TIENDE HOOFDSTUK.

[1]Publicus Civitatis Physicus.

[1]Publicus Civitatis Physicus.

[2]Logicos.

[2]Logicos.

[3]Polybistoros.

[3]Polybistoros.

Tot hier toe heb ik geen woord gesproken van die verbazende verbanning naar 't Firmament; waarom ik hier, als zijnde de bekwaamste plaatze, een afbeeldzel van die reize zal geven. Zeker slag van vogels, van eene ongewoone grootte, zijn gewoon alle jaar zig hier te vertoonen: zij wordenCupacof Postvogels genoemt, die op gezette tijden komen en wederom vertrekken. Met het naspeuren der oorzaaken van deeze gezette komst en vertrek, hebben do Onderaardsche Natuurkundigen lang hun hoofd gebroken. Eenige zijn van gedagten, dat die vogels, derwaards gelokt door eenige bloedelooze diertjes, of door zekere groote vliegen, waar van 'er op deezen tijd des jaars eene groote menigte te zien is, en waar naar dezelve zeer begeerig zijn, op deeze Planeet nederdalen; en ik heb niets tegen dat gevoelen. Zij meenen dat de zaak hierom te klaarder is; nademaal die vliegen verdwijnende, ook die vogels weder terstond te rug vliegen naar 't Firmament. Dat dit door zeker ingeven der Natuur kan geschieden, blijkt uit het voorbeeld van andere vogels, welke op gezette tijden in zekere Landen, buiten twijfel om dezelve redenen, zig vertoonen. Andere willen, dat deeze vogels van de inwoonders des Firmaments zodanig onderwezen en geoeffent zijn, dat zij van dezelve konnen worden uitgelaten even als Valken, of Jagt-vogels, om een roof van elders over te brengen. Deeze stelling is gegrond op die groote zorg en snedigheid, welke zij vertoonen, na dat zij die reis afgelegt hebben, wanneer zij hunnen buit, of de gene welke zij overgebragt hebben, ter nederzetten. Ook doen deeze vogels uit andere omstandigheden blijken, of dat zij voorbedagtelijk daar op geleert, of met reden begaafd zijn; want wanneer de tijd dat zij vertrekken, aanstaande is, worden zij zoo mak en tam, dat zij zig netten of strikken laten aandoen, waar onder zij eenige dagen lang stil en gerust blijven leggen; en in dien tusschen-tijd van de inwoonders als met de hand gevoed worden met bloedelooze diertjes, waar van men 'er ten dien einde eene groote menigte verzamelt heeft: En met dat aas moet men ze daar houden, tot dat al het noodwendige voor de op reis gaande ballingen vervaardigt is. De toestel van dat vertrek pleeg aldus gemaakt te worden: Een klein hutje of kistje wordt aan de strikken, waar aan de vogels leggen, met touwen vastgemaakt. In ieder hutje kan niet meer dan een boom of mensch te gelijk zijn. Wanneer nu de tijd van hun vertrek aanstaande, en het aas der bloedelooze diertjes, waar mede de vogels gespijst worden, op is, vliegen de vogels op, en neemen de terugreis aan, door de lugt. Zodanig was deeze wonderlijke overvoering, welke ik met de andere gevangenen naar de nieuwe Waereld moest ondergaan. Toen ter tijd stonden met mij reisvaardig twee Burgers van welke om andere misdaden in ballingschap waren verwezen. Een van die was een Overnatuurkundige, die de Wet hadt overtreden, door te disputeeren over het Wezen Gods, en over de Natuur der Geesten. Die stoutheid hadt hij met de aderlating moeten boeten, en wanneer hij kort daarna bevonden werd in zijn voornemen voort te varen, werd hij tot ballingschap naar 't Firmament verwezen. De ander was een Geestdrijver, die twijfelingen omtrent den Godsdienst en 't regt van heerschappij in den Burgerstaat maakende, de gronden van beide scheen te ondermijnen. Dees wilde aan de Wetten van den Staat niet gehoorzamen, voorwendende dat alle Burgerlijke onderwerping tegen zijn gemoed streedt. Zijne Vrienden ondernamen om hem met de bondigste bewijzen deeze kregelheid uit den kop te krijgen, doende hem zien, aan hoe veele bespottingen die gemoeds-voorschriften en ingebeelde inblazingen onderhevig waren; zeggende menigmalen, dat de ijver, conscientie, of inblazinge met zwaarmoedigheid of bedorven ligchaams-vogten vermengd wierden; en toonden wijders aan, hoe dwaas het is zig te beroepen op het aanporren der conscientie, en hoe onbillijk het is te beweeren, dat de bewegingen zijns gemoeds het rigtsnoer zouden zijn van eens anders geloof, die zig van dezelve bewijsrede bedienen, en de eene conscientie tegen de andere kan zetten. Eindelijk vertoonden zij hem, dat niemant die deeze beginselen halstarriglijk vasthieldt, bezwagtelende zijne koppigheid mee den dekmantel der conscientie, in den Burgerstaat geduld konde worden; aangezien de pligt van een goed ingezeten vereischt, dat hij de Wetten van den Staat blindelings gehoorzame; en dat een Geestdrijver zodanige onderdanigheid nog wil nog kan bewijzen, nademaal in 't burgerlijke het voorschrift zijner conscientie zijn eenige rigtsnoer is. Dog, aangezien beweegredenen of bewijzen op de Geestdrijvers weinig vat hebben, wierdt hij als hardnekkig en onverbeterlijk gebannen, en naar het Firmament verwezen. Wij waren dan ter dezer tijd met ons drieën, die deeze reize stonden te doen, namenlijk een Uitvinder van Nieuwigheden, een Over-natuurkundige, en een Geestdrijver.

Omtrent het einde der Berkenboommaand, wierden wij elk uit het Gevangenhuis naar eene bijzondere plaats gebragt. Wat mijne makkers naderhand overgekomen is, is mij onbekend: want voor mij zelf alleen zorgende, moeide ik mij nergens anders mede. Ter bestemder plaats gebragt zijnde, wierd ik terstond in 't kistje of hutje gesteken, en met spijze, zoo veel voor eenige dagen genoeg was, voorzien. Niet lang daar na, wanneer de vogels gewaar wierden dat men hen geen aas meer aanbragt, even als of zij voelden dat het tijd van vertrekken was, verlieten zij dien Aardbol, klievende de lugt met eene ongelooflijke snelheid. Men gelooft gemeenlijk onder de Onderaardlingen, dat de afstand van de PlaneetNazaromtrent honderd mijlen van 't Firmament is. Dog in hoe veel tijds ik die reize afgelegt hebbe, kan ik niet wel zeggen; maar wel dat mij dunkt met deeze hemelsche schipvaart vier-en-twintig uuren onder weg geweest te zijn. Na een langwijlig stilzwijgen kwam mij eindelijk een verward geroep ter ooren, waar uit ik gissinge maakte niet ver van land af te zijn. Toen bleek het mij, dat deeze vogels wel degelijk met voordagt hier op geleert en geoeffent waren, want zij zetteden zoo konstiglijk en zoo zorgvuldiglijk het hutje op den grond neer, dat 'er niets aan beschadigt wierdt; Terstond wierd ik omringt door een groot getal van Aapen, op welker gezigt ik met geen geringe vrees bevangen wierd, nademaal ik dp de PlaneetNazarvan die dieren magtig gekwelt was geweest. Mijn opgevatte schrik vermeerderde, wanneer ik deeze Aapen met malkanderen hoorde praten, en wanneer ik zag dat zij kleederen van verscheide kleuren aan hadden, en met geregelde stappen voortgingen. Toen giste ik dat zij de bewoonders deezes Lands waren. Dog vermits mij in dat mengelmoes van zeldzaamheden, waar aan ik al zedert eenen geruimen tijd was gewoon geworden, niets nieuw of ongewoon meer kon schijnen, schepte ik weder moed, vooral toen ik zag, dat die Aapen mee eene wonderlijke gemaniertheid nader kwamen, en mij, hunnen nieuwen gast, op eene beleefde wijze, uit het hutje haalden: want naauwlijks wordt in onze geheele Waereld een Ambassadeur met meer statie ingehaalt. Elk op, zijnen rang naar mij toe komende, sprak mij aldus aan:Pul Asfer. Na dat zij deeze welkomst dikwils herhaalt hadden, en ik eindelijk die woorden hen had nagezegt, begonnen zij uittermate te lachen, en gaven met koddige gebaarden te kennen, dat zij veel vermaak schepten in die woorden te hooren nazeggen. Aanstonds bemerkte ik dat deeze inwoonders ligtveerdig, liefhebbers van nieuwigheden, en groote snappers waren. Als zij, spraken zou men gezworen hebben dat de trommel geroert wierdt, met zulk eene labberheid en vlugheid bragten zij de woorden als in eenen adem uit. Om kort te zijn, zij waren in opschik, manieren, spraak, en ligchaams-gedaante geheel en al verscheiden van dePotuanen. Op 't eerste gezigt van, mijne gestalte, scheenen zij gantsch verbaasd, en de voornaamste reden daar van was, dat ik geen staart had: want gelijk 'er onder alle schepzelen geen beesten zijn, die meer de figuur van een mensch verbeelden dan de Aapen, zoo zouden zij mij, had ik anders eenen staart gehad, voor een dier van hun geslagt gegroet hebben: vooral, vermits zij alle de gene die tot nog toe uit de PlaneetNazarherwaards overgevoert waren, zig zeer ongelijk hadden bevonden. Ter zelver tijd toen ik in dat Land kwam, was de Zee overal onstuimig, om de nabijheid der PlaneetNazar: want even gelijk bij ons de vloed der Zee overeenkomt met den loop der Maan, zoo vloeit en ebt ook de Zee van dit Firmament te gelijk met dezelve, als zijnde in denzelven zwaai-kring met de PlaneetNazar.

Terstond wierd ik haar een groot huis gebragt, dat met pylaren, vensters, marmer, kostelijken huisraad en tapitzeryen zeer fraai opgepronkt was. Aan de deur stonden wagters, waar uit ik besloot dat dit geen huis was van eenen gemeenen Aap. Hij zelf, verlangende om met mij te spreken, huurde eenige meesters, die mij in de taal zouden onderwijzen. Omtrent drie maanden wierden met dit onderwijs doorgebragt, welke verstreken zijnde, ik, vermits ik redelijk prompt spreken kon, geloofde, dat ik om de vlugheid mijns geests, en snedige memorie, de verwondering van alle verdient had. Dog mijne meesters hielden mij voor eenen domkop en plomp-aard, zoo, dat zij telkens van hunnen discipel dreigden af te zien. Hierom, gelijk ik op de PlaneetNazarom de vlugheid mijns verstands, al spottendeScabbaof den gaauwert was genoemt geweest, zoo gaven mij deeze Aapen, om mijne domheid, den naam vanKakidoran, dat is gezegt plomp-aard of traag-aard. Want deeze alleen worden daar geagt, die eene zaak vaardig begrijpen, bezwagtzelen in den zin, verdraaijingen in de woorden, en streeken in 't spreeken gebruiken. Terwijl ik in de Aapen-taal onderwezen wierd, bragt mijn huiswaard mij dikwils door de Stad, welke ik zag dat in allerlei soort van weelde en pragt verdronken lag: want door het groot getal van wagens, koetzen, lakeijen en de menigte des volks, dat van alle kanten toevloeide, en ginds en herwaards liep, gedrongen en gefloten wordende; wierden wij genoodzaakt met geweld opening te maken, en ons den weg te baanen. Dog dat kwam in geen vergelijking bij de pragt in de hoofdstad, alwaar men als in zijn middelpunt bijeen gebragt zag al wat de menschelijke verwaandheid bedenken kan. Toen ik de taal verstond, geleidde mij mijn huiswaard naar de hoofdstad, als hoopende door deeze nieuwe en ongewoone gifte, ligtelijk de gunst van een zeker Raadsheer te zullen verkrijgen: want men heeft hier eene Volks-regeering, invoegen dat het hoogste gezag in de Republyk bij den Grooten Raad berust, en dat alle de Raadsheeren van 't geslagt der Patricen zijn: want die uit het volk zijn, kunnen niet hoopen verder dan tot een hopman, of tot een bevelhebber in de Provinciën of mindere steden aangestelt te worden. Somtijds worden zij nog wel tot Burgemeesters aangestelt; dog deeze bevordering pleeg niet te geschieden, dan na voorgaande verdiensten. En uit dien hoofde was mijn huiswaard Burgemeester geweest; want die had zulken snedigen vernuft, dat hij binnen den tijd van eene maand, agt-en-twintig nieuwe Wetten of Placcaaten (Projecten) hadt uitgevonden. En schoon deeze nieuwigheden, welke hij uitgevonden hadt, zodanig waren, dat zij met het algemeene welzijn niet hadden konnen bestaan; waren 't egter proefstukken van een vrugtbaar verstand, waar door hij zig agtinge hadt verkregen; want in de geheele Onderaardsche waereld zijn de uitvinders van nieuwigheden nergens zoo gezien, als in deeze Republyk. De hoofdstad deezer Republyk wordt genaamtMartinia, waarvan ook het gantsche Landschap den naam gekregen heeft. De Stad is zeer wel gelegen en zeer vermaart door treffelijke gebouwen, kennisse in de Zeevaart, en 't uitrusten van Oorlogschepen. Ik geloof niet dat dezelve in grootte en in 't getal haarer inwoonderen voorParijsbehoeft te wijken zijnde de straaten aldaar zodanig opgepropt met volk, dat wij met vuisten en stokken ons eenen weg moesten maken, om ter plaatse te geraken, daar de Vice-President van den Grooten Raad woonde: want dit was de man aan welken mijn huiswaard mij tot eene vereering dagt te geven.

Wanneer wij digt bij des Vice-Presidents huis waren gekomen, tradt mijn huiswaard in eene herberg, om aldaar zijne kleederen wat in orde te schikken, vermits hij wel en zindelijk gekleed bij den Vice-President voor den dag wil de komen. Terstond kwamen met geheele troepen eenige huurlingen toeschieten, gemeenlijkMaskattiof opschikkers geheeten, welke iedereen gewoon is te gebruiken, alvorens hij het Paleis van een Raadsheer ingaat. Deeze borstelen de kleederen, doen 'er de vlakken uit, en herstellen met een wonderbaarlijke zorg en handigheid al wat 'er aan ontbreekt, zelfs tot de allerminste vouwtjes toe. Een deezerMaskattides Burgemeesters degen genomen hebbende, maakte dien schoon en polijstte hem. Een ander bondt hem eenen bos linten van allerlei kleuren op den staart: want niets is 'er daar deeze Aapen zoo zeer mede vermaakt zijn dan met den opschik haarer staarten. Daar waren Raadsheeren en vooral Raadsheers vrouwen, welker staarten op Heilige dagen naauwlijks met de onkosten van duizend daalders, onzer munte, naar behooren konden opgeschikt worden. De derde deezerMaskattiof opschikkers kwam met een instrument van de Landmeetkunde, waar mede hij de kleederen mat, om te zien of alles naar behooren en evenredig geschikt was. Een vierde kwam gelopen met een flesje blanketzel, waar mede hij hem 't aangezicht; opsierde. Een vijfde sloeg naauwkeurig agt op de voeten, nemende met eene uitstekende gaauwigheid het vuilnis van tusschen de teenen en nagelen weg. Een zesde bragt riekend water, aan, waar mede hij de handen en voeten des Burgemeesters besproeide. Kortom, dees, boodt eenen scheerdoek aan om te scheeren, die eene kam om te krullen, een ander eenen spiegel voor 't gezigt, en dit alles wierdt met geen minder zorg en vlijt verrigt, dan de Landmeeters bij ons de Landkaarten gewoon zijn, na te zien en te verbeteren. Dit deedt mij in mij zelven zeggen: "Wat tijd en kosten zal de opschik der vrouwen niet vereischen, daar 'er met het versieren, oppoetzen, blanketten, en kammen van 't man-volk, zoo veel werks gemaakt wordt!" En zeker deMartiniaanscheVrouwen gaan alle paalen te buiten, en weeten zodanig de gebreken aan haare ligchamen door bedrog te bedekken, dat zij door al te groote nettigheid vuil zijn. Want wanneer zig het zweet met de welriekende zalven komt te vermengen, rieken zij terstond daar naar, even als wanneer een kok allerhande sop onder een giet. Waar zij naar rieken weet men niet: die alleen weet men, dat men ondervindt dat ze zeer kwalijk rieken.

Mijn huiswaard dan aldus geschooren, geschildert, gehult, en glad gemaakt, stapte naar het Paleis van den Vice-President, alleen verzelt van drie knegts. Zoo dra hij in 't voorhuis kwam, trok hij zijne schoenen uit, om den marmeren vloer niet beslijkt of bestoven te maken. Hier moest hij bijna een geheel uur lang blijven staan, eer men den Vice-President van zijne komste konde verwittigen: ook wierdt hij niet binnen gelaten, dan na dat 'er eenige kleinigheden, waarmede men in dit Land gewoon is de gunst der deurwagters te koopen, waren voorafgegaan. De Vice-President, zittende op een verheven verguld gestoelte, hadt mij met mijnen huiswaard niet zoo dra zien binnen komen, of hij barstte uit in overmatig lachen, en deedt mij terstond veele gekke en ijdele vragen,

Zoodanig dat mij 't zweet afguste langs de beenenWaar van een gantsche plas lei op de marmer-steenen.

En op ieder antwoord

Berst hij, al bevende, gestaag in lachen uit,Dat de omgekrulde neus hem tegen 't voorhoofd stuit.

Ik dagt dat zig aan te stellen als een tooneelspeeler, hier order de deugden gerekent wierdt, vermits de Republyk eenen man, die zulk een potzenmaker was, tot Vice-President, dat is eenen die de tweede plaats in den Raad bekleedt, hadt aangestelt; en ik zei mijne gedagten daar over terstond aan mijner huiswaard. Dog die betuigde mij, dat het een man was ten uitersten aanzienlijk door de gaven zijns Geests. Want hoe groot zijne schranderheid was, bleek uit het groot getal van allerlei zaken, welke hij, zelfs in zijne aankomende jeugd, hadt uitgevoert; aangezien hij van zulken snedigen begrip was, dat hij, al was 't onder een glaasje, zaken van 't uiterste gewigt konde verrigten: ja zelfs onder 't avond- of middagmaal, tusschen elk geregt, eene Ordonnantie of een Placcaat konde schrijven. Hier op vraagde ik van hoe langen duur die Placcaaten plegen te zijn, die zoo ter loops beslagen waren? Waarop mij geantwoord wierdt, dat ze gemeenlijk zoo lang duurden, totdat het den Raad behaagde dezelve te niete te doen, of af te schaffen.

Na dat de Vice-President een half uur lang met mij gepraat, en met dezelve snapagtigheid, als onze Europische baardscheerders, veele woorden den hals gebroken hadt; keerde hij zig naar mijnen huiswaard, tegen hem zeggende, dat hij mij onder zijne dienaars aannam, schoon hij bespeurde uit de traagheid van mijnen geest, dat ik

In een verdikte lugt, of in het Varkens-landGeboren, nooit zou zijn een man van goed verstand,

en dat ik vervolgens tot eene bedieninge van aangelegenheid naauwlijks bekwaam was.Ik heb ook, zei mijn huiswaard,bespeurt, dat 'er eene aangebooren vadzigheid in hem is; dog wanneer men hem tijd geeft, om de zaak wat langer te overwegen, oordeelt hij 'er niet kwalijk over. Hier op antwoordde de Vice-President. "Hier heeft men prompte en vaardige dienaars van noden, vermits de veelheid der zaken geen draalen kan lijden." Dit gezegt hebbende, begon hij ernstig op de sterkte mijns lichaams te letten, en geboodt mij een zwaar gewigt van den grond op te heffen; dit zonder moeite gedaan hebbende, zeide hij: "De Natuur, welke hij in zielsbegaaftheden tot eene Stiefmoeder gehad heeft, heeft dat gebrek eenigzins door de sterkte zijns ligchaams vergoedt." Toen wierdt mij bevolen een weinig aan eenen kant en naar eene andere plaats te gaan, alwaar ik van de dienaars en slaven met eene wonderlijke beleeftheid ontvangen, maar ook te gelijk door haare overgroote snapagtigheid en potzen ellendiglijk geplaagt wierd. Zij vraagden mij zoo menigvuldige vraagen aangaande onzen Aardkloot, dat ik niet meer wist wat ik zoude de zeggen, zodanig dat ik eindelijk genoodzaakt zijnde leugenen onder waarheid te mengen, egter nog hunne nieuwsgierigheid niet konde voldoen. Mijn huiswaard eindelijk bij mij komende, gaf mij te kennen, dat ik onder de hovelingen van zijne Excellentie eene plaats had gekregen. Uit het voorgaande praatje van den Vice-President had ik eenigzints konnen afnemen, dat de bediening die mij toegeschikt wierdt, niet veel bijzonders stondt te wezen. Ik giste dat het die van Poortier of Hofmeester zoude wezen, waar mede men mij stondt te begiftigen; dog vragende aan mijnen huiswaard wat het voor eene bedieninge was, gaf hij ten antwoord:Zijne Excellentie heeft u allergenadigst aangestelt tot eersten drager (Porteur) om zijnen draagstoel, met eene jaarlijksche wedde van vijf-en-twintig Stercolaten. (IedereMartiniaanscheStercolaat wordt gerekent op twee daalders onzer munte.) Daarenboven heeft hij belooft dat gij dien dienst aan niemant zult moeten doen, dan aan hem zelv' en aan zijne edele Gemalinne. Door dit antwoord als door een bliksem getroffen, gaf ik, zonder doekjes daar om te winden, te kennen, hoe onwaardig zulks was voor een vrijgebooren man, en die van goeden huize was. Dog terwijl ik sprak, vielen mij de hovelingen in de reden, komende bij troepen toeloopen, en met haare snapperijen mij, die bereids half dood was, voorts vermoorden: want deMartinianenzijn altemaal ligt volkje, ijdele snappers en lastige babbelaars, die op geen zaken van gewigt altoos gevat zijn, en alleen veele woorden den hals breeken. Eindelijk wierd ik naar mijne slaapplaats gebragt, alwaar het avondmaal gereed stondt, en na dat ik matelijk gegeten had, wierdt mij mijne slaapsteê aangewezen om te rusten.

Ik ging terstond naar bed; dog in die gemoedsgisting kon ik niet in slaap geraken. De hoogmoed, waar mede ik van deeze Aapen ontvangen was, hadt mij bijna razend gemaakt; en waarlijk ik had Jobs lijdzaamheid van noden om zulk eenen doorslaanden smaad op te kroppen. Ik beschreide mijn noodlot, 't welk ik bespeurde wreeder in dit Land te zijn, dan 't in de PlaneetNazarwas geweest, en begon aldus in mij zelf te spreken: Wat zou 't zijn zoo de grooteKadokusvan het VorstendomPotu, die volmaakte man, en wiens waardij tegen geen goud is op te wegen, eens in deze Gewesten was overgevoert? Waarlijk men zou 'er weinig werks maken van eenen man, die eene geheele maand noodig heeft om een Placcaat op te stellen! Wat zoudePalmkain dit Land beschooren staan, alwaar de Raadsheeren over 't avondmaal zittende, Placcaaten opstellen en die te gelijk schrijven? Na ernstige overweginge bespeurde ik dat ik uit het Land der wijzen was overgebragt in de verblijfplaats der tooneelspeelers. Eindelijk afgemat zijnde door deeze zorgen, bekroop mij de slaap. Ik zou, met geen zekerheid, zeggen kunnen hoe lang ik sliep; nademaal 'er in dat Land geen onderscheid is tusschen dag en nagt: want men heeft 'er geen duisternis dan die op eenen gezetten tijd voorvalt, wanneer het, door tusschenkomste van de PlaneetNazar, Eclipsis is in de Onderaardsche Zon. Dog die Eclipsis is zeer aanmerkelijk, nademaal de PlaneetNazar, die niet ver van 't Firmament dobbert, met haare schaduwe de Zon geheel verduistert. Men heeft 'er ook om de gestadige nabijheid van dat gesternte, 't geheele jaar door, eenerlei weer. Hier om verdrijven de inwoonders, door verscheide uitvindingen, als door de lommer der bosschen, koele wandelwegen en onderaardsche kelders, de ongemakken der hitte.

Naauwlijks was ik wakker geworden, wanneer een zekere Meerkat in mijne kamer tradt, zeggende mijn amptgenoot te zijn, en bij zig hebbende eenige touwen niet eenen loozen staart, welken hij vast maakte aan mijne billen, ten einde ik zoude schijnen te zijn van dezelve figure als de overige Aapen. Dit gedaan zijnde, beval hij dat ik mij zoude gereed houden, nadien de Vice-President binnen een uur tijds naar een school, alwaar hij door schriftelijk bevel uit den Raad met de andere Raadsheeren verzogt was, moest overgebragt worden. Daar was eene Doctorale Promotie te doen, tegen veertien uuren voor den middag. Hier staat te letten, dat, schoon, om het gestadige licht, de dag van den nagt niet kan worden onderscheiden, de dagen egter omschreven zijn in zekere uuren, half uuren, en quartier-uuren; en zulks door 't gebruik der Horologien, en Zandloopers, invoegen dat de dag met den nagt in twee-en-twintigMartiniaanscheuuren worden begrepen. Waarom het ook, bijaldien alle de Stads-horologien te gelijk stil stonden, den Stedelingen onmogelijk zoude zijn de uuren wederom te regt te brengen, alvorens zij door de Horologien der nabuurige plaatsen het stil staan der hunne hadden verholpen: want daar zijn geen Zonnewijzers, nog zij kunnen 'er wezen, om dat 'er nooit schaduwen zijn, vermits de Zon aldaar juist boven het hoofd staat, en haare straalen lijnregt nederwaards schiet. Hier vandaan, is het, dat als men eenen put graaft, dezelve geheel en al beschenen wordt. En aangaande het jaar, dat wordt aldaar geregelt en geschikt naar den loop der PlaneetNazar, die eens zoo ras als het Onderaardsche Firmament haaren loop om de Zon aflegt.

Ten veertien uuren eenen vergulden draagstoel op de schouderen nemende, droegen wij zijne Excellentie naar het school. Komende in de gehoorplaats, zagen wij aldaar naar rang zitten de Leeraars en Meesters, welke alle voor eenen voorbijgaanden Raadsheer opreezen en hem den staart toekeerden. Dit is een teeken van eerbiedigheid; en daarom versieren zij zoo zorgvuldiglijk hunne staarten. Dog mij kwamen die averegtsche groetingen gekkelijk en belachelijk voor. Want iemant den rug toe te keeren, is bij ons een teeken, of van verkoeling of van veragting; dog ieder Land heeft zijnen eigenen smaak. De gemelde Leeraars en Meesters zaten aan weêrszijden der gehoorplaats; en aan 't einde, van de gehoorplaats was een gestoelte gestelt, 't welk bekleed wierdt door den genen die Doctor stondt te worden. Eer de Promotie aanging wierdt 'er over een twistschrift gehandeld, waar van dit de tytel was.Inwijings-Natuurkundig vertoog, waar in onderzogt wordt en beslist, het zwaarwigtig vraagstuk: of het geluid, 't welk de vliegen en andere bloedelopze diertjes maken, hen door den mond, of door 't agterste uitgaat. De Præses hadt op zig genomen het eerste gevoelen te verdedigen, welk met zoodanige ijver van de tegenpartijders bestreeden wierdt, dat men vreesde dat dat krakkeel op een bloedig krabbelvuistje zoude uitkomen. En waarlijk men zoude handgemeen zijn geworden, ten ware de Raad, oprijzende, de hevigheid niet hadt doen bedaaren. Zoo lang het dispuut duurde, wierdt 'er op de fluit gespeelt. Want daar was een fluitspeeler aan welken 't bestier des strijds was opgedragen, die dan eens met streelende, dan met hevige toonen, de verflaauwende zintwist opbeuren, of wanneer dezelve tot oploopenheid en woede oversloeg, zoude bedwingen. Dog door deeze en andere middelen wierdt 'er dikwils niet veel uitgerecht: want het is moeilijk maat te houden wanneer 'er over zwaarwigtige zaken gehandelt wordt; 't geen wij in onze waereld dikwils hebben ondervonden, alwaar met geen mindere gemoeds-bewegingen, het zintwisten over een geschil dat veelerlei is en veele omwegen heeft, dikwils onstuimig wordt. Dog dit krakkeel, dat bloedvergieten en doodslag scheen te dreigen, wierdt schielijk geëindigt door onderlinge loftuitingen en dankzeggingen; niet anders dan op onze Academiën, alwaar, volgens eene doorgaans aangenomene gewoonte, de Præses overwinnaar uit het gestoelte komt.

Het disputeeren geëindigt zijnde, ging de Promotie zelve op deze wijze voort: hij die gepromoveert stondt te worden, wierdt te midden in de gehoorplaats gestelt, alwaar drie Pedellen of dienaars der Academie met eenen statigen tred naar hem toegaan, en hem een geheel mud koud water over 't hoofd gieten: straks daar op berooken zij hem met wierook, en bieden hem eenen spuwdrank aan te drinken. Dit met de uiterste eerbied en buiging haarer hoofden verrigt hebbende, kondigen zij af, dat hij tot Leeraar verkoren is. Ik stond verbaasd over zulke wonderbaarlijke en nooit gehoorde plegtigheden, en vraagde aan zekeren geleerden Aap, die bij mij stondt, wat dat alles te beduiden hadt. Dees, medelijden hebbende met mijne onwetendheid, zeide, dat door 't water, den wierook, en den braak-drank te kennen gegeven wierdt, dat de vlekken der oude gebreken moesten uitgewischt, en nieuwe zeden, onderscheiden van die van 't gemeen, aangenomen worden. Dit verstaan hebbende, beschuldigde ik mijne domheid, en vol van verwondering zijnde, vraagde ik niet verder, om niet door te gaan voor eenen die nooit onder fatsoenlijke Lieden verkeert hadt.

Eindelijk wierdt alles vervult door het geraas van trommels, fluiten en trompetten, en die nieuwe Leeraar, uit de gehoorplaats gaande, gelauwriert, en met eenen riem omgord, wierdt door de gantsche vergadering der Geleerden tot in zijn huis toe verzeld. Dog vermits hij maar van een burgerlijk geslagt was, wierdt hij in geen stoel gedragen; maar slegts op een wagentje met de hand voortgetrokken, eenige getabberde loopers, vooruitloopende. De plegtigheid, zoo als doorgaans pleeg te geschieden, wierdt besloten met een pragtig gastmaal, en een brave roes der gasten: want daar wierdt zoo rijkelijk wijn geschonken, dat de meeste vol en zoet naar huis wierden gebragt, en, niet zonder behulp van geneesmiddelen, eerst na eenige dagen weder tot hun zelven kwamen, invoegen dat in die geheele verrigtinge, van 't begin af tot het einde toe, niets te vinden was, dat niet met de uiterste plegtigheid toeging; en ik moet bekennen dat ik in onze waereld nooit eene Promotie gezien heb; die meer was naar den trant van de Academie, nog geen Candidaat, die met meer regt Doctor gemaakt is.

In de Geregtshoven worden de zaken met eene wonderlijke vaardigheid afgedaan, zoo, dat ik mij niet genoeg kan verwonderen over de vlugheid en de gemaklijke bevattinge die dat volk zoo bijzonder eigen is: want éér de Advocaten hunne pleidoyen geeindigt hebben, staan de Regters menigmaal op om hunne stemmen, die niet minder vaardig als fraai zijn te geven. Ik heb mij menigmalen in deeze Geregts-hoven laten vinden, om de wijze van Procedeeren bij deMartinianente hooren. De Vonnissen kwamen mij in 't begin zeer zakelijk voor, en scheenen gegrond op het natuurlijk regt; maar toen ik die wat grondiger onderzogt vond ik die onregtvaardig, gekkelijk en vol van tegenstrijdigheden, zoo dat ik het beter oordeelde te wezen, de zaken aan 't lotgeval te betrouwen, dan een geding te onderwerpen aan het Vonnis derMartiniaanscheRegters. Van de wetten deezer Natie kan ik niets zeggen om de groote wisselvalligheid welke dezelve onderworpen zijn: want wetten en regten worden hier alle jaren even als kleederen verandert. Om deeze redenen worden 'er veele om misdaden gestraft, die geen misdaden waren toen ze bedreven wierden: Veele verliezen ook daarom alleenlijk hun Proces, om dat hunne Actie, welke volgens de wetten geoorlooft was, naderhand door eene nieuwe wet ongeoorloofd wordt. Ten dien opzigte beroepen zij zig ook alle van lager Regtbanken tot de hooge, hopende—dat, hangende het geding, de eerste wet zal worden afgeschaft. Dit gebrek wordt geboren uit het al te vaardig ontwerp der wetten. Voeg hier bij dat deeze Natie, al te zeer hakende naar nieuwigheden, afkeerig is van de allerbeste wetten en gewoonten, alleen omdat ze oud zijn. Geen mindere ligtvaardigheid bespeurde ik ook in den opschik des ligchaams en in de kleederen. De Advocaten zijn hier in groote agtinge om hunne spitsvinnigheid in 't zintwisten, en daar zijn 'er onder dezelve, die, gelijk men zegt, doornaait als eens bedelaars huik, geen zaak aannemen te verdedigen, ten zij dezelve twijfelagtig en onregtvaardig zij: en zulks om aan te toonen hoe zeer zij geslepen zijn in 't hairklooven, en hoe konstig zij van zwart wit konnen maken. Om deezer geslepenheids wille begunstigen de Regters meenigmaal eenen voorstander van eene onregtvaardige zaak, nadien 't hen genoeg is dat de zaak bepleit, en volgens de Practijk behandelt zij. Hierom zijn zij gewoon te zeggen: "Wij zien zeer wel de onbillijkheid der zake; dog aangezien, dezelve met zoo veel behendigheid, en volgens de Practijk beweert is, kunnen wij niet nalaten, om de snedigheid des Advocaats, een weinig van 't regt af te zien." De regten worden hier van de Leeraars, voor verscheide prijzen, naar de natuur der zaken, geleert: bij voorbeeld die hunne leerlingen onderrigten om eene kwade en onbillijke zaak voor te staan, of, gelijk de Grieken zeggen, τὸν ἤτζω λόγον κρείτω ποιεῖν,[1]eisschen twintig stercolaten; dog die eene billijke zaak leeren beweeren, vorderen slegts tien stercolaten. 't Geen tot het Regt vereischt wordt, is zoo veel en zoo groot, dat in dien onmetelijken hoop van wetten, de eene op de andere gestapelt, geen einde te zien is: want gelijk deMartinianenvan een zeer spitsvinnig en fijn vernuft zijn, en daar bij eene zeer gaauwe bevattinge hebben, walgen zij van alles wat klaar en eenvoudig is, niets aanzien willende dan 't geen doortrapt, kwastig en verdraait is.

Eveneens is 't met den Godsdienst gelegen, welke geenszins in betrachtinge, maar slegts alleen in ijdele bespiegelingen bestaat. Zoo zijn 'er tweehonderd en dertig verscheide gevoelens over de gedaante welke God moet worden toegeschreven, en driehonderd zes en negentig over de natuur en hoedanigheid der Ziele. De Tempelen of heilige gehoorplaatsen alwaar de Godskennis geleert wordt, worden door deMartinianenniet bezogt, om aldaar te leeren wat hun te betrachten staat, of waar naar zij zig in leven en sterven te rigten hebben; maar slegts om te hooren, hoe geleerd en met welk eene fijnheid van verstand de heilige Redenaars zig uitdrukken, welke ook hoe zij duisterder spreeken, hoe zij te meer toejuichinge krijgen, invoegen deMartinianenongaarne iets hooren, dan 't geen zij niet verstaan. Men let 'er meer op de woorden dan op de zaken, vermits de Redenaaren zig meer toeleggen op de uitgezogte spreekwijzen en welgeschikten zin, dan op het gewigt der bewijzen of beschaaftheid des oordeels, en de toehoorders niet dan op vleijende redenen en welluidende woorden agt geven. Hierom durfde ik van den Christelijken Godsdienst, die eenvoudig en niet opgetooid, maar op de waarheid gegrond is, geen woord reppen.

Nergens worden de Uitvinders van nieuwigheden meer dan in deeze Republijk geagt: hoe moeilijker en ongerijmder de uitvinding is, hoe meer dezelve aangenaam is. Toen ik aan zekeren Meerkat eens uitgelegt had de natuur van onzen Aardbol, en hem aangetoond had, dat deszelfs oppervlakte bewoond was, stelde hij terstond voor om de korst der aarde te doorgraven en eenen weg te banen naar de Bovenaardlingen. Die uitvinding wierdt terstond van allen toegejuicht en daar wierdt eenemaatschappij, of genootschap van den bovenaardschen handelaangestelt, waar naar de inwoonders terstond met geheele troepen liepen, en de biljetten nagezien hebbende,Actiën, gelijk de Kooplieden zeggen, gingen koopen. Dog toen door deeze bewegingen het gantsche Landschap te onderste boven geraakte, en Verscheide Familien door deezeActiëntot den bedelzak vervielen, begrepen zij eindelijk de dwaasheid deezer uitvindinge, en lieten 't werk steeken. Egter is den Uitvinder om deeze dwaasheid, die den Staat, zoo duur hadt gestaan, niets kwaads overkomen: ja hij wierdt zelfs, om de voortreffelijkheid van 't werk van iedereen geprezen, zoo dat deMartinianenplegen te zeggen: dat schoon zijne pogingen hem niet gelukt waren, hij egter als een andere Phaëton

............... den Zonnewagen mende,En, schoon hij stortte, stout voorbij den stoutsten rende,

Den aart deezes volks naauwkeurig onderzogt hebbende, trachtte ik door dezelve middelen mij eenige agtinge bij deMartinianente verkrijgen, en door eenige uitvindinge mijnen staat wat te verbeteren. Derhalven na dat ik den staat deezer Republijk ondertast hadt, vond ik 'er zeer veele gebreken in. Ik zag dat alles vervult was met konstenaars, en dat dit Land gebrek hadt aan handwerkslieden. Hierom stelde ik eene wet voor van verscheiden handwerkslieden ten nutte des Gemeenenbests aan te stellen. Dog alle uitvindingen van dit slag verwekten niet dan gelach en veragtinge bij dat verwaand volk, dat alleen met poppegoed in zijnen schik is. Derhalven, begon ik met deeze woorden tegen mijne eige domheid uit te varen:Gij zijt een domkop en een weetniet, waardig dat gij in 't veragte genootschap der stoeldragers, oud en grijs word. Ik verloor egter den moed niet geheel en al; en toen ik zag dat ik met heilzamen raad te geven niets vorderde, besloot ik te onderstaan of ik met eene dwaze en ijdele uitvinding die moeilijkheid niet konde te boven komen. Ik openbaarde mijn voornemen aan een doorslepen Aap, die mijn paard dat van zelf liep, nog met deeze spooren aanwakkerde:

Wilt gij dat u 't geluk zal dragen,Zoo moet g'er galg en rad op wagen.

En wanneer hij mij aantoonde, dat 'er hier veele geweest waren, die alleenlijk door wisjewasjes en kinderspel, zig roemwaardig gemaakt hadden; en vooral door eenige nieuwe fatsoenen van kleederen; dat ik wel zoude doen met de gekken uitzinnig te zijn. Derhalve alle zeilen bijzettende, liet ik alle gekke uitvindingen in Europa door mijne gedagten gaan, en eene keuze daar uit gedaan hebbende, besloot ik de optooizelen des hoofds, welke wijParruikennoemen, hier aan te prijzen. Ik zag dat 'er in dit Gewest eene groote menigte Geiten was, van welker hair eenigermatenParuikenkonden toegestelt worden. En nademaal mijn Voogd zaliger, dit handwerk lang hadt bij de hand gehad, was ik in die konst niet geheel en al onbedreven. Hebbende dan eenig geiten-hair gekregen, stelde ik daar van eeneParuiktoe, die mij zeer wel paste; en dus opgeschikt zijnde, vertoonde ik mij aan den Vice-President. Hij verbaast staande over dit nieuw en ongewoon verschijnzel, vraagde wat het was, en dezelve van mijn hoofd afligtende, zettede die op het zijne, loopende metter haast naar den spiegel, om zig zelven in dat optooizel te zien; en hij kreeg met dat nieuwe hoofddekzel zulk een welbehagen in zig zelven, dat hij van vreugde luidkeels uitriep:Ik ben bijna den Goden gelijk! Terstond deedt hij zijne huisvrouwe haalen, om dezelve zijne vreugde deelagtig te maken. Zij, niet minder dan hij van vreugde opspringende, vloog haaren man om den hals, betuigende niets geestigers, en dat haar meer beviel, ooit gezien te hebben, waar aan ook het gantsche Huisgezin zijn zegel hing. De Vice-President zig daar op naar mij keerende zeide: OKakidoran! zoo deeze uwe uitvinding den Raad zoo wel als ons aanstaat, kunt gij u zelven de hoogste bedieningen in onze Republijk belooven.Ik, zijne Excellentie zeer ootmoedig bedankende, droeg hem een verzoek-schrift op, om het zelve den Raad aan te bieden. In dit verzoekschrift mat ik de voortreffelijkheid mijner uitvindinge zeer breed uit, met deeze' woorden:

Zeer Voortreffelijke, Edelmoedigste, Doorlugtigste, Roemrugtigste en Allerschranderste Raaden.

"De natuurlijke zugt, waar door ik genoopt word om het algemeen welzijn te bevorderen, heeft mij aangezet om uit te vinden en toe te stellen dit nieuwe en nooit voorheen bekende hoofddeksel, 't geen ik hier op 't nederigste aanbiede, en ten onderzoek aan de allerschranderste Regtbank onderwerpe; niet twijfelende, of het zelve zal gunstiglijk worden aangenomen, vooral nademaal die uitvinding tot roem en sieraad der Natie strekt en te weeg brengt, dat het, de geheele waereld door, bekend zal worden, dat gelijk deMartinianenin dapperheid en gemoedsgaven onder alle volkeren uitblinken; dezelve ook alzoo in opschik en zwier van kleederen, die het ligchaam een soort van eerbied en majesteit bijzetten, onderscheiden zijn. Ik betuige heiliglijk dat ik hierin mijn eigen belang geenszins beooge, en derhalven niet den allerminsten loon voor mijnen arbeid eischte: zullende mij genoeg zijn, dat ik naar mijne geringe kragten 't algemeen nut en de glorie der Natie hebbe mogen bevorderen. Bijaldien egter de Doorlugtigste Raad, deeze mijne moeite eenige vereering oordeelt waardig te zijn, zal ik die gunst met een dankbaar hart aannemen, op dat daar door aan de geheele waereld deszelfs mildheid openbaar zij, en andere om diergelijke of grooter zaken uit te voeren, aangezet mogen worden. En het is ten dien opzigte alleen, dat ik de milddadigheid van den Raad en 't Volk vanMartinianiet zal afstaan; mij voor 't overige bevelende aan de goedgunstigheid uwer Voortreffelijkheden."

Des zeer Doorlugtigen RaadsOotmoedigste DienaarKakidoran,InMartiniaden 7dender maand Astral.

De Vice-President stak mijn Smeekschrift te gelijk met het hoofddekzel in zijnen zak, om dat aan den Raad te behandigen. 't Is mij ter ooren gekomen dat op dien zelven dag alle Geregts-zaken stil stonden, zoo zeer was een iegelijk ingenomen om deeze uitvindinge te onderzoeken. Toen nu de stemmen opgenomen wierden, wierdt het proefstuk geprezen, de werkmeester geroemt, de gift aangenomen, en besloten hem te beloonen. In den geheelen Raad waren alleenlijk drie Raadsheeren, die dit gevoelen tegenspraken; dog zij wierden ten dien opzigte niet weinig over den hekel gehaalt, en voor onwetende, en lieden die niet wisten te leven, ja die onwaardig waren een Raadsheers-ampt te bekleden, te boek gestelt.

Een inwoner vanMartinia,met eene Paruik.

Na dat de Raad een besluit genomen hadt, wierd ik op 't Raadhuis ontboden, alwaar een oude Aap, oprijzende, na dat hij uit den naam van den gantschen Staat mij bedankt en teffens bekent gemaakt had, dat mijne moeite naar verdiensten beloont zoude worden; vraagde, hoe langen tijd ik wel noodig had om een diergelijk hoofddeksel toe te stellen. Ik gaf ten antwoord, dat het mij loons genoeg was, dat mijn werkstuk de goedkeuring van zulke treffelijke Heeren, en de toejuichinge des geheelen Raads hadt mogen verdienen: ik beloofde eene andereParuikbinnen twee dagen te zullen opmaken, met toezegginge, dat, bijaldien de andere Aapen, die geoeffende handwerkslieden waren, en welke ik de konst zoude leeren, mij wierden toegevoegt, ik binnen den tijd van eene maand zoo veeleParuikenzoude afmaaken, dat 'er genoeg zouden zijn om de geheele Stad te voorzien. Dog de Vice-President, door dit antwoord ontzet, barstte in deeze woorden uit: Dat zij verreKakidoran, dat dit optooizel voor iedereen in de gantsche Stad zoude zijn, en, bij allen man gebruikt wordende, in veragtinge komen; daar het noodig is dat de Adel daar door van den gemeenen man worde onderscheiden. Het gevoelen deezes voortreffelijken mans wierdt van allen toegestemt, en de Schatmeesters van Staat aangezegt, dat zij hadden toe te zien, dat het Besluit des Raads niet overtreden wierde, nog, door eenen algemeenen dragt derParuiken, de Adel eenigen nadeel mogte lijden; of dat zulk een uitstekend sieraad, door 't gebruik van 't Jan Hagel, in waardye verminderde. Dog dat Placcaat bragt niet anders te weeg, dan 't gene alle de voorige wetten op den pragt, met het maken van onderscheid tusschen de Burgerij, hadden uitgewerkt; want daar door verwekte het in 't Gemeen des te meer lust om de wet te overtreden. En overmits dees opschik elkeen wonderlijk wel aanstondt, kogten de gegoedste uit de Burgerij, met geld of door aanprijzing hunner goede Vrienden, den tytel en brieven van Adeldom van den Raad, invoegen de helft der Stad binnen korten tijd veradelt wierdt. Eindelijk, nademaal 'er ook uit de Provinciën smeekschriften wierden ingebragt, vondt de Raad goed het Placcaat te vernietigen, en 't gebruik derParuikenaan iedereen toe te staan, zoo dat ik met het meeste genoegen der waereld de geheele Natie (met verlof gezegt)geparuiktzag, eer ik uitMartiniaging: En om de waarheid te zeggen, het was een koddig schouwspel deezegeparuikteAapen te zien: Ja zoo zeer behaagde de uitvinding de geheele Natie, dat zij eene nieuwe Tijdrekeninge in de waereld bragt, en degeparuikteEeuw daar door in de Jaarboeken derMartinianenis bekend geworden. Dog om weder tot mij zelven te komen. Opgehoopt met loftuitingen en met eenen purperen mantel omhangen, wierd ik met den draagstoel des Vice-Presidents naar huis gebragt, zoo, dat die drager die nog onlangs mijn amptgenoot was geweest, mij thans den dienst van een paard bewees: ook spijsde ik zedert dien tijd aan des Vice-Presidents eigen tafel. Na die blijde dageraat van mijn geluk, begon ik mijn ondernomen werk voort te zetten, en maakte door hulp van mijn bijgevoegde werkvolk, in 't kort zoo veeleParuiken, als 'er voor den gantschen Raad noodig waren: en na dat ik eene geheele maand met dat werk had doorgebragt, wierden mij de Brieven van Adeldom ter hand gestelt, welker inhoud was als volgt:

"Om de Voortreffelijke, en voor den Staat heilzame, uitvinding, waar doorKakidoran,van geboorte uit Europa, de gantscheMartiniaanscheNatie aan zig verpligt heeft, hebben wij besloten, denzelven met den Adeldom te begiftigen; invoegen dat hij en zijne Nakomelingen, van nu af aan voor goede Edellieden zullen worden gehouden, en alle voorregten, regten en vrijheden, denMartiniaanschenAdel toekomende, genieten: willende wijders, dat de Uitvinder met eenen anderen naam vereert, en, in plaats vanKakidoran, Kikidorianworde genoemt. Voorts, nademaal zijn gemelde staat hem noodzaakt met eenigen luister te leeven, leggen wij hem toe eene jaarwedde van 200. Pataren, tot steunsel zijner nieuwe waardigheid. Gegeven in de Raadkamer teMartinia, op den 4den der maandMerian, onder 't groot Zegel van den Raad."

Dus van eenen gemeenen lastdrager in eenen Edelman gevormt, leefde ik eenigen tijd in groot aanzien en geluk. En toen deMartinianenzagen dat ik bij den Vice-President in een goed blaadje stond, zogten zij allen mijne vriendschap en gunste. De vleijerij mijner opwagters ging zoo verre, dat zij mij als om strijd lofdigten aanboden, en mij hoedanigheden toeschreven die mij onbekent waren. Eenige, hoe zeer zij wel wisten dat ik uit een onbekent Land geboortig was, maakten geen zwarigheid eenen langen reeks mijner Voorouderen op te tellen, en mijn Geslagt-register bijna van de scheppinge der waereld af te leiden. Dog zoodanige optellingen waren mij, niet zeer aangenaam, vermits ik er weinig eer in stelde uit het Aapen-geslagt afkomstig te zijn. Wijders nadien deMartinianengewoon zijn ter eere van de staarten der Grooten, lofredenen te doen, bijna op dezelve wijze als onze Poëeten de schoonheid der jonge dogters gewoon zijn te prijzen; maakten ook eenige Digters de fraaiheid van mijn staart, hoezeer ik 'er geenen had, met lof-digten vermaart. Kortom, hunne vleijerij ging zoo verre, dat zeker man, die nog al van 't geringste soort niet was, dog welken ik egter om zijns Geslagts wille niet zal noemen, zig niet schaamde mij aan te bieden dat ik zijne huisvrouwe konde bezigen en genieten, of zij de mijne was, bedingende voor die mildheid, voor hem een goed woord bij den Vice-President te doen. Die slaafsche toegevenheid, waar mede die geheele Natie vervuld is, is de oorzaak dat deMartiniaanscheGeschiedenissen naauwlijks waardig zijn gelezen te worden, ten aanzien van de stoffe, die niet anders behelst dan een laf en ongezouten mengelmoes van loftuitingen, hoe zeer ook de stijl doorgaans fraai en zuiver is. Om deeze reden vindt men daar te lande beter Poëeten dan Historie-schrijvers: en het is zeker dat men nergens hoogdravender Poëeten vindt, 't geen aan de levendige verbeeldingeder Martinianenmoet toegeschreven worden.

Ik was in dat Land eenen langen tijd genoegzaam welvarende, alhoewel de hitte, welke men daar, vermits 'er de Zon nooit ondergaat, gestadig heeft, mij zeer moeilijk viel. Ik was wel eens door eenen buikloop, waarbij eene schielijke koorts kwam, bedlegerig; dog dat was van korten duur; en ik kan betuigen, dat de Medicijn-meester dien ik toen gebruikte om zijne snapagtigheid, welke aan deze Natie zoo eigen is, mij lastiger viel dan de koorts zelve. Vermits ik in dien staat eenen Medicijn-meester noodig had, boodt zeker Leeraar in de Geneeskunde mij zijnen dienst aan. Ik kon mij op 't gezigt van denzelven bijna niet van lachen onthouden, vermits hij dezelve man was, die mij nog onlangs den baard geschooren hadt. Toen ik hem vraagde, hoe hij zoo schielijk in een Medicinæ Doctor hadt kunnen hervormd worden, antwoordde hij mij, dat hij met beide die wetenschappen zijn voordeel deedt. Ik dat gehoort hebbende, en in twijfel staande, of ik mijne gezondheid wel wilde toevertrouwen aan zulk eenen Weet-al, en zeggende, dat ik liever eenen Medicijn-meester had, die alleen zijn werk van de Geneeskunde maakte; zwoer hij heiliglijk dat 'er zodanig een Geneesheer in de geheele Stad niet wierdt gevonden. Hierom wierd ik genoodzaakt hem mijne genezinge toe te vertrouwen. De haast dien de Medicijn-meester maakte, vermeerderde zeer mijne verwonderinge: want mij een drankje om in te nemen voorgeschreven hebbende, vertrok hij te gelijk zeer schielijk, zeggende niet langer bij mij te kunnen blijven, vermits hij door andere zaken, waarmede hij ter zelver tijd bezig was, wierdt afgeroepen. Toen ik hem vraagde, wat het oog voor zaken waren die zulken schielijken haast vereischten, gaf hij ten antwoord, dat het uur aanstaande was, waar op hij zijne gewoone bedieninge in een lager Regtbank in de Stad moest waarnemen, terwijl hij teffens Beamt-schrijver of Klerk was. Ik zag dat die gaauwheid van geest doorgaans in dit Land in zwang ging, alwaar niemant zwarigheid maakte, om veele tegenstrijdige bedieningen te gelijk op zig te neemen. Die groote laat-dunkenheid wordt in hen geboren door die wonderlijke vlugheid van geest, waar mede zij de zaken zoo schielijk afdoen. Dog door verscheide misslagen en wanordes die hier gepleegt worden, heb ik geleerd, dat deeze vlugge vernuften den Staat meer tot sieraad dan tot nut verstrekken.

Na dat ik twee volle jaaren, zoo als lastdrager, als in den staat van Edelman, in dit Gewest had doorgebragt, kwam mij een gantsch onverwagt geval te voor, 't welk mij bijna het leven hadt gekost. In 't Paleis van zijne Excellentie had ik tot nog toe zeer veel gunst genooten, en de Gemalin van den Vice-President hadt mij wonderlijk wel mogen zetten, zodanig dat ik onder haare Vrienden de eerste scheen te wezen. Dikwils zelfs hadt zij met mij onder vier oogen gesproken, en schoon zij met mijne tegenwoordigheid wonderlijk veel scheen op te hebben, hadt ze mij egter altijd toegesproken met eerbaarheid, zoo dat ik haare goede diensten niet dan in de beste vouw konde schikken, en geenszins bevroeden dat de wortel deezer toegenegenheid eene geile drift was; vooral in eene Vrouw van aanzien, welke onder de Aapen niet min om haar voornaam geslagt aanzienlijk was. Dog in vervolg van tijd begon ik uit haare dubbelzinnige taal eenig vermoeden op te vatten. En dit werdt vermeerdert door

Haar verw', haar magerheid, gelaat, betraande oogenEn zugten, zonder reên uit haare borst getoogen.

Eindelijk wierden mijne oogen verlicht, toen toen eene jonge dogter mij eenen brief van den volgenden inhoud bragt.

Allerliefste Kikidorian!

"Mijne hooge geboorte, en de schaamte onze Kunne aangeboren, hebben de vonken der liefde, die langen tijd in mijn hart verborgen geweest zijn, tot nog toe belet in eene ligte vlam uit te barsten. Dog thans daar door overwonnen zijnde, kan ik het geweld der liefde niet langer wederstaan."

.....Hebt tog meêdoogen met mij, arme krolsche kat!Die 't u niet vragen zou, ten waar' ze 'er spel mee hadt.Ptarnufa.

Ik kan 't niet zeggen welk eene onstuimigheid die onverwagte liefde-betuiging in mij verwekte. Dog vermits ik beter oordeelde aan de wraak deezer razende Vrouw bloot gestelt te zijn, dan, door mij te vermengen mengen met een schepsel van een ongelijk geslagt, de natuur te verkragten, antwoordde ik bijna in deezer voegen:

"Allergenadigstee Vrouwe!

"De gestadige gunst met welke mij de zeer voortreffelijke Vice-President heeft bejegent, de groote weldaden waar mede hij mij onverdient heeft opgehoopt, de zedelijke onmogelijkheid van uw verzoek, en zeer veele andere zaken, welke ik daar zal laten, vereischen, dat ik mij liever zal onderwerpen aan de gramschap en verontwaardiging van Mevrouw, dan dat ik mijne toestemminge zoude geven aan eene zaak die mij den onwaardigsten en schelmagtigsten aller tweevoetige dieren zoude maken. Men vergt mij 't geen mij harder dan de dood zoude vallen; en men eischt van mij eenen dienst, dien ik, zonder de doorlugtigste Familie te brandmerken, nooit bewijzen kan: want het is een dienst die zelfs nadeelig is voorde gene die ze gebiedt. Des betuig ik heiliglijk, u, Mevrouw, in dit verzoek niet te kunnen te wille zijn, hoe zeer ik in alle andere zaken eene blinde gehoorzaamheid beloove."

Kikidorian

Aan het einde des Briefs voegde ik deeze Vermaninge:

.......... Beschouwt, Mevrouw! beschouwtDe leelijkheid des stuks dat ge ondernemen zoudt.Dog wijl die misdaad nog door u niet is bedreven,Zoo laat de billijkheid u staag voor oogen zweven.Al wie ooit eerbaarheid en trouw hadt in den zin.Stondt pal, en kwestbaar, voor den pijl der wufte Min.

Dit antwoord, bezegeld met mijnen ring gaf ik diezelve jonge dogter over om aan haare Mevrouw te behandigen. De zaak viel juist uit gelijk ik ze begrepen had, te weten, dat de liefde oversloeg tot den allerbittersten haat:

........ de smert sluit haar den mond,En niet een eenig woord welt op uit 's harten grond,Dat haar schijnt scherp genoeg, om naar den eisch te meldenDen bitt'ren haat, dien zij mij toedroeg. Traanen steldenNooit 't woedend wijf ter neêr. De felle wraak alleenDie zij te nemen denkt, stelt haar een poos te vreên:Zij troost zig met de straf die zij mij zal doen lijden,'t Zij regt of onregt: dit alleen kan haar verblijden.

Zij stelde egter eenigen tijd haare wraak uit, tot dat zij den minnebrief, welken zij mij geschreven hadt, weder in handen hadt gekregen. Dog zoo dra hadt zij dien in haare magt niet, of zij bestelde valsche Getuigen, die onder eede zouden verklaren, dat ik, terwijl de Vice-President van huis was, zijn bed had willen bevlekken. Dees leugen was met zoo veel snedigheid en waarschijnlijkheid belegt, dat de Vice-President, niet twijfelende aan de waarheid der zake, beval, mij in hegtenisse te zetten. In dat gewrigt van zaken bestondt mijn eenig behoud in de misdaad te bekennen, en mijnen Heer om genade te smeeken, waar mede ik hoopte, of zijnen toorn te stillen, of de straffe te zullen matigen: want in 't regt te treden met een Huis, dat zoo veel magts hadt, vooral in zulk een Land, alwaar nooit op de regtvaardigheid der Zaak, maar alleen op de hoedanigheid der Persoonen wordt agt geslagen, scheen mij loutere dwaasheid te zijn. Hierom, alle verdediging varen latende, nam ik mijnen toevlugt tot traanen en ootmoedige gebeden; niet af biddende de straffe, maar alleen smeekende om verzagtinge.

Dus door 't belijden ener misdaad, welke ik nooit begaan had, van de halsftraffe verlost zijnde, wierd ik verwezen tot eene eeuwige gevangenisse. De Brieven van Adeldom wierden mij terstond ontnomen en door den Scherpregter aan stukken gescheurt, en ik zelf naar een Zee-rasphuis, de Galei namenlijk gesleept, om aldaar tot het slaven-werk ingewijd te worden. Het was een Landsschip 't geen zeilreê lag naar deMezendores, of vreemde Landen, 't geen op eenen gezetten tijd, namenlijk in de maandRadir, gewoon was de reize aan te nemen. Uit die Landen worden goederen overgebragt, die inMartinianiet vallen, invoegen deMezendorischeLanden aan die vanMartiniavoorIndiënverstrekken. De Maatschappij desMezendorischenhandels bestaat uit Kooplieden, zoo Adelijke als Burgerlijke, onder welke de goederen van het t'huiskomende Schip, naar gelang of naar 't getal hunnerActiënof aandeel, worden verdeelt. De Schepen gebruiken riemen en zeilen, en een tweegespan misdadigen wordt aan elke riem gezet. Tot zodanig werk was ik op deeze reize verwezen. Hoe ik te moede was in dat jok te ondergaan, is gemakkelijk te gissen, vooral wijl ik door geen misdaad altoos verdient had, onder schelmen en met geesselslagen, aan eenen slaafschen arbeid gezet te worden.

Onder deMartinianenwaren over dit geval, naar mate dat de gemoederen verscheiden waren, ook verscheide gevoelens. Eenige geloofden wel dat ik straf verdient had; dog die om 't gewigt der misdaad te beschuldigen was, vondt ook verdediging uit ontferming over 't gevelde vonnis. Andere meenden, men hadt eenigen aanschouw op mijne verdiensten moeten nemen, en oordeelden dat de straffe uit dien hoofde had behooren verzagt te worden. Dog de allereerlijkste Aapen geloofden onder elkanderen dat ik valschelijk beschuldigt was; maar niemant durfde openbaar mijne zaak voorspreken, uit vreeze voor de magtige beschuldigers. Ik besloot derhalven het ongeval geduldig te dragen, en in mijne verslagenheid gaf mij de aanstaande reis de grootste troost, wijl ik, een groot liefhebber van nieuwigheden zijnde, hoopte op deeze reize wonderlijke en verbaazende dingen te zullen zien, schoon ik egter aan alle, welke mij van het Bootsvölk verhaalt werden; geen geloof sloeg, nog in mijne gedagten kon krijgen dat 'er zoo veele en zoo groote zeldzaamheden in de Natuur gevonden wierden. Op ons Schip waren verscheiden tolken, welken van deMezendorischeMaatschappij op deeze togten wierden gebruikt: want door middel van hunnen dienst wierden de handelingen van koop en verkoop verrigt.


Back to IndexNext