DERDE ZANG.

Maar 't lichaam zelf ontaardde, uit groven klei gevoed,Verdierlijkt, en hersteld uit rund- en lamm'renbloed.'t Verloor den hemelgeest, die 't eenmaal door mocht stralen,'t Oorspronklijk weefsel zelfs, in 's aardrijks woeste dalen,Die veêrkracht, die 't verhief en uitbreidde in de lucht,En 't nam die logheid aan, waar onder 't velddier zucht.Wy mogen, met een lijf, uit fijner stof geweven,Op d' adem onzer borst door lucht en ruimte zweven,En zwieren naar 't ons lust, verheven op den stroomDes Ethers, heemlen door, tot 's warelds buitenzoomEn waar 't oneindig Niet de nooit beklimbre bogenVan 't levenvol Heelal met nevels houdt omtogen.Wy spannen 't lichaam uit, en schenken lucht en lichtEen' doorgang, die 't verbergt voor aangreep en gezicht:Of doen het, meer verdikt door stoflijk samentrekken,En, weer biên aan 't gevoel, en, 't oog ten voorwerp strekken,Gelijk ik thands aan U my aanbiê, schoone Maagd.

"Zoo zag, zoo minde ik u, daar gy te rusten laagt,Voor u onzichtbaar, tot, van heete drift aan 't blaken,Mijn ziel zich uitstortte op uw boezem, op uw kaken,In kussen, daar uw hart onwillig deel in nam.Maar ach! wat schetse ik u den oorsprong van mijn vlam!Hoor eerst de strenge wet des Hemels.—AfgesnedenVan 't Godlijk menschenkroost, bewoners van zijn Eden,Bleef Adam nog de schuts der Englen toegezegd,En, by die Englen, ook der spruiten van zijne echt.Wy zweefden om zijn koets, die van de lamm'renvachtenGespreid was, die zijn hand op 't veldaltaar moest slachtenAls 't eerste zuiglam blaatte aan moederlijke speen,En smolten onze beê met zijn gebed in één.Wy waakten by zijn' slaap, en telden, by 't ontwaken,De zuchten, die zijn borst aan Evaas borst mocht slaken.En samenklotsen met de snikken van haar hart.Wy hoorden 't noodgeroep by Evaas barenssmart,En hielden, onbemerkt, haar kniën onder 't kermen,Of steunden 't wringend lijf, en vingen 't kroost in de armen,Dat eens de onzalige aard die 't in zijn kommer voedt,In weêrvergelding, met zijn lijken spijzen moet.

't Gejammer bij den dood diens Abels, dien Gods liefdeTer dood voerde, als hem 't staal zijns woesten broeders griefde,Klonk ons in de ooren en doorsneed ons 't ingewand:Maar 't was ons niet vergund, de kinderlijke handDen vader of zijn kroost ooit zichtbaar toe te strekken.Hy stierf. Ik zag het zand zijn zielloos rif bedekken.'k Zag zes geslachten na hem opstaan, en vergaan.Maar de aard nam middlerwijl een ander aanschijn aan:De velden tooiden zich, dank 's stervlings rustloos wroeten:De dalwind scheen allengs zijn' adem te verzoeten;De zon, met minder gloed te drukken op het hoofd,Terwijl zij eetbaar kruid en volle halmen stooft.De lucht, van bloem en plant met nieuwe geur doortogen,Werd zachter; en 't gedierte, in 't menschelijk juk gebogen,Verloor zijn' schuwen aart, werd minzaam en gedwee,En gaf, in 's menschen dienst, verlichting aan zijn wee:'t Gevogelt'-zelf, gelokt door de uitgeworpen koornenDes akkers, zocht zijn hut, en hupte door de doornen;Gaf voor zijn slaapsteê dons, en zong zijn zorg van 't hart;Of zalfde door 't muzyk de reeds verdraagbre smart.Ja 't scheen, of Adams val door heuvels en valleienHet Eden, hem bestemd, op 't aardrijk uit moest breien.

"Doch, Adam was geweest; zijn weêrhelft daalde in 't graf,En brak den band der aard met Edens burgren af.Ons, meer verheven tak der zwakker menschlijke orden,Was 't broederlijk geslacht allengskens vreemd geworden.De stervling werd steeds meer vertrouwlijk met zijn lot,En wischte 't denkbeeld uit van Englendom en God.Wij vonden 't grover hart van onze stamgenootenVoor d' invloed onzer zorg vereeld en toegesloten:Wy gaven 't de Almacht op, en, aan Heur eer verknocht,Niet een, die Adams kroost op 't aardrijk meer bezocht.

"Nu rezen moord, geweld, en bloeddorst!—'s Afgronds KoningSloeg de ijzren valdeur op der Helsche gruwelwoning,En aâmde een' pestdamp uit die alles overtoog!Ja, de aarde werd een poel, afzichtlijk in ons oog.

Men zag 't verdwaasd geslacht, zijn' Schepper afgevallenDat Goden zocht om laag, gehuisd in aarden wallen:Hun kniên gebogen voor 't gewelfde firmament;En, die hun 't aanzijn gaf, in blinde drift, ontkend.

"Een enkle tak hield stand in de algemeene boosheid.God zag 't, en stelde een perk aan 't woên dier zinneloosheid.Zijn Engel daalde en riep! en 't waardig kroost van SethBekeerde, of hield zijn ziel dier gruwlen onbesmet,En zocht zijn' Schepper weêr, geloovend, brandend, hopend.Nu scheen ons de aaklige aard weêr dierbaar en geopend:Nu dwaalden we op een nieuw zijn ruime vlakte door;En 't menschdom kwam in eens ons weêr beminlijk voor.

"'t Was, ja, de tijd niet meer, dat Adam, forsch van spieren,Den nek bedwingen kon der ongetemde stieren,Den leeuw zijn kaken brak, den groven elefantVoor 't dreigen siddren deed van de op geheven hand:Dat Eva, als vorstin, den tijger aan haar voetenZag knielen, 't pantherdier haar siddrend kwam begroeten;Dat de arend uit de lucht zich neêrvleide aan heur schoot:En de aanblik van haar oog, wat adem had, gebood.Doch 's menschen heerschappy, in enger kring omschreven,Leed door verzwakking niets, maar werd door geest gesteven,En 't schouwspel van zijn rijk was Englen toezicht waard:Ja, 't scheen dat God in hem zich zetelde over de aard.

"Beklaaglijk was 't gezicht, ja, Goden-zelv' beweenbaar,Dier schoonheid, die 't volmaakte, aan 't stertlijke onvereenbaar,Aan dier- en plantaard huwde, en Godlijk samensmolt,Als watervloeibaarheid tot diamant gestold.ô Eva, kunstgewrocht der Godheid, voor wier oogenGods Englen, als voor God, vernietigd nederbogen,En sluiers zochten om dien gloed te wederstaanDie uitstroomde uit uw schoon! hoe greep u 't jammer aan!Geen roos verwelkt zoo snel, gebroken van haar stengelHier schreide en Cherubijn en afgevallen Engel!Ja, Satan-zelf werd week, en voelde om u, berouw.

Der schepping heerlijkheid, wat is zy, dan de vrouw?Ach, bloemen van den grond! ach paauw- en fenixvederen!Wat zoude uw vroeg verval de vaste ziel vertederen!Wat zijt gy, siersels, maar geen deel-zelf, waar het hartAan wortelt! Eva, ja, gy wierdt der Englen smart!Hoe zagen we uw albast verrimplen en verschroeien!Hoe 't morgenrood der kaak, zoo schittrend eens in 't gloeienVerduisterd, weggewischt! het oog van glans beroofd,En 't stralend zonnegoud verzilverd op uw hoofd!Hoe 's levens welbron aan uw' boezem, uit wier togenWy eens de Onsterflijkheid en Englenfierheid zogen,Verdroogd, verflenst! Ai my, wat wierd die volle borst?Een stroobosch, door den staf des jammers uitgedorscht!Een nevel overtoog, een wreede worm verknaagdeHet Godlijkst in 't Heelal, waarop ooit zonlicht daagde.Ja, Evaas ouderdom was aller Englen straf,En trok ons oog en hart van aard en menschdom af!

"Dan, zachter, teêrder lucht met balsemende geurenDoortrokken, sints 't gebloemt' den schedel op mocht beuren,Bedekking van het kleed, van 't hagelkeerend dak,Voor Zomers roostend vuur en winter ongemak,Een stiller levenswijs, aan haard en huis gebonden,Genoegens, die het hart in 't lijden, sterken konden,Ja, 't slijten van dien rouw, die 's lichaams bloei verslindt,En, 't geen gewoonte aan 't leed, in 't leed behaaglijk vindt;Dit al, was vruchtbaar, en vereenigd in vermogen,Herriep de roos der wang, de morgenstar der oogen,'t Aanlokkend lipkoraal, 't yvoor van arm en hals,En 't donzend wolkensneeuw van 't golvend boezemmalsch.

"Een deel van Edens teelt, gewoon zich te onderscheienAls 't Godlijk menschenkroost, zag Kaïns dochters reien,En 't sloot zijn boezem niet voor hare aantreklijkheên:Het Eden, 't Englendom, de Hemel, God, verdween!Elpine was nog niet; en echter, zy bezweken.Zij vielen op die prooi, als in dees lager strekenDe havik op de duif. Vergeefbrer lust voor 't minst,Dan blozende appels, of gevaarlijke overwinstVan kennis, ons te hoog, vervoerde ons. Ach, Elpine!Hy weet het, die ons kent, de vleklooze Ongeziene;

't Was alles weggesleept, betooverd, zich ontvoerd;En de Engel zweeg in 't hart, door 't maagdlijk schoon geroerd.Nu was hun Paradijs op 't aardrijk, en ze omvingenWat de aarde hemelscht had, en teelden stervelingen!'t Ontzachlijk Reuzenvolk ontsproot uit deze min,En nam in luttel tijds den hooger berggrond in.Zy, mengling uit het zaad van tweederlei geslachten,In 't sterflijk lijf voorzien van meer dan stervlingskrachten,En blakende in het hart van dien ontembren moed,Die Englen, Goden toont, als d' oorsprong van hun bloed!

"Elpine! melde ik u den overmoed der rooveren?Gy zaagt de helft der aard door hun geweld veroveren;Wat weêrstond, neêrgeveld, verdreven, of vergaan.Gy-zelf naamt in uw wieg hun wreede kluisters aan,Als woeste Ramanoth van Nob- en GezerstroomenZijn Leeuwenspitsers dreef naar Bethurs balsemboomen,En de Ur, met bloed gemengd, de lijken zeewaart joeg,Van daar 't verwoestend heir zijn' groenen zoom besloeg.Ja 't aardrijk is te kleen, om onder hen te deelen;Hun zucht is, meester zijn, en heerschen en bevelen,En ach! dit-zelf is niets voor de eens ontruste ziel.

"Van toen de vrome Seth zijn schreiend kroost ontviel,Vergat ik de aarde, en zocht in 't altijd bloeiend Eden't Genieten mijns bestaan in d' uitvloed der gebeden,En 't streelende onderhoud van 't hooger Geestendom.Doch eindlijk trof 't geruisch van Arbals reuzendromDen Hemel, en ook ons in 't stoorloost onzer dreven.—De ontzachtbre Michaël had d' arm reeds opgeheven;Reeds blonk de bliksem ter verplettring in de vuistEens Engels, en heel de aard ware op die stond vergruisd,Had niet de Serafijn die vóór het HemeldonderenDer vromen zuchten in zijn reukschaal gaârt van onderen,En de uitverkoornen op zijn vingren telt, den slagVerbeden, en God-zelv' bewogen tot verdrag.Wy hoorden in den Hof den voorknal van 't ontbranden;Den kreet der Geesten, die, met opgeheven handen,Ontzett'en van den schrik, reeds daavrend door 't Heelal,En afgebroken door hun dankend juichgeschal.

Wij deelden in dien dank; ons hart versmolt en weende:'t Gevoelde, welk een band, en ons en de aard vereende,En nooit beproefde ik zoo de teêrheid van dien band.Een dorst, haar weêr te zien, beving my 't ingewand.Wat zag ik—? Moedwil, moord, verdrukking, dartelheden.Hier, de onschuld, zwak van teelt, door overmacht vertreden:Daar wulpsche geilheid, die en ziel en lijf verslond;En arglist, met geweld en onrecht in 't verbond.Ginds gruwbaar ongeloof met bygeloof gesteven,En God verloochend om voor 't ijdel niets te beven;Of de inspraak van het hart versmoord door razernyVan driften; ja, de deugd gedoemd als huichlary.Ik ging!—Maar ach! Elpine, ik, voelde my gekluisterdDoor wondre tooverkracht. Mijn oog was als verduisterd;Mijn hemelsch lichaam werd getrokken naar deze aard:—'k Had (Hemel!) 'k had Elpine, en menschlijk aangestaard.Haar oog, haar houding, ja de lucht-zelfs die ze omzweefde,Waar in zy adem voud, door wie haar boezem leefde,Was Godlijk in mijn oog, en bond my als den steen.Volschoone, ik minde, en ach! mijn laatste heilzon scheen!

"Elpine, u heugt de dag, dat eenzaam, droef, aan 't dwalen,En zichtbaar voor uw oog, mijn oor de nachtegalenBeluisterde in dit woud. Het maanlicht scheen, als thands,In statelijke pracht aan de onbewolkte trans,Maar half bezwemen naar het Oosten. 'k Zag u weder.Gy knielde op 't graauwe mosch, en zeegt in weemoed neder,En stortte tranen, die geen Engel ooit moest zienOf, meer dan Engel zijn, ja meer dan God misschien!Ik nader, en—ô God, Gij zaagt het, ben ik schuldig,Wanneer ik in uw werk uw blijkbre Godheid huldig;Aanbidde, en neêrstort, en in de onmacht van mijn' gloedMij-zelv' en u vergeet, en aardsche lusten voed'?Elpine! 't was geen kus, in sluimring opgedrongen!'t Was, van uw maagdlijk hart de grendels afgewrongen!'t Was 't onbegrijplijk, dat geen Engel smaken mocht;En, voor den hemel zelfs niet duur genoeg gekocht.Geliefde, sints dat uur, en wat dat uur u kostte,Wat leed ik, eer mijn hart zich 't wondre raadsel loste,

Om eeuwig de uwe—ja, voor eeuwig u te zijn;U (sterflijke), in mijn' arm, en zonder einde, mijn!"—

"Ik de uwe, en eeuwig! Gy, ô Engel uit den hoogen,My sterflijke….? ach, laat af! (Dus roept zij, teêr bewogen.)Neen, tot dien oogwenk slechts zij 't leven my verlengd,Dat dees mijn zwangre schoot den moederplicht gehengt.ô Drukk' de onnoozle vrucht, my spartlend tegen 't harte,Mijn borst, mijn lippen eens, en sterve ik dan van smarte!En gy, verlaat my; gy, ô voorwerp al te waard!Laat me over, 't is mijn lot, aan de op my wachtende aard.Haar moet ik met mijn bloed, als met mijn tranen baden.'k Behoor haar: 'k ben, als zy, met 's Hemels vloek beladen.Die drukt my. Vlied me, ô vlied, of, neem my 't levenslichtDit uur zelfs, en met een' aan 't ongeboren wicht!Wat zoude 't door zijn lach my 't moederwee verzoeten,Om, nog, by Adams val, ook ons vergrijp te boeten?'k Verwijt u niets, maar—vlied me, en laat my ademtocht;En dan, dan danke ik 't lot; het heeft mijn ramp volwrocht."—

Zoo spreekt ze, en scheurt zich los, en rukt met woeste vingerenDe vlechten uit het hoofd, terwijl haar leden slingerenEn schudden. Ach! zy vliedt, maar stort op d'eersten tredDen Jongling weêr in d' arm, als van een schrik verplet."Onnoozle (roept zy uit), ik ging u dan verlaten!Ik wilde u—minn'lijkste, ach! vermocht ik u te haten!U, die my liefde zwoert, my weêrvindt in mijn' rouw,En zelfs uw Eden liet, voor my onzaalge vrouw!Neen, spreek, ik hoor u. Spreek! Hoe God en vloek verbeden?Hoe, my, aan 't graf verwant, vereenigd met dat Eden?ô Zoo mijn bloed … de dood … Ja, 'k wensch haar te ondergaan,Indien ik aan uw zijde eens juichend op mocht staan!Ach, had des Hoogsten gunst u daar toe uitgelezen,Om Heiland van Elpine, en—haar Gemaal te wezen!"—

"Ja (zegt hy) 't is beslist, Elpine! 'k Zweet by Hem(En dees ontzachlijke eed geev' aan mijn opzet klem!)Bij Hem, wiens raadsbesluit, nooit wanklend of verwrikbaar,Ook Geesten siddren doet, aan heel de schepping schrikbaar.Ik zweere 't by uw schoon, by mijne onbluschbre vlam:ik voere u 't Eden in, dat Hij uw' oudren nam.Het kroost der Englen zal met dat der stervelingenNiet wriemlen over de aard met eeuwig handenwringen.Zij Adam om 't vergrijp eens oogenbliks gedoemd,Met wat zich naar den naam van doemling Adam noemt;Zij, wat zijne aardsche koets aan 's aardrijks vloek mocht geven,Tot banneling geteeld, en om als hy te sneven!Ons, afkomst van den Vorst, gesteld in Edens rijk,Van Adam, nog oprecht, zijn Schepper nog gelijk,Ons treft die vloekspraak niet van 't schendig overtreden;Ons kroost behield zijn recht op 't eeuwigbloeiend Eden,Dat graf noch jammer kent; (aanminnige!) en die schootDie Englen telgen geeft, behoort niet aan de dood.

"Gy siddert! hoor my uit. Die forsche Reuzenkrachten,Die armen, afgericht op dier- en menschenslachten,Die boezems, van een bloed als 't Englendom doorstraald,Maar minder week dan wy, en voor 't gevoel verstaald;In 't kort dat fier geslacht, dat alles kan bedwingen,Is voor deze aard te groot, te groot voor stervelingen.Het lot der dierbre vrucht, die my uw schoot belooft,Verbindt me aan hun belang. Ik stel my aan hun hoofd:Hun zal ik, en die Gâ, die 'k eeuwig zal beminnen,Het erfgoed van hunn' stam, het Paradijs herwinnen."

Hy zweeg. De schoone beefde, en zag zijn aangezichtBetrokken, en de glans van 't hem omvloeiend lichtOp 't heldre voorhoofd als een avondstond verbleeken.Zijn stem verloor allengs haar melody in 't spreken,En nam een schorheid aan, als in de keel beklemd.Zijn open oog vertrok, en wemelde onbestemd,In blikken, die, of 't waar, het daglicht níet verdroegen;En 't hart verried eene angst, die heel zijn borst deed zwoegen.'t Zij dat de Godswraak door die stoute taal verstoord,Hem aangreep op de stond, of 't uitgesproken woordDen boezem siddren deed die 't voortbracht, en vertsaagde,

Of 't innig plichtgevoel aan 's levens ader knaagde;'t Zij dat de Godheid-zelv dien invloed wederhieldDie 't hemelzalig mensch- en englendom bezielt;Iets schriklijks scheen in eens zich op 't gelaat te spreien.Elpine schokte, en wilde, en ach! zy kon niet schreien.Haar tong verstijfde. In 't eind "O (riep zy), mijn gemaal,Wat doet ge, en welk bestaan! Wat schrikbre bliksemstraal,Wat donder op dit hart! ô laat my, laat my sterven!God leeft, Hy, eindloos goed, ook hun die Eden derven!Hy weegt ons noodlot met zijn vaderlijke hand:Hem drage ik me op, en hoop, hoe streng Hy vierschaar spant.Hoe wilt gy 't droef vergrijp verdubblen van onze Ouderen?Hoe Satans eeuwgen vloek u laden op uw schouderen;En moet de Hemel hier een' tweeden opstand zien,Die de Almacht naar de kroon … Wat zegge ik, die, misschienGeheel het menschdom, in dien gruwelbond begrepen,In 't eindeloos verderf onredbaar meê zal sleepen!Te rug, mijn innigste! Keer weder tot u zelv'!Ja, Lucifer bezweek aan 't Hemelsche gewelf;En gy, des menschen kroost, omstuwd van sterflijke armen,Bestrijdt Gods vonnis?—Neen, toon deernis, toon erbarmen,Toon liefde aan uwe Elpine, aan haar, die om u lijdt,Wie ge alles, wie ge meer dan zelfs Gods almacht zijt!Ja, 'k veins niet, heel mijn hart, mijn ziel, mijn gantsche wezen,Hangt thands aan u, aan u. Wat heeft dit hart te vreezen,Daar 't graf nog open staat en God ontferming biedt?Maar neem, ô neem mijn ziel die dierbre toevlucht niet.Neen, de Almacht heeft voor ons, in Adams doem verstoten,Voor 't kroost van onzen schoot, uw Eden toegesloten;Wij erfden vloek van hem, ellende, en ramp, en graf,Niets hoogers: maar—één hoop, één uitzicht bij die straf.Die hoop is Gods genâ, verlossing, en herstelling!Verbeiden wy, getroost, in de engste zielsbeknelling!Verbeiden wij het uur, dat Gods geheimenisOnthuld, en in de rij der toekomst zeker is.Dít erfdeel van mijn vrucht zij nimmer opgegeven!

Dít zal zijn Eden zijn, dít is zijn eeuwig leven!Voor u, keer weder, val Gods grimmigheid te voet!Boet voor uw opzet, keer Zijn wraakvuur eer 't ontgloed'!Vergeet voor eeuwig die u minde, die gy 't harteVerscheurde, en in 't heelal geen' balsem voor haar smarte,Geen troost meer, overliet. Ja, dat ik 't u bezweer'!Verplet Gods wraak me, en u, ziet gy my immer weêr !"

Zoo spreekt ze en ijlt vol drift den Jongling uit zijne oogen.Hy stond, een rots gelijk, ontbloot van denkvermogen,Beweging, en gevoel; en, had de hooger krachtDer Geesten, onbekend aan 't stervend Aardsch gesiacht,Hem 't hoofd niet opgebeurd, zijn lenden niet gesteven,En spier en zenuwdraân een' nieuwen steun gegeven,Hy waar bezwemen, en het aardrijk had voor 't eerstOnsterflijkheid gezien, van 't kil der dood beheerscht.

Nu zag de morgen uit. 't Gevederd choor ontwaakte;Het West verzwolg de nacht: het schittrend Oosten blaakte.De Wachter van het licht, heraut der uchtendstond,Had reeds door Bethurs dal den nieuwen dag verkond,Om 't vadzig menschdom tot den arbeid aan te manen,En 't veldkruid beurde 't hoofd uit de uitgestorte tranenDes nachtdaauws, dien het licht in nevelen verhief.Elpine voerde in 't hart haar nimmer heelbren griefDoor 't bloeiend palmwoud rond, dat Arbals zandvalleienOmarmde, en schaduw gaf aan Nivals rundrenweien,Tot daar het eikenbosch zijn kruin boorde in de lucht,En 't koelend windtjen zocht dat uit het Westen zucht.

Hier had, ter rechter zij' van Rigons zoute vlieten,Argostan, opperhoofd der strijdbre Kaïnieten,Zijn legermacht vergaârd, gewapend met de knotsEn peesboog: 't lichaam met gevlekten tijgerdoschOmhangen, en gegord met tijgren ingewanden,Tot taai en stevig koord gewrongen met de handen.Het aardrijk had tot nog de zwaavlige ijzerschachtNiet opgedolven noch ontledigd van heur dracht,Niet uit de onzuivere erts een rein metaal zien smeden,Het staal was zeldzaam, en geen harnas sloot de ledenIn banden, noch gaf snede en puntvlijm aan de speer.

De dierenhuid-alleen was deksel; 't hout, geweer.Hy-zelf hy droeg op 't hoofd om hooger uit te steken,Een blaauwe reigerbosch tot kroon en veldheerteeken;En zwaaide, op de eiken kolf, eens evers blanken tand,Aan 't grimmig dier ontrukt met wapenlooze hand.De moed, de woede, en spijt, glom in zijn oog, en vonkteDen ruigen wenkbraauw door, die langs het voorhoofd pronkteEn 't licht verduisterde van 't schittrend oogbolgraauw.

Een drom van Geesten zag, van uit het weemlend blaauw,Den Krijgsman, en zijn heir.—Den sterren afgestegen,Hun ingenomen plaats na 't aardsche minneplegen,(Want Eden was ook hun door 's Hoogsten doem ontzegd,En 't zwerven door de lucht tot boetstraf opgelegd,Tot veertig eeuwen, voor één heuchlijk licht verbleekend,Een tijdstip baarden, ter vergifnis afgeteekend.)Ontvlamden ze op 't gezicht. Hun afkomst bleef hun dier,En, schoon men hen om laag met smokend offervierOnthaalde en aanriep als beheerschers der getijdenEn regelaars van 't lot, wier giften de aard verblijden,'t Belang der Reuzen ging het vaderhart te na."Mijn Broeders," riep terstond de grimmige Ahila,Die, buiten 's aardrijks baan, en 't aardrijk naast, gezeten:In 't midden van den rei der drijvende planeten,Zich-zelv' gevestigd had op 't rood en vonklend licht,Door de Oudheid naderhand haar Krijgsgod toegedicht:Mijn Broeders, welk bestaan! Gedoogt gy 't?—Wreevle slavenVerheffen tegen ons hun trotsche Legerstaven!Pinéhel, Fuäl, en gy-allen, ziet gy 't aan,En wachten we, uit de lucht hen ijlings neêr te slaan?Mijn vrienden! zal een hoop van nietige AardelingenOns dierbaarst, ja ons-zelv' in ons geslacht, bespringen?—Hoe gloeit de vader niet op 't dreigen van zijn' zoon!Of zien we ons slechts ten spot vereerd als Hemelgoôn?Koomt, wreken we ons gezag, ons bloed; of eer, verweerenWe ons recht! Het is aan hen, om de aarde te overheeren:Hun, Koning Adams stam, en van geen sterflijk zaad!Wat is zijn wierook my, die naar mijn glorie staat?"—

Hem andwoordt Fuäl; hy, die kwijnende en verslagen,Gods vonnis wettigde, en zijn borst weêrhield van klagen,Maar de oogen neêrsloeg met een ziel vol naberouw;Gevallen, maar in 't hart aan God en plicht getrouw.Hem kon in ballingschap geene eerzucht troost verschaffen.Hy voelde de Almacht slaan, en, in die slagen, straffen.Vaak wandelde hy 's nachts in stille mijmeringVan dwaal- tot dwaalstar, of door uitgestrekter kringWaar hooger zonnen, van hun warelden omvangen,Uitschittren, en met die in 't perkloos ijdel hangen:Doch nimmer koos hy zich verblijf of zetel uit.

"Neen (zegt hy), 't waar te veel op's Hoogsten raadsbesluitVoor uit geloopen. Neen, wat zouden we ons vermeten?Hangt 's warelds noodlot niet geschakeld aan één keten,Die de Almacht in heur hand, en elk omneveld, houdt?Wie 't heerschen werd ontzegd, is vruchtloos sterk en stout.My bloedt het hart als u: wy voelen vaderzorgen—Maar … God-alleen regeert—Zijn wil is ons verborgen!En—wat Hy ooit bestemm', die ons door 't harte ziet,Na de eens begane schuld, verlokt me een tweede niet."

"Lafhartige," roept straks Pinéhel, verontwaardigd,Die d' andren 't voorbeeld gaf (zoo 't voorbeeld ooit rechtvaardigt!)Van wetteloozen gloed, en nog met wuften zinDoor vrouwlijke armen vloog, van de eene in de andere min:"Verrader van uw bloed, duik neder! red u-zelven,En zie uw telgen dan in 't bloedig stof bedelvenIndien 't u lust! Zie hen vertreden door den wormDes dals, van kracht ontaart, verbasterd van zijn vorm;En graaf hun zelf het graf, onteerd, gesmaad, mishandeld;Nu sluimerlaauw, welhaast in d' eersten klei verwandeldWaar uit ge wierdt! Voor my,—wat is my aarde of helOf (zelfs) vergruizing! 'k Zei mijn vaderland vaarwel;Mijne afkomst is my 't al. Zy kost my God en Eden,En, zou ik ze ongestraft door d' Aardling zien vertreden?Dat hoede Hy, om hoog, die—my verplettren kan,Maar ook dat hart mij schiep het geen ik nooit verban!"

De zachte Fuäl zweeg, en deinsde, en week ter zijde.

Nu juichte 't woest dooreen! "Ten oorlog! ja, ten strijdeOns kroost verdedigd!"—Ja 't geliet zich; aan 't gedruisch,Als wierd de lucht vervuld met worstlend golfgebruisch.Reeds stond men op het punt om de onderaardsche stormenTe ontbreidlen in hun hol; om bliksemen te vormenUit dampen zwavels, in de wolken opgegaârd,En neêr te storten op het leger, over de aard.

Maar een der Duivlen, uit den jammerpoel geschoten,Vloog op, en riep hun toe: "Wat wilt gy, StamgenootenDer aarde! Laat aan my, erfvijand van den mensch,'t Verdelgen over, mijn' en 's Afgronds heetsten wensch!—Wat zoudt gy, Adams kroost, en niet voor 't kwaad geboren;Wien 't misdrijf poging kost, en poging, steeds verlorenIn wroeging?—Lafaarts, ons, ons voegt het, ons alleen!"

Hij spreekt en snort op 't woord voorby en door hen heen.Hy zweeft, en blaast de Hel uit neus en muil. Nu rookenDe dalen als een oogst, op d' akkers aangestoken,Eer 't vuur nog veld wint, en het smeulen van den gloedIn vlammen om zich grijpt en zonder teugel woedt.Het was het vuur der twist, verdelgendste aller rampen,Dat rondsloop onder 't Heir, verborgen in die dampen,En 's vijands zegepraal beloofde zonder slag.

Reeds stond het Heir geschaard van de aanbraak van den dag,En 't Priesterdom had nu zijn rijmen en gebedenVoleindigd, als de Vorst, aan 't voorhoofd opgetreden,Dees taal een' doorgang gaf door 't blikkerend gebit:

"Spitsbroeders (roept hy uit), voor 't ouderlijk bezit,Voor haard- en legersteê gewapend opgetogen!U danke ik heirvoogdy en schittrend Rijksvermogen.Gy weet het, of mijn arm verslapte, waar men streed:En u, u verge ik niets dan 't geen ge u schuldig weet.Een gruwzaam Reuzenrot, verwant aan hemelgeesten,Verstoort ons eigendom, en jacht- en offerfeesten,En dreigt verdelging aan heel Adams nageslacht,Vermetel op hunn' stam en ongelijkbre kracht.Gij kent hen, en 't gewicht van hun ontzachbre slagen!Wat wilt ge? 't harde juk der onderwerping dragen?

Van jonger broeder slaaf, uws vaders schande zijn,En blozen voor u-zelv', voor's hemels zonneschijn?Wy, eerstelingen in des aardrijks eenzame oorden;Wy, zwervers over de aard, bevolkers harer boorden,Door wie haar dorren schoot, met oudren zweet gedrenkt,Het voedsel wierd ontperst, dat zy den stervling schenkt:Wy zuiverden 't gewest van Leeuw- en tijgerklaauwen;Wy veiligden dat erf, waarop zy ons benaauwen;En, felle bastaartteelt uit Kaïns eigen zaad,Verwoesten ze onzen grond, en moorden wie weêrstaat.Dit lijdt uw recht, uw moed, dit kan uw hart niet lijden:Vergaan wy, zoo 't moet zijn; maar sneuvlen we in het strijden!Nog weegt ons aantal aan hun sterkte dubbeld op,Wat toeft men, tot hun list der bergen engten stopp',En zy, van hooger grond, uit ontoegangbre wallen,Ons, ingesloten wild (dan redloos)overvallen?Ja, Kaïns overschot, heel 't menschlijk kroost, heeft uit,Ten zij één stoute daad hun woesten moedwil stuit.'k Vergaderde u daar toe, en durf die van u wachten.Beleid en dapperheid zijn meer dan reuzenkrachten.Die leeuwen temmen kan en tijgers sluit in band,Is vrijheer van zijn arm, en duldt geen Dwingeland."

Hy sprak, en wierp zijn' staf verachtlijk in den hoogen."Gy Geesten (ging hy voort), die in de wolkenbogenDe nevels samenperst, en op den wind gebiedt!Gaat, staat uw afkomst by; Argostan vreest u niet."—

Nu zweeg hy. 't Voorhoofd rookte, en 't schuim der breede lippenStoof ziedende om den mond! Men hoort geen' adem glippen:'t Stond alles, als ontzet. Een zacht en flaauw gebromVerhief zich, groeide, en liep den kring des legers om.Nu steeg een holle kreet ten wolken: "Ja te wapen,Maar 't Geestendom ontzag!"—Met palmblad om de slapen,Trad een der Grijzaarts voor, der zonnedienst gewijd:

"Vermeetle (riep hy uit) die tegen Geesten strijdt!Wat wilt ge? 't wis verderf op onzen schedel storten?

De Goden van de lucht in 't aardbestier verkorten?Herroep die gruweltaal, en ken, gy Legervoogd,De palen van uw recht, en wat het mijn gedoogt!"—

De gramme Vorst, van spijt aan 't blaken, gaf een teekenTot zwijgen.—"Heldenschaar (dus ving hy aan te spreken)!Hoe! daar wy 't Reuzenvolk manmoedig tegentreên,Zal 't muitende verraad ons kankren door de leên!Men durft uw Legerhoofd hier aan uw heirspits honen!Gij lijdt dit?—Krijgers, neen! gy zult my trouw betoonen.Ik terg den Zongod niet, maar wie mijn vijand staav',Dien zeg ik oorlog aan. Beproef het, Outerslaaf!"

Zoo sprak hy, en de knots vloog ijlings uit zijn vingerenDen Priester op de borst. De Legerrijen slingerenEn woelen door elkaâr. Één woeste schreeuw van "moord"En "heiligschennis" wordt door heel het heir gehoord.De Grijzaart smoort in 't bloed, zijn' gorgel uitgevloten.Een deel der Offraars raapt, wanhopig toegeschoten,De palmkroon van zijn hoofd, met bloed en slijk bemorst,En toont haar aan het volk, en wijst het op den Vorst.

Nu vliegt het al in roer. De woeste pijlen gierenEn snorren door de lucht; de legerkolven zwieren.Men eischt des priesters wraak, des heiligschenners bloed,Omsingelt, en bevecht zijn Krijgsvoogd dol te moed!Hy strijdt, verweert zich 't lijf; en honderd slagen brekenOp 't wapen dat hy grijpt.—Reeds honderd zijn bezweken,En, door zijn dappre vuist op 't aardrijk uitgestrekt,Ten wal geworden die hem 't halve lichaam dekt:Nog twintig om hem heen, van de eersten in 't bespringen,Zijn thands die leeuwen niet, die hem naar 't leven dingen,Maar aangevallenen, wiet arm zich 't lijf verweertIn slagen op zijn knots al splintrend afgekeerd,En deinzen; als een schicht ten peesboge afgedreven,Hem treft, en onverhoeds een eind maakt aan zijn leven.Hy zinkt gevoelloos, en zijn voorhoofd toont, verbleekt,De Heldenfierheid nog, in 't bruischend hart gekweekt.

Thands schijnt een sombre schrik het vorstlijk lijk te omzweven.

't Zwijgt al. Men hoort geluid noch 't minst geritsel geven. Het leger blijft versteend en starende op den grond, Of rolt een aaklig oog door al de benden rond.

Één flaauwe stem alleen in 't midden van de troepenWaagt, uit een enge borst den Offraars heil te roepen:"Heil, priestren!"—Alles brult en knarstandt op dit woord,En 't wordt, zelfs in den mond, op 't oogenblik gesmoord.Tien knotsen heffen zich, één schedel spat in gruizelen,En 't gonzen van dien slag doet alle hoofden suizelen.

Die slag scheen tot de leus van grooter moord bestemd.Reeds ziet men lijk by lijk dat in een bloedstroom zwemt.De Krijgsliên vallen hier de kermende Outerpapen,En daar, elkandren aan. Het opgevatte wapenDen Reuzen toegedacht, slaat eigen spitsbroêrs neêr,In wraak, in wederwraak, in weer, in tegenweer.De woede en razerny stijgt immer onder 't woeden;Geen doodslag dien de dood niet tienwerf moet vergoeden!Geen onderscheid, geen keur van vijand of van vrind;Met wien, voor wien men strijdt! 't is offer wat men vindt.Geen rij of legerspits, geen teeken, geen banieren!Men valt verwoed door een als aangehitste stieren,En moordt en wordt gemoord, vertrappeld, en vertreên,En nergens veiligheid dan in den moord-alleen.

Zoo weidt dat wapentuig dat sabel, speer, en degenVervangt. De vloek van 't staal is thands in 't hout gelegen.De pijl rust werkingloos. Het wapen heeft geen doel;'t Treft wat naastby is, en 't treft blindlings, by gevoel.De naaste is vijand, is gevaarlijkst, moet voorkomen:De laatste-alleen bestaat; al 't oovrig bloed moet stroomen:Men vecht voor zelfbehoud, geen Vorst- noch outerhoon.

Dus woedt, dus raast men in bedwelming. Stapels doônStaan, als in 't barre duin de heuvels, opgeheven.'t Gestalde en lillend bloed, waarin de voeten kleven,Verbreidt zich als een meir by zwellend springgetij',En kent noch peil noch boord, maar streeft zich steeds voorby.

Doch, even als de vlam, door d'adem van de windenIn 't dichte woud gejaagd, niet ophoudt van verslinden,En, strevende in het rond, de stammen nederslaat;Maar echter hier en ginds een boomtronk overlaat,Die by de walmende asch de ontblaârde kruin en takkenOf, stout verheffen blijft, of moedloos neêr laat zakken;Zoo stond het in het dal van Nival met het heir.Daar was geen legermacht, daar was geen bende meer.Driehonderd strijders slechts, door lijken afgezonderd.Braveerden 't sterflot nog, uit dertigmaal driehonderdEn hieven, afgemat, op heuvelen van doônEen uitgeputten arm en knikkend hoofd ten toon.

Een' dichten zwerm gelijk, van vliegend roofgediert'Dat, als de pestsmet woedt, om 't rijzend kerkhof zwiertEn rondgiert onder 't zwerk, en, waar zy lijken rieken,Al schaatrend nederstort en klappert met de wieken;Hief half de Hel zich op by 't klaatrend moordgerucht,En juichte 't bloedbad toe, al hangende in de lucht.Tavoach middlerwijl, die de eerstgezaaide sprenkelsDer twist steeds aanblies, en op plat gekneusde schenkelsEn bekkeneelen trad, als zoo veel krijgstrofeên,Verliet het slagveld, daar een hooger Macht verscheen.Gods Engel toonde zich: Zijn hand droeg purpren koornenVan Hemelsche granaat, de spijs van de eerstgeboornenDer schepping, vredevrucht, en tegengift der twist,Dat wrokken uitroeit en verwoede veeten slist.Thands opent hy de vuist. De gloênde korrels dalenAls regen, en den wind verbiedt hij aâm te halen,Op dat ze in 't vallen niet verstrooien door het ruim.Dus, wen Orions knots het bruischend pekelschuimIn golven opklutst, die, van ongeduld aan 't koken,Het hobblend zeekasteel beklautren en bestoken,Dat, van den vloed geperst, naar roer noch teugel hoort;Als dan de Zeeman van zijn aangegrepen boordDe rug der baren, tot zijn ondergang vereenigd,Met gulle stroomen van een lichter vloeistof lenigt,En Pallas olie of het bolsterkaf van 't graanBy kuipen uitgiet, die heur gramschap nederslaan,De golving breken en met effen pad bevloeren,Om de afgebeukte kiel ten haven in te voeren;Zoo lag op 't oogenblik by 't zich verdelgend heirVerbittring, grimmigheid, en hartstochtbarning neêr.Men reikt zich, zelf verbaasd om de uitgebrande woede,De handen, rookend klam van uitgegoten bloede,Omhelst zich, en vernieuwt in 't aanzien van 't heelal,Dien eed, die niets voortaan op 't aardrijk schenden zal.De tranen vloeien van ontroering, en de hartenHereenden.—De Afgrond zag met onuitspreekbre smartenDen vreê herrezen; maar, 't vooruitgezicht getroost,Voorspelt zy uit dien vreê 't verderf van Adams kroost.

Het Edensch Geestendom, nog zwevende in de wolken,Zag thands de burgerschap der onderaardsche kolkenZich naadren in de lucht, en deinsde naar omhoogMet d'afkeer in 't gemoed, en de afschriksblik in 't oog.De Duivlen volgen hen, met wieken uitgeslagen(Als reigers van omlaag de sperwers voor zich jagen),En roepen: "Menschenkroost, meê balling thands, als wy!Wat schuwt ge ons, Englen van geen minder stam dan gy?Legt, legt die fierheid af, die burgers voegt van Eden,Maar geen verlaagd geslacht, als wy in 't stof getreden!Die hooggewelfde borst, die blik ontzet ons niet;De Hoofdstof waar ge in zweeft, behoort tot ons gebied.Geen geur van heiligheid, die waassemde uit uw vlechten,Verwijdert d'afgrond meer, indien ze u wou bevechten.Maar neen, we ontmoeten u als lot en lotgenoot,Wie één belang verbindt in hun gemeenen nood.Reeds zaagt ge ons nog dit uur ter uwer hulp volvaardig.Kent, kent ons als getrouw, en, uw vertrouwen waardig!Wy eischen 't.—Op den top van 't gindsche berggevaart'Vergaadren we, om het lot te reeglen van heel de aard;Vereenigt u met ons. Wy gaan om raad te plegen:'t Geldt wat gy dierbaarst houdt!"—Zy trokken voort, en zwegen.

Afgrijslijk klonk die taal 't gebannen GeestendomIn de ooren en door 't hart.—'t Bleef van ontzetting stom,En voelde in d'eersten schok den adem zich ontbreken,Die 't ophield in de lucht. Het had geen kracht tot spreken,En zonk alreeds van uit de hoogte daar 't in dreef,Als drupplen die de wind tot kooglen ijs versteef,En thands, onvatbaar om hun vocht meer uit te zetten,Ter neder storten en den groenen halm verpletten.Een zucht herstelt hen, en een uitroep: "Groote God!Verhoed Gy, dat uw volk met d'afgrond samenrott'!Gebannen zijn wy, en uw doemspraak onderworpen;Maar, de aarde moge ons bloed, indien het zijn moet, slorpen;Wy sterven de uwen steeds."—'t Was Fuäl, die dus sprak,Hy, minder schuldig in zijn schuldvergrijp dan zwak,En, waar' de zwakheid-zelv' geen misdaad in Uwe oogen,ô Gy, die kracht verleent, wellicht het mededogenDes Hartenkenners waard.—Doch! Uw rechtvaardigheidBehoort het oordeel, nooit door valschen schijn misleid.—

Hy sprak.—Pinéhal bromt' "My lust geen samenzweerenMet d' afgrond: Maar 't is plicht, indien we ons kroost verweeren.Men hoor 't ontwerp der Hel, verstoore of wijke 't uit,Of—zie het zwijgend aan! Ziedaar mijn raadsbesluit!"

Nu heft zich Sadon op. "Wat lafheid, hier te beven!(Dus zegt hy). Toeft men nog die helpers na te zweven,Wier bondgenootschap ons verzekert in ons recht?Wat zorg ik, aan wiens zij' of wien mijn arm bevecht?—Wy, doemelingen, wy, den doemling afkeer dragen!Zijn hulp versmaden; wy, als viel ons iets te wagen!Gods hand onttrekt zich ons, verstoot ons, werpt ons neêr.Welaan, men steun' zich-zelv', niet anders rest hier meer.Ja, roemrijk is 't en groot, met Duivlen-zelv' te deelen,Wanneer ge of slaaf moet zijn, of met hun, kunt bevelen.Men volg' my, heeft men moed. Ik meng my in hun Raad:Ik ken noch afgrond meer, noch plicht noch euveldaad.'t Is Afgrond, waar de spijt een Hel in 't hart doet branden.Hier woont ze, in dees mijn borst. Ik draag ze in de ingewanden.'t Is Hemel, waar ik heul, vertroosting, lichtnis vind,Verdelgen mag, vertreên, en niets my meer verbindt:

Waar ik den sterveling, zijn wellust, zijn genoegen,Zijn' aardboôm, nieuwen vloek by d'ouden toe mag voegen,Den mijnen van mijn hoofd ontlasten door de wraak,En 't sterflijk broederkroost affoltren tot vermaak.Dit wil, dit zal ik, dit! en in deze aardsche dalenGods straffend banbevel met woekerwinst betalen.Nog eens: ik vlieg."—Hy sprak, en knarstandde, en verdween.

Nu stormde 't in den drom vervaarlijk onder een.Een aantal week te rug van 't Almachtlastrend brullenDes monsters. Andren weêr, als uitgelaten dullenAan 't schaatren, juichen op die gruweltaal, (gereedHem na te volgen), met een ijsselijken kreet.De felle Meschomod roept eindlijk: "Geen beraden!Verga hy, die den arm des bystands durft versmaden!En gy die twyfelt, leert, by 't sterflijk aardsch geslachtOok heel de Hel weêrstaan, wanneer gy haar veracht!Wy strijden voor ons kroost, met Kaïn en Sethieten;Maar wie, wie onzer, deed die bloedrivieren vlieten,Waarvan de laauwe walm nog opgaat door het dal?Wie bracht die dappren met één ademtocht ten val?Wat vrage ik? Toon men my één proef van ons vermogen;Van schrikbaarheid voor hun die ons beoorelogen!Het oorlogswapen dreigt onze afkomst onverhoeds,En wy, van gramschap warm en van de zucht des bloeds,Wy zoeken stormen; wy, wy gaadren donderstoffenMet onbedreven vuist, om krachtloos neêr te ploffen;En, had Tavoach niet ter redding toegesneld,Geen vijand lag dit uur, maar half ons kroost, geveld.Neen, weerloos Krijgrental, begeeft, vergeet uw telgen!Geeft hen aan 't mierennest des aardrijks uit te delgen!Of—treedt met d'afgrond in dat bondschap dat ze u biedt.Voor 't minst, verwekt haar macht ook tegen de Uwen niet."

Hy zwijgt. Een menigte schoolt samen, op die woorden,En zweeft, op zijn gelei' naar 't hoogomtopte Noorden.Het oovrig deel, verbaasd, zweert, met een duren eed,Dat ze in geen Helschen band met Gods verworpnen treedt.Zy volgen echter, op den voorgang van hun broederen;Maar de angst, de knagende angst doorknabbelt hun gemoederen.

Tot driewerf keeren zy, by 't naadren van 't gebergt'!Tot driewerf, als door 't hart tot stoutheid aangetergd,Hernemen zy hun vaart, en dalen onverschrokkenOp 't vlak der hoogste kruin, bedekt met wintervlokken,Waar hen die Raad verwacht, die Helsche gruwelraad,Die, zwanger van geweld, van moord in arbeid gaat.

Gy, Fuäl, gy-alleen bleeft eenzaam, mijmrend achter.Gy zaagt naar Edens Hof en d' onverbidbren wachterDie 't vlammende rapier aan d' ingang opheft, om,Terwijl uw glansloos oog in zuivre tranen zwom.Gy vielt op 't aardrijk, op uw voorhoofd neêr en weende.Neen, 't was uw boezem niet die door de straf versteende:U was zy*[typo?] heiliging. Volhard, ô Adams zoon,Uw beden zijn uit God; zy klimmen voor Zijn throon!Ga, lijdende! in berouw is balsem;—mooglijk, heeling;En—de eeuwigheid verklaart der schepslen lotbedeeling.

In 't middelpunt der aard, in onverstoorbre nachtVan tastbre dampen, die, uit gisting voortgebracht,Met stinkend luchtmoeras haar holle buik doordringen,De borst benaauwen; en den gorgel samenwringen,En vlammen scheppen, maar verschroeiend, zonder schijn,Doch blaakrend voor 't gevoel met onverdraagbre pijn,Daar 't oog by eigen licht, in 't duister uitgeschoten,De jamm'ren scheemrend raamt, hier stroomende uitgegoten.Daar, in dat ijslijk hol, heeft 's aardrijks dwingeland,Hier neêrgebliksemd, zijn afgrijsbren throon geplant.Hier is zijn Hofgezin, zijn tuig en wapensmisse.Hier wordt de pijl gesmeed voor 't dolende Gewisse,Hier, de angel van de lust, die in de boezems haakt,Die meêsleept, en verscheurt, en oprijt, wat zy raakt,En wonden achterlaat, die door geen hand te heelen,De ziel verpesten, en de dood in de aadren telen.Hier wringt men koorden voor de geessels van 't gemoed;En 't scherpend vlijmsnoer, dat, vertaaid in menschenbloed,En in de onzichtbre vuist der Wroeging opgeheven,De beenders brijzelt, en om 't lichaam vast blijft kleven.Hier eindlijk schept men gift en zwadder voor den beetDer slangen, en verscherpt de doornen van het leedVoor 't zuchtend menschdom, van zijn God en plicht vervallen.

De dienaars van zijn macht, bij honderd duizendtallen,Omzwerven rusteloos zijn waggelenden stoel,Die zonder steunpunt hangt in 't midden van den poel.Hy zendt ze als bliksems uit. Zy rijzen uit de kolken,En kruipen over de aard, of zwieren door de wolken;Besluipen listig, of doorbreken met geweldDe zwakke boezems. Hun wanschapen klaauw omkneltEen pesttoorts, rookende van Helsche folterdampen,Die in de lucht ontvlamt, en gruwlen spat en rampen;Of, draagt het lokaas bloot dat aantergt tot de schuld,Maar de ijsselijke roê met zacht gebloemt' omhuld.

De Vorst der duisternis had op des aardrijks boordenEen veldwacht uitgezet. Dit was die Raad van 't Noorden.Zy, tot verdelging, tot verwoesting toegerust,Had Kaïn in den stroom van Godvergeten lust,Van gruwlen, broederslacht, en afgodsdienst gedompeld;Zij, Kaïn door den arm der Reuzen overrompeld,En dreef nu d' Arbaliet naar 's warelds rijk te staan,Maar, om hem op zijn beurt in 't bloed te doen vergaan.

Men zat; of eer, men was op't sneeuwdons neêrgelegen,Het lijf verheven; 't hoofd was op den arm gezegen,Met d'elboog rustende op de halfgevouwen kniên.Tavoach was aan 't hoofd. Geschapen tot gebiên:Doorvonkelde zijn oog de dubble rij van Geesten,Hier ordenloos geschaard, de minsten naast de meesten,En hield hen door 't ontzag beteugeld.—KringsgewijsStond, schuddende en bedeesd, het kroost van 't ParadijsOp afstand, als, of 't waar, door 't hart te rug gestoten;Gelijk een boschkat, aan de schildpad vastgesloten,Uit ingeschapen schrik zijn keten rekt en spant,En siddrend om haar kruipt aan 't uiterst van zijnband;Of 't staal der zeenaald, van des zeilsteens kracht doortogen,Door tegenstrijdigheid van 't eigenst trekvermogenWordt afgestoten, wen een andre pool haar naakt;—En 't hart verraadt door 't oog hoe verr' het zich verzaakt.Slechts enklen naadren, of verheffen schaamtlooze oogen:Zy, wier verhard gemoed zijn aart heeft uitgetogen,De wrekende Almacht niet als Rechter vreest van 't kwaad,Maar met een Duivlenhart en als een vijand haat.

"Gy (riep de Raadsvoogd) die, getrouw en onbezweken,Het Rijk des duisters sticht, en roemrijk uit doet breken!Gy kent den toestand van dees wareld. 'k Melde u niet,Het geen gy, met een meer dan arendsoog, doorziet.Hier strijden om 't Heelal twee sterfelijke machten;Dees moedig op getal, die op heur meerder krachten.Wien eischt het hoog belang des afgronds …. (By dit woordWeêrhield hy zich, en 't bleef ten halve nog gesmoord)."Wien, vraag ik, voegt het ons te staven, te onderschragen,Te sterken? wien den staf des aardrijks op te dragen?Zal Kaïn …? Maar gy kent de wuftheid van dit volk:'k Doorlees uw hart alreeds, en vraag geen andren tolk.Of maakt dat stout geslacht, dat uit onsterfelijkenGeteeld, in Heldenkracht zich onzer waard doet blijken,Rechtmatige aanspraak op een bystand die beslist?En, waapnen we ons voor hun met krijgsgeweld of list?'k Heb reeds hun vijand in zijn optocht voorgekomen:Gy allen zaagt zijn bloed door eigen handen stroomen;Maar sterker poging wordt gevorderd.—Biedt u aan,Gy, Hoofden, die verlangt den Reuzen voor te staan!"

Hy zweeg. Arioch rees: "Ik ben gereed te strijdenVoor de eer van Lucifer, aan die, aan beide zijden.Ik ken geen vijand, dan als vijand van 't heelal:Gebied, en wijs my aan: wien ik verworgen zal."

Dus sprak hy. IJlings stond Alastor op, en trildeVan bruischend ongeduld, terwijl hy "Doodslag" gilde,En klaauwen toonde, met geronnen bloed omkorst,En 't bliksemteeken des Aartsengels op zijn borst,In d'ijsselijken strijd des hemels weggedragen,Toen Lucifer, vol schriks gedonderd uit zijn wagen,De onthelmde kruin verborg, en leenkroon, en gebied,En morgenstar, verzaakte, en God de zege liet.

Nu klonk het alles "Moord", en weder "Moord", in 't ronde;Dan "List", dan weder "Moord".—Met uitgezworen wonde,Steeds gapende, in den hals, en 't voorhoofd half geplet,Sprak Zardach: 't Is de list die Leeuwen voert in 't net;

Haar stemme ik. Kaïns kroost weet kunst met moed te paren;Het triomfeert gewis op woestaarts en barbarenTen zij men 't keer! 't Geweld mislukte ons eens. Wie weet…!Zoo hier een Sterker arm zijn rechten gelden deed!—Bezadigdheid en list zijn veiligst. 'k Ken dat wapen.Bekruip in vriendenschijn den vijand onder 't slapen;Mislei; bedrieg; vervoer! Ik openbaar niets meer,Maar leg wat ik vermag voor 's konings voeten neêr."

Tavoach grijnslacht. "'k Weet uw grootsche dienstbewijzen(Herneemt hy). 's Afgronds Rijk herdenkt ze met afgrijzenEn wellust. Satan-zelf, uw koning ging dus voor,En gy wrocht wondren uit op zijn doorluchtig spoor.Wien dankt hy, dan zijn list, geheel zijn rijksvermogen?Wien 't opstaan van de Dood? hy, schepper van den logen!En wy, wat danken we u, wat zijn we u niet verplicht,Misleider, na uw Vorst de schranderste onder 't licht!'t Belang der Hel alleen verbindt me, uw grootsche dadenTe smoren. Ja, de kracht des Afgronds is—verraden.Ga, dien by Kaïns zaad uw koning door 't bedrog!Ook de arm die machtigst is, behoeft de valschheid nog.En gy, Arioch! gy, Alastor! Gy verdelgers!Gy, die in 't moorden leeft, gy, bloed en tranenzwelgers!Wier drift geen prikkel eischt, geen voedsel voor uw gloed;Gaat! 'k laat u over aan u-zelven; moordt en woedt!Gy, aartsvijandigen van leven en bezieling,Spreidt, spreidt verwoesting uit, vergruizing, en vernieling!Voert, voert het Reuzendom dien bystand zichtbaar aan;En doet de ontvolkerde aard in vlam en rook vergaan!Dat Lucifer voortaan op 't licht moog zegepralen,Zijn stoel op 't aardrijk stichte, en God' in 't oog durv' stralen!Gaat, vliegt, Getrouwen, ik beziele u met den geestDes konings, die ook nog geen dreigende Almacht vreest!"

Hy sprak. Als 't dof gebrom van verre donderslagen,Op vleugels van den storm de dalen rondgedragen,En met den hollen galm van kluft en rotsspelonkAl romm'lend voortgerold in dreunend berggeronk,Verhief zich 't woest gejuich der Duivlen naar den hoogen;Klonk door, tot voor den throon van 't Eeuwig Alvermogen,En bonsde op 't wolkgordijn dat voor den zetel strekt,En 't vlekloos Wezen voor der Englen oog bedekt;Ja 't stoort één oogenblik de Choren onder 't zingen.Tavoach wendt het woord tot Edens bannelingen:"Gy hoort het (roept hy uit,) wy treên in uw belang.Vereent u thands met ons tot Kaïns ondergang!Uw afkomst zegepraalt; haar vijand gaat bezwijken.Uw Eden zij voortaan een Ararat van lijken!Wie wraak in 't leed bemint, onze Afgrond lacht hem aan:Zy is 't die wreken durft, al zou zy zelv' vergaan."—

De Helsche gruwelraad herrees en was ontbonden;Misleiding en verraad door 't menschdom uitgezonden,In nevelen omwolkt van ondoorzichtbre mist,Tot luchtkales gevormd voor 't gruwzaam kroost der List.Zy planen over 't dal der vette stroomolijven,Als duiven die in 't zwerk op vlakke vlerken drijven,Geen slagpen roeren, maar onmerkbaar in heur vaart,Zich hangende op de lucht ter neder zien op de aard.Hier strijken ze eindlijk neêr. Maar Sadrach neemt de ledenVan Grootvaâr Hanoch aan, om legerwaart te treden.De zilvren lok hangt langs zijn slapen, hol en blaauw:De baard bedekt de borst met achtbaar nevelgraauw:Zijn schedel nokt en schudt als 't schuddend popellover:Het rimpelvol gelaat buigt op zijn boezem over:Zijn oogen weemlen, als van d' ouderdom verdoofd;En 't lichaam gaat gebukt van de overwicht van 't hoofd;Een blanke lamm'renvacht hangt van zijn heup te zwieren;Een staf is in zijn hand om 't wagg'lend lijf te stieren;En, met den zachten tred eens grijzaarts, na aan 't graf,Daalt hy in 't holst der nacht voor Segols rustkoets af.

't Was fiere Segol, stoutste uit Kaïns Legergrooten!Argostan was met hem uit éénen schoot gesproten,Aan de eigen borst gezoogd, maar dappren Zimdrachs zoon;Hy, telg van Omra, die in Beth-ur had geboôn.De dood zijns broeders bracht zijn jeugdig bloed aan 't koken.Geen slaap had sints dat uur zijn heldenoog geloken.Zijn brein, aan 't woelen, smeedt ontwerpen, keer aan keer,Van staatsverheffing, wraak, en schittrende oorlogseer;En, afgefolterd door het mijmren, slaat aan 't walen,Gelijk een wervelwind in 't vluchtig zand der dalen,Of draaikolk, die in 't meir de schepen zwelgt aan 't strand,En dan weêr opgeeft uit het brakende ingewand.In dees gesteltenis treedt hem het Nachtspook nader:"Ken Hanoch (zegt hy), Zoon! der Kaïniten vader.'k Verliet het dompig graf om u, om ons geslacht.Hun nood drong tot my door in de onverstoorbre nacht.—Argostan viel—en gy, gy zult zijn plaats vervullen!—Maar 's Warelds diadeem moet haast uw kruin omhullen.—Rijs!—roep het Leger saam—het noodlot legt ze u toe!Vaarwel—en vrees geen dood, daar ik u 't lijf behoê."

De ontroerde Segol rijst. Het schijnsel is vervlogen.Hy geeft een woesten schreeuw, en wrijft de scheemrende oogen,Als Zilfa op 't geluid de veldtent binnen treedt;Zy, door den boei der min aan Segols hart gesmeed!"Mijn weêrhelft (roept zy,) wat ontrust u? Welke droomenBeroeren u? Wat geest, wat spooksel doet u schromen?'k Werd meê van Geesten op mijn nachtsponde aangerand,En sidderde voor u."—Zy vat zijn koude hand,Van 't kille zweet nog klam, en hangt hem aan de leden;Maar vruchtloos: hy is koel voor al haar tederheden.In 't eind, hy rukt zich uit hare armen. "Wees getroost(Dus zegt hy,) 't is geen schrik, waarvan my 't voorhoofd bloost!Aanschouw my! 't is de moed, 't is de eerzucht!—Mijn Geliefde,Ga heen, verban de vrees, die u den boezem griefde!Haast…. (of mijn hart bedriegt me, en 't voorspook dat ik zag,)Breng ik u 's aardrijks kroon; en—mooglijk, nog dees dag."

Hy roept. Men vliegt door een. Hy doet het heir vergaderen.Nu rijst de morgenwind en ritselt door de bladeren,En 's hemels graauw verbleekt, verheldert, en ontgloeitTot goud en purper, dat heel de uchtendkim omvloeit.—Men schaart zich.—Heel het volk had Geesten hooren wandelen;Gezuis van booggeschut, geruisch van wapenhandelen,En 't gonzen van den steen des slingers door de luchtVernomen; nu, doormengd van akelig gezucht,Dan, van een woest gehuil als onderaardsche winden;'t Aandoenlijk noodgekerm van afgejaagde hinden;Of 't brullen der hyene, in aanval op haar prooi.Een ooilam wierp, die nacht, in de aangelegen kooiEen ruigen leeuwenwelp, die door de kudde woedde.Een slang ontsprong aan 't ei waarop de stroomzwaan broedde!Een bloedwel had gevloeid uit beuk en eikenkloof.Dit alles was gezien; voor 't minst, het vond geloof.

De somberheid in 't oog, van heimlijke angst bekropen,Stond daar 't verminderd heir, in vier verscheiden hoopenSlagordenwijs gevormd: helaas! geen leger meer,Maar overblijfsel van 't nog gistren schrikbaar heir.Men schokt op 't aanzien van de ruimgeworden vlakteDie eerst hun kring benaauwde, en siddert van zijn zwakte.Men breidt zich uit, verdunt zijn rijen, en verbreedtDe Heirspits, en verbergt zich d' aanblik van zijn leed.

Nu biedt zich Segol aan. Hy draagt op bei zijn handenArgostans veldheerknots, gepunt met evertanden,En legt haar aan de spits des legers staatlijk neêr."Dit eenmaal zoo geducht, thands uitgediend geweer(Dus zegt hy), voegt de hand die aan uw hoofd zal strijden.Hy voere 't, die uw hals van 't dwangjuk mag bevrijden!Aan my behoort het niet. Ik, neêrgebukt van rouw,Blijf aan mijn broeder, aan mijn broederplicht, getrouw.'k Verwijt u niets, ô neen: gy hebt zijn dood gewroken:Ik zie geen handen hier van 't bloed diens broeders rooken.Doch duldt, dat ik me onttrekke aan zulk een legermacht,Waar 't oproer op één sprong zijn eigen Krijgshoofd slacht….(Een murmelend geluid ontstaat op deze woorden)En 't hoofdloos heir versmelt in onderling vermoorden(Dus gaat hy moedig en onafgebroken voort).—Waar zijn die benden thands, van 's warelds versten boordVerzameld door zijn zorg? waar zijn die Reusbekrijgers,Die—op 't vijandlijk bloed uit wraak verhitte tijgers?

Hun lijken liggen ginds op 't bloedveld uitgestrekt,Door d'adem van den wind met luttel zands bedekt,En 't blank gebeente zal na honderden van eeuwenBy onbekend geslacht nog wraak en gruwel schreeuwen,Wen spade of ploegstaart hier door 't vetgemeste dalOp hoofdscheelsplinters, ribbe, en heupbeen stuiten zal.Gaat, gaat, mijn broeders,—gaat met sleepende banieren,Uw uitvaart, geen triomf op uw bestrijders, vieren!Ik voer geen wapen meer; maar 't hart der woestenyZal me eenzaam sterven zien, gelijk de Woudos, vrij."

Hy keert zich weenende om. Het Leger, diep verslagen,Schudt als een korenoogst, waardoor de stormen jagen;Breekt ordning en gelid, omvangt hem in een ring,En roept: "Blijf dappre Held! gebied aan onzen kring!Aanvaard dit wapen, dat Argostans handen zwaaiden,Wanneer zy 't oorlogsveld met lijken overzaaiden!'t Behoort u. Kaïns heil hangt aan uw dappren arm:Wy allen, wy vergaan, ten zij hy ons bescherm'.Gebied!"—Hy andwoordt: "Hoe! ik u ter dood geleiden!Den arend van 't gebergt' uw spieren af doen weidenEn drenken met uw bloed? Gelooft gy 't, dappre schaar?Dat bloed is my te dier, dit viel mijn hart te zwaar!Hoe! 't menschdom, wijd verstrooid en door geen band verbondenDan, naauwlijks aangegaan of, ijlings weêr geschonden,Verdeelt, en levert zich, by hoopen, zonder krachtEen' vijand in de hand die trotscht op overmacht!Wat zou uw veldheer hier, wat zoude uw moedbetooning?Neen, schenkt aan 't wareldrond één heerscher, schept een koning!Hy schikk' van 's aardrijks macht, vereen' haar in zijn kroon!En ik, ik strij met u, en buig my voor zijn throon."—

"Wees gy die Koning, gy! Wien zou de scepter passenDan u, roemruchte held, ten oorlog opgewassen!U groeten we als Monarch des aardrijks. Heersch! gebiedHeel de aarde ontfange uw wet, zoo verr' haar 't meir omvliet!Wy stellen 't wareldrijk, ons leven, in uw handen.

Omstrenglen wy uw kruin met die gewijde bandenWaar 't Goddelijk ontzag van afstraalt! Neem hen aan!U zweeren we onze trouw, en—vloek die u weêrstaan!"Zoo roept men.—Segol zwijgt.—Nu knielt men aan zijn voeten:"Heil, Koning! Laat uw volk zijn meester thands begroeten!"—Men rijst, en heft hem op de schouders in 't geruischDer stemmen, juichend met een stormend stroomgebruisch,Dat sluizen openbreekt en dammen doet bezwijken.Daar staat hy, forsch van leest, gelijk een God te prijken,En schijnt geboren tot die grootheid. Hoog van borst,En rijzig van gestalt', verkondigt hy den Vorst,En slaat het oog om laag, als van een hooger orde.—Hy bindt den lijfriem om, die Hanochs heupen gordde,By 't Nakroost heilig, en door niemand sints geraakt.Waarin de chrysoliet met gouden vlammen blaakt,En strikt een heilig snoer, ontvlochten van de altaren,Voor blaauwe diadeem om de ongebonden hairen;Terwijl de lucht op nieuw van 't golvend juichen dreunt.—Nu stijgt hy, door den arm eens legerhoofds gesteund,(Als ware 't van een throon of hoogen staatsiewagen,)Den schouder staatlijk af, met d' arm om de axt geslagen,Die Hanoch had gevoerd. "Gy, wapen (roept hy uit),'t Geen thands een mindre vuist, maar Hanoch waard, omsluit!By u, en by die zon, die meineed weet te straffen,Zweere ik mijn' broeder wraak, en 't aardrijk rust te schaffen.Het bloed des Arbaliets zal boeten voor ons bloed;De wareld, veilig zijn van Reuzenovermoed.Ik zal des warelds juk op hun gebeent' verbreken;Of—faal ik in 't bestaan, haar op my-zelven wreken!Maar gy, mijn broeders! thands mijn kinders, mijn gezin!Gy, eenig voorwerp van mijn zorg en vadermin,Voor wie het my een plicht, een wellust is, te leven!Gy eischt het! 'k Ben door u ten wareldthroon verheven!Welaan! Gehoorzaamt thands den Koning dien ge u gaaft.Zijn wil is de uwe thands, gy hebt dien reeds gestaafd."

Hy spreekt en geeft bevel!—Gezwinde boden zwevenNaar 's Aardrijks uitersten, als door den wind gedreven,

En dagen wijd en zijd, op 's Konings ongenâ,Wat arm kan roeren, met houweel of akkerspa',Naar d' oever van den Frath om Hemaths heir te schragen.De zwervers van het West, die lynx en vossen jagen,De koordpees spannen, en in 't afgaan van den boogDen pijl bestieren met het halfgenepen oog;De herders, die den wolf op d' esschen staf verwachten;De bouwlièn, die door 't staal haars moeders schoot verkrachten;En zy, wie, naast aan 't Zuid, van 't golvend meir besproeid,De zeewind blakert en het lichaam samenschroeit;Met die den Hiddekel, waar hy in dorre heidenZijn stroomen rugwaart perst, door 't aaklig vlak geleiden;Die allen dagvaart thands zijn dwingend Rijksbevel.—Nu stelt hy wachten, die van Rigons pekelwelTot aan des Gezers bron, en na aan Hanochs wallen,Het heir bewaken voor vijandlijk overvallen,En, wierd men onverhoeds uit Arbal aangerand,Gebiedt, hier wijken, daar, verwoeden tegenstand.

Maar teedre Zilfa zag, in mijmering verzonken,Met angstig voorgevoel den ochtend doorgeblonken,En peinsde op 't geen zy-zelv' 't geen Segol, in de nachtGezien had, zoo vol schriks en siddrings doorgebracht.Nu schijnt haar woede en moord als voor 't gezicht te spelen!Dan ziet ze, als in een droom, zich-zelv' voor 't outer kelen!Dan weêr den donder, die haar Egâ 't hoofd verplet!"Ach!" roept ze, en werpt zich neêr voor 't dierbaar huwlijksbed,Dat Segol in haar schoot zag smelten, eer de woedeDes vijands tot den wal van 't lieflijk Bethur spoedde,Maar weduwlijk bewaakt sints de algemeene noodDen krijgsheld in den band der oorlogszorgen sloot.Hier knielt ze, en strekt zich uit, in weemoed, om haar zuchtenEen loop te geven, die geen tuigen heeft te duchten,En zwemt in tranen, als een sluimring haar bevangt.Haar docht, zy stond in 't woud, van dicht geboomt' omprangd,Van monsters aangegrimd: daar was noch weg noch open.Haar kleed, haar sluier, was met Segols bloed bedropen,'t Geboomte schudde van zijn wortel, wijd in 't rond.

Een golvende oceaan rees borr'lende uit den grond,Hief lijken in de lucht, die onder de aarde sliepen,En spoelde in d' afgrond weg, wie dobb'rend bystand riepen:En, daar ze in 't doodsgevaar in Segols armen vlood,Verzwolg haar, aan zijn hart, de zichtbre muil der dood.

Nu hoort ze 't blij gejuich, ontwaakt in duizend vreezen,En vliegt, nog half onthuld, en siddrend opgerezen,Haar Egâ te gemoet'! die intreedt met den trotsEens meer dan aardschen, meer dan sterfelijken Gods,De diadeem om 't hoofd.—"Ach (roept ze), 't is dan waarheid!Dees morgen ging dan op uit zulk een nacht van naarheid!Dank! heilrijk licht! heb dank! En gy, ô nijdig Lot!Barst uit! ik tart u thands met heel het Reuzenrot!"—

Zoo spreekt ze, en kust zijn hand. Hy strookt haar natte wangenEn voorhoofd, nog van schrik zoo wel als vreugd bevangen,Omarmt haar, en geleidt ze in 't binnenst van zijn tent.

"Mijn Zilfa (zegt hy), 't is aan 't Godendom bekend—Maar ach, wat Godendom! ik ben uw God, geliefde,Gy mijne. Ja, gy weet wat ooit mijn boezem griefde,Sints 't eerst bewustzijn ons in 's levens morgenstondDoor wederzijdsch gevoel voor de eeuwigheid verbond.Geen schuchtre maagdenblos ontgloorde uw frissche konen,En reeds waart ge in mijn oog de minlijkste aller schoonen:Geen jonglingsbloed bruischte in mijn boezem, als uw hartReeds met het mijne deelde in wenschen, vreugde en smart.En ach! herroepe ik u de tederste aller weelde,Toen liefde en lust en jeugd door beider aders speelde,Gy me alles wierdt, ik u! ô Zoete dweeperyVan 't harte, ô droombeeld! Maar die tijden zijn voorby:Eens mochten wy voor ons en onze liefde leven.Thands wordt me een andre plicht door 't noodlot voorgeschreven.Het lot der aard hangt aan mijn wenken. 'k Leef voor haar,En ken geen laffe min by 't dringend krijgsgevaar.Ik moet me, ô Zilfa, thands aan uwen arm ontscheuren.Hier baat geen wederstand, geen hartverslappend treuren:De nood beveelt. Maar meer! Uw eigen veiligheidVerbiedt dat ge in dit oord het doodlijk uur verbeidt,Dat 's vijands overmoed, den landpaal ingebroken,Heel Hemath andermaal van 't golvend bloed doe rooken.'k Zet vruchtloos wachten uit, breng volk by volk te veld,Terwijl hy als een vloed van 't hoog gebergte snelt,Het overschot verdelgt van wat hem weer moest bieden,En zelfs de wegen sluit om aan zijn knots te ontvlieden.Voor my, geen wijken duldt mijn glorie, noch mijn plicht.Mijn kroon verlies ik niet dan met het levenslicht.De dapperheid alleen bevestigt ze op mijn schedel:'t Zij verr' dat ik haar ooit door schijn van vlucht ontedel'!Doch gy, mijn dierbre, zoek uw schuilplaats in een oord,Wiens rust geen wapenkreet, geen krijgsallarm verstoort.Aan de overzij' des Fraths, daar 't bochtig strand de heideBepaalt, waar 't kroost van Seth zijn lammers jaagt ter weide,Rijst in abeelenschaâuw een overoud gesticht,Door Kenach, Enos zoon, ter woning opgericht:Dit zij uw vrijburg! Ga, beveel gy in die strekenIn Koning Segols naam."—Hy had voleind te spreken;De schoone staat verstijfd, de frissche rozengloedBesterft haar om den mond. De welbron van het bloedStaat stil in 't vloeien, met den levensslag der aâren.—Nu staat zy, sprakeloos, den krijgsheld aan te staren.—In 't eind: "Het is dan waar (dus zegt ze), en deze uw kroonOntrukt me uw hart!"—Zy snikt, bedaauwt de bleeke koonMet tranen, en barst los: "Onzaligste op deze aarde!Dit dan, dit was het, ja, hetgeen mijn ziel bezwaarde!Waarom ik slapeloos, en mijmrende, en verplet,Mijn bleeke lippen drukte in 't eenzaam huwlijksbed!Ja 't was mijn afscheidskus. 'k Verlaat u, dierbre sponde,Den boezem opgescheurd met de allerwreedste wonde:'k Word uitgeschud, verjaagd. Ik heb geen Egâ meer,'k Omarmde u voor het laatst zoo onuitspreeklijk teêr!—Vaar voort! voltooi uw werk, doorstoot my 't hart volkomen!Toon, toon my, die mijn plaats alreê heeft ingenomen!Verzend my niet; neen, trap mijn gorgel toe, barbaar!Wees Zilfaas beul niet; wees meêdoogend moordenaar!'k Zie in uw boezem, ja, geen vuur is 't, dat verkoelde;Nooit voelde uw ziel voor haar, wat zy voor u gevoelde.

Gy minde niet, maar 't was slechts veinzen van een vlam;Uit deernis licht, die deel in mijne zwakheid nam;En mooglijk is mijn hart u dankbaar voor 't misleiden,Dat zulk een bloemrijk kleed op zulk een afgrond spreidenMaar me éénmaal domplen moest in 't schrikbaarste aller weên.Dit immers wete ik dank voor 't geen my waarheid scheen!Dit, die verrukking, dit, die zaligheid van 't minnen!Dien hemel, uitgestort door ziel en hart en zinnen!Die zaligheid van weelde, een' stervling licht te groot!En wee! den vloekbren dag, die my het oog ontsloot!Maar, hebt ge uw boezem ooit tot deernis kunnen dwingen,ô Segol!—om dit vocht, dat ge aan mijn oog ontspringen,Mijn boezem baden ziet,—dat druppelt op uw hand;Ja, om de weelde-zelv' van 't huwlijksledikant,Ook u eens dierbaar, laat me uw ziel geheel doorlezen,Verberg my niets!—Uw wil…! hy zal my heilig wezen.'k Gun anderen met my deel in de Echtkoets, in uw hart:'k Zwicht voor uw voorkeur, ja, en overwin mijn smart.Maar zend me, ô dierbre, niet onmenschlijk uit uw oogen!'k Zal sterven aan uw zij' en met u oorelogen.'k Zal, weerloos, onbevreesd, met dees ontblote borstUw boezem dekken, en, van eigen bloed bemorst,De pijlen, u bestemd, in 't brandend harte vangen.Of wilt gij 't, 'k zal de knots in deze vuisten prangen,En liefde zal my kracht verleenen. Segol, ach!Maar, eer ik u verlaat, zie hier mijn jongsten dag!"—

Zoo spreekt ze, en klemmert zich met saamgestrengelde armenD' ontroerden Segol om de kniën, stokt in 't kermen,En, nederzijgend, bukt het voorhoofd op den grond.Hy grijpt haar in den arm en kust haar rozenmond:"Geliefde (zegt hy), neen! geen andre minnevonkenOntglommen in dit hart. Aan u is 't weggeschonken,En 't blijft u heilig. Neen, gy wierdt mijne echtgenoot,Mijn weêrhelft: mijn geluk, en eenig, tot de dood.Maar 't hoogst belang…! Ontzie het ijslijkst lot te tergen!Laat Segol van uw hart dit blijk van liefde vergen!

Geen klacht, geene achterdocht, en u en my te laag,Wanneer ik voor uw heil, voor 't aardrijk, alles waag!Mijn oogmerk is, den Reus op eigen grond te trotsen,Hem af te wenden, hem te ontrusten in zijn rotsen,Geen macht is hier by een, om, tast hy-zelf ons aan,Zijn dubbel overwicht krachtdadig af te slaan.'k Voorkom hem. Mijn getal, te zwak ons erf te dekken,Is machtig, wel geleid, zijn heuvels om te trekken,En aan te vallen, waar geen vijand wordt verwacht.'k Verdeele, op deze wijs, en wederhou zijn macht.Maar, 't stout ontwerp gelukk', het kan mijn' arm mislukken!Een enkle Reuzentroep doet Hemaths landstreek bukken!En, wie beschermt u dan, wanneer ik, verr' van hier,Op Arbal schrik versprei', hier Beth-ur wage aan 't vier?Genoeg! het moet zoo zijn. Mijn wil is u gebleken:Ik eisch gehoorzaamheid, en kan als Koning spreken."—

Hy zwijgt, en vaagt haar wang van 't overstelpend vocht.

Zy kropt haar zuchten op en hijgt naar ademtocht:"Welaan (dit hikt zy uit, door 't snikken afgesneden)!Verzeker my dat hart…! Maar neen, ik verg geen eeden.Zweer echter by die kroon die thands uw schedel drukt,En u den teedren arm der teêrste Gâ ontrukt,En by die heilige axt, die aan uw heup mag blinken:Zweer, eer de derde zon in 't Westen neêr zal zinken,Te storten aan dit hart, waarvan gy de adem zijt:En hoede—'t lot—de Goôn—uw arm—u in den strijd!"

Hy zweert haar. "Ja, ô ja, ik zal verwinnaar keeren,(Dees arm verstrekt my borg), en d' Arbaliet verneêren.Ik zie u weder eer de vierde morgen daagt,En kroone u Koningin, als hy mijn ketens draagt!"

Dus sprak hy,—Jonadab, de vlugste zijner knapen,Ontfing zijn last en roept het oorlogsvolk te wapen.Maar Iram, van zijn jeugd aan Segols huis verknocht,Bereidt zich tot gelei' van Zilfa by heur tocht.De nacht rolt middlerwijl haar sluier over de aarde,Sluit d' afgeronnen dag, die zoo veel wondren baarde,

En levert aan den slaap wat bloed of adem heeft.Het schrikgedierte-alleen dat in het duister zweeftGaat om, en snort door 't woud met piepen, krassen, knappen,En schijnt het naadrend licht met angst te moet' te stappen,Of rouw te spellen aan het menschdom. Maar het lotVervolgt zijn loop en kent geen meester dan in God.—


Back to IndexNext