ELFDE HOOFDSTUK.

[1]van krom regt te maken.

[1]van krom regt te maken.

Alvoorens tot het beschrijven van deezen togt toe te treden, wil ik de grijnige en straffe Vitters gewaarschuwt hebben, dat zij niet al te zeer den neus optrekken van een verhaal van zaken, welke schijnen tegen de natuur te strijden, en bijgevolg alle geloof te boven te gaan.

Ik heb niet vóór mijn boek met grollen op te schikken;Veel min dit treflijk werk met leugens te verdikken.Neen: dat 's mijn toeleg niet; maar wel de zaak in 't lichtTe stellen, en 't verhaal te geven zijn gewigt.

't Zijn ongelooflijke dingen die ik verhaal; dog egter waaragtige, en waar van ik zelf ooggetuige ben geweest. Plompers en Ongeleerden, die nooit buiten hun moeders keuken geweest zijn, achten alles voor fabelen, 't geen hun in hunne pap niet te eten gegeven is; dog de Geleerden, en vooral de Natuurkundigen die door ondervindinge geleerd hebben, hoe vrugtbaar de Natuur is in 't voortbrengen van allerlei schepselen, vellen een veel billijker oordeel van de verhaalde zaken, hoe vreemd die ook mogen schijnen.

Wie is verwondert in de staag besneeuwde Alpen,Daar nimmer stroom, ten zij met ijs vermengd komt zwalpen,Den Berg-bewooner met zijn dik-gezwollen kropTe zien? En wie gaf ooit voor 't agtste wonder opDat 't Vrouwvolk aan den Nijl de borsten dikker zwellenDan 't kind is, dat ze zuigt? Of zal men gaan vertellen,Als iets dat zeldzaam is; dat men nooit Duitscher vondtWiens oog niet hemelsblaauw in zijnen hoofde stondt:Wiens hair niet blond is, en wiens langgekrulde lokken,Van geur'gen balzem-reuk geheel als zijn doortrokken?Daar steekt niets zeldzaams in: de bezige NatuurHeeft hen aldus gevormt, bezielt met hemels-vuur.Men ziet in Thracie bijna geheele wolkenVan Kraanen snorren, en straks storten op de VolkenVan dat Gewest, Pygmeen geheeten; die verbaastHunn' ouden vijand nooit ontvlugten; maar wel haastIn 't harnas loopen, en, gewapent tot de tanden,Met t' zaamgevoegde magt den dapperen Kraan aanrandenMet ongelijken kans: want de getergde KraanGrijpt met zijn kromme klaauw de zwakke Dwergen aan,En voert ze door de lugt. Zoo dit bij ons gebeurde,Wie lachte niet dat hem bijna de reuzel scheurde!Maar daar, vermits die slag al meer dan eens geschiedt,En dikwils dat gevegt gebeurt, zoo lacht men nietOm een gewone zaak; schoon niemand, in die bende,Een krijgsman immer, meer dan twaalf duim lang, kende.

Men heeft eertijds in Scytië menschen gevonden die een oog midden in 't voorhoofd hadden, enArimaspigeheeten wierden. Andere in dat zelve gewest, gingen altoos agterwaards uit. In Albanië zijn menschen geweest die in hunne kindsheid grijs waren. DeSauromatenwaren gewoon altoos op den derden dag te eeten, en in dien tusschentijd zig van alle spijs te onthouden. Men zegt dat 'er in Africa zekere Geslagten van menschen zijn, die iemant met hunne stem en woorden betooveren. In Illyrië zijn 'er geweest, die de gene welke zij in hunne gramschap lang aankeeken, met hun gezigt doodden, en die zelve hadden twéé oog-appels in elk oog. In de Indiaansche gebergten heeft men menschen gevonden met hondenkoppen, en blaffende; en teffens andere die de oogen in de schouders hadden. Op de uiterste grenzen van Indiën heeft men 'er ontdekt, welker ligchaamen geheel met hair waren bewassen, en die even als de vogelen veêren kregen, geen spijs altoos nuttigende, maar alleen van den reuk der bloemen, door den neus opgehaald, levende. Wie zou deeze en diergelijke dingen ooit geloofd hebben, ten warePlinius, een zeer deftig Schrijver, niet heilig betuigde, dat hij van alle die dingen niet alleen gehoord of gelezen, maar ook dat hij ze gezien hadt? Eindelijk wie zou ooit gelooft hebben, dat de Aardkloot hol, en in deszelfs binnenste een Zon en Planeeten waren, ten zij die verborgenheid door mijne ondervindinge niet ontdekt was? Wie zou gelooft hebben, dat 'er een Land gevonden wierdt, door wandelende en met reden begaafde boomen bewoont, zoo niet die zelve ondervinding elkeen belette daar aan te twijfelen? Ik zal evenwel niemant om zijne ongeloovigheid eene dagvaarding t'huis zenden; want ik moet bekennen dat ik zelf, eer ik deeze reis ondernomen had, daar aan twijfelde; meenende dat het verdigtte fabelen en enkele grollen waren, 't geen ons van het varende volkje verhaald wordt.

Met het ingaan der maandRadir

Na 't anker was geligt, de zeilen van de reeGevallen, zagen w' ons eerlange, in volle zee.

Eenige dagen lang, was de wind ons gunstig, zoo, dat wij roeijers niets te doen hadden, wijl, alle zeilen rond staande, wij geen riemen te boord behoefden te leggen. Dog op den vierden dag was het aldus gesteld:

De wind gaat leggen, 't zeil hangt labberend' voor den mast;De wakkere Bootsgezel, die op zijn pligt staag past,Legt fluks den riem te boord, rukt 't vaartuig door de baaren,Die hol en schuimende niet wisten van bedaaren.

Wanneer hu de Schipper zag dat mij die arbeid zeer zwaar viel vliet hij mij toe somtijds wat te rusten, en ontsloeg mij eindelijk geheel en al van dien last. Waarom hij zig zoo rekkelijk tegen mij aanstelde, 't zij dat hij mij geloofde onschuldig te wezen, of wel dat hij, om de uitrekende uitvinding derParuiken, mij oordeelde beter lot waardig te zijn, kan ik niet wel zeggen. Hij zelf hadt drieParuikenmede genomen, welke hij mij liet kammen en in de krul zetten, invoegen ik van een Galeiboef schielijk in eenen Paruik-opmaker hervormd was. Door die beleeftheid des Schippers tegen mij, kwam 't ook toe, dat, zoo menigmaal wij eene haven aandeeden, ik meestentijds onder de gene was die naar land gingen, waar door ik gelegenheid kreeg, om mijne nieuwsgierigheid volkomenlijk te voldoen.

Terwijl wij hier en daar kruisten, kwam 'er eene wijle tijds ons niets vreemds te voren. Dog toen wij zoo diep in zee gesteken waren, dat wij nog land nog zand meer zagen,

Kwam in een oogenblik, uit deezen grijzen kolk,Opbarsten, rontom 't Schip, een woest en onguur volk.

Het waren Sirenen, die, zoo dra de wind ging leggen, en de zee bedaart was, tot aan ons Schip kwamen zwemmen, eisschende eene aalmoes.

Van boven leek 't gestel een' maagd van frissche ledenTot aan den navel toe; maar verder naar benedenEen Zeevisch, onbeschoft van lengte en dikte...

Haare taal kwam zeer na hij die vanMartinia; zoo, dat eenige matroozen, zonder tolk te gebruiken, met dezelve konden spreken. Wanneer ik aan eene derzelven op haar verzoek een stuk vleesch gegeven hadt, keek zij mij met aandagt aan, uitroepende:

Hou moed! gij zult in 't kort, door heldendaên vermaard,Regeeren wijd en zijd......

Dog op die voorspelling begon ik als over eene ijdele vleijerij te grimlachen, schoon 't scheeps-volk heiliglijk betuigde dat de Sirenen in haare voorzeggingen zelden misten. Na eene reize van agt dagen, zagen wij eindelijk 't Land, dat bij de varende luidenPicardaniageheeten wordt. Terwijl wij de haven inliepen, vloog 'er een Exter, welken zij denCommis-Generaalvan den Tol, en een deftig man zeiden te wezen, rondom, ons Schip. Naauwlijks kon ik mij van lachen onthouden, wanneer ik hoorde dat een Exter een ampt van dat gewigt bekleedde, en wanneer ik zag dat een bedienaar der Geldmiddelen

Met snelle schagten zig durft over Zee begeven,En, moedig op zijn' vlugt, komt door de lugt aanstreven.

Uit de gestalte van denCommis-Generaal,oordeelde ik, dat de vliegen zijne lijfstaffieren en dienaars van den Tol zouden zijn. Nadat hij driemaalen rondom ons Schip gevlogen, en zig daar na weder naar land begeven hadt, keerde hij terstond met drie kleinere Exters wederom, en ging zitten op de voorsteven van 't Schip. Ik meende bijna mijne reuzel te scheuren, wanneer ik zag dat een onzer Tolken eerbiediglijk deeze Exters naderde, en een lang praatje met hen hieldt. De oorzaak hunner komste was om de koopmans-waaren te doorsnuffelen; want volgens 't gebruik waren zij gehouden te onderzoeken of 'er ook eenige verboden waaren, vooral zeker kruid,Slakgeheeten, onder de pakgoederen verborgen waren. Om naar dit kruid te zoeken, zijn zij gewoon alle hoeken en gaten van 't Schip te doorsnuffelen, en pakken en zakken te doen uitschudden, vermits de invoer daarvan zeer streng door de Magistraat verboden is; want voor dit kruid zijn de Inwoonders gewoon zeer fraaije en noodzakelijke waaren te verruilen, waar door het komt dat dePicardaanschekruiden, die egter van 't zelfde gebruik zijn, zeer in prijs afslaan; zoo, dat dePicardanenin dit stuk onze Europeanen niet ongelijk zijn, die alleenlijk daarom de dingen, willen hebben, om dat ze uit verre landen komen, en onder eene andere lugtstreek gegroeit zijn. Na dat deCommis-Generaallangen tijd met onze tolken gepraat hadt, ging hij met zijne bijhebbende Exters naar om laag, en weder boven komende, zag hij ons zeer barsch aan, te kennen gevende dat ons de handel met dePicardanenstondt verboden te worden, vermits wij tegen de Tractaaten handelden; brengende verboden waaren aan. Dog de Schipper, zulke zaken meermaals bij de hand gehad hebbende, en wetende waar mede de Tol-bedienden ter neêrgezet worden, vereerde den grommer eenige ponden van het kruidSlak, waar door zijne gramschap gestilt, en ons vrijheid vergund wierdt om 't Schip te ontladen.

Dit aldus verrigt zijnde, kwam 'er eene zeer groote menigte Exters aangevlogen. Deeze alle waren Kooplieden. Dog de Schipper aan land willende gaan, beval mij met eenige anderen hem te volgen, zoo, dat wij vier in getal waren die van boord afgingen, te weten de Schipper, ik, en twee Aapen, van welke de een de Opperkoopman was, en de ander een tolk. Wij wierden van denCommis-Generaalvan den Tol te gast genoodigt; dog daar wierdt geen tafel gedekt, vermits dePicardanengeen stoelen kunnen gebruiken; alwaarom ook het tafel-laken op den vloer wierdt uitgespreit. Daar wierdt rijkelijk en kostelijk opgedischt, dog in zeer kleine schotelen: en wijl de keuken op de allerbovenste verdiepinge van het huis was, kwam 'er met elk geregt een vierspan van Exters, als door eene gemeene hang-goot, nederdalen. De maaltijd geëindigt zijnde, bragt ons de Opper-tollenaar naar zijne Bibliotheek. Daar was eene groote menigte van boeken, dog altemaal kleine, zoo dat de allergrootste exemplaaren, en zelfs deFolianten't naauwlijks in grootte tegen onze Almanachen konden ophaalen. Ik kon mij bijna niet van lachen onthouden, toen ik zag dat de Opzigter deezer Boekerij naar de bovenste der kasten vloog, om de boeken inOctavoenDuodecimovan daar te haalen. Voor het overige waren de huizen derPicardanen,belangende het gebouw en den opschik, weinig van de onze verschillende, dog de slaapsteden onder 't dak hangende, waren als vogelnesten. Men zal mogelijk vragen, hoe 't mogelijk zij, dat Exters, die onder 't geringe slag der vogels zijn, zulke groote gebouwen kunnen maken? Dog 't bleek uit een huis, waar van toen juist de fondamenten wierden gelegt, dat de zaak mogelijk was; want ettelijke duizenden van werklieden te gelijk, zetteden dat werk voort, invoegen dat de menigte en de ligtheid in 't vliegen, 't gebrek van kragten eenigzins te hulp kwamen. En om deze redenen worden de huizen derPicardanenbijna zoo vaardig opgebouwt als de onze. De Vrouw des Oppertollenaars kwam niet voor den dag, vermits zij in de kraam lag; want de kraamvrouwen gaan aldaar niet uit zoo lang de jongen niet vliegen kunnen; dog haar man zeide dat ze eerlang zoude uitgaan, overmits de kuikens alle dag stonden veêren te krijgen.

Wij bleeven niet lang in dit gewest, waarom ik ook den staat van dat land, nog den aart en zeden der inwoonders niet kan beschrijven. Daar was toen ter tijd eene geweldige beweging onder de gemoederen, om dat 'er onlangs een oorlog was ontstaan tusschen dbPicardanenen de Kramsvogels hunne nabuuren: vooral vermits 'er daags na onze aankomst, een gerugt liep, dat dePicardanen, in eenen grooten lugtstrijd, door de Kramsvogels waren geslagen; waarom ook de Veld-overste des legers, da rijp overleg van raade, gevonnist wierdt, dat hij eene vleugel-klieving zoude ondergaan, welke straf aldaar voor zeer zwaar wordt gehouden, en weinig van de halsstraffe verschilt. Na dat wij onze waaren verruilt hadden, staken wij in zee. Niet ver van strand, zagen wij het water als met veêren overdekt, en uit de pennen, welke wij in zee zagen dobberen, gisten wij dat dat de plaats was, alwaar de slag tusschen de Exters en Kramsvogels was voorgevallen.

Na eene voorspoedige reize van drie dagen, kwamen wij aan 't Musiek-land. Ons anker uitgeworpen hebbende, stapten wij aan den wal; gaande onze tolk vooruit met een Musiekinstrument, 't geen wij doorgaans eenBasnoemen. Dit scheen mij zeer belachelijk, vermits ik niet raden konde tot wat einde hij zig met dit pak beladen hadde. Nadien wij 't overal woest vonden, en nergens een voetstap van menschen te vinden was, gaf de Schipper bevel, onze aankomst door Musiek-geluid aan de inwoonders bekent te maken; en dadelijk kwamen, op 't geschal des trompets, omtrent dertig Musiek-instrumenten of bassen met éénen voet, toeloopen. Dit scheen mij waarlijk tooverij te zijn, vermits ik niets verbaazender op mijne reis gezien had. DeezeBasfioolen, welke ik vernam de inwoonders deezes gewests te zijn, waren van dusdanig een maaksel: Van boven was de hals langwerpig, met een klein hoofd, het ligchaam zelf naauw en gedrongen, met een glad-gemaakt deksel bedekt; invoegen dat 'er tusschen het deksel en 't ligchaam eene tusschenwijdte was overgelaten. Boven den navel des buiks hadt de Natuur eene kam of gestoelte met vier snaaren gestelt. 't Geheele gestel stondt slegts op éénen voet, zoo dat zij alle op één been loopende, even als of zij dansten, met eene zeer levendige snelheid het veld overliepen. Kort om, men zou gedagt hebben dat het waaragtige Musiek-instrumenten waren, om de gelijkheid der gedaante, zoo zij niet twee handen en twee armen hadden gehad. Met de eene hand hielden zij eenen strijkstok, en met de andere streeken zij over de snaaren, onze tolk, de inwoonders verzoekende met hen een mondgesprek te mogen houden,

Vat met zijn linkerhand terstond de holle bas,Terwijl zijn regterhand den strijkstok al zoo ras.Aangreep; en in dien stand maakt hij 't Musiektuig vaardigOm 't oor te streelen, naar de komt, zoo juist als aardig.

Hij kreeg terstond antwoord door het geluid der snaaren, zoo, dat zij, beurt om beurt eenen geruimen tijd speelende, hunne meeningen uitdrukten. In 't begin speelden zij niet dan eeneAdagioen dat met eene genoegzame welluidenheid; dog straks daar op speelden zij met verscheiden toonen dat men baloorig wierdt. Eindelijk wierdt het Musiek besloten met eene zoet luidende en aangenaamePresto;en wanneer de onze dezelve hoorden, sprongen zij op van vreugde, zeggende dat men het thans al eens was over den prijs der waaren. Straks bleek het dat de eersteGraveniet anders beteekende dan het begin des gespreks, en enkel bestondt in onderlinge groetingen; dog dat, zoo lang als de ongelijkluidende Musiek duurde, 'er geschil was over den prijs; en dat eindelijk de zoetluidendePrestode gelukkige overeenkomst in den handel te kennen gaf: want weinig tijds daar na wierdt het schip ontladen. Onder de waaren die derwaards worden overgevoert, was de harst van zeer veel aangelegenheid, waar mede de inwoonders van 't Musiek-land de strijkstokken of bogen, werktuigen tot het geluid, bestrijken; alwaarom ook, wanneer zij van eene misdaad overtuigt worden, hun tot straffe bij vonnis des Regters de strijkstok wordt afgenomen; en eene geduurige berooving van den strijkstok wordt bij hen voor halsstraffe opgenomen. Wanneer ik eens hoorde, dat 'er in zekere regtbank, die niet ver van ons vandaan was, eene regtszaake stondt uitgesproken te worden, liep ik derwaards om de wijze van een regts-geding in 't Musiek-land te hooren. De Advocaten, in plaats van te spreeken, begonnen de strijkstokken te roeren, trekkende geluid uit de snaaren die over haaren buik waren gespannen. Zoo lang 't geding duurde, wierden 'er niet anders dan ongelijkluidende klanken gehoort, invoegen dat in hunne afgeregte en gebaarmakende handen alle welsprekenheid gelegen was. Dog dat pleidooi geëindigt zijnde, stondt de Regter op, vatte eenen strijkstok, en speelde eeneAdagiogeen het zelve is met een vonnis uit te spreken: want terstond kwamen zij toeloopen, die de sententie ter uitvoer moesten brengen, om den verwezenen den strijkstok af te nemen. De kinderen vertoonen hier een soort van instrumenten, bij onsstok-fioolengenoemt. Hun worden geen strijk-stokken gegeven, bevorens zij drie jaren oud geworden zijn. Wanneer zij in hun vierdejaar treden, worden zij naar de schoolen gezonden, om van hunne meesters te leeren door 't op- en neerstrijken de klanken uit de snaaren te haalen, 't geen even het zelve is dat wij noemen in de letteren onderwezen te worden; en zij blijven onder 't onderwijs hunner meesters, tot dat zij naar den eisch speelen, en, zonder kratzen, den strijkstok naar boven stooten en naar beneden kunnen haalen. Wij wierden dikwils niet weinig van deeze jongens, die ons overal speelende vervolgden, geplaagt. Onze tolk, zig op de Musiek verstaande, zeide dat die speelende jongens bij ons kwamen bedelen om harst. Zoo lang zij bedelden, maakten zij een deftig geluid, of eeneAdagio;dog wanneer zij wat gekregen hadden, gaven zij een vlug en scherp geluid, of dat van eenePresto: want daar door wordt eene dankzegging uitgeduid. Dog wanneer zij niets komen op te doen, verdwijnt ook welhaast die geheele Zangberg.

Onze zaken wel en naar wensch verrigt zijnde, verlieten wij, omtrent het einde der maandCufan, het Musiek-land, en na eenige dagen zeilens, zagen wij een ander strand, uit welks stank wij gissinge maakten dat hetBijglossiawas. De inwoonders deezes lands zijn den menschen niet ongelijk; hier in egter verschillende, dat zij, geenen mond hebbende, door hun agterste spreeken. De eerste die op ons Schip kwam, was een rijk koopman. Hij groette ons naar de wijze des lands door zijn agterkwartier, en begon terstond met ons te handelen over den prijs der goederen. Dog tot mijn groot ongeluk lag onze barbier toen krank; waarom ik genoodzaakt wierd mij van eenenBijglossischenbaardscheerder te laten scheeren: want vermits deeze snotveegers doorgaans nog grooter babbelaars zijn dan die van Europa, vervulde hij, terwijl hij mij den baard scheerde, de herberg met eenen ijsselijken stank, zodanig dat wij na zijn vertrek genoodzaakt waren wierook te branden. Ik was nu aan de wonderbaarlijke zaken, en die tegen de natuur aanliepen, al zoo gewoon geworden, dat mij niets meer vreemd voorkwam. Vermits ons nu het verkeer met die vanBijglossiazeer onaangenaam en moeilijk viel, ligtten wij, onze reize verhaastende, een weinig voor den gezetten tijd onze ankers, voornamenlijk vermits wij van eenen rijkenBijglossiaante gast waren verzogt: want op zijn verzoek haalden wij alle de schouders op, en niemant wilde zijn woord geven, ten ware onder besprek van een gestadig stilzwijgen zoo lang de maaltijd duurde. Toen wij uit de haven voeren, wenschten ons alle deBijglossiaanenop het strand staande, eene gelukkige reize; en vermits wij met den landwind die van 't strand af kwam waaijen, vertrokken, verzogten wij hun door wenken en teekenen, dat zij tog hunne heilwenschen wilden spaaren: want al te veel beleefdheid is ongemakkelijk. De waaren, welke deMartinianenderwaarts brengen, bestaan in roozen-water, balzem, en verscheide andere soorten van welriekende specerijen.

Hier van daan zetteden wij onzen koers naar 't Ysland, zoo gruuwzaam en afschuuwelijk voor 't gezigt, dat ik, mijns bedunkens, nooit land gezien heb, dat ongelukkiger en meer beklagenswaardig is, aangezien aldaar niet dan bergen, altoos met sneeuw bedekt, zig aan 't gezigt opdoen. Tusschen de toppen der gebergten, alwaar de Zon nooit haare straalen schiet, vindt men hier en daar inwoonders alle van ijs gevormt. Want al 't geen tusschen de kruinen der rotsen gevonden wordt, wordt door de verslindende koude en een altoos duurenden vorst te ondergehouden. Hierom is ook aldaar eene eeuwige duisternisse, en, zoo 'er al eenig licht is, zoo wordt het veroorzaakt door de grijze rijp. Dog de beneden liggende dalen worden als door vlammen verbrand, en door heete dampen geroostert. Hier van daan is 't, dat de inwoonders niet in de valleijen durven afgaan, ten zij met betrokken lugt of in donker weer, en dat, zoo dra zij slegts het allerminste zonne-straaltje gewaar worden, zij, of naar 't gebergte te rug keeren, of in aller haast zig in de spelonken begeven. Dikwils gebeurt het, dat zij van 't gebergte komende, of onderweg versmelten, of eenig ander ongeluk ontmoeten; waarom ook de overtreders der wetten bij duister weer in een dal afgebragt zijnde, aldaar aan eenen paal worden vastgemaakt en blootgestelt voor de hitte der Zonne. Dit land brengt allerhande slag van bergstoffen voort, uitgezondert alleen goud. Deeze bergstoffen worden, nog nieuw zijnde, van de vreemde kooplieden uit dat land gevoert; want de inwoonders tegen de hitte niet bestand zijnde, zijn niet in staat om die te smeden. Men wil dat de handel op 't Ysland de voordeeligste is van allen die op deMezendorischelanden gedreven wordt.

Alle deeze Landen, waar van ik eene schetse heb opgegeven, staan onder de gehoorzaamheid van den Keizer van het gewestMezendoria, eigenlijk zoo genoemt; waarom ook de overige, door de Meevarende lieden, gemeenlijk worden genoemt deMezendorischeeilanden, schoon zij door bijzondere namen onderling onderscheiden worden, gelijk in deeze reisbeschrijvinge is aangetoont. Dat niet minder groot dan wonderlijk Gebied, is ook het einde en het middenpunt deezer reize. Na eene vaart van agt dagen, kwamen wij aan de Keizerlijke hoofdstad, alwaar wij alles dat de Digters ooit gezongen hebben, van de samenlevinge der dieren, boomen en planten, bevonden waaragtig te wezen. WantMezendoriais als het algemeene Vaderland aller dieren, boomen en planten die met reden begaaft zijn. Elk dier en ieder boom kan aldaar het burgerregt verkrijgen, zoo zij zig maar aan de regeering en wetten onderwerpen. Men zou zeggen, dat een mengzel van schepselen van zoo onderscheiden gedaanten en van zulk eene verschillende en tegenstrijdige natuur, verwarringen en opschuddingen zoude veroorzaken. Dog die tegenstrijdigheid zelve brengt aldaar een zeer gewenscht gewrogt teweeg: en zulks wel door de zeer verstandige wetten en inzettingen, welken deezen ondereen gemengde onderdanen, naar hunnen aart en geneigtheid, zulke bezigheden en bedieningen, als waartoe een iegelijk bekwaam is, opleggen. Zoo worden bij voorbeeld uit het geslagt der Leeuwen, om hunner aangebooren grootmoedigheids wille, de Regeerders verkoozen. De Olifanten zijn aldaar, om hun schrander oordeel, Leden van den Grooten Raad. Tot alle bedieningen op 't Hof betrekkelijk, neemt men Cameleons, vermits die veranderlijk zijn en onbehendig. De Krijgsmagt te Lande bestaat in Beeren, Tijgers, en diergelijke strijdbare dieren; dog tot de Zeemagt worden gebruikt Ossen en Stieren; want aangezien het zeevolk slegt en regt is; dog weinig gemaniert; maar koppig en onbuigzaam, leidende een leven dat met de ruuwe hoofdstoffe waar op zij leeven, overeenkomt; wordt hun de zeedienst opgedragen. Daar is ook een kweekschool van Hokkelingen, of aankomende Zeesoldaten (Zee-Cadets,) waar uit de Kapiteinen en Bevelhebbers ter Zee verkooren worden. De Boomen worden, om hunne aangeboren gematigheid, tot Regters verkooren. De Ganzen zijn Advocaten der Hooge Geregtshoven, en de Exters bepleiten de zaken in de lagere Regtbanken. De Vossen zijn 'er Gevolmagtigden, Gezanten, Consuls, Bewindsmannen, en Geheimschrijvers der bezendingen. De Raven zijn 'er doorgaans Executeurs in de boedels, en Bestierders der nalatenschappen, die nog niet aanvaard zijn. De Bokken zijn 'er Wijsgeeren, maar inzonderheid Taalgeleerden, en zulks zoo ten aanzien der hoorens, waar mede zij hunne tegenpartijders, zelfs om de allergeringste zaken, gewoon zijn aan te doen en op 't lijf te loopen; als ten opzigte der eerwaardige baarden, waar mede zij onder alle schepselen uitsteken. De Paarden zijn 'er Burgermeesters en Raadsheeren in de Steeden. De Eigenaars of Grondheeren en Bouwers der Landerijen, zijn Slangen, Mollen, Ratten en Muizen. Vogels zijn 't, die aldaar het ampt van Postlopers en Boden bedienen. De Ezels om hun balkend geluid zijn 'er Diaconen. De Nagtegalen nemen het ampt van Voorzangers en Organisten waar. De Hanen zijn 't, die de Stadswagt waarnemen en op schildwagt staan. De Honden zijn Poortiers. De Wolven zijn Ontvangers der Gemeene Middelen, en Commisen van den Tol; en de Haviken hunne Bedienden.

Door deeze voortreffelijke inzettingen is 't, dat 'er zeer veel zorgs gedragen is voor de bedieningen van 't Land, en alles zeer stipt en in eene welgeschikte orde wordt uitgevoert. Vervolgens moet dit Gebied tot een voorbeeld verstrekken, waar naar zig alle Wetgevers in 't grondvesten hunner Burgerstaaten, wel mogen rigten. Want wat aangaat dat 'er op andere plaatsen zulke slegte en tot de bedieningen onbekwame personen gevonden worden, dat koomt niet zoo zeer uit de plompheid, als wel uit de kwaade en verkeerde verkiezinge der vernuften voort: wanneer die naar behooren en zorgvuldiglijk gedaan wordt, en wanneer 'er verstandige en wakkere mannen, niet om deeze of gene verdiensten, maar om hunne bekwaamheid, tot een zeker bepaald ampt, met het zelve worden begiftigt; zullen ook de Staatsbedieningen doorgaans bij uitnemenheid wel waargenomen worden, en de bloei des Gemeenenbests eeuwigduurend zijn. Hoe heilzaam deeze instellinge zij, blijkt uit het voorbeeld deezes Rijks. Men vindt in de Jaarboeken vanMezendoriadat, voor drie-honderd jaaren, door den KeizerLalakdeeze wet wierdt afgeschaft, en dat de staats-bedieningen zonder onderscheid aan allen en een iegelijk wierden gegeven, zoo hij anders maar iets voortreffelijks gedaan, of in deeze of gene zaken eenig talent van bekwaamheid hadt. Dog door zoodanig eene bedeelinge van eer-ampten, ontstonden 'er zoo veele en zoo zwaare beroerten, dat het scheen met den Staat naar 't einde te loopen. Bij voorbeeld: een Wolf, zig in 't bestieren der Geldmiddelen wel gekweten hebbende, beweerde, dat hem daar door grooter eer-ampt moest worden gegeven, en wierdt Raadsheer; en een boom die vermaard was een uitnemend goed oordeel te bezitten, wierdt om die reden 't bewind over 's Lands penningen toegestaan. Dog door die geheel verkeerde en averegtsche bevordering, wierden 'er te gelijk twee wakkere mannen voor den Staat onnut gemaakt. Ook stondt een Bok of Philosooph, die van de Taalgeleerden, om zijne onverzettelijkheid in het koppig staande houden zijner stellingen, tot in den hemel geprezen wierdt, opgeblazen zijnde door die loftuitingen, naar een treffelijk ampt; eisschende en verkrijgende de eerste bediening die 'er aan 't Hof open viel. Dog een Cameleon, die zeer wel wist te leeven en zig naar den tijd te schikken, wierdt om die zelve reden tot Hoogleeraar op de Academie, naar welk ampt hij gewins halven stondt, aangestelt. Hier door gebeurde 't, dat gene niet minder kwaad Hoveling wierdt, dan hij een wakker Philosooph was geweest, dog dees van een goed Philosooph in een zeer slegt en belachelijk Hoveling hervormt wierdt; want die onverzettelijkheid in 't voorstaan zijner gevoelens, die hem als Philosooph niet kwalijk hadt gedaan, maakte hem tot eenen gantsch wanschapen Hoveling; vermits ligtvaardigheid en wispelturigheid hoofddeugden aan 't Hof zijn, en een Hoveling, zig niet voegende aan de zijde van de waarheid, maar van de veiligheid, naar dat de inzigten van 't Hof zijn, veelerlei gedaanten aanneemt. Dog 't geen eene ondeugd in de Hoven is, wordt in de Schoolen voor eene deugd gerekent, alwaar de drift om zijn stuk hardnekkig te beweeren, een kenteeken is van een gaauw en wakker man. Kort om, alle onderdanen met malkanderen, en zelfs de gene die door zekere gemoedsgaven boven andere hadden uitgeblonken, wierden door die verandering der wet, onnut en van geenen dienst altoos; en de Staat begon naar zijnen ondergang te hellen; waarom, vermits alles in 't riet liep, zeker verstandig Olifant of Raadsheer,Baccarigeheeten, den Keizer zonder eenige bewimpeling een gezigt van dat verval gaf. De Keizer, overtuigt van de waarheid, nam vóór dat kwaad te sluiten, en de hervorming geschiedde op deeze wijze: alle wierden zij niet te gelijk van hunne bedieningen afgezet; want dus doende zou 't geneesmiddel erger zijn geweest dan 't kwaad zelf; maar bij 't openvallen der ampten, wierdt een iegelijk, van het ampt, waar toe hij niet bekwaam was, afstand doende, een ander, dat hem beter geleek, opgedragen. Om dezen dienst aan 't Vaderland bewezen, en waarvan men terstond zulke heerlijke vrugten plukte, wierdt, ter eere vanBaccari, een Standbeeld opgerigt, 't geen nog heden ten dage op de markt teMezendoriagezien wordt; en zedert dien tijd werden de oude wetten heiliglijk onderhouden.

Onze tolk betuigde dat hem deeze geschiedenis verhaalt was door eenen Gans, waar mede hij zeer gemeenzaam verkeerde, en die gehouden wierdt voor een van de verstandigste Advocaten van de gantsche Stad. In dit gewest ziet men veele ongehoorde, ja zelfs verbaazende, verschijnselen, die de oogen der vreemdelingen en reizigers tot zig trekken. Het enkele gezigt van dieren van allerlei geslagt, als van Beeren, Wolven, Ganzen, Exters, enz. door alle wijken en oorden der Stad warende en praatende, verwekt bij de gene die diergelijke vertooningen niet gewoon zijn, te gelijk verwonderinge en vermaak. De eerste die binnen boord van ons Schip kwam, was een magere Wolf, of Commis van den Tol, omstuwt met vier Valken of Bedienden welke die van EuropaOpnemersnoemen. Deeze namen uit de koopmans goederen 't geen ben aanstondt, en gaven daar door genoegzaam te kennen, dat zij in de bediening, waar voor zij scheep kwamen, wel ervaren waren, en 't werk op hunnen duim hadden. De Schipper nam mij, volgens zijne gewoonlijke goedheid, zoo dikwils hij aan land ging, met zig. De eerste die ons ontmoette, na dat wij aan land gekomen waren, was een Haan, die, na dat hij volgens gewoonte, de oorzaak onzer reize en waar wij van daan kwamen, hadt afgevraagt, onze komst aan den Opper-tollenaar te kennen gaf. Van dezen wierden wij zeer beleefd ontvangen en tot het avondmaal genoodigt. Dog zijne huisvrouw, welke wij vernamen dat onder de Wolfinnen voor eene schoone vrouw wierdt gehouden, was 'er niet tegenwoordig; en de reden daar van, zoo als wij uit andere verstonden, was de jaloersheid van haaren man, die niet raadzaam oordeelde eene vrouwe van zoo schoone gedaante aan vreemdelingen te vertoonen, vooral aan Zeevarend volkje, die, door lange onthoudinge gretig en verhongert aan land komende, op vrouwen en jonge dogters plegen te loeren. Daar waren egter verscheide andere vrouwen te gast genodigt, die aldaar verschenen; en onder dezelve was de gemalin van zeker Bevelhebber ter Zee(Commandeur), die eene witte Koe was, gestippelt met zwarte vlekken. Naast aan deeze zat eene zwarte Kat, te wetende vrouw van den Koninglijken Jagerneester, welke onlangs uit eene Provincie in de Stad gekomen was. Die onder de gasten 't naast aan mij zat, was eene gevlakte Zog, de huisvrouw van den Opzigter der Rioolen (Renovations-Inspecteur); want tot diergelijke bedieningen worden gemeenlijk persoonen uit het geslagt der Varkens verkooren. Deeze was wel morssig, en at met ongewasschen handen, 't geen onder dat geslagt wel meer gebeurt; dog zij scheen mij ook te gelijk zeer gedienstig te zijn, want zij diende mij geduurig voor, uit den gemeenen schotel. Iedereen was verwondert over die ongewoone beleefdheid, voornamenlijk wijl de Zeugen juist de gemanierdste niet vallen. Dog ik had wel gewilt dat zij zoo hoflijk niet was geweest, vermits het mij zeer tegen de borst was, spijs uit de handen eener Zog te ontvangen. Hier staat te letten, dat de bewoonders van hetMezendorische Rijk,schoon zij, voor zoo veel aangaat de ligchaams-gestalte, den beesten gelijk zijn, egter handen den hebben, en teenen, die aan de voorste voeten voor uit steken, waarin zij alleen van onze viervoetige dieren verschillen; en vermits derzelver ligchaamen met hair of veêren bedekt zijn, hebben zij geen kleederen noodig. De Rijken worden alleenlijk van de Armen onderscheiden door zekere versierselen, als, bij voorbeeld, door halsbanden die van goud gemaakt, of met kostelijke gesteenten ingelegt zijn, of ook wel door hoofdsiersels rondom de hoornen geslingert. Het hoofd van de vrouw des Bevelhebbers ter Zee, was met zoo veele versiersels opgepronkt dat men 'er bijna geen hoornen aan konde zien. Zij verontschuldigde haars mans afwezigheid, zeggende dat bij om een Proces, waar in hij onlangs was ingewikkelt, t'huis moest blijven, en met twee Exters of Advocaten, die 's anderen daags zijne zaak stonden te bepleiten, moest besoigneeren.

Na de maaltijd sprak de gevlakte Zog, huisvrouw van den Opzigter der Rioolen, in 't geheim met onzen tolk, betuigende zeer op mij verlieft te zijn. Hij, haar vertroostende in haar lijden, en 't hulpmiddel tegen haare kwaale belovende, begon mij daar over aan boord te komen, en toen hij zag, dat 'er met woorden niets te doen viel, raadde hij mij te vlugten, als wel bewust zijnde, dat Mevrouw hemel en aarde zoude bewegen, om tot haar oogmerk te komen. Zedert dien tijd hield ik mij scheep: vooral, vermits ik verstond, dat een oude liefde van Mevrouw, te weten een Student in de Philosophie, door minijver gedreven, op mijn leven loerde. Dog de verschanssing van 't Schip zelve kon mij naauwlijks beveiligen tegen de verliefde aanvallen van Mevrouw; want nu trachtte zij eens door boden, dan door minnebrieven, dan wederom door verliefde gedigtjes, mijn ongevoelig hart te vermurwen; en, zoo niet door onze opgevolgde schipbreuk die brieven verlooren geraakt waren, ik zoude hier een staaltje der Varkens-poëzy kunnen opleveren. Dog ik ben alles vergeten, en in mijn geheugen heb ik 'er niets meer van behouden, dan alleen deeze versjes, waar in zij haar af beeldsel aldus opgeeft;

..............Ei! reeken 't mij geen schande,Mijn glad-gemesten pens rondom te zien bezetMet harde borstels, die mij puilen uit het vet.Of zou het loof een boom: dan langer niet versieren?De trotsche maan', die 't paard hangt om den hals te zwieren,Het leelijk staan? O neen! 't Lam past de bonten vagt;De veêren 't Pluimgediert': en, zeg mij, wie veragtDen man niet, aan wiens kin de baard niet is gewasschen?Waarom zou dan mijn lijf geen ruige borstels passen?

De verruiling der koopmansgoederen geschiedde met zoo grooten haast, dat wij binnen weinige dagen weer konden onder zeil gaan; dog onze reize wierdt eenigzins opgehouden door een opgekomen geschil tusschen ons bootsvolk, en eenige burgers vanMezendoria, zoo als wij stonden om 't anker te ligten. De oorzaak des geschils was deeze; zeker Koekoek hadt eenMartiniaanschmatroos, zoo als die bij geval door de Stad ging wandelen, eenige scheldwoorden toegeworpen, en hem uitgemaakt voor eenPeripom, zoo veel bij ons te zeggen als tooneelspeeler: want aangezien de Aapen in dit gewest gemeenlijk de Jan Pottages en Comedianten zijn, hadt de Koekoek den matroos voor eenen tooneelspeeler aangezien. Dog dees dien smaad niet kunnende opkroppen, onthaalde den schimper op eene dragt stokslagen, en hem wakker toedekkende, ontheupte hij hem bijna. De Koekoek terstond roepende: Burgers staat bij, riep de omstanders tot getuigen, en bragt ze 's anderendaags voort om verhoort te worden. De getuigen verhoort zijnde, bragt hij de zaak voor 't geregt der Stad. Hierom wierdt de matroos zig nog op de taal, nog op 't regt vanMezendoriaverstaande, genoodzaakt eenen Exter of Advocaat te huuren, om zijne zaak te verdedigen. Dus wierdt die zaak in den Raad bepleit, en binnen den tijd van een uur kwam 'er een vonnis op van deezen inhoud:Dat de Koekoek, als aanrander, de straffe zoude dragen waar van hij de oorzaak was, en de kosten betalen van het Proces, welke egter, gelijk doorgaans geschiedt, door het salaris van den Advocaat geheel en al wierden ingezwolgen. De Raadsheeren, die over dit geding zaten, waren Paarden, van welke 'er twee Burgermeesters, en de vier andere Raaden wierden genoemt. Wijders waren 'er even zoo veele veulens tegenwoordig; dog die hadden slegts overwegende, en geen besluitende stemmen, en wierden bij diergelijke verrigtingen toegelaten, als Aankomelingen en Candidaten in de Regten. Ik verstond dat 'er ook zulke kweekscholen in andere Vergaderingen waren, waar uit zij gewoon zijn de bekwaamde Aankomelingen te nemen, om de opengevallen plaatsen weder te vervullen.

Onzen koophandel naar wensch gedreven en ons Schip met kostelijke waaren geladen hebbende, begonnen wij op ons vertrek te denken. Na dat wij diep in zee gesteken waren, begon het zoo stil te worden, dat wij geenen voortgang meer maakten, waarom de een met een elger, en de ander met hoeken begon te visschen. Eerlang begon 't wat op te koelen;

............. Des draalden wij niet langMaar rukten 't zeiltje bij, en raakten aan den gang:

Na dat wij langen tijd, voor den wind en met genoegzame koelte, de zeebaaren geklieft hadden, zagen wij nieuwe Sirenen,

...... Die, in de zoute plassen,Zig staag begietende met water,'t ligchaam wasschen:En 't scheen de Zee-meermin, nu duik'lend naar den grondDan bovenkomende, geen klein genoegen vondt;

Bij poozen gaven ze een vervaarlijk geluid van zig, waar door het bootsvolk niet weinig verschrikt wierdt, als door ondervindinge geleert hebbende, dat die treurige musiek een voorspook is van onweer en schipbreuk. Hierom wierden terstond de groote zeilen ingenoomen, en een iegelijk op zijnen post gestelt. Naauwlijks was dit verrigt, wanneer de lugt met zwarte wolken wierdt overtrokken, en de zeegolven door de vervaarlijke rukwinden aangezet, zig tot aan den hemel verheften, zoo dat de Stuurman, die bijna veertig jaaren de Onderaardsche zeeën beploegt hadt, heiliglijk betuigde, zig nooit in grooter onweer bevonden te hebben. Al wat tusschen deks gelegen hadt, dreef nu bereids in 't water, dat wij, zoo door de instortende golven, als door de vervaarlijke slagregens met donder en blixem vermengt, in 't Schip gekregen hadden, invoegen het scheen dat alle de hoofdstoffen te gelijk onzen ondergang hadden zworen,

't Schip gierde vast door holle zee.De nagt kwam schielijk aangetogenEn rukte ons den dag uit d'oogen,Het wierdt een weer dat ieder schrikken dêe.De blixem schoot door zwarte wolken heenenEn flikkerde in de lugt: het kraakenDes donders scheen elks hart te raaken:Eerlang was alle hoop tot ons behoud verdweenen:Wij wierden in den koers verbijstert,En vreeslijk door de zee geteisterd.

Eerlang brak onze groote mast aan stukken, en de overige gingen den zelfden gang. Toen stondt iedereen de dood voor oogen. Dees riep om zijne vrouw en kinderen, een ander om zijne vrienden en bloedverwanten, en het gantsche Schip weergalmde van een naar gehuil. De Stuurman trachtte wel, schoon hij zelf wanhoopte, hen met woorden ter neêr te zetten, hen vermanende te bedaaren, en op te houden van klagten, die niets deden dan den moed benemen. Dog terwijl hij daar mede bezig was, sloeg hem de wind in zee, en toen men hem trachtte te redden, wierdt hij door eenen rukwind onder eene golf gesmeten, en hij verdronk. Drie andere ondergingen dat zelfde lot, waar van 'er de Opperkoopman een was, en de twee andere waren bootsgezellen. Ik alleen verdroeg dat algemeen ongeval met lijdzaamheid, vermits ik, verdriet in mijn leven hebbende, geenen lust hadt om weder teMartiniate komen, alwaar ik beide mijne vrijheid en agtinge verloren had, en vervolgens onder 't getal der genen was, welke voor

Gebrek, nog opgeheven zwaart,Nog kerker, zijn in 't minst vervaart.

Alleenlijk was ik bewogen over onzen Schipper, om de gunst die hij mij, geduurende onze geheele reis, bewezen hadt; en ik trachtte, met de beste woorden die ik bedenken kon, zijne verslagehheid op te beuren; dog ik stelde mijne welsprekenheid te vergeefsch in 't werk, vermits hij niet ophieldt van zugten, en van even als een wijf te balken, tot dat hij door eene opkomende zwaare golf in zee gesmeten wierdt. 't Onweder gestadig toenemende, wierdt het Schip voor verloren gehouden. Mast en roer, riemen en touwen waren bereids weg, en het vaartuig wierdt als een holle romp door de golven herwaards en derwaards geslingerd. Drie dagen agter een, stonden wij deezen storm uit, in doodsvreeze en flaauw van honger. De lugt wierdt nu en dan wel eens wat helderder; dog de storm bleef gestadig aanhouden. Eindelijk schepten de nog overgebleven matroozen eenigen moed, toen zig van Verre eenig land, dat berg- en klipagtig was, opdeedt; en vermits de wind naar 't lager was, kreegen wij hoop eerlang aan land te zullen komen. Zonder schiphreuk kon dat niet wel geschieden, om dat het strand niet vlak was; dog daar was kans, dat zoo niet alle, egter de meeste, door behulp der drijvende luiken eenigen tijd hun leven zouden bergen. Dog terwijl wij ons met deze hoop vleiden, stiet het Schip op eene blinde klip met zulken geweld te barsten, dat het bijna in honderd stukken van een viel. In deeze verbaasdheid greep ik een luik, niet eens denkende op mijne makkers, vermits ik alleen bedugt was voor mijn eigen behoud: ook weet ik tot nog toe niet wat hun mag overkomen zijn. 't Is waarschijnlijk dat zij alle ellendiglijk zijn om hals geraakt, vermits ik niet vernomen hebbe, dat iemant daar aan land is gekomen. De vloed, en baaren, voerden mij, met eene groote snelheid naar het strand, 't geen mijn geluk was, want zoo ik wat langer in dien staat gebleven had, zoude ik, afgemat van honger en gebrek, zonder twijfel het leven daar bij hebben ingeschoten. Na dat ik in eenen inham was geworpen, begon de zee te bedaren en haar geruisen te verzagten, zoo dat men ze slegts flaauwlijk konde hooren. Die gantsche gewest is bergagtig; hierom maken de kromten der bergen, de menigvuldige heuvelen, de gespleten kruinen der rotzen, en de bolle bogten der valleijen, de lugt zeer ongelijk, waar door 't gebeurt dat op veele plaatsen de woorden worden wedergekaatst. Wanneer ik nu zag dat ik bijna het strand bereikt had, gaf ik eenen grooten schreeuw, hopende dat de gene die nabij 't strand woonden, op dat geroep zouden komen toeschieten en mij helpen. Op mijn eerste geroep hoorde ik geen tegengeroep; maar toen ik daarmede voortging, hoorde ik een geluid van 't strand komen, en zag dat det inwoonders des Lands uit het digtste van het bosch te voorschijn kwamen, en in eene soort van boot vielen, om na mij toe te komen. De boot was gemaakt van teenen van Haag-appelboomen en Eike-wisschen, waar uit genoeg was af te neemen, dat dit geenszins het allerbeschaafdste volk was. Dog op het zien der roeijers wierdt mijn hart met blijdschap vervult, vermits dezelve ten opzigte hunner ligchaams-gedaante niets van de menschen verschilden; en zij waren ook de eenigste menschen, welke 't mij hadt mogen gebeuren in mijne gantsche Onderaardsche reize te zien. Zij gelijken zeer wel naar de bewoonders onzes Aardkloots die onder de linie zijn; want zij hebben zwarte baarden en gekroest hair, en de gene die blond en lang ongekrult hair hebben, worden onder de wanschepsels gerekent. Eindelijk kwamen zij aan het stuk van 't schip waar op ik dreef, en namen mij, die hun ootmoedig de handen toestak, in de boot. En toen,

Verkleumt van koud' en zonder kragt,Wierd ik van hen op 't strant gebragt,

Alwaar ik een weinigje met spijs en drank, schoon raauw en gering, verkwikt zijnde, (want ik had geduurende den tijd van drie dagen honger en dorst geleden,) eerlang tot mij zelven kwam.

Midlerwijl liep 'er zeer veel volks bijeen, dat met mij wilde spreeken; dog hunne taal niet verstaande, wist ik hun niets te antwoorden. Nadien ik dagt dat de woordenDank Dank, welke zij dikwils herhaalden, Hoogduitsche waren, antwoordde ik hen in die spraak: een weinig daar na sprak ik Deensch, en terstond daar op Latijn; dog zij toonden genoegzaam door 't schudden hunner hoofden, dat zij 't een zoo min als 't ander verstonden. Ik trachtte eindelijk mijne gedagten in de Onderaardsche taalen, te weeten in deNazarischeen in deMartiniaansche, uit te drukken; dog alles was te vergeefsch. Hier uit giste ik dat dit een wild en woest volk was, en dat geen gemeenschap altoos hieldt, of eenigen handel dreef met de overige Onderaardlingen, en vervolgens dat ik in dit gewest weder kinds zoude moeten worden, en leeren spreeken.

Na dat wij lang gepraat hadden, dog egter zoo, dat de een den anderen niet verstondt, wierd ik naar een hutje gebragt, dat van teenen gevlogten was: daar vondt men nog stoel, nog bank, nog tafel; want zij aten op den grond zittende, en vermits zij geen bedden hadden, bragten zij slegts ondereen op wat stroo leggende den nagt door, 't geen mij des te meer verwonderde, aangezien in dat gewest zeer veele bosschen worden gevonden, die wel met hout voorzien zijn. Hun eenige voedsel was melk, kaas, haver-brood en vleesch, 't geen zij lieten bevriezen, vermits zij zig niets met allen op de kokerij verstonden. Kortom, zij waren bijna even als de eerste stervelingen,

Die, ruw en onbeschaaft, niet wisten van te ploegen,Of van den dommen Os in het gareel te voegenOm d'aard' te klieven, en in den gebroken grondTe kweeken 't vette graan tot spijze voor den mond:Die plomp en ongewoon om schatten te vergaêrenNog onbedrevener in die te houden waren;Maar die te vreeden met de vrugten van 't geboomt',Of 't geen de jagt hen gaf, steeds leefden onbeschroomt.

Om deeze redenen leefde ik hier eenen geruimen tijd een honden-leven, totdat ik zoo verre in de taal vorderde dat ik met de inwoonders spreeken, en hen in hunne onweetenheid konde te hulp komen. En waarlijk mijne allergeringste lessen wierden voor Godspraken gehouden. Hierom kwamen zij alle uit de omgelegen Dorpen, door 't gerugt mijns naams gaande gemaakt, met geheele troupen naar mij, als tot een uitstekend Leeraar, die hen van den hemel was toegezonden, toevloeijen; en ik hoorde dat 'er eene nieuwe tijdrekening, beginnende van mijne aankomst af, bij eenige van hen stand zoude grijpen. Die alles was mij des te aangenaamer, vermits ik inNazarenMurtinia, bij gene om mijn al te vlug vernuft en schielijkheid, bij deeze om mijne domheid, iedereen ten spot had verstrekt. Toen ondervond ik ook dat het spreekwoord waaragtig was, te weten: dat onder de blinden één-oog koning is; want ik was hier in een land gekomen, daar ik met een weinigje verstands, en met het gene bijna niet genoemt mogt worden, mij vermaart maken, en op den hoogsten trap des geluks konde klimmen. Ook had ik een ruim veld om te toonen wat ik doen konde, vermits dit gewest alles wat de mensch tot gebruik noodig heeft, rijkelijk opbragt: want de aarde brengt 'er zeer veele dingen van zelfs voort, en vergelt den zaaijer met veelvuldigen woeker; verstrekkende zooveel lekkernijen als noodig onderhoud. De inwoonders deezes lands waren wel niet onleerzaam, of in 't geheel van vernuft berooft; dog vermits zij nergens in onderwezen waren, zaten zij in eene diepe onkunde. Toen ik hen verhaalde mijn Geslagt, Vaderland, Schipbreuk en andere zaken, welke, mij op de reis bejegent waren, wilde niemant daar geloof aan slaan. Zij geloofden liever dat ik een inwoonder der Zon was, en dat ik uit dat gesternte was nedergedaalt; waarom zij mij ook gemeenlijkPikil-Su, dat is afgezant der Zonne, noemden. Hen was niet onbekent dat 'er een God was; dog met de betooging van zulk een aangelegen leerstuk hielden zij zig niet zeer op, meenende genoeg te zijn, dat hunne voor-ouders dat zoo gelooft hadden. In dit leerstuk alleen bestaat hunne gantsche Godgeleerdheid. Wat aangaat het zedelijke, daar in kenden zij niet meer dan dat eene gebod:

Wat gij niet wilt dat u geschied'Doe dat ook aan een ander niet.

Zij hadden geene wetten: de wil des Keizers alleen was hunne wet, en om deeze reden wierden 'er geen misdaden, dan die tegen den Staat begaan waren, gestraft. Zoo iemant eenige andere euveldaden bedreven hadt, wierdt zijn bijwezen van allen geschuwt, en die versmading viel den overtreders zoo smertelijk en ondraaglijk, dat 'er niet weinige, of van hartzeer stierven, of uit verdriet in hun leven, de handen aan zig zelven sloegen. In alle tijdrekening waren zij gantsch onbedreven; rekenende alleen hunne jaren van de Zon-eclips welke voorvalt door de tusschenkomst van de PlaneetNazar, invoegen dat wanneer men 'er vraagde hoe oud iemant was, men ten antwoord kreeg, dat hij zoo veele eclipsen beleeft hadt. Hunne Natuurkunde was geheel mager en ongerijmt; want zij geloofden dat de Zon eene gouden plaat, en de PlaneetNazareene kaars was. Toen ik hen naar de oorzaak vraagde, waarom de PlaneetNazarop gezette tijden af- en toenam, gaven zij mij ten antwoord, dat zulks hen onbekent was. Hun grootste rijkdom en vermogen bestondt in varkens, welke zij in de bosschen jagende, uit merken en kenteekenen onderkenden en eens ieders vermogen wierdt geschat naar het getal van zwijnen dat hij bezat. De onvrugtbare boomen, en die geen eikels droegen, waren zij gewoon te geesselen, vermits zij dwaaslijk oordeelden dat die onvrugtbaarheid voortkwam uit derzelver nijdigheid en kwaadaartigheid.

Dusdanig stondt het met dat erbarmenswaardige volk, 't welk ik in 't begin wanhoopte door een goed bestier en heilzaame leeren tot beschaafde menschen te zullen brengen; dog mij te binnen brengende:

Wie is zoo woest die niet gebragt wordt tot bedaren?Heerscht niet de Reden zelfs ook onder de Barbaren?'t Verstandig onderwijs drijft alle woestheid uit:Ten zij men voor de tugt baldadig d' ooren sluit;

Stelde ik al mijn verstand in 't werk, om dat barbaarsche volk 'te beschaven, en daar door wierd ik onder hen als voor een Godlijk man gehouden: ja zij hadden zulk een groot gevoelen van mijne wijsheid, dat zij geloofden dat mij niets onmogelijk was.

Hierom was nooit bij nagt een lam de kudde ontstolen;Geen schaap was afgedwaalt en slegts een dag verholen;Geen geit door ziekte hadt ooit het leven afgelegt;De langverwagtte oogst den landman hoop ontzegt;Geen os was voor den ploeg ontijdig dood gevallen,Of ik kreeg straks de weet: zij kwamen met hun allen,Zelfs in den hollen nagt, geloopen naar mijn hut,en klaagden 't ongeval. Een' algemeenen stutEn steun verstrekte ik hen in hunnen nood....

Ik zag eens eenen zekeren boer voor mijne deur op zijn aangezigt leggen, smeltende in tranen, en zijne handen wringende dat de leden kraakten, mijne hulp verzoeken. Toen ik hem naar de oorzaak daar van vraagde, barstte hij uit in klagten over de halstarrige onvrugtbaarheid zijner boomen; op het nederigste verzoekende, dat ik door mijn gezag wilde te wege brengen, dat zij als naar ouder gewoonte eikelen mogten dragen. Ik hoorde dat dit gantsche landschap onder 't gebied eenes Konings stondt, wiens verblijf ter dier tijd agt dagen reizens af was van het Dorp, aldaar ik mij toen ophield: ik zeg ter dier tijd, vermits de Hoofdstad verplaatsbaar was, en, in plaats van in vaste, huizen, in tenten bestaat, welke te gelijk met het Koninglijke huisgezin en deszelfs onderhoorigen, uit het eene gewest in 't andere pleegen overgevoert te worden. De Koning, die toen op den throon zat, was een bedaagt Vorst en wierdtCasbagenaamt, 't geen zeggen wil, de Groote Keizer. Dit gewest verdiende wel te regt, ten aanzien der wijduitgestrekte landstreken waar uit het bestaat, een Koningrijk genoemt te worden; dog om de onkunde der ingezetenen, welke hunne eigene kragten niet kenden, wierdt het van: weinig belang geschat; waarom het ook, bloot gestelt voor de aanvallen en beschimpingen zijner nabuuren, dikwils, genoodzaakt was schattinge te betalen aan onmagtige Natiën.

Het gerugt van mijnen naam en bekwaamheden wierdt weldra door alle gewesten verspreit; en de ingezetenen deeden van dien tijd af aan niets, ten zij men mij eerst als eene Godsprake hadt raadgevraagt: ja zoo menigmaalen als eene ondernomene zaak kwalijk uitviel, dagten zij dat zulks bij mijne kwaadwilligheid of onverschilligheid toekwam. Hierom waren 'er, die mijnen toorn met offerhanden trachtten te verzoenen. Alle de dwaasheden van dit domme volk zal ik niet verhalen; en het zal genoeg zijn daar van 't een of 't ander staaltje te melden, waar uit men van de overige ligtelijk zal kunnen oordeelen. Eene zwangere vrouw beeldde zig in, dat ik te wege konde brengen dat de vrugt die zij in haar ligchaam droeg, een knegtje gebooren wierdt: andere baden, dat ik hunne Ouders, die door ouderdom tot de voortteelinge onbekwaam waren geworden, jeugd en jaren wilde bijzetten: een derde verzogt mij, dat ik hem door de lugt naar de Zon wilde voeren, om uit deszelfs schoot zoo veel goud op haalen als hij noodig hadt, en 't zelve verkregen hebbende, daar mede wederom te rug te keeren. Door deeze en veele diergelijke verzoeken menigmaal baloorig gemaakt, haalde ik hunne gekheid dikwils met strenge woorden door; nadien ik dagt, dan dit al te groot vertrouwen van mijne magt en bekwaamheden, eindelijk op eene Godsdienstige eerbewijzing mogt uitkomen.

De maar' komt eindelijk den ouden Vorst ter ooren,Dat zeker vreemd'ling, nooit aldaar gezien te voren,Was in zijn' heerschappij gekomen: uit wiens dragtGenoegzaam bleek, dat hij uit een uitheemsch geslagtEn aan een ander oord geboren was;...

Dat hij gezegt hadt een afgezant der Zonne te wezen; en dat hij door zeer wijze en bijna Godlijke lessen aan eenigeQuamiten(dus wierden de bewoonders van dit gewest naar deszelfs naamQuamageheeten,) te geven, zig betoont hadt, meer dan een mensch te wezen. Om deeze reden zondt de Vorst terstond afgezanten, met bevel om mij te verzoeken naar het Hof te willen komen. Dat gezantschap bestondt uit dertig persoonen, alle gekleed met tijgerhuiden, welke dragt in deeze gewesten voor de aanzienlijkste werdt gehouden, nademaal niemant zig in dat gewaad, mag kleeden, ten zij hij zig manhaftig hebbe gekweten in den oorlog tegen deTanachiten,(een soort van Tijgers, die menschelijk verstand hebben, en de grootste vijanden derQuamitenzijn). Midlerwijl had ik in 't gehugt, alwaar ik toen mijn verblijf hield, een huis van steen, twee verdiepingen hoog, naar de wijze der gebouwen in Europa, doen optimmeren. Dat huis wierdt als een verbaazend gevaarte, en 't geen menschen-kragten te boven ging, door de afgezanten bezigtigt, en daarom traden zij met eenen Godsdienstigen eerbied daarbinnen; als in een heiligdom, om mij 's Keizers last bekent te maken. 't Ontwerp van hunnen last was bijna in deeze bewoordinge vervat: "Nademaal de Groote, KeizerCasba, hun zeer genadige Heer, van geslagt en voorouders afkomstig was vanSpinko, zoon der Zonne, die de eerste was die teQuamageregeert hadt; was hem niets aangenaamer geweest, dan deeze bezendinge te mogen doen: vooral, nadien dezelve diende tot zeer groot nut van 't Rijk, en dat 'er hoope was, dat onder zulk een uitnemend Leeraar, de gantsche heerschappij eerlang eene andere gedaante zoude krijgen; weshalven hij hoopte, dat de afgezant des te liever ten Hove zoude willen komen, vermits hij aldaar meer en grooter gelegenheid zoude vinden, om zijne bekwaamheden in 't werk te stellen". Deeze aanspraak geëindigt zijnde, bedankte ik de afgezanten ten hoogsten, en vertrok met hen naar 't Hof, Zij hadden, veertien dagen op deeze reize onder weg geweest dog op ons vertrek leiden wij die in vier dagen af, 't geen door mijn toedoen wierdt te weeg gebragt; want nademaal ik bespeurt had, dat dit Land zeer veele Paarden voortbragt, en dat dezelve den inwoonderen eer tot last dan ten nutte verstrekten, vermits dezelve als wild door de bosschen liepen; wees ik hen de nuttigheid aan, welke zij uit het gebruik van die moedige dieren konden trekken, en leerde hen de konst van die te temmen. Eerlang waren 'er ettelijke Paarden mak gemaakt; en op de aankomst der afgezanten, had ik 'er bereids zoo veele in gereedheid die afgeregt waren, als wij op de terug-reize noodig hadden. De afgezanten de Paarden ziende, stonden 'er over verbaast, en durfden geduurende eenen geruimen tijd, dezelve niet beklimmen; dog toen zij zagen, dat ik en andere die zonder vrees of gevaar, met toomen, bestierden, en die met teugels bereden, schepten zij, na eene geringe proef genomen, te hebben, moed, en schikten zig naar 't geen ten rijtuig stondt te vertrekken. En dit was de oorzaak, waarom de derwaards-reis driemaal korter viel dan de herwaards-reis geweest was. Toen wij niet verre van de plaats waren, alwaar wij geloofden dat het Hof zijn verblijf hielde, vernamen wij dat de Hoofstad naar een ander gewest was overgebragt. Hierom moesten wij terug rijden en onze reize naar elders nemen.

't Is bijna niet uit te drukken, met welk eene opgetogenheid deQuamiten,ons, in dien toestel reizende, stonden aan te kijken. Sommige van hen wierden zodanig door schrik bevangen, dat zij de Hoofdstad dagten te ruimen. De Keizer zelf hieldt zig bevreest binnen zijne tente, en durfde 'er niet uitkomen, eer een der afgezanten van 't Paard stijgende, hem dat geheim geopenbaart hadt. Een weinig daarna wierd ik op eene plegtige wijze, en met een groot gevolg, in de tente des Keizers geleid. Daar zag ikCasbaonder een behangsel van tapijten, midden onder zijne hovelingen zitten. Toen ik, binnen de tent tredende, met zeer eerbiedige woorden des Keizers weldadigheid verhefte, stondt die Vorst op, en vraagde mij hoe 't de Monarch der Zonne, Stichter en eerste Stamvader desQuamitischenHuis, al maakte. Vermits ik genoodzaakt was de verouderde dwalinge derQuamitente koesteren, gaf ik ten antwoord: dat ik van den Alleenheerscher der Zonne naar de Aarde was afgezonden, om de ruwe en onbeschaafde zeden derQuamitendoor heilzame lessen te polijsten, en hen zodanig in de wetenschappen te onderrigten, dat zij niet alleen de wreedheid der nabuurige Volkeren zouden kunnen wederstaan; maar zelfs de palen hunnes gebieds uitbreiden; en dat mijn last behelsde dat ik daar altoos moest blijven. Deeze aanspraak beviel den Keizer boven maten; terstond gaf hij bevel mij eene tente op te slaan, en dezelve digt bij de zijne te stellen: ook wierden mij vijftien dienaars tot mijnen dienst toegeschikt, en de Vorst zelf stelde zig nergens in aan als mijn Heer; maar zogt mijnen dienst als een vriend.

Zedert dien tijd leidde ik mij geheel en al toe, om dit gewest eene andere gedaante te geven, en de jeugd in den krijgshandel te oeffenen.

Een plein, wijd-uitgestrekt en voor de poort der stadGelegen, was de plaats die ik verkooren hadTen school der jonglingschap: hier leert men hen de PaardenBerijden naar de komt: te handelen de zwaarden:Hier ziet men hoe een held den oorlogswagen ment:Dáár, hoe een jonge knaap in 't renperk wordt gewentTe dingen naar den prijs; den stalen boog te spannenEn, in zijn' frissche jeugd, zelfs d'afgeregtste mannenVoorbij te streven in behendigheid en kragt.Men ziet 'er menig een die, naar vermogen trachtDe taaije werpspeer, met zijn' sterkgespierde armen,Te drillen......

Ik maakte een begin met hen de Paarden te leeren temmen, en tot het gebruik des oorlogs bekwaam maken; hoopende alleen door ruiterij de nabuuren in toom te zullen houden. Door mijne onvermoeide zorg en vlijt, wierden 'er eerlang zes duizend mannen te paard, den Keizer voorgestelt. En vermits deTanachitenter zelver tijd eenen nieuwen inval dreigden te doen, om redenen dat de betaling der schattingen wat lang agter bleef, waar, van zij de voldoeningen te vergeefsch vorderden; trok ik op 's Keizers verzoek', met die nieuwe ruiterij, ondersteunt door een leger voetknechten, den vijand tegen. 't Voetvolk had ik met pieken en werpschigten gewapent, waar mede zij van verre met deTanachitenkonden schermutselen: want tot nog toe hadden deQuamitenniet anders gebruikt dan korte zwaarden of dolken: waarom zij bijna altijd met de vijanden, die sterker waren in ligchaams-kragten, handgemeen wordende, met ongelijken kans gestreden hadden.

Ziende mij nu tot Opperhoofd des Legers aangesteld, en merkende dat deTanachitenver van de grensen onzes Rijks te velde waren getrokken, voerde ik mijn volk op hen aan. DeTanachitenzoo onverwagt een leger op hen ziende aankomen, hielden zig in 't eerst zeer stil; dog de onze toetredende, hadt men niet zo haast den strijd aangebonden, of zij gebruikten hunne pieken en werpschigten, en maakten, op die wijze vegtende, eene zeer groote slagtinge onder de Vijanden. Deeze verloren egter den moed niet; maar stortten met een groot geweld op ons Voetvolk. Dog toen ze door onze nieuwe Ruiterij van ter zijde, wierden aangetast, wierden hunne gelederen gescheurd, en zij zodanig op den vlugt geslagen, dat door dien aanval de geheele slag wierdt gewonnen. Toen wierdt een zeer groot getal der vijanden op de slagtbank gebragt, en de Veldheer van hetTanachitischLeger wierdt te gelijk met twintigduizend adelijke Tijgers levendig door de onze gevangen genomen, om naarQuamain zeegepraal te worden gevoert. 't Is bijna niet uit te drukken, hoedanig eene vreugde deeze zeer heerlijke overwinning door het gantsche Rijk verwekte, want in de voorgaande oorlogen hadden deQuamitendoorgaans het onderspit gedolven, en geenen vrede dan op zeer nadeelige voorwaarden kunnen verkrijgen. Aanstonds gaf de Keizer bevel de gevangenen, als naar gewoonte, tot het ondergaan der halsstraffe weg te leiden; dog ik die gewoonte verfoeijende, ried aan dat men ze in de gevangenisse zoude bewaren, oordeelende dat deTanachitenwaar mede men thans nog vrede nog oorlog hadt, zig wel zouden stil houden, tot dat zij zagen wat 'er van de gevangenen zoude worden: voorts oordeelde ik, dat een bestand mij noodig was, om andere zaken, welke ik bedagt had, ter uitvoer te brengen. Ik had gemerkt dat 'er hier te lande overvloed van salpeter was, en ik had 'er al, bereids eene groote meenigte van vergadert, waar uit ik dagt buskruit te maken; dog ik had mijn voornemen aan niemant dan alleen aan den Keizer te kennen gegeven, vermits ik zijn gezag nodig had om smitzen, waar in de bussen en diergelijke werktuigen zouden gesmeet worden, te doen opregten; hoopende dat door die werktuigen eerlang, alle de vijanden onzes Rijks zouden te onder gebragt worden. Na dat ik eenige honderden bussen met de noodige koogels daar toe had doen vervaardigen, deed ik eene openbaare proef van mijne uitvindinge, waarover zij zig alle grootelijks verwonderden. Een bepaalt getal van Krijgsvolk tot dit soort van krijgsdienst van stonden aan uitgekoren zijnde, wierdt dagelijks in den wapenhandel met de bussen onderwezen. Deeze proef gedaan en de Busschieters wel geoeffent zijnde, wierd ik van den Keizer totJachal, dat is Opper-veld-heer, des Legers aangestelt, aan wien alle de Opperhoofden van 't Voet- en Paarden-volk moesten gehoorzamen. Terwijl dit alles voorviel, had ik met den Veld-oversten derTanachiten, Tomopoloko, wiens opregte inborst mij met hem als met eenen vriend deedt omgaan, verscheide samenspraken: willende de gelegenheid, inborst en zeden van die natie behoorlijk ondertasten. Ik bevond hem, niet zonder verwonderinge, eenen verstandigen, geschikten, en in de studien wel bedreven man: ik vernam ook dat in 't land derTanachitende konsten en wetenschappen niet maar ter loops wierden geleert: voorts gaf hij mij te kennen, dat 'er oostwaards aan, een zeker strijdbaar volk gevonden wierdt, om welks wille deTanachitengenoodzaakt waren gestadig op hunne hoede te zijn: de inwoonders van dat Land waren wel van eene lage statuur en in ligchaams-kragten verre beneden deTanachiten; dog zij waren snediger van oordeel, en gaauwer ter hand in 't werpen van schigten; en om die redenen hadden zij menigmalen deTanachitengedwongen, vrede te verzoeken. Eerlang vernam ik dat die natie uit Katten bestond, en dat dezelve onder alle de inwoonders des Firmaments, in staatkunde en oordeel vermaard was. Zeker ik hoorde niet zonder hartzeer, dat het verstand, de studiën en wellevendheid in alle de schepzelen dezer Onderaardsche waereld wierden gevonden, en dat alleen de menschen, te weten deQuamiten, barbaarsch en woest waren. Dog ik hoopte dat die schandvlek weldra zoude worden uitgewist, en dat deQuamitendat gebied, 't geen de Natuur de menschen over alle schepzelen gegeven heeft, weder zouden krijgen.

Na de laatste nederlaag hadden deTamachitenzig lang stil gehouden; doch toen zij door Verspieders hadden vernomen, den aart en hoedanigheid der nieuwe ruiterij, namenlijk dat die Centauren, die onlangs zo groote vreeze verwekt hadden, niet anders waren dan getemde en geoeffende Paarden; schepten zij weder moed, en bragten nieuwe troepen op de been, welke de Koning derTanachitenin in persoon tegen deQuamitente velde bragt. De geheele heirkragt bestondt in twintigduizend Tijgers, alle oud en geoeffent volk, behalven twee Regimenten die onlangs gehuurt waren. Dog dat schielijk opgeraapte, volk waren meer naam- dan hulp-troepen. Deeze dan, opgeblazen door de hoop van te zullen overwinnen, wendden hunne wapenen tegen 't Rijk vanquama. Twaalfduizend onzer Voetknegten, waar onder zeshonderd Busschieters, benevens vierduizend Ruiters, trokken hen te gemoet. En vermits ik niet twijfelde aan eenen goeden uitslag des gevegts, bad ik den ouden Vorst dat hij 't oppergebied over zijn volk wilde voeren, op dat hij van de glorie der overwinninge niet zoude berooft worden. Door dien schijn van zedigheid wierdt mijne achting in geenen deele gekrenkt; nademaal het geheele Leger mij aanzag voor hunnen waaren Veldheer. Daarop vond ik goed de Busschieters niet terstond te laten aanvallen, willende eerst eens onderstaan of de zege enkel en alleen door de Ruiterij zonder hen niet te bevegten ware. Dog die raad stondt mij duur; wantde Tanachitenvielen met zulk eene woede op ons Voetvolk, dat zij het dwongen den vlugt te neemen: En, terwijl de Ruiterij dien aanval dapperlijk uitstondt, bleef de zege lang twijfelagtig, invoegen nooit verwoeder gevogten wierdt.

Nu stondt de uitkomst van den slagEen wijl tijds ongewis: men zagNiet wie zou winnen of verliezen;En de Overwinning van om hoog,Met weifelende pennen vloog,Niet wetende wat zijd' te kiezen.

Toen ik mijne Busschieters uitrukte en aan den vijand bragt, hielden zig deTanachiten,op 't eerste vuurgeven verbaast zijnde, zeer stil; want zij konden niet begrijpen, waar dat gedonder en gebliksem van daan kwam; dog toen ze 'er de doodelijke' gewrogten van bespeurden, stierven zij bijna van schrik. Door deeze eerste begroeting lagen 'er tweehonderd Tijgers met den neus in 't zand, waar onder twee Leger-papen, welke, terwijl zij de Soldaten eenen moed in 't lijf spraken, door de koogels der bussen getroffen zijnde, sneuvelden. Hun dood wierdt door 't gantsche Leger zeer euvel opgenomen, vermits dezelve onder de beste en welspreekendste Predikers gerekent wierden. Zoo dra ik den schrik der vijanden bemerkt had, beval ik nog eens vuur te geven. Op de tweede begroeting volgde nog grooter slagtinge: eene groote menigte verloor, te gelijk met den Koning, 't leven; derhalven al hun heil in de vlugt stellende, keerden ons de vijanden den rug toe. De onze zaten hen op de hielen, en deeden 'er zoo veele over den kling springen, dat men, gemerkt de groote meenigte der verslagenen, die op het veld uitgestrekt lagen, bijna niet voort konde komen. Wanneer de onze, de strijd geëindigt zijnde, het getal der dooden opnamen, wierden 'er dertienduizend dooden bevonden, die in den strijd, of onder 't vlugten gesneuveld waren. Dus de vijand verslagen en verstrooid, en het overwinnend Leger op denTanachitischenbodem getrokken zijnde, wierdt na eenige dagen het beleg geslagen voor de Hoofdstad. Dog zoodanig waren toen alle harten met schrik bevangen, dat, schoon de Stad door derzelver gelegenheid, vesten en versterkingen wel voorzien en sterk was, en 'er geen mondbehoeften ontbraken, egter de Magistraat, op eene deemoedige wijze, den Overwinnaars der Stads-sleutels kwam aanbieden. De Stad was niet minder door haare grootte, dan door de nette welgeschiktheid der straaten, en den luister der gebouwen aanzienlijk. En zeker, het was verwonderlijk, dat deQuamiten,aan alie zijden omringt van zulke beschaafde Volkeren, zoo lang in die onwetenheid hadden kunnen blijven leggen. Dog ik geloof dat het met hen geweest is, even gelijk met eenige andere Volkeren, die, met uitheemsche zaken zig niet bekommerende, alleen prijzen 't geen ze bij hun zelven zien, en daarom afgesneden van allen handel met andere natiën, altoos op denzelven droessem blijven berusten, 't geen uit de voorbeelden van eenige Volkeren in Europa gemakkelijk zoude kunnen worden aangetoont. Van deeze zwaare nederlaag hebben deTanachiteneen nieuw tijdsbestek begonnen, en vermits dees beslissende slag, volgens hunne tijdrekening, voorviel op den derden dag der maandTorul, wierdt dees dag bij hen met eene zwarte koole geteekent. Op dien zelven tijd van 't jaar, te weten in de maandTorul, is de PlaneetNazarwelker loop om de Onderaardsche Zon de tijden regelt, en de jaargetijden onderscheidt, op haaren grootsten afstand van dit gewest des Firmaments. Ook draait het geheele Firmament om de Zonne; dog vermits de beweging der Planeet snelder is, schijntNazartoe- of af- te nemen, naar dat zij nader aan 't een of 't ander halfrond komt. En uit de afneming of aanwas deezer Planeet, en teffens uit de Zon-eclipsen, worden de waarnemingen der Sterrenkijkers geboren. Eens heb ik tijdverdrijfshalven, de Almanachen derTanachitendoorloopen, welke mij niet onaangenaam geschikt, en zeer wel tezamen gestelt oorkwamen.

Op het overgaan van de Koninklijke Stad, volgde de overgifte van het geheele Rijk, zoo dat de versmading, welke deQuamitentot nog toe hadden moeten uitstaan, tot glorie oversloeg, en hetQuamitischeKeizerrijk door den aanwas van dit overwonnen Volk, ten naastenbij tweemaal zoo magtig wierdt. Derhalven, vermits zij alle dat geluk aan mijne voorzigtigheid en wakkerheid toeschreven, ging de agting, welke zij mij dus lang hadden tocgedraagen, bijna tot Goddelijke eerbewijzing over. DeTanachitischenatie t' ondergebragt, en de bezettingen, waar door dat manhaftig volk bij zijnen pligt mogte worden gehouden, hier en daar in de Steden gelegt zijnde, vattede ik mijn begonnen werk weder bij de hand; trachtende de woestheid, waarin deQuamitentot nog toe versmoort hadden gelegen, bij den wortel af te snijden. Egter was het gevaarlijk dezelve terstond te zetten aan de vrije konsten; want 't geen ik zelf in Europa geleert had, te weten de Latijnsche taal, en eenig zamenraapzel van de Grieksche, bespeurde ik hier van geen nut altoos te zullen zijn. Hierom wierd ik genoodzaakt, uit 's vijands land, te weten uit dat derTanachiten, twaalf geleerden te laten komen. Deeze, tot eerste Hoogleeraars zijnde aangestelt, kregen bevel, eene Universiteit, naar het voorbeeld der Hooge Schoolen in hun land, op te rigten. Voorts beval ik, de KoninglijkeTanachitischeBoekerij naarQuamaover te brengen. Ik had egter als bij mij zelven voorgenomen, om, zoo, dra als deQuamitenin de Letter-oeffeningen zoo verre zouden zijn gevordert, dat zij op hunne eigene wieken konden drijven, deeze vreemdelingen weder te rug te zenden.


Back to IndexNext