Chapter 4

Ie Zang, vs 394, volgg. bl. 11, rl 5 v.o.

Gelijk ge, o morgenstar, op 't effen hemelspoor,Den blonden dageraad, of 't heir der vaste starrenTer heirbaan voorstapt om den slagboom los te sparren.

Min juist wordt, naar mij voorkomt, de Morgenstar gezegd de "vaste starren" voor te treden op het hemelspoor, daar deze starren juist met het klimmen van de Morgenstar van den hemel verdwijnen. Ook als Avondstar kan zij niet beschouwd worden als aan 't hoofd der vaste starren voorttredend; daar zij dan in 't Westen staat en de andere starren het eerst in 't Oosten zichtbaar worden.

Ie Zang, vs 462, bl. 13, rl 9 v.o.

Zy heft de handen naar 't vergraauwend blaauw gewelf.Waar reeds de morgenkim 't gestarnt schijnt op te jagen.

Da Costa heeft in deze verzen eene aanduiding van den morgen meenen te vinden, en zich daardoor voor 't vervolg in moeielijkheden gewikkeld. Het is de avond die beschreven wordt; zooals ook blijkt uit de variante. De dichter had eerst geschreven: "'t verbleekend blaauw gewelf". Dit zou den morgen hebben te kennen gegeven: daar met het rijzen van den dag het donker-blauw van den hemelboog schijnt te verschieten: hij verbeterde toen, zeer juist voor zijne bedoeling: "'t vergraauwend". Immers de hemel neemt deze tint aan met het vallen van den avond, en wel het eerst aan de "morgenkim"; d. i. in 't Oosten; vanwaar het gestarnte als zoovele opschietende vonken te voorschijn komt. Op dezen avond door den dichter beschreven volgt (Z. II, vs 1, volgg.) de nacht; en van deze lichtverwisselingen aan den hemel wordt verder gezegd, (vs 11, volgg.) dat Elpine zoo gevoelloos door overmaat van smart geworden was, dat zij deze veranderingen zelfs niet bespeurd had.

Ie Zang, vs 467, bl. 13, rl 4 v. o.

Dan verft een nieuwe storm van woede haar de kaken,Vliegt op, en wil een, eind aan 't foltrend leven maken.

Ik kan hier een in den tekst te maken verbetering aanwijzen die authentiek mag genoemd worden. In een exemplaar van de eerste uitgave van dezen Epos, op den kataloog der boekverzameling van onzen dichter onder no. 1015 aangeteekend, thands in mijn bezit, had hij eenige drukfeilen op de eerste bladzijde aangewezen, en onder deze dit 468e vers dus verbeterd, dat men leze: "Vliegt ze op;" zooals volstrekt noodzakelijk is; ofschoon deze fout van de eerste uitgave in al de volgende is overgenomen.

IIe Zang, vs 135, bl. 19, rl 9 v. b.

En zwieren naar 't ons lust, verheven op den stroomDes ethers, heemlen door, enz.

Zeer juist verbeterde B., in het door mij vermelde exemplaar: "in den stroom", dat de kracht der zelfbeweging beter doet voelen.

IIe Zang, vs 148, bl. 19, rl 17 v. o.

Maar ach! wat schetse ik u den oorsprong van mijn vlam!Hoor eerst de strenge wet des hemels.

Zeer opmerkelijk voor den beoefenaar der tekstkritiek is hier deze verbetering door D. C. aangebracht, daar men in de eerste uitgaven en in die haar volgden hier las: "Hoor eens": eene uitdrukking van kinderlijke naïveteit, die in den epischen stijl, en hier op deze plaats, wel allerminst te pas kwam. En echter was deze fout den dichter bij het in gereedheid brengen van zijn werk voor de pers, en bij het overlezen, zooals mij uit het gemelde exemplaar gebleken is, ontsnapt: want er kan hier geen twijfel zijn, of D. C. herstelde zijne bedoeling.

IIe Zang, vs 165, bl. 20, rl 1 v. b.

't Gejammer bij de dood diens Abels, dien Gods liefde Ter dood voerde, als hem 't staal zijns woesten broeders griefde.

De herhaling van het woord "dood" stuit hier niet; omdat er iets treffends ligt in het ophalen van de oorzaak dier vroegtijdige dood, gelegen in de liefde die God hem betoonde, en die den nijd zijns broeders wekte. Eer zou ik iets min gepast vinden in het vermelden van het "staal" dat Abel zou gegriefd hebben, dat mij hier te modern voorkomt.

IIe Zang, vs 190, bl. 20, rl 11 v. o.

(Ons) was 't broederlijk geslacht allengskens vreemd geworden.

Uit de variante maak ik op, dat de dichter er over gedacht heeft "allengs meer" te schrijven, misschien daarvan teruggehouden om het in het volgend vers voorkomend "steeds meer".

IIe Zang, vs 208, bl. 21, rl 8 v. b.

Bekeerde, of hield zijn ziel dier gruwelen onbesmet

"Dier gruwlen" is hier de gebogen (3 e.) n. v., die in de plaats treedt voor "aan die gruwlen", terwijl het b. v. n. "onbesmet" de plaats, in dichterlijke taal, inneemt van "onschuldig."

IIe Zang, vs 276, bl. 23, rl 2 v. b.

En de Engel zweeg in 't hart, door 't maagdlijk schoon geroerd.

Deze vorm is virgiliaansch: Excussaque pectore Juno, wordt in de Enéis (V. 679) gezegd van de booze inblazingen van Juno, die uit het hart der trojaansche vrouwen geweken waren.

IIe Zang, vs 368, bl. 25, rl 15 v. o.

En dan, dan danke ik 't lot; het heeft mijn ramp volwrocht.

Uitdrukking van uiterste wanhoop aan den Orestes van Racine ontleend:

J'étais né—Pour être du malhenr un modèle accompli.Hé bien, je suis content, et mon sort est rempli

Onze groote dichter schatte dit treurspel van Racine, de Andromaque, zeer hoog, en noemde het mij eenmaal "het juweel van het fransche tooneel".

IIe Zang, vs 389, bl. 26, rl 6 v. b.

Het kroost der englen zal met dat der stervelingenNiet wriemlen over de aard.—

Met deze woorden worden niet de Paradijsgeesten bedoeld, alsD. C. meent, maar de Reuzen uit de Paradijsgeesten gesproten; welkegeesten hier door den minnaar van Elpine met trotsche zelfverheffing"Engelen" genoemd worden: verg. vs. 405, volgg.

IIe Zang, vs 416, bl. 26, rl 6 v. o.

Zijn open oog vertrok.

Men zou "betrok" willen lezen; maar de dichter kan hier eene archaïsme bedoeld hebben met verwante beteekenis.

IIe Zang, vs 435, bl. 27, rl 14 v. b.

(Een opstand) die misschienGeheel het menschdom, in dien gruwelbond begrepenIn 't eindeloos verderf onredbaaar mee zal sleepen.

Hier worden de gevolgen van de roekelooze voornemens van haar minnaar door Elpine voorzien, zooals de dichter die in zijn gedicht meende te ontwikkelen.

IIe Zang, vs 449, bl. 27, rl 9 v. o.

Neen, de almacht heeft voor ons—uw Eden toegesloten.

Hier op antwoordt, met aandoenlijke tegenstelling, wat in het 458e vers gelezen wordt:

Dit zal zijn Eden zijn, dit is zijn eeuwig leven.

IIe Zang, vs 455, bl. 27, rl 3 v. o.

Verbeiden wij het uur, dat Gods geheimenis.Onthult, en in de rij der toekomst zeker is.

Als variante wordt opgegeven: "Onthult, maar in de rij." In de eerste uitgave staat "Onthuld". Ik vermoed, dat de variante niet goed gelezen is, en dat de dichter er aan dacht te schrijven, met het oog op Handel. I, vs 7:

"dat Gods geheimenis,— Omhuld, maar in de rij der toekomst zeker—is."

IIe Zang, vs 468, bl. 28, rl 11 v. b.

—Aan 't stervend aardsch geslacht.

Deze uitdrukking herinnert het "moriturus" bij Horatius Od. I, 28, 6, II 3, 4; en het treffend gezegde eener merkwaardige fransche vrouw, op haar sterfbed: "je ne laisse ici que des mourants."

IIe Zang, vs 475, bl. 28, rl 18 v. b.

De wachter van het licht, heraut der uchtendstond.Had reeds door Bethurs dal den nieuwen dag verkond.

D. C. denkt hier, in zijne aanteekening, aan den haan, die, naar ons voorkomt, als verkondiger van het daglicht meer in de idyllische dan in de epische wereld thuis behoort; en in deze laatste nog veel min gepast optreedt met een zoo hoogdravende omschrijving. B. bedoelde, naar mij voorkomt, de morgenster, die als een heraut den zonnewagen voortreedt, als om zijn komst aan te zeggen. Zie den Ien Zang, vs 394, volgg.

IIe Zang, vs 480, bl. 28 rl 16 v. o.

Elpine voerde in 't hart haar nimmer heelbren griefDoor 't bloeiend palmwoud rond.—

Het rusteloos omdwalen van Elpine, dat, als ik heb doen opmerken, haar eene overeenkomst geeft met de Iö van Eschylus, en met kracht beschreven is in den Ien Zang, vs 467, volgg. vond zijn oorsprong, als de dichter met een enkele uitdrukking doet raden (ald. vs 457) in het zoeken naar dien bovenmenschelijken minnaar: "die het hart de vlam der liefde deed gevoelen, en nergens vindbaar is." Zoo was zij zuidwaarts gedwaald tot de Ur (Ie Z. vs 478 en II, 2); en het was daar dat zij dien minnaar had weêrgezien. Na hem voor eeuwig te hebben afgewezen, schijnt zij weder noordwaarts teruggekeerd en zoo gekomen te zijn in dezelfde streek waar het leger der Kaïnieten onder Argostan zich had neêrgeslagen. Deze streek met juistheid op het door den dichter ontworpen kaartje aan te wijzen is niet mogelijk. De vermelding van "Rigons zoute vlieten," als de plaats waar het leger zich bevindt, wanneer men dien vliet op de kaart zoekt, komt niet overeen met het vervolg, en uit de variante "kronkelvlieten", die op vs 485 vermeld wordt, maak ik op, dat B. wilde gelezen hebben:—"ter rechter zij van Gihons "kronkelvlieten"". Immers is het ook van die "kronkelstroomen" dat de dichter hetzelfde leger, na de gebeurtenissen in den IIen en IIIen Zang beschreven, in den IVen Zang, vs 39, op doet trekken. De Rigon en zijn zoute bron wordt wel weder gemeld in Z. III vs 482, maar slechts als het uiterste punt van het door Segols leger te bezetten landstreek. Moeilijker is met de vermelding van den rechter oever van den Gihon te vereenigen die van het dal van Nival (vs 482 en 719), dat zich op de kaart aan de overzijde dier rivier bevindt, die eerst in den IVen Zang, vs 40, wordt overgetrokken; zoodat ook hier aan eene verzinning des dichters bij het ontwerpen van de kaart schijnt te moeten worden gedacht.

IIe Zang, vs 601, bl. 31, rl 6 v. o.

Een gruwzaam reuzenrot, verwant aan hemelgeesten.

Argostan toont op deze plaats, en vs 630. volgg., het gerucht aan te nemen dat aan de Reuzen een verwantschap met hoogere geesten toeschreef, maar alleen om die geesten, wie ze ook zijn mogen, te trotseeren. Zijn leger daarentegen verwerpt dit denkbeeld volstrekt; (zie Ie Z. vs 391, volg.) althans wat hun afkomst aangaat van de geesten die zij als goden aanbidden. Van daar de tweespalt tusschen legerhoofd en leger, die met het verslaan van Argostan en de daaruit voortvloeiende onderlinge slachting onder het leger eindigt.

IIIe Zang. vs 31, 33, bl. 36, rl 9, 11 v. b.

Men reikt zich—de handen, omhelst zich.—

Men ziet hier herhaaldelijk B. het wederk. v. n. gebruiken, waar, in onze proza althans, elkander vereischt wordt.

IIIe Zang, vs 36, volgg. bl. 36, rl 14 v. b.

—De afgrond zag met onuitspreekbre smartenDen vreê herrezen; maar 't vooruitgezicht getroost,Voorspelt zy uit dien vreê 't verderf van Adams kroost.

Het verdient opmerking, hoe hier B. op het woord "Afgrond" het vrouwelijk voornaamw. toepast, niet uit verzinning, zooals genoegzaam blijkt uit den IVen Zang, vs 325; noch door gedachteverwisseling met het woord "Hel"; maar omdat in het nederduitsch, daar waar de persoonsverbeelding de woorden als belichaamt, zij bij voorkeur als vrouwelijk verschijnen.

IIIe Zang, vs 37, bl. 36, rl 15, v. b.

—Maar 't vooruitgezicht getroost,Voorspelt zy uit dien vreê 't verderf van Adams kroost.

De Hel, ofschoon voor het oogenblik gekweld door het denkbeeld van vrede, neemt het aan, althans wat hare meer verziende leden aangaat: in "'t vooruitgezicht getroost" op de gevolgen van dien vrede, als kunnende deze leiden tot een meer algemeen verderf over het menschdom te brengen dan uit den ontvlamden burgerkrijg te wachten was.

IIIe Zang, vs 53, bl. 36, rl 9 v. o.

—We ontmoeten u als lot- en lotgenoot.

Eigenaardige spreekwijze, om te kennen te geven; "als deelgenooten van uw lot, zooals gij het van het onze zijt."

IIIe Zang, vs 95, bl. 37 rl 4 v. o.

't Is afgrond, waar de spijt een hel in 't hart doet branden.

De "Spijt" is hier het juiste woord om den gekrenkten trots over het, verbanningsvonnis uit te drukken. Maar de laatste verzen dier rede zijn eens duivels, niet van een verbannen Paradijsgeest, en doen te kort aan het onderscheid, dat in de schildering dier verschillende wezens moest bestaan.

IIIe Zang, vs. 255, bl. 42, rl 5 v. b.

Bezadigdheid en list zijn veiligst.—

Hier wordt de aanleg van den knoop des gedichts aangekondigd. De Kaïnieten zullen door de Hel met "list" worden bestreden, daar zij door getal en schranderheid de Reuzen te sterk zijn. Die list zal hun Vorst, Segol, tot werktuig kiezen; die eerst, in zijn slaap "bekropen" zal worden door de eerzucht van naar den hoogsten rang te staan: (zie vs. 336) die daarna, "misleid" en "bedrogen", tot een verdrag met de Reuzen zal toetreden, en "vervoerd", door de eerst hem ontroofde, later teruggegeven Zilfa, het bondgenootschap zal sluiten, door de Paradijsgeesten tot behoud van hun af komst bedacht, en dat door de Hel in een gemeenschappelijken opstannd tegen God zal worden verkeerd.

IIIe Zang, vs. 255, bl. 42, rl. 5 v. b.

Bezadigdheid en list zijn veiligst. 'k Ken dat wapen.Bekruip in vriendenschijn den vijand onder 't slapen;Mislei; bedrieg; vervoer!

D. C. merkt te recht op, dat deze werkwoorden in geen gebiedende wijs staan; maar dan moet ook een minder leesteeken na het woord "wapen" staan, en geen uitroepingsteeken na "vervoer".

IIIe Zang, vs. 267, bl. 42, rl. 17 v. b.

't Belang der hel alleen verbiedt me, uw grootsche daden Te smoren.—

Welke zijn die groote verdiensten van Sadrach (of Zardach), die deleider der helsche vergadering, in tegenwoordigheid van de luisterendeParadijsgeesten, niet openlijk durft uitspreken? De verleiding dierGeesten zelven door de schoonheid der dochteren van Kaïn.

IIIe Zang, vs. 302, bl. 43, rl. 16 v. b.

't Gruwzaam kroost der list.

De Hellegeesten, gereed de Kaïnieten met list aan te randen, storten zich op het dal, waar hun leger zich heeft nedergeslagen, uit. Terwijl hun hoofd, Sadrach het aanstaande legerhoofd, Segol, met een gewaande geestverschijning nadert, om hem aan te sporen, dat hij zich tot opperhoofd opwerpe, wordt het leger door allerlei schrikken (vs. 359-370) ontrust, die het vooreerst tot bijgeloovige vrees stemmen, maar ook de aanstaande oorlogsgevaren aankondigen, waarvan de indruk deze moet zijn, dat zij, op zelfbehoud bedacht, zich aan Segol onderwerpen.

IIIe Zang, vs. 311, bl. 43, rl. 16 v. o.

Zijn schedel nokt en schudt als 't schuddend popellover.

Het komt mij niet onmogelijk voor dat B. hier geschreven heeft of bedoelde te schrijven: "nokt en schokt". Immers versmaadt hij zulke klankherhalingen niet; als b.v. in den IVen Zang, vs. 153: "knarst en barst". De herhaling van hetzelfde woord bij het voorwerp dat men vergelijkt en bij dat waaraan men de vergelijking ontleent, is niet zeer aannemelijk; en men hoort, naar de lezing die wij voorsloegen, nog beter den tred van het nauwlijks gevleeschde geraamte.

IIIe Zang, vs. 322, bl. 43, rl. 5 v. o.

—In Beth-ur had geboôn.

De vermelding van Beth-ur, als ik reeds elders deed opmerken, leidt tot het vermoeden, dat het in de bedoeling des dichters lag een band van bloedverwantschap te doen erkennen tusschen Segol en Elpine, mede eene Kaïnietische (Z. I, vs. 438) en in haar wieg door de Reuzen uit Beth-ur geroofd. Wat aangaat de betrekking van Segol tot Argostan, geloof ik dat B. geen ander doel gehad heeft met de vermelding van dit halve-broederschap der twee Kaïnietische opperhoofden, dan om Segol, na den dood van Argostan, eene aanleiding te geven van in 't licht te treden, zonder eenig recht ter opvolging te kunnen doen gelden, zoodat de vrije volkskeuze bij zijne verheffing in haar zuivere gedaante bewaard bleef. Zoo is de variante op vs. 454 van dit boek merkwaardig; waar B. eerst Segol had doen zeggen, sprekende, ten aanhoore van het leger, tot de strijdakst van Hanoch door Argostan gevoerd:

"'t Geen thands een mindre vuist, maar u het naast omsluit"

waarvoor hij in de plaats stelde:

—"maar Hanoch waard."

IIIe Zang, vs. 447, bl. 47, rl. 16 v. b.

En strikt een heilig snoer, ontvlochten van de altaren.—

Ik heb mede alreeds doen opmerken, hoe dat wereldgezag, door het volk aan Segol toegekend, en geheel uit den boezem des volks uit vrees voor onderlinge verdelging voortgekomen, met een snoer aan de altaren der valsche goden ontleend gewijd wordt; en hoe Segol op die volkskeuze het stelsel grondt, dat door die keuze het gezag van het volk op hem is overgegaan en thans door hem wordt uitgeoefend; maar hoe hij later (Z. V, vs. 373, volgg.) het oppergezag aan God alleen toekent, van wien alleen hij het ontvangen wil, om het op aarde te doen regeeren, en waarvoor hij eenmaal sterven zal, omdat hij zich tegen den volkswil verzet.

IIIe Zang, vs. 571, bl. 50, rl. 10 v. o.

Ja, 't was mijn afscheidskus, 'k verlaat u dierbre sponde

Dit voorgevoel door onzen dichter Zilfa in den mond gelegd, als waren hare kussen, die zij in haar droefheid aan het huwelijksbed gebracht had, een afscheid geweest, is aan de grieksche treurspeldichters ontleend, bij wie gehuwde vrouwen, op het uiterst van haar leven, een hartstochtelijk afscheid van het echtelijk bed nemen. Zoo Jocaste en Deïanira bij Sofocles, zoo Alcestis bij Euripides, die daarin door Virgilius, in de beschrijving der laatste oogenblikken van Dido, gevolgd zijn.

IIIe Zang, vs. 592, bl. 51, rl. 12 v. b.

O Segol! om dit vocht dat ge aan mijn oog ontspringen,Mijn boezem baden ziet.—

Ook hier zijn woorden van Dido (En. IV, 514): Per ego has lacrimas, dextramque tuam te, Per connubia nostra.—Maar Dido had wel wat andere reden tot klagen dan Zilfa, en daarom is haar gevoelsuitstorting hoogst aandoenlijk, en deze is het volstrekt niet. Ik moet hier de vraag stellen: hoe kon onze groote dichter die uitstorting van vrouwelijke zwakheid hier plaatsen, zoo dit karakter niet bestemd was tot een schakel in de reeks der gebeurtenissen van zijn gedicht.

IIIe Zang, vs. 600, bl. 51, rl. 17 v. o.

'k Zal sterven aan uw zij, en met u oorelogen.—

B. heeft dezelfde ontboezeming in den mond gelegd van Machteld vanVelzen, in Floris V:

"'k Zal voor u in 't gevecht quarreel noch speerschot duchten, Ik draag u 't krijgsrondas, ik draag u 't wapen na, En hoede u met mijn borst."

IIIe Zang, vs. 654, bl. 53, rl. 2 v. b.

Het schrikgedierte alleen—gaat om.

Dat is, sluipt rond in stilte. Verg. IVe Z. vs. 361. Het woord heeft iets geheimzinnigs; vandaar dat het in sommige onzer gewestelijke streken gebruikt wordt van iemand, van wien het bijgeloof vermoedt dat zijn ziel geen rust heeft en 's nachts op aarde omwaart. Welke beteekenis in het Woordenboek der N.T., niet is opgegeven. Het woord "zweeft" slaat zoowel op de over den grond rondgaande roofdieren, als op het gevogelt dat in het volgende vers vermeld wordt; dat hier aannemelijk is om het onhoorbare der beweging, zoowel van tred als van vlucht van dit nachtgespuis.

IVe Zang, vs. 71, bl. 55, rl. 7 v. b.

De slachting noopt de vlucht.

De naamwoorden moeten hier eigenlijk met kapitale letters staan. Geheel in den stijl van het klassieke heldendicht stelt B. de toestanden en hartstochten die zich op het slagveld ontwikkelen als personen voor: zoo Homerus, II. IVe Boek, vs. 440, volgg. en Virgilius, En. IX, vs. 719.

IVe Zang, vs. 230, volgg. bl. 59, rl. 10 v. b.

Terwijl een kleene hoop—

Die voorstelling der in het water dartelende krijgslieden, die onder dat bedrijf door den vijand verrast worden, kan B. voor den geest gestaan hebben uit een voorval, dat plaats had gedurende de burgeroorlogen van Florence, en door het penseel van Michel-Angelo is vereeuwigd.

IVe Zang, vs. 262, bl. 60, rl. 4 v. b.

(De vorst) wint—de steilte van den boord.

D.i. bereikt. B. had deze keurige aanwending van het w. w. "winnen" bij Vondel opgemerkt, en vestigt er de aandacht op in zijne Aanmerkingen op Huydecopers Proeve, bl. 2.

IVe Zang, vs. 264, bl. 60, rl. 6 v. b.

Maar een steen, die 't hoofd hem dacht te kneuzen, enz.

Segol, als later blijken moest, wordt hier beschermd door een bovenaardsche macht: dit wordt uitdrukkelijk gezegd Z. V, vs. 269, bij een dergelijk geval.

IVe Zang, vs. 284, bl. 60, rl. 10 v. o.

De boogpijl vliegt hem (den vijand) na met moorden en ontzielen.

Dit schijnt eene tautologie; maar ik meen dat "moorden" hier kan opgevat worden als "doodelijk wonden".

IVe Zang, vs. 289, volgg. bl. 60, rl. 5 v. o.

—Een aantal lijken dektDen grond, waarheen hij ziet, enz.

De indruk hier gemaakt door het vinden en aanschouwen van het noodlottig slagveld herinnert de schoone beschrijving van het wedervinden van Varus' legerkamp, in den Germanicus van mevr. Van Winter (Ve Boek) aan Tacitus ontleend:

"Hier rijst van allen kant voor de oogen des soldaatsEen schrikkelijk tooneel", enz.

IVe Zang, vs. 371, bl. 63, rl. 7 v. b.

De rust is voor 't gemeen, dat niet dan d' arm kan roeren;Geen vorsten, die 't bevel van rijk of leger voeren.

Ook deze gedachte is aan Homerus (II. IIe B. vs. 24, 25) ontleend. Maar de weemoedige wijze, waarop zij hier door den Vorst zelven wordt uitgesproken en het geheele tooneel voeren de kleur der Ossianische poëzy.

IVe Zang, vs. 395, bl. 63, rl. 10 v. o.

Ik zag Mechujaël mijn grootvaâr in zijn grijsheid.

Segol, die hier spreekt, had reeds "vier eeuwen de legerknots met roem" gevoerd (vs. 481) en behoorde, als kleinzoon van Mechujaël tot het zesde geslacht van Adam onder de Kaïnieten (zie Gen. IV, vs. 17, volgg.) Hetgeen bevestigt, wat door ons opgeteekend is omtrent den tijd waarin de dichter zijn handeling plaatst.

IVe Zang, vs. 404, bl. 63, rl. 2 v. o.

—Van uit een hooger orden.

Ik meen dat B. hier "orden" genomen heeft als het grondwoord van het w. w. "ordenen"; zooals van "baak bake, baken" komt "bakenen".

IVe Zang, vs. 458, bl. 65, rl. 15 v. b.

En sticht het Godlijk rijk, vol waarheid, deugd, en plicht.

D. C. valt hier zijn grooten meester hard, omdat hij in het Godsrijk nog spreekt van "deugd" en vooral van "plicht". Valt tegen dit oordeel niet iets in te brengen? Blijft in dat Rijk niet het recht van God bestaan op de aanbidding zijner schepselen? en blijft het niet hun deugd, lost zij zich daarin niet op, hieraan met vreugde te voldoen en dus een "plicht" te vervullen, die aan het goddelijk recht beantwoordt? Maar in het Godsrijk is die plichtsvervulling volmaakt, omdat zij alleen uit liefde en uit niets anders voortvloeit, en daarom volstrekt vrij is.

IVe Zang, vs. 493, bl. 66, rl. 15 v. b.

En helder licht straalde uit zijn boezem op hem af.

B. had, meen ik, geschreven: "Een helder licht".

IVe Zang, vs. 521 bl. 67, rl. 5 v. b.

Verheug uw volken met uw aanblik weêr, en straalOns gunstig toe.

Ook hier vindt men een herinnering van een der oden van Horatius (IV Boek 5e Ode), waar hij, in naam van 't Romeinsche volk, Augustus om een spoedige terugkomst bidt, (naar de vertaling van P. van Winter):

"Keer in den zetel van 't gebied,o Goedertieren vorst, keer naar belofte weder;Daal als een lentedag die al het land verblijdt:Het dankbaar volk bemint u teder,U, die hun dag, hun zonlicht zijt."

Ve Zang, vs. 35, bl. 72, rl. 4 v. b.

Het hoofd hangt moedloos op de schouder.

B. in de "Verklarende Geslachtlijst" verkiest voor het woord "schouder" het m. g. en naar de afleiding die hij er van geeft, en zijn stelsel daarop toepassende, kon men wel geen ander geslacht aan dit woord toekennen. Doch het schijnt dat, op deze plaats van zijn Epos, B. het woord "schouder" genomen heeft als een van die afgekorte meervouden als er in sommige spreekwijzen onzer taal aanwezig zijn, en waartoe betrekking heeft de belangrijke aanteekening van Huydecoper, in zijn Proeve van Taal- en Dichtkunde, op het VIe Boek der Herscheppingen vs. 799, op welke plaats van den grooten taalgeleerde B. doelt in zijn "Geslachtlijst" op het woord "schouder". Dat hier sprake kan zijn van het meervoud is denkbaar, wanneer men zich het verslappende hoofd voorstelt van d' een op d' anderen schouder zinkend en neêrhangend; hetgeen Virgilius heeft uitgedrukt met het woord "utroque," Aen. V, vs. 469.

Ve Zang, vs. 80, bl. 73, rl. 14 v. b.

"Dit (het vaderland) moog verloren gaan, de menschlijkheid houdt stand".

Ik meen dat men lezen moet: "houd' stand".

Ve Zang, vs. 125, bl. 74, rl. 15 v. o.

—"In der vossen holenDe dood die hen vervolgt voor 't oogenblik ontscholen".

Kan de mensch schuilen in een vossenhol? Ik meen dat B. schreef, of bedoelde te schrijven: "der losschen holen".

Ve Zang, vs. 162 volg., bl. 75, rl. 16 v. o.

—Reuzentelg, die opgeroeid in 't strijden,Reeds driewerf Beth-urs burg verbrand hadt en vergruisd.

Nu voor den derden keer, bij die overrompeling vermeld in den vorigen zang vs. 570, volgg. De twee vroegere vermeesteringen of althans verwoestingen van het dal van Hemath, waarin Beth-ur lag, vermeldt de dichter in zijn verhaal in den eersten zang, vs. 264, en 291; en het was bij een dezer invallen dat Elpine, als kind, in handen der Reuzen was gevallen (Z. II, vs. 290). De vraag, in welk der vijf historische tijdvakken, die in het zooeven gemeld verhaal des dichters onderscheiden kunnen worden, die roof op Elpine gepleegd, naar de bedoeling des dichters, voorviel, schijnt niet gemakkelijk ter beantwoording. Heeft de dichter deze gebeurtenis in zijne gedachte geplaatst op het einde van het 3e tijdvak, d. i. der eerste overheersching der Reuzen, toen hun rot, als hij zingt: (Z. I, vs. 278)

—"met moed en kunst bestreên, Week naar den hooger grond, als in zijn schansen, heen";

of wel in het begin van het 5e, toen, ofschoon het niet gezegd wordt, het in den aard der zaak ligt, dat de Reuzen, bij de tweede vermeestering vaan het oostelijk deel der Aarde en hunne vestiging tot aan de Nilho, waarbij van den roof van "vrouwen, kinders, vee" (vs. 285) gewaagd wordt, het aan de andere zijde van die rivier gelegen Beth-ur, het verblijf van Elpine's ouders, in een strooptocht hebben geplunderd? Neemt men dit laatste aan, dan is het een zeer natuurlijke bezorgdheid in Segol, die hem Beth-ur als eene onveilige verblijfplaats voor Zilfa doet beschouwen; en deze wordt ook door de uitkomst bevestigd; (IIIe Z. vs. 630 en IVe Z. vs. 573). Daarbij komt, dat na de eerste overheersching der Reuzen een tijdvak van vrede van 50 jaren verloopen is (I. 280) en ook tot de bevestiging van het tweede rijk der Reuzen eenige tijd als noodig is aan te nemen; en zoo schijnt men in de eerste veronderstelling het tijdstip van de geboorte van Elpine wel wat verre achteruit te schuiven. De levensperken echter van het menschelijk geslacht, zooals het toen volgens de bijbelsche oorkonde was, in aanmerking genomen, is een leeftijd, als dan aan Elpine wordt toegesehreven, nog jeugdig; ofschoon men het dan als eene voorzichtigheid in den dichter prijzen moet, dat hij het getal harer jaren niet gespeld en ons daardoor den zonderlingen indruk gespaard heeft, dien Hoogvliet, in Abraham, op ons maakt, wanneer hij Sara dus sprekende invoert:

"Zou dan dit schijnschoon nogh zoo groot een onheil baren,In mijnen ouderdom van vijf en zestigh jaren?"

Ik hel dus meer over tot het denkbeeld, om de kindsheid van Elpine in het meer verwijderd tijdperk te plaatsen, en meen dat de vermelding van "den hooger grond" (I. 278.) waar toen de Reuzen op terugtrokken, in verband staat met de redding van Elpine uit hunne handen, door haar pleegvader Methusalah; daar het als aannemelijk kan beschouwd worden, dat het aartsvaderlijk gezin van Noach, met Methusalah, zich reeds toen op die hooge en eenzame bergstreek ophield.

Ve Zang, vs. 171, bl. 75, rl. 7 v. o.

Ontzinden! is 't de pijl, of is 't de zwakke hand?

Niet de pijl—zegt de aanvoerder—is uw vijand, tegen wien gij te strijden hebt; maar de hand die haar afzendt, en deze is "zwak" en ontleent alleen haar macht aan den afstand; vernietig dien door een snellen aanval, en zij vermag niets meer.

Ve Zang, vs. 223, bl. 77, rl. 6, v. b.

"Den veewolf".

Een vreemdsoortig samengesteld woord, om een wolf aan te duiden, die voornamelijk voor het vee te duchten is.

Ve Zang, vs. 246, bl. 77, rl. 12 v. o.

(De Koning) knarstandt van de spijt, als duizend ijzren harrenOp grendels, rood verroest, en in hun ring verwrikt,Zoo klinkt het door de lucht, en heel het heir verschrikt.

D. C. schrijft het hier beschreven geluid toe aan de booze geesten: verg. zijn aant. op vs. 335. Er is echter van een onmiddellijk nabij zijn dier wezens niet gesproken: zooals b. v. in den IIen Z. vs. 504; en zoo, op zichzelf genomen, schijnen deze woorden ter tekennengeving van zoodanige bedoeling des dichters niet genoegzaam. Ik meende dat wij hier te doen hadden met eene dier hyperbolische vergelijkingen als soms bij de epische dichters voorkomen, en dat de geheele plaats op het knarstanden des Konings moet worden toegepast.

Ve Zang, vs. 350, bl. 80, rl. 15 v. b.

—Tot nieuwe krijgsbedrijvenGesterkt, wat wacht mijn hoop van zulk een heldenstoet.

Men moet de woorden "Tot nieuwe krijgsbedrijven gesterkt" voegen bij het woord "heldenstoet", als las men: van zulk een heldenstoet, als hij tot nieuwe krijgsbedrijven gesterkt zal zijn, wat mag ik daarvan verwachten.

Ve Zang, vs. 409, bl. 82, rl. 5 v. b.

Wen een onzichtbre hand zich in de zijne kleefde,Hem opvoerde, en met hem den ethersfeer doorzweefde,En Segol, Segol, riep!

Deze plaats moest anders worden uitgegeven om de bedoeling des dichters uit te drukken. Na het woord "doorzweefde" moest een sterker leesteeken staan. Van daar begon een nieuwe zinsnede, en het onderwerp dat het laatste werkwoord "riep" vorderde, was nog niet geschreven, toen de pen aan den onsterfelijken zanger ontzonk.

Het ontwerp van Bilderdijks epos.

Toen Bilderdijk er toe kwam om de vijf eerste zangen van zijn voor altijd onvoltooid gebleven heldendicht uit te geven, werd dit merkwaardig en geheel eenig gewrocht der nederlandsche poëzy over 't algemeen met koelheid ontvangen. De dichter, als blijkt uit zijne voorrede, had zich niet anders voorgesteld van een publiek, dat van alle werken van kunst en van smaak vooral verlangt, zonder inspanning op eene aangename wijze bezig gehouden te worden. Zij echter die door hun studiën en de richting van hun geest in staat waren het meesterwerk te genieten, stonden verbaasd over de stoutheid van het ontwerp en den reusachtigen greep, die in de gekozene stof gedaan was; en aan hunne bewondering paarde zich een gevoel van weemoed over de afgesneden hoop, dat een zoo verheven kunstgewrocht ooit zou worden voltooid. Het was natuurlijk dat de verbeelding van sommigen van hen niet kon blijven staan aan de grens waar de dichter, door grievende rampen getroffen, moedeloos was neêrgezonken, maar hem zocht vooruit te streven in de nevelen van dat onbekende gedeelte der baan, waar zijn vlucht zich verder in bewegen moest; ja, zoo ver te komen, dat zij, al ware het in een enkelen omtrek, het geheel kon overzien dat hij zich had voorgesteld in het leven te roepen. Indien er iemand in staat scheen dit doel nabij te komen, dat de dichter met zekere achterhoudendheid als onbereikbaar gemaakt had, het was zeker zijn voortreffelijke leerling en vriend, Da Costa. En inderdaad, deze hield zich met de oplossing van het vraagstuk bezig, en in de zeer verdienstelijke uitgave afzonderlijk door hem bewerkt van Bilderdijks Epos [4] vindt men (bladz. 371 volgg.) eene verhandeling, waar het "Ontwerp des Geheels", naar het gevoelen van den schrijver, voor den lezer onthuld wordt. Aan zeer bevoegde rechters voldeed dit werk van D.C., en zij deelden in de door hem uitgesproken overtuiging, dat hij het geheim des ontslapen dichters had geraden. Mijn ontzag voor deze goedkeuring en mijne oprechte bewondering voor het groot en eerbiedwaardig genie van D.C. beletten mij niet, hier onbewimpeld als mijn gevoelen uit te spreken, dat Bilderdijks ontwerp anders dan het naar die gissing wordt voorgesteld, moet geweest zijn: ja, dat zijn leerling, in de voornaamste trekken, die hij daarvan meende te hergeven, heeft misgetast.

Het onderwerp van dezen Epos, zooals de dichter zelf, in een brief aan zijn vriend den Hoogleeraar H.W. Tydeman, het uitdrukte, [5] is eigenlijk "de zondvloed" niet: "doch hetgeen den zondvloed verwekte." Deze daad die bezongen moest worden, was de aanval door het menschdom ondernomen ter herovering van Eden, onder voorleiding der Reuzen, gesproten uit sterfelijke menschendochters en onsterfelijke, in het Paradijs geteelde, menschenzonen, met bovenaardsche lichamen omkleede geesten; die, als kinderen van Adam vóór zijn val geteeld, in Eden achtergebleven waren; doch later, om hun verboden omgang met de dochters van het gevallen menschenras, insgelijks uit den zaligen hof verbannen werden, en zich als goden in het luchtruim bewogen. Aan het hoofd van dien opstand zou men een dier Paradijsgeesten zien treden, den verleider van Elpine, eene Kaïnietische maagd door Methusalah in 't geloof aan den eenigen waren God opgevoed. Deze haar minnaar moest zich, als vader van het uit haar te verwachten kroost, aan het belang der Reuzen verbonden gevoelen; [6] en uit verschillende aanduidingen in het bestaande fragment aanwezig, blijkt, als door D.C. is opgemerkt, dat Elpine in bloedverwantschap moest staan tot Segol, het opperhoofd der Kaïnieten, die, zoover als het dichtstuk loopt, voorkomt als de gelukkige handhaver des menschdoms, tegen de overmachtige dwingelandij der Reuzen; die, in dezen kamp kennelijk door God beschermd zich gezind toont Hem te dienen, en, daar waar het fragment eindigt, op het punt staat eene goddelijke openbaring te ontvangen.

Nu is het hoofddenkbeeld van D.C. ter aanvulling van het geheel: dat het kind waarvan Elpine zwanger is bij den aanvang van dezen Epos, een der voornaamste rollen daarin vervullen moet; dat Elpine zelve, in het ontwerp des dichters, bestemd was te sterven bij het ter wereld brengen van dat kind; dat het zou worden opgevoed door Segol, haar halven broeder van moederszijde, en door Zilfa zijn echtgenoot; terwijl dit deugdzaam en godvreezend paar, na de volslagen nederlaag en bijna geheele uitroeiing der Reuzen, onder eene voorspoedige regeering, vrede en godsvrucht over de geheele Aarde, wier troon het beklom, zou doen bloeien: dat dit kind evenwel, tot jongeling opgegroeid, door zijn wraakzuchtigen vader tot de snoodste ondeugd en tot ondankbaarheid jegens zijn pleegouders zou worden opgeleid, om Segol van den troon te stooten en het gansche menschdom, met het inmiddels weder aangegroeide geslacht der Reuzen, in een algemeenen afval van God te wikkelen en tot den lang beraamden aanval op Eden te vereenigen; bij welks verdediging Segol, doodelijk gewond, met zijne echtgenoot, in den inmiddels ter stuiting van den hemeltergenden aanval uitgebroken zondvloed, om zou komen.

Ik vrees niet van bedilzucht beschuldigd te worden, wanneer ik zeg, dat er bij mij gewichtige bezwaren tegen dit denkbeeld bestaan, die het mij onmogelijk maken aan te nemen, dat hiermede het ontwerp des dichters in zijn voornaamste trekken is teruggegeven.—Ik mis vooreerst, en in de voornaamste plaats, die eenheid, die, volgens D.C. zelf [7] overal "maar vooral in zijn Epos het karakter van Bilderdijks streven, aanleg en geest was." Er zijn hier blijkbaar twee heldendichten: het eene bezingt de overwinning op de Reuzen door Segol behaald en zijn verheffing ter wereldmonarchy: het andere zijn val in verband gebracht met de bestorming van Eden. Dat in het begin, in eenige verzen, van het voornemen tot dien aanval gerept wordt, vormt geen band, die de beide onderwerpen tot een geheel vereenigt, waarvan de behandeling, D.C. erkent het zelf, [8] door "een pauze" is vaneen gescheiden; omdat dit voornemen zoo lang op den achtergrond rust, en van geen den minsten invloed is op al de gebeurtenissen, die het eerste onderwerp tot een besliste uitkomst leiden.

Ook valt de gerektheid, zooals D.C. zich dien Epos voorstelde, in het oog. Of de dichter had de dorheid der kroniekschrijvers moeten aannemen, of aan zijn werk eene uitgebreidheid geven, die niet binnen de grenzen viel van den klassieken Epos, zooals Bilderdijk zich dien voorstelde, maar veeleer een dier indische Epopéën nastreefde die het getal harer verzen bij tienduizenden tellen. Het gedicht zou een geschiedverhaal behelsd hebben van hetgeen in het laatste tijdperk vóór den zondvloed op aarde was voorgevallen; geen episch drama had het voorgesteld: en dit te minder, omdat de trage ontwikkeling der gebeurtenissen, zich door verschillende levensperioden derzelfde personen uitstrekkend, er een zekere "slaperigheid"—het woord is van Bilderdijk—aan zou gegeven hebben.

Een ander hoofdgebrek in dit plan had, dunkt ons, den indruk van het geheel benadeeld: het gemis van een bevattelijke en het hart bevredigende théodicé. Immers zou, volgens dat bestek, de deugdzame koning Segol, die met zijn deugdzame echtgenoot de aarde gelukkig maakte en tot de kennis van den waren God terugbracht, niet alleen ten gevolge van den opstand tegen dien God van den troon gestooten zijn, maar in de algemeene strafoefening door die misdaad verwekt, niet al de opstandelingen zelven, zijn omgekomen.

Nog minder waarschijnlijkheid toont het bedoeld ontwerp, wanneer wij het met het program dat Bilderdijk zelf in zijn voorrede [9] van zijn plan geeft, vergelijken. Wij hooren hem spreken van dit plan en van "de menigte van Epizodes of byverdichtsels die het insluiten moest, en wier nauwe aaneenschakeling eerst volmaakt in de geheele samenvloeiing mag blijken," en van "de algeheele verwikkeling, die van oogenblik tot oogenblik groeien moet, en hare ontknooping ineens bereikt, als het oogenblik der verdelging daar is," enz. En nu was het van D.C. noch van iemand te vergen, dat hij die Epizodes raden zou, waarvan de personen misschien zelfs nog niet genoemd zijn in het onafgewerkte gedicht; maar het blijft niet te min waar, dat deze woorden, vooral de laatste, iets vrij wat ingewikkelders voorspellen, en iets geschikters om zoovele invlechtingen te ontvangen, dan het zoo effen en eenvoudig verhaal dat D.C. den dichter toeschrijft.

Maar zelfs strijdt het door D.C. uitgedachte ontwerp in sommige opzichten met het afgewerkte gedeelte van het gedicht, en met hetgeen B. er van zegt in zijne voorrede. Zoo kennen wij uit B. den Paradijsgeest, minnaar van Elpine, als een hartstochtelijk wezen, dat alleen door overmaat van liefde voor haar en voor het kroost dat hij van haar wacht, een roekeloos voornemen opvat, waarvan het uitspreken alleen hem bijna bezwijken doet onder een geheimzinnige wroeging. [10] Bij D.C. wordt hij een toonbeeld van kwaadaardigheid, die een boosaardig plan jarenlang kan doen rijpen, om het eindelijk door dien zoon van zijn geliefde Elpine, die hij daartoe tot een zedelijk monster vormt, te doen uitvoeren: een plan waarvan niets blijkt in de bestaande zangen; daar integendeel, op de eenige plaats waar van dit voornemen tot opstand gesproken wordt, de woorden van den Paradijsgeest iets geheel anders doen verwachten. [11] Hij zegt daar tot Elpine, van de Reuzen sprekende:

Het lot der dierbre vrucht, die mij uw schoot belooft,Verbindt me aan hun belang: Ik stel mij aan hun hoofd:Hun zal ik en die Gâ, die 'k eeuwig zal beminnen,Het erfgoed van hunn' stam, het Paradijs herwinnen.

Daarbij komt, dat dit geheele hoofddenkbeeld van D.C. omtrent de rol door dien zoon van Elpine in het gedicht te vervullen, en van het afschuwelijk verraad door hem jegens zijne pleegouders te bedrijven, geheel gebouwd is op de blijkbaar verkeerde opvatting eener plaats voorkomende in den IIIen zang, vs. 359, volgg. Aldaar wordt, onder zekere teekenen, die in het leger der Kaïnieten gezien waren, of althans "geloof" vonden, [12] na andere wonderen ook dit vermeld:

Een slang ontsprong aan 't ei waarop de stroomzwaan broedde;

en D.C. past dit toe op Segol, die het kind van Elpine als een slang aan zijn boezem zou opkweeken; terwijl het daarentegen, voor die met aandacht die plaats in haar geheel verband leest, blijkbaar is, dat de mare dier voorteekenen, wel verre van iets zekers of waars te beduiden, door "het kroost der List," [13] d.i. de duivelen, onder het leger verspreid is.

Een anderen strijd vindt men tusschen het ontwerp van D.C. en hetgeen B. zelf in zijne voorrede [14] zegt: dat men zich niet licht uit dit voorgedeelte een denkbeeld zal maken "wat gewichtige rol de ongelukkige Elpine of haar hooge minnaar te vervullen heeft". Hoe toch kon B. de rol van Elpine gewichtig noemen, indien zij verder in het gedicht tot niet anders bestemd was, dan om een kind ter wereld te brengen en in het kraambed te sterven?

Zoo ook wanneer B. t. a. p. het als moeielijk voorstelt, "zich een denkbeeld te maken van hetgeen hij met Segol en zijne Zilfa voorhad," schijnt hem wel iets anders voor den geest gestaan te hebben dan het doodeenvoudig denkbeeld van Segol, die reeds in dit voorgedeelte als Koning der Aarde gehuldigd is, op dien troon lang en voorspoedig met zijn echtgenoot,—die volstrekt geen rol vervult,—te doen regeeren.

Zonder twijfel is Segol de held van dezen Epos, de persoon om wien alles zich heenwendt. Is er geen hoop dat men het raadsel oplosse dat B. ons omtrent hem gesteld heeft, dan is het zeker, dat men naar den inhoud van het geheel vruchteloos zal blijven raden.

Het schijnt dan alleen mogelijk in dien doolhof een draad te vinden, indien de Oudheid ons een persoon heeft voorgesteld, die voor de verbeelding des dichters heeft kunnen staan bij de beraming van zijn werk: zoodat men uit de bijzonderheden aangaande dien persoon ons bekend, in verband gebracht met de voorbeduidsels in het onvoltooide gedicht gestrooid, naar de verdere bedoelingen des dichters zou kunnen gissen.

Bilderdijk noemt zelf de overlevering waaraan hij het voornaamste denkbeeld van zijn gedicht ontleende, in zijne voorrede: [15] "eene oude mythologie": hij vergelijkt zijn onderwerp [16] met "de heidensche fabel der Hemelbestormers": zijne Paradijsgeesten vervullen de plaats der grieksche mythologische goden. [17] En er zijn plaatsen aan te wijzen waarin de vindingen des dichters aan de grieksche mythologie ontleend schijnen;—als b. v. waar de onderlinge slachting in het kaïnietische leger den broederkrijg voor den geest roept, die het uit de aarde ontstane volk van Cadmus tot op een gering aantal doet versmelten. [18] Zoo heeft hij dan zijn gedachte kunnen vestigen op een belangrijk mythologisch persoon, die ten nauwste met de verdichting van den reuzenstrijd in verband stond:—op Prometheus:—en nu blijkt het dat, bij het schrijven van zijn heldendicht, een der schoonste gedenkstukken der Oudheid, dat dezen persoon ten onderwerp heeft, hem voor den geest stond, de Prometheus van Eschylus.

Twee plaatsen wilden wij vooral uit dit treurspel aanwijzen, waarvan de woorden, naar 't schijnt, in de herinnering van onzen dichter levendig waren bij de bewerking van zijn Epos. De eerste is, waar, in Eschylus, de Rei der Oceanitische nymfen gewaarschuwd wordt, zich niet roekeloos met Prometheus in 't verderf dat hem wacht te storten [19]:

Zegt dan nimmer,Dat u Zeus in een niet voorzienbaar leedNedergestort heeft: neen, gij zult danWetens, en niet bij verrassing gevangen,In 't onontwarbare net des verderfuursU verwikklen, verstrikt door uw dwaasheid.

Van deze plaats vindt men een weêrklank terug in het slot der toespraak, waar onze dichter de dochters van het geslacht van Seth verwijt, dat zij zich het verderf van den stam van Kaïn eigen maakten: [20]

En zwoert ge uw God niet af, voor 't minst gy sloot Hem 't Hart,En blindlings stort gy 't hoofd in 't net dat u verwart.

De andere plaats is die waar Iö verhaalt, hoe zij het eerst tot de liefde van den god die haar rampzalig maakte, getrokken was: [21]

Gedurig zweefden nachtgezichten om mij heen,Op 't maagdlijk leger; die, met fluisterende stem,Dus tot mij spraken: o volzalig maagdelijn!Hoe blijft ge uw staat bezwaren, daar de heerlijkste echtU werd beschoren? Immers door een pijl der LustMoest Zeus voor u ontgloeien; en der minne jukMet u vereend te dragen is zijn wensch. Doch gijVersmaad, o kind! dit hooge huwlijksleger niet;Maar ga waar Lerna op haar welig grastapeetDe driften weidt uws vaders. Dat uw aanblik daarHet godlijk oog verblijde dat u smachtend zoekt.

Met vindt hier als den oorsprong van hetgeen onze dichter van Elpine zingt: [22]

Zy zucht om de onschuld van haar kindschheid: om 't gemisVan 't geen haar dierbaar bleef, maar onherroeplijk is;Zucht om 't noodlottig vuur, 't betoovrend van een weelde,Die eerst in zoeten droom 't onwillig harte streelde;Daarna door wonderkracht, der menschheid veel te hoog,Haar overstelpte en dwong, en aan zich zelve onttoog.

Maar de geheele persoon van Iö, de tweede hoofdpersoon in het treurspel van Eschylus, heeft overeenkomst met die van Elpine; en dit kan geene bevreemding wekken, wanneer men bedenkt, dat haar verhouding tot den Paradijsgeest, die haar door zijn min rampzalig gemaakt heeft, dezelfde is als die van zoo vele sterfelijke vrouwen, waar de grieksche mythologie van gewaagt, die tegen haar wil door de goden bemind zijn, en wier toestand zoo aangrijpend door Eschylus in Iö is voorgesteld. Men vergelijke b.v. de treffende plaats in den Ien zang, vs. 462, volgg, met plaatsen als deze in Eschylus [23]:

Gij kent de kwaal die mij verteertEn voortdrijft met haar rustelooze prikkels.Zoo zwichte ik, uitgehongerd door mijn woesten loop,Helaas! voor d'ongestuimen zinDie mij vervolgt. Waar zijn op aard'Rampzaalgen mij gelijk te vinden?

Of waar, nadat in een aanval van woede de wanhopige Iö het tooneel verlaten heeft. [24] het daarop volgend koorgezang het geluk van den sterveling die met zijns gelijke paart, bezingt en het lot van door Zeus bemind te worden afbidt.

Ook die troostende toespraak die Elpine uit het "boomloof" als toewaait [25], herinnert de vertroostende ontmoeting die Iö te Dodone bejegent: [26]

Waar 't onbegrijplijk wonder van der eiken taal:

(zoo herinnert haar Prometheus:)

U onverholen als de wijdberoemde GâHeeft toegesproken, die met Zeus gepaard zal zijn.

En de zoo aandoenlijke uitstorting van wanhoop, die wij bij B. (ald. vs. 501, volgg.) lezen, vinden wij bij Eschylus in uitdrukkingen als deze [27]:

Uw vlam verteer me, of de aard verzwelge mij;Of 'k zij een prooi der zeegedrochten.Verwerp, o God! mijn bede niet.Te lang reeds heb ik omgedoold;En 'k zie niet waar 't mij is vergundZooveel smart te ontvluchten.

[28]Wat wacht ik nog van 't leven? waarom stort ik nietMij zelve neder van de steile rots?Waar, op den grond verpletterd, ik van al mijn weeBevrijd zou zijn 't Is beter eens voor al den doodTe ontmoeten dan dat leed van elken dag.

Men vindt bij de beide in kracht wedijverende dichters wel niet dezelfde woorden, maar de vlucht der tragische wanhoop in de beide personen, die zij als onder een voor den sterveling onweerstaanbare macht bezweken opvoeren, is dezelfde.

Eer ik tot de beschouwing van den persoon van Prometheus overga, moet ik nog op het verband wijzen, waarin de persoon van Iö, in het stuk van Eschylus, tot hem staat; omdat, indien de overlevering juist is die tot mij kwam, een dergelijk verband, dat tusschen Segol en Elpine bij B. zou bestaan hebben, een treffend bewijs te meer moest leveren, dat B. het treurspel van Eschylus voor den geest zweefde. Ik bedoel de voorspelling die in den Prometheus voorkomt, dat het een der afstammelingen van Iö zijn zou,—namelijk Hercules, de groote beschermer der menschheid,—die Prometheus eenmaal van zijn vreeselijke foltering zou verlossen: [29] en nu is mij door iemand, die het voorrecht genoot van lang en zeer vriendschappelijk met B. om te gaan, in vroeger jaren medegedeeld, dat Elpine, volgens het denkbeeld des dichters, bestemd was om met haar vrucht in het Paradijs aan den dood onttogen te worden, en dat het onsterfelijk wezen door haar te baren in een zeker verband zou staan tot de menschwording des Heilands der wereld, of, zooals het mij aannemelijker voorkomt, tot zijn verzoeningswerk ten opzichte van het menschdom der eerste wereld, waarop B. reeds doelt in den Ien Zang, vs. 47, volgg. Maar liever dan hier verder in te treden geef ik toe aan de vrees van, door een verkeerde opvatting of onjuiste herinnering, iets aan den oprecht gemoedelijken dichter toe te schrijven, omtrent een punt, waar hij zelf misschien geschroomd heeft, een al te stouten blik, dien hij in de geestenwereld geslagen had, vol te houden.

Wanneer men het eerst den persoon van Segol met dien van Prometheus in vergelijking brengt, dan stuit men op een verschil. Immers is de held van B. een mensch, de gelukkige bestrijder der Reuzen, die later als de hoofdaanvoerders der Paradijsbestorming zullen optreden. Prometheus is van hetzelfde geslacht als de Titanen, die de goden op den Olympus aanvielen. Maar in Eschylus vinden wij spoedig eene overeenkomst, daar volgens het verhaal dat Prometheus bij hem doet, [30] de aangevallen goden, alleen door zijn wijzen raad geleid, de Titanen overmochten even als, in onzen Epos, de menschen, door de krijgskunst van Segol voorgegaan, de overmacht der Reuzen gelukkig bestrijden.

Ook staan, in de grieksche mythologie, de Titanen tot de goden in eene andere verhouding, dan bij B. de Reuzen tot de Paradijsgeesten. De Titanen zijn zelven goden, en van een ouder en sterker geslacht dan de goden die onder Zeus regeeren; de Reuzen van B. zijn de afkomst der Paradijsgeesten, en als zoodanig door hen beschermd en geliefd:—en uit dit verschil van verhouding ontwikkelt zich de voorname overeenkomst, die men tusschen Segol en den éschyléïschen Prometheus opmerkt. De hoofdtrek van Prometheus is, dat hij de weldoener der menschen en daarom bij de goden gehaat is: [31] zoo is Segol, als de beschermer der door de Reuzen verdrukte menschheid, haar weldoener, en juist om die reden aan den haat blootgesteld der Paradijsgeesten [32] In 't vervolg van het gedicht zou Segol nog meer, door zijn weldadigen invloed en schrandere vonden ter behoeding der menschheid, zijn overeenkomst met Prometheus hebben getoond. Men herinnert zich dat B. in zijne voorrede [33] zegt, dat hij "byzondere redenen" gehad heeft "om de zeldzaamheid van het staal, het nog niet invoeren van het gebruik des paards, en dergelijken meer, te veronderstellen." Segol namelijk moest, in den loop van het gedicht, de verbeterde aanwending en de zuivering der metalen, door middel des vuurs, aan de menschen leeren, en reeds vindt men een toespeling daarop gemaakt in den IVen Zang, vs. 323, volgg. Prometheus, als degeen die de menschen tegen den wil der goden met het vuur begiftigde, wordt bij Eschylus voorgesteld als de uitvinder aller nuttige kunsten, en ook in 't bijzonder van de behandeling der metalen [34] Ook door hen in het temmen der dieren, en in 't bijzonder der paarden, te onderwijzen, had hij zich verdienstelijk bij hen gemaakt: [35] en zoo zoude ook deze vond in 't vervolg aan Segol zijn toegeschreven. Immers komt het natuurlijker voor, dat de menschen hierdoor hun gesteltenis tegenover de Reuzen zouden hebben verbeterd, dan met D. C. [36] aan te nemen, dat die reeds overmachtige wezens op paarden "als Centauren" zouden te voorschijn zijn gekomen;—maar, naar het voorkomt, als wanstaltige en half belachelijke Centauren; tenzij men ook een reusachtig en aan hun gestalte geëvenredigd geslacht van paarden zich voorstelle.

Op het eind van den IVen Zang van den Epos, doet de dichter een gedeelte van Segols leger door de pest aantasten: men doorziet nog niet, met welk oogmerk. Het kan zijn, dat ook hier Segol, door goddelijke wijsheid en krachten bijgestaan, moest uitkomen bij de genezing, en ook in dit opzicht stelt Prometheus, bij Eschylus, zich, als verdrijver der ziektekwalen der menschen, en dus als hun weldoener voor. [37]

Maar vooral wordt de overeenkomst treffend, wanneer men zich herinnert, dat Prometheus bij Eschylus daarom vooral als bij der goden opperhoofd gehaat en gevreesd wordt voorgesteld, omdat hem bekend is, wie eenmaal de regeering van Zeus en der zijnen met eene onweêrstaanbare kracht zal te niet doen, en hij daarom op de macht van Zeus, als op iets voorbijgaands en kortstondigs, neêrziet [38]; terwijl de Segol van B., na eerst voor de dienst der goden die in de lucht heerschen, en wier vereering de Paradijsgeesten zich aantrekken, [39] onverschillig geweest te zijn, die eindelijk veracht, omdat hij een grooter en machtiger God heeft leeren kennen, voor wien de gansche wereld bukken moet. Zegt dan Prometheus bij Eschylus: [40]

Gaat, bidt, demoedig smeekend, elk gebieder aan!Door mij wordt Zeus nog minder dan een niet geacht.Hij moog zich machtig toonen voor een korten tijd,Zooveel hij wil: beklijven zal zijn rijksmacht niet.

Wij hooren den weerklank bij Segol: [41]

Doch hoort me, en offert thands geen mindren Hemelmachten,Geen stargevonkel, doof voor menschelijke klachten;Maar 't Wezen dat omhoog op al wat is gebiedt:Hem eere onze outerdienst! De luchtgoôn achte ik niet.

en waar hij dus spreekt: [42]

—ijdle spoken, Vergaan zy die voortaan op uwe altaren rooken!

Heeft nu, bij liet ontwerpen van het beeld van den weldoener des menschdoms op aarde, en des bestrijders der hemeltergende Reuzen, de persoon van Prometheus Bilderdijk voor den geest gestaan, zooals ik meen, dat verschillende samenloopende trekken aanwijzen; dan is het geen wonder, dat hij daarbij ook gedacht heeft aan eene bijzonderheid dezen mythologischen persoon betreffend, die wel van Eschylus niet vermeld, maar zoo algemeen bekend is, dat men nauwelijks aan Prometheus denken kan, zonder zich deze te herinneren, ik bedoel de fabel, die wij reeds bij Hesiodus, in de Werken en Dagen, [43] vinden, volgens welke de weldaden door Prometheus aan de menschen bewezen, verijdeld werden door de tusschenkomst eener vrouw, die de goden, om hem te verschalken, met allerlei gaven en bekoorlijkheden begiftigd hadden. Deze vrouw, deze Pandora, zag, indien ik mij niet bedrieg, B. in Zilfa; en hij had haar zoodanig karakter gegeven, dat zij eenmaal, in de hand van hoogere wezens, het noodlottige werktuig kon worden om Segol ten val te brengen, en wat hij voor de menschen deed onvruchtbaar te maken tot hun behoud. De eerste schakels dezer keten zijn, om zoo te spreken, gesmeed in het bestaande gedeelte van het gedicht, het bezit van Zilfa wordt Segol ontnomen, en hij ontvangt een onvolledig en afgebroken bericht, dat zij uit de verwoesting, die haar verblijf getroffen heeft, "gered is". [44] Is mijn vermoeden gegrond; heeft het gezag der Paradijsgeesten, als van goden, de woede der Reuzen, op welke wijze dan ook, beteugeld, en Zilfa, als eene Iphigenia, aan het offerfeest door hen bereid onttrokken, om in haar een middel machtig te worden ter omzetting van het hart van Segol, wanneer zij het noodig zullen oordeelen; dan is het ook eene dankbare verdichting, dat het in de macht dier bovenmenschelijke wezens lag, Zilfa tot het uitoefenen van dien invloed door bijzondere gaven bekwaam te maken. Hiertoe moest het karakter van Zilfa medewerken, en zooals wij zeiden, de sporen der zwakheid, die haar en haar echtgenoot noodlottig zullen zijn, zijn reeds duidelijk aanwezig in hetgeen wij van het gedicht bezitten. Die zwakheid moest Segol de aanleiding worden tot het begaan van een enkelen, zijn groot karakter niet onwaardigen en niet onvergeeflijken misstap, maar van de ontzettendste en de verst grijpende gevolgen. Voorbeduidsels dezer rampen vinden wij in de droomgezichten, die, op onderscheidene plaatsen van den Epos, aan de beide echtgenooten voorkomen. Het een en ander verdient eene nadere beschouwing.

Het karakter dezer twee personen en hunne verhouding tot elkander heeft de dichter zeer duidelijk uit doen komen in hun gesprek, door hem in den IIIen Zang [45] geplaatst. Segol, tot het koningschap der Aarde verheven, vat dadelijk het voornemen op om de Reuzen in de bergachtig noordwaarts gelegen streek van Arbal, van waar zij hun uitvallen op de nog door de Kaïnieten bezeten landen doen, te gaan bestrijden. Maar de zorgen die hem als koning en veldheer bezig houden, doen hem zijn echtgenoot Zilfa niet vergeten, aan wie, schoon hij haar bijzijn aan zijn gewichtige plichten op kan offeren, hij eenig en op het teederst gehecht is. Hij vreest dat, indien hij haar in het meer zuidwaarts gelegen Bethur, zijn vaderlijk gebied, achterlaat, zij aan een dier onverhoedsche aanvallen des erfvijands bloot zal staan, als reeds in vroeger tijd dit landschap getroffen hebben: hij wil haar dus in een verafgelegen burcht, in de landpalen van Seth, in veiligheid doen brengen. Op het vernemen van dit besluit wordt Zilfa, verre van zijne zorgzame liefde te erkennen, door eene jaloersche achterdocht aangegrepen, meenende dat hij haar van de hand wijst, omdat zijn liefde tot haar verflauwd is; en zij gaat zoo verre in hare veronderstelling, dat zij zich bereid verklaart, liever dan zijn bijzijn te missen, het huwelijksbed met de haar, als zij waant, voorgetrokken echtgenoot te deelen. Segol stelt haar met waardigheid en teederheid gerust, maar laat zich niet van zijn voornemen afbrengen, en eindigt met als koning te gebieden wat hij tot haar welzijn beslist heeft, en waarin zij, alles behalven tevreden berust. Dit gesprek, dat, vooral in de persoon van Zilfa, juist niet uitblinkt door een hoog epischen toon, zou noodeloos den gang van het verhaal storen, indien hier niet de kiem gelegd was der gebeurtenissen, die zich uit de jaloerschheid van Zilfa en de vurige liefde van haar gemaal tot haar, onder den invloed der in dit gedicht handelende bovenmenschelijke wezens, moesten ontwikkelen. Maar wij moeten, eer wij die gebeurtenissen in hare voorbeduidsels aangekondigd zien, nog een oogenblik bij deze zeer samengestelde epische machine stilstaan.

Wanneer wij onze aandacht vestigen op het ons in dezen Epos voorgestelde Geestendom, dan vinden wij: vooreerst den minnaar van Elpine, den in het apocryfe boek van Henoch, door Bilderdijk in zijn voorrede aangehaald, [46] als aanvoerder der Paradijsgeesten genoemden Séméïxas (of Semeaza), die in zijn hart zwanger gaat van het nog niet aan zijne broeders medegedeelde denkbeeld, van Eden, aan het hoofd der Reuzen, met geweld te herwinnen:—vervolgens, de Paradijsgeesten zelven, die, uit wrevel om hun verbanning uit Eden en uit vrees voor het behoud van de uit hun gesproten Reuzen, voor het meerendeel zich niet ongenegen toonen om, ter bestrijding der tegen het gebied der Reuzen opgestane Kaïnieten, met de Hel in bondgenootschap te treden, terwijl sommigen nog weifelen, en alleen de zachtzinnige Fuäl dit denkbeeld volstrekt verwerpt en verafschuwt; [47] en eindelijk de Helsche Geesten, van welke, zoover het gedicht loopt, nog slechts een voorpost, door Satan op aarde uitgezet, ons vertoond wordt, en onder wie een zekere tweespalt heerscht: daar sommigen bloot door moord en verwoesting de verdelging van het menschelijk geslacht beoogen, terwijl anderen, en de meest door hun opperhoofd geachten, door list dit verderfelijk doel zekerder meenen te bereiken. [48] En nu mogen wij hieruit opmaken, dat wanneer eenmaal, door den loop der gebeurtenissen gedrongen, de Paradijsgeesten zich tot verdediging der meer en meer bedreigde Reuzen nauwer aan die Duivelen aansluiten, het middel door hen beraamd, om Segol tot het belang der Reuzen over te halen, uit zal loopen op het verderf der Reuzen zelven en van heel het menschelijk geslacht.

Zoo ontdekt men met eenige waarschijnlijkheid de beteekenis der voorbeduidsels, die in den loop van het gedicht, de beide echtgenooten treffen. Zilfa, [49] in de beslissende nacht, die de ten troon verheffing van haar gemaal voorafgaat, ziet eerst halfwakend, "in mijmering verzonken," woede en moord" die haar bedreigen. Het is de aanval der Reuzen op haar verblijf te Bethur. Daarna, zich zelf "voor 't outer keelen". Dit is het offerfeest der overwinnende Reuzen, waarin zij zelve voor het outer ten offer bestemd zal zijn. Eindelijk "den donder die haar Ega 't hoofd verplet": het is de wraak der op de sterren en in de lucht heerschende [50] Paradijsgeesten, om de nederlaag van hun Reuzenkroost op Segol verbolgen. Maar in een "droom" vervallen, dringt haar gezicht in de verdere toekomst. Zij ziet zich met haar echtgenoot in een woestijn verlaten; het bloed van den door monsters aangegrimden en mishandelden Segol op haar kleven, en zich zelve met hem in de ontzettendste natuurtooneelen, waarin men duidelijk den zondvloed erkent, omkomen.

Ook Segol ontvangt zoodanige waarschuwende teekenen. [51] Eerst, naar 't voorkomt, als werktuig bedoeld door den listigste der Hellegeesten (Sadrach), die in de gedaante van zijn voorvader Hanoch hem verschijnt, en in zijn slaap aanspoort om, na den val van zijn broeder Argostan, naar de opperheerschappij der Aarde te staan, slaagt hij in dit voornemen. Hij wordt door het volk gekozen, met een snoer (let wel!) aan de altaren der valsche goden ontleend gewijd; en beschouwt zich daarna als regeerend door den wil des volks, en, als dien wil vertegenwoordigend, tot aller gehoorzaamheid gerechtigd. [52] Maar zoodra hij onder zijn oorlogsbedrijven, in een kommervolle nacht, door het hooren van een offerzang van Seth, schoon hem die door zijn bloedverwant Regol, een onverschilligen wereldling, wordt voorgedragen, kennis ontvangt van den eenigen waren God, voelt hij zich gedrongen om dien God alleen alle oppermacht op Aarde toe te kennen, en den dienst der Luchtgoden, die hij even als zijn broeder altijd met weêrzin heeft aangezien, te verwerpen. [53] Ook hem wordt het dan in een droom vergund een blik in de toekomst te slaan. [54] Het beeld van Hanoch verschijnt hem opnieuw; niet met de trekken der afgeleefdheid door den Duivel aangenomen, maar als der onsterfelijkheid deelachtig, stralende van heerlijkheid, en hem den zegen des Hemels op zijne bekeering met opgeheven handen verkondigend;—maar dit licht wordt onderschept, door "een nachtzwerm van gevogelt", die de verleidingen van booze machten voorstelt, waardoor zijn ziel weder verduisterd zal worden; en hierop eindelijk volgt de voorstelling der wroeging en der mishandeling, die uit dien val voort moet vloeien, door slangenbeten verbeeld, die zijn hart pijnigen,—"dat steeds aangroeit onder 't leed":—met kennelijk terugzicht op de foltering van Prometheus.

Wanneer men nu gissen wil, langs welk eene reeks van gebeurtenissen de dichter ons tot die uitkomst zou geleid hebben, dan moeten wij eerst den blik op zijn tijdrekenkunde slaan, om eenigszins te bepalen, op welk een afstand wij ons nog van den zondvloed bevinden: eene beschouwing die, naar het mij voorkomt, door Da Costa te veel is uit het oog verloren. Het blijkt ons dan, dat daar waar de dichter de naaste wereldgebeurtenissen ophaalt, die het begin der handeling door hem bezongen zijn voorafgegaan, [55] hij ruim twee eeuwen achteruit treedt; dat is tot dien Aartsvader onder wien het apocryfe boek aan Henoch toegeschreven het ontstaan der Reuzen vermeldt. Maar daar waar de handeling die het eigenlijk onderwerp van het gedicht uitmaakt, begonnen is [56] wordt gezegd, dat reeds "zes geslachten" na Adam zijn voorbij gegaan: hiermede worden wij verplaatst onder het geslacht van Methusalah, die elders [57] als de opvoeder van Elpine genoemd wordt, en die, volgens de tijdrekenkunde van het O. V., in het jaar zelf waarin de zondvloed uitbrak, gestorven is. Zoodat men als waarschijnlijk kan stellen, dat waar de epische handeling begint, men zich op geen verwijderd tijdstip van de groote omkeering bevindt.

Om dit nog juister te beseffen moet men zich herinneren, dat waar de dichter op de twee voorgaande eeuwen een blik slaat, hij tot vijf onderscheidene historische tijdvakken doorloopt, die elk vele jaren behoefden tot hun afloop. Het 1e, van het verschijnen der Reuzen op Aarde uit de noordelijke streken, meermalen Arbal genoemd, en hun allengs zich van daar verheffende macht:—het tweede, van hun uitval uit die streken, gevolgd van de vermeestering van Hanoch, de hoofdplaats van het Rijk der Kaïnieten, en van de verwoesting van het dal van Hemath, de schoone landstreek zich zuidwaarts uitstrekkende naar Bethur, het vaderlijk verblijf van Segol;—het 3e, van de terugwerking der Kaïnieten tegen deze overweldiging en van oorlogvoering tegen de Reuzen, tot deze in het Noorden worden teruggedrongen;—ten 4e, van een vijftigjarigen vrede en van een vernieuwden voorspoed voor de Kaïnieten, met wie het versmeltend overschot der met hen in afgoderij vervallen Sethieten zich vereenigd heeft:—en eindelijk ten 5e, van een nog geduchteren inval der Reuzen: waardoor Hanoch opnieuw veroverd wordt met het land tot aan de Nilho, terwijl het aan de andere zijde van dien stroom gelegen dal van Hemath met Bethur telkens gedreigd en geteisterd wordt door de macht der Reuzen, die zich nu voor goed in het Oosten gevestigd en Hanoch tot zetel heeft, eenige beschaving heeft aangenomen, althans het genot der weelde heeft leeren kennen, en van daar het lot der cijnsbaarheid aan haar gezag aan de gansche Aarde op wil leggen.

Hier volgen dan de gebeurtenissen waar het eigenlijk onderwerp van den Epos zich aan vastknoopt, en die men aandachtig in het fragment volgen moet, zal men zich een juist denkbeeld maken van de voortzetting van het geheel. Tegen de tyrannieke eischen der Reuzen is het dat Segols broeder van moederszijde, Argostan, aan het hoofd van een Kaïnietisch leger zich verzet. Maar hij bezwijkt in een oproer en onderlinge slachting, onder zijn leger, door zijne oneerbiedigheid jegens de afgoden, verwekt; en Segol volgt hem op, door het volk daartoe gekozen, dat zelfvernietiging vreest uit de onderlinge twisten. De krijgsbedrijven van Segol, tegen Arbel, het broeinest der Reuzen, gericht, vervullen grootendeels het overige van het epische fragment. Het behelst zijne eerste overwinningen, door krijgskundig beleid op blinde kracht en woede behaald; de vreugde over dit voordeel gestoord door een aanval, achter zijn leger om uit het Zuiden volvoerd, waardoor Zilfa hem ontroofd wordt; zijn besluit om aan het hoofd van een gering aantal strijders heimelijk zich naar Bethur te begeven, dat op die wijze verras is; zijn tocht daarheen en zijn ontmoeting met de jagers uit het Westen, die zijn dagvaarding als hulptroepen had opgeroepen; maar waarvan hij de helft, met zijn keurtroep door de pest aangetast, aan de oevers van den Frath achter moet laten, terwijl hij met de andere helft stuit op den zegevierenden hoop der Reuzen, die Bethur geplunderd heeft, maar door hem overwonnen en verstrooid wordt. Zoo is dan het leger der Kaïnieten, daar waar het fragment eindigt, op drie plaatsen verspreid: als ten 1e, het gros van het leger dat in het dal van Hemath is teruggebleven; ten 2e, de door de pest met de jagers gedeeltelijk aangetaste keurtroep, die bij den Frath is achtergelaten, en ten 3e een gering gedeelte van die strijdkrachten, die met de Reuzen, die het Zuiden geplunderd hebben slaags geweest is. Het is na dien slag, dat Segol, als hij voor deze zijne krijgsmacht volmondig het oppergezag van den Eenigen God erkend heeft, voor aller oogen in een meer dan menschelijk voorkomen verheerlijkt wordt en, waarschijnlijk, tot een hooger aanschouwing der waarheid hemelwaarts wordt opgenomen; waaruit men mag afleiden, dat het in de bedoeling des dichters lag, hem na dit gezicht, dat de onsterfelijke pen niet ten einde toe beschreven heeft, op een ander tooneel te verplaatsen.

De veronderstelling biedt zich aan, dat door deze verplaatsing de held in aanraking gekomen zou zijn met Noach, naar wiens ontmoeting hij het verlangen reeds geuit heeft [58]; welke opwelling van Segol Bilderdijk in zijn voorrede [59] heeft aangeduid, als een voorbereiding om Noach te doen "optreden." Men moet evenwel dit woord, naar alle waarschijnlijkheid, niet opvatten in dien zin, alsof de Aartsvader zelf gemengd zou zijn geraakt in de gebeurtenissen, die de zanger zich voorstelde te doen hooren. Het blijkt uit de aanwijzing, aan Segol gedaan [60], der woonplaats van het aartsvaderlijk gezin, dat het zich niet meer in de gemakkelijk te bereiken landpalen van Seth, aan de Westkust der Aarde, maar aan den tegenovergestelden kant, op het hooge gebergte achter de velden van het door de Reuzen onveilige Arbal bevindt; waar het, van het menschdom afgezonderd, bijkans vergeten leeft. Men kan zich voorstellen, hoe de Aartsvader, als later met Abraham geschiedde, om niet in de afgoderij zijner stamgenooten te vervallen, verre van hen is afgeroepen, onder een geheel hem vreemde, doch voor hem niet gevaarlijke woestheid: en de dichter heeft aanleiding gevonden tot die voorstelling in het door hem vermelde apocryfe boek aan Henoch toegeschreven, waar God den Aartsengel Uriël tot Noach zendt met den last: "zeg hem in mijnen naam: verberg u zelven: en maak hem het naderend einde bekend, dat geheel de aardbodem vergaan zal." [61] Ook valt het niet moeielijk wanneer men het door den dichter ontworpen kaartje van de, ik mag zeggen, door hem geschapen eerste wereld inziet, te bevroeden, dat zich op de N. Oostelijke kust dier wereld de geschikte bosschen bevonden, op de teekening afgebeeld, die tot den bouw der Arke geschikt waren.


Back to IndexNext