Chapter 4

In beide de andere Provinciën, waarin ik naderhand kwam, te weten inCambaraen inSpelek, zijn alle de inwoonders Lindeboomen. Dog zij verschillen daar in, dat de eerstgenoemde niet boven de vier jaaren levens hebben, daar de laatste zeer oud worden: want zij bereiken gemeenlijk boven de vierhonderd jaaren. Hier van daan komt het, dat gij aldaar veele Groot-vaêrs, Oud-groot-vaêrs, Over—oud—groot-vaêrs en Bet-over-oud-groot-vaêrs ziet; dat gij 'er oude vertellingjes en verhaalen van den ouden tijd hoort; en dat gij daar komende, meenen zoudt, dat gij al voor eenige eeuwen gebooren waart. Zoo zeer ik nu 't lot der eersten beklaagde, zoo zeer agtte ik deeze gelukkig. Dog na dat ik de gelegenheid dier beide volkeren wat nader beschouwt had, zag ik, dat ik in mijn oordeel bedrogen was. Dusdanig was de Haat van de ProvincieCambara. Ieder inwoonder komt binnen weinige maanden na zijne geboorte tot den volkomen wasdom, zoo zijns lichaams als zijns verstands; invoegen het eerste jaar tot deszelfs vorming genoeg zoude zijn, en hem de andere niet, dan om zig ter dood te bereiden, schijnen vergunt te wezen. En vermits het aldus met de zaaken gelegen was, vertoonde dat Landschap als 't ware een soort van een waaragtig Platonisch Gemeenebest, waarin alle deugden tot volkomen rijpheid gebragt zijn. Want gelijk zij, uit hoofde van de kortheid des levens, als geduurig reisvaardig staande, dit leven niet anders aanmerken, dan als de deur, waar door zij schielijk tot het andere leven overgaan; zoo zweeft hen ook de beeldtenis van den staat des toekomenden levens meer voor oogen, dan die van het tegenwoordige; waarom 'er ook een ieder voor een waaragtig Wijsgeer kon gehouden worden, die, zig niet bekommerende met aardsche zaaken, alleenlijk trachtte naar den schat die duurzaam en onverganklijk is, bestaande in deugd, Godvrugt, en eenen goeden naam. Kortom, dit scheen het Land der Engelen, of de verblijfplaats der Heiligen, en de waare school, waar in deugd en Godvrugt 't allerbest geleerd wierden. Hier uit blijkt, hoe onbillijk de klagten der gene zijn, die klagen over de kortheid des levens; en uit dien hoofde met God als in geding komen. Want ons leven kan kort genoemt worden, om dat wij 't meerder gedeelte daar van in ledigheid en wellust doorbrengen: en het zelve zoude langduurig genoeg wezen, zoo anders de tijd beter besteed wierdt.

Maar in dat andere Gewest, alwaar de leeftijd boven vier eeuwen haalen kon, zag ik alle gebreken, die onder 't menschelijk geslagt bekent zijn, op den throon zitten. Alleenlijk hielden zij het tegenwoordige, als ware het zelve eeuwig en onvergankelijk, voor oogen. Waarom ook

De Schaamte, Waarheid, Trouw en Eerbaarheid verstooven.Verraad, Geweld, Bedrog en Gierigheid staan boven.

Voorts brengt die langduurigheid des levens nog een ander doodlijk gewrogt voort. Want de gene die door 't verlies hunner goederen schade geleden hadden, of in hunne leden verminkt, of ook wel die in ongeneeslijke ziekten vervallen waren, pleegen, met eene bevende stemme, den levensloop voor lang en van te traagen voortgang te beschuldigen, en eindelijk de handen aan zig zelf te leggen, vermits zij, om de langduurigheid des levens, geen uitkomst van smerte zagen: want de kortheid des levens is voor de ellendige en moedelooze de allerkragtigste troost. Beide die Gewesten gaven mij stoffe tot verwonderinge; en ik vertrok daar niet uit, dan overstelpt met Philosophische bespiegelingen.

Ik vervolgde mijne reize langs steilten en woeste plaatsen waar langs men naar het Gewest der onnozelheid gaat, dat gemeenlijkSpalankgeheten wordt. Dit Landschap wierdt aldus genaamt van de eenvoudigheid en vreedzamen inborst der Ingezetenen. Alle waren zij breedbladige Eiken, en wierden voor de gelukkigste aller Stervelingen gehouden: want zij waren aan geen driften, of hartstogten onderhevig, en vervolgens bevrijd van alle gebreken.

............Elk gezintTer deugd, uit zijnen aart regtvaardigheid bemint:Ook zonder dwang van wet. Men wist van vrees, nog straffen:Men hadt met halsgeregt of boeijen niet te schaffen.Het volk ontzag versaagt des Regters opzigt niet;Maar leefde veilig, vrij van vierschaaren verdriet.Men hoorde geen trompet nog krommen hoorn steeken:Men voerde helm nog zwaard: het volk, in alle streekenZat vreedzaam, zonder krijg......

In dit Land gekomen, bevond ik dat alles waar was, wat mij bij gerugte daar van ter ooren gekomen was, te weten: dat de deugden door de geneigtheden der menschen, en niet door de wetten aangekweekt worden. Hier zag ik Nijd, Begeerlijkheid, Gramschap, Haat, Hoogmoed, Eerzugt, Tweedragt, en verder alle ondeugden, onder de menschen bekend, verbannen. Dog te gelijk met de ondeugden ontbraken 'er veele andere dingen, welke geagt worden Stervelingen grootelijks te versieren en de redelijke schepzelen van het onvernuftig vee te onderscheiden. Behalven de Godgeleerdheid, Natuurkunde en Sterrekunde, waren ook alle Konsten en Weetenschappen onbekent. De Regtsgeleerdheid, Staatkunde, Geschiedenissen. Zedekunde, Wiskunde, en veele andere Wetenschappen waren hen zelfs niet met den naam bekent. En nademaal de Nijd en Eerzugt onder hen niet gevonden werden, was 'er ook geen naijver die tot alle groote en voortreffelijke zaaken een spoor pleeg te zijn. Hier waren geen Paleizen nog pragtige Gebouwen, geen Raadkamers, geen Markten nog Rijkdommen: en vermits 'er geen Magistraten waren, waren 'er ook geen Processen: ja zelfs was 'er de heb-lust niet. Om niet veele woorden te gebruiken, daar waren geen ondeugden, en te gelijk waren 'er geen sieraaden, geen konsten, geen luister, en oneindige andere zaaken, die, onder den naam van deugden voorkomende, de Burgerlijke samenlevinge aangenaam, en de menschen beschaaft en geslepen maken: invoegen ik veel meer in eene warande van breedbladige Eikenboomen, dan in een Burgerstaat scheen te zijn. Hierom stond ik lang in twijfel, wat ik van dat volk maken zoude, en of deeze Natuurstaat den mensen wel wenschelijk was. Eindelijk nogtans overwegende dat het beter was een onbeschaafd dan ondeugend leven te leiden, en dat, met de onbedreevenheid in sommige wetenschappen, ook te gelijk niet gevonden wierden stroperijen, diefstallen, doodslagen, en andere euveldaden, die dikwijls ziel en lichaam beide verderven; agtte ik dezen staat gelukkig. Terwijl ik op mijn gemak en zonder zorg dit Gewest doorwandelde, stootte ik met den enkel van mijn linkerbeen, tegen eenen steen, waar door ik 'er eene zwaare wonde en groote zwelling aan kreeg. Zeker huisman dit ziende, kwam terstont toegelopen, en lag 'er een zeker kruid, dat hij met de hand geplukt hadt, op, waar door de pijn schielijk verzagtte, en de zwelling begon te slinken. Daar uit kon ik afnemen dat dit volk ervaren was in de Geneeskunde; ook bedroog mij mijne gissing niet; want overmits de Letter-oeffeningen derSpalankerszoo naauw bepaalt zijn, zijn zij niet te vreden met den bast, zoo als wel onze geleerden in allerlei soort van wetenschappen[3]zijn; maar zij doorzoeken alles ten naauwsten. Toen ik mijnen Geneesheer, over zijne hulp aan mij bewezen, bedankte, zeggende, dat God het aan hem zoude vergelden; antwoordde hij mij zoo zakelijk, zoo geleerd, en zoo Godvrugtig, schoon met eenvoudige en boersche bewoording, dat ik mij verbeeldde eenen Goddelijken man of eenen Engel in de gedaante van eenen boom te zien. Hier uit bleek, hoe zeer wij ten onregte gestoort worden op de gene die belijdenis van onverschilligheid doen, welke wij, terwijl zij niets verlangen, nergens smerte over hebben, nergens over gestoort of verblijd zijn; maar alle pligten, voortkomende uit de hartstogten, besnoeit en afgelegt hebben,—gelooven oud en grijs te worden met een vadzig, uitgeleeft, en als ontzenuwt lichaam. Dog nog veel meer bleek het hoe zeer zij dwalen, die den stervelingen als eene noodzakelijkheid van ondeugden aantijgen, die de gramschap de wetsteen der dapperheid, den naijver het spoor der naarstigheid, en het wantrouwen de voedster der voorzigtigheid stellen te zijn; aangezien uit kwade eijeren niet dan kwade kuikens voortkomen, en de meeste deugden, waarop de menschen trots zijn, en die wij met lofgezangen verbreiden, eer schandvlekken dan sieraaden zijn, wanneer wij dezelve met wijsgeerige oogen beschouwen.

Uit dit Land vertrekkende, nam ik mijne reize door de ProvincieKiliac, alwaar de inwoonders geboren worden met zekere teekenen op het voorhoofd gedrukt, te kennen gevende 't getal der jaaren welke zij te leeven hebben. Deeze agtte ik almede gelukkig: aangezien 'er niemant in 't bedrijf der zonde onverhoeds door den dood overvallen wordt. Maar aangezien ieder een de vastgestelde sterfdag bekent was, stelden zij de bekeering uit tot op den laatsten tijd huns levens. Alwaarom ook, wanneer men onder hen een vroom en eerlijk man zag, dezelve zodanig een was, welken de tekenen te kennen gaven, dat het tijd was om den aftogt te blaazen. Ik zag 'er eenige allerwege met hangende hoofden door de Stad gaan; welke alle nabij den dood waren, tellende de dagen en oogenblikken op hunne vingers, en 't aannaderend' laatste uurtje met verschrikkinge te gemoet ziende. Dit deedt mij zien, dat de Schepper ook wijslijk daar in voorzien hadt: en ik oordeelde 't voor de schepzelen best te wezen, dat hen de uure des doods onbekent was.

Dit Gewest al mede doorreisd hebbende, stak ik eene zee—engte, welkers kleur zwart was, met eene boot over, en kwam in het Land vanAskarak. Hier deeden zig nieuwe wanschepzels aan mijn gezigt op: want gelijk het landCabakschepzelen zonder hoofd uitlevert, zoo komen ook eenige inwoonders deezes Gewests met zeven hoofden voor den dag. Deeze zijn bij uitnemenheid in allerlei wetenschappen ervaren, en wierden eertijds door de andere burgers, om zulke groote natuurgaven bijna met Goddelijke eere geëert, dermate dat uit hunne bende alleen de Veld-Oversten, de Burgemeesters, de Raadsheeren en de Regters gekoren wierden. Dog vermits dezelve, zoo veele hoofden zij hadden, ook van zoo veele verscheide inborsten waren, namen zij wel wakker en kloekmoedig verscheide bedieningen te gelijk waar, en lieten, zoo lang zij de teugels der regeering in handen hadden, niets onbezogt; maar om dat zij zoo veele zaaken te, gelijk bij de hand hadden, en om die zoo verschillende, en in een eenigen ingezeten zoo strijdige, denkbeelden, begonnen zijn alles overhoop te werpen; en daar kwam, bij vervolg van tijd, zoo groote verwarringe van zaaken, dat 'er eene geheele eeuwe noodig was, om de beroerten, welke die, alles kundig zijnde, Magistraat verwekt hadt, ten eenemaal te stillen. Daarom wierdt 'er bij eene wet vastgestelt, dat de zevenkoppige ten eeuwige dage van alle gewigtige en van alle Staatszaken zig hadden te onthouden; en dat het Gemeenebest in 't vervolg van eenvoudiger lieden, dat is van zulke die niet meer dan een eenig hoofd hadden, zoude geregeert worden. Hierom is 't, dat de gene die eertijds voor zulke bekwame mannen, en zelfs den Goden bijna gelijk, gerekent wierden, tegenwoordig bijna in denzelven staat zijn, als de hoofdelooze in 't LandschapCabak. Want gelijk deeze, in 't geheel geen hoofd hebbende, niets konnen uitregten; zoo doen ook gene, om hunne veelhoofdigheid, alles verkeert; en om deeze redenen worden onze zevenhoofdige, uit alle Staats-ampten gezet zijnde, oud en grijs, zonder ergens toe in bedenken te komen. Zij dienen egter eenigermate tot een sieraad van 't Gemeenebest, aangezien zij, even als tooneelspelers, allerwege omgevoert worden om haare konsten te toonen, en te doen zien hoe mild de Natuur geweest is in hen toe te stellen; dog zoo dezelve zoo kwistig niet was geweest, en hen alleen een eenig hoofd gegeven hadt, zoude men die veel goedertierener konnen noemen. Uit het geheele geslagt der zevenhoofdige waren 'er toen ter tijd niet meer dan drie in bedieningen; dog zij waren ook daar toe niet toegelaaten dan na 't afhouwen van zes hoofden, waar door het gebeurt, dat 'er maar een hoofd overblijvende, de verwarde denkbeelden, waar aan zij onderhevig waren, verdwijnen, en zij wederom tot redelijk verstand gebragt worden, even gelijk de boomsnoeijers dikwils eenige takken afkappen, waardoor de nog overblijvende sterker en gezonder worden. Egter staan zeer weinige onder de zevenhoofdige deeze proef uit, zoo om de geweldige pijn, als om 't doodsgevaar. Dit deedt mij zien, dat al wat te veel is niet dan schade aanbrengt; en dat het regte verstand in de eenvoudigheid der harssenen en de welgeschiktheid van den geest gelegen is.

Uit dit Landschap gaat men door woeste plaatsen naar 't VorstendomBostanki, welks ingezetenen, zoo veel betreft de uiterlijke ligchaams-gestalte, weinig verschillen van dePotuaners; dog inwendig hebben zij dat bijzondere, dat hen 't hart geplaatst is in de regterdije, zulks zij wel te regt kunnen gezegt worden hun hart in hunne dijen te dragen. Hier van daan worden zij onder de ingezetenen dezes Aardbols voor de vreesagtige en tot den oorlog minst bekwaamde gehouden. Toen ik, gemelijk zijnde om de moeielijke reis, in eene herberg, nabij de poort der Stadt, trad, voer ik niet weinig uit tegen den langzaamen en het futzelboek zoekenden waard. Dog hij op zijne knien vallende, verzogt mij met tranen, erbarming met hem te willen hebben, biedende mij aan, zijne regterdije te betasten, waar uit ik het kloppen van zijn hart gewaar zoude konnen worden. Hierom, mijne gramschap in lachen verandert zijnde, wischte ik de traanen des smeekenden waards af; gebiedende hem goedsmoeds, te zijn. Hij, opstaande, kuschte mij de hand, en ging 't avondmaal gereedmaken. Dog niet lang daar na weergalmde de keuken van zugtingen en van een verschrikkelijk gehuil. Ik daarop toelopende zag onzen vreesagtigen waard woedende met vuist- en geesselslagen tegen zijn Wijf en Dienstmaagden. Zoo haast zag hij mij niet, of hij begaf zig terstond op den loop en koos het hazenpad. Hierom mij keerende naar de schreiende Vrouw en Dienstmaagden vraagde ik, door welke schade of misdaad zij eenen man, die zoo zagtzinnig was, zoodanig tot toorn verwekt hadden? Dog zij de oogen naar de aarde slaande, stonden langen tijd zonder spreeken, niet durvende hunne smert te kennen geven; maar toen ik voortging met haar te vragen, en bij mijn verzoek ook bedreigingen voegde, begon de Vrouw aldus te spreeken: "U schijnt niet genoeg bekend te zijn, Vreemdeling, de aart en inborst der stervelingen. De inwoonders deezes Vorstendoms, die geenen gewapenden vijand onder de oogen durven zien, en die op het minste gerugt buiten 's huis van angst plegen te beeven, speelen den dwingeland in de keukens, en woeden als wreedaards tegen hunne weerlooze huisgezinnen: vermits zij met de gewapende geenen oorlog voeren, moeten 't weerlooze zijn daar zij 't tegen hebben. Daarom is deeze Staat bloot gestelt voor de plunderingen en bespottingen van de nabuurige volkeren. Maar in een Landschap aan 't onze grenzende, en waar aan wij cijnsbaar zijn, is 't manvolk van eenen gantsch anderen aart: die worden nooit handgemeen dan met, den gewapenden vijand: buiten zijn zij baazen; maar t'huis hebben zij niets te zeggen". Ik stond verwondert over 't verstand van die Vrouw, welke ik oordeelde een beter lot waardig te zijn. En na dat ik de reden en inborst der menschen een weinig nader beschouwd had, vond ik, dat die vrouw de waarheid gesproken hadt, nademaal 't uit zeer veele voorbeelden blijkt, dat het Hercules niet alleen is, die voor de tabbert zijner huisvrouw heeft moeten zwigten; maar dat het gemeenlijk het lot der braafste mannen is dat zij hunne halsen gewilliglijk moeten onderwerpen aan 't jok hunner wijven, daar integendeel de allervreesagtigste, en die met de ingezetenen vanBostankihet hart in de dije geplaatst hebben, helden in de keukens zijn. Dit volk leeft in gestadige afhankelijkheid en onder de bescherming van een nabuurig volk, waar aan zij cijnsbaar zijn.

Uit dit Land vertrekkende, stapte ik in eene andere boot, die mij overbragt in 't LandMikolac; en terwijl ik in de boot zat, wierdt mij mijn mantel ontfutzelt. Na lang twistens met den Veerman, die den diefstal hardnekkig loogchende, nam ik mijnen toevlugt tot den Regter van de plaats, te kennen gevende, dat de Veerman ten minsten gehouden was tot de enkele wedergeving des gestolen goeds, uit hoofde van misdaad door wetduiding, zoo 't mij al mogt geweigert worden hem over bewaargeving of diefstal te dagvaarden. Dog hij bleef 't niet alleen hardnekkig ontkennen, maar deedt mij nog daar en boven een Proces vaninjurieaan. In eene zoo twijffelagtige zaak eischte de Raad getuigen; dog, wijl ik die niet konde voortbrengen, stelde ik mijnen tegendinger voor, zig onder eede daar van te zuiveren. Op dat woord van eed begon de Regter te grimlachen, zeggende: "Gij moet weeten, Vreemdeling, dat wij hier door geenen Godsdienst altoos verbonden zijn: wij hebben geen andere Goden dan de Vaderlandsche Wetten. Derhalven moeten zodanige bewijzen volgens de Wetten gedaan worden; 't zij door eene rekeninge der uitgeschoten kosten, wissels-aanneeming, overlegging van een handschrift, onderteekend extract uit een schuldboek, of tusschenkomst van getuigen. Al wie van zoodanige bewijzen niet voorzien is, moet niet alleen zijn proces verliezen, maar daar en boven verwezen worden in de boete over valsche betigting. Bewijst de zaak door getuigen, en men zal u het goed, in bewaring gegeven, ter hand doen stellen". Aldus door gebrek van getuigen mijn proces verliezende, beklaagde ik niet zoo zeer mijn eigen dan wel deezes Gemeenenbests ongeluk: aangezien hier uit bleek, hoe zwak en onvermogende zoodanig een Burgerstaat is, wanneer dezelve alleenlijk gegrondvest is op menschelijke Wetten; en van hoe korten duur zodanige Staatsgebouwen zijn, ten zij dezelve met den Godsdienst betrast zijn. Hier hield ik mij drie dagen op, leevende, geduurende al dien tijd, in gestadige vrees: want hoe heilzame Wetten ook een Staat moge hebben, en hoe zwaar ook de misdaden aldaar gestraft mogen worden; kan men egter geen zekerheid altoos wagten onder een volk dat zonder God leeft, en ontslagen is van alle banden van Godsdienst: vermits 'er geen schelmstuk zoo groot is, 't geen zij niet zullen uitvoeren, kan 't anders bedekt blijven.

Vertrekkende dan uit dit Land der Ongodisten kwam ik, een steil gebergte overgetrokken zijnde, in de StadBracmat, gelegen in eene vlakte aan den voet van eenen berg. De inwoonders aldaar zijn Jeneverboomen. De eerste dien ik ontmoette, viel met zijn geheele ligchaam boven op mij, en smeet mij tegen den grond; en toen ik naar de redenen van die welkomst vraagde, verontschuldigde hij zig geheel fijntjes. Dog straks daar aan kwam een ander en lag mij eenen paal, dien hij in zijne regterhand hadt, zoodanig over de lendenen, dat hij mij bijna ontheupt hadt. Dees verzogt mede dat ik zijne onvoorzigtigheid tog niet kwalijk wilde duiden, en badt om vergiffenis met eenen langen sleep van woorden. Ik beeldde mij in, dat het volk aldaar scheel zag, en vermijdde zorgvuldiglijk de voorbijgangers te ontmoeten. Dog dat gebrek spruit uit het al te scherpe gezigt van sommige, waardoor het geschiedt, dat zij de afgelegen voorwerpen, die andere niet eens zien, zeer klaar onderkennen, en dat zij integendeel zaken die digt bij, en hen als voor den neus staan, door hun al te scherp gezigt geheel niet zien kunnen. Deeze worden door de bankMakattigeheeten, zig meerendeels toeleggende op de hoogdravende Studiën, en op de Sterrekunde: want in aardsche zaken hebben zij, om hunne al te scherpziende oogen, bijna geen gezigt altoos; aangezien zij alle kleinigheden met de uiterste naauwkeurigheid waarneemende, in 't zakelijke blind zijn. Egter zijn zij den Staat van nut in het onderzoeken der Bergwerken; want de oppervlakte der aarde niet zien kunnende, dringen zij met hun gezigt door tot het geene onder derzelver korst verborgen is. Dit leerde mij dat 'er lieden gevonden worden, die door hun al te scherp gezigt blind zijnde, meer zouden zien, zoo zij min scherp zagen.

Na eenen steilen berg, en die zeer moeilijk te beklimmen was, overgetrokken te hebben, kwam ik in het LandschapMutak, welkers hoofdstad zig als een Wilgen-bosch vertoont, vermits 'er de inwoonders Wilgen-boomen zijn. Op de markt komende, zag ik aldaar een sterk jongeling, zittende op eenen Patrocliaanschen-stoel, en smeekende den Raad om ontferminge. Vragende wat 'er te doen was wierdt mij gezegt, dat hij een booswigt was welken men heden voor de vijfde maal geneesmiddelen stondt in te geven. Verwondert zijnde over dit antwoord, stapte ik wat te rug, om mijnen huiswaard uitlegging van dit raadzel te vragen; welke aldus begon: "Geesselen, brandmerken, hangen en diergelijke straffen, zeide hij, waar door onze nabuuren de misdaden beteugelen, zijn bij ons te eenemaal onbekend; mits wij meer toeleggen op 't verbeteren der booswigten, dan op 't straffen der misdaden. De misdadige welken gij daar zoo even hebt zien zitten op den Stads stoel, is een Schrijver van gekke boeken, die om zijnen schrijflust, welken de Raad nog door wetten, nog door vermaningen in hem heeft kunnen beteugelen; thans de openbaare straffe of het inneemen van genees middelen daar tegen heeft moeten ondergaan; en de Stadsonderzoekers, die alle Geneesheeren zijn, gaan voort met hem door gestadige purgatiën af te matten, tot dat, de wortel der schrijflust in hem verdorven zijnde, hij, ophoudt met boeken uit te geven". Naauwlijks had hij dit gezegt, of ik wierd in den Stads-apotheek gebragt, alwaar ik met de uiterste verbaasdheid de doozen netjes geschikt en met deeze opschriften beplakt zag: POEDER TEGEN DE GIERIGHEID. PILLEN TEGEN DE WELLUST. TINCTUUR of INFUSIE, dienende om de EERZUGT te temperen. SCHILLETJES tegen de GEILHEID, enz. Ik kan 't niet uitdrukken wat draaijingen in mijn hoofd verwekt wierden door deeze kneepen. Dog ik viel bijna in verrukking van zinnen, wanneer, ik geheele bondels van geschriften zag met deeze tytels: GESPREK VAN MEESTER PISAG, 'T WELK 'S MORGENS GELEZEN WORDENDE, ZES AFGANGEN OF BUIKZUIVERINGEN VERWEKT. BEDENKINGEN VAN DEN GENEESHEER JUKES, WELKE BY DE GEENE DIE NIET SLAPEN KUNNEN, OVERDAGT MOETEN WORDEN. Hier uit bespeurde ik, dat dit een zeer vreemd slag van volk was, en, om de kragt deezer geneesmiddelen wat naauwer te onderzoeken, sloeg ik het eerste boek open. Dog 't was zoo gekkelijk geschreven, dat ik onder 't leezen van 't eerste hoofdstuk al begon te geeuwen, en toen ik voortvoer met leezen, mijne ingewanden begonnen te rommelen, en ik terstond buikpijn gevoelde. Waarop ik, frisch en gezond zijnde, en geen purgatie noodig hebbende, het boek neerlei en mij weg pakte. Dog dit deedt mij zien, dat niets in de waereld te eenemaal onnut is, en dat men zelfs van de allergekste boeken eenig gebruik kan maaken. Wijders bespeurde ik, dat, hoe vreemd dit volk ook wezen mogt, het egter niet te eenemmal zot was. Mijn huiswaard betuigde, dat hij, eenen langen tijd niet hebbende kunnen slapen, alleenlijk door 't lezen van DoctorJukesboek gezond was geworden; en dat 'er zoo veel in dat boek stak, dat het de waakzaamheid zelve deedt ronken. Deeze en diergelijke dingen hoorende, wierd ik wonderlijk van mijne gedagten geslingert. Dog om niet te eenemaal van mijne oude Wijsgeerte af te geraken, verliet ik schielijk dit Land; 't geen mij zeker zeer wel te pas kwam: want nieuwe zeldzaamheden onder andere Volkeren, en de verschijnzelen die mij allerwegen ontmoetten, lieten mij niet toe langer bij deeze gedagten te blijven. Maar toen ik mijne reize door deeze Planeet voltrokken had, en deMutaciaanscherePhilosophie wat naauwkeuriger onderzogt; oordeelde ik, dat de Geneeskunst deezes volks niet geheel en al te verwerpen was: want ik dikwils in ons Europa ondervonden heb, dat 'er boeken zijn, die de Leezers doen braken, of slapen. Dog wat aangaat de zielsgebreken, kan ik aan de grondbeginzelen van die vanMutakgeenszins mijn zegel hangen, hoe zeer ik bekennen moet, dat 'er eenige ligchaams-zwakheden zijn, welke wij met de zielsgebreken verwarren, gelijk zeker Digter van onze waereld, met dit volgende vers voorzigtiglijk waarschuuwt.

Gij hebt, ô Sextus! lang nu met mij, ziek gelegenIn 't zelve Gasthuis. 't Heugt mij dat wij beide kregenDe scherpe vogten, die ons pijn'gen lijf en ziel;En waar van, voor als nog, aan ons geen helpen viel.Dog wijl mijn' kwaal bestaat, (ik moet het u eens klagen,)In eene ziekte die mij is om 't hart geslagen,En daar halstarrig blijft; word ik van elk gelaaktVoor knorpot, grommer en kwaadaarden uitgemaakt;Daar gij beklaagd, beschreid wordt van uw goede vrinden,Om dat kwanswijs de kwaal zig in uw voet laat vinden.Als gij niet danssen wilt, hoe zeer daar toe verzogt,Ontschuldigt m'u van zelfs: ach! vergt hem dat niet, 't mogtHem schaad'lijk zijn, en pijn verwekken, is het zeggen.De man wil graag; maar kan bijna geen voet verleggen,Laat staan verzetten. Is 't nog onlangs niet geschied,Dat hij een' Passepied zou danssen? maar hij lietDat werk haast steeken: zoo zit 't Pootje hem in de beenen!Maar mij rampzalige, (wat of zij daar mee meenen?)Schoon dat ik kerm van pijn, beklaagt bijna geen mensch:Mijn ziekte is niet geagt; en, ging het naar hunn' wensch,'k Zou op een gastmaal nog een deuntje moeten neuren,Al moest mijn krank gestel dat met den dood betreuren.'t Is: zing eens; wil ik niet, straks gaat het schelden aan.Ik ben een buffel, die met niemant om kan gaan.En zulks, ô Sextus! daar een halven dag te springenU nooit zoo moeilijk viel, als mij een uur te zingen.

Dat Land verlatende, en een stilstaand water, welks kleur ros was, overgevaren zijnde, kwam ik in 't LandschapMikrok. Dog toen ik stond om de stad, die denzelven naam voert, binnen te treden, vond ik de poort voor mijnen neus gesloten. Dierhalve moest ik eene wijle wagten, tot dat ze, wel gegrendelt en gesloten zijnde, van den slaperigen Poortier geopend wierdt. 't Was alles binnen de stad in eene diepe rust, behalven alleen dat 't geronk der slapenden mij de ooren doof maakte; invoegen ik als in de waare verblijfplaats des slaaps, zodanig als dezelve door de Poëten versierd wordt, scheen overgebragt te zijn. Dit deedt mij stillekens zeggen: Ach! mogt het eenige Burgermeesters, Raadsheeren en andere eerlijke burgers in mijn Vaderland gebeurd zijn, dat ze hier geboren waren, die, vermits zij zeer vredelievende menschen zijn, in deeze gelukkige stad, in rust en vrede hun leven zouden doorbrengen. Uit de uithangborden en opschriften aan de huizen, bleek het egter, dat aldaar konsten en handwerken, mitsgaders Regtsplegingen in zwang gingen. Door deeze opschriften ontdekte ik eene herberge, alwaar' ik egter geenen ingang kon vinden, nademaal de deuren gesloten en gegrendelt waren: want schoon het al over den middag was, zoo was 't egter nagt bij de inwoonders. Eindelijk, na dat ik door gestadig kloppen niet weinig op de deur gebonst had, wierd ik binnen gelaten. De dag wordt hier in drie-en-twintig uuren verdeeld, waarvan 'er eerst negentien voor den slaap geschikt zijn, en de overige met waken doorgebragt worden. Hierom denkende, dat hier zoo wel de Lands- als bijzondere zaken wonderlijk verzuimt wierden, deed ik mij van 't geen voor de hand was, ras wat te eeten geven, vermits ik dugtte dat de nagt onzen kok in 't gereed maken der spijs mogte overvallen. Dog wijl alles hier bij verkorting geschiedt, en al wat overtollig is nagelaten wordt, is eenMikrokiaanschdagje lang genoeg, om te doen dat gedaan dient te worden. Na 't middagmaal, 't geen mij rasser dan ik verwagt had, wierdt opgedischt, wierd ik van mijnen huiswaard door de stad gebragt. Wij kwamen in eenen Tempel, alwaar eene leerrede wierdt gedaan, die wel kort was te rekenen naar den tijd; dog lang genoeg als men op 't zakelijke zag. Want de Leeraar kwam terstond tot de zaak, zonder omwegen te gebruiken, zonder ééne zaak tweemaal te zeggen, of zonder daar iets bij te hangen, dat 'er niet te passe kwam, zoo dat, wanneer ik deeze Onderaardsche leerrede zoude willen vergelijken met de langdradige sermoenen van MeesterPetri, die mij zoo dikwijls hebben doen walgen, dezelve mij wel tweemaal zoo zakelijk voorkwam. Met dezelve beknoptheid worden de Regts-zaken behandelt. De Advocaten zeggen veele zaken met weinig woorden, en brengen terstond hunne getuigen voor, om gehoord te worden. Mij heugt aldaar gezien te hebben een Verbondstractaat, korts te voren met een nabuurig volk gesloten, bestaande in deeze woorden,Daar zal eens eeuwige vriendschap zijn tusschen het volk van Mikrok en die van Spenlik. De Vloed Klimak met het gebergte Zaber zullen de grensscheidingen der beide Rijken zijn. Was geteekent,, enz. enz. Dus was aldaar in drie regels vervat, 't geen bij ons geheele boeken vereischt. Hier uit blijkt, dat men met minder omslag, en in veel korter tijd, eene zaak kan afdoen, als men 't overtollige van de hand wijst, even gelijk den reizigers de wegen veel korter zouden vallen, zoo zij regt uit regt aan gaan konden. De inwoonders deezer Stad zijn alle Cypressenboomen, door verheven voorhoofden van de andere boomen onderscheiden. Dog die verhevenheid der voorhoofden zwelt en slinkt naar mate van haaren bepaalden aanwas of afgang. En wanneer de voorhoofden beginnen te zwelen, geeft de toevloeijende zinking, vermits de vogten van 't gezwel des voorhoofds tot op de oogen vallen, te kennen, dat de nagt aanstaande is.

Omtrent eenen dag reizens van dit Land, is gelegen het GewestMakrokanders gezegt der wakers: want mitsdien 'er de inwoonders nooit slapen, brengen zij hunnen leeftijd dóór in een gestadig waken. Zoo als ik de Stad inkwam, sprak ik eenen jongeling, die grooten haast maakte, aan; verzoekende hem zeer vriendelijk, dat hij van de goedheid wilde wezen, van mij eene goede herberg aan te wijzen; dog hij, zeggende veele bezigheden te hebben, vervolgde met dezelfde drift zijnen weg: En zoo groot was de haast, dien ieder een daar maakte, dat zij door de wijken en straaten der Stad niet scheenen te wandelen, maar te loopen, of, om beter te zeggen, te vliegen; even als of zij vreesden te laat te zullen komen. Hierom dagt ik dat 'er brand in de Stad of dat de Burgerij door 't een of 't ander onverwagt toeval verschrikt was, en dwaalde lang alleen, tot dat ik aan eene herberg kwam, welke ik gewaar wierd aan het uithangbord dat boven de deur hing. Hier zag ik deeze uitgaan, gene naar boven klimmen, andere, door al te grooten haast te maken, struikelen; invoegen ik bijna een kwartier-uurs in 't voorhuis moest blijven staan, eer ik binnen gelaten wierd. Terstond wierden mij oneindige en onnutte vragen voorgestelt. Dees vraagde mij waar ik van daan was, waar mijne reize naar toe lag, en hoe lang ik in die Stad stond te verblijven; gene of ik alleen, of aan de gemeene tafel wilde eeten; of ik in de roode, groene, witte of zwarte kamer mijn verblijf houden, en of ik een vertrek op de bovenste of onderste verdieping hebben wilde, en honderden van diergelijke grollen. Mijn huiswaard, die te gelijk Clerq van eene zekere laage Regtbank was, eerst zijnde gaan eeten, kwam straks daar na weerom, en verhaalde mij met eenen langen sleep van woorden, een Proces, dat tien jaren geduurt, en thans al voor de veertiende Regtbank hing: zeggende, dat hij hoopte, dat het zelve binnen twee jaren tijds zoude worden uitgesproken, vermits 'er nog maar twee hooger Regtbanken waren, waar na 'er geen hooger beroep meer plaats hadt. Niet weinig maakte mij zijn zeggen verwondert, en daar uit bleek het, dat dit volk zeer naarstig bezig is, in niets met allen uit teregten. Terwijl mijn huiswaard afwezig was, ontdekte ik, 't huis overal eens doorsnuffelende, een soort van eene Bibliotheek, die redelijk groot en wel voorzien was, ten aanzien van 't getal der boeken; dog geheel schraal, zoo men naar derzelver waarde te werk ging. Onder die zelve boeken, die alle net gebonden waren, vond ik deeze volgende.

1. Beschrijving der Hoofdkerk, in 24 deden.2. Belegering des Kasteels Pehunc, in 36 deelen.3. Van het gebruik des Kruids Slac, in 13 deelen.4. Lijkredenen over 't afsterven des Raadsheers Jackfi, in 12 deelen.

Mijn huiswaard wederom gekomen zijnde, deedt mij een verhaal van de gelegenheid der Stad, waar uit ik kon afnemen, dat 'er meer zaken verrigt worden, door de slapendeMikrokianen, dan door de altijd wakendeMakrokianen; aangezien de eerstgemelde tot in het pit en kern der zaken indringen, daar de laatste zig alleenlijk de schors en bast in de hand laten stoppen. De inwoonders deezes Landschaps zijn mede Cypressen-boomen, en in 't uiterlijk gelaat, uitgenomen de verhevenheid der voorhoofden, weinig van deMikrokianenverschillende. Zij hebben egter geen bloed nog sappen, gelijk als de andere bezielde boomen deezes Aardbols. Dog in plaats van bloed vloeit door hunne aderen een soort van verdikter vogt, dat den aart van kwikzilver heeft. Zelfs meenen eenige, dat het regt en onvervalscht kwikzilver is, nademaal het in de Weêrglazen het zelve gewrogt veroorzaakt.

Twee dagen reizens van dit Landschap, legt de RepublijkSiklok, welke in twee verbonden ligchamen van Staat, dog onder verschillende en zelfs tegenstrijdende wetten levende, verdeelt wordt. Het eerste wordt genaamtMiho, zijnde gestigt door zekerenMihaceertijds een vermaard Wetgever, dog die onder de Onderaardlingen voor eenen anderen Lycurgus gehouden wordt. Dees, zullende den Staat met goede wetten, vooral met die tegen 't maken van onnoodige kosten, onderschragen, heeft allen pragt en overdaad strengelijk beteugelt. Hierom zoude men dien Staat, om de ingetogenheid en spaarzaamheid aldaar, met regt het nieuweSpartemogen noemen. Dog ik verwonderde mij zeer, dat in eenen zeer-welgestelden Staat, en die trots was op zijne voortreffelijke wetten, zoo veele bedelaars wierden gevonden; want alwaar men zijne oogen sloeg, zag men eenen boom, vragende om eene aalmoesse, zoo dat men geen moeilijker weg voor eenen reiziger bedenken kan Den Staat deezer Republijk wat nader overwogen hebbende, ondervond ik, dat deeze ongelegenheden voortkwamen zelfs uit de spaarzaamheid der ingezetenen: want alle overdaad verboden zijnde, en de rijken zelve hunne natuur te kort doende, leidt het slegt volkje een lui, ledig en arm leven, wijl zij niets bij de hand hebben, om iets mede te winnen. Dit leerde mij dat de vasthoudendheid en spaarzaamheid in het burgerlijke leven het zelve uitwerken, 't geen de stilstand des bloeds in 't menschelijke ligchaam te weeg brengt.

In 't ander ligchaam van Staat,Lihogeheeten, wordt ruim en rijkelijk geleeft, en geen kosten ontzien. Hier van daan komt het, dat de Konsten en Wetenschappen daar allerwege bloeijende, zij tot den arbeid, waar door zij niet alleen de armoede verdrijven, maar zelfs de Burgerij rijk wordt, worden aangespoort. En zoo 'er al iemant gevonden mogt worden, die door armoede gedrukt wordt, mag hij zijn gebrek aan zijne eigen luiheid toeschrijven; aangezien 'er gelegenheid genoeg is om winst te doen. Dus bezielt de verkwisting der Grooten als den geheelen Staat, niet anders, dan gelijk de omloop des bloeds alle de leden des ligchaams versterkt, en frisch en gezond maakt. Aan die Landschap is het GewestLamagelegen, de zoo zeer vermaarde zetel der Geneesheeren. Daar wordt de Geneeskunde met zoo veel vlijt geoeffent, dat niemant een regtschapen Geneesheer geagt wordt, ten zij hij op de vermaarde Hoogeschoole teLamagelegen heeft. Daarom is de Stad zodanig vervult met Geneesheeren, dat men veel gemakkelijker eenen Geneesheer, dan een mensch kan vinden. De Apothekers-winkels, en de gene die Anatomische instrumenten verkoopen, beslaan 'er ook geheele straaten. Terwijl ik eens, niet veel te verrigten hebbende, eens wandelinge door de Stad ging doen, kwam mij een vrouw-boomtje tegen, dat mij de lijsten der overledenen van dat jaar te koop aanboodt. Ik zag niet zonder verbaasdheid, dat in het voorleden jaar honderd-en-vijftig boomen geboren waren; dog dat 'er wel zeshonderd waren gestorven. Om de waarheid te zeggen, ik kon 'er niet wel begrip van maken, dat 'er in de verblijfplaats van Apollo, jaarlijks, zulk eene slagtinge onder de Burgers voorviel: vervolgens vraagde ik eenen Boekverkooper, of 'er ook de eene of de andere ongewoone plaag of pest, het voorleden jaar de Stad aangegrepen en ontvolkt mogt hebben? Dog hij gaf mij ten antwoord, dat 'er twee jaren te voren nog vrij wat meer waren gestorven, en dat dit eene gewoonlijke proportie was tusschen de gene die sterven en geboren wierden: ja dat het getal der eersten doorgaans driemaal grooter was; nademaal de inwoonders van die Stad onderhevig waren aan geduurige ziekten, en die hun den dood verhaastten, zodanig, dat, ten ware 'er niet jaarlijks toevloed uit de aangrenzende gewesten kwam, de Stad eerlang ontvolkt zoude wezen. Dit deedt mij mijne reize verhaasten; het niet geraden agtende hier lang mij zelven op te houden: vooral, wijl de naam van Geneesheer, en het zien der Anatomische instrumenten, na 't gene mij in 't land der Philosophen was overgekomen, mij nog niet uit het geheugen was. Derhalven, uit dit Land vertrekkende, liet ik geen gras onder mijne voeten wassen, tot dat ik aan een gehugt, vier duizend treden daar van daan leggende, gekomen was, alwaar de inwoonders zonder Geneesheeren, en te gelijk zonder ziekten leeven.

Na eene reize van twee dagen, kwam ik in 't vrije Land. Daar is een iegelijk zijn eigen meester, en de inwoonders bestaan uit afzonderlijke huisgezinnen, die nog onder wetten, nog onder eenig gebied staan, behoudende egter een soort van Burgerstaat. Over zaken, 't Gemeenebest aangaande, hebben de oudsten toeverzigt, die altoos voor de vreede en eendragt zijn, gestadig aanradende dat voornaamste gebod der Natuur, te weten: dat gij niet wilt, dat u geschiede, doe dat aan een ander niet. Aan den ingang van alle Steden en Dorpen, stondt het uitgehouwen Beeld der Vrijheid; banden en boeijen met voeten tredende, met dit opschrift: GULDEN VRIJHEID. In de eerste Stad, daar ik binnen tradt, zag ik alles genoegzaam in stilte en rust; dog de burgers waren onderscheiden aan zekere gordels, welke kenteekenen en leuzen waren van de partijschappen, waar in de Stad toen ter tijd verdeelt was. De toegangen der voornaamste huizen waren bezet met gewapende Wagten, vermits de stilstand van wapenen geeindigt zijnde, 's anderendaags de oorlog wederom stondt te beginnen. Hierom koos ik, bevreest zijnde, het haazenpad, niet geloovende dat ik vrij was, alvorens ik mij zelven buiten 't gezigt van het vrije Land geborgen had.

Naast aan dit Land is 't LandschapJochtanagelegen, op welks beschrijving ik met schrik bevangen wierd, nademaal ik aldaar alles meer overhoop, onveilig en verwart oordeelde te zijn, dan in 't vrije Land; aangezien dit Gewest zoo veel als de vergadering en stinkkolk aller Godsdiensten was, en alle de leerstukken, die over deeze geheele Planeet verspreid waren, hier, als in hun middelpunt zijnde, openlijk geleert wierden. Mij derhalven te binnen brengende, hoe veele opschuddingen de verscheidenheid van Godsdiensten, in de meeste Staaten van Europa plegen te veroorzaken, durfde ik naauwlijks binnen de Hoofdstad vanJochtanatreeden, alwaar even zoo veele Tempelen van verscheide en tegenstrijdige gezindheden wierden gevonden, als oorden, wijken en straaten. Dog mijne vrees verdween wel haast, zoo dra ik zag, dat aldaar de grootste eendragt, en die door geen twist gestoort wierdt, op den throon zat. Men kon aldaar niet het minste onderscheid in den Burgerstaat bespeuren: alle waren zij eensgezint, alle vreedzaam en gerust, en iedereen aan zijn werk. Want vermits het onder halsstraffe verboden was, iemants Godsdienst te stooren, of dat de een den anderen, om de verscheidenheid der leerstukken, eenige moeilijkheid zoude aandoen; waren alle verschillen, zonder vijandelijkheden, alle zintwistingen, zonder krakkeel, en daar kon geen haat stand grijpen, daar geen vervolginge plaats hadt. Alleenlijk was 'er eene gestadige, schoon zedige, ijverzugt onder de verschillende; nademaal elke gezindheid haaren Godsdienst, door een heilig leven en gedrag, eenen luister poogde bij te zetten. Derhalven hadt de zorg der Overigheid te weeg gebragt, dat het verschil in de leere hier geen meerder beroerte verwekte, dan de verscheide kramen der kooplieden, of de winkels der handwerkslieden op de markten plegen te doen, alwaar alleen de deugdzaamheid der waaren, of de gemaakte dingen, de koopers tot zig trekken, zonder dat 'er bedrog, geweld, of afgunst bij komt, waar door het geschiedt, dat alle zaad van tweedragt, dat anders zoude kunnen opschieten, gesmoort wordt, en alleen eene eerlijke en voor 't Gemeenebest heilzame ijverzugt wordt aangekweekt. Hier uit blijkt het, dat de opschuddingen, die elders plegen in zwang te gaan, niet door verscheidenheid van Godsdienst, maar alleenlijk uit vervolgingen voortkomen. Zeker geleerdJochtanerheeft mij breeder de levenswijze deezes volks, den aart van deszelfs regeeringe, en de redenen van hunnen gerusten staat, in 't breede uitgelegt, en ik, zeer naarstig toeluisterende naar zijn verhaal, bewaarde dat in mijn geheugen. Ik sprak hem met mijne tegenwerpingen wel eenen geruimen tijd tegen, dog eindelijk wierd ik genoodzaakt het hem gewonnen te geven, wijl hij zijne stellingen met klaare proeven bewees; waarom ik ook, gelooven moetende, 't geen ik met mijne oogen zag, en niet kunnende halstarrig ontkennen, 't geen met 'er daad bewezen wierdt; erkende, dat vrijheid in 't stuk des geloofs, de eenige en waaragtige bronader van die rust en eendragt was. Maar mijnen tegenstreever aan eene andere zijde aanklampende, zeide ik, dat het der Wetgeveren pligt was, om in 't stigten van Gemeenebesten, meer agt te slaan op het toekomende, dan op het tegenwoordige, heil der menschen, en zoo zeer niet te zien naar het gene hen in die leven gelukkig maakt, als op het welbehagen des Scheppers; waar op hij mij in deezer voegen antwoordde: "Gij bedriegt u, Vreemdeling! zeide hij, zoo gij gelooft dat God, die de Fontein der waarheid is, met eenen geblanketten Godsdienst, of met huichelaarij gedient is. Wanneer onder andere Volkeren iedereen door hoog gezag genoodzaakt wordt, volgens een zeker bepaald rigtsnoer te gelooven, zien wij dat 'er eene deur geopent wordt voor de onwetenheid, of voor de geveinsdheid; nademaal niemant de waare gevoelens van zijn hart wil of durft te kennen geeven; maar de meeste anders met den mond belijden, en anders in hun hart gelooven. Daar komt het vandaan, dat 'er zig zoo weinige in de Godgeleerdheid oeffenen, en zoo weinig werks gemaakt wordt van de waarheid te ontdekken: ja daar door komt het, dat 'er aan andere Weetenschappen meer tijd besteed wordt, vermits zelfs de Geestelijken, vreezende met den schandelijken naam van Ketter gebrandmerkt te worden, zig onthouden van stichtlijke overwegingen, en tot andere letter-oeffeningen, in welke zij met minder gevaar zig oeffenen kunnen, en welke de vrijheid niet zoo zeer in boeijen klinken, overgaan. De gene die van eenige leere, welke de teugels der Regeering in handen heeft, afwijken, worden doorgaans veroordeelt. Dog God is verre van huichelaars en veinzers; en eene dwalende opregtigheid is hem aangenamer, dan de geveinsde belijdenisse des waren geloofs." Naauwlijks had ik dit geleert, of ik hield den mond toe, niet bestaan durvende te zintwisten met een volk dat daar in zoo zeer bedreven was.

Ik had bijna eenen tijd van twee maanden met deeze reize doorgebragt, wanneer ik eindelijk teTumbackwam, zijnde een Gewest grenzende aan het PrinsdomPotu, en 't welk ik als mijn Vaderland aanzag, toen ik zag dat ik die moeilijke reize nu bijna afgelegt had. De inwoonders deezes Landschaps zijn voor 't meerdergedeelte wilde Olijf-boomen, en eene Natie, zoo Godsdienstig als streng. In de eerste herberg daar ik binnen trad, was ik genoodzaakt bijna twee uuren te blijven staan, zonder mij te kunnen ontnugteren, wagtende op het ontbijt, waarom ik dikmaals te vergeefsch verzogt had. De ontijdige Godsdienstigheid van mijnen huiswaard, was de oorzaak van dat vertoef, vermits hij geen hand aan 't werk begeerde te slaan, eer hij zijn morgengebed voleindigt hadt. Na dat hij zig dan van zijnen gewoonlijken Godvrugts-pligt hadt gekweten,

Zoo komt hij eindlijk, bleek van boosheid binnen treden,En biedt mij brood aan, daar ik lang om had gebeden,Niet zonder knorren: daar benevens discht hij op,Aan mij ellendigen, een stinkend koolen-sop.

Dog dit ontbijt stondt mij duur, en ik kan betuigen, dat ik nooit schijnheiliger en teffens onbermhartiger waard ontmoet heb; waarom ik bij mij zelven zeide, dat het beter was, wat minder te bidden, en wat meer Godvrugtige werken te betrachten. Ik ontveinsde egter mijn hartzeer, wetende dat het gevaarlijk is den fijnen te tergen. Zoo veele burgers als 'er in deeze Stad waren, zoo veele strenge Catoos, tugtmeesters der zeden, waren 'er ook. Zij gaan alle door de Stad, met hangenden hoofde, en neergebogen takken, hebbende het geduurig geladen op de ijdelheid der waereld, en veroordeelende zelfs geoorloofde vermaken; want zij berispen alles ten strengsten, zelfs tot gebaarden en lachen toe, en trachten door geduurige berispingen, en de lieden blaauwbloemtjes op den mouw te spellen, den naam van heiligen te verkrijgen. En wanneer ik, vermoeit en afgemat zijnde, door zoo veele ongemakken, door 't een of 't ander spel, daar niets in stak, mijne geesten wat zogt op te scherpen; wierd ik daar om over den hekel gehaalt, zodanig, dat elk huis mij een strengen Biegt-stoel scheen te zijn, waar voor men genoodzaakt wierdt belijdenis zijner zonden te doen. Maar ik scheide 'er af met mij verder uit te laten over 't karakter dezes volks; en zal alleen één voorbeeld bijbrengen, 't geen den inborst derTumbackersnaar 't leven uitdrukt, en waar uit men 't overige gemakkelijk zal kunnen afnemen. Zeker wilde Olijf-boom, die eertijds, toen wij beide inPotuwaren, mij een zeer goed vriend was, zag mij bij geval voorbij eene herberge gaan, en verzogt mij daar binnen te treden. En nademaal hij gehoort hadt, dat ik somtijds wel eens uit de borst konde vrolijk zijn, begon hij mijn leven en bedrijf zoo dapper over den hekel te haalen, dat mij de hairen te berge reezen, en alle de leden begonnen te schudden. Dog terwijl onze Cato in diervoegen afgaf, dronken wij 'er al een steevig glaasje onder, tot dat wij eindelijk beide vol en zoet op den grond vielen, en, door de gene die daar op aan kwamen, half dood naar huis gebragt wierden. Na dat de dronk uitgeslapen, en ik wakker geworden zijnde, weder tot mij zelf gekomen was, liet ik mijne gedagten ernstiglijk gaan over deezen Godsdienst, wanneer het mij klaar bleek, dat de ijver deezer Natie eer uit zwarte gal en bedorven sappen, dan uit beweeging van Godvrugtigheid voortvloeide. Egter zeide ik aan niemant mijne gedagten, maar pakte mij kort naderhand stillekens weg.

Na eene tusschenpoozing van twee maanden, kwam ik eindelijk t'huis, zeer vermoeit; want mijne beenen, door 't gestadig te voet reizen verzwakt, konden naauwlijks mijn ligchaam ophouden. Tredende binnen de StadPotu,den tienden der Eikemaand, bood ik mijn dagregister terstond den Vorst op het nederigst aan; en zijne Doorlugtigheid beval hetzelve terstond te doen drukken, (want men moet weten, dat de Druk-konst, waarvan die van Europa en de Indianen zeggen de uitvinders te zijn, hier veel eer bekend geweest is). Mijne reis-beschrijving was zodanig in den smaak derPotuaners, dat zij zig niet verzadigen konden in dezelve te leezen. Daar liepen door alle oorden en wijken der Stad, hoorntjes, met deeze dagregisters, roepende: REISBESCHRIJVINC VAN DEN HOFPOSTLOOPER SCABBA, RONDOM DE GEHEELE WAERELD. Ik, moedig op dien uitslag, begon naar grooter zaken te staan, belovende mij zelf 't een of 't ander ampt van aangelegenheid. Maar toen ik zag, dat ik in mijne hoop bedrogen was, deed ik een nieuw verzoek aan den Vorst, waar in ik, mijne verrigtingen zeer hoog verheffende, de schuldige vergelding voor mijne verdiensten afsmeekte. De Vorst, gelijk hij opregt en goeddoende was, wierdt bewogen door mijne smeekingen, en zeide mij op eene gunstige wijze, dat hij zorg voor mij zoude dragen: hij hieldt ook zijn woord wel; dog die geheele gunstbewijzing kwam uit op eene vermeerdering mijner jaarwedde. Ik had, om de waarheid te zeggen, eene gantsch andere belooninge voor mijne verrigtingen verwagt. Waarom ik met die gunst geen genoegen konde neemen. Dog vermits ik den Vorst met geduurige verzoeken het hoofd niet kon breken, gaf ik aan den Groot-cancelier het verdriet, dat mij op 't harte lag, te kennen. Die verstandige man nam mijne klagten op met zijne gewoonlijke beleeftheid, belovende mij te zullen behulpzaam zijn, vermanende mij egter te gelijk, dat ik zoude afstaan van zulken ongerijmden eisch, en mij bevelende mijne eigene kragten te kennen, en op de geringheid van mijn oordeel agt te slaan. "De Natuur, zeide hij, is u eene stiefmoeder geweest, en gij hebt geen begaaftheden, waar door u de weg tot Staatsbedieningen van belang geopent moge worden. Gij moet niet naloopen 't geen gij nooit bekomen kunt, of, den aart van andere willende navolgen, uwen eigenen vergeten. Wijders zeide hij, indien gij, 't geen gij dwaaslijk eischt, al eens mogt bekomen, zoo zoude 'er de Vorst om gelastert, en de Wetten door verkragt worden. Zijt dan te vreden met uw Lot, en werpt de hoop van u, daar uwe Natuur tegen strijdt." Hij erkende wel mijne verdiensten en prees mijne verrigtingen, die ik in de laatste reize gedaan had; dog hij zeide, dat ze niet zodanig waren, dat ze mij den weg konden baanen tot bedieningen van Staat; want zoo om iedere verrigtinge, om elke verdienste, men zoude moeten worden bevordert tot de hoogde eerampten, zoo zoude een ieder werkman, een Schilder of Beeldhouwer om zijne snedigheid in een stuk Schilderij te maken, of Beeld uit te houwen, eens Raadsheers bedieninge, als eenen prijs en belooninge hem toekomende, vorderen kunnen; dat de verdiensten wel konden beloont worden, dog dat welgepaste belooningen moesten gegeven worden aan de gene die ze verdient hadden, op dat het Gemeenebest geen schade leede, of aan bespottinge wierde bloot gestelt. Door deeze vermaningen overtuigt zijnde, hield ik mij wederom eenigen tijd stil. Dog vermits het mij al te hard en bitter voorkwam, in zulk gering beroep oud en grijs te worden, hernam ik dat wanhopig voornemen, waarvan ik al had afgezien: namentlijk ik lei mij toe om eenige verbetering in den burgerstaat te maken, op dat ik, door eene nieuwe uitvindinge, dienst aan 't Gemeen, en mij zelf voordeel zoude toebrengen.

Even voor mijne laatste reize, had ik mijne gedagten naauwkeurig laten gaan over den Staat deezes Vorstendoms, om te zien of ik eenige gebreken, die daar wel 't meest in zwang gingen, konde ontdekken, en teffens de hulpmiddelen daar tegen uitvinden. Uit den Staat der ProvincieCocleku, was ik ontwaar geworden, dat een Staat naar zijnen ondergang helde, wanneer aldaar vrouwen tot Staatsbedieningen wierden toegelaten: aangezien dezelve, uit den aart heerschzugtig zijnde, haare magt en gezag onbepaalt trachten te maken, en nooit rusten, alvorens zij een volstrekte en onbepaalde magt verkregen hebben. Hierom besloot ik voor te stellen, dat 'er eene Wet gemaakt mogte worden, om de wijven uit te sluiten van alle bedieningen van Staat, hopende dat ik 'er niet weinige zoude krijgen, die mij zouden toevallen, vermits ik de zaak klaar aantoonen, en in hoe grooten gevaar het man-volk konde worden ingewikkelt, ten ware de magt van het vrouw-volk bij tijds ontzenuwt wierde, mij niet zwaar zoude vallen iedereen voor oogen te stellen. En bijaldien eene geheele afschaffing deezer gewoonte aan eenige, wat te hachelijk mogte voorkomen, stond ik te beweeren, dat de magt der wijven ten minsten beteugelt, en meer bepaalt moest worden. Het aanraden deezer Wet hadt driederlei oogmerken, 1. Ik zoude 'er door schijnen te willen genezen een gebrek, waar aan 't Gemeenebest onderhevig was. 2. Door eene edelmoedige en verstandige uitvindinge een proefstuk van mijn oordeel en vernuft gevende, stond ik mijnen staat wat te verbeteren. 3. Ik zoude mij wreken over 't ongelijk, dat mij van de vrouwen was aangedaan, en den smaad, mij menigmaalen door dezelve aangewreven, uitwisschen; want ik wil gaarne bekennen, dat eige voordeel of wraaklust de voornaamste beweegredenen van deeze raadgevinge waren. Ik wist egter mijn voornemen fijntjes te ontveinzen, op dat ik, onder den dekmantel van 't algemeen nut, niet moge schijnen alleen mijn eigen voordeel te bevorderen, en andere uitvinders op het spoor te volgen, wier raadgevingen dikwils breed opgeven van het algemeen nut, schoon het, wanneer dezelve met een naauwkeurig oog beschouwd worden, terstond blijkt, dat eige voordeel de voornaamste beweegreden is, die hen daar toe aanzet.

Die raadgevingen dan, zoo fraai als ik kon opgestelt, en met de doordringende redenen bekragtigt hebbende, bood ik op het nederigste den Vorst aan. Hij, mij altijd eene bijzondere gunste hebbende toegedragen, stondt verbaast over zulk een stout en roekeloos voornemen, voorspellende daar uit mijnen ondergang en verderf; waarom hij mij door bidden en smeeken van die poogingen trachtte te doen afzien, voegende, op eene Vorstelijke wijze, dreigementen bij zijne gebeden. Dog ik, steunende niet minder op de nuttigheid mijner uitvindinge, dan op de gunst van het geheele man-geslagt, welk ik vertrouwde de hand te zullen houden aan eene zaak die hen alle aanging; bleef onwankelbaar bij mijn voornemen: invoegen mijne hardnekkigheid door geen vermaningen kon bewogen worden. Om deeze reden dan wierd ik, volgens gebruik, met den strop om den hals naar de markt gebragt, om aldaar het besluit van den Raad af te wagten. De Raad vergadert en de stemmen opgenomen zijnde, wierdt het vonnis aan den Vorst gezonden, om dat te bekragtigen, en, van denzelven te rug gezonden zijnde, door den uitroeper, met de volgende woorden afgekondigt.

"Na rijpe overweginge oordeelen wij dat de wet door D. Scabba, voormaamsten Postlooper van 't Hof, voorgestelt, ten einde om de Vrouwen van alle Staatsbedieningen uit te sluiten, niet door den beugel kan, ten zij met het uiterste nadeel des Gemeenenbests, nademaal de helft der Natie, uit de vrouwelijke Sexe bestaande, deeze inbreuk zeer hoog zoude opnemen, en ten dien opzigte den Staat lastig vallen en vijandig zoude worden. Wijders meenen wij, dat het de onbillijkheid zelve is, de braave Vrouwenboomen van de eerampten, welke zij zig waardig maken, geheel en al uit te sluiten: vooral, vermits het zeker is, dat dezelve door de Natuur, die niets roekeloos doet, niet tevergeefsch met zoo veele uitnemende gemoeds-gaven versiert zijn. Ook gelooven wij dat de welvaart van den Staat vereischt, dat men in 't bevorderen tot eerampten meer agt slaâ op de verstanden zelve, dan op den naam. En aangezien het Land meenigmaalen gebrek heeft aan kloekmoedige boomen, vinden wij dat het dwaasheid zoude zijn, door een eenig Placcaat of Raadsbesluit, de gantsche helft des Gemeenenbests, enkel en alleen om 't lot der geboorte, tot de bedieningen onbekwaam en onwaardig te verklaren. Al waaromme wij, de zaak ernstig en rijpelijk overwogen hebbende, den voornoemden Scabba, om zijne dwaaze en roekelooze raadgevingen, oordeelen strafbaar te zijn, naar ouder gewoonte."

Boven mate trof dit geval den Vorst; dog mits hij nooit gewoon was een Raadsbesluit te niet te doen, onderteekende hij het vonnis met eigen hand; bekragtigde het met zijn gewoon zegel, en gaf bevel dat af te kondigen; alleenlijk daarbij voegende deeze bepaling: dat aangezien ik een vreemdeling was, gebooren in eene nieuwe en onbekende Waereld, alwaar een vlug verstand onder de zielsbegaaftheden gerekent wordt, ik uit dien hoofde de halsstraffe konde ontgaan. Dog op dat door kwijtscheldinge van straffe, de wetten niet kragteloos mogten worden gemaakt, zoude men mij in 't gevangenhuis bewaren, tot het ingaan der Berkenboommaand, en als dan, te gelijk met alle andere overtreders der wetten, naar 't Firmament verzenden.

Het vonnis afgekondigt zijnde, wierd ik in hegtenisse gebragt. Eenige mijner goede vrienden raadden mij toen aan, dat ik tegen dit vonnis zoude protesteeren, nademaal 'er onder mijne Regters zoo veele getrouwde Vrouwen en jonge Dogters waren geweest, die in haare eigene zaak Regters geweest waren. Dog anderen kwam het veiliger vóór, dat ik schuld bekende, en dat ik de daad, als begaan uit eene dwaasheid die aangeboren en met mijn Geslagt gemeen was, verontschuldigde. Dog dien raad wees ik standvastig van de hand: en zulks ten aanzien van de Opper-aardlingen, welker agtinge door zodanige bekentenisse geen geringe vlek zoude worden aangewreven.

Kort daar na verstond ik dat de Vorst besloten hadt mij van alle straffe te ontheffen, had ik slegts eenvoudiglijk zijne gunst, en kwijtschelding der misdaad verzogt, hoe zeer ookRabagna, die het ampt van Thesaurier bekleedde, hemel en aarde bewoog, dat ik niet op vrije voeten mogte worden gestelt. Maar, om de waarheid te zeggen, ik nam dat vonnis niet kwalijk. Want de bediening die ik bekleedde, was mij bitterer dan de dood, en het smertte mij langer met deeze boomen, die gezwollen waren van al te grooten hoogmoed, om te gaan. Ook hoopte ik op beter lot in 't Firmament, alwaar ik verdaan had, dat alle vreemdelingen, zonder onderscheid, gunstiglijk wierden ontvangen.


Back to IndexNext