zijn of kooplieden. De landstreeken egter, die aan 't VorstendomPotugrenzen, zijn bijna alle van denzelven aart. Derzelver inwoonders hebben eertijds zeer zwaare oorlogen gevoert met die vanPotu;dog thans staan zij, of met dezelve in onderling verbond, of t' ondergebragt zijnde, houden zij zig stil onder derzelver zagte regeeringe. Dog wanneer men eene groote zee engte, die den geheelen Bol klieft, oversteekt; ziet men nieuwe Waerelden; nieuwe en denPotuanenonbekende schepzelen. Dit alleen hebben zij gemeen met dat Vorstendom, dat alle de creaturen van dien geheelen Aardkloot, boomen zijn met verstand en reden begaafd, en ten naasten bij eene en dezelve uitspraak hebben, Daarom valt de reize niet moeijelijk, voornamentlijk, nademaal zij, om de veelheid der kooplieden of reizigers, die gewesten doortrekkende, gewoon zijn, allerlei creaturen van verscheiden geslagt, en die in 't geheel niet naar hen gelijken, te ontmoeten. Ik heb gemeent dit vooral niet te moeten vergeten: op dat niemand het volgende verhaal kome te verveelen, nog de verhaaler om zijne opgepronkte leugenen in regten worde betrokken.
Het zou te lang vallen, en 't is niet der moeite waart, alles, wat mij op deeze reize gebeurt is, in 't bijzonder, en volgens den draad der geschiedenisse, op te halen: mijn voornemen is alleenlijk te beschrijven de meest verwonderlijke Volkeren, in welker zeden en gewoonten ik niet weinige zaaken gevonden heb, die zoo ongewoon en verbaazende zijn, dat de PlaneetNazaruit dien hoofde onder de wonderwerken der waereld gerekent mag worden. Ik heb opgemerkt dat het geheele boomgeslagt in beschaafdheid, in verstand, en in deftigheid, weinig verschilt van dePotuanen;dog in gewoonten, geneigdheden en form van ligchaam zoo zeer verschillend is, dat elk gewest mij voorkwam als eene nieuwe waereld op zig zelven.
In de ProvincieQuamfo, welke 't eerste Landschap is over de zee-engte, zijn de inwoonders aan geen ziekten of lichaamskwaal len onderhevig, maar leeven in eene genadige gezondheid tot dat ze oud en grijs zijn. Om die reden hield ik hen voor de gelukkigste aller schepzelen: dog uit den korten omgang dien ik met hen had, bespeurde ik, dat ik zeer in mijne meeninge bedrogen was geweest: aangezien gelijk ik onder de ingezetenen deezer Provincie niemant ooit droevig gezien heb, ik 'er ook niemant vergenoegt, laat staan blijde, vond: want gelijk wij geen aandoening hebben van eene heldere en getemperde lugt, ten zij wij bevorens storm en onweder hebben uitgestaan; zoo hebben ook deeze boomen geen bezef van hun geluk, om dat het altoosduurende en onafgebrooken is, niet wetende dat zij gezond zijn, om dat hen de ziekten onbekent zijn: invoegen zij hun leven doorbrengen in eene gestadige gezondheid, en te gelijk in eene geduurige laauwheid: want voorspoed zonder tegenspoed geraakt aan 't kwijnen door zatheid, en 't allergenoeglijkste leven is, daar het zoet met zuur getempert wordt. Ik kan betuigen in geene Natie onaangenaamer manieren, of kouder en onbeschaafder omgang ooit te hebben gevonden. Het is waar, de lieden zijn 'er opregt; dog egter zoo, dat ze nog, uwe toegenegenheid, nog uwen afkeer waardig zijn: gij hebt 'er voor niemants belediging te vreezen, nog iemants haat te wagten: kort om, gij zult hier niets vinden dat u mishaagt, nog iets dat u aanstaat. En nademaal die gestadige gezondheid des lichaams nooit het afbeeldzel van den dood onder 't oog brengt, of eenig medelijden met de ellendigen en bedrukten verwekt; zoo brengen zij ook gantsch laauw en zorgeloos, en zonder eenige hartelijkheid of ontferminge, hun geheele leven door: waarom 'er ook onder dat volk geen voetstap van Godvrugt, van teerhartigheid of meêdoogen te vinden is. Want gelijk de ziekten ons de sterflijkbeid herinneren, zoo spooren zij ons ook aan tot wel te leeven, en bevoelen ons op onze hoede te zijn, en reisvaardig te staan; en gelijk zij ons smerten aandoen, zoo leeren zij ons te gelijk ons te ontfermen over de gene die bezogt zijn. Hier door bespeurde ik ligtelijk, hoe zeer ons de ziekten en doodsgevaaren tot alle betragtinge van Godvrugt en onderlinge hulpe aanzetten: ja hoe onwaardiglijk wij ons vergrammen tegen den Schepper, wijl wij schijnen als geboren te zijn tot bezoekingen, die ons egter heilzaam en noodig zijn. Het staat egter te letten dat deeze Eiken, op andere plaatzen overgebragt zijnde, zoo wel als andere boomen, aan ziekten en zwakheden onderhevig zijn: waarom ik oordeele, dat dat groote gezondheids-voorregt, zoo 't anders daar voor gerekent mag worden, enkel en alleen aan de lugtstreek en 't voedzel moet worden toegeschreeven. De Provincie vanLalac, die ook den naam vanMascatta, dat is de gelukkige, genoemt wordt, schijnt met regt haaren naam te dragen; want alles komt daar van zelf voort.
De bloemen die van zelf uit d'aarde geurig sproten.De klei teelde ongebonwt, gewillig, onverdroten,Het weelig veld-gewas: het veld schonk, onvermoeit,De zwang're kooren-aar: de melk en nektar vloeitAls water: d'Eik in 't wild' scheen honingdauw te geven.
Maar dit uitsteekend voorregt maakt de inwoonders niet boven andere gelukkig. Want gelijk zij voor de kost niet behoeven te werken, worden ook de meeste van hen, vadzig zijnde door ledigheid en luiheid, geduurig met ziekten gekweld. Hier van daan sterven de meesten voor hunnen tijd, wijl zij door wormen en verrottinge bedorven zijn. De natuur deezer Landstreek verschafte mij geen geringe stoffe tot Wijsgeerige overdenkingen, en het bleek klaar uit den stand en gelegentheid deezes volks, dat handwerkslieden en de gene die dienstbaar zijn, in veele opzigten gelukkiger leeven, dan de gene die, nooit bekommert om hunnen leeftogt, hunne dagen in ledigheid en wellusten slijten.
De honger pleeg altijd de beste saus te wezen;En zelfs geringe spijs van d'eet-lust wordt geprezen:Een hongerige maag is haast de kost bereid,Die slegts aan d'overdaad verstrekt tot bitterheid:Het Koninglijk geregt naauw brasser kon behagen,Wiens zwakke voet ontzegt 't bedorven lijf te dragen.
Hier van daan zoo veele booze raadslagen, wanhoopige pogingen, en geweldigen dood. Want de overvloed waar in zij leeven, hen alle aandoeningen van smaak en geneugte benemende, verstrekt hen tot walging, en doet hen verdriet in hun leven krijgen; zulks dat Land, 't geen ik mij verbeeldde te zijn de woonstede der Gelukzaligen, mij niet anders voorkwam dan eene sombere verblijfplaats der dooden, waardiger beklaagt dan benijdt te worden.
Dit kwam in mij den lust verwekkenOm haastig uit dit land te trekken.
Naast aan dit Landschap grenst het GewestMardakgeheeten, bewoond wordende van Cypressenboomen, hebbende alle dezelve lichaams gedaante, en alleenlijk onderling onderscheiden door den ongelijken form hunner oogen: want sommige hebben dezelve langwerpig, andere vierkant: deeze hebben die zeer klein, gene wederom zeer groot; zodanig, dat ze bijna hun geheele voorhooft beslaan. Eenige worden met twee, andere met drie, en andere wederom met vier oogen geboren. Daar zijn 'er ook die maar één oog hebben; en welke men voor afzetzels van Polyphemus zoude groeten, ten ware zij hun oog in 't agterhooft niet hadden. Hiervandaan is het, dat zij naar gelang der verscheidenheid hunner oogen in even zoo veele Stammen worden verdeelt.
De Namen der Stammen zijn deeze navolgende.
1.Nagiri: dat is der gene die de oogenlangwerpig hebben, en aan welke omdie reden, alle voorwerpen langwerpigvoorkomen.2.Naquiri, welker oogen vierkantig zijn.3.Talampi. Deeze hebben kleine oogen.4.Iaraku, met twee oogen, van welkehet een wat schuins staat.5.Mehanki. Deeze hebben drie oogen.6.Tarrafuki. Deeze hebben 'er vier.7.Harramba. Welker oogen hun geheelevoorhooft beslaan.8.Skadolki. Deeze zijn 't die één oog in 'tagterhooft hebben.
Van, alle deeze is de Stam derNagiri, of der gene die langwerpige oogen hebben, en welken daarom alle voorwerpen ook langwerpig voorkomen, de talrijkste, en bij gevolg de magtigste. Uit deezen Stam alleen worden de Staats-regeerders, de Raadsheeren en de Priesters verkooren. Deeze alleen hebben alle bewind in handen, en laten niemant uit eenen anderen Stam toe Staats-ampten toe, ten zij hij betuige, dat zekere ronde schijf, de Zon toegewijd, en, op eene verheven plaats des Tempels gestelt, hem ook langwerpig voorkomt, en dat hij die belijdenisse met eede bevestige. Deze gewijdde schijf is het voornaamste voorwerp van denMardakaanschenGodsdienst. Hier van daan is 't, dat de eerlijkste onderdanen, die zig niet willen hesmetten met de misdaad van meineedigheid, van alle Staatsbedieningen geweert, en voor geduurige spotternijen en vervolgingen blootgestelt worden; en hoe zeer zij betuigen dat zij gelooven moeten 't geen zij met hunne oogen zien, worden zij egter aangeklaagt, en 't geen een gebrek in de natuur is, wordt hen als kwaadaartigheid of koppigheid aangetegen.
Het Formulier van eedzweering, 't welk een iegelijk die tot bedieningen of eerampten staat toegelaten te worden, onderteekenen moet, is bijna van den volgenden inhoud:
Kaki Manasca Quihompu Miriac Jacku Mesinbrii Caphani Crukkia Manaskar Quebriac Krusundora.
Dat is: ik zweere dat de gewijdde Zonschijf mij langwerpig voorkomt, belovende in dat gevoelen tot mijnen laatsten levenssnik te zullen volharden.
Deezen eed afgelegt hebbende, worden zij verkieslijk verklaard tot bedieningen, en onder den Stam derNagiriaangenomen.
Daags na mijne aankomste, terwijl ik, niets te verzuimen hebbende, over de markt ging wandelen, zag ik eenen ouden man wegbrengen om gegeesselt te worden, verzelt zijnde van eenen grooten troep Cypressenboomen die hem de huid vol scholden. Vragende wat 'er te doen was wierdt mij geantwoort; dat hij een ketter was, en in 't openbaar geleert hadt, dat de Zon-schijf hem vierkant voorkwam; welk verderflijk gevoelen hij, niettegenstaande veelvuldige aanmaningen, halstarrig was blijven aankleven.
Om deeze reden, eene kans willende wagen, of ik ook regtzinnige oogen had, en binnen den Tempel der Zonne getreden zijnde, alwaar mij de gewijdde schijf ook vierkant scheen te zijn; gaf ik mijnen Huiswaard, die onlangs tot het fabryk-meesterschap der Stad verheven was, zulks openhartiglijk te kennen. Hij, mijn zeggen met een diep gezugt aanhoorende, betuigde mij dat dezelve hem ook vierkant voorkwam; dog dat hij zulks aan niemant hadt durven ontdekken, ten einde hem de regeerende Stam geen spel mogte maken, en hem zijne bedieninge afnemen.
Al beevende dan, en ter sluip, ging ik de Stad uit, vreezende dat ik misschien de misdaad mijner oogen met den rug zoude moeten boeten, of, met den haatelijken tytel van Ketter gebrandmerkt, op een schadelijke wijze daar uit gezet worden. Waarlijk, nooit kwamen mij eenige wetten zoo schrikkelijk voor, of eenige inzettingen meer barbaarsch en onredelijk; wijl ik zag, dat men enkel en alleen door veinzerij en meineedigheid zig eenen weg tot eerampten baande. Waarom ik ook, in 't VorstendomPotuwedergekeert zijnde, zoo menigmaal ik gelegenheid had, mijne gal uitbraakte op die barbaarsche Republyk. Dog toen ik op zekeren tijd mijnen moed daar aan koelende, aan eenen Jeneverboom, waar mede ik zeer gemeenzaam omging, mijne gramschap des wegen openbaarde, begon dezelve aldus, te spreken: "Voorzeker zullen aan ons de inzettingen derNagiridwaas en onbillijk voorkomen; dog laat het u niet vreemd schijnen, dat 'er om die verscheidenheid van oogen zulk eene groote strengheid geoefent wordt; nadien 't mij te binnen schiet u te hebben hooren zeggen, dat 'er in de meeste Staaten van Europa heerschende Familien gevonden worden, die uit hoofde van het gebrek des gezigts of des verstands, de andere te vuur en te zwaard vervolgen; en dat gij zoodanig bedwang, als Godvrugtig, en heilzaam voor den Staat, hooglijk kwam te roemen." Aanstonds begreep ik waar die doortrapte man met dat zeggen heen wilde; waarom ik beschaamt zijnde, van daar ging en zedert dien tijd altoos de verdraagzaamheid voorstaande, strijke ik een veel zagter vonnis over de gene die niet regtzinnig zijn.
Het PrinsdomKimalwordt, om de rijkdommen die het bezit, voor 't magtigste van alle gehouden. Want behalven de Zilvermijnen, waar van 'er daar veele gevonden worden, wordt 'er eene groote menigte Gouds uit het zand der rivieren gehaalt: ook levert de nabuurige zee zeer veele Peerlen uit; dog dat in schatten alleen geen geluk gelegen is, heb ik, met dit volk wat naauwer te ondertasten, op de proef bevonden. Want zoo veele inwoonders als 'er zijn, zoo veele mijn gravers en duikelaars zijn 'er bijna, die op winst uit zijnde, tot eene geduurige slavernij, en tot den allerhardsten arbeid schijnen verwezen te zijn. De gene die van deezen arbeid bevrijd zijn, staan altoos op schildwagt om hunne schatten te bewaren; en het geheele landschap is zoodanig onveilig door roovers, dat niemant zig op reis durft begeven zonder eene lijfwagt.
Geen dag zoo heilig meer, dat 't steelen wordt verschooven.Verraad, bedrog, geweld en gierigheid staan boven.Men leeft alleen op roof: de huiswaart is in last,En aan zijn eigen haart niet veilig voor den gast.Geen schoonvaêr voor den zoon: getrouwe broederliefdeIs zeldzaam: want de haat den eigen broeder griefde.De man verhaast zijn vrouws, de vrouw haar egaês dood.De booze stiefmoêr mengt vergift in ekelbrood.De zoon t' ontijde staat den Vader naar het leven.Godvrugtigheid heeft uit. Astrea wordt verdreven.De leste van de Goon, die angstig en bedugt,De waereld, rood van moord, ter naauwer nood ontvlugt.
Hier door is dat volk, dat van zijne nabuuren met nijdige oogen wordt aangezien, meer te beklagen, dan te benijden. Want vrees, agterdogt, wantrouwen en afgunst houden de gemoederen voor altoos gevangen, en de een ziet den anderen niet dan als eenen vijand en belager zijner goederen aan, zoo dat vrees, kommer, nagtbraken en een bleek wezen de vrugten en de oogst van dien geluk-staat zijn, waarop het PrinsdomKimalzijnen roem draagt. Dit was de reden, dat ik dat gewest niet zonder vrees en moeilijkheid doorreisde; want op alle wegen en grensscheidingen wierd ik genoodzaakt aan de weg-wagters te zeggen, de oorzaak van mijne reize, mijnen naam, vaderland en diergelijke; en ik zag mij bloot gestelt aan alle die kwellingen, welke de reizigers pleegen te ondervinden in zulke plaatsen, daar men uit agterdogt naauw onderzoek doet. In dat Land is een brandende berg, waar uit als met gestadige golven onderaardsche vuuren worden uitgeworpen.
Na dat ik dit Prinsdom, 't ergste dat ik in mijnen gantschen togt ontmoet heb, doorgetrokken was, zettede ik gestadig Oostwaards aan mijne reize voort. Ik ontmoette allerwegen wellevende en beschaafde Volkeren, dog ook teffens zeer zeldzaame. Maar daar ik 't meest van allen over verwondert was, waren de inwoonders van het kleine KoningrijkQuamboia,welke de natuur met averegtsche zeden gevormt heeft, en wel zodanig, dat hoe iemant ouder wordt, hoe hij ook te gelijk darteler en wellustiger wordt, zulks de baldadigheid, geilheid en andere ondeugden, die elders in de bloeijendste jeugd doorgaans gevonden worden, aldaar met de jaaren toenemen. Derhalven wordt aldaar niemant eene staatsbediening toebetrouwt, dan die nog tot zijn veertigste jaar niet gekomen is: want niet zoo haast heeft hij dat bereikt, of men houdt hem voor eenen baldadigen jongen
Die onder 's moeders hard bedwangGeweest is, al zijn leven lang.
Ik zag 'er die grijs van ouderdom waren, overal langs de straat loopen rinkelrooijen, en hunnen tijd met kinderspel doorbrengen.
Ik zag 'er eenige die maakten poppenhuisjes:Bespanden 't wagentje met tweepaar kleine muisjes:En 't paar of onpaar 's spel was anderer tijdverdrijf,Die niet te paard reên op een rietje onder 't lijf.
Ik zag ook dat dezelve menigmaalen van kinderen daar over berispt, ja zelfs met zweepen naar huis gedreven wierden. Ik zag eenen afgeleefden grijsaard openlijk op de markt eenen drijftol voortzweepen, of met eenen hoepel speelen; en die zelve persoon was voortijds een zeer deftig man, en President van den Grooten Raad geweest. Deeze verkeertheid hebbe ik zoo wel in de vrouwelijke als manlijke Sexe gevonden: en daar van daan komt het, dat een jongeling een oud besje trouwende, zelfs het lot van Acteon van allen man voorspelt wordt, 't geen regelregt strijdig is met het geen bij ons voorvalt, alwaar een grijsaart een piep jonge vrijster trouwende, bang is, dat hem hoorns opgezet zullen worden. Ik ontmoette eens twee stok-oude mannen die al kaal waren, t' zamen vegtende op de markt; mij verwonderende over hunne hevigheid, zoo ongewoon in dien ouderdom, en vragende naar de oorzaak van dat tweegevegt, wierdt mij geantwoord, dat 'er krakeel tusschen hen gerezen was over eene hoer, welke zij beide in een hoerhuis tot hunne devotie gehad hadden. Die mij dat verhaalden voegden 'er bij, dat men hen strengelijk met roeden de billen zoude geesselen, zoo haast hunne voogden en bestierders die baldadigheid zoude ter ooren zijn gekomen. Nog dien zelven avond kwam mij ter ooren dat eene oude Matroone zig verhangen hadt, om dat zij aan eenen jongen Beukeboom, waarop zij smoorlijk verlieft was, een blaauwtje geloopen hadt.
Deeze averegtsche levenswijze vereischt ook averegtsche Wetten: daarom wordt 'er in dat Kapittel der Wet, die van de voogdijen handelt, aan niemant de beheering zijner goederen toegedaan, ten zij hij beneden de veertig jaaren oud zij. Wijders worden geene handelingen, aangegaan bij de gene die boven de veertig jaaren zijn, voor wettig gehouden, ten zij dezelve door hunne kinderen of voogden bekragtigt zijn. In het Kapittel van de afhankelijkheid worden deeze woorden gevonden:Dat Grijsaarts en oude Besjes gehoorzaam zijn aan het bevel hunner kinderen. Hier door is het, dat de gene die in bedieningen zijn even voor hun veertigste jaar pleegen afgedankt te worden.
Hen wordt van hoogerhand en magt en regt benomen.'t Bestier der Ouden moet aan jongelingen komenDie hen de naaste zijn in maagschap....
Ik dagt, dat het niet raadzaam voor mij was, langer in dat Land te verblijven, alwaar ik, zoo ik anders nog tien jaaren levens had, door 't bevel der Wet, zoude gedwongen zijn, weder kinds te worden.
In 't LandschapCocklecuwierdt eene gewoonte, die niet minder verkeert is, en bij de Europische Volkeren grootelijks afgekeurt wordt, onderhouden. Die averegtsche levenswijze spruit niet uit de Natuur, maar alleen uit de Wetten voort. Alle inwoonders deezes Lands, zoo mannen als vrouwen, zijn Jeneverboomen; dog de mannen alleen zijn verwezen tot huiswerk, en alle andere geringe bezigheden. In oorlogs-tijden worden zij wel tot den krijgsdienst opgeschreven; dog bereiken daar in zelden hooger trap, dan dien van slegt Soldaat; vermits 'er weinige zijn, die tot een Vaandel geraken: ook is het Vaandrigsampt de hoogste waardigheid in den krijgsdienst, daar een manboom naar staan kan. Daarentegen worden de vrouwen de zwaarwigtigste zaaken, zoo in het burgerlijke als in het geestelijke, mitsgaders in het geen den krijg betreft, aanbevolen. Ik lachte onlangs met die vanPotu, dat zij in 't uitdeelen der bedieningen geen onderscheid van Kunne maken; dog dit Volk scheen mij met den kop gekwelt te zijn, en tegen de Natuur te handelen. Om de waarheid te zeggen, ik kon de toegevendheid der mannen in mijn hoofd niet krijgen, welke, daar zij in ligchaams-kragten verre voor leggen, zig egter zulk een onwaardig jok lieten opleggen, en zoo veele eeuwen lang dien smaat hebben moeten opkroppen; daar het zeer ligt zoude vallen dat jok af te schudden, zoo zij die vrouwelijke Tyranny slegts wilden of durfden ontzenuwen. Dog die verouderde gewoonte hadt zoo zeer hunne gemoederen verblindt, dat het niemant in de gedagten kwam, eene kans te wagen om dien smaat weg te nemen: ja dat zij zelfs van meeninge waren, dat het de Natuur zoo beschikt hadt, dat de wijven baas moesten wezen, en dat de mannen maar moesten weven, bijslapen, spinnen, het huis schrobben, en wat rug-op krijgen. De bewijsredenen, waar mede het vrouwvolk dit gebruik tracht goed te maken, zijn deeze: overmits de Natuur het manvolk met ligchaams-kragten begaaft, en hunne ledematen tot zwaaren arbeid bekwaam gemaakt heeft, is 't zeer waarschijnlijk, dat zij alleen het geslagt der mannen tot geringen en zwaaren arbeid geschikt heeft, 't Verbaasde de Vreemdelingen, wanneer zij in een huis komende, aldaar de vrouw van 't huis zagen, zittende in haar boek-vertrek met eenen schrijfpriem en een handboekje; dog den man door de keuken warende, en potten en pannen schuurende. En zeker, in wat huis ik ook kwam, om met den man te spreeken, ik wierd naar de keuken gewezen: alwaar
De een het zilver wascht, en d'andere schuurt den pot:Een derde reinigt zelfs het honde- en varkenskot;Terwijl 't heerschzugtig wijf al bulderende den vroomenHals met een' bullepees, vast dreigt op 't lijf te komen.
Van deeze averegtsche levenswijze zag ik zeer gevaarlijke gewrogten. Want gelijk men in andere Landen baldadige en geile snollen vindt, die voor een stuivertje haar lichaam ten besten geven, en haare kuischheid te koop dragen, zoo verhuuren zig ook hier de jongelingen, en 't manvolk voor een nagtje, en huuren ten dien einde bordeelen, welke, door opschriften en hoeragtige uithangborden boven de deuren, bekent zijn. Die zelve, wanneer zij al te openbaar en onbeschaamdelijk hunnen hoerenhandel drijven worden vastgezet, en, even als oude hoeren in 't openbaar met roeden gegeesselt. Daarentegen vrouwen van aanzien en jonge dogters zien het manvolk op straat onder de oogen, knikken die toe, wenken hen, schuiffelen die na, schelden hen, roepen ze, vallen ze lastig, schrijven lofgedigtjes boven hunne deuren; en belijdende openlijk haare Venusjankerijen, zijn 'er als op zoo veele overwinningen moedig op, even gelijk bij ons de dertele jongelingen al pochende pleegen op te tellen hoe veele vrijsters en vrouwen zij al onder de knie gehad hebben. Wijders wordt het nog vrouwen nog dogters voor oneer gerekent, dat zij den jongelingen eenige verliefde gedigtjes of kleine presentjes aanbieden; dog deeze veinzen koel en zedig te zijn, daar het integendeel den jongelingen fraai staat, wanneer dezelve, op de driftige aanzoekingen der jonge dogters, terstont gereed zijn. Niet weinig beweging was 'er ter zelver tijd over eens Raadsheers zoon, die door een jonge dogter onteert was. Men sprak van dat meisje om dat stuk overal zeer kwalijk; en ik hoorde dat de vrienden des jongelings onder zig mompelden, dat men de jonge dogter zonder uitstel in rechten stondt te vervolgen, en dat zij in de naaste zittinge zoude gevonnist worden hem te moeten trouwen en zijne eere op te leggen: vooral, wijl geene wettige getuigen ontbraken, dat de jongeling, welken de vrijster tot ongeoorloofden minnehandel vervoert hadt, bevorens was geweest van een onbesproken levensgedrag. Terwijl ik met deeze Jenever-boomen omging, dorst ik deeze averegtsche levenswijze niet openlijk tegenspreken. Maar toen ik uit de voornaamste Stad vertrok, zeide ik tegen eenige, dat men aldaar tegen de Natuur te werk ging, vermids het volgens het algemeen regt, en naar het gevoelen van alle Volkeren, vastging, dat de mannelijke Sexe geschapen was tot hooge en gewigtige bezigheden. Waar op zij mij te gemoet voerden, dat ik de gewoonte en de inzettingen met de Natuur vermengde, nademaal de zwakheden, die men in de vrouwelijke Sexe gewaar wordt, alleen voortvloeijen uit de opvoedinge, 't geen wel 't meest bleek uit de gesteltheid en wijze van dat Gemeenebest, alwaar men in 't vrouwvolk zoodanige deugden en gemoedsgaven zag uitblinken, welke de mannen elders zig zelven alleen toeëigenen. Want deCocklekuaanschevrouwen zijn zedig, deftig, verstandig, standvastig, en stilzwijgende; daar het manvolk in tegendeel ligt vaardig, schielijk en snapagtig is; waarom ook, wanneer 'er iets vreemds verhaalt wordt, men aldaar het spreekwoord gebruikt,dat het mans grollen zijn; en wanneer 'er iets schielijk en onbedagtelijk uitgevoert is, zeggen de inwoonders,dat men der mannelijke zwakheid iet moet toegeven. Dog met deeze bewijsredenen nam ik geen genoegen; maar oordeelde dat deeze averegtsche wijze van leven, wanhebbelijk, en geheel en al strijdig was tegen de Natuur. De verontwaardiging, welke mij de trotschheid van 't vrouwvolk in 't hart als ingedrukt hadt, was oorzaak van het ongelukkig voornoemen, 't welk ik nam een weinig tijds na mijne wederkomste: een voornemen, 't geen mij zoo veele moeilijkheden veroorzaakt heeft, zoo als ik te zijner plaatse zal melden.
Onder de pragtigste gebouwen deezer Stad was het Koninglijke Vrouwen getimmer, voorzien met driehonderd zoo mannen als jongelingen, van de allerschoonste gedaante en geest, welke alle gehouden wierden op kosten der Koningin, en tot haaren wellust dienden. Hoorende dat de gestalte mijns lichaams van eenige zeer geprezen wierdt, en vreezende door de Oploopers in dat Vrouwen-getimmer te zullen gebragt worden, verhaastte ik mijn vertrek, en
.... De vrees scheen, onder 't rekken,Aan mijne voeten nog voor vleugels te verstrekken.
Aan dit Vorstendom grenst het Landschap derPhilosophen, aldus genoemt van deszelfs inwoonders die in de wijsgeerte en andere spitsvinnige wetenschappen als geheel en al verzopen liggen. Ik brandde van ongeduld om dat land te zien, wijl ik mij het zelve verbeeldde als het middelpunt aller wetenschappen en de waare verblijfplaats der Zang-godinnen. Hier dagt ik niet te vinden akkers en weilanden, maar wel aaneengeschakelde tuinen,
Versiert en flonkerende met allerleie bloemen,Zoo schoon dat Flora zelv' daar op zou mogen roemen.
En geheel met dit denkbeeld ingenomen, stapte ik wakker aan, tellende op mijne vingers de uuren en oogenblikken. De paden waar langs ik ging, waren steenagtig en moeilijk door gragten en kuilen, zoo dat ik nu eens langs steilten, dan wederom door moerassen, en overzulks tot mijn middel toe nat, vermits 'er geen bruggen waren, gekwetst en bemoddert voortsukkelde. Dog tegen deeze moeilijkheden was ik wel gehard, wetende dat men langs ruuwe en ongebaande wegen naar het gestarnte klimt. Na dat ik dan een gantsch uur lang met deeze moeilijkheden geworstelt had, kwam mij een boer tegemoet, welken ik beleeft aansprekende vraagde, hoe verre ik nog vanMascattia, of 't Landschap der Philosophen was. Zijn antwoord was:dat ik liever vraagen zoude, hoe veel wegs ik nog hadde af te leggen, aangezien ik bereids midden in dat gewest was. Verbaast zijnde door dit antwoord:hoe komt het, hernam ik,dat een Land, alleen door Philosophen bewoont, eer de gedaante van afschuuwelijke kreupelbosschen, dan van een welbebouwd gewest heeft? Daar op antwoordde hij, dat de gedaante van dat land binnen korten tijd beter zoude wezen, zoo haast de inwoonders den tijd zouden hebben, om zig met diergelijke kleinigheden op te houden; maar dat zij thans alle alleenlijk bezig waren met boven-maansche zaaken, en wel inzonderheid om eenen weg naar de Zonne uit te vinden: en dat men derhalven behoorde door de vingeren te zien dat zij het land voor eenigen tijd onbebouwd lieten: want dat het niet gemakkelijk viel te gelijk te blaazen en te slorpen. Aanstonds begreep ik waar de redenen van dien doorslepen boer op doelden; en, mijnen weg vervolgende kwam ik eindelijk aan de HoofstadCuskam.In de poorten der Stad zag ik dat 'er, in plaats van eene wagt, gansen, hoenderen, vogelnesten en spinnewebben waren. Door de straaten der Stad waarden allerwegen Philosophen en Varkens, waar van de eerstgemelde alleen door hunne ligchaams-gedaante onderscheiden waren van de Varkens, zijnde anderszins door morsigheid en ontijigheid aan dezelve gantsch gelijk. Alle de Philosophen droegen het zelve soort van mantels; dog van wat kleur die waren, viel mij onmogelijk te onderkennen, wijl dezelve met stof en slijk bedekt waren. Eenen derzelven, welken ik, gantsch opgetogen in zijne gedagten, regt toe op mij zag aankomen, sprak ik aldus aan:Ik bid u, Meester, zeg mij tog hoe deeze Stad genoemd wordt.Maar hij bleef onbeweeglijk staan als een paal; en niet eens zijn gezigt verdraaijende, als of hem de ziel uit het lichaam verhuist was, stondt hij lang zonder zig te verroeren, dog eindelijk zijne oogen naar den hemel slaande, antwoordde hij mij:wij zijn niet verre van den middag.Zulk een gekkelijk antwoord, te kennen gevende eene wonderlijke verstrooijing van gedagten, deedt mij zien, dat het beter is matelijk te studeeren, dan door al te groote geleerdheid te kolderen. Daarop stapte ik naar binnen de Stad, willende zien of 'er behalven de Pnilosophen, ook menschen of redelijke schepzelen te vinden waren. De markt der Stad, die zeer groot was, pronkte met standbeelden en pilaaren onderscheiden door tytels en opschriften. Ik wendde mij derwaards, om te zien of ik eenige puntdigten daar onder leezen konde. Dog terwijl ik al mijn verstand daar aan te kosten lag, voelde ik dat mijn rug warm en vogtig wierdt. Waarom ik, agterwaards ziende, om den oorsprong van dien warmen vloed te ontdekken, gewaar wierd dat een Philosooph mij 't geheele agterlijf bepiste; want hij, in gedagten opgetogen zijnde, nam mij voor een standbeeld, waartegen hij gewoon was zijne blaas te ontlasten. Ik, dien smaad niet konnende verdragen, vooral wijl die Philosooph daar over luidkeels begon te lachen, gaf hem eene lustige muilpeer; waarop hij, zwellende van gramschap, mij in de lokken vloog, en mij al schreeuwende de geheele markt over sleepte. Dog toen ik zag dat hij niet tot bedaren te brengen was, stelde ik mij in postuur, en betaalde hem met gelijke munt, invoegen wij malkanderen niets schuldig bleeven. Eindelijk, en na een scherp gevegt, geraakten beide de kampvegters onder den voet. Op dat gezigt schoten onnoemlijk veel Philosophen toe, en als verwoed aanvallende, sleepten zij mij, met vuisten en stokken deerlijk van lid tot lid afgerost en bijna zieltogend' zijnde, bij 't hair over de geheele markt. Eindelijk moede, maar niet verzadigt, van slaan zijnde, bragten zij mij naar een groot huis, en toen ik mij met de voeten tegen de deur tegenhield, halstarrig weigerende daar binnen te treden, trokken zij mij hals over kop als een schreeuwend varken daar binnen, leggende mij midden op den vloer op mijnen rugge. Alles lag in dat huis overhoop en 't onderste boven, en 't was 'er niet anders gesteld, dan wanneer het bij ons naar St. Michiel of Paasschen gaat, wanneer alle meubelen en huisraad, staande om naar een ander huis overgevoert te worden, hol over bol onder een geworpen worden. Toen was 't, dat ik onze wijsaarts ootmoedig begon te bidden, dat zij tog hunnen toorn wilden matigen, en zig laaten bewegen tot barmhartigheid, hen vertoonende, hoe onbetaamelijk het was voor wijsgeeren en menschen die verstand wilden hebben, als wilde dieren te worden, en de hartstogten, waarop zij 't zoo pleegen geladen te hebben, den al te ruimen teugel te vieren. Dog ik klopte vooreen doov'mans deur: want de Philosooph die mij den rug zoo bepist hadt, begon wederom het gevegt, en sloeg en beukte mij zoo ellendig, als of hij een aambeeld hadt voorgehad, zodanig dat hij niet scheen te kunnen bevredigt worden dan door mijnen dood. Toen ondervond ik dat 'er geen verwoeder dier is, dan een vergramde Philosooph, en dat de gene die 't allermeest van deugd schreeuwen, dezelve 't minst betrachten.
Want dit uitzinnig dier, ô, schrik! van geen bedaarenMeer wist; maar woedde al voort: 't bloed kookt' hem in zijn' aêren.
Ten lange laatsten kwamen 'er vier Philosophen binnen treden, welker mantels te kennen gaven dat zij van eene bijzondere gezinte waren. Deeze de dreigementen der woedende menigte met hand en mond ter nederzettende, scheenen met mijnen staat medelijden te hebben; en na dat zij met de andere ter zijde afgesproken hadden, bragten zij mij over in een ander huis. Ik was blijde dat ik verlost was uit de klaauwen van die struikroovers, en eerlijke lieden ontmoet had; en lag hen op hun verzoek de oorzaak deezer opschuddingen in 't breede uit. Zij, grimlachende op 't hooren van zulk een klugtig voorval, zeiden, dat de Philosophen gewoon waren, als zij op de markt wandelden, tegen die standbeelden te pissen, en dat het waarschijnlijk was, dat mijn bespringer, staroogende op zijne Philosophische bespiegelingen, mij voor zulk een standbeeld genomen hadt. Voorts zeiden zij dat hij een zeer vermaard Sterrekijker was, en dat de overige, die mijne schouders zoo toegedekt hadden, Leeraars in de zedelijke Wijsgeerte waren. Nu dagt ik in eene behouden haven en alle gevaar ontkomen te zijn, luisterende met groot vermaak naar die en andere hunner, vertellingen. Dog het al te naauwkeurig beschouwen mijner gestalte, gaf mij eenigzins kwaad vermoeden. Wijders waren de dikwils herhaalde ondervragingen, die zij mij deden, naar mijnen staat, naar de oorzaak mijner reize, en naar mijn vaderland, mitsgaders de stille rugspraak, mij zoo veele voortekenen van een aanstaande ongeluk. Dog ik stierf bijna van schrik, wanneer ik in een soort van eene Snijkamer wierd geflooten, alwaar ik eenen overgrooten hoop doodsbeenderen en lijken opgestapelt zag, die dat gantsche vertrek vervulden met eenen afschuwelijken stank. Ik dagt in 't eerst niet anders dan dat het eene spelonke van moordenaars was; maar de Anatomische instrumenten, die tegen de muuren hingen, verminderden allengskens dien schrik, vermits het daar uit bleek, dat mijn huiswaard een Geneesheer of Chirurgijn was. Na dat ik in dit rasphuis een half uur lang alleen gezeten had, en zonder mij te durven verroeren, tradt 'er eene aanzienelijke vrouw binnen met het middagmaal, 't geen zij voor mij bereid hadt. Zij scheen zeer vriendelijk te wezen; dog met bedaardheid mij aanziende, zugtte zij zomtijds zeer zwaar; en toen ik naar de oorzaak haarer droefheid vraagde, antwoordde zij, dat mijn aanstaande lot haar dit zugten afperste.Gij zijt, sprak zij,in een fatsoenlijk huis gekomen; want mijn man, die Heer van dit Eiland is, is alhier tot openbaar Stads Natuurkundige[1]en Leeraar in de Geneeskunde aangestelt, en de andere die gij gezien hebt, zijn zijne amptgenoten. Dog deeze, verwondert over de ongewoone gestalte uwes lichaams, hebben besloten, het onderstel van het zelve, en daar benevens uwe ingewanden, naauwkeurig te onderzoeken en, uw lichaam ontledigende, te zien, of zij daar in iets nieuws, tot opheldering der Ontleedkunde, konnen ontdekken. Deeze woorden deeden mijn hart en ziel trillen, waarom ik eenen vervaarlijken schreeuw gevende, uitriep: wel! Mevrouw, hoe kan men hen braave lieden noemen, die een onnozel en eerlijk man niet schromen den buik op te snijden? Waarop zij wederom zeide:
Hadt g'uwen vinger eerst hier in den grond gesteken,Wel honderd mijlen verr' waart gij van hier geweken.
Dit niet tegenstaande zijt gij onder de handen van fatsoenlijke lieden, die niets ter kwaader trouw, zullen ondernemen maar enkel en alleen, uit liefde om de Ontleedkunde op te helderen, besloten hebben dat stuk werks aan u te onderstaan. Hierop antwoordde ik, dat ik liever had van moordenaars vrijgelaten, dan van fatsoenlijke lieden aan stukken te worden gesneden, en ter stond voor haar op mijne knieën vallende, niet zonder overvloedige traanen te storten, bad ik haar vóór mij ten besten te willen spreeken. Haar antwoord was:weinig zal u mijn ten besten spreeken helpen tegen 't besluit der Faculteit, 't geen onwederroepelijk pleeg te zijn; dog ik zal door een ander middel trachten u den dood te ontrukken. Dit zeggende nam zij mij bij de hand, en leidende mij, die beefde als een juffers hondtje, door eene agter-deur, vergezelschapte zij mij tot aan de poort der Stad. Daar trachtte ik van mijne behoudster afscheid zullende nemen, met de welspreekendste taal die ik ooit geleerd had, mijn dankbaar hart, zoo als 't behoorde, te betuigen; dog zij viel mij al in den beginne in mijne woorden, betuigende dat zij niet zoude weggaan, alvorens zij mij in alle veiligheid zag, en voer voort mij op zijde te blijven, hoe zeer ik mij daar tegen stelde. Terwijl wij t'zamen voortgingen hadden wij verscheide discoursen over den staat van dat gewest, en ik luisterde met opene ooren toe. Dog eindelijk viel zij op te verhaal, dat mij weinig aangenaam was, vermits ik daar uit afnam, dat zij voor haaren bewezen dienst iets verzogt, 't geen mij zedelijker wijze onmogelijk was haar toe te staan. Want zij vertoonde mij op eene zielroerende wijze, hoe ongelukkig het lot der aanzienlijke vrouwen in dat gewest was, nademaal deeze Philosophische Schoolmeesters, verzopen leggende in de studien, geheel en al de huwelijks pligten verzuimden. "Ik kan,zeidezij, onder eede betuigen, dat wij 'er om koud waren, zoo niet dees en gene eerlijke en mededogende vreemdeling onze ellenden verzagtte, en aan de kwalen, waar aan wij jammerlijk gaan kwijnen, somtijds de hand tot genezinge sloeg". Ik hield mij als gek, en al niet te konnen verstaan waar zij met die stigtelijke praatjes heen wilde: ja ik begon braaf aan te stappen; dog mijne koelheid deedt haaren brand des te meer ontvlammen. Waarom?
Na zij mij langen tijd haar lijden had vertelt:Is 't smeeken te vergeefs? zoo dient 'er dan geweld.Dus boezemdz' uit, en komt, met ongebonden vlegtenEn opgestroopten arm, mijn' tronie straks bevegten.
Daar benevens verweet zij mij mijne ondankbaarheid. Dog vermits ik egter niet naliet mijnen weg te vervorderen, vatte zij de slip van mijnen rok, en trachtte mij, die 'er tegen worstelde, staande te houden. Ik toen 't geweld te baat nemende, maakte Mevrouw uit de handen te komen, en wijl ik gaauwer ter been was, was ik in 't kort uit haar gezigt. Hoedanig zij toen in razernij op mij ontsteken wierd, kon ik uit de woordenkaki spolaki,dat is,gij ondankbaare hond, welke zij mij gestadig naschreeuwde, gemakkelijk afnemen. Maar haare scheldwoorden met eene Spartaansche edelmoedigheid opkroppende, was ik blijde, dat ik uit dit land der Wijzen, waar aan ik niet zonder schrik kan denken, genoegzaam heels huids ontkomen was.
Het naast-aangrenzende gewest is de ProvincieNakir, hebbende eene Stad of overgroot Dorp dat eveneens genoemt wordt, en waar van ik niet veel zeggen kan, vermits ik met zoo grooten haast als mij mogelijk was, alle Landschappen, grenzende aan dat der Philosophen, voorbij liep, haastende mij naar zulke volkeren die weinig werks maakten van de Philosophie en vooral van de ontleedkunde. Want zoodanig zat 'er mij de schrik van in de leden, dat ik al wie mij maar op den weg ommoette, vraagde, of hij een Philosooph was; ook waarden mij die lijken en Anatomische instrumenten nog langen tijd in de gedagten. De inwoonders van het DorpNakirscheenen mij zeer gespraakzaam: want alle die mij tegen kwamen, boden mij hunnen dienst, hoezeer ongevraagd, aan, met eene breede betuiginge van haare eerlijkheid. Om de waarheid te zeggen, ik vond die betuigingen gantsch belachelijk, wijl ik hen geen teeken altoos van kwaad vermoeden had laten blijken, of iemants opregtheid ooit of ooit in twijfel had getrokken. Dog toen ik aan eenige had te kennen gegeven dat ik niet konde begrijpen, waar toe zij alle die zelve betuigingen, met bijgevoegden eede, zoo dikwils herhaalden; ontmoette ik, zoo als ik het Dorp uitgetreden was; eenen reiziger, langzaam voortgaande en zugtende onder den last van zijn pak. Zoo haast als hij mij zag, stondt hij stil, vragende, waar ik van daan kwam; maar toen ik hem zeide, dat ik onlangs het dorpNakirwas doorgegaan, wenschte hij mij geluk dat ik 'er zonder kleerscheuren uitgekomen was, vermits de inwoonders, bekent door hunne dieve-streken, de reizigers niet dan naakt en bloot pleegen te laten vertrekken. Ik gaf daar op ten antwoord, dat, zoo hunne daden met hunne woorden overeenkwamen, zij zeer opregte lieden moesten zijn, vermits ieder een, hoe zeer ongevraagd, op zijne eerlijkheid, met duure eeden, pochte. Waar op hij lachende, mij zeide;wagt u, dat gij u niet te veel vertrouwt op de gene die zoo breed afgeven van hunne eige eerlijkheid; maar vooral op zulke, die den Duivel tot getuigen daar van nemen. Deeze vermaning heb ik lang in mijn hart bewaart, en op de proef ondervonden dat die Onderaardling mij wel te regt gewaarschuwt hadt: waarom ik ook, wanneer een schuldenaar mij op zijne eer zweert, de onder handelinge afbreeke en 't geleende wedereische.
Aan de landpalen van dit gewest gekomen, zag ik een water, ros van kleur, aan welks oever eene roeischuit die te huur was, gereed lag om af te konnen varen, en waar mede men voor een prijsje naar hetLand der Redenkon oversteken. Over de vragt afgesproken hebbende, stapte ik in de schuit, en nam met het meeste genoegen der waereld de reis aan: want de Onderaardsche schepen worden door verborgen werktuigen zonder eenig toedoen des bootsvolks voortgedreven, en klieven het water met eene ongelooflijke snelheid. Aan land gezet zijnde, zag ik naar eenen kruijer, en ging onder deszelfs geleide naar de Stadder Reden. Onder weg zijnde, wierd ik door mijnen reisbroeder van de gelegenheid derzelve, en van den aart der inwoonders genoegzaam onderrigt: ik vernam dat alle de burgers, niemant uitgezonderd, Reden-konstenaars[2]waren, en dat deeze Stad de waare zitplaats derRedenwas, en daar van den naam ontleent hadt. Binnen de Stad getreden, ondervond ik waaragtig te wezen, 't geen hij mij daar van gezegt hadt: aangezien ieder burger, om de spitsvinnigheid van zijn verstand, om zijne deftigheid en gemaakte staatigheid, mij een Raadsheer scheen te zijn: waarom ik, mijne handen hemelwaards heffende, uitriep: ô drie-ja vierwerf gelukkig land, daar niet dan Catoos geboren worden. Maar toen ik de gelegenheid der Stad wat naauwkeuriger bezigtigde, wierd ik gewaar, dat veele dingen aldaar slordig behandelt wierden, en dat het Gemeenebest, door gebrek aan gekken, als ging kwijnen. Want nademaal de ingezetenen alles in de schaal der Reden opwegen, en door geene schoone beloften, glimpende redenen, of aanlokzelen zig omzetten laten; zijn de beweegredenen, waar door de gemoederen der onderdanen tot die doorlugtige, en, voor het Gemeenebest heilzame, poogingen, met gemak, en zonder kosten van 't Gemeen aangespoort worden, aldaar verre te zoeken.
De onheilen in den Staat; voortvloeiende uit dat naauwkeurig onderzoek, wierden mij, op eene hartbrekende wijze, door eenen bedienden der Finantien, aangetoont met deeze woorden:hier verschilt de eene boom niets van den anderen, dan alleen in naam en in gestalte des lichaams. Men vindt hier geen naijver onder de Burgerij, vermits 'er geen kans is, om eenig kenteeken van onderscheid te krijgen, en niemant schijnt wijs te zijn, vermits zij 't alle zijn. 't Is waar, de gekheid is eene ondeugd; maar egter niet te wenschen, dat ze 'er in 't geheel niet gevonden worde. Dat is genoeg voor eenen Staat, dat 'er zoo veele verstandige als Staats-ampten in zijn. Dat 'er dan Regenten zijn; maar laaten 'er ook teffens zijn die geregeert worden. 't Geen de Regeerders van andere Staaten door enkele beuzelingen en speelpoppen weten te krijgen, konnen de onze niet meester worden dan door waaragtige belooningen, die doorgaans de schatkist ledig maaken. Want voor den dienst aan 't Vaderland bewezen, eisschen de Verstandige het pit; daar de gekken zig met den dop laten paaien. Zoo brengt, bij voorbeeld, het uitdeelen der eerampten en tytels, waar aan de gekken als aan zoo veel verlokkend aas hangen blijven, en tot het ondernemen der zwaarste zaken aangezet worden; weinig te weeg bij eene Burgerij die zig laat voorstaan, dat de waare agting en de regte eer niet dan alleen door deugd en innerlijke waardij verkregen kan worden; en die zig derhalven door glimpende beloften nooit bij den neus laten leiden. Wijders wordt bij u het Krijgsvolk aangezet om alle gevaren voor 't Vaderland te ondergaan, op hoop dat, na hunnen dood, hunne namen in de Jaarboeken zullen leeven; maar bij ons rekenen zij dat voor gehoorstreelingen, wijl hen de spreekwijze, te weten: inderdaad te sterven, dog in de geschiedenissen te leeven,'t eenemaal onbekend is; 't enkel ijdelheid agtende voor de gene die 't niet meer hooren kunnen, dat hun lof opgehaalt wordt. Ik ga voorbij zeer veele andere onheilen, welke uit een al te naauw onderzoek van zaken voortkomen, en welke genoegzaam aantoonen, dal het in eenen welgestelden Staat noodig is, dat ten minsten de helft der ingezetenen met den kop gekwelt zij: want daar door wordt in den Burgerstaat het zelve te weeg gebragt, 't geen het zuur in de maag doet, waar van wij, ziek zijnde, te weinig of te veel hebben.
Terwijl hij dit zeide hoorde ik hem niet zonder de uiterste verwondering aan; maar toen hij mij uit naam van den Raad het Burgerschap aanboodt, en mij aldaar neer te zetten een- en andermaal verzogt, wierd ik beschaamt, vermoedende dat dat verzoek voortkwam uit eene opgevatte meeninge van mijne gekheid, en dat hij mij voor 't zuur nam, 't geen een Staat, kwijnende door al te veel wijshoofden, zoo noodig heeft: en ik wierd in dat vermoeden versterkt, toen ik verstond dat de Raad besloten hadt een groot getal Burgers naar de Volkplantingen te zenden, en, om het zelve wederom vol te maken, even zoo veele gekken van de nabuurige Volkeren te ontleenen. Hierom vertrok ik gestoort uit die redeneerende Stad. Dog lang maalde mij in het hoofd die Onderaardsche zetregel, onzen Staatkundigen voor als nog onbekent, te weten: dat het in eenen welgestelden Staat noodig is, dat ten minsten de helft der ingezetenen met den kop gekwelt zij. Ik verwonderde mij, dat zulk eene heilzaame lesse aan de Philosophen van onzen Aardbol zoo lang onbekent was gebleven. Maar mogelijk is ze aan eenige bekent geweest; dog die dezelve onder de Staatkundige lessen niet hebben willen brengen, nadien de gekken bij ons het meeste brood eeten, en 'er ('t zij zonder iemant te beledigen gezegt) geen Dorp of Stad is, die aan dat heilzaame zuur gebrek heeft.
Na dat ik een weinig uitgerust had, begaf ik mij wederom op reis, doorloopende verscheide Gewesten, welke ik met stilzwijgen voorbijgaa, nademaal mij aldaar niets vreemds, of 't geen men ook elders niet vindt, ontmoette. Toen dagt ik dat 'er voortaan op de PlaneetNazarniets wonderlijks meer zoude te vinden zijn; dog toen ik in 't land,Cabakgeheeten, mijne voeten zettede, ontdekte ik nieuwe wanschepzels, en wel zoodanige die alle geloof schijnen te boven te gaan. Onder de inwoonders deezes Landschaps zijn 'er eenige die hoofdeloos, en ook zonder hoofd geboren zijn. Zij spreeken door eenen mond; die midden op hunne borst staat: om welke reden, en uit hoofde van welk natuurlijk gebrek, zij zig ook onthouden van alle moeielijke bedieningen en daar harssenen toe vereischt worden; want zwaare zaaken konnen niet wel betrouwt worden als aan zulke daar een hoofd op staat. De bedieningen waartoe zij gebruikt worden, zijn meerendeels Ampten aan 't Hof. Hierom worden de Kamerlingen, Hofmeesters, Bewaarders der Vrouwentimmers, en de Deurwaarders meestentijds genomen uit de bende der hoofdeloozen. Daar uit worden ook gekooren de Pedellen, Kosters, en met een woord alle zulke, welker bedieningen eenigermate zonder harssenen verrigt konnen worden. Ook worden 'er wel eenige van hen, door eene bijzondere gunst der Magistraat, en om de verdiensten hunner Voorouders, in de Regeeringe genomen, 't geen zonder gevaar van het Gemenebest al kan geschieden, nademaal de ondervinding leert, dat de gantsche klem en het gezag van den Raad alleenlijk berust in weinige Raadsheeren, en dat de rest maar bijloopers zijn, en alleen nuttig om 't geen door de andere besloten is, te ondertekenen. Zoo waren in de Vroedschap der Stad, ter deezer tijd, twee hoofdelooze Leden; dog welke daarom niet te min hunne bezoldinge trokken. Want schoon ze om hun natuurlijk gebrek harssenloos zijn, zoo kunnen ze egterjazeggen, en te gelijk met de andere hunne stemmen geven; hier in gelukkiger zijnde dan hunne Amptgenoten, dat niemant die zijn proces verliest, zulks de hoofdeloozen wijt, maar alle zijne gal op de anderen komt uit te braaken. Hier uit bleek het ook, dat het menigmaal 't veiligst is zonder hoofd geboren te worden. Deeze Stad behoeft in pragt en nuttigheid voor weinige andere van dien Aardbol te wijken. Zij heeft een Hof, eene Universiteit, en pragtige Tempels.