VIERDE HOOFDSTUK.

Nu kwamen wij aan de koninglijke StadPotuDeeze is eene pragtige en aanzienlijke Stad. De gebouwen zijn aldaar breeder en grooter dan teKeba, en de straaten ruimer en gemakkelijker. De allereerste markt daar wij bij kwamen, was opgepropt met een groot getal van kooplieden, en rondom bezet met winkels van konstenaars en handwerkslieden. Op 't midden der markt zag ik met verwondering eenen misdadiger staan met een strop om den hals, omringt van een grooten kring der deftigste boomen, dat een soort van raadsvergadering uitleverde. Toen ik vraagde, wat 'er te doen was, en om welke misdaad hij verdient hadt opgehangen te worden, daar 'er in dat land geen misdaad met den dood gestraft werdt; kreeg ik ten antwoord, dat de misdadige was een uitvinder (project-maker) die aangeraden hadt, eene oude gewoonte af te schaffen; en dat de omstanders Regtsgeleerden en Raadsheeren waren, die de nieuwe uitvinding naar gewoonte zouden onderzoeken, invoegen dat, zoo dezelve wel in orde gebragt, en voor het Gemeenebest heilzaam bevonden wierdt, de misdadige niet alleen ontslagen, maar zelfs beloond stont te worden; dog bij aldien ze schadelijk voor den Staat, of de uitvinder, in 't afschaffen van die wet zijn eigen voordeel te hebben bedoelt, bevonden wierdt, hij alsdan den hals, als een verstoorder der gemeene rust, door den strop stont te worden gebroken. Zijnde dit de reden, waarom 'er weinige gevonden worden, die dat gevaar willen ondergaan, of 't afschaffen eener wet durven aanraaden, ten ware de zaak zoo billijk en baarblijkelijk was, dat men aan eenen goeden uitslag niet konde twijfelen. Zoo zeer zijn de Onderaardlingen van bevattinge, dat de oude wetten blijven, en de instellingen der voorouderen moeten onderhouden worden; want zij gelooven, dat de Staat geschud wordt, wanneer de wetten op iemants goeddunken verandert, of afgeschaft worden. Ten zeide ik in mij zelv': O! wat zoude 't hier slegt staan met de uitvinders bij ons, die, onder schijn van algemeen nut, dagelijks nieuwe wetten smeden, dienstig, niet voor het Gemeenebest, maar wel voor bijzondere eigenbaat!

Wij wierden eindelijk gebragt in een zeer groot huis, de gewoonlijke intrek der gene die uit alle de kweek-schoolen des gantschen Vorstendoms worden verzonden. Uit dat zelve huis worden ze gebragt om voor den Vorst gesteld te worden. Onze Leidsman of deKatattibeval ons, dat wij ons gereed zouden houden, terwijl hij heen ging om den Vorst van onze aankomst te verwittigen. Zoo dra was hij niet uitgegaan, wanneer wij een zeer groot geroep als dat van eene zegepraal hoorden; en 't leedt niet lang, of het geschal der trompetten en 't geraas der trommels klonk allerwegen. Door dit gerugt genoopt, en voor de deur gegaan zijnde, zagen wij eenen boom aankomen, verzeld van eenen heerlijken stoet, en met een bloemkransje om het hoofd, en straks wierden wij gewaar, dat het die zelve burger was, dien wij op de markt hadden zien staan met den drop om den hals. De reden der zegepraal was 't goedkeuren der wet, welke hij, met gevaar zijns levens, hadt aangeraden. Dog wat redenen hij tot afschaffing der oude wet mag hebben bijgebragt, kon ik niet vernemen, en heb 'er nooit konnen agter komen, door de diepe stilzwijgendheid der inwoonderen, waar door het geschiedt dat de allergeringste zaak, het Gemeenebest belangende, of in den Raad verhandelt wordende, nooit het gemeen ter ooren komt; geheel anders dan bij ons pleeg te geschieden, alwaar de Raads besluiten en Resolutien van Staat daags daarna, op de gemeene wegen en in de gaarkeukens, verhandelt en bedilt worden. Na een uur vertoevens kwam deKarattiwederom, en beval ons alle hem te volgen. Wij volgden onzen Leidsman op zijn bevel. Onder weg ontmoetten wij overal hoorntjes, die van allerlei raare en gedenkwaardige zaaken, gedrukte boekjes te koop veilden. In die rommelzoô van boekjes ontdekte ik een werkje welks tytel was:Van het nieuw en ongewoon hemelsteeken, of vliegenden Draak, die in 't voorleden jaar zig vertoont heeft. Ik zag mij zelv', zoodanig ik was, toen ik met mijnen haak en den slenter van het touw rondom de Planeet wierdt gewentelt, in koper gesneden. Op dat gezigt kon ik mij naauwlijks bedwingen van lachen, en zei stilletjes in mij zelv':

O! welk een vreemd gezigt! een tronie zoo verwildert,Is waardig door Apell' te worden uitgeschildert!

Hebbende niet te min het boekje gekogt voor drieKilac, makende omtrent twee schellingen van ons geld uit, bedwong ik mijn lachen: vervolgende stillekens mijnen weg naar 't Paleis, een gebouw dat aanzienlijker is om deszelfs konst en nettigheid, dan door deszelfs kostelijkheid.

Geen voorhof pronkte alhier van koninglijke pragt,Nog glinsterend' marmer, daar de schilderkunst in wragtVerscheidenheid van kleur en verw'...?

Ik zag 'er maar weinige hovelingen of deurwaarders, want de spaarzaamheid der Vorsten hadt allen overvloed afgesneden. Ook heeft men hier niet noodig zoo veele dienaars, als 'er wel aan de Hoven bij ons vereischt worden, want zoo veele takken als deeze boomen hadden, waren zoo veele handen: zoo dat de handwerken en huislijke bezigheden drie- of vier-maalen rasser alhier verrigt worden.

Het was juist op de maaltijd, toen wij 's Vorsten Paleis intraden; en vermits zijne Doorlugtigheid, alvorens dezelve aan tafel ging, met mij afzonderlijk wilde spreken, wierd ik alleen in de eetzaal binnen gelaten. Dees Vorst bezat eene wonderlijke goedertierenheid en te gelijk deftigheid. Zoo groot was zijne standvastigheid, dat de deftigheid van zijn gelaat en wezen door geene de minste gestoordheid kon verdonkert worden. Op 't gezigt van den Vorst viel ik terstond op mijne knieën. Dog bij die aanbidding stonden de omstanders als verdomt; en wanneer ik de reden van mijn vallen op de knieën den Vorst te kennen gegeven had, beval hij mij op te staan: zeggende dat zoodanig eene eerbewijzing niemand dan de Godheid toekwam: voegende vervolgens daarbij, dat men aldaar alleenlijk door gehoorzaamheid, arbeid en vlijt, 's Vorsten gunst konde gewinnen. Na dat ik opgestaan was, wierden mij verscheidene vragen gedaan. En wel voor eerst

Door welken weg ik daar te lande was gekomen?Om welke reden ik die reis had ondernomen?In welken oord ik 't licht eerst zag: hoe 'k wierd geheeten?Waarop ik antwoord gaf: zoo gij mijn' naam wilt weten.Die heeft niet veel om 't lijf, KLAAS KLIM word' ik genoemd,En Berg' in Noorwege is (onnoodig hier geroemt)Mijn Vaderland: 'k ben in een grooter WaerelddeelGeboren, dan Gij Vorst, O! dat scheelt al te veel!Mijn' reis aangaande, daar valt vrij wat van te zeggen:Ik liet daar toe geen schip, dat bruist door zee, aanleggen:Ook reisde ik niet te land, maar door het starrendakNam 'k herwaards mijnen koers, en kwam 'er met gemak.

Vervolgens ondervraagde hij mij over de dingen die mij op mijne reize bejegent waren, en te gelijk over de wetten en de zeeden onzer waereld.

Toen ging ik op eene zielroerende wijze ontvouwen de deugden der menschen, derzelver aart en inborst, de wijze van leven in de Steden, en andere zaken, waarop het menschdom meerendeels zijnen roem pleeg te dragen. Dog hij nam mijn verhaal geheel koeltjes op, en op verscheide zaken, welke mijns oordeels grootelijks in hem verwondering hadden moeten verwekken, begon hij te geeuwen. Toen zeide ik in mij zelv':wat zijn ook de smaaken en verkiezingen der menschen verscheiden! daar wij de meeste aandoeninge van hebben, daar trekken deeze de neus van op. Dog 't geen ik in den Vorst 't ergst van allen in de ooren hoorde klinken, was, 't geen ik hem verhaalde van de manier van procedeeren, van de welsprekendheid onzer Advocaten, en van de vaardigheid onzer Regters in 't vonnis uit te spreeken. Ik trachtte hem dat wat nader te ontvouwen; dog hij mij in de reden vallende, wendde het over een' anderen boeg, en begon eindelijk te vernemen naar onzen Godsdienst en de plegtigheden daar omtrent. Daar op leide ik hem kortelijk uit alle de Artikelen van 't Geloof, op welker meldinge hij eenigermate rimpels uit zijn voorhoofd trok: betuigende, dat hij gaerne elk van die zoude onderteekenen: zig alleenlijk verwonderende dat een Volk van zoo weinig oordeel, zulke gezonde gevoelers hadt van God en Godsdienst. Maar straks, toen hij hoorde, dat de Christenen in ontelbaare Secten verdeeld waren, en om die oneenigheid onderling het harnas aanschooten, zeide hij: "Bij ons zijn 'er ook verscheide gevoelens over de zaken die den Godsdienst betreffen; dog de een vervolgt daarom den anderen niet: aangezien alle vervolgingen over zaken, rakende alleen de leere of dwaalingen, en spruitende alleenlijk voort uit de verscheide bevattingen, niet dan uit hoogmoed voortkomen, vermits de een dwaaslijk meent dat hij meer doorzigt bezit dan de ander; welke hoogmoed aan God, die ons de verdraagzaamheid en nederigheid beveelt, niet welbehaaglijk kan wezen. Een iegelijk", zeide hij, "die ter goeder trouw en in opregtigheid des harten van een aangenomen gevoelen in 't stuk der leere is afwijkende, laten wij zijn oordeel vrij, zoo hij maar in de practijk, die eigenlijk den dienst Gods betreft, toestemt: en hierin volgen wij de voetstappen onzer voorzaten na, die 't voor eene onmenschlijkheid hielden, het verstand der stervelingen de boeijen aan te doen, en over de conscientien te heerschen. Deezen regel bevelen wij ook in 't burgerlijke zeer zorgvuldig te volgen: invoegen dat zoo de gevoelens der onderdaanen, rakende de form onzer lichaamen, de manier van leven, de huishouding, en wat diergelijken meer is, verscheiden zijn, en egter dezelve mij voor wettigen Vorst, welken zij gehoorzaamheid schuldig zijn, erkennen; ik ze alle mee malkanderen voor goede onderdaanen houde."

Hier op antwoordde ik:Allerdoorlugtigste Vorst, dat wordt bij ons voor Syncretismus[1]uitgekreten en ten uitersten van onze Godgeleerden veroordeelt. Meer liet hij mij niet toe te spreeken, maar ging gramstoorig weg: bevelende mij te blijven tot dat hij zijn middagmaal gehouden hadt.

Aan de tafel zat de Vorst met zijne doorlugtige Gemalin, als mede de Prins zijn Zoon met den Groot-cancelier ofKadoki. Die zelveKadokiwas om zijne beleeftheid en bekende voorzigtigheid zeer onder dePotuanengezien. Geduurende twintig jaaren agter een, hadt hij nooit zijn gevoelen in den Raad gezegt, of 't was van alle anderen toegestemd geworden: ook hadt hij niets in den Staat vastgestelt, 't geen niet onwrikbaar was staande gebleven; en zijne woorden waren als zoo veele zetregels. Dog hij was te gelijk van zulk eene langzaame bevattinge, dat hij, om het allergeringste Placcaat op te stellen, den tijd van veertien dagen pleeg noodig te hebben: invoegen dat zoo hij op onzen Aardbol was overgebragt geweest, alwaar alle vertoef met den naam van luiheid en traagheid gedoopt wordt, hij daar zoude doorgaan voor een man van weinig bekwaamheid om zaken van gewigt waar te nemen. Maar om dat hij al 't gene hij bevattede in den grond verstont, en niets besloot, dan na een voorgaand en ernstig onderzoek, kon hij gezegt worden meer te hebben uitgevoert, dan tien zulke die de zaken ras en schielijk ten uitvoer brengen, en door de bank schrandere verstanden genoemt worden; wier verrigtingen menigmaal verbetert en verandert worden, ja niet zelden eene netter beschaavinge moeten ondergaan: zoo, dat bij 't uitgaan hunner bedieninge bevonden wordt, dat zij niets onbezogt gelaten, maar ook teffens niets voltooit hebben; dierhalven onder de zinspreuken aan dat Hof deeze zeer aanmerklijk is, te weten: dat de gene die met al te groote vlugheid hun ampt bedienen, vergeleken kunnen worden bij de ledige straatslijpers, welke nu eens voortgaande, dan weder te rug tredende, op denzelven weg blijven hangen, en schoon gestadig in beweging zijnde, egter niets vorderen.

Na dat het geheele Doorlugtige Huis was gaan aanzitten, tradt 'er eene dienstmaagd binnen die agt takken hadt, en met dezelve even zoo veele schotelen en assietten droeg; invoegen dat in eenen oogenblik de geheele tafel van geregten voorzien was. Aanstonts wierdt zij gevolgt van eenen anderen boom, dragende agt flessen, gevult met most van allerlei soorten van wijn, of andere vogten. Dees boom hadt negen takken, om welke redenen hij zeer bekwaam geoordeelt wierdt tot allerlei huiswerk. Dus wierdt alleen van twee bedienden zeer gevoeglijk verrigt al 't gunt aan de Aardsche Hoven kwalijk van eenen geheelen troep van dienaars wordt te wege gebragt. Met dezelve vaardigheid daar zij mede opgebragt waren, wierden de geregten ook wederom afgenomen. Het middagmaal was sober, doch teffens zinnelijk. Onder alle de opgedischte geregten hadt de Vorst slegts van een, 't geen 't meest naar zijnen mond was, gegeten; geheel anders dan onze Grooten, die 't daar voor houden, dat 'er niet wel opgeschaft is, tenzij de afgedragen geregten door grootere en betere worden vervangen. Over de maaltijd hadden ze verscheide discourssen over de deugden en ondeugden, als mede over zaken van Staat; zoo, dat het vermaak als met de letter oeffeningen gesaust wierdt. Ook maakten ze geduurig gewag van mij, welken zij geloofden om de vlugheid mijns begrips nooit goed timmerhout te zullen wezen.

Na dat de honger door het eeten was verdreven,Wierdt tot het wegdoen van de tafel last gegeven.

En toen was het, dat men mij belastte mijnTestimonievoor den dag te haalen. De Vorst dat gelezen hebbende, sloeg zijne oogen op mijne voeten: zeggende, dat deKarattiregt hadden geoordeelt, en dat het ook zoo moest geschieden. Door dat antwoord als door eenen donderslag opgewekt, eischte ik niet zonder overvloedige traanen te storten, herzieninge van 't gewijsde, vermits ik, mijne bekwaamheden en gaven des geests een weinig nader onderzogt zijnde, eenige verzagtinge in mijn vonnis verhoopte. De Vorst, gelijk hij een goedertieren en regtvaardig Heer was, over dit moeilijk en ongewoon verzoek niet gram wordende, lei den tegenwoordig zijndeKarattiop, mijne zaake op nieuw en naauwkeuriger te onderzoeken. Geduurende die beproevinge hieldt hij zig wat aan eenen kant, om ook de overigeTestimoniate leezen. De Vorst weggegaan zijnde, stelden deKarattinieuwe vragen vóór om die te beantwoorden. Ik antwoordde daarop met mijne gewoonlijke schielijkheid: waar over hij, zig verwonderende, zeide:Gij begrijpt de zaake wel zeer gaauw; maar gij treedt geenszins tot in het binnenste derzelve; want Uwe antwoorden geven klaarlijk te kennen, dat het geschilstuk veel eer vaardig bevat, dan wel en grondig begreepen is. Na dat hij de proef genomen hadt, tradt hij in de eetzaal van den Vorst, en keerde straks wederom met een vonnis van deezen inhoud: Dat ik zeer kwalijk en onvoorzigtiglijk had gedaan, met het oordeel derKarattiin twijfel te trekken, en dat ik deswegen waardig was te draagen de straffe, bij 't derde kleine Artikel van 't vierde grooter Artikel der wet, tegen de roekelooze Betigters vastgestelt; (door grootere en kleindere Artikels, anders gezegtSkibalenKibalverstaan zij Boeken en Hoofdstukken) en dat ik vervolgens verdient had, dat mij op beide mijne takken of armen een ader geopent wierdt, volgens het oude gebruik; en in het openbaare rasphuis vastgezet te worden. De woorden der wet in het 3. Hoofdstuk van het IV. Boek van de valsche Betigting zijn deeze:Spik. Anri. Flak. Skak. Mak. Tabu. Mihalatti. Silak. Dog dat, schoon de zin klaar en duidelijk was, en dat de straffe, bij de wet vastgesteld, geen uitzondering konde lijden; egter zijne Doorlugtigheid besloten hadt, dat deeze zwaare overtreding, zoo uit hoofde dat de misslag was begaan uit eene al te groote vlugheid van geest, als uit onkunde der wet, mij te vergeven was, aangezien de misdaad, begaan door eenen vreemdeling en uitlande, zonder de wet geweld aan te doen, eenigzins konde worden kwijtgescholden. Einde dat hij, om daar mede te meer gunst en genegenheid 't mijwaarts te betoonen, mij hadt beschonken met eene plaatse onder de gewoonlijke Hof-postloopers, met welke gunst ik genoegen behoorde te nemen.

Dat vonnis uitgesproken zijnde, wierdt deKinaof Secretaris ontboden, die mij met de overige onlangs aangekomen Candidaten zoude stellen op de lijst der gene die gevordert stonden te worden. Die Secretaris was een man schoon van gedaante, hebbende elf armen, waarom hij ook elf brieven te gelijk met hetzelve gemak, waarmede wij 'er eenen schrijven, konde ontwerpen; dog hij was van een middelmatig verstand, om welke reden hij ook niet hooger gevordert, maar in die bediening, welke hij bijna dertig jaren bekleed hadt, oud en grijs stont te worden. Dees was de man, met welken ik naderhand zeer gemeenzaam omging, en welken ik het meest had te ontzien, vermits hij de eerste ontwerpen der Placcaaten of Brieven opstelde, welke ik als Postlooper door de Provinciën stond om te brengen. Menigmaalen stond ik versteld, over de handigheid waarmede hij zijne bedieninge waarnam, vermits hij niet zelden elf voorschriften op eenen en denzelven tijd schreef, en op dezelve te gelijk ook zoo veele zegels drukte. Hier van daan is het, dat onder de voordeeligste zaaken in de familien gerekent worden, de kinderen die gebooren worden mee veele takken; en dat de kraamvrouwen, na dat zij gelukkig verlost zijn, aan haare buuren plegen bekend te maken, met hoe veele takken de kinderen ter waereld zijn gekomen. Men zeide aldaar dat de Vader van onzen Secretaris twaalf takken gehad hadt; en zijn geheele geslagt is boven alle andere vermaard door de meerderheid van takken. Na dat ik, onder de gewoonlijke Postloopers des Vorsts aangenomen was, ging ik naar bed. Dog hoe vermoeid ik ook wezen mogt, moest ik egter, niet konnende rusten, het meerendeel van den nagt, alle moeite doen tot slaapen: want geduuriglijk kwam mij in de gedagten die verachte bediening, waar toe ik verwezen was, en 't scheen mij gantsch onbetamelijk en schandelijk te zijn, dat een Proponent en Baccalaureus in de grooter Waereld, voor een slegt en veracht Postlooper zoude speelen in de onderaardsche. Met deeze droevige gedagten bragt ik een goed deel van den nagt zonder slaapen door; en in deezen drift las en herlas ik mijn AcademischTestimoniegeen ik had mede genomen, (want ik heb reeds boven gezegt, dat nagt en dag hier weinig verschillen.) Eindelijk afgemat zijnde door deeze muizennesten en kommer, bekroop mij een diepe slaap. Terwijl ik lag te rusten, waarden mij verscheide droomen in den geest. Mij dagt, dat ik in mijn Vaderland wedergekeert zijnde, aan mijne Landslieden al wat mij op de Onderaardsche reize ontmoet was, tot het allergeringste toe, verhaalde: straks daarop mij de lugt-schipvaart verbeeldende, dagt mij, dat ik met den wreeden Griffioen te doen had, die mij zoo veel spel maakte, dat, terwijl ik mij tegen hem verweerde, alle slaap van mijne oogen week. Maar wakker wordende, zag ik, niet zonder schrik, eenen Aap van eene ongemeene grootte, die door de deur mijner slaapkamer, welke door onagtzaamheid niet wel gesloten was, ingekomen, en in mijn slaapvertrek gesloopen was, voor mij staan. Dat onverwagt verschijnzel joeg mij zodanigen schrik op 't lijf, dat ik met een groot geroep, waar van de kamer weergalmde, om hulp schreeuwde. Eenige boomen, die op de kamers naast aan mijn vertrek sliepen, op dit geroep wakker geworden zijnde, traden binnen, schooten mij, die reeds met den Aap aan 't worstelen was, te hulp, en stootten dat leelijk gedierte buiten de deur. Het leedt niet lang, of het kwam mij ter ooren, dat deeze klugt aan den Vorst veel stoffe tot lachen hadt verschaft. Dog op dat dat zelve geval niet weer mogt voorkomen, beval hij terstont mij op de Onderaardsche wijze te kleeden en met takken toe te takelen.—De Europische kleederen, welke ik tot nog toe gedraagen had, en die mij waren ontnomen, waren in 't Kabinet of de Rariteit kamer van den Vorst, om de ongewoonheid der zaake, opgehangen, met dit opschrift: OPSCHIK VAN EEN BOVENAARDSCH SCHEPSEL. Toen dagt ik bij mij zelv': bijaldien de Bergsche snijderJan Andriesz, die deeze kleederen 't fatsoen heeft gegeven, eens te weten kwam dat zijn handwerk onder de Onderaardsche rariteiten bewaart wierdt, zonder twijfel zoude hij van hoogmoed opzwellen, en na deezen naauwlijks voor de Burgermeesters of Kapiteins van de Stad willen zwigten.

Na dit voorval bragt ik het overige van den nagt door, zonder een oog te konnen toedoen, tot dat de Zon opging. Toen ik opstond wierdt mij mijne acte gebragt, waar bij mij gegeven wierdt de bedieninge van Post looper. Van stonden aan kreeg ik oneindig werk, en was als een geduurig beweegrad, brengende Placcaaten en Brieven over, zoo naar de groote als kleine Steden. Op deeze mijne togten den aart deezes volks wat naauwkeuriger onderzogt hebbende, ontdekte ik in de meeste eene verwonderlijke heuschheid en eene zeldzaame wijsheid. Alleen de inwoonders vanMaholki, die alle Doornboomen zijn, kwamen mij voor niet zeer geslepen of beschaafd te wezen: want iedere Provincie heeft haare bijzondere boomen of inwoonders, 't geen zeer klaar blijkt in de Boeren of Landlieden, die alle inboorlingen zijn: want in de groote Steden, vooral in de Stad daar zig de Vorst ophoudt, was een mengelmoes van allerhande boomen. Het gevoelen dat ik van 't verstand der inwoonders deezes Vorstendoms opgevat had, nam toe, naar mate dat ik gelegenheid kreeg om hunne bekwaamheden wat dieper in te zien. De wetten en inzettingen, welke ik het meeste veroordeelt had, begon ik hooglijk te prijzen om derzelver billijkheid en regtvaardigheid: zoo was de verachting in verwonderinge verkeert! 't Zoude mij niet moeilijk vallen, een geheele lijst op te geven van zaaken en gewoonten, die mij, wanneer ik ze terloops beschouwde, dwaas, maar als ik ze nader inzag, verstandig en voorzigtig voorkwamen. Uit een oneindig getal van voorbeelden zal ik alleenlijk dit bijbrengen, 't welk den aart deezes volks zeer duidelijk uitdrukt. Toen eens een Student in de Litterature stont naar het Rectorschap van zekere School, wierdt zijn verzoek ondersteunt met deeze aanprijzing, te weten: de Burgerij der StadNahamigetuigde, dat hij, geduurende den tijd van vier jaaren, met een dertele en ontrouwe vrouw gerust en stil hadt geleeft, en een gewillige hoorndrager was. Deeze Attestatie was bijna met deeze of diergelijke woorden opgesteld:

"Nademaal de zeer geleerde en eerwaardige HeerJocthan Huvan zijne Gebuuren verzogt heeft eene Attestatie, nopende zijn leven en gedrag, zoo verklaaren wij burgers, wonende in de wijk of in den oort der StadPosko, dat dezelve geheele vier jaaren agter een mee zijne huisvrouwe, die eene ligtekooi is, zonder eenig huiskrakeel, in den egt geleeft heeft: dat hij zijne hoornen geduldig heeft gedragen en met zodanige gematigdheid die ziels-smerte geleden heeft, dat wij hem oordeelen te zullen wezen een waardig Rector der openstaande School, zoo anderszins zijne studien met zijn gedrag overeenkomstig zijn."

"Gegeven op den tienden dag der Palmboommaand, in het jaar drie duizend, na den grooten Zundvloed."

Bij deeze aanprijzing was gevoegd eene verklaaring; van deKarattivan het Kweekschool, aangaande deszelfs studien en geleerdheid, 't geen meer scheen ter zake te zullen doen: want wat aanbelangde de verdiensten van dien gehoornden Schoolvos boven die andere leeraars, daarvan kon ik niet wel begrip vormen. Maar van die klugtige Attestatie was dit de regte zin: Onder de deugden welke eenen leeraar 't meest aangenaam maken, is de gematigdheid: want, tenzij zulk een Jobs lijdzaamheid bezitte, zal hij met den gantschen opschik zijner geleerdheid weinig bekwaamheid hebben om 't Schoolmeesters ampt waar te nemen, 't geen zonder strengheid en oploopenheid moet worden bedient, op dat, door zijne ontijdige tugtigingen, de gemoederen der jeugd niet verbitterd worden. Nu gelijk 'er kwalijk een voorbeeld van grooter gematigdheid kan worden gegeven dan van die, waar mede de aanstaande Rector zoo een aanmerklijk huis-kruis verdragen hadt, zoo trokken ook des Verzoekers gebuuren niet lang in twijfel, dat zij op deeze drangreden moesten aandringen, om daar mede aan te toonen, wat men van eenen Schoolmeester, die boven andere met deeze deugd pronkte, te wagten hadt. Men zegt dat de Vorst over die ongewoone aanprijzing boven mate in lachen uitbarstte; dog wijl hij dezelve niet geheel en al ongerijmd bevondt, begiftigde hij den Verzoeker met het openstaande Rectorschap: en het is zeker dat dezelve dat ampt met zoo veel snedigheid heeft bedient, en de leerlingen door verdraagzaamheid en goedertierenheid zoo zeer aan zig heeft verbonden, dat zij hem eerder voor eenen Vader, dan voor eenen Schoolmeester hielden, en zoodanige liefde voor de letter-oeffeningen, onder zulk eenen zagtzinnigen en gematigden bestierder, kreegen, dat 'er tegenwoordig weinige Schoolen in 't geheele Vorstendom zijn, waar uit zulke vermaarde, geleerde, en wel opgevoedde boomen jaarlijks te voorschijn komen.

Vermits ik nu, geduurende den tijd van vier jaaren dat ik het ampt van Post looper bediende, gelegenheid had, zoo om den aart deezes lands, als om den inborst, zeden, staatkunde, Godsdienst, wetten en letteroeffeningen deezes volks na te speuren; hoop ik de Leezers niet onaangenaam te zullen wezen, als ik al het geen wijd en zijd in dit werk gevonden wordt, hier als in eenen bondel betrekke.

[1]Mengelmoes van gevoelens.

[1]Mengelmoes van gevoelens.

De Landpaalen des VorstendomsPotustrekken zig niet wijd uit, en beslaan slegts een tamelijken landstreek van dien Aardbol. De gantsche Bol Nazar behelst in zijnen omtrek naauwlijks twee honderd Duitsche mijlen. Elk reiziger kan dien gemakkelijk zonder Leidsman omreizen: want overal wordt eenerlei taal gesproken, hoe zeer ook die vanPotudoor wetten en gewoonten van de overige Vorstendommen en Staaten grootlijks verschillen. En even gelijk in onze Waereld de Europeers boven andere Natiën uitsteeken, zoo zijn ook die vanPotuin bekwaamheid en schranderheid verre boven de andere bewoonders deezes Aardbols te achten. De wegen worden doorgaans met steenen, die de mijlen te kennen geven, afgeteekent; en hebben of uitstekende handen of andere teekenen die naar elke Stad of wijk het pad aanwijzen. Het geheele Vorstendom door, vindt men veele schoone Steden en Gehugten. Voorzeker is dit verwonderlijk en merkwaardig, dat alle bewoonders dezes Aardbols eenerlei spraak hebben, schoon elke Natie in staat, zeden, wetten en gaven des geests zoodanig verschilt, dat dees Aardbol eene zeer klaare afbeeldinge verschaft van de verscheidenheden waarin zig de Natuur, verlustigt: en ten dien opzigte kan zij gezegt worden de reizigers niet zoo zeer aandoeninge te geven, als wel te verbaazen, en ze als bijna te brengen in eene verrukkinge van zinnen.

De landerijen worden afgescheiden door wateren, zoo door groote als door kleine, waar door schepen varen, die met riemen als door tooverkonst worden voortgedreven: want dezelve worden niet als bij ons met handen voortgeroeit; maar door konst werktuigen, even als door zulke werktuigen die door zig zelv' bewegen, aangezet. Den aart en het maakzel deezer kunstwerktuigen kan ik niet bepaalen, omdat ik mij niet grondig verstaan op de Wiskonst: voeg hier bij, dat deeze boomen zoo vernuftelijk alles uitvinden, dat niemant, ten ware hij nog meer oogen hadt dan Argus zelf, en met een bijna Godlijk doorzigt begaafd was, ontdekken kan hoedanig het gemaakt en in een gezet is. Die Aardbol wordt even als de onze op driederlei wijzen bewogen, invoegen dat de tijden hier niet anders dan bij ons worden, onderscheiden in. Dag en Nagt, Zomer en Herfst, Winter en Lente, en dat de oorden, gelegen aan de Poolen of Aspunten, kouder zijn dan de andere. Maar aangaande het licht is 'er weinig onderscheid tusschen dag en nagt, om redenen boven gemeld. Ook kan in eenige opzigten de nagt aldaar gezegt worden aangenamer te zijn dan de dag; want men kan niets heerlijker bedenken dan het licht dat van de Zon komende op deeze Planeet afstuit, en op het halfrond of 't verdikte Firmament te rug gekaatst wordende, als tot een soort van eene overgroote nabij staande Maan, wijd en zijd te samen vergaderd wordt. De inwoonders bestaan uit boomen van verscheiden soort; te weten: uit Eiken, Linden, Populieren, Palm-boomen, Doornboomen, enz. waar uit zestien maanden haare naamen ontleenen, in welke het Onderaardsche Jaar omschreven wordt; want op elke zestiende maand, komt de PlaneetNazarweer op haar eerste loopspunt; dog egter niet op eenen vasten dag, om derzelver ongelijke beweginge, vermits zij, even als onze Maan, door veelerlei afwijkingen de Verstanden der lugtbewoonders genoeg te doen geeft. De Jaarrekeningen zijn 'er zeer verscheiden, en nemen haar begin van de meest gedenkwaardigste zaaken: voornamentlijk van eene groote Staartsterre, die men gelooft over drie duizend jaaren eenen algemeenen Zundvloed te hebben veroorzaakt, waarin het gantsche geslagt der boomen, met al wat leven hadt en bezield was, versmoort is geworden, uitgezonden alleen eenige weinigen, die op de heuvelen en toppen der bergen den algemeenen Zundvloed zijn ontvloden; en waar uit de tegenwoordige inwoonders afkomstig zijn. De grond, die zeer vrugtbaar is in vrugten, kruiden en peulgewassen, brengt bijna dezelve vrugten voort, welke in Europa vallen; egter wast daar geen haver, ook is die daar niet noodig, wijl die Aardbol geen Paarden uitlevert. De Zeeën en staande waters verschaffen smakelijke Vis, en de gebouwen der Dorpen, die dan eens aan een grenzen, dan wederom door eenigen afstand van een gescheiden zijn, versieren de stranden en oevers door eene zeer aangename verscheidenheid. De drank die daar gedronken wordt, wordt geperst uit zekere kruiden, die, alle tijden van 't jaar door, groen zijn. Die deezen drank verkoopen worden gemeenlijk genaamtMinhalpi,dat is kruiden-kookers, waar van 'er in elke Stad een bepaald getal is, en welken alleen het vergund is kruiden te moogen kooken. Die met dit voorregt begiftigt zijn, zijn genoodzaakt van alle andere bedieningen, neeringen en handteeringen af te zien. Maar wel inzonderheid legt 'er een gebod, dat niemant der gene die ampten of bedieningen hebben en wedden van den Staat trekken, deeze neeringe zal mogen doen, en zulks om dat ze uit hoofde van het gezag waarmede zij in den Staat bekleed zijn, alle koopers tot zig trekken, en, om andere voordeelen welke zij genieten, de waaren beter koop konnen geven: gelijk wij meenigmaalen in onze Waereld zien gebeuren, daar de gene die bedieningen hebben en jaarwedden trekken, door zoodanige middelen, binnen weinige jaren rijk worden van het zweet en bloed der andere handwerkslieden.

De veelheid der inwoonders wordt door de heilzaame wet, die op de voortteelinge der kinderen gemaakt is, wonderlijk bevordert. Want naar het getal der kinderen worden de bedieningen of vrijheden vermeerdert of vermindert, en die vader is van zes kinderen, wordt zoo wel van de gewoonlijke als van de ongewoonlijke schattingen ontheven. Hier van daan is 't, dat de voortteeling en het getal der kinderen daar niet minder heilzaam wordt gerekent, dan dezelve in onze Waereld, alwaar op de hoofden der kinderen eene belastinge gesteld pleeg te worden, moeilijk valt en schadelijk is. In dat land bedient niemant ooit twee ampten te gelijk, vermits men aldaar vaststelt, dat de minste bezigheid een geheel man vereischt. Om deeze reden (het zij met oorlof van de bewoonders onzes Aardbols gezegt) worden de ampten daar getrouwer en beter bedient dan bij ons; en zoo heiliglijk wordt 'er die wet onderhouden, dat een Geneesheer aldaar zig niet inlaat in het onderzoek der geheele Geneeskunde; maar zig alleenlijk met alle naarstigheid uitlegt in het doorgronden van den aart van een eenige ziekte. Een Musicant oeffent zig niet dan maar op een eenig instrument; geheel anders dan in onze Waereld, alwaar door de verscheidenheid der bedieningen dieningen de inschikkelijkheid gekrenkt, de koppigheid vermeerdert, en het waarnemen der bedieningen versloft wordt; en waar door wij gemeenlijk nergens zijn, om dat wij overal zijn. En gelijk een Geneesheer, die terwijl hij de ziekten van het menschelijk lichaam tracht te geneezen, ook te gelijk het Gemeenebest wil helpen, beide mist; even zoo is 'er van eenen Musicant, zoo hij te gelijk voor Musicant en Raadsheer wil speelen, geen harmonie te verwagten. Wij verwonderen ons over de gene, die niet schroomen om verscheide ampten te gelijk te bedienen, die zig zelf in zaken van 't uiterste gewigt indringen, en meenen dat zij tot allerlei bedieningen bekwaam zijn; maar het is enkel roekeloosheid en zijne eigene kragten niet te kennen, daar wij ons dwaaslijk over verwonderen, aangezien dat, zoo zij de zwaarwigtigheid der zaaken wisten, en daarbij hunne eigene zwakheden kenden, zij het aangeboden bewind uit eige beweginge afstaan zouden, en zidderen op het zelve te hooren noemen. Niemant dan neemt hier iets aan, daar hij geen bekwaamheid toe heeft. Het heugt mij nog, dat ik over deeze lesse den vermaarden WijsgeerRakhazihebbe hooren redeneeren, en wel in deezer voegen: "Elk moet zijne eigene bekwaamheid kennen, en een streng regter over zig zelven, over zijne misslagen en goederen zijn, op dat niet misschien een tooneelspeeler meer verstands en voorzigtigheids schijne te hebben dan wij; die kiezen nooit de beste, maar wel de voor hen best passende klugtspelen uit. Zal een klugtspeeler op een tooneel dat gene zien, wat een wijs man in zijnen leevensloop niet zal zien?"

De inwoonders deezes Vorstendoms zijn niet onderscheiden in Edelen en Gemeene. Voortijds hadt dat onderscheid van rang plaats; dog toen de Vorsten bespeurden dat daar door het zaad van tweedracht verspreid wierdt, namen zij voorzigtiglijk weg alle voorregt uit geboorte spruitende; zoo, dat de boomen thans geschat worden enkel en alleen naar mate dat zij deugd bezitten, en naar hunne bedieningen en bezigheden, waar van ik elders uitvoeriger zal spreeken. 't Eenige, dat de geboorte voorheeft, bestaat in de veelheid van takken; want naar mate dat de vrugt die geboren wordt, die min of meer heeft, wordt dezelve ook min of meer adelijk gerekent, aangezien de overvloed van takken den boomen bekwaamheid verschaft tot alle handwerken. Van den inborst en zeeden des volks heb ik boven, zoo hier en daar, al vrij wat gemeld, waarom ik, den Lezer wijzende naar 't geen boven gezegt is, dit Hoofdstuk zal besluiten, en overgaan tot de verhandeling van andere zaaken.

Het samenstelzel des Godsdiensts van die vanPotu, kan onder menige Hoofddeelen worden begrepen, en behelst eene korte Geloofs-belijdenisse, die een weinig breeder uitgestrekt is, dan onze Apostolische Geloofs-belijdenisse. 't Is hier verboden, op straffe van bannissement naar het Firmament, over de Heilige Boeken eenige aanmerkingen te maaken. En overzulks zoo iemant zig verstout te disputeeren over het Wezen en de Eigenschappen van God, over de hoedanigheden der Geesten en Zielen, wordt hij verwezen tot de aderlatinge, en in het publyke Stads-dolhuis gezet. Want zij houden het voor dwaasheid dingen te willen schrijven en bepaalen, waarop ons verstand niet minder schemert, dan de oogen van eenen nagtuil op het licht der Zonne. Alle stemmen zij over een in het dienen en eeren van een Opperwezen, door wiens Almagt alle dingen geschapen zijn, en door wiens Voorzienigheid dezelve worden onderhouden. Uitgenomen deeze dienst wordt niemant, om verschillende gevoelens, belangende de maniere en wijze des diensts, eenige moeilijkheid aangedaan: alleenlijk worden de gene die in 't openbaar den Godsdienst, bij de wetten vastgesteld, tegenspreeken, als verstoorders der gemeene rust gestraft. Uit deezen hoofde wierd ik in de oeffeninge mijnes Godsdiensts niet gedwongen, nog van iemant gestoord. Die vanPotubidden weinig, maar zeer ijverig: invoegen dat zij, zoo lang hunne gebeden duuren, schijnen als in verrukkinge van zinnen te zijn. Waarom dezelve, toen ik hen verhaalde dat wij onder ons huiswerk gebeden deden; en zelfs onder ons handwerk heilige liederen zongen, ons dat tot eene misdaad rekenden, zeggende, dat een aardsch Prins het kwalijk zoude opneemen, zoo hem iemant iets willende verzoeken, naderde, en te gelijk in zijne tegenwoordigheid zijne kleederen af borstelde, of zijn hair kamde. Ook vonden zij geen meer smaak in onze heilige liederen: want zij hielden het daar voor, dat het belachenswaardig was met Musiektoonen smert en leedwezen uit te boezemen, vermits de toorn Gods door tranen en zugtingen, en niet door zangwijzen, fluiten of trompetten, gestilt wordt. Deeze en andere dingen hoorde ik niet zonder verontwaardiginge: inzonderheid vermits mijn Vader zaliger, eertijds Voorzanger van de kerk, verscheiden lofzangen, die nog heden ten dage gezongen worden, op noten hadt gestelt, en ik zelf besloten had te staan naar eene openstaande Voorzangers-plaats; maar ik trachtte mijne gramschap te bedwingen: want onze Onderaardlingen beweeren hunne gevoelens met zoo groote scherpzinnigheid, en leggen alles zoo waarschijnlijk uit, dat het gantsch niet gemakkelijk valt zelfs hunne allertastelijkste dwalingen te wederleggen. Daar zijn nog andere dwalingen in den Godsdienst, welke zij, met dezelve snedigheid en schijn van waarheid, staande houden: zoo, dat zij, wanneer ik aan eenige onder hen, waar mede ik gemeenzaam omging, menigmaalen gezegt had, dat 'er voor hen, als welke in de duisternisse wandelden, na den dood, geen zaligheid te wagten was; mij ten antwoord gaven; dat al wie strengelijk anderen verdoemt, zelf het meeste gevaar liep van verdoemt te worden: want dat een ander te veroordeelen doorgaans spruit uit hoogmoed, welke God, die niets meer dan de nederigheid gebiedt, haat, en in 't schepzel niet verdraagen kan: dat ook eens anders gevoelen te verdoemen, en die van ons in gevoelen verschillen, met geweld tot het onze te willen doen overgaan, even eens is, als of men zig zelven alle wijsheid alleen wilde toeëigenen: 't geen 't werk van dwaazen is, die zig inbeelden, alleen wijs te zijn. Voorts wanneer ik eens een gevoelen zullende verdedigen, mijnen tegenstreever tegemoet voerde, dat ik in mijn hart daarvan ten vollen overtuigd was; prees hij mijne drangreden en beval mij voort te gaan in 't licht mijner conscientie te volgen; belovende, dat hij altoos het zelve zoude doen; aangezien dat, bijaldien een iegelijk in de verschillen kwam op te volgen het voorschrift der conscientie, alle twist ter nedergelegt, en alle stoffe tot disputeeren zouden worden afgesneden. Onder andere dwalingen, die de inwoonders deezes Vorstendoms voorstonden, waren ook deeze volgende. Zij ontkenden wel niet dat de goede werken van God beloond en de kwaade gestraft zullen worden; dog zij oordeelden dat de gerichtsoeffening, bestaande in het toewijzen van belooning of straffe, eerst plaats zal hebben na dit leven. Ik bragt hierop verscheiden voorbeelden bij der gene die om hunne misdaaden en Godloosheden bereids in dit leven gestraft waren; dog zij bragten daar tegen in even zoo veele tegengestelde, namentlijk: van zeer ondeugende boomen, die te gelijk Godloos en zeer gelukkig waren geweest tot hunnen dood toe: zoo menigmaalen zeiden zij, als wij tegen de gene die van ons verschillen eene zaake verdedigen, vestigen wij onze redenen op het geen wij dagelijks zien gebeuren, en letten alleenlijk op zulke voorbeelden die ons van nuttigheid zijn, en onze stellingen gewigt bijzetten, overslaande of voorbij gaande alle die daar tegen strijden. Ik bragt een voorbeeld bij van mij zelv', doende zien, dat veele die mij geweld en ongelijk hadden aangedaan, een rampzalig einde hadden gehad; dog zij voerden mij daar op te gemoet, dat dat alles voortkwam uit eigeliefde, terwijl ik geloofde, dat ik in de oogen Gods meer en beter was dan andere, welke, schoonze ten onregte groot ongelijk hadden geleden, hunne vervolgers egter hadden zien oud en grijs worden in eenen geduurigen voorspoed tot hunnen dood toe. Wanneer ik wijders eens aanprees, dat men God dagelijks moest bidden, antwoordden zij; dat zij wel de noodzakelijkheid des gebeds niet ontkenden, maar dat zij wel verzekerd waren, dat de Godsvrugt en waare Godsdienst meest bestonden in de onderhoudinge der Wet Gods. Om dit te bewijzen, ontleenden zij dusdanig argument van eenen Vorst of Wetgever: Een Vorst, zeiden zij, gebiedt over tweederlei slag van onderdanen. Eenige zondigen dagelijks, en overtreden, 't zij uit zwakheid, 't zij uit kwaadaartigheid of halstarrigheid, zijne geboden: dog zij staan ook dagelijks in den voorhof van zijn Paleis met Verzoek- en Smeek-schriften; biddende om vergevinge van misdaaden, welke zij straks wederom staan te vernieuwen. De andere daarentegen komen zelden, en nooit dan verzogt zijnde, aan 't Hof; maar altijd t'huis blijvende, volgen zij de bevelen van den Vorst getrouwelijk en met allen ijver op, betoonende aan hem hunne gehoorzaamheid door eene gestadige onderhouding zijner wet. Wie kan 'er aan twijfelen, of hij zal de laatst gemelde al zijne liefde waardig agten, daar hij de eerste voor booze, afkeerige, en teffens lastige onderdanen zal aanzien, zoo ten opzigte hunner overtredingen als hunner geduurige verzoeken.

Deeze en andere zintwistingen verschaften mij dagelijksch werk; dog zonder vrugt: aangezien ik niemant konde overhaalen tot mijn gevoelen. Waarom ik alle andere verschillen van Godsdienst daar latende, zal voortgaan met hunne andere algemeene en merkwaardigste leerstukken te verklaaren; aan 't oordeel des Lezers overlatende, of dezelve goed of kwaad gekeurd moeten worden.

DePotuanengelooven in eenen God, die almagtig is, die alle dingen geschaapen heeft, en onderhoudt; en zij bewijzen deszelfs Almagt en Eeuwigheid uit de grootheid der geschaapen dingen, en uit derzelver overeenstemminge. En gelijk zij in de Sterre- en Natuur-kunde zeer ervaren zijn, hebben ze zulke treffelijke gevoelens van het Wezen en de Eigenschappen Gods, dat zij het voor dwaasheid rekenen, dingen te willen bepaalen, die ons begrip te boven gaan.—Het jaar wordt 'er onderscheiden door vijf Feest-dagen, waar van de eerste zeer Godsdienstiglijk geviert wordt in donkere plaatsen, alwaar het daglicht niet kan doorbreken; en zulks om daar mede te kennen te geven, dat de Godheid, welke zij aanbidden, onbegrijpelijk is. In die plaatsen blijven zij, als in den Geest opgetogen, onbeweeglijk van dat de Zon opkomt tot dat dezelve ondergaat. Dit Feest wordt genoemt dedag des Onbegrijpelijken Gods, en valt in op den eersten dag derEikemaand. De overige vier Feesten worden geviert op de vier getijden des jaars, en zijn ingestelt ten einde God te danken voor zijne bewezene weldaden. Weinige zijn 'er in 't gantsche Vorstendom, die op deeze plegtige Feest-dagen niet verschijnen. Die 'er egter niet komen, en geene wettige redenen hunner afwezigheid geven, worden voor kwaade onderdanen gehouden, en leeven in gestadige veragtinge. De Formulieren der openbaare gebeden zijn zoodanig ingerigt, dat ze niet op de bidders zelve, maar alleenlijk op den Vorst en op de gemeene welvaart betrekkelijk zijn. Hier van daan is het, dat niemant in 't openbaar voor zig zelven bidt. Het oogmerk deezer instellinge is, om dePotuanersin te prenten, dat de welvaart der bijzondere lieden, zoo naauw verknogt is met die van 't Gemeenebest, dat zij daar van niet kan worden afgescheiden. Niemand wordt tot den dienst van God nog door geweld nog door geldboete genoodzaakt: want overmits zij oordeelen, dat de Godsvrugt voornamentlijk bestaat in liefde, en dat de ervarenheid leert, dat de liefde eer door geweld verkoelt, dan ontsteken wordt; gelooven zij 't niet alleen onnut, maar ook schadelijk te zijn, de traage door dwang tot Godsvrugt aan te zetten. Deeze stellinge bewijzen zij met dit voorbeeld: Bij aldien een man, zeggen ze, eene wederzijdsche liefde van zijne egtgenoote begeerende, derzelver laauwheid of verkoelinge met stokken- en vuistslagen daar tracht uit te drijven; is het 'er zoo verre van daan, dat de liefde door die middelen zoude worden ontsteken, dat de verkoeling veel eer toeneemt, en eindelijk op haat en afkeer uitkomt.

Dit zijn de voornaamste Hoofstukken der Godgeleerdheid inPotuwelke aan eenigen niet anders zal voorkomen, dan als een bloote natuurlijke Godsdienst, zoo als die ook mij zelv' in den beginne voorkwam. Maar dePotuanersbeweeren, dat hen alles door Goddelijke ingevingen geopenbaart, en daar benevens een boek, behelzende hun Geloof en Pligten, is ter handgestelt. Hunne Voorouderen, zeggen zij, hebben eertijds alleen den natuurlijken Godsdienst beleden; dog de ondervinding had hen geleerd, dat het licht der Natuur niet genoeg was, vermits door de onagtzaamheid en zorgeloosheid van sommigen de Wet der Natuur, geheel en al verwaarloost wierdt, en door de al te spitsvinnige wijsgeerte van anderen, vermits vrijheid van denken geen bepalinge kent, alles verergerde: en dat hen daarom de geschreven Wet van God gegeven was. Daar uit blijkt het ook, hoe grootelijks zij dwaalen, die halstarrig ontkennen, dat 'er eene Openbaringe van nooden is. Ik wil wel bekennen, dat verscheiden Leerstukken derPotuaanscheGodgeleerdheid, zoo dezelve al niet te prijzen zijn, egter niet geheel en al te verachten schijnen; dog egter kan ik aan die alle mijne toestemminge niet geven. Dit egter scheen mij niet alleen loffelijk, maar zelfs verwonderenswaardig voor te komen, te weten: dat de gene, die bij oorlogs-tijden als verwinnaars hunner vijanden t'huis komen, in plaats van vreugde en blijdschap, waar mede wij over onze overwinningen vieren, enTe Deumzingen; ettelijke dagen in een bedrukt stilzwijgen doorbrengen, even als of zij zig schaamden van wegens het bloedvergieten in de overwinninge. Om deeze reden wordt 'er zelden in de Onderaardsche Geschiedenissen gewag gemaakt van Oorlogs-Zaaken; maar haare Jaarboeken behelzen alleen Burgerlijke Zaaken, Instellingen, Wetten en Geschriften.

In het VorstendomPotuheeft de erflijke opvolging geheele duizend jaaren lang plaats gehad; en wordt 'er thans nog onderhouden. De Jaarboeken wijzen egter aan, dat dePotuanerseens van dien regel van opvolging zijn afgeweken: want vermits de gezonde reden schijnt te leeren, dat zij die regeeren, boven andere begaaft moeten zijn met bekwaamheden, vonden eenige geraden, meer naar deugd dan naar geboorte te zien, en dat men den genen verkiezen moest, die de uitmuntendste der ingezetenen was. Hierom wierdt de oude opvolging afgeschaft, en het Vorstendom aan zekeren Wijsgeer, genaamdRabaku, opgedragen. Dees bestierde in 't begin den Staat met zoo veel voorzigtigheid en rust, dat zijne regeering een voorbeeld scheen te wezen, om van anderen te worden nagevolgt. Dog dit was van korten duur: en die vanPotubemerkten al te laat, dat de spreuk, die zegt, dat een Staat gelukkig is daar Wijsgeeren aan 't roer zitten, onwaaragtig was. Want nademaal de nieuwe Vorst, tot het toppunt van eer gesteegen, uit eenen laagen stand was, waren zijne deugden en bekwaamheden tot de regeering alleen niet genoeg, om het ontzag en de majesteit, die in den Staat de kragt en den klem aan de zaaken geven, te verwekken en staande te houden. De gene die onlangs met hem in gelijke waardigheid hadden gedaan, of boven hem uitgesteeken hadden, konden bezwaarlijk daar toe worden gebragt, dat zij huns gelijken of die beneden hen geweest was, konden verdragen, en die gehoorzaamheid aan den nieuwen Vorst bewijzen, welke onderdanen hunnen Souverain schuldig zijn: en daar kwam het bij toe, dat, zoo dikwils hen iets moeilijks of lastigs wierdt opgelegt, zij doorgaans murmureerden; niet denkende, wie de Vorst nu was, maar wie hij voor zijne verheffinge was geweest. Hier van daan was hij genoodzaakt, om, bij wege van verzoek, hen alles met zagtheid af te vorderen. Maar weinig vorderde hij met streelingen: want zij, zig weinig kreunende aan zijne wetten en bevelen, toonden op 't afkondigen van elk Placcaat hun ongenoegen. WaaromRabaku, ziende dat 'er, om zijne onderdanen bij hunnen pligt te houden, andere middelen vereischt wierden, van goedertierenheid en rekkelijkheid tot strengheid oversloeg. Dog door dit andere uiterste barstten de vonken die onder den asch verborgen waren, tot eene lichte vlam uit; en de onderdanen stonden in 't openbaar tegen den Vorst op: ja zoo dra was de eene kwalijk gestilde beroerte niet over of de andere nam haaren aanvang: zoo, dat hij, eindelijk bespeurende dat de Staat niet konde behouden blijven, ten zij onder eenen Bedierder uit doorlugtigen bloede, en wiens geboorte het volk eenen indruk van eerbied pleeg te geven, zelf 't gebied neerleide; dragende de Vorstelijke waardigheid over aan den Prins, welke dezelve door zijne geboorte toekwam. En op deeze wijze kwam de rust weder, en te gelijk het oude heerschende Huis op den throon; en de stormen die op den Staat, zoo lang gewoed hadden, geraakten tot bedaren. Zedert dien tijd wierdt op halsstraffe verboden in het toekomende eenige veranderinge te maken in de maniere van opvolginge.

Dit Vorstendom is dan erflijk, en het is waarschijnlijk dat de oude wijze van opvolginge altoos onwrikbaar zal blijven staan; zodanig dat men nooit dan bij de alleruiterste noodzakelijkheid den eerstgeboorenen Vorst daar in zal voorbijgaan. Dit niet tegenstaande wordt 'er in de Jaarboeken vanPotugewag gemaakt van eenen Wijsgeer, die, trachtende eene inbreuk te maken in die wet, eenen middelweg daar op uitdagt; aanradende het Koninglijke Stamhuis nooit voorbij te gaan; maar na gedane verkiezing, uit de Zoonen van den overledenen Vorst, het gebied op te dragen aan den genen, die in verdiensten voorlag, en door de onderdanen bekwaam geoordeelt wierdt om den last der regeeringe te konnen torsschen. Die Wijsgeer deeze Wet in bedenken hebbende gegeven, onderwierp zig naar gewoonte aan derzelver onderzoek, staande, terwijl de stemmen wierden opgenomen of zijn raad goed was, met den strop om den hals. De Raadsvergadering gescheiden, en de stemmen opgenomen zijnde, wierdt de voorstelling deezer Wet als roekeloos en verderflijk voor den Staat verworpen: aangezien men oordeelde, dat dezelve een bron ader zoude zijn van veele opschuddingen, en eenen vrugtbaaren grond stondt te verstrekken voor het zaad van tweedragt onder het Koninglijke kroost: en dat het derhalven beter zoude wezen, dat de oude gewoonte plaats hielde; en veiliger, dat het regt tot het Vorstendom op den oudsten Prins overging, schoon de jongere Vorsten hem, in gaven des Verstands, kwamen te overtreffen. De Wet dan verworpen zijnde, wierdt de uitvinder met de koorde gestraft. Want aan niemant wordt in dit Vorstendom de halsstraf geoeffent, dan alleen aan de uitvinders van nieuwe Wetten: aangezien dePotuanersvastelijk van gevoelen zijn, dat alle verandering en hervorming, hoe wel ook dezelve mengen wezen geschikt, gelegenheid verschaffen tot opschuddingen en beroerten, en den gantschen Staat in gevaar stellen; dog kwalijk geschikt en ontijdig zijnde, dien naar zijnen ondergang doen hellen, en eindelijk geheel en al ter neder storten.

't Gebied derPotuaanscheVorsten hoe zeer ook het zelve door geene Wetten bepaald wordt, is veel eer eene Vaderlijke bestiering, dan Koninglijke regeering: want vermits zij naar verstand, niet naar wetten, Justitie oefenen; ziet men aldaar eene gestadige mengeling van heersching en vrijheid: twee zaaken die elders niet konnen te samen gevoegd worden.

Onder andere Wetten deezes Vorstendoms is deeze niet minder heilzaam, waardoor de Vorsten de gelijkheid, zoo veel 't Gemeenebest toelaat, onder hunne onderdanen trachten te houden. Daar van daan heeft men 'er geen hooger of laager rang in de bedieningen, wordende alleenlijk de mindere genoodzaakt de meerdere te gehoorzamen, en de jongere de gene die ouder zijn, allen eerbied te bewijzen. De Onderaardsche gedenkschriften melden wel dat dat onderscheid eenige eeuwen geleden, plaats hadt, en zelfs bij de Wetten was vastgesteld; dog het blijkt ook teffens, dat het zelve oorzaak gegeven heeft tot groote beroerten: nademaal het aan eenen ouderen broeder hard en bitter scheen, voor zijnen jongeren broeder te moeten opstaan, en den Ouderen onverdraaglijk voorkwam, beneden hunne kinderen geacht te worden: zoo, dat de eene boom des anderens bijzijn schuwde, en eindelijk alle bijeenkomsten en gezelschappen geheel en al ophielden. Dit was het kwaad niet alleen; maar dat onderscheid bragt ook in vervolg van tijd te weeg, dat aan de uitneemendste en uitstekendste boomen, die door de natuur met de allergrootste bekwaamheden en met de meeste takken waren begiftigd, in de gastmaalen en gezelschappen, de laagste plaatsen wierden aangewezen. Want ieder boom, die iets üitsteekends bezat, en door deugd en verstand aanzienlijk was, kon van zig zelven niet verkrijgen, dat hij den tytel en de hooger hand ging bejagen: daar in tegendeel de ongeagte boomen, die niets waardig waren, om, ware 't mogelijk, hunne natuurlijke gebreken en onbekwaamheid met eenige grootsche eertytelen eenigzins te bedekken, den Vorst met hunne Verzoeken zoo lang het hoofd braken, tot dat zij hem deezen of genen tytel hadden afgeperst. Dit bragt te weeg, dat de tytels eindelijk doorgingen voor ken- en merkteekenen der waardigste boomen. Derhalven verschaften de staatelijke gezelschappen en gastmaalen wonderlijke en belachelijke vertooningen aan de Vreemdelingen, wanneer zij zagen dat doornen en braambossen de hoogere gestoelten toegewezen, en in tegendeel de Palm-boomen, de Ceder en en aanzienlijke Eiken van tien of twaalf takken, agteraf geplaatst wierden: want geduurende deezen stand van zaaken, waren 'er weinig doornen zonder deeze of gene waardigheid. Aan de Vrouwen wierdt de tytel gegeven van Raadsvrouwen der huishouding, des bewinds, of des Hofs, en dit verwekte in die Sexe grooter opschuddingen, dan onder de Mannen. De ijdele Staatszugt van verscheiden boomen klom tot die hoogte, dat, schoon zij van de natuur slegts begunstigd waren met twee of drie takken, zij egter de tytels van tien of twaalf takken bejaagden, en die maar doornen of braambossen waren, Palm boomen wilden geheeten worden: 't geen al zoo belachelijk stondt, als of een leelijk wanschapen man, zig den tytel van welgemaakt (welgebooren) of een janhagel zig dien van doorlugtig (edelgeboren) toeschreef. Waarom ook, toen dat kwaad op zijn hoogst was geklommen, en het geheele Landschap als tot deszelfs eersten Bajert gebragt was, wijl iedereen naar ijdele schimmen en namen zonder eer stondt; een inwoonder der StadKebade stoutheid hadt van eene Wet voor te stellen om die gewoonte af te schaffen. Dees wierdt met den strop om den hals, volgens 't aloud gebruik, naar de Vierschaar gesleept; dog de Raad vergadert en de stemmen opgenomen zijnde, wierdt hetzelve met eenparigheid van stemmen, en zonder tegenspreken van iemant, heilzaam voor den Staat geoordeeld: waarop zijn hoofd met bloemen bekranst, en hij zelf van al het volk met toejuichingen verzeld, als in zegepraal, door de Stad geleid wierdt. En toen men in vervolg van tijd bemerkte hoe groote nuttigheid de afschaffing deezer gewoonte hadt te weeg'gebragt, wierdt hijKadokiof Groot-Zegelbewaarder gemaakt.

Zedert dien tijd is de Wet van degelijkheid onder de Burgerij voor altoos te bewaren, heiliglijk onderhouden geweest. Egter heeft door 't afschaffen dier gewoonte niet alle naijver opgehouden, maar heeft elk een getragt enkel en alleen door deugd en verdiensten den anderen te overtreffen; en het is klaar uit de Onderaardsche geschiedenissen, dat 'er zedert dien tijd maar één uitvinder van nieuwigheden is geweest, die de Wet van de Orde der Waardigheden tweemaal bedektelijk heeft trachten te doen intrekken; dog welke ook over zijne eerste poging met de ader latinge gestraft, en, toen hij beschuldigd wierdt in zijn voorneemen te volharden, eindelijk naar het Firmament in ballingschap wierdt verzonden. Dit is de reden dat 'er tegenwoordig in dat Vorstendom geen Orde van Waardigheden of Tytels altoos meer is; alleenlijk verklaart de hooge Regeering, door een soort van onderscheid te maken, eenige beroepen voortreffelijker te zijn dan andere; door welke verklaring egter aan niemant wordt toegestaan het regt om zig de eerste plaats toe te eigenen in de bijeenkomsten. Dit onderscheid wordt gevonden in de Placcaaten of Bevel-brieven des Vorsts, welke gemeenlijk besloten worden met deeze woorden: WY GEBIEDEN ENDE BEVELEN ONZEN LANDLIEDEN, UITVINDERS VAN HANDWERKEN, KOOPLIEDEN, AMBAGTSLIEDEN, WYSGEEREN, KONSTENAARS, HOFBEDIENDEN ENZ. Ik ben 'er agter gekomen, dat 'er, onder de Staatsschriften van den Vorst, zekere naamrolle van Waardigheden bewaard wordt van den volgenden inhoud.

ORDE DER WAARDIGHEDEN.

1. Die door hunne middelen den Staat in benaauwde tijden zijn te hulp gekomen.

2. Staatsdienaars, die om niet en zonder jaarwedde dienen.

3. Boeren en Land-lieden met agt takken en daar boven.

4. Land lieden met zeven takken en daarbeneden.

5. Stichters van Handwerken en Ambagten.

6. Werkmeesters, die noodige werken maken.

7. Wijsgeeren, en die met de Doctorale muts begiftigd zijn, zoo Mannen als Vrouwen.

8. Konstenaars.

9. Kooplieden.

10. Bedienden van 't Hof, die eene jaarwedde trekken van 500. Rupati.

11. Dezelve, welken jaarlijks eene wedde van 1000. Rupati wordt betaald.

Deeze naamlijst van Eer, als waarop in onze Waereld niemant zijne toestemming zoude geven, kwam mij zeer belachelijk voor. Ik maakte wel eenige gissingen over de redenen van die omgekeerde orde, waarop dezelve mogt gegrond zijn, en met welke bewijzen de Onderaardlingen die mogten staande houden; dog ik moet bekennen dat ze mij tot nog toe voorkomt als eene wonderspreuke, welke ik niet kan begrijpen.

Onder andere aanmerkelijke zaaken nam ik ook de volgende in agt, te weten: dat, hoe iemant meer bedieningen heeft, hoe hij zig zediger en onderdaniger aanstelt. Zoo zag ik meermalen datBospolak, een schatrijk man onder dePotuaners, met zoo groote nederigheid, de hem ontmoetende Burgerij bejegende, dat hij alle zijne takken ter aarde boog, en met het neigen zijns hoofds den allergemeensten boom zijn dankbaar hart betuigde. Toen ik daarvan de redenen vraagde, wierdt mij geantwoord; dat zulks zoo behoorde, aangezien niemant met zoo veele bedieningen was begiftigd, en hij uit dien hoofde de grootste schuldenaar van 't Gemeenebest was geworden. Tot die plegtigheid wordt egter niemant 'door de Wet' gedwongen; maar vermits die vanPotualles met een gezond oordeel overwegen, oeffenen zij die deugd uit zig zelv', meenende dat zij tot eene beleeftheid, die voorkomt uit een dankbaar hart, verpligt zijn: voorwaar geheel anders dan bij ons, alwaar de gene die met de hoogste eerampten en met de meeste inkomsten als opgehoopt zijn, de mindere over schouder aanzien en met de uiterste trotsheid veragten. Maar de meest aanzienlijkste Burgers, en welke elk een in eere en agtinge moet houden, zijn de Vaders van een talrijk kroost. Deeze zijn de Onderaardsche Helden, en haare gedagtenis blijft bij de nakomelingen in zegening. Ook zijn zij de eenige aan welke de naam van de Grooten wordt opgedragen: geheel anders dan bij ons, alwaar met den naam van Grooten begroet worden de Verhoorders en uitroeijers van het menschelijk geslacht. Hier uit valt ligtelijk op te maken wat de Onderaardlingen zouden oordeelen van Alexander den Grooten, of van Julius Cæsar, welke beide ettelijke, duizenden van menschen om hals hebben gebragt, en zonder lijfs-erven gestorven zijn. Het staat mij voor, binnenKebagezien te hebben het Grafschrift van eenen Landman, hebbende dit opschrift: HIER LEGT JOCHTAN DE GROOTE, VADER VAN DERTIG KINDEREN, DE HELD ZIJNER EEUWE. Dit dient egter geweten, namentlijk: dat om dien roem te verkrijgen, het niet genoeg is slegts de kinderen geteelt te hebben; maar dat 'er ook vereischt wordt, dat zij behoorlijk worden opgevoed.

In het afkondigen der Wetten en Placcaaten gaat alles langzaam toe, wijl de Wetten gemeenlijk hier gemaakt worden bijna op dezelve wijze als bij de oude Romeinen. De voorstelling om eene nieuwe Wet te maken, wordt in alle karspels der Stad aangeplakt. Als dan staat het der Burgerije vrij die te toetsen, en haare aanmerkingen aan de vergadering der Rechtsgeleerden, tot dien einde in de Stad vanPotuaangesteld, over te geven. Daar wordt alles, wat nopende de afkondiginge, tegenstellinge eener andere, afschaffinge, goedkeuringe, verbeteringe, bepalinge, of uitbreidinge der Wet bijgebragt is, naauwkeurig overwogen. En wanneer nu alles naar behooren door de Rechtsgeleerden overlegt is, wordt de Wet die afgekondigt staat te worden, ter goedkeuringe en onderteekening van den Vorst gebragt. Deeze langzaamheid kan aan sommigen wel belachelijk voorkomen; dog daar uit ontstaat der Wetten eeuwige geduurzaamheid; en ik heb mij laten zeggen, dat geen van de Wetten deezes Vorstendoms, geduurende den tijd van vijfhonderd jaren, eenige de minste verandering is onderhevig geweest.

De naamlijst der boomen, die voor de voortreffelijkste worden gehouden, is onder 's Vorsten bewaringe, te gelijk met het getuigenisse, zoo hunner geleerdheid, 't welk hen door de Onderzoekers ofKarattiwordt gegeven, als hunnes gedrags, bij hen van de gebuuren hunner wijk verworven. Hier door heeft de Staat geen gebrek aan bekwame Mannen, om de openstaande bedieningen te vervullen. Boven al is dit aanmerkelijk, dat niemant vergunt wordt het regt om in eenigen oord of wijk der Stad te mogen woonen, ten zij hij voorzien zij van eene verklaringe van den oord of wijk daar hij te voren gewoont heeft, en dat hij borg stelle voor zijn goed gedrag in 't toekomende.

Op eene Wet, eenmaal afgekondigt en met het publyk gezag bekragtigt, is het op halsstraffe verboden eenige aanmerkingen te maken: invoegen de vrijheid aldaar meer bepaald is in Staats dan in Kerkelijke zaaken. Van die inzettinge geven zij deeze reden, namentlijk: dat, zoo iemant komt te dwalen in zaaken aangaande Godsdienst of Geloof, hij enkel en alleen afdwaalt voor zig zelv'; dog dat, zoo iemant in twijfel trekt de Wetten, gestaaft door 't publyk gezag, of die door zijne uitleggingen in eenen anderen zin tracht te verdraaijen, hij den Burgerstaat komt te beroeren.

Van den staat des Hofs en deszelfs huishoudinge, heb ik boven al eenig gewag gemaakt, en aangetoont dat deKadokiof Groot-Cancelier de eerste plaats bekleedt onder de Hofbedienden. Op hem volgt deSmirianof Groot-Thesaurier. Dat ampt wierdt toen ter tijd bekleed door eene Weduwe met zeven takkenRabagnageheeten; om haare opregtheid en ongemeene geeststalenten, tot een ampt van zoo veel gewigts bevordert. Zij had langen tijd die bedieninge bekleed, en zelfs al eenige jaaren voor haars mans dood, die, schoon zelf in de zaaken, rakende het bestier der geldmiddelen, zeer ervaren; egter gehouden was zig te schikken naar den raad en goeddunken zijner egtgenoote, zoo, dat hij niets op zijn eigen gezag kon beschikken, en eer haar Stedehouder dan haar Man genoemt moge worden. Hij schreef wel brieven op zijnen eigenen naam, en deede wel, eigener gezag, Placcaaten aanplakken, zoo dikwils zij in de kraam lag, of, door ziekte belet, geen zaaken kon waarnemen; dog niets wierdt voor vast en van waarde geoordeelt, voor dat het met zijns huisvrouws zegel of onderteekeninge bekragtigt was.Rabagnahadt twee broeders; waar van de een Hof-keldermeester, en de andere Hof-slagter was, dog die uit hoofde, van hun gering verstand, hoe zeer ook hunne zuster in zulk eenen verhevenen post gestelt was, naar geen hooger ampt durfden staan. Met zoo veel regtmatigheid worden hier de ampten uitgedeeld!

Die zelveRabagna, schoon zij zulke netelagtige zaaken bij de hand hadt, zoogde egter zelve haaren zoon, die naar zijns Vaders dood gebooren was. Toen ik oordeelde dat zelve haar kind te zoogen, een al te lastig, en voor zulk eene aanzienlijke Vrouw onwaardig, werk was, gaven mij de Onderaardlingen ten antwoord: "Gelooft gij dan dat de Natuur aan de Vrouwen de tepels der borsten, als geestige vlekjes tot versieringe haarer boesems, en niet om daar mede haare kinderen te voeden, gegeven heeft? In het inenten der zeden komt het meerendeels aan op den inborst der Voedster en op de natuur van de melk: zij, die haare vrugt te zoogen, anderen toevertrouwen, snijden den band en vereeniging beide van liefde en inborst af. Daarom voeden alle Vrouwen van aanzien in dit Vorstendom, haare kinderen op met haar eige melk."

De Erfprins vanPotuwas een jongeling van zes jaaren, waar in men bereids eenen braven inborst, en beginselen van groote bekwaamheden bespeurde, hebbende al zestien takken, 't geen zeldzaam is in zulk een teedere jeugd: wijl niemant met meer dan vijf of zes takken gebooren wordt, de overige wassen uit met de jaaren. Zijn Leermeester, de wijsste boom in 't gantsche Vorstendom, onderwees zijnen leerling in den Godsdienst, in de Geschiedenissen, in de Wiskunst, en in de zedelijke Wijsgeerte. Ik heb dat zoo vermaarde samenstelzel of kort begrip der Staatkunde gezien, 't geen hij tot gebruik des Vorsts hadt opgestelt: het voert den naam vanMabalda Libab Helil,'t welk in de Onderaardsche taal zeggen wil:Sleutel des Gemeenebests. Hetzelve behelst alleszins gewigtige en heilzaame Leerstukken, waar van ik 'er eenige nog heb onthouden, die de volgende zijn.

1. Niet ligtelijk geloof te staan aan beschuldigingen of loftuitingen; maar zijn oordeel op te schorten, tot dat men rijper kennisse van zaaken verkregen heeft.

2. Zoo iemant over eene misdaad aangeklaagd en daar van overtuigt is; moet onderzogt worden, of de schuldige voormaals iets goeds gedaan heeft; op dat aldus een overslag zijner goede en kwaade verrigtingen gemaakt, en, dezelve tegen elkanderen opgewogen zijnde, het vonnis eindelijk gevelt worde.

3. Op de Raaden die geen Ja-broêrs, maar gestadig Tegenspreekers zijn, kan zig de Souverain, als op de omzigtigde onderdanen, 't allerbest verlaaten: aangezien niemant zig in de waagschaal zal willen dellen om de waarheid te spreeken, ten zij hem de weiland van 't Vaderland meer dan zijn eigen welvaren ter harte gaa.

4. Dat 'er in den Raad geen andere worden gebragt, dan welgehuisde en gehoofde Lieden: aangezien derzelver welwezen met dat des Gemeenebests verknogt is: daar in tegendeel de gene die geen vaste goederen bezitten het Land niet voor hun Vaderland; maar, even als de reizigers, voor hunne herberg en optrek houden.

5. Men kan wel den dienst van eenen Man, die niet eerlijk is, voor eenen tijd gebruiken, zoo hij anderzins tot zekere zaaken bekwaamheid heeft; dog dien rijk te maaken of te begunstigen, is gantsch ongeraaden; nademaal een oneerlijk of gehaat man onder 's Vorsten gunstelingen aangenoomen zijnde, onder deszelfs bescherminge zig komen op te doen kwade ingezetenen, die zig indringen in Staatsbedieningen.

6. Die dikwils ten Hove komen, en zig gestadig in 's Vorsten Paleis laten zien, zijn grootelijks verdagt te houden; want de gene die al te dikwils, en zonder aldaar geroepen te zijn, den drempel van 't Hof betreden, zijn zulke, die of bereids een schelmstuk begaan hebben, of die 't zoeken te doen.

7. Die met de allerbrandendste begeerte naar eer-ampten staan, moeten niet dan met het geringste ampt begiftigd worden: want gelijk niemand eenen duit eischt, dan die arm is en gebrek lijdt; zoo staat ook niemand vieriglijk naar eerampten, ten zij de geen die zig door deugd en verdiensten geen agtinge heeft weeten te verkrijgen.

8. Het agtste leerstuk is van zeer groot nut; dog waar aan ik egter mijn zegel niet kon hangen, om het hatelijk voorbeeld, waar mede het zelve bekragtigt wordt. Geen Burger moet geheel en al onnut geoordeeld worden: want niemand is zoo bot of plomp, die niet, zoo 'er anderzins eene goede verkiezinge gedaan wordt, ergens toe nuttig is: ja zelfs in deeze of geene zaak zal uitmunten. Bij voorbeeld: de een heeft een schrander oordeel, de andere heeft veel vernuft: een derde munt uit in verstand, een vierde in ligchaams-kragten: dees is bekwaam om Rechter, gene om Beamptschrijver te zijn; die is scherpzinnig in iets uit te vinden, of iets te ontdekken, een ander wederom kloekmoedig om zaaken ter uitvoer te brengen: hierom zijn 'er weinige, die gezegt konnen worden nergens toe te deugen: want dat 'er zoo veele schepzelen zoo schijnen te zijn, is niet den Schepper te wijten, maar aan de gene, die niet genoeg naar behooren eens ieders kragten weten te onderkennen, en 'er daarom niet naar derzelver bekwaamheden van weten te oordeelen. Deeze stellinge bewijst hij met mijn voorbeeld, in deeze woorden: in onze dagen hebben wij gezien een Bovenaardsch schepzel, dat naar iedereens gevoelen, om deszelfs voorbarig vernuft, gehouden is geweest als onnuttelijk de aarde beslaande, daar 't egter, vermids het snel in 't gaan en rap ter been was, ons van groot nut is geweest. Niet zoo haast had ik dit Artikel gelezen, of ik zeide bij mij zelv':de voorreden is van een eerlijk man; dog het besluit en 't einde is van een schobbejak.

9. In de konst van regeering make men zijn voormaamste werk, dat de Vorst den Erfprins van een bekwaam Leermeester voorzie, en daar toe verkieze den geleerdsten en deugdzaamsten, vermids van 't onderwijs van den aanstaanden Opvolger het heil van den Staat afhangt: want 't geen wij in onze tedere jeugd leeren, gaat als tot de natuur over. Hier van daan is het noodzakelijk dat de Leermeester van den Vorstelijken Jongeling, een liefhebber van zijn Vaderland zij, en den Prins liefde tot zijne onderdanen inboezeme: want daar op moeten alle lessen, die hij zijnen leerling geeft, doelen en uitloopen.

10. Zeer noodig is 't, dat de Vorst den aart en inborst zijner onderdanen wel en te regt doorgronde, zig daar naar schikke, en zoo hij hunne misdagen tracht te verbeteren, dat hij zulks liever doe door voorbeelden dan door wetten.

Gebreken zullen ras tot ondeugd ons verwekken;Doorlugte daaden haast een spoor ter deugd versrekken, Als we in ons Vaderland die steeds in zwang zien gaan:'t Gedrag der grooten kleeft altijd de mind'ren aan.

11. Ledig-gangers en straat-slijpers zijn in den Staat niet te dulden: nademaal de gene die niets te doen hebben, 't Gemeenebest slegts tot een last zijn: want door naarstigheid en gestadige bezigheid neemt de Staat toe in magt, en de kwaade raadslagen en listige onderneemingen worden verstrooit, en verdwijnen. Hierom is het voor eenen Staat raadzamer, dat de onderdanen met onnutte zaaken, beuzelingen en spelen zig ophouden, dan dat zij zig aan de ledigheid, bronader van kwaade aanslagen, overgeven.

12. De pligt van den Vorst is, dat hij de eendragt bewaare onder zijne onderdanen; schoon hij niet kwalijk doet, wanneer hij eenigen naijver onder zijne Raaden voedt: aangezien op die wijze de waarheid menigmaalen ontdekt wordt: even gelijk een Rechter de waare gelegenheid des gedings ontwaar wordt uit het krakkeel der Advocaten.

13. Voorzigtiglijk handelt een Vorst, zoo hij in zaaken van belang het oordeel van alle zijne Raaden aanhoort: veiliger is het egter elk een zijner Raaden afzonderlijk te ondertasten, dan op een en den zelven tijd de gevoelens van den vollen Raad te overwegen: want in den vollen Raad, en daar een iegelijk zijn gevoelen opentlijk te kennen geeft, gebeurt het meestentijds, dat een welspreekend Raadsheer als door den droom zijner welspreekendheid de anderen medesleept, en aldus de Vorst, in plaats van veele, niet dan een eenig gevoelen komt te hooren.

14. Niet minder noodzakelijk zijn de straffen dan de belooningen: want door gene wordt het kwaad geduit, door deeze het goede aangekweekt. Hierom moet men een slegt kaerel, zoo hij iets heilzaams verrigt heeft, met belooningen aanwakkeren, op dat andere behoorlijk aangezet worden om hunne bedieningen wel waar te nemen.

15. In 't bevorderen tot eer ampten en staatsbedieningen wil hij dat men voornamentlijk lette, op de snedigheid: want schoon vroomheid en opregtigheid deugden zijn die zig zelven aanprijzen, zijn 't egter dezelve door welker schijn wij dikwils bedrogen worden: want elk een waant vroom te zijn, om dat hij weet dat door zulk voorgeven van deugd hem de weg gebaant wordt tot eer-ampten. Met dat zelve oogmerk waant elk een ook eerlijk en opregt te zijn. Voeg hier bij, dat men van eenes mans vroomheid en opregtigheid niet ligt een vonnis kan strijken, alvorens hij gevorderd is tot eene bedieninge, waarin hij, als op een openbaar tooneel, proeven zijner deugd staat te geven. Maar snedigheid kan men door een voorafgaand onderzoek, gemakkelijk ontdekken: want eenen domkop en weet niet, valt het zwaarder zijne domheid en onkunde te bedekken, dan eenen veinzer zijne ondeugendheid, of eenen guit zijne schelmerij. Wijders zijn bekwaamheid en eerlijkheid niet altijd tegenstrijdige deugden: ja zij worden beide ligtelijk in een en 't zelve mensch gevonden, even gelijk de domheid met de vroomheid niet altoos gepaard gaat. Maar indien een bekwaam man te gelijk vroom is, is hij in alle opzigten volmaakt. Een man die dom is, is of goed of kwaad: indien kwaad, zoo is het bekend, hoe veele wanschepzels de onkunde aankweekt, wanneer dezelve met boosaartigheid gepaart gaat; maar is hij goed, zoo kan hij om zijn domheid zijne deugden niet te pas brengen. En al is 't, dat hij zelf nog kan nog durft een schelmstuk ondernemen, zoo zal egter zijn slaaf of knegt, waar van hij zig bedient, dat ligtelijk bestaan: want eer heer van een landgoed, die een kwast is, heeft gemeenlijk een pagter die een looze vos is, en een domme Rechter heeft doorgaans eenen snedigen Beamptschrijver, die zonder vrees zijne schalkheid oeffent, nadien al zijn misbedrijf op zijns meesters rekening wordt gestelt. Daarom moet 'er voornamentlijk in 't uitdeelen der bedieningen op de snedigheid worden agt geslagen.

16. Niemant moet als eerzugtig ligtvaerdiglijk veroordeelt, nog om die reden alleen uit eer-ampten gehouden worden, om dat hij naar eene bedieninge staat, waar toe hij oordeelt bekwaamheid te hebben. Want zoo de Vorst zig in 't uitdeelen der ampten te zeer bindt aan dien regel, zal de eerzugtigste zelf het mom-aangezigt van nederigheid aandoen; verzekert zijnde, dat hij door dien weg te ligter zijn oogmerk zal bereiken; en de Vorst zal, tegen zijn voornemen, de allerijverigste bejagers van eer-ampten daar mede voorzien, om dat hij niet dan allerwege schijn-nederige beschouwt; dat is zulke, die, wanneer 'er een ampt openvalt, dat schijnen te vlieden, en zig te verstecken: ja die door hunne vrienden overal uitstrooijen, dat zij van alle waardigheden en staats-bedieningen eenen afkeer hebben. Hier brengt hij bij het voorbeeld van een zeker man, die bij 't open vallen van een aanzienlijk ampt, en 't geen hem de tanden niet weinig waterig hadt gemaakt, den Vorst met eenen brief deedt weten; Dat hem ter ooren gekoomen was, hoe zijne Doorlugtigheid besloten, hadt, met de waardigheid, waar naar andere zoo zeer haakten, hem te bekleeden; waarom hij die aanzienlijke bediening, waar toe hij bekende geen bekwaamheid te hebben, van de hand wees: ootmoedig verzoekende, dat een ander, die meer bekwaamheid hadt, daar mede werde begiftigt, vooral, wijl hij met zijnen staat vergenoegt zijnde, naar geen hooger zaaken stondt. Door welke betuiginge van nederigheid de Vorst zodanig bewogen wierdt, dat hij, tegen zijn voornemen, met die waardigheid begiftigde den genen die ze afsloeg. Dog 't leet niet lang, of hij ondervondt, dat hij door schijn van nederigheid om den tuin geleid was: naardien die nieuwe Amptenaar door hoogmoed en trotsheid alle andere verre te boven ging.

17. Eenen armen Raadsheer of Ontvanger, die meer schuldig is, dan hij betaalen kan, het bewind over de Schatkist te vertrouwen, is even zoo veel, als aan eenen uitgehongerden hond de spijskamer te bevelen. Het zelve heeft plaats in eenen rijken vrek: want gene heeft niets; en deeze nooit genoeg.

18. Geen Legaten of Stichtingen te bekragtigen, welke alleen dienen om luijen boomen den kost te verschaffen, of derzelver onkunde te koesteren. Hier van daan worden in alle Kloosters deezes Vorstendom en teffens in alle Collegien, niet anders aangenomen dan naarstige en spaarzame boomen; te weten zulke die door eenig handwerk het Gemeenebest ondersteunen, of door Studiën en Letter-oeffeningen de Maatschappij, waarvan zij leden zijn versieren konnen. Uitgezonden alleen eenige weinige Kloosters, die onderhoud geven aan boomen die uitgedragen, of door ouderdom verdort zijn: want die zijn, om hunnes ouderdoms wille, van allen arbeid ontslagen.


Back to IndexNext