Ik was zeer begeerig om de KoninglijkeTanachitischeBibliotheek te zien, vermits ik van den gevangen VeldheerTomopolokoverstaan had, dat 'er onder de Boeken, die mee de hand geschreven waren, een werk was, dat gemaakt was door eenen Schrijver, die in onze Waereld was geweest, en daar van verscheide gewesten, voornamenlijk die van Europa, beschreven hadt, en dat deTanachitendat boek waren magtig geworden, terwijl zij in een afgelegen gewest den oorlog voerden, dat egter de naam van den Schrijver verboden was, en dat men tot nog toe niet wist, uit wat land hij was, of op welke wijze hij in de Bovenaardsche gewesten was overgeweest. Het Boek doorsnuffelt hebbende, bevond ik waaragtig te zijn, 't geen mijTomopolokovan dat werk gezegt hadt; hierom ontdekte ik hem openhartig mijn geslagt en vaderland, betuigende het zelve ook in den beginne mijner aankomste aanQuamitente hebben gedaan; dog dat die domme menschen aan mijn verhaal geen geloof hadden willen slaant, en dat ze mij liever gelooft hadden, een Afgezant der Zonne te wezen; en in die dwalinge nog hardnekkig bleven volharden. Hier voegde ik bij, vermits ik 't niet reedelijk achtte dien ijdelen tytel langer houden, dat ik eindelijk besloten had, den waren staat mijner geboorte hen te ontdekken, door welke ronde bekentenis ik geloofde, dat mijne agting geenszins stondt te verminderen: vooral wijl ik geloofde, dat het door het leezen van dat Boek alleen, stondt openbaar te worden, hoe verre die van Europa in verstand en bekwaamheid alle andere menschen overtreffen. Dog dat voornemen mishaagde dien voorzichtigen man, en hij openbaarde mij zijn gevoelen daaromtrent, met deze woorden: "Het is ten hoogsten nodig, doorlugtig Held, zeide hij, dat gij eerst dat Boek inziet, 't welk gelezen hebbende, zult gij misschien van dat voornemen worden afgetrekken; want, of de Schrijver is een leugenaar, of de Bovenaardlingen zijn menschen, die zotte en ijdele gewoonten hebben; volgende wetten en inzettingen op, die veel eer belachens—, dan achtenswaardig zijn; dog 't werk gelezen hebbende, doe dan dat u behaagt: alleen vermane ik u, dat gij niet roekeloos den tytel verwerpt, die denQuamitenzoo groote agting voor u heeft ingedrukt: want om de menschen bij hunnen pligt te houden, is er niets bekwamer, dan dat opgevat gevoelen, 't geen 't gemeen volk heeft van iemants aart en hooge geboorte."
Aan Tytel, Schijn en Wapen,Wil zig 't gemeen vergapen.
Dien raad opvolgende, besloot ik, dat Boek te doorlezen enTomopolowdaarin voor tolk te gebruiken. De Tytel van 't werk is: REISBESCHRVING VAN TANIAN, (dien men gelooft een versierde naam te zijn.) OVER DEN AARDKLOOT, of REISBESCHRIJVING VAN GEWESTEN EN LANDEN, MAAR VOORNAMENLIJK EUROPA. Dog vermits dat Boek, lang stil gelegen hebbende, 'er haveloos uitzag, en door langheid van tijd zeer verminkt was, wierdt 'er dat, te weten langs welken weg hij tot ons opgeklommen en wederom tot de Onderaardlingen nedergedaalt zij, niet in gevonden.
De inhoud van dat werk bestaat hier in:
STUKKEN DER REISBESCHRYVING VAN TANIAN,OVER DE AARDE, VOLGENS DE OVERZETTINGEVAN DEN TANACHITISCHEN VELD-OVERSTEN,DEN DOORLUGTIGSTEN, DAPPERSTEN, ENEDELMOEDIGSTEN HEERE TOMOPOLOKO.
* Dit landschap, (te weten Duitschland) wordt genoemt het Roomsch Keizerrijk; dog dit is alleen een bloote Tytel, vermits de Roomsche Monarchy al zedert eenige eeuwen vernietigt is. De taal der Duitschers kan men niet ligtelijk verstaan; door de verkeerde orde van stijl; want het geen in andere talen pleeg vooraf te gaan, komt hier agter aan: zoo, dat men niets verstaan kan, bevorens men gekomen zij aan 't eind eener bladzijde. Het Regerings-wezen is 'er zeer vreemd. De Duitschers gelooven dat zij eenen Koning hebben, en egter hebben zij 'er geenen: men zegt dat Duitschland een eenig Rijk is, en egter is het in verscheidene Vorstendommen gescheurt, welke alle hun eigen meester zijn: zoo, dat 't een het andere menigmalen met goed regt den oorlog aandoet. Het Rijk wordt altoos toenemend genoemt, schoon het dikwils zeer vermindert wordt: heilig wordt het genoemt, zonder iets dat heilig is te bezitten, onoverwinlijk, schoon het dikwils open legt voor de invallen zijner nabuuren. Niet minder verbazende zijn de regten en vrijdommen deezer natie, nademaal hen veele zaken van regtswegen toekomen; dog die hen verboden worden in 't werk te stellen. Over den staat van het Duitsche Rijk zijn oneindig veele geschriften uitgegeven, maar in zulk eene verwarde zaak zijn de Schrijvers tot nog toe niet veel: gevordert; want ****.
** De Hoofdstad deezes Rijks, (te weten van Frankrijk,) welke zeer groot is, en Parijs genoemt wordt, kan eenigermaten gezegt worden, de Hoofd-stad van Europa te zijn; want zij oeffent een soort van geregtsdwang over de overige Volkeren van Europa, bij voorbeeld, zij heeft het regt om dezelve regelen voor te schrijven, waar na zij hebben te leeven: zulks 'er geen soort van dragt zoo belachelijk of ongemakkelijk is, of alle andere Volkeren, zoo zulks slegts den Parijsianen aanstaat, zijn gehouden zig daar naar te schikken. Op wat wijze egter, of wanneer, die van Parijs dat regt verkregen hebben, is mij onbekent: zoo veel weet ik egter, namenlijk dat zig dat regt niet uitstrekt tot andere zaken; want andere natiën van Europa voeren dikwils oorlog met de Franschen, en perssen hen dikwils harde vredes-voorwaarden af; dog die slavernij omtrent de wijze van kleederen en leeven, is altoosduurend, zoodanig dat al wat Parijs in die dingen versiert, het overige van Europa gehouden is heiliglijk na te komen. In vlugheid van begrip, in het trachten naar nieuwigheden, en in vrugtbaarheid van vernuft, verschillen die van Parijs niets van deMartinianen.
*** Hebbende Bononie laten leggen, vertrokken trokken wij naar Rome. Deeze Stad staat onder de gehoorzaamheid eenes Priesters, die, schoon zijn gebied zeer nauw bepaalt is, egter gerekent wordt de magtigste te zijn van alle Koningen en Vorsten van Europa; want daar andere Vorsten slegts heerschen over de ligchamen en goederen hunner onderdanen, kan dees zelfs de zielen verderven. De Europeaanen geloven doorgaans dat hij de sleutelen des Hemels in bewaring heeft. Ik was wel begeerig om zo groot een heiligdom te mogen zien; dog ik deed vergeefsche moeite; want wat gedaante dezelve hebben, of in wat kist zij bewaart worden, weet ik voor als nog niet: het regt dat hij zich aanmatigt en tevens oeffent, niet alleen over zijne eigene Onderdanen, maar zelfsch over 't gansche menschdom, bestaat voornamenlijk hierin; dat hij de gene die God veroordeelt, vrijspreekt, en die God vrijspreekt, kan veroordelen: waarlijk een vreemd gezag, en 't geen onze Onderaardlingen zouden zweeren in geen Stervelinge te kunnen plaats hebben. Dog het valt ligt de Europeaanen, zoo als men wil, bij de neus om te leiden, en hen de allerongerijmdste verzinzelen op te dringen, schoon zij meenen dat zij alleen wijs zijn en, door die gedagten opgeblazen, alle andere menschen, wier zeden bij hen barbaarsch zijn, met den nek aanzien. Zeker, ik wil de gewoonten en inzettingen onzer Onderaardlingen niet voorspreken; en ik zal alleen eenige manieren en zeden der Europeaanen aanhalen, waar uit het zal blijken, hoe veel ongelijks zij hebben in de inzettingen van andere Volkeren te berispen.
Doorgaans is het in Europa de manier, Paruiken te dragen, en de kleederen met de vrugten der aarde, tot blom gestooten, die door de Natuur tot voedzel voor den mensen was geschikt, te bestrooijen. Deeze blom, wordt gemeenlijk stof (Poeijer) genoemt, welke zij met grooten arbeid, en moeite alle avonden door de buil jagen om weder van voren af aan een versch gedeelte daar van te kunnen strooijen. Eene andere gewoonte; die mij niet minder belachelijk toescheen, is, de volgende: zij bedienen zig van een dekzel of hoed, waar mede zij hunne hoofden bedekken tegen de koude; dog die, hoofddekzels dragen zij gemeenlijk, zelfs in den winter, onder, den arm, 't geen mij al zoo bespottelijk voorkomt, als of ik iemant zijn rok of broek door de Stad zag dragen, terwijl zijn ligchaam, daar hij ze voor gemaakt hadt, bleef blootgestelt voor de ongemakken der lugt.
De Leerstukken van die van Europa zijn waarlijk heilig, en overeenstemmende met de gezonde reden. De Boeken waar in 't geen men gelooven en betrachten moet, vervat is, bevelen, dat men dezelve nooit uit de hand moet leggen, en den waaren zin derzelven door naspeuren ontdekken: voorts vermanen zij toegevenheid te gebruiken tegen de afdwalenden en zwakken; dog zoo iemant de zaak anders opvat, wordt het meerdergedeelte der burgers met gevangenhuis, geesselslagen, en zomtijds met de straffe des vuurs, om die zwakheid des oordeels, gestraft. Dit scheen mij toe net eveneens te zijn, als of men eenen scheelen of leep-oog met stokken ging afrossen, alleenlijk om dat de voorwerpen, welke mij rond voorkomen, hem vierkantig scheenen te zijn. Ik heb mij laten zeggen, dat om deeze reden, ettelijke duizenden menschen door bevel der Magistraat onthoofd of verbrand zijn geworden. In de meeste Steden en Wijken zult gij menschen vinden, die op verheven plaatsen staan, en de zonden die zij zelve dagelijks begaan, in anderen ten strengsten doorhalen, 't geen even het zelve is, als of ik eenen dronkaard hevig hoorde uitvaren tegen de dronkenschap.
Die daar met een' bult, krom of mank geboren wordt, staat naar den tytel van welgeschapen (Welgeboren): die van 't janhagel uitgebroeit is, neemt den tytel aan van eene adelijke geboorte (Edelgeboren), 't geen al zoo vreemd is, als of een Dwerg een Reus, en een Grijsaart een Jongeling wilde geheeten worden.
In de groote Steden is doorgaans de gewoonte doorgedrongen, dat de vrienden genoodigt worden op eenen drank van een zeker zwart sap, dat gemaakt wordt van gebrandde boonen. Dat sap wordt doorgaans Caffée (Koffy) genaamt. Naar de plaats daar men het zal gaan drinken, worden zij getrokken door twee sterke dieren, zittende in eene doos die op vier wielen gestelt is: want de Europeaanen rekenen dat het weinig fatzoen is, te voet te gaan.
Op den eersten dag van 't jaar krijgen zij eene ziekte, die aan ons Onderaardlingen onbekend is. De kenteekenen deezer ziekte zijn wonderlijke onstuimigheden en opschuddingen in de gemoederen: want niemant kan zig dien gantschen dag lang op eene en dezelve plaats houden. Als dan loopen zij als uitzinnige van 't eene huis in 't andere, zelve niet wetende waarom, of tot wat einde. Veele zijn veertien dagen agtereen met deeze ziekte bezeten. Eindelijk egter, door 't geduurig loopen afgemat zijnde, keeren zij weder naar huis, en worden zoo wederom gebragt tot voorige gezondheid.
Nademaal de ziekten des geests, waar mede de Europeaanen geplaagt worden, ontelbaar zijn, zoo zijn 'er ook oneindig veele geneesmiddelen tegen uitgevonden. Veelen bekruipt eene brandende begeerte om op zodanige wijze door de Stad te wandelen, dat hunne flinker zijde altijd gekeert staat naar de regterzijde van anderen. Hoe gij nader aan 't Noorden komt, hoe gij ook die ziekte zoo veel te geweldiger zult bespeuren, waar door het blijkt dat die kwaal haarem oorsprong heeft uit de kwalijk getemperde lugt. Die ziekte wordt verdreven door geteekende papieren, waar op eenige karakters worden gedrukt. Terwijl de zieken deeze papieren als toover-karakters dragen, worden zij allengskens gezond. Eene andere razernij is men gewoon uit te drijven door 't geluid van bellen of klokken. Op het geluid van deezen worden de onstuimige gemoederen bedaart, en hunne gistende driften ternedergezet. Dog dit geneesmiddel is van korten duur: want twee uuren naderhand komt het kwaad wederom en wordt erger.
In Italië, Frankrijk en Spanje is in den winter eene zekere ontembare razernij eenige weeken lang aan 't woeden. Deeze razernij wordt gestilt door het bestrooijen met assche op de voorhoofden der kranken. In 't Noordelijke gedeelte egter van Europa, heeft die assche geen kragt, invoegen die van 't Noorden Noorden alleen uit de natuur geneezen worden.
De meeste Europeaanen maken alle jaren drie- of viermalen een plegtig verbond met God, 't welk straks wederom staat te worden verbrooken, en 't geene zij de Communie noemen; dus zij dat alleen tot dat einde schijnen te maken, om te betoonen dat zij besloten hebben, drie- of viermalen 's jaars hun verbond te verbreeken.
Wanneer zij hunne misdaden belijden, en God om ontferming smeeken, pleeg dat doorgaans te geschieden door eene zekere besnoeijinge van woorden, en met musiektoonen: somtijds worden 'er fluiten, trompetten en trommelen bijgevoegd, naar mate dat de misdaden, waar van zij de straffe door maatgezang afbidden, groot zijn.
Bijna aan alle Natiën van Europa is het opgelegt, de leer, welke zeker heilig Boek behelst, te belijden dog het leezen van dat Boek, is in de Zuidergedeelten geheel en al verboden, zoo, dat de menschen gehouden worden zaken te gelooven, welke zij niet mogen; leeren nog inzien, zonder misdaad.
In die zelve gewesten is het verboden, God te eeren of te aanbidden, tenzij in eene onbekende taal, invoegen die gebeden alleen voor regtmatig en Gode aangenaam worden gehouden, die van de gene gedaan worden, die niet weten wat zij doen.
In de groote Steden worden bijna alle de gene die tot eerampten en waardigheden verheven worden, beroert, zulks zij, even als geraakte lieden, op rosbaren, op de wijze als bussen gemaakt, langs de straaten worden gedragen.
De meeste Europeaanen scheeren hun hoofdhair met een scheermes af, en dekken hunne kaalheid met vreemd hair, 't geen op hunne hoofden nooit gegroeit is.
Dc Geschilstukken, welke gemeenlijk in de Europische Schoolen verhandelt worden, zijn over zaken, welker natuur te onderzoeken, den menschen geen voordeel aanbrengt, nog welke het menschelijk verstand bevatten kan. Dog de geleerdste stoffen, waar over de Europeaanen schrijven, zijn over de schoeizels, schoenen, halssieraden, laarzen of tabbaarden van zekere oude en lang uitgestorven Natiën. Verder over de gewijde en ongewijde Wetenschappen laten de meeste zelfs niet eenmaal hun oordeel gaan, maar hangen hun zegel aan dat van andere. Want op hoedanig eene Wetenschap zij ook als door eenen storm mogen zijn gevallen, blijven zij daar aan als aan eene klip hangen; want aangaande dat zij zeggen, dat zij alles toevertrouwen aan den genen, welken zij oordeel en wijs te zijn geweest, zoude ik dat kunnen voor goed keuren, zoo de dommen en ongeleerden dat hadden kunnen doen; maar daar wordt een wijs man toe vereischt, om van een wijs man te kunnen oordeelen.
In de Zuidelijke gedeelten worden ronde koekjes of taartjes door de Steden en Dorpen omgedragen, welke de Priesters zeggen God te zijn; en, daar gij 't allermeest over verwondert moet staan, zelfs de Bakkers, die 't meel vertoonen waar van dezelve gemaakt zijn, zullen zweeren dat die koekjes de waereld geschapen hebben.
De Engelschen zijn bijzondere liefhebbers der vrijheid, en aan niemant dienstbaar, dan alleen aan hunne Vrouwen. Zij zelve verwerpen heden dien Godsdienst, welken zij gisteren beleden, en dien, welken de geheele Natie gisteren verwierp, omhelzen zij heden alle te zamen. Deeze veranderlijkheid schreef ik toe aan de gelegenheid des gewests, te weten, om dat de Engelsche Eilanders aan Zee zijn gelegen, en zeer veel van den aart van die veranderlijke en onstandvastige hoofdstoffe overgeërft hebben.
De Engelschen vragen den genen die hen ontmoet, zoo zorgvuldig naar zijnen welvaart en gezondheid, dat men zoude zeggen dat zij alle geneesheeren waren. Maar de Vraag:How do you do?of, hoe vaart gij? is alleenlijk een bloot spreek woord, en een klank zonder eenigen zin.
In dat zelve Eiland wordt de geest en de kragt des vernufts, met zoo veel zorg geslepen en gepolijst, dat ze dien eindelijk in 't geheel kwijt raken.
Naar het Noorden toe hebt gij eene Republyk, te zamen gestelt uit zeven Provinciën. Die Provinciën worden de Vereenigde genoemt, schoon 'er niet 't allerminste teeken van Vereeniging of Eendragt in te vinden is. 't Gemeene volk geeft aldaar breed op van hun vermogen, en dat bij hen de hoogste magt in de Republijk berust; daar in tegendeel nergens het gemeene volk zoo zeer van 't behandelen van Staatszaken wordt geweert, en de klem der Regeering enkel en alleen onder eenige Familien berustende is.
De inwoonders deezer Provinciën vergaderen, met den uitersten vlijten ijver, rijkdommen, waar van zij egter geen gebruik, maken invoegen zij met volle beursen en ledige buiken loopen; want het schijnt als of zij alleenlijk van den rook leeven, welken zij door pijpen of buizen van pijp-aarde inzuigen.
Men moet van deeze Natie zeggen, dat zij de netste is van alle volkeren: want zij wasschen alles zorgvuldiglijk, uitgenomen alleen hunne handen.
In de Steden en Dorpen van Europa zijn Nagtwakers, welke, terwijl zij met hunnen zang, of liever met hun gebalk, de slapenden rust toewenschen, dezelve ter aller uure wakker maken.
Elk gewest heeft zijne eigene wetten: het heeft ook zijne gewoonten, meerendeels regelregt strijdende met de wetten. Dus moet, bij voorbeeld, de vrouw den man, volgens de wetten, onderdanig zijn; dog, volgend de gewoonte, heerscht zij over den man.
Zeer veel worden ze onder de Europeaanen geagt, die rijkelijk leeven en eene goede keuken houden: alleen die het aardrijk bebouwen, en die gulzigaards de spijze verzorgen, worden niet veel geagt.
Hoe veele en hoe groote kwaade neigingen die van Europa onderhevig zijn, blijkt uit de galgen, raden, en galge-velden die overal gezien worden. Elke Stad heeft haaren Scherpregter; behalven egter in Engeland, alwaar ik geloof dat men geen Scherpregters heeft, vermits de inwoonders zig zelven ophangen.
Ik zou bijna denken dat die van Europa Menschen-eeters zijn; aangezien zij eene groote menigte kloeke en sterke menschen in besloten plaatsen, Kloosters geheeten, zetten, om geen andere redenen als om die daar vet en glad te mesten: want zoo lang als zij in die groene Hooven bewaard worden, zijn zij ontslagen van allen arbeid, en zorgen niet anders dan voor hun keelgat.
De Europeaanen zijn gewoon 's morgens water te drinken, om de hitte hunner maag te verkoelen; dog naauwlijks is hun lijf door dien koeldrank verfrischt, of zij drinken sterken drank om wederom verhitste worden.
De Godsdienst van Europa wordt in twee Secten verdeelt: eene der Protestanten, en de andere der Roomschgezinden: de eerste bidden maar eenen, de laatste zoo veele Goden en Godinnen aan, als 'er Steden en Dorpen zijn. Alle deeze Goden en Godinnen zijn schepzels van den Roomschen Opper-priester; en hij zelf wordt geschapen door Priesters die Kardinalen genoemt worden. Hier uit kan men afnemen hoe groot een regt de Kardinalen hebben, aangezien zij de Scheppers zijn van den Schepper der Goden.
De oude Italiaanen hebben de gantsche Waereld te ondergebragt, en waren zelve onderdanen van hunne wijven; dog de hedendaagsche Italiaanen zijn de Tyrannen van hunne wijven, en veragte slaaven van bijna alle Natien.
De Dieren in Europa worden onderscheiden in Zee- en Land-dieren. Men vindt 'er ook die 't beide zijn, als de Kikvorschen, de Dolfijns en de Hollanders; want die bewoonen ook de moerassen.
Land of Water 't is om 't even:Holland kan op beide leeven.
Die van Europa gebruiken het zelfde voedzel dat wij hebben. Dog de Spanjaards leeven van den wind.
De Koophandel bloeit doorgaans door geheel Europa, en daar zijn zeer veele dingen te koop, die hier niet verkogt worden. Dus verkoopen de Romeinen den hemel; de Zwitzers zigzelven.
In ***, worden Kroon, Scepter en Koninglijke waardigheid, in 't openbaar aan den meest-biedenden verkogt.
In Spanje kent men een fatzoenlijk man aan zijne luiheid, en daar is niets dat den Adel zoo zeer verheft als 't slapen.
Vroome en waare Geloovigen worden genoemt de gene die niet weten wat zij gelooven, en die 't geen zij hooren niet der moeite waardig agten te onderzoeken. Daar zijn 'er ook die door enkele ledigheid, slofheid en onagtzaamheid, in 't getal der Heiligen worden gestelt; dog eeuwig verdoemden worden gerekent de gene, die, bekommert over hunne zaligheid zijnde, om dieswille dat zij alles naauwkeurig onderzoeken, van zeker heerschend gevoelen verschillen.
Wijders gelooven de Europeaanen doorgaans, dat de toekomende geluk-staat of eeuwige verdoemenis niet voortvloeit uit de werken of oeffeninge van deugd en Godsvrucht, maar alleen uit de geboorte-plaats: want alle bekenden zij, dat bijaldien zij op eene andere plaats en van andere Ouders geboren waren, zij ook van eenen anderen Godsdienst zouden zij. Hierom schijnt her mij toe, dat zij iemant verdoemen, niet zoo zeer om den Godsdienst zelf, als wel om de plaats en 't lot van iemants geboorte. Dog hoe dat gevoelen overeen te brengen brengen is met de Goddelijke goedheid en regtvaardigheid kan ik niet zien.
Onder de letter-oeffenaars worden meest geagt de gene, die de natuurlijke orde der woorden zoo verdraaijen, dat zij al 't geen uit zig zelven klaar en onderscheiden is, verdonkeren en bezwagtelen. Deeze worden Poëeten geheeten, en die verplaatzinge der woorden, Poëzy. Dog de bekwaamheid eenes Poëets bestaat niet alleen in die omkeeringe des stijls; maar daar wordt wel inzonderheid vereischt, dat hij een doortrokken leugenaar zij. Hierom wordt den ouden Poëet Homerus bijna Goddelijke eere bewezen, nademaal hij 't kunstje in beide zoo wel verstondt. Dees wordt in 't omkeeren der spreekwijzen, en in de waarheid geweld aan te doen, van veelen nagevolgt; maar niemane heeft hem kunnen bereiken.
De Europeaansche letter-oeffenaars koopen zeer gretig Boeken; dog niet zoo zeer om de stoffe, als wel om 't formaat en de netheid; waarom ook de Boekverkoopers, bespeurende dat de geletterde koopers vermaak scheppen in poppegoed, en in 't geen meer het oog dan den geest voldoet, de Boeken in andere formaten, andere drukken, letters en figuuren versmeden, en honderdvoud duurder verkoopen; want de vrije konsten worden verkogt, en onder de fijnste Kooplieden worden gerekent de Philosophen en de makers van Boeken. De Gekken schrijven de meeste Boeken, als of zij bedugt waren, dat het gerugt hunner gekheid anders niet tot de nakomelingen komen mogte.
De Academien in Europa zijn de winkels of kraamen van geleerdheid en eer-ampten, alwaar de Eere-trappen, Promotien, Waardigheden, Tytels van geleerdheid in allerlei Wetenschappen, en alle andere geleerde Waaren, die niet zonder zweet, en door lange jaaren zig dag en nagt met allen vlijt te oeffenen, in onze Onderaardsche waereld, verkregen worden; voor cen redelijk of matig prijsje te koop staan. Leeraars worden ze genoemt die tot den hoogsten top van geleerdheid gestegen zijn, of die, gelijk de Europeaanen zeggen, op den top van eenen zekeren Parnassus berg, bij negen Maagden bewoont, geboren zijn. Na deeze volgen de Meesters, die door een weinigje minder kosten de tytels van geleerdheid verkrijgen, en daarom wat minder geleerd zijn. Hier uit ziet men hoe groot eene genegenheid de Bovenaardsche Schoolen het menschdom toedragen, wanneer zij het zelve den weg tot geleerdheid zoo effen en zoo gemakkelijk maken. Wijders vallen de Noordelijke Schoolen in dit stuk wat moeilijker; aangezien dezelve die hooge waardigheden niet toestaan, dan na voorgaand onderzoek.
De Geleerden worden van de Ongeleerden in zeden en dragt, dog vooral door den Godsdienst, onderscheiden; nademaal deeze alleen een eenigen God, dog gene verscheiden Goden en Godinnen eeren. De voornaamste Godheden der Geleerden zijn, Apollo, Minerva, de Negen Zanggodinnen, en andere mindere Godheden, welke de Schrijvers, en inzonderheid de Poëeten, wanneer zij beginnen razend te worden, gewoon zijn aan te roepen. De geleerden zelve worden in verscheidene Classen, naar de verscheidenheid hunner studien, verdeelt; want of zij zijn Philosophen, of Poëeten, of Taalgeleerden, of Natuurkundigen, of Overnatuurkundigen, en wat dies meer is.
Een Philosooph is een gelettert Koopman, die voor eenen zeekeren prijs de lessen van zelfs-verloochening, van matigheid en van armoede te koop veilt, en zoo langen tijd met mond en penne uitvaart tegen de rijkdommen, tot dat hijzelf rijk is. De vader der Philosophen is een zekere Seneca, die op zulk eene wijze, koninglijke schatten heeft weten te verkrijgen.
Een Poëet is iemant die geprezen wordt om zijne grollen en leugens. Hierom is razernij de lof, welken men den Poëeten van 't hoogste bordje gewoon is toe te schrijven. Want alle de gene die zig slegts eenvoudig en klaar uitdrukken, worden geoordeelt niet waardig te zijn, dat hun 't hoofd gelauriert worde.
De Taalgeleerden maken op zigzelven eene soort van krijgsvolk uit, dat de gemeene rust verstoort. Zij verschillen van alle andere oorlogslieden hier in, dat ze in plaats van eenen krijgsrok, eenen tabbaart dragen, en in plaats van zwaarden, de penne gebruiken. Deeze strijden al zoo hardnekkig voor letters en lettergrepen, als andere voor hunne vrijheid, goed en bloed. Ik geloof dat zij van de Mogenheden tot geen ander einde en oogmerk onderhouden worden, dan om in tijd van vrede het menschdom door al te groote gerustheid niet te doen vadzig worden. Zomtijds egter, wanneer die oorlog op zijn allerboogste is, stelt de Raad zijn gezag tusschen beiden, zoo als ik gehoort heb dat nog onlangs te Parijs geschied is, alwaar het verschil onder de Leeraaren over de letters Q en K zeer hoog gerezen zijnde, het zeer voortreffelijke Parlement het gebruik van beide die letters heeft toegestaan.
Een Natuurkundige is, die de ingewanden der aarde, de natuur der tweevoetige, der viervoetige, mitsgaders die der kruipende en bloedelooze dieren onderzoekt, en die alles kent behalven zig zelven.
Een Overnatuurkundige is, aan wien alleen bekent is 't geen voor anderen verborgen is, en die het bestaan der geesten, der zielen, en wezens, en geen wezens, kent, beschrijft en bepaalt; dog die door een al te scherp gezigt niet verder ziet dan zijn neus lang is.
Dus is 't gestelt met den staat der geleerdheid in Europa. Ik zou hier meer van kunnen zeggen; dog het zal genoeg zijn 't voornaamste te hebben aangeroert, waar uit de leezer gemakkelijk zal kunnen oordeelen of de Europeaanen gelijk of ongelijk hebben in te gelooven dat zij alleen wijs zijn.
Dit moet men egter den Leeraaren en Meesters in Europa nageven, dat zij in 't onderwijzen der Jeugd veel snediger zijn dan onze Onderaardsche, want men vindt 'er Meesters in konsten en taalen, die niet alleen anderen onderwijzen in 't geene zij zelve geleert hebben; maar die zelfs anderen onderwijzen in 't geen, waar van zij niet de minste kennisse hebben. 't Is al eene zwaare zaak om andere naar den eisch lessen te geven in 't geene waar in wij zelve onderwezen zijn; maar nog zwaarder is het, anderen te leeren 't geen wij zelve niet weten.
Daar is 'er onder de geleerde Europeaanen die zig in de Godgeleerdheid en in de Philosophie met even groote drift oeffenen. Deeze, voor zoo veel zij Philosophen zijn, twijfelen aan alles; dog, voor zoo verre zij Godgeleerden zijn, durven zij niets ontkenen.
De Europeaanen hebben dezelve zugt tot de letter-oeffeningen als onze Onderaardlingen; dog zij worden vrij wat eerder geleerd, en zulks om een zonderling en bijna tooveragtig verzinsel, waar door 't geschiedt, dat zij honderden Boeken op éénen dag kunnen doorlezen.
De Bovenaardlingen zijn zeer Godsdienstig, en volharden in geloften en gebeden. Dog den tijd hunner gebeden regelen zij niet naar hun zielsverlangen; maar naar 't geluid der klokken, en naar de uur- en zonnewijzers, zoo, dat hunne Godvrugtigheid geheel en al werktuiglijk is, als die veel meer door uiterlijke teekenen, op zekere uuren, door gewoonte, en op gezette tijden, dan op de innerlijke bewegingen des harten, gebooren wordt.
Hoe zij volhardende zijn in den gebede, blijkt hier uit, dat veele van hen, terwijl zij hout hakken, de vaten wasschen, en andere handwerken doen, geestelijke liederen zingen.
Toen ik in Italië was gekomen, zag ik mij zelven aan voor Heer van dat gantsche Gewest, want al wie mij tegenkwam, noemde zig mijn slaaf (Schiavo); maar toen ik van die slaafsche gehoorzaamheid, welke zij voorgaven, eene proeve wilde nemen, beval ik des waards Huisvrouwe op zekeren nagt bij mij te brengen; dog hij, daar over in toorn ontsteeken, beval mij mijne spillen te pakken, en toen ik daar mede sammelde, stootte hij mij buiten de deur.
In de Noordsche Gewesten zijn de inwoonders zeer begeerig naar tytels van zaken die zij niet in haare magt hebben. Voorts....
Tot hier toe had ik naarstig toegeluistert, maar thans moeilijk wordende, viel ik den Leezer in, zeggende, dat het fabelen waren, en herssenschimmen van eenen Schrijver die met de zwarte gal gekwelt was geweest. Dog toen de eerste furie wat over was, begon ik een veel zagtzinniger oordeel over die reisbeschrijvinge te vellen, nademaal ik zag dat de Schrijver, schoon hij in veele zaken wat leugenagtig en partijdig viel, egter niet geheel en al mis was, maar in veele zaken den spijker op 't hoofd hadt geslagen. Voor 't overige volgde ik den raad vanTomopoloko, en hield deQuamitenzorgvuldig in den waan van mijne doorlugtige geboorte; vermits ik oordeelde dat het meer in mijn kraam diende, door te gaan voor een buitengewoon Afgezant, der Zonne, dan voor een inboorling van Europa.
Na dat onze Nabuuren zig langen tijd hadden stil gehouden, en ik in 't genot van eenen gewenschten vreede de zaken van Staat naar mijnen zin geschikt had; kregen wij eindelijk de tijdinge dat drie magtige Volkeren hunne wapenen vereenigt hadden tegen deQuamiten.Die Volkeren waren deArctoniers, deKispucianen, en deAlectorianen. DeArctonischeNatie zijn beeren, begaaft met reden en spraak, en worden voor eene wreede en strijdbaare Natie gehouden. DeKispucianenzijn Katten van eene ongewoone grootte, die, om hunne doortraptheid en schrander oordeel, onder de Onderaardlingen zeer geagt zijn. Hierom hielden zij, niet zoo zeer door hunne ligchaams-kragten, als wel door hunne afgeregtheid in 't stuk des oorlogs, magtige vijanden in den teugel: En deAlectorianen, vermits zij niet alleen te land, maar zelfs in de lugt, den oorlog voerden, gaven hunnen vijanden genoeg te doen. Deze waren Haanen, gewapent met bogen en werpschigten, in vergift gedoopt, welke zij met eene wonderlijke handigheid uitschietende, daar door doodelijke wonden toebragten.
Deeze drie Volkeren, gaande gemaakt door den ongewoonen uitslag en gevaarlijken nasleep van denTanachitischenoorlog, hadden een verbond aangegaan, trachtende om de aanwassende magt derQuamiten, eer die nog meer toenam, met vereenigde kragten te beteugelen. Dog eer zij egter den oorlog verklaarden, zonden zij Gezanten naarQuama, om te eisschen dat deTanachitenin vrijheid zouden worden gestelt, of, zoo de Keizer zulks kwam te weigeren, hem op eene plegtige wijze den oorlog aan te kondigen. De Gezanten verrigtten hunnen last, en kregen op mijn aanraden dit antwoord: Dat deTanachiten, verbrekers des verbonds en des vreedes, het hunne eigene dwaasheid en hovaardij te wijten hadden, dat zij in die rampen waren geraakt; dat de Keizer besloten hadt, den eigendom van 't geen hij door 't regt van oorlog verkregen hadt, met al zijne magt, tegen wie hem ook daar in mogt tegenstaan, standvastiglijk te verdedigen; en eindelijk dat hij de dreigementen der verbondene Volkeren weinig vreesde. Met dit antwoord kregen de Gezanten hun afscheid, en wij maakten ons gereed tot den aanstaanden oorlog. Eerlang had ik een leger van veertigduizend mannen, waar onder agttienduizend Ruiters en tweeduizend Busschieters waren, op de been. De Keizer zelf, schoon hij een afgeleeft Vorst was, wilde dezen togt bijwonen, en wierdt zodanig tot eer en glorie aangeprikkelt, dat hij nog door mij, nog door zijne gemaalinne en kinderen, daar wij egter de handen inéénsloegen om hem van dat halstarrig opzet af te brengen, van zijn voornemen konde worden omgezet. 't Geen mij in dien stand van zaken de meeste bekommering baarde, was, dat mij de trouw derTamachitenonzeker en verdagt voorkwam, en dat ik vreesde, dat zij, deeze nieuwe slavernij ongewoon, bij de eerste gelegenheid dat jok afschudden, en zig aan de zijde der vijanden mogten voegen. En ik was in mijne meeninge niet bedrogen; want niet zoo dra was die plegtige oorlogs-verklaring gedaan, of wij kregen, tijding dat twaalfduizendTanachitende wapenen opgevat hebbende, in 't vijandlijke leger waren aangekomen. Hier uit bespeurde ik, dat wij vier magtige vijanden te gelijk op den hals stonden te krijgen.
Ons leger van al het nodige voorzien zijnde, kreeg in het begin van de maandKilianbevel, om den vijand te gemoet te trekken, en de vijandlijkheden te beginnen. Onderweg zijnde, wierdt ons door de Spions berigt, dat het leger der Bondgenooten bereids in het land derTanachitenwas gerukt, en voor de sterkteSibol, gelegen op de grensen derKispucianen,het beleg hadt geslagen. Die sterkte wierdt met zodanig een geweld aangegrepen, dat de Bevelhebber al bereids begon te denken om dezelve over te geven. Dog toen de vijanden van onze aannadering verwittigt wierden, braken zij het beleg op, en wendden 't naar ons toe. De slag viel voor in een vlak veld, niet wijd van de belegerde sterkte, waarom men dien ook den naam gaf van denSibolschenslag. DeArctoniers, die op den slinker vleugel stonden, op onze Ruiterij aanvallende, bragten daar eene groote slagting onder; en vermits de wederhoorigeTanachitendien aanval ondersteunden, hadden wij bijna de nederlaag gekregen. Dog wijl de Busschieters de onzen, die 't te kwaad kregen, in den rug stonden, en mee tweemaalen los te branden de vijandlijk gelederen over hoop wierpen, veranderde het gevegt terstond van gedaante, zoo dat de gene die even te voren als Overwinnaars, onze Ruiterij op de lendenen zaten, 't nu zelve te kwaad krijgende, weeken, en eindelijk genoodzaakt wierden het hazenpad te kiezen.
Midlerwijl hadt ons Voetvolk veel te lijden van deKispucianen; want die streden met zoo veel geluk en afgeregtheid met haare werpspiessen, dat binnen korten tijd zeshonderdQuamitenof doodelijk gewond wierden, of aan hunne ontvangen wonden sneuvelden. Dog de Ruiterij te gelijk met eenige Busschieters toeschietende, dwong hen de hielen te ligten; maar egter zoo, dat zij met gesloten gelederen eer scheenen te wijken dan den vlugt te nemen, 't geen zij te danken hadden aan de ervarenheid en voorzigtigheid van hunnen Veld-overstenMansonius, een man, die te dier tijd voor niemant der Onderaardsche Veldheeren, in 't stuk van krijgskunde, te wijken hadt. Nu tonden deAlectorianennog pal, en het viel bezwaariijk hen de zege te betwisten; want zoo meenigmalen als de onze met hunne Bussen op hen aanleiden, vlogen zij met hunne wieken in de lugt, en schoten van daar met zulk eene afgeregtheid hunne pijlen op de onze, dat 'er weinige, zonder te treffen, op den grond vielen. Deeze deeden altijd gewisse schooten, nademaal dezelve ligter en gemakkelijker van boven naar beneden, dan van beneden naar boven werden gedaan; daar de onze om 't opvliegen, en de gestadige beweginge der vijanden, dikwils te vergeefs vuur gaven. Midden in de hitte van 't gevegt, en terwijl zig de Keizer als een dapper Krijgsman kweet; in de spitze zijner benden stondt, en zig overal bevondt daar 't heet was, wierdt hij met eenen vergiftigden pijl aan den hals gekwetst, waarop hij van 't paard vallende, uit het gevegt gedragen, en in zijne tente wierdt gebragt, alwaar hij eerlang kwam te overlijden. In dien onzekeren toestand dagt mij geraden, allen die deezen beklaaglijken val gezien hadden, stilzwijgen op te leggen, op dat de moed der genen, die den vijand het hoofd boden, door den dood hunnes Keizers niet kwame te bezwijken. Ik beval hen dan goeds moeds te zijn, zeggende dat de Keizer wel door de schielijke wonde ais verdooft was geworden; dog dat de wonde niet diep was; dat men van dezelve het geronnen bloed afgewasscben en die bezigtigt hadt; dat alles wel stondt, en zij naar alle gedagten hem eerstdaags weder zien zouden. Dus terwijl de meeste niet wisten wat den Keizer was overgekomen, wierdt het gevegt vervolgt tot dat het duister werdt; dog toen deAlectorianen, afgemat zijnde door wonden en vermoeidheid, weder binnen hunne legerplaats waren getrokken, tref ik met den vijand eenen stilstand van wapenen; voor zoo veele dagen als wij noodig hadden om de dooden te begraven. Midlerwijl, nadien ik bemerkt had, dat ik iets nieuws moest uitdenken om deAlectorianente onder te brengen, deed ik de kogels der bussen tot hagel vergieten. Deeze uitvinding was van zulken gewenschten uitslag, dat deAlectorianenin het volgende gevegt even als vliegen uit de lugt nederwaards stortten, en wel de helft van hun leger in de pan gehakt wierdt. Hier door leiden de overige de wapenen neder, en smeekten ootmoedig om vrede. DeArectoniersenKispucianen, dat voorbeeld volgende, gaven zig, met hunne wapenen, steden en sterkten, aan ons over. De zaken aldus gelukkig verrigt zijnde,
Na dat de Groote Raad nu was bijeen gekomen,En men, op mijn bevel, den Adel hadt vernomenTe zijn vergadert, riep ik hen in het Paleis:Zij komen op het Hof, voldoende aan mijnen eisch,Met gantsche scharen; en naauw hieldt men op van spreeken,Of ik begon aldus:
"Ik twijfele geenszins, zeer doorlugtige, edele en dappere Mannen, of eenigen van u lieden zal ter oore zijn gekomen met hoe veel zorg en vlijt ik onzen altoos onverwinnelijken Keizer deezen togt hebbe afgeraden; Dog zijne aangeboren dapperheid en onverschrokken moed, wilden niet toelaten dat hij t'huis bleef, terwijl wij den vijand onder de oogen gingen zien. Ik kan betuigen, dat dit het eenigste verzoek is geweest 't geen mij van zijne Keizerlijke Majesteit is geweigert geworden. Ach! hadt die onverwinnelijke Vorst, in mij veele andere zaken toe te staan, wat moeilijker en alleenlijk hierin wat gemakkelijker gevallen; zoo zouden wij in dit ongeval, veroorzaakt door zijnen onverwagten dood, niet zijn geraakt; maar onze wederkomst in de Keizerlijke Stad zoude waarlijk zegepralend, en onze blijdschap over zoo veele treffelijk uitgevoerde zaken, volkomen, en door geene smert gestoort zijn geweest. Ik kan nog, mag dat smertelijk geval niet langer verbergen, waar door ons een zoo zwaare slag is toegebragt. Weet dan, dat de Keizer dapperlijk vegtende, door eenen pijl in den strijd gewond, en kort daar aan overleden is. Hoe veel droefheid en hoe veele angstige zorgen zal dat verlies niet naar zig sleepen! Uit mijne eigen droefheid kan ik genoegzaam afnemen, hoedanig gij lieden te moede zijt. Dog laat egter den moed niet zakken; wijl het geen sterven kan genoemt worden waar door de sterflijkheid van zoo groot eenen held meer dan zijn leven geëindigt is. Gij kunt niet zeggen dat uw Keizer geheel en al voor u lieden gestorven is, die u twee volwassen Prinsen heeft nagelaten, hunnen overleden Vader in allen deele gelijkvormig, en niet minder erfgenamen van 's Vaders deugden dan van zijne Rijken. Gij zult dan niet zoo zeer van Keizer, als van des Keizers naam veranderen. En nademaal de oudste PrinsTimufo, door 't regt van geboorte, zijns Vaders throon moet beklimmen, behoude ik het gebied des Legers onder zijn gezag. Hij is 't aan wien wij den eed zullen doen, en wien wij alle trouwe en gehoorzaamheid zullen bewijzen."
Na dat ik mijne redenvoering geëindigt had, riepen zij alle overluid:Wij willen Pikilfu tot Keizer, hebben! Ik, dit met verbaasdheid hoorende, barstte uit in traanen, biddende hen alle ernstlijk, dat zij gedagtig wilder zijn de trouwe, die zij 't Keizerlijke Huis schuldig waren, en niet vergeten de weldaden waar mede de overleden Vorst hen alle in 't gemeen, en ieder van hen in 't bijzonder, aan zig verbonden hadt, waar van het vergeten, hun in hunnen goeden naam eene vlek stondt aan te wrijven, die nooit uitgewischt zoude worden. Hier voegde ik bij, dat zoo hen door mij eenige dienst konde geschieden, zij dat van mij, als van een particulier persoon, te wagten hadden. Dog dat zeggen hielp weinig:
Mijn weigeren is vergeefs, en dient slegts om te stijven't Besluit der Oversten: zij meenden mijn' bedrijvenVerdienden ruim de Kroon. 't Gemeene krijgsvolk hoortZoo dra niet hunnen wil, of 't geeft al meê zijn woort.
Doordien nu de gemeene Soldaten het zelfde riepen groeide 't geschreeuw der Hoofden aan, zoo, dat de geheele Legerplaats door deeze dikwils herhaalde woorden weergalmde. Ik begaf mij dan hier van daan, mijn hoofd bedekt hebbende, naar des Veldheers tent, beveelende mijne bedienden, dat zij 'er niemant zouden laten binnen treeden, aangezien ik hoopte dat het krijgsvolk tot bedaaren zoude komen, wanneer de eerde hitte een weinig zoude verkoeld zijn. Dog de Legerhoofden, te gelijk met de gemeene Soldaten, met geweld in mijne tente dringende, hingen mij, hoe zeer ik ook daartegen worstelde, de Keizerlijke Sieraadiën om, en riepen mij, onder 't geschal van trompetten, en 't geluid van trommels, uit, voor Keizer vanQuama, Koning vanTanachi, Arctonië, Alectorië, en Grootvorst derKispucianen. Waarop ik, ziende dat het tog niet anders wezen mogt, mij niet langer tegen 't geluk stelde, maar den droom volgde. En ik moet bekennen, dat het niet geheel en al tegen mijnen zin was, dat ik tot dat toppunt van eer verheven wierd; want een Keizerrijk, met drie Koningrijken, en een Grootvorstendom, zijn zaken die elkeen zouden doen watertanden. Ik zond dan wel van stonden aan Afgezanten naar den Prins, om hem van al het voorgevallene kennis te geven, en hem aan te zetten, dat hij 't geen hem bij geboorte toekwam, manmoedig wilde verdedigen, en deeze nieuwe gedane verkiezing, als tegen de wetten zijnde, nietig verklaaren; dog: ik had egter bij mij zelven een vast besluit gemaakt, om het Gebied, dat mij van zelf in de hand gevallen was, niet ligtelijk over te geven, invoegen die bezending veel eer geschied was ten einde den Prins de pols te voelen. Deeze, gelijk hij een jongeling van eenen zeer voortreffelijken aart was, en die een zeer schrander oordeel bezat, wist genoeg hoe veele schuilhoeken en agterdeuren de gemoederen der menschen hebben; en deeze gemaakte zedigheid wel bevroedende, maakte hij zeer voorzigtiglijk van den nood eene deugd, en, volgende het voorbeeld van het Leger, deedt mij ook in de Keizerlijke hoofdstad voor Keizer uitroepen. Eerlang wierd ik, omstuwt van de Hoofdes des Legers, onder toejuichingen des Volks, in zegepraal geleid, en de kroon naar plegtige gewoonte op mijn hoofd gezet. Dus, van eenen ellendigen schipbreukeling in eenen Monarch hervormt, nam ik, om deQuamiten, welke ik zag dat het oude Vorstelijke Huis alle liefde en agtinge toedroegen, aan mij te verbinden, en mijn gezag, zoo wel door raadgevingen van Staat, als bijzondere overwegingen, vast te stellen, ten huwelijk, de Dogter des overleden Keizers. Zij wierdtRalacgeheeten, en was
Een' frissche jonge Maagd, in 't prilste van haar jaaren,En daar me een' zieke Bruid wel meê hadt kunnen spaaren.
Zoo veele en zulke gewigtige zaken verrigt hebbende, bedagt ik nieuwe uitvindingen, waar door ik dit Rijk tot den oppersten, en voor de geheele Onderaardsche Waereld gedugten, top van grootheid konde brengen. Ik stelde terstond al mijn verstand in 't werk, hoe ik de onlangs overwonnen Volkeren bij hunne trouwe en pligt zoude houden; ten welken einde ik doorgaans in alle vaste plaatsen, sterke bezettingen lei; stellende mij goedertieren aan tegen de overwonnenen, en eenigen van hen tot groote eerampten, zelfs in de hoofdstad, bevorderende. Maar vooral begunstigde ik de gevangen VeldheerenTomopolokoenMonsoniuszoodanig, dat deze gunst onder eenige derQuamitenafgunst baarde, schoon zij hunne verontwaardiging voor eenen tijd bedekt hielden; want de vonken bleeven lang onder de assche verborgen, tot dat zij eindelijk, zoo als straks gezegt zal worden, in eene volle vlam uitbarstten. Wat aangaat de binnenlandsche zaken; ik trachtte de letter-oeffeningen, en de zaken, rakende 't krijgswezen, tot de hoogste volmaaktheid te brengen. En nadien dit gewest zeer veele groote besschen heeft, houts genoeg verschaffende om eene vloot aan te leggen, en oorlogschepen naar de wijze van Europa te bouwen; stelde ik daar zoodanig mijn verstand aan te werk, dat, schoon ik door de veelheid der bezigheden zeer verstrooid was, ik egter mij nergens anders mede scheen op te houden. In dien toestel bediende ik mij voornamenlijk van deKispucianen, nademaal dezelve in Zeezaken zeer bedreven waren, en ik stelde den VeldheerMansoniusaan tot Opper-admiraal.
Terstond viel men aan 't boomen vellen aan 't smeden van allerlei timmermans gereedschap, en ik bevorderde het werk met zoodanige vlijt, dat 'er binnen den zestigsten dag, na dat men het werkhout in gereedheid hadt gebragt, eene Vloot van twintig Schepen zeilreê lag. Dit alles naar wensen verrigt zijnde, zag ik mij zelven niet anders aan, dan voor eenen tweeden, Onderaardschen, Alexander, die alhier dezelve bewegingen maakte, welke deze eertijds op onze waereld gemaakt hadt. De dwaaze heerschlust kruipt tot in 't oneindige voort, en vindt geen plaats daar ze gestuit wordt. Eenige jaren te vooren, was een Diakens-, Schrijvers-, of Clerks-plaats, een klein bedieningtje zeeker, het hoogste van in mijn verlangen, en ik stond naar niets grooters; maar nu scheenen vier of vijf Koningrijken mij te naauw te zijn: zoo, dat ik, ten aanzien der heb-lust, die met rijkdom en vermogen, steets vermeerdert wierdt, nooit armer of behoeftiger geweest ben.
Wanneer ik door deKispuciaanscheZeelieden van de gelegenheid en aart, zoo der Zeeën als der omleggende Landen, onderrigt was, en van hen vernomen had, dat men met eene voorspoedige reis, in den tijd van agt dagen konde komen op de kusten van het RijkMezendoria, van waar men door bekende, en onlangs door mij doorgeroeide, Zeeën, gemakkelijk konde oversteken naarMartinia, beval ik de reize te verhaasten. EnMartiniawas het voornaamste oogwit waarop ik doelde: zoo wel de onmetelijke schatten en rijkdommen van die Natie, als het aankweeken en voortzetten der Zeevaard, waarin deMartinianenzeer bedreven zijn, waren zoo veele prikkelen in mijn gemoed, vermits ik zoo groote zaken voornemende, lieden nodig had die zig des verstonden. Daar was nog een andere prikkel, namenlijk de wraaklust, welke mij aanporde om die Natie te onder te brengen. Van de twee Keizerlijke Prinsen nam ik den oudsten mede op deeze reize, voorgevende, dat Zijne Hoogheid, geduurende dezelve, een ruim veld zoude vinden om zijne dapperheid en bekwaamheden te oefenen. Dog mijn waar oogmerk was, om aan hem eenen Gijzelaar en Waarborg van de trouw derQuamitente hebben. De jongste Prins bleef wel t'huis; dog de regeering des Rijks was, bij mijn afwezen, overgelaten aan de Keizerin, die al bereids bezwangert was. De geheele Oorlogsvloot bestondt uit twintig, zoo groote als kleine, schepen, alle gebouwt naar deMartiniaanschewijze, en naar den raad, en onder 't opzigt van denKispuciaanschenVeldheerMansonius, welken ik het gantsche bewind over de Zeezaken had toevertrouwt, en die ook alle de teekeningen met eigen hand gemaakt hadt; want deMartinianenwaren onder de Onderaardlingen, 't geen eertijds die vanTyrusenSidonwaren, of 't geen de Engelschen en Hollanders bij onze tijden zijn; zig 't gebied der Zee toeschrijvende. Dog toen wij inMartiniakwamen, bespeurde ik welhaast, hoe zeer wij in 't oorsprongelijke hadden misgetast.
Wij gingen onder zeil in dat jaargetij, wanneer de PlaneetNazarhalf vol was, of 't eerste quartier uitmaakte. Na dat wij drie dagen op Zee gekruist hadden, ontdekten wij een groot eiland, welks inwoonders, vermits zij oneenig en in partijschappen verdeeld waren, ligt het jok was op te leggen: en wijl zij geene wapenen hadden, nog het gebruik daarvan kenden, alleen streeden met schelden, en lasteren. Daar in bestondt bij hen alle draf en alle oorlogsgeweld. De overtreders der wetten worden 'er in hegtenisse gezet, waar uit zij, na dat de misdaad onderzogt is, naar de Geregtsplaats worden gebragt, en aldaar voor scheldwoorden en beschimpingen ten toon gestelt. Om die bedieningen waar te nemen, zijn eenige personen aangestelt, dieSabutiof Beschimpers en Lasteraars, geheeten worden, en dezelve zijn even als onze Scherpregters en Dief-leiders. Wat aangaat hunne ligchaams-gedaante; zij verschillen alleenlijk hier in van de menschen, dat de Vrouwen baarden hebben, en 't manvolk zonder baard is. Daarenboven gaan zij agterwaards uit, en niet als alle andere menschen, voor uit. Na dat wij hier eene landing hadden gedaan, kwamen ons omtrent driehonderdCanalisken(dus worden de inwoonders genoemt,) te gemoet. Deeze ons vijandelijk besprongen hebbende, gebruikten hun gewoon geweer, bestaande in 't uitbraken van scheldwoorden en smadelijke bejegeningen. Met zodanige scherpe uitdrukkingen, (zoo als wij van zekerenAlectoniër, die deCanaliskischetaal magtig was, verstonden,) waren de scheldredenen, welke zij ons naar 't hoofd wierpen, opgestelt, dat zij genoeg te kennen gaven, dat zij in dit soort van vegten, dappere helden waren, en voor de Taalgeleerden in onze waereld niet te wijken hadden. Dog ik al te wel wetende dat
Gramschap zonder bloedvergieten,Niet dan Wijven kan verdrieten,
beval op die ongewapende Natie geenen aanval te doen, maar alleenlijk, om 'er schrik onder te maken, een stuk geschut los te branden; 't geen niet zoo haast geschied was, of zij vielen op hunne knieën, en baden om vergiffenisse. Terstond kwamen 'er eenige van de voornaamsten des eilands in alle ootmoedigheid zig zelven met hunne onderdanen aan ons overgeven, zeggende, dat het hen tot geene schande konde strekken, overwonnen te worden van den, genen, welken, het niet behoorlijk was te overwinnen, nog dat het betamelijk was, dat hij, welken de fortuin boven alle andere verheven hadt, aan iemant wierde onderdanig gemaakt. Aldus dit eiland door welks verovering mijne magt wel toegenomen, dog egter mijne glorie, om de lafhartigheid der inwoonders, niet vermeerdert was, onder tribuit gezet hebbende, ligtten wij de ankers, en kwamen, na eene gelukkige reize van ettelijke dagen, op de kusten vanMezendoria. Toen deed ik krijgsraad van de Scheepshoofden beleggen, om te onderstaan wat best gedaan ware; en of het raadzamer zoude zijn, terstond de vijandelijkheden te beginnen, dan door eene bezendinge den Keizer de pols te voelen, of hij genegen was, om, mits zig overgevende, vreede te houden, dan of hij den oorlog verkoos. De meeste waren van gevoelen dat het betamelijker en veiliger was, dat eenige Gezanten werden derwaards gezonden; waarom ik die bezending aan vijf persoonen oplei, te weten: aan eenenQuamiter, eenenArctoniër, eenenAlectoniër, eenenTanachiter, en eenenKispuciaan. Deezen, binnen de Hoofdstad gekomen, wierdt uit den naam des Keizers door den Stadvoogd afgevraagt:
Wat zoekt gij? Wat mag 't zijn, dat uwe vlugge kielenDoor 't schuimend pekelnat in onze havens vielen?
Hier op gaven zij ten antwoord:
.......Geene baren,Nog stormen dwongen ons aan uwe kust te varen,Nog 't heeft aan kennis van gestarnte of strand gefeilt:Wij komen herwaar'd, niet uit onze streek verzeilt;Maar wel met vrijen wil, en voorbedagten raade.
En terstond gaven zij aan den Keizer eenen Brief over, van den volgenden inhoud:
"KLAAS KLIM, Afgezant der Zonne, Keizer vanQuama, Koning vanTanachi, vanAretonië, vanAlectorië, Groot-Hertog derKispuciaanen, en Heer vanCanaliska, groetMiklopolatu, Keizer vanMezendoria. Het zij u bekend, dat door een onwederroepelijk besluit der Goden, vastgestelt is, dat alle Rijken en Heerschappijen aan hetQuamitischeGebied onderworpen zullen worden; en nademaal het besluit der Goden onveranderlijk is, zoo moet volgen, dat ook uw Keizerrijk het zelve noodlot ondergaa.—Wij verzoeken u dan, dat, gij u zelven goedwillig overgeeft, en wij vermanen u, dat gij Uwe Rijken niet bloot stelt aan de gevallen des oorlogs, door u roekelooslijk aan te kanten tegen onze overwinnende wapenen: u zelven bij tijds overgevende, zult gij veel onschuldig bloed bespaaren, en uwe eigen zaken in beteren staat stellen. Gegeven op onze Vloot, den derden der maandRimat."
Na dat eenige dagen verloopen, waren, kwamen de Gezanten te rug met een trotsch en hoogmoedig antwoord. Hierom, alle hoop van vreede aan eenen kant zettende, deeden wij de landing. Onze troepen aan land gebragt, en in slagorde gestelt zijnde, zonden wij verspieders uit, om te zien wat toestel de vijand maakte. Eerlang kwamen zij te rug, tijding brengende, dat het vijandelijk Leger, bestaande uit zestigduizend Leeuwen, Tijgers, Olifanten, Beeren en Grijpvogels, kwam aanrukken. Hierom sloegen wij ons op eene voordeelige plaats ter neer, besluitende den vijand af te wagten. Alles nu gereed, en het teeken van aan te vallen gegeven zijnde, wierden van de vijandelijke zijde, vier Vossen als Afgezanten gezonden om met ons over vrede te handelen. Dog na dat dezelve eenige uuren met onze Bevelhebbers gesproken hadden, scheidden zij onverrigter zake. Eerlang bleek het, dat zij veel eer verspieders dan Gezanten waren geweest, en nergens anders toe afgezonden waren, dan om den staat van ons Leger op te nemen. Zij gaven wel vóór, eerlang met breeder last te zullen wederkomen; dog toen wij kort daarna het geheele vijandelijke Leger in aller haast op ons zagen aannaderen, bespeurden wij dat 'er van den vrede niets te wagten was, waarom wij ons tot den aantogt gereed maakten, en als op een drafje naar den vijand liepen. Daar wierdt lang en fel gevogten, met even groote hardnekkigheid van beide zijden. Want schoon onze Busschieters al met den eerden aanval eene groote slagting maakten bleven egter de Olifanten standvastig met gesloten gelederen; om de hardheid hunner huid geen kogels ontziende. Dog toen men 'er grof geschut begon onder te branden, en de Olifanten daar van het doodlijk gewrogt bespeurden, droopen zij, met grooten schrik bevangen zijnde, doorgaans af, en schroomden niet om,
Door schandlijk 't hasenpad te kiezen,En eer en zege te verliezen.
In dit gevegt sneuvelden drie-en-dertigduizendMezendoriërs, en tweeduizend vielen levendig in onze handen. Die uit den strijd ontkwamen, begaven zig naar de Hoofdstad, eene zeer sterke plaats, en vervulden daar alles met schrik en vreeze. Dog wij onze overwinninge vervolgende, kwamen in drie optogten voor de Koninglijke stad, waar voor wij zoo met onze zee- als landtroepen het beleg sloegen. Terwijl wij in 't aannaderen waren, ontmoette ons eene nieuwe bezending, met voordeeliger voorwaarden van vrede. De Keizer verzogt, dat ik zijne Dogter, de schoonste aller Leeuwinnen, ten huwelijk zoude nemen, en boodt mij tot bruidschat aan, het halve Rijk. Die voorwaarde stondt mij niet aan, vooral voor zoo veel die dat huwelijk raakte: want het scheen mij nog veilig nog eerlijk te zijn, mij aan eene Leeuwin te verbinden, en de Keizerin, die bereids bezwangerd was, te verstooten. Hierom kregen de Gezanten hun afscheid zonder eenig antwoord. Terstond lieten wij 't grof geschut op de wallen der Stad speelen, die, schoon ze van steen opgemetzeld waren, egter op veele plaatsen aan stukken en ter neder wierden geschoten. En vermits de Stad met allerlei dieren vervult was, ging 'er een wonderbaarlijk gekrijt van brullen, huilen, loeijen, balken, blaeten en schuiffelen op. De Slangen, pakten zig weg in de spleeten der aarde:
Zij kroopen in de diepste holen,En bleven lang door vrees verscholen.
't Gevogelte, op zijne wieken in de lugt zwevende, begaf zig, de Stad eindelijk belegert zijnde, naar de rotsen en verheven plaatsen. De Boomen beefden van angst, en de straaten der Stad wierden bedekt met derzelver afvallende bladeren. Ons kwam ter ooren dat bijna twintig Staat-jufFers van 't Hof, die roozen en leliën waren, op den eerden kogel-vlugt van verbaasdheid schielijk verwelkten. Een groote toevloed van allerlei slag van Gedierte benaauwde boven mate, door zorge en kommer, zoo Burgers als Landlieden, in die naauwe huizen in een gepakt; en zoo wel arbeid als besmetting maakte de ziekten algemeen. De Olifanten hielden zig wel moediger;
Dog eindelijk meê verbaast door 't bald'ren van 't geschut,Verlaten zij de Stad, daar elk in zijne hutt'Van angst bijna versmagt.
Waarom de Keizer vanMezendoriawanhopende aan ontzet, den Raad vergadert hebbende, aldus begon:
O Burgers! Sprak de Vorst, wij krijgen met de Goden:Een onverwinlijk volk, zijn' vijand nooit ontvloden,Dingt naar ons leven: 't is een volk dat, onvermoeit,Alleen vermaak schept daar het oorlogs-onweer loeit:Ja dat, men neem' 't eens zoo, al wierdt het overwonnen,Ons staag bevegten zal, en nimmer rusten konnen.Des overweegt het stuk, en geeft mij goeden raad,Zoo anders 's Lands behoud u regt ter harte gaat.
Hierop riepen zij alle uit eenen mond:
In 't oorlog is geen heil gelegen:Wij zijn al t'zaam tot vreê genegen.
Hierom gaf zig de Keizer met alle zijne onderhoorige gewesten over, zoo, dat ik mij op eenen dag een wijd uitgestrekt Keizerrijk met bijna tien Koningrijken en Vorstendommen onderworpen maakte. Want het voorbeeld des Keizers volgden alle onderhoorige Rijken, met de Oversten der Landschappen na, voegende zig als om strijd ouder onze bescherming.
Na zulk eenen verbazenden uitslag, gaf ik bevel den gevangen Keizer, eene bezettinge van zeshonderd Busschieters in de Hoofdstad gelegt hebbende, over te brengen op onze Vloot. Hij wierdt op deze reis met alle vriendelijkheid bejegent, en, na dat wij inQuamawedergekeert waren, begiftigt met eene geheele Provincie, waaruit hij zoo veele inkomsten trok, als genoegzaam toereiken konden tot onderhoud eenes gevangen Vorsts. Onze ankers geligt hebbende, voeren wij langs de kusten vanMezendoria, en eischten onderweg van de meeste volkeren, die onder het gebied des KeizersMiklopolatugedaan hadden, gijzelaars; invoegen dat ik, voorwendende alle steden te willen aantasten, in 't kort denMezendorischennaam te onderbragt. Die volkeren waren bijna alle dezelve waar van ik een schets hebbe opgegeven in mijneMartiniaanschereize. Eindelijk de kusten vanMezendoriaverlaatende, namen wij onzen koers naarMartinia,welks kusten wij ten laatsten, na eene gelukkige, dog langduurige reize, in 't gezigt kregen. Nooit kwam eenig Land mijn gezigt aangenamer voor; en wanneer ik mij te binnen bragt, dat ik thans als Keizer en Verwinnaar veeler volkeren, naar een Land ging, alwaar ik onder de slaven tot de galei was gedoemd geweest, sprong mijn hart als van vreugde op. In 't eerst had ik besloten mij zelven bekend te maken, om daar door deMartinianente grooter schrik aan te jagen; dog ik liet dat voornemen varen, vermits ik raadzamer oordeelde, de oude dwaling, aangaande mijne geboorte, die eens onder de overwonnen volkeren verspreid was, te koesteren, en mij aan te stellen als Afgezant der Zonne.
Ik hoopte wel, dat ik in 't kort, en met weinig moeite, deMartinianen, wier lafhartigheid mij bekend was, zoude t' onderbrengen. Want dat volk, altoos geneigt tot wellust, was niet alleen vol van gantsch bedorven zeden, maar zwemmende als in eenen overvloed van alle dingen, door de aanlokselen van allerlei vermaken, door eenen langduurigen voorspoed, zoo te water als te lande; en door eene milde toegevenheid van de Fortuin, dartel geworden. Dog de ondervinding deedt mij zien, dat die zaak vrij wat voeten in de aarde hadt, aangezien zij door den Koophandel, welken zij wijd en zijd in de Onderaardsche Waereld dreven, onmetelijke schatten hadden vergadert, waar door zij de hulpe van zeer strijdbaare Natiën altoos op hun wenken tot hunnen dienst gereed hadden. Voeg hierbij, dat in 't stuk der Zeevaart, deMartinianentoentertijd voor geene der Onderaardsche Volkeren te wijken hadden, en dat onze scheepen, bij die der vijanden, log en lomp waren: want het is gemakkelijk te bevroeden van wat deugd de vaartuigen konden zijn, die van eenBaccalaureusin de Philosophie ter loops waren opgetimmert, en wat 'er de Hollanders, Engelschen en Deenen van zouden gezegt hebben, bijaldien zij daar over 't oordeel hadden moeten vellen. Dog dit gebrek wierdt overvloediglijk vergoed door 't geschut dat de onze voerden, en 't geen tot nog toe denMartinianenonbekend was.
Eer ik egter iets vijandlijks ondernam, zond ik Afgezanten aan den Raad, bijna met dezelve vredes-voorwaarden, welke ik onlangs den Keizer vanMezendoriahad aangeboden. Maar toen wij antwoord waren verwagtende, zagen wij eene wél toegeruste Vloot, en hoedanig eene wij niet verwagt hadden, met volle zeilen op ons aankomen. Hierom onze Vloot, zoo veel de haast toeliet, in slagorde geschikt hebbende, gaven wij het teeken van den Zeeslag te beginnen. Daar wierdt wederzijds lang en met gelijken moed en dapperheid gevogten. DeMartinianenhadden, in plaats van geschut, werktuigen waar mede zij zeer zwaare steenen wierpen, en waar door zij onze scheepen niet weinig schade tocbragten. Wijders hadden zij branders met pik, lijm, zwavel en andere brandstoffe gevult, waar door ons grootste schip wierdt aangedoken, en tot aan 't water afbrandde. Des stondt de kans lang twijfelagtig, staande de onze lang in beraad of zij vegten of vlugten wilden. Dog door 't vreeslijk bliksemen van ons geschut, lieten deMartinianeneindelijk den moed zakken, zoo, dat zij uit het gevegt scheidden, en de haven inliepen. Wij kregen egter niet een vijandlijk schip in onze magt, vermits dezelve, veel gezwinder zijnde dan de onze, binnen korten tijd uit ons gezigt geraakten. De slag geëindigt zijnde, ontscheepten wij onze landtroepen, en trokken met de uiterste snelheid naar de HoofdstadMartinia. Op deezen togt kwamen onze Afgezanten weder bij ons, welke zeer trots van den Raad ontvangen, en met dit antwoord te rug waren gezonden:
Vertrekt op taande voet; zegt uwen Koning aan:Ik voer de Watervork: de Zeevoogdijen staanBij lotinge aan mij: hem zijn ze niet bevolen.Hij mag, vindt hij het goed, gebiên in uwe holen,En bijst're storm-spelonk: die kent hem voor haar heer.
Want deMartinianen, zig de heerschappij der Zee toeschrijvende, hadden den eisch van eenen Berg-vorst met verontwaardiginge opgenomen. Zij bragten egter met zeer veel zorg en vlijt een Leger op de been: want behalven hunne gehuurde troepen, wierdt al watMartiniaanheette, en bekwaam was om de wapenen te dragen, opontboden.
Naauwlijks waren wij eenige stadiën voortgetrokken, wanneer wij een talrijk Leger, bestaande uit allerlei volkeren, regt op ons zagen aankomen. Die welgemoedheid der vijanden, zelfs na hun verlies ter Zee, baarde ons geene geringe bekommering. Dog die troepen waren niet anders dan hovelingen der lugt, die zoo haast verdwijnen als zij verschijnen, en die
.....Bijna van vrees verzinkenZoo dra men 't hol geschal der krijgstrompet hoort klinken.
Eerlang namen deMartinianen, na dat men hen de eerste maal met grof geschut begroet hadt, de vlugt. Wij, hen op de lendenen hangen blijvende, maakten eene groote slagtinge daar onder. Hoe veele 'er toen van de vijanden sneuvelden, blijkt uit het getal derParuiken,welke wij na den slag bij een bragten; want naar het getal, dat wij daar van opgemaakt hebben, maakten wij staat, dat 'er omtrent vijfduizendMartinianenverslagen waren. Zij hadden derzelver fatzoenen na mijn vertrek verandert, want ik bevond meer dan twintigerlei verscheide fatzoenen van Paruiken, vermits zulk eene gantsch vernuftige Natie nooit uitgeput is in nieuwe verzinzelen uit te denken.
Na dien gelukkigen slag, of liever nederlaag, sloegen wij het beleg zonder eenigen tegenstand voor de HoofdstadMartinia. Dog toen alles om dezelve aan te tasten vervaardigt, en het geschut gesteld was, kwamen die van den Raad zelve met alle ootmoedigheid in ons Leger, en gaven hunne Stad te gelijk met den gantschen Staat aan ons over. Waarop eerlang de vrede volgende, traden wij als in zegepraal binnen die heerlijke Stad. Toen wij onze intrede deeden, was 'er nog die opschudding, nog die bedeesdheid, die doorgaans in overwonnen steden gezien wordt; maar een droevig stilzwijgen en eene neêrslagtige droefheid hadt alle gemoederen zoodanig verslagen gemaakt, dat zij door vrees niet wetende wat zij laten, of wat zij zouden met zig nemen; en t'einde raad zijnde, de een den anderen om raad vraagde, nu eens op den dorpel staande om te vertrekken, dan eens het gantsche huis doorloopende, als of zij dat voor de laatste maal zien zouden. Dog door de overgifte wierdt de Stad voor plundering verschoond, waar door de droefheid in vreugde verkeerde. Toen ik de Gemeene Landskasse bezag, stondt ik verbaasd over den grooten schat, en deelde 'er een gedeelte van uit onder het krijgsvolk, bevelende 't overige in mijne Schatkist te brengen. Na dat 'er eene bezettinge inMartiniagelegt was, wierden eenige Raadsheeren tot Gijzelaars op de Vloot gebragt. Onder dezelve was de Vice-president met zijne Huisvrouw, die mij met de misdaad, waar over ik verwezen was, betigt had. Ik nam egter geen wraak over dien smaad, agtende het onbetaamelijk te zijn voor een groot Monarch, wraak te nemen van het ongelijk, eenen lastdrager aangedaan.
Zulke groote zaken verrigt, en onze Vloot met de Schepen derMartinianenmerklijk versterkt zijnde, zeilden wij naar 't Vaderland: alwaar aangekomen zijnde, zegepraalden wij met de uiterste pragt, zoodanig, dat nooit de Romeinen daar bij hebben kunnen reiken. En waarlijk, wij hadden zulke groote dingen uitgevoerd, dat, hoe groot de vreugdebedrijven en de pragt ook wezen mogten, dezelve egter niet overtollig konden schijnen. Want wat kon 'er doorlugtiger, wat meer naar heldendaden gelijkende genoemd worden, dan een volk, dat nog onlangs in zulke veragtinge was, en bloot stondt voor de aanvallen van elk een, tot Koning en Gebieder van de geheele Onderaardsche Waereld in zoo korten tijd, hervormd te hebben? Wat mensch kon mij, onder zoo veele schepselen van een ander geslagt levende, meer tot glorie strekken, dan aan het menschdom herstelt te hebben het gebied, dat de Natuur aan het zelve over alle andere schepselen gegeven heeft. De heerlijkheid deezer zegepraal, waarin ik door een iegelijk van allerlei staat en ouderdom, zoo door mij te komen tegenloopen, als door mij hunne genegenheid te bewijzen, ontvangen wierdt; kan in geen geheel boek, laat staan in dit klein bestek, worden uitgedrukt. Zedert dien tijd bragt ik eene andere tijdrekeninge in de Geschiedenissen, zulks 'er thans vijf Monarchyen kunnen worden opgetelt, te weten: deAssyrische, dePersische, deGrieksche, deRomeinscheen deQuamitischeof Onderaardsche; en deze laatste schijnt alle voorgaande in grootheid te overtreffen. Hierom weigerde ik niet den tytel vanKoblu> dat is de Groote, welke, zoo door deQuamiten,door de overwonnen Volkeren, mij als om strijd wierdt opgedragen, aan te nemen. Ik beken datde Grooteeen verheven en trotsche naam is, maar als die oude Helden, Cyrus, Alexander, Pompejus, en Cæsar, die den lof, van KLIM geenszins kunnen evenaren, zig met mij zullen willen vergelijken, kan deeze tytel niet anders dan gering en laag voorkoomen. 't Is waar, Alexander heeft het Oosten te ondergebragt; dog met welke krijgsbenden? Met oude Soldaaten en die als in het vuur gehard waren, gelijk zekerlijk de Macedoniërs waren ten tijde van zijnen vader Philippus. Dog ik heb meer en vrij wat ontembaarer volkeren dan de Persen waren, in minder tijd, met een onbeschaafd en barbaarsch Volk, 't geen ik zelf beschaafd hadt, mijn gebied onderworpen gemaakt. De tytel, welken ik naderhand voerde, was dees: KLAAS DE GROOTE, AFGEZANT DER ZONNE, KEIZER VAN QUAMA EN MEZENDORIA, KONING VAN TANACHI, VAN ALECTORIE, VAN ARCTONIE, VAN DE MEZENDORISCHE EN MARTINIAANSCHE KONINGRIJKEN, GROOT-HERTOG VAN KISPUCIE, HEER VAN MARTINIA EN CANALISCA, ENZ. ENZ.
Nu stondt mijn magtig Rijk gegrondvest, en het scheenMijn droeve ballingschap in enkel vreugd verdweenMaar ach! 't Geluk dat staat op losse en zwakke voeten:Men kan nooit sterveling voor regt gelukkig groeten,Ten zij wanneer men ziet zijn Uur-glas loopen uit,En dat de bleeke dood zijn stervende oogen sluit.
Want na dat ik tot dat toppunt van geluk en grootheid, 't geen naauwlijks een mensch met wenschen kan bereiken, gestegen was; kwam mij al het zelve over, 't geen hun, die van een laage en veragtte geboorte zijn, te beurt valt. Want vergetende mijnen vorigen staat, begon ik trotsch te worden; en, in plaats van 's volks gunst en agtinge te bejagen, stelde ik mij wreed en woest aan, en wierd een verdrukker van groot en klein: mijne onderdanen, welke ik tot hier toe met beleefdheid en gedienstigheid aan mij verbonden had, begon ik nu als mijne slaaven te veragten, zulks niemant mij meer konde te spreken komen, ten zij 'er eene soort van aanbiddinge ware voorafgegaan; en die dan nog al gehoor kregen, wierden op eene stuursche wijze, en als met den nek aangezien. Dit deedt eerlang alle gemoederen van mij vervreemden, en de genegenheid, tot verkoelinge en afkeer overslaan. Hoedanig hart mijne onderdanen mij toen ter tijd toedroegen, vernam ik kort daar na uit het verzoek, of liever uit het bevel, dat ik denQuamitendoor een Koninglijk placcaat had laten aankondigen. De Keizerin, die ik bezwangert had gelaten, hadt, geduurende mijn afwezen, eenen Prins ter waereld gebragt. Zeer verlangende om dezen Prins verklaart te zien tot mijn Opvolger, deed ik de Staaten, zoo derQuamitenals der overwonnen volkeren, vergaderen; nodigende dezelve om den jongen Vorst plegtiglijk te huldigen. Niemant durfde dit bevel wederstreeven, zulks de huldiging met de uiterste pragt voortging. Dog ik kon gemakkelijk bespeuren, dat hun gelaat met geveinsdheid gevernist, en al de vreugde, welke zij voorgaven te hebben, niet anders dan gemaakt was. Mijn argwaan wierdt versterkt door de Schimpschriften, die ter zelver tijd, zonder dat men de maker daar van wist, wierden verspreit, waarin het ongelijk, 't geen den VorstTemufodoor deeze verkiezinge werdt aangedaan, op eene geestige wijze werdt aangetoont. Dit baarde zodanig, eene beweging en bekommering in mijn gemoed, dat ik niet konde rusten alvorens ik dien braaven Vorst om hals had geholpen, 't Scheen mij egter niet geraaden den Zoon eenes Keizers, waar aan ik zoo groote verpligtinge had, in 't openbaar van kant te helpen; waarom ik heimelijk eenigen bestelde, welke hem van verraad moesten beschuldigen. En nademaal Vorstelijke schelmstukken nooit aan helpers of handhavers gebrek hebben, ontbraken 'er geen die onder eede verklaarden, dat de Prins een kwaad voornemen hebbende, opschuddingen zogt te verwekken, en op mijn leven toelei. Hier op wierdt hij gevangen genomen en van de Regters, waar van ik de meeste had omgekogt, veroordeelt zijn hoofd te verliezen. Dat vonnis wierdt egter heimelijk in den kerker, om geene opschudding te verwekken, ten uitvoer gebragt.
Wat aangaat de jongste Prins, nademaal dezelve nog in zijne kindsche jaaren was, stelde ik den tijd, die bepaalt was om hem om te brengen, uit. Dus was hij die zig niet kon verlaten op het regt, eenigen tijd in veiligheid om zijne jonge jaaren. Dog toen ik nu mijne handen met dien moord bezoedelt had, begon ik zoo streng en toomeloos te regeeren, en ging mijne wreedheid eindelijk zoo verre, dat ik 'er verscheide, zooQuamitenals andere welker trouw mij verdagt was, om hals deed brengen. Daar ging geen dag voorbij dat 'er geen bloed gestort wierdt, 't geen den opstand, welken de Grooten lang in den zin hadden gehad, verhaastte, zoo als straks zal gezegt worden.
Ik beken dat die rampen, welke ik naderhand heb moeten ondergaan, mij niet onverdiend zijn overgekomen. Zeker het zou eerlijker en voor een Christen-Vorst betamelijker zijn geweest, die onbeschaafde en barbaarsche Natie tot de kennisse des waaren Gods te hebben gebragt, dan, den eenen oorlog uit den anderen smedende, mijne handen te bezoedelen met het bloed van die onnoozele volkeren. En het zoude mij gemakkelijk gevallen hebben de geheele Natie te bekeeren: want alles wat ik voorstelde, wierdt greetig aangenomen, en mijne lessen waren als zoo veele Godspraken. Dog God en mij zelven vergeten hebbende, dagt ik nergens anders op, dan op eene ijdele en nietige glorie, en op de vermeerdering mijner grootheid.
Niets zweefde mij voor 't oog, dan wapens, moord en bloed;'t geen den fellen krijg of oorlogsvlammen voedt.
Daarenboven, mij van de allerergste raadgevingen bedienende, schepte ik meer genoegen in alle reden van aanstoot te vermeerderen, dan die uit den weg te ruimen, even als of de misdag, die door onregtvaardigbeid begaan was, door strengheid konde worden verbetert. Op de vermaningen mijner vrienden was ik gewoon tot antwoord te geven: