VIERDE ZANG.

Geen morgenzon had nog het hoofd weêr opgebeurd:De nevel van de nacht was naauwlijks nog gescheurd:Reeds zweeg het nachtgespuis: nog zwegen de orgelkelenDer bosschen. Nacht en dag scheen door elkaâr te spelen;Niet, als de roos der wang, met donzig lelieblank,Of 't git der oogen, met des levens flonkersprankVersmolten, maar als 't groen der gladgeschubde slangenIn 't zilver zich verliest, met weemlend beurtvervangen:Als Segol, brandend van ontembren oorlogsgloed,Des uchtends traagheid door zijn voorspoên blozen doet.Hy schaart zijn benden; deelt haar wapens. Boog en pijlen,Geschouderd, en gepaard met knots en akkerbijlen,In riemen vastgehecht, en aan de heup gegord,Bewaapnen elk soldaat in ieder krijgskohort:Een zesmaal twintigtal, de bloem der Hanochieten,Vervult de stoute vuist met zware pijnboomsprieten,In Arbal-zelf gehakt, ontbloot van tak en schors,Onwrikbaar in hun arm, en als die armen, forsch.Dees zijn des Legers kracht, op wie zijn hoogst vertrouwenZich vest. Zy treffen 't oog by 't staatlijk wapenschouwen,Als stieren, breed van hoofd, met kromme hoornenprachtEn breedgewelfde borst, de roem van hun geslacht,In 't midden van een drift van rundren, in de weidenZich door hun fiere schoft en houding onderscheiden,De wolf verwachten op een voorhoofd van metaal,En trots biên aan de knots als aan de vlijm van 't staal;Zoo pralen ze in de rij. De standaart van hun koningMaakt in hun middelpunt een schrikbre prachtvertooning,Door 't afgehouwen hoofd eens luipaarts, op een spits,En strekt heel 't leger op hun wapentocht ten gids.Hy splitst zijn oorlogshoop in drie verscheiden drommen,In rijen opgestuwd tot buigende kolommen.Een aandeel, met den bijl in d' elboog, streeft vooruit,Waaraan zich 's legers kracht op kleinen afstand sluit,Met Segol-zelv' aan 't hoofd, verzeld van legergrooten.Van achtren wordt de stoet door schuttren opgesloten,Wier pijlen ramm'len in hun kokers, of den moordReeds aâmen, drillende op het half gespannen koord.

Dus trekt men Noordwaart aan langs Gihons kronkelstroomen;Doorwaadt ze, en naakt het woud van olm- en beukenboomen,Dat boven d' oorsprong van de kruipende Esch zijn kruinVerdicht, en 't veld bekleedt met schaduwachtig bruinEn lommer, waar geen straal van zonlicht door kan breken.Hier gaârt men kondschap uit de bygelegen streken,En wint berichten, dat de vijand wijd uit één,In kleene hoopen zwerft, door boschjens afgesneên,Op aanval onbedacht, en min, op zelfverweeren:Hier, sluimrend uitgestrekt; daar, wolf en winterbeerenVervolgend door 't gebergt'; of, zwelgensmoê van 't bloedDer lamm'ren, versch geslacht aan 't wed van Gezers vloed.

De Vorst beveelt een deel den Gezer om te trekken,En langs den heuvelgrond zich Noordwaart uit te strekken,Terwijl de legerkracht den Pizon oversteekt,En, van den lager grond, in Arbals landpaal breekt,Den Reuzen opdaagt, als een donder, uit het ZuidenGebliksemslingerd eet de wolken samenkruiden:Daar de achterhoede haar aan d' uitgang van het woudDe rug moet dekken en den hertocht veilig houdt.

Nu toont zich de Arbaliet, die, achtloos by zijn feesten,Het bloed en merg verslond van slacht- en offerbeesten,Uit Hemath weggevoerd. De wapenschreeuw gaat op;De schichten vliegen: daar, van elken heuveltop;Hier, midden uit den drom der naderende troepen,Die Hanoch, Segol, Wraak, en Bloed, en Doodslag roepen.

De reuzen ploffen straks door 't vliegende geweerBy menigte, in de vlucht, of eer zy opstaan, neêr;Doormengen met hun bloed het bloed der runderdieren,En sterven, met den tand in 't vet der lamm'renspieren;Vertreên elkander in verwarring, schrik en vrees,Onwetend van wat kant dit baldrend onweêr rees.De slachting hoopt de vlucht. Reeds storten lijk by lijken,En stervende, op elkaâr, die in hun bloed bezwijken;Hier, door een felle schicht genageld aan den grond;Daar, maehtloos uitgestroomd in 't vloeien van hun wond;Met knie of heup verlamd, en kruipende op de handen,Of worstlend met de dood, gehaakt in de ingewanden;En brakende in den gulp die keel en gorgel stikt,De long en 't purpren bloed, tot éénen klomp verdikt.Een deel ontvlood alreeds, maar vliegt, in nieuwe pijlenDe dood weêr in 't gemoet, terwijl zy haar ontijlen.Nu breidt het heir zich uit: en vaart op 't doodlijk veldAfgrijslijk rond, terwijl de bloedstroom telkens zwelt.Men trappelt met den voet, men kneust, en splijt, en plettert,Wat nog de leden krimpt of met de tanden knettert.En knots en polaxt zwaait meêdoogenloos, en treft,Wat uit dien poel van moord nog hoofd of arm verheft.Reeds vleit zich 't grimmig hart met lichtbehaalde zege.Het overvallen rot verstrooit zich allerwege,En wijkt te bergwaart heen, in 't brullen van "verraad",Terwijl 't verwinnend heir wat stand houdt, nederslaat.

Zoo deed Beäldar: hy, in d' opgang van zijn leven,De schoonste jongling uit den Reuzenstam; gestevenDoor vijftien knapen, op zijn oorlogsroof vergast,En, met hem, wapenloos door 't pijlgegons verrast.Dees vat een boomtronk; die, wat de afgeknaagde schenkelsHem leevren tot geweer. Het bloed omspat hun enkels,En alles dreunt in 't rond van 't snorren van den boog,En nog geen vijand, die zich aanbiedt aan hun oog!In dolheid vliegen zy d' onzichtbren aanval tegen.Vijf hunner waren reeds doorboord en neêrgezegen,Eer 't opwaart rukkend heir van Segols oorlogsvolkZich toonde, en uitbrak uit een stof- en nevelwolk.'t Verschijnt. Zy vliegen toe met de ijsselijkste slagen,Om, elk, met zich in 't graf een vijand meê te dragen,En alles davert. Een van Segols krijgshoop sneeft;En heel zijn legerspits bewondert hen en beeft.Hun wapen echter zwicht. Omringd van alle zijden,Zijn 't leeuwen, die met tand en bloote klaauwen strijden,En, in een breeden kring van jagers dicht omzet,Met vijftig knotsen in een oogenblik verplet.

Slechts enklen vallen nog, in 't vlieden rondgedreven,Den Kaïniet in d' arm; verdedigen hun leven,Of zoeken, stervend, wraak: Maar welk een wederstand,Van strijdren, reeds vooraf door doodschrik overmand!

't Gerucht stijgt middlerwijl, en weêrkaatst door de bergen,Dat Kaïn d' Arbaliet op eigen grond koomt tergen,In 't bloed zijn stappen zet, en moord, en schrik verspreidt;En 't Reuzenhart zwelt op met dubble grimmigheid.Een aantal jaagren vliegt, verzameld in de bosschen,En laat den ever daar, en hertebok, en losschen,Vereenigt zich, en trekt geregeld op en stout,Maar stort door 't booggeschut in d' uitgang van zijn woud.Een sterker krijgshoop schiet van d' Oostkant uit spelonkenEn holen op, gevoed met raauwe menschenschonken,En niet dan menschlijk in gedaante: tijgerfel,Verscheurende of verscheurd, en helscher dan de hel.Dees stuiven woedend aan, van stuivend stof omgeven.De Koning zag een wolk ten hemel opgeheven:Hy ziet haar naadren, en een uitgebreide rijZich opdoen, brullende van schrikbre razerny.Hy schaart zijn bende op nieuw, beveelt haar toe te treden,En voert zijn speerhoop aan, verdubbeld in geleden,Die met gevelde spriet in welgesloten dromDen schok ontfangen moet van 't grimmig reuzendom.Vijf rijen voor elkaâr, van aangelegde speerenVerdedigen hun spits om d' aanval af te keeren,Waarachter 't boogvolk met den uitgerekten peesDen pijl reeds toelegt, voor hun vijand vrij van vrees.De Reus veracht dien hoop, zoo dicht in één gedrongen,En waant haar even snel verpletterd als besprongen;Vliegt toe. Een pijlzwerm snort; stijgt uit dien krijgsdrom op;Valt als een hagel neêr; bestelpt hun hals en kop;En treft in ribbe en borst: en twintig hunner bijtenIn 't zand, en spuwen 't bloed met d' adem onder 't krijtenVan "wraak"; en 't woord van wraak wordt duizendwerf herhaald,Terwijl op 't oogenblik een tweede hagel daalt.Nog vijftien tuimlen by hun broeders. Nieuwe woedeBezielt die tijgers thands. Zy storten dol te moedeOp 't leger, met een vaart, door niets te wederstaan,De knotsen in de lucht, gereed om toe te slaan.Zy vallen schaatrende in. De fiere HemathietenOntfangen ze op de punt van hun gevelde sprieten,Dat borst en borstbeen knorst, en knarst, en barst, en kraakt,En de opgereten buik zijn ingewanden braakt,Terwijl de slagen flaauw op 't taaie pijnhout breken.Zy zijgen spartlend neêr, en grijnz'len en verbleeken.Men werpt zich andermaal op de ondoordringbre spits,In nieuwen aanval en met dubbel volkgemis;Herhaalt het zevenwerf met steeds verdubbeld pogen,Terwijl de lijken vast tot stapels doôn verhoogen,'t Gedarmt' zich kronklend aan de legerspeeren hecht,Of, over de aard gesleurd, zich om de voeten vlechtDes strijders, die, verward, en in hun plooi benepen,Zich, struiklend, in den dood zijns makkers meê voelt sleepen.'t Gekerm verdooft het oor, en 't woedende misbaarLoeit dwarlend door 't gegil. Men worstelt door elkaâr,Vertrappelt, wat er viel, en glibbert in de plassenVan 't uitgestroomde bloed, die steeds onmerkbaar wassen.Men breidt zich uit en valt den krijgstroep in de zij'.—Vergeefs! dezelfde punt verdedigt ieder rij;En, als een egel, die, met uitgestoken pennen,Den dashond bassen hoort en op zich af ziet rennen,Zich als een hairbol in zijn stakklen samentrekt,En 't lijf den tanden biedt, van alle kant gedekt,Hoedt Segols schrandre vond zijn bende voor 't bespringen.'t Is heirspits, wat men ziet, onvatbaar voor 't doordringen.Het rot der Reuzen grimt in 't rond, gelijk een leeuwDie, brullende uit den buik met hongers scherpen schreeuw,Den schaapsstal omvliegt en geen open weet te vinden.Zijn brandend oog en muil aâmt moorden en verslinden;Hy zweept zijn lenden met den geessel van zijn staart,En bonst op deur en muur, en tuimelt over de aard,En mat zich woedende af, met opgesparde tandenEn nagelkrommen klaauw, op de onbeweegbre wanden.Zoo brult en briescht men om de speerbende; ijlt uit één;Vliegt nogmaals toe; en deinst in wanorde; en stuift heenBy hoopen, smal gedund; en proeft op nieuw in 't wijkenDe schichten, die op nieuw een menigt' doen bezwijken.Vierhonderd laten zy op 't slagveld in hun vlucht;En Kaïns zegekreet klinkt daavrend door de lucht.

De Vorst beveelt het heir zijn vleugels uit te breiden,En treedt aan 't voorhoofd op. "Gy ziet dees woeste heiden(Dus zegt hy) met het bloed des vijands overstroomd,En d' onbedwingbren leeuw van Arbal ingetoomd.Men steek' den feestklaroen, dien schrandre Jubal smeedde,Ten teeken van triomf, en schenk' het Noorden vrede!Den krijgsplicht is voldaan. Geen vijand was bestand;Thands voeren we onzen roem in 't juichend vaderland.Versterkt uw harten thands." Hy wenkt zijn Legergrooten."Gaat, (zegt hy), 't is genoeg, de veldtocht zij besloten!Een vlugge bode streef naar Gezers bron en roep''t Bevel van aftocht aan den uitgezonden troep!"

Hy zwijgt, de bode vliegt.—'t Vermoeide heir hukt neder,En spijst met luttel broods. Een flesch van runderlederVerfrischt, uit Gihons stroom, hun uitgedroogde borst;En 't heir herneemt zijn weg op 't teeken van den Vorst.

Intusschen was een drom van Reuzen uit het NoordenDen bergreep afgevloeid tot aan de Gezerboorden,En had de schutters door zijn menigte afgesneên.Daar streed men. De overmacht der forsche reuzenleênBestelpte 't siddrend rot, reeds uitgeput van pijlen,En tot zijn knots bepaald en aangegorde bijlen.Het streed, maar, zonder hoofd, in luttel tijds verplet.Slechts enklen, door de vlucht in 't kreupelbosch gered,Ontduiken daar de dood. De krijgsbô ziet hen vlieden,Herkent gestalte en dosch van Segols oorlogslieden,En keert, den schrik in 't hart, naar 't reeds verdwenen heir.Een stofwolk ziet hy nog, maar nergens leger meer.Hy dwaalt, en mist het spoor door 't rijzen van de heuvelen;Ontmoet een vijand, strijdt wanhopig, doet hem sneuvelen;Maar zinkt op 't bloedig lijk en blaast den adem uit.

Het heir, te middlerwijl, was, nergens nog gestuit,Thands op den lager grond den Pizon weêr genaderd,Die honderd banken vormt, met dieper kil dooraderd.De Koning voert het heir van d' oever af in 't nat,By smalle hoopen, en geleidt het over 't wad,Hier plasschend tot de kniên, en elders (naar het glooienVan d' ongelijken grond) tot de opgeschorte plooienDes mantels, in den riem om 't middellijf geklemd;Terwijl een kleene hoop door 't dieper water zwemt,Met de armen om zich roeit, en door de golving spartelt,Of, op zijn vlugheid stout, al duiklend speelt en dartelt,Het vocht met handen schept, en argloos zich vermeidt.De Koning treedt hen voor met fiere staatlijkheid,Wanneer hy, nu gereed op d' overboord te steigeren,Een Reuzenhoop verneemt, die toe- en doorgang weigeren.De schrik verspreidt zich in zijn krijgren op 't gezicht.Hy-zelf, hy grijpt een boog, en drijft den eersten schichtEen' vijand door de borst, die neêrstort voor zijne oogen.Nu vliegen, op zijn stem, tweehonderd legerbogenIn éénen adem los, terwijl men opwaart klimt,Zich rugsteunt, opstuwt, en den woestaarts tegengrimt,Die saamgeraapten steen en zware beukentakkenOp 't wadend leger uit hun hoogte nedersmakken,En, waar men d' oever zoekt, met knotsen, rood van bloed,De hoofden brijz'len en doen wentlen in den vloed.Vergeefs een kleen getal door borst en hart getroffen,Een menigte ijlt weêr toe voor hun die nederploffen,En groeit op elken stap. Het wagg'lend heir staat stil,En wacht de onfeilbre dood in 't midden van den kil.

De koning staat versuft.—Hij voelt zich 't voorhoofd bleeken.De schaamte ontvlamt zijn borst en doet zijn oog ontsteken."Op! helden (roept hy), die van's vijands bloed nog druipt!'t Gevaar ligt in de vrees, wanneer zy 't hart bekruipt.Uw Koning streeft u voor; hebt moed hem na te streven,En, sterv' wie strijden kan, en vatbaar is voor beven!"

Hy spreekt. Hy rukt den spriet een' krijgsman uit de hand,En stoot den sterksten reus, van ondren op, in 't zand:

Een tweeden, dwars door 't hart, een derden in 't verheffenDer knots, door d' oxel heen, eer nog zijn arm kan treffen.Zy vallen; en de Vorst, door nieuwe drift ontgloord,Wint, in één oogenblik, de steilte van den boord.

Hy staat. Zijn gloeiend oog ontzet den moed der reuzen;Zy deinzen. Maar een steen, die 't hoofd hem dacht te kneuzen,Vliegt uit eens vijands hand, en slingert langs zijn borst,En, 't Leger geeft een gil en siddert voor zijn Vorst.Hy duizelt, zinkt te rug, het bloed schuimt door zijn lippenBy golven, en zijn hand laat knots en wapen glippen.Men ondervangt hem daar hy neêrzijgt, dringt verwoedHet Reuzendom op 't hart, en steigert uit den vloed;Omringt den Koning, die, met de oogen halfgebroken,"Voort, Hanochs nakroost!" roept, "uws Konings bloed gewroken!Voor u is 't dat het vloeit." Hy eischt een watertoog,Heropent, met een lach, het ingezonken oog,En spoelt den mond van 't bloed, dat borrelde uit de longen:"Neen (zegt hy), zege en kracht zijn Segol niet ontwrongen.Hy leeft nog, tot de straf van 't gruwbre Reuzendom!En gy, mijn dierbaar volk, gy hebt uw Vorst weêrom."—

Hy spreekt, en doet hen flux de pijnboomspietsen vellen,En in driedubble rij den vijand tegen snellen.Zy horten hem op 't lijf, en breken door zijn drom,En werpen met één bots geheel zijn heirspits om.Nu vliedt hy, met den schrik, den doodschrik, op de hielen.—De boogpijl vliegt hem na, met moorden en ontzielen,En Segol leidt zijn hoop aan 't lommerspreidend woud,Dat de achterhoede by den ingang veilig houdt.

Zoo dacht hy. Maar vergeefs de krijgstromp hier doen hooren!Geen andwoord!—Hy genaakt: wat koomt zijn oog te voren!Geen legerbende meer?—Een aantal lijken dektDen grond, waar heen hy ziet, zoo verr' het oog zich strekt:Hier, strijdende gedood, met borst en voorhoofdschedelGespleten; daar den rug, als vluchtende en onedel,Gekneusd: hier, hoopsgewijs, en 't wapen in de hand;

Daar wijd en zijd verstrooid, als weerloos aangerand.Het bloed, op de aard gestald, maar rood, als versch vergoten.—Het leger zucht, en rilt, en kent zijn tochtgenooten,En, enkle reuzen, meê in wederstand geveld.

Nu voelt zich 's Konings hart van killen schrik bekneld.De hairen rijzen hem te berge van de ontroering;Hy stampt, en slaat de hand in schrikbre driftvervoeringOp d' open boezem; rukt de sluierkroon van 't hoofdEn geeft een heeschen schreeuw, die lucht en wolken klooft.Men vliegt al siddrend toe: Hy ziet zijn bende beven,Bedwingt zich; tracht zijn borst den adem weêr te geven;En breekt in klachten uit, maar op den sombren toon,Die aan een Koning voegt, het evenbeeld der Goôn."Goôn (zegt hy)! Kan het zijn? Terwijl we in 's vijands streken't Gebergte van zijn bloed, zijn stroomend bloed, doen leken,Weidt hier zijn woedende arm door onze broeders rond,En verft, van zijnen kant, den volgezwolgen grond!Wat doen wy?—Keeren we om de moorders na te sporen?—Maar welk een lot misschien werd Hemaths dal beschoren!Licht heeft zijn moedwil daar….! Verhoed het, gunstig lot!En, sterk mijn arm ter wraak, vermoogt gy 't, Oorlogsgod!Mijn vrienden, spoeden wy ter redding onzer panden!Licht, dat dit oogenblik heel Hemaths daken branden!Licht, dat de ontmenschte Reus en maagd en kinders moordt,En in ons dierbaarst bloed … (Mijn tong verstijft op 't woord.)Zijn wreede klaauwen wascht!—En wy, in ijdle woede,Wy laten huis en have en telgen zonder hoede?Koomt! vliegen we, of de spoed dat jammer nog voorkwam!"

Zoo spreekt hy, leunt zich aan een halfontblaârden stam,En zegt: "Gy offers van uw plicht! Ik zal u wreken:Ja, schoon mijn woedende arm den afgrond op zou breken,Haar, wapens vordren, meer verdelgend dan het zwaardDes Engels, dat om hoog ond Edens poort bewaart!

Rijs, vader Hanoch: rijs ter grafsteê uit! OmwemelUw afkomst met uw schim! Omnevel' zy den hemel!Neem uw bescherming weêr, maar, schaf my 't zoet dier wraak,Dat de allerlaatste Reus van mij den doodslag smaak!"

Hy zwijgt; treedt peinzend voort. Het leger volgt zijn schredenin sombre mijmering en nare angstvalligheden.'t Draagt thands den schedel, 't draagt de borst niet meer zoo hoog;Geen vonkling meer dier vreugd, die tintelde in hun oog:Hun schrede klinkt niet meer, als wilden ze onder 't stappenHet aardrijk door 't gewicht van 't fiere lijf vertrappen,Daar de opgeheven blik zich uitbreidde in het rond,En tuige voor zijn roem in ieder voorwerp vond.Neen, sleepende van tred, met neêrgeslagen blikken,Schijnt de adem in de borst van heimlijke angst te stikken.En moedloos hangt het hoofd, als wilde 't aan den dagOntduiken. 't Hart beklemt een halfversmoorend achVoor 't vrolijke gejuich, waar 't straks van overvloeide,En 't schijnt een ander heir dan eerst uit Hemath spoeide,Den dood in Arbal spreidde en uit des Pizons vloedVerwinnaar wederkeert. De spijt doorwoelt het bloed,Doch bruischt en kookt in 't hart, en doet de kaken bleekenVan radelooze drift by onmacht zich te wreken.De nacht daalt middlerwijl, en valt, als plotsling neêr;En 't dichtbewassen woud heeft zelfs geen schemer meer.Hoe fel ook 't harte dringt, hoe heet de boezems blaken,De duisternis verplicht den legertocht te staken.De Koning geeft bevel. Men kiest een rijzend vlak,En sticht een avondvuur van kruid en heestertak,En houwt een beuk om verr' tot voedsel voor de vlammen.Nu velt men wijd in 't rond een aantal oude stammenMet breedgetakten top, en werpt ze met hun kruinNaar buitenwaart, en vlecht hun armen als een tuinTe samen, om het heir voor overval te dekken,Of (licht) de ontstoken gloed een vijand aan deê trekkenOf woedend roofgediert' dat omdwaalt by de nacht.Een deel der krijgren houdt aan alle hoeken wacht:Het oovrig strekt zich uit. De Koning, warsch van slapen,Zit op een boomtronk neêr, en houdt zijn bloedig wapenIn d' arm. Zijn schouder drukt met zijlings hangend hoofdEen jeugdig appelhout, dat nog geen vrucht belooft.Dus mijmrend, roept hy een der dappre Legergrooten('t Was Régol, met hem uit Mechujaël gesproten):"Mijn Régol (zegt hy)! deel, in dit zoo aaklig uurMijn nachtwaak, by den glans van 't koestringaâmend vuur.De rust is voor 't gemeen, dat niet dan d' arm kan roeren;Geen Vorsten, die 't bevel van rijk of leger voeren.Ons lost van onze wacht geen nacht, geen duister af;Voor ons geen andre slaap dan in den schoot van 't graf!Zit neder.—Grijzaart, aan wiens witbesneeuwde hairenDe winters zichtbaar zijn, u over 't hoofd gevaren,'t Zwijgt alles om ons heen. Alleen de zorg in 't hartWaakt met ons in 't gevoel des angels van de smart.Meld, meld my (want gy dronkt de wijsheid onzer vaderenMet gretige ooren in, en zwelgt haar in uw aderen),Wat lot, wat gruwbre macht, die lust in tranen schept,Dees schrikbare aard regeert, zoo gy 't vernomen hebt.Waar, waarom treedt de Reus, uit bastaartzaad geboren,De wareld op den nek? Wat Godheid in haar torenBracht ons, ons menschen, voort, en doemde ons weêr tot stof?Wat dicht men van de lust van d' ongezienen hof,Dien vader Hanoch nooit, dien Kaïn nooit aanschouwde,Maar dien (gelijk men wil) de hand van Adam bouwde?Wat zwoegen we op deze aard, en moorden, en vergaanDoor eigen handen, wy? en bidden Goden aanDie niet verhooren? Spreek."—De Grijzaart schudt zijn lokkenDie glinstren by het vier, als verschgesneeuwde vlokken,Terwijl zijn voorhoofd bloost. "Mijn Koning (roept hy uit),Neen, waan niet dat ik die verborgenheid ontsluit'!Ik zag Mechujaël, mijn Grootvaâr, in zijn grijsheid;Maar lijden: maar geduld, niets anders, was zijn Wijsheid.Hy drong niet verder in 't ontzachlijk Albewind;Maar boog het needrig hoofd, in lot en hemel blind.Dit echter leerden my der vaadren Dichtverhalen:Één Wezen, 'tgeen geene aard, geen hemel kan bepalen,Wrocht alles, en regeert het geen Hy oorsprong gaf.Dit aardrijk werd vervloekt, der menschlijkheid tot straf.Onze Oudren vielen af, van uit een hooger orden.Dat Eden, Adams Hof, is hun ontzegd geworden.

God trok zijn invloed van het aardrijk, en een stoetVan mindre Goden heerscht op 't lichaam en 't gemoed.Zy storten, naar 't hun lust, verdelging uit en woede,En nemen hier de deugd, daar boosheid, in hun hoede.Wy offren hun.—Maar in mijn kindschheid nog bestondDe stam van Kenos, die, met de Almacht in verbond,Haar eenig rookte, aanbad en offerde op de altaren.Wat zoude ik u hun leer van 's menschen val verklaren?Van Hemelgeesten? van gedoemden? van den staatDer zielen, als heur walm het stervend lijf verlaat?—Ik volg het voorbeeld na, en 't voorschrift van mijne Ouderen,En nimmer nam ik 't juk dier dweepers op mijne schouderen,Dat boete, onthouding, eischt, en afstand aller vreugd.Ik zag hun aanhang ook verdwijnen sints mijn jeugd.Één huisgezin alleen bestaat nog, naar 't vermeldenVan 't loopende gerucht, niet verr' van Arbals velden,En schuilt in nevelen by 't steeds omwolkt gebergt'.—Zie daar het gene ik weet van 't geen uw weetlust vergt!Doch, wilt gy, 'k zinge u een van Enos offerzangen,Uit de oudheid, eeuwen door, van hand tot hand ontfangen?"

De Vorst bestemt het; en de Grijzaart ving dus aan:"Gy, ongeschapen bron van leven en bestaan!Gy, onbegrijpbre, die uw ontoegangbre glansenOmnevelt met de zon: wiens lof de morgentransenVerbreiden met het licht! Gy, Almacht, Gy gebiedtEn 't is er; roept, en 't wierd, entsprongen uit het niet.Gy breidt uw handpalm uit; 't is weldaad en bezieling!Gy sluit ze, en al wat is, stort ijlings in vernieling!De Duivlen siddren, en het Englendom ontzet,Waar heen Ge uw opslag wendt, die bliksemend verplet.De Cherubijn bedekt het aanzicht voor den luisterDes zetels dien Gy drukt, omvloeid met vlammend duister.De starren wandlen op uw wenken. Dag en nachtEerbiedigen uw wet. Maar 't zondige geslachtDer aarde onteert uw naam door schuldige euveldaden.Genadige! Zie neêr: zie ons in tranen baden!Ons! afgevallen—ons! van U verwijderd kroost,Maar in uw heilbelofte, in al uw wil, getroost.

Aanbiddend buigen wy, en kussen alle slagenDer hand, wier roede ons treft; want Gy geeft ze ons te dragen.Ja, tref ons, Vader! tref, doorgrief 't verdorven hart!Doorlouter 't uit genade, en reinig 't door de smart!Maar neem, Algoede, ô neem onze onderworpen beden,Neem deze onze offers aan! ach, enkle nietigheden,Maar die Gy heiligt door den boezem waar Ge in straalt!Wy, wormen uit het slijk, beneden 't slijk gedaald,Wij weten 't: eens zal de aard met de aardsche lust verdwijnen,De heemlen opgaan als gescheurde tentgordijnen,En Uwe ontzachtbre wraak zal dondren door 't Heelal,Wen Uw geheiligd Recht de vierschaar spannen zal.Dan sterft de boosheid, de verworpene in uw toorne!Dan werpt Ge in eeuwig vuur den distel met de doorne,En sticht het Godlijk Rijk, vol waarheid, deugd en plicht!ô Heilige! beveel; en daag dat heuchlijk licht!"—

De Koning blijft een wijl als van een droom bevangen."Neen, Régol (roept hy)! neen, dit zijn geene Aardsche zangen!Die Godheid, die gy meldt, gaf ze in. Die Godheid leeft!Die is het dat ik eer; die, voel ik, dat me omzweeft!Ik wil die vromen zien, uit Enos voortgesproten:Ontbied hen. 'k Heb voorlang die valsche Goôn verstotenDie gruwlen dulden, ja bevelen. 'k Bid geen Maan,Geen Starren. 'k roep geen Zon tot mijn bescherming aan:Mijn arm was my genoeg. Maar in deze oogenblikkenGevoel ik me aangetast door onverwinbre schrikken.Neen, de arm eens stervlings is te nietig: en ons lotDrijft zeker op den wenk van één beschermend God,Die wreken, straffen zal, en weldaân voor, te jammerenDes levens spreiden wil. Hem koomt het bloed der lammeren,Hem 't smokend rundervet op 't heilig outer toe!Hy zij des aardrijks God, wanneer ik 't bukken doe!"—

In yver rijst hy op. "Ja (zegt hy), ijdle spoken,Vergaan zy, die voortaan op uw altaren rooken!"—

"Mijn Vorst (zegt Régol)! 'k Heb Argostans val gezien.

Gy met my. Welk een macht deze aarde moog gebiên,Geen stervling is in staat met hooger kracht te strijden.De Goden in de lucht verdelgen en bevrijden.Vier eeuwen voert mijn arm de legerknots met roemVergun my, dat ik u de waarheid niet verbloem'!'k Zag duizendmaal de kracht bezwijken: duizendmalenDen moed bedrogen, en de zwakheid zegepralen!Ja, 's menschen arm is stof. Hy trotsch' de Geesten niet,Wier ongeziene hand de kans des strijds gebiedt!"

Dus sprak hy, week ter zijde, en Segol bleef verzonkenIn mijmring.—'t Vuur verging in gloeiende asch en vonken.Zijn hoofd boog neder op zijn boezem, en de rustBesloop zijn leden met een zachte sluimerlust.Nu stond hem 't achtbaar beeld van Hanoch weêr voor oogen,Maar, 't lichaam niet verzwakt noch op den staf gebogen.En helder licht straalde uit zijn boezem op hem af,Alsof de omwolkte maan haar zilvren schijnsel gaf;En de uitgebreide palm der opgeheven armenScheen zeegnende uitgestrekt met vaderlijk erbarmen.De Vorst knielt neder, vol van eerbied en ontzag;Maar 't ratelt om hem heen van bliksemslag op slag;Zijns vaders oog ontroert. Hy ziet zijn handen vallen,Zijn aanzicht afgekeerd; en, nieuwe donders knallen,Wanneer een nachtzwerm van gevogelt' door de luchtZich opheft en die glans omnevelt met zijn vlucht.Thands hoort hy 't scherp gesis van schuifelende slangen,Die slingrende om zijn lijf, zich aan zijn leden hangen,Zijn horst benaauwen, en met ijsselijken beetHem 't hart verknagen dat steeds aangroeit onder 't leed.—Hy siddert, hy ontwaakt, met doodzweet overdropen.—Maar de akelige nacht is midd'lerwijl verloopen.Hy ziet den schemer van den morgen; wekt het heir;Breekt op; en daalt, door 't woud, naar Hemaths laagte neêr.

Men spoedt.—De dagvorst steekt het voorhoofd uit de kimmen.Men zag den Gihon thands van zilversprenkels glimmen;Het Leger' won den stroom; doorwaadde 't; en terstondVertoont zich 't groen tapeet van Hemaths vruchtbren grond.

Nu ging de blijmaar op van 't zegevierend LegerIn Hemath weêrgekeerd. Geen stem, geen adem zweeg er:'t Juicht alles. Alles streeft den Koning in 't gemoet,En strooit hem rozen, strooit narcissen voor zijn voet."Wees welkom (roept men), Vorst, in 's Hemels gunst gegeven!Verwinnaar! Heldenhoofd, voor wien de Reuzen beven!Verheug uw volken met uw aanblik weêr, en straalOns gunstig toe. Keer weêr, in Godenzegepraal!"Men biedt hem versche room, geschept in zilvren nappen;Verkwikkend boomgaardooft met balsemige sappen;Met geurige citroen, in schalen uitgeperst,En wat het brandend hart des dorstenden ververscht.

Hy neemt een gullen dronk; aanvaardt die dankbre gavenMet minn'lijkheden, die der volken hart verslaven;En spreekt: "Mijn volk, ô ja, ik keer, ik zegevier:Maar ach, die zege staat het hart uws Konings dier.Ook wy, wy stortten bloed. Een deel van onze HeldenBedekken met hun lijk de vijandlijke velden.Wat vreugde geeft den arm die 't oorlogswapen zwaait,Een tas van dooden, in verwoedheid afgemaaid,Voor broedren bloed gekocht! Dat bloed zij felgewroken,Dit hart blijft onvoldaan, blijft van verwoedheid koken,En vliedt den dag te moet (waar toeft; waar blijft hy, ach!)Die d' allerlaatsten Reus mijn woede leevren mag.Gaat echter, viert dees dag met jubel, met gezangen!'k Bestemme 't. Laat de doôn uw dank, hun recht, ontfangen!De huppelende tred der maagden streele 't hart!Voor my, mijn boezem voelt niet anders dan zijn smart.Doch hoort me, en offert thands geen mindren Hemelmachten!Geen stargevonkel, doof voor menschelijke klachten;Maar 't Wezen dat omhoog op al wat is gebiedt:Hem eere onze outerdienst! De Luchtgoôn achte ik niet!"

Men gaat. Het leger wordt ontbonden; 't VeldheerteekenVoor Segols tent geplant.—Hy, voelt zijne oogen leken,Herdenkt het nachtgezicht, nog warend voor zijn geest,En walgt van 't vreugdgejuich en dartlend zegefeest,In 't diepste van zijn tent, van alles afgesloten,

Ontbiedt hy voor zijn sponde een trits van Hemaths Grooten:"Gy, die in 't olmenbosch het bloedig schouwspel zaagtDer slachting, die ons hart met dieper smart beklaagtDan 't immer vreugde smaakt om zege of welkomzangen!Gy weet het, welk een schok mijn boezem moest ontfangen.Gy zaagt mijn siddren toen voor dit ons Vaderland,En de onrust woelt my nog door 't kloppende ingewand.Ik zie dit Hemath weêr; niets anders vliegt my tegen,Dan blijdschaps welkomkreet, ten hemel opgestegen;Maar Beth-ur trekt my 't hart. Daar ga, daar vliege ik heen.Mijn afzijn blijv' bedekt! Gy zult mijn plaats bekleên!"—

Hy zweeg.—Men hoort op eens de tentgordijn verschoven,En Iram toont zich daar, met stof en asch bestoven.Zijn hol gezicht verraadt verschrikking, en 't gelaatStaat bleek. 't Geronnen bloed kleeft rondsom op 't gewaad;Zijn kniën schokken aan elkandren van het beven;En naauwlijks weet zijn borst een heesch geluid te geven.Hy valt op 't aanzicht: "Vorst (dus zegt hy), spoed ter hulp'!—Het vuur der Reuzen weidt door hut en herderstulp.—Een drieste menigte vervult de Zuiderstreken.Wy streden,—bogen voor hun overmacht,—en weken.—De zeekust staat in bloed;—en Bethurs burcht vloog leêg.—En—Zilfa…."

"Hemel, ach! (riep Segol, daar hy zweeg)Voleind!"

"Zy is gered," hernam hy; en met eenenVertrekt hy 't hoofd, zijgt neêr, en de adem is verdwenen.—De Koning ziet het, ziet den doodstuip om den mond;En werpt zich by het lijk wanhopig op den grond."Getrouwe!" stamelt hy; meer kon zijn hart niet uiten,En 't scheen hem in de keel den gorgel toe te sluiten.—In 't eind, hy rijst—"Die weene en vier den weedom bot,Wien eedler plicht niet roept, niet opheft boven 't lot!(Dus roept hy, met dien gloed, die vonkling op de kaken,Waarvan in holle nacht doorgloeide kolen blakenEn tintlen.) "'k Trek vooruit, en volg' my wien de borst"Voor Eer, voor Vaderland, voor Vrijheid gloeit en Vorst!"Zijn Grooten volgen hem, en met hun, vijftig strijderen.

Reeds zien zy uit hun oog de legerplaats verwijderen.Reeds werd van 't brandend Zuid, in d' Oceaan gekoeld,Het zoele luchtjen als met golfjens aangespoeld,En 't ruisschen van den Frath, die met gezwinde stroomenZijn weg naar zee verkort, van naderby vernomen;Wanneer een menigte van uit het deinzend WestZich opdoet, als een wolk, uit nevels saamgeprest,Die wandelt voor den wind.—"Mijn Heirmacht (roept de Koning)!Indien het vijand zij, ik vorder plichtbetooning.Wy sterven, strijdenden en wrekers onzer dood.Maar wacht van dezen kant geen reuzenmacht, zoo groot!Wat zoude een ijdle vrees uw moedig hart vertsagen?'t is hulp, die op mijn last het leger op koomt dagen.Men toev' hen !"—'t Was zoo. 't Was de nieuwgeworven machtVan 't Westen, die, gedoscht in 't wapen van de jacht,Hun arm kwam aanbiên, met den roof der woestenyenOmhangen, om den Vorst der wareld toe te wijen.Dit brachten boden uit hun midden; en de moedVerhief zich met de vreugde in Segols heldenstoet.Hy-zelf, hy treedt ter zij, beladen met zijn kommer,En zoekt een groene olijf, die vruchten biedt en lommer;En 't luttel manschap van zijn heirkracht houdt hier stand,En hukt, naar 't Noord gekeerd, in 't reeds ontgloeiend zand.

Niet werkloos bleef de Hel. Zy had van uit het NoordenHet Reuzenrot gevoerd naar Hemaths zuiderboorden,Door 't Oosten omgeleid. Hier stichtte zy den stoelDes oorlogs thands in 't bloed; en sloeg den JammerpoelHier open. 't Bleek haar reeds, hoe woeste kracht der spierenMoest onderdoen voor kunst en schrander krijgsbestieren;En 't Reuzendom, hoe stout, hoe schrikbaar ook in 't eerst,Wierd (zoo 't dus voortging) haast van 't menschenkroost beheerscht.Zy wanhoopte aan 't geweld, ten zij, met eigen handen,De krijgsmacht des Verderfs de menschheid aan koom' randen;En mooglijk had zy reeds dit uiterste bestaan,Had niet eene andre drift die drift te niet gedaan.Zy voelt d' onzichtbren boei zich om de lenden prangenDer keten, die haar bindt, van de Almacht af doet hangen,En, als ze ontzachlijkst holt, te rug houdt en bedwingtZoo dra zy te onbedacht haar perken overspringt.Zy vreest, zoo ze onvermomd zich vlijt tot menschenslachten.Een weêrstand, die haar fnuikt, van 's Hemels hooger machten:En Zardach streeft op nieuw, met nieuwe last, naar de aard.

De Zuiderluchtkreits hangt met waterdamp bezwaard,Die, opgeheveld door den gloed der zonnestralen,Zich zaamlen in een wolk, en weêr in nevels dalen,Wanneer de bron van licht en warmte naar het WestZich aflaat, en haar vlam in 't sissend water lescht.Uit dezen vult de wind zijn opgezette kakenWanneer hy 't land verfrischt van 't heete middagblaken:Uit dezen spreidt zijn aâm verkwikking langs de kust,En strookt dien 't voorhoofd laauw, die in zijn labbring rust.—Hier toog de Helgeest heen, in 't neevlig zwerk gedrongen,En stort daar 't vuur der pest in d 'adem van zijn longen,Van d' afgrond zwanger, en vermengt het met den gloedDes middags.—'t Windtjen waait, en 't spreidt de dood in 't bloed.

Een deel des Legers was, met de afgematte leden,Nog door geen rust verkwikt, in zachten slaap gegleden:Een deel lag werkeloos, en dronk met blijden zinHet weemlend koeltjen als een zoeten nektar in.Straks voelt men 't fijn vergift zich om het hart vergaderen,En 't stort, voor vluchtig bloed, een vloeibaar lood door de aderen:Gewricht en spier verstijft; en de adem prangt de borst;Ja, 't hoofd wordt van de hals met wederwil getorscht.De leden zoeken steun en weigren zich 't bewegen.De geest-zelf ligt, verkracht, als machtloos neêrgezegen:En vindt, op 't onverhoedst in 't werktuig aangetast,Het leven pijngevoel, en heel het lichaam, last.

De krijgshoop nadert vast. Twee Grooten treên hun tegenEn leiden ze op. De steilte eens heuvels opgestegen,Wacht Segol hen met die ontzachtbre houding af,Die achtbre lijfsgestalt' by 't hart eens Konings gaf.Men buigt zich, legt den schat van 't Westen aan zijn voeten,Roept: "Leven, zege, en heil den Koning dien wy groeten!Den grooten Aartsmonarch, die voor zijn volken strijdt!Aan hem behoort onze arm! ons bloed is hem gewijd!"

De Koning wenkt hun toe.—"Treedt nader, wakkre troepen,Gehoorzaam waar u de eer, de plicht, de glorie roepen!Ja, dierbaar is me uw hulde, en dierbaar dees uw moed,Waarmeê ge in 't hoogst des noods 't Heelal ter hulpe spoedt.Van u wacht de aard haar steun: haar redding uit de banden,Haar vrijheid hangt aan u. De macht der morgenlandenBezwijkt, ten zij uw arm haar schrage, en op haar boôm't Geweld der Bloeddorst stuite eer ze alles overstroom'.Welaan, beproeft met my, wat moed en eer vermogen?Wat, armen, die geen juk, geen laffen boei, gedoogen?Die pijl, die 't eenzaam West van monsters zuivren mocht,Vindt hier nog eedler doel in woedender gedrocht.Ploff', ploffe 't voor u neêr!"—Meer had hy nog gesproken,Maar 't bruisehend ongeduld, in 't wellend hart aan 't koken,Beneemt hem d' adem, en de bliksem van 't gezichtVoleindt de rede met een schittring van zijn licht.

Thands wordt de tocht vervolgd.—De pijlbus omgehangenDen peesboog in de vuist, en tripplend van verlangen,Trekt half een duizendtal van Jagers op aan 't hoofd,En Hemaths bende volgt, maar thands van kracht beroofd.Ach! 't werkend gift der lucht heeft hart en levensstroomenDoor d' ademtocht verpest, de zenuw ingenomen;Ontspannen, steunt de spier het wagglend lijf niet meer,En stelt den wil te loor door 't lammen van zijn veêr.Het licht bezwaart het oog; het straks nog lieflijk bruizenVan 't West, het gonzend oor, waarin de golven zuizen.Het hoofd hangt moedloos op de schouder, en de borstKlapt angstig onder 't wicht van 't wapen dat men torscht.De boezem schudt en hijgt, en buik en oogen zwellen.Een vuurgloed schijnt het hoofd in laaie vlam te stellenDie tong en mond verdroogt, de dorre keel verschroeit;En—de aarde ontzinkt den voet of houdt hem vastgeboeid.De speer ontvalt de hand; het lichaam, zijn gewrichten;En spraakloos stort men neêr met bleekende aangezichten,Blijf roerloos, of verkrimpt in pijnen, nooit gevoeld;En 't is of dood en hel door iedere ader woelt.

Wat zal de Veldheer thands? Hy, die onzichtbre machtenZijn stout ontwerp weêrstaan, zijn poging ziet verkrachten!De schaamte, woede, en spijt vermeestert zijn gemoed.Knarstandend roept hy uit: "Neem, noodlot, neem mijn bloed!Maar neen, eerst wreken we ons! Ook midden in de flitsenIs nog, waar toorne en wraak zijn krachten samenhitsen,De tijger, schoon alleen, schoon doodelijk gewond,Zijn' vijand schrikbaar in zijn laatste levensstond.'k Ben tijger, meer dan hy, in 't midden dezer tijgeren,Verwoesters van 't Heelal. Wat hoeve ik macht van krijgeren?Dees arm is my genoeg, dees heirbijl in mijn vuist,En 't vuur dat door mijn borst in stroomen zwavels bruischt!Mijn vrienden, 't waar vergeefsch, hier aan uw zij' te sterven;U wreken is mijn plicht, en dan, het licht te derven.Ja u, mijn gade, en kroon, en 't overstelpt HeelalDat nooit in kluisters stort, dan met zijns konings' val!Vaart wel—en hoede een God—is alles saamgespannenTot staving van 't geweld der vloekbaarste aartstyrannen,Daar leeft er één (mijn hart gevoelt het, dat hy leeft)Die in mijn boezem spreekt, mijn hart den adem geeft—Ja, hoede een hooger God, die Goden kan doen beven,En u en 't zuchtend volk! ik ga voor allen sneven!"

Zoo spreekt hy, werpt een oog door 't flikkren van een traanVertederd, op zijn bende, en blijft nu roerloos staan.Slechts enklen, door de kwaal min hevig aangegrepen,Staan, om hun Vorst geschaard, van stille smart benepen,En zweeren, zijn gelei' te volgen in den dood.

"Neen (zegt hy), 'k laat mijn volk niet over aan hun nood.Hun krankte eischt lafenis en bystand. Hen verlatenWaar Arbalieten waard, niet, Segols onderzaten!Neen, scheppe uw blik hun troost by 't aaklig stervensbed.En luike uw hand hun oog naar de ouderlijke wet!Of, zoo mijn zuchtend hart een zoeter hoop mag voedsteren….Maar neen, voldoet Natuur, met lijdenden te koesteren!Dees plicht moet heilig zijn, ook boven 't Vaderland:Dit moog verloren gaan, de menschlijkheid houdt stand.My roept en huwlijksband en koningsplicht te gader,Vaartwel!"—

Men volgt hem na,—"Uwer volken vader,(Dus roept men) blijf ons by; wy snellen voor u heen,Of duld dat onze moed zich met uw vuist vereen'!Wy kruipen, zoo 't moet zijn, als weerelooze wormen,Om met ons stervend rif uw borst een wal te vormen,En smooren, voor uw oog, met wellust, in dat bloedDat u geheiligd is, zijn' Koning vlieten moet!Blijf, Koning, blijf!"—Die stem stijgt vruchtloos naar den hoogen.Te laat! reeds is hy 't oog en 't hol gegalm ontvlogen!De helft der weinigen, tot wapendienst in staat,Beeft echter dat hun arm den dappren vorst verraadt,En ijlt hem na op 't spoor. Het hart der min vermetenenVoelt zich door 't streng bevel aan 't krankenleger ketenen,En, siddrend voor het lot dat hun' Monarch verbeidt,Smelt als in tranen weg van angst en tederheid.

De Voortocht, middlerwijl, den Vorst vooruit getogen,Trok Zuidwaart; doch, welhaast door 't heuvlig zand bedrogen,Verdoolt ze en raakt verward in 't dichte Palmenbosch,Waar zich de Reus onthoudt, op Beth-urs plondring trotsch.Hier vindt zy zich, op eens, met overmacht van krachtenBestookt, eer ze iets vermoedt of vijand kan verwachten.'t Gezicht dier monsters, hoog van lichaam, woest van blik,Verwekt den jaagrentroep een nooit beproefden schrik.Hun schorre wapenkreet doorklinkt by 't overvallenHet woud, en treft hun 't hart als 't hevigst donderknallen.Zy siddren. Dus bezwijkt de wolfhond, stout van moed,Wanneer de rosse leeuw op 't daavrend jachtgetoetHem opdaagt uit zijn hol met de opgesparde kaken.Ja, starend zien zy ze aan, als twijflend of zy waken,En grijpen naauwlijks naar hun wapens; eer geslachtDan op verweering van hun eigen lijf bedacht.Men deinst; men woelt door een; men loopt de dood in de armen,En vruchtloos kromt de boog, nu machtloos tot beschermen.De mengling van 't gevecht maakt ijlings 't fel geschutHoe vreeslijk in hun vuist, ten wederstand onnut.Zij vlieden. Velen, door de reuzenknots verslagen,Bedekken de aarde met hun lichaam. Meer op jagenDan oorlog afgericht, beeft hier de zelfde handDie op 't gediert' des velds geen boogpees vruchtloos spant,En weinig pijlen zelfs, die niet heur doelwit misten;Ja, 't schijnbre van den strijd is hooploos bloedverkwisten.Maar ook de vlucht kost bloed door 't onbekende woud,Daar de angst geen weg herkent, en pad noch voetspoor houdt.Een derde bleef, ontzield, of in der vossen holenDe dood die hen vervolgt voor 't oogenblik ontscholen;Het oovrig wint de vlakte, en, van den schrik bekneld,Vliegt ademloos in 't rond door 't onbegrensde veld.

Thands nadert Segol: ziet zijn voorhoede, en aan 't vluchten.Wat, Hemel, moet hy meer in zoo veel rampen duchten!Hy roept. Zijn forsche galm klinkt in de lucht weêrom,En maakt in 's vluchtlings hart de stem der doodangst stom.Men staat.—Hy nadert, spaart, in weêrwil van zijn smarten,De schaamte van 't verwijt aan hun getrotfen harten,Ontveinst zijn ongeduld, en smoort zijn felle spijt."Spitsbroedren (zegt hij), hoe! gij trokt alleen ten strijd?Gij waandet uwen Vorst te dienen met uw wonden?Neen, met een ander doel waart gy vooruit gezonden.Men strijdt niet, waar hy-zelf de heirspits niet gebiedt:

Waar bloed vergeten moet, ontziet hy 't zijne niet!Getrouwen, 't was te veel; uw hart heeft u bedrogen.Leert onder zijn gelei' de kunst van 't orelogen.Die moed, die u bezielt, waarvan gy 't blijk doet zien,Zal, met hem, wondren doen, als hy u zal gebiên.Hier is hy: voegt u t' saam: herstelt u; schept vertrouwen!Maar wacht u, 't oorlogsperk voor louter jacht te houen.Gehoorzaamheid aan 't Hoofd is wat onwinbaar maakt;Maar breidellooze drift heeft ijlings uitgeblaakt."

Hy zwijgt, verdeelt hun bende, en voert zijn tochtgenooten(Ter wederzijde, van den schuttrendrom omsloten)Naar 't woud, waar uit hun vlucht hem 's vijands macht bewees.Nu druischen Reus aan Reus, bemoedigd door hun vreesMet dubble stoutheid, uit dien schuilhoek, meer tot moordenDan vechten.—Segol spreekt, en de uitgespannen koordenDer bogen zenden thands, op 't teeken dat hy gaf,Met vaster hand dan eerst, de pijlen op hen afDe monsters vallen, en verdunnen steeds in 't naderen,Gelyk by Najaarsstorm de drooggeworden bladerenVan ijp- of olmenhaag. Hun stoute ziel bezwijkt,En de overwinnaar, op zijn beurt verwonnen, wijkt.

De zege schijnt beslist.—Dit kan uw borst niet lijden,Argebar! Reuzentelg, die opgegroeid in 't strijden,Reeds driewerf Beth-urs burg verbrand hadt en vergruisd.Gy zwaait een olmentak in de opgestoken vuist,En stuit den Arbaliet, gereed den rug te bieden:"Lafhartigen, houdt stand! Hoe, gy voor Kaïn vlieden?Gy, door Natuur gevormd tot meesters van 't heelal!Ja, vliedt, maar door mijn bloed, als u mijn arm ontvall',Niet eer!—Wat ducht ge?—Een zwerm van hardgespitste rieten!Jaagt die den schrik in 't hart van moedige Arbalieten?Ontzinden! Is 't de pijl, of is 't de zwakke handDie ze afzendt, die uw kracht ter nederploft in 't zand?Die, waar ge uw knotsen velt in onbedwingbare armen,Hun tengre leden voor uw aanval kan beschermen?Neen, de afstand is 't alleen, waarvoor gy duchten moet;Die stelt uw arm te loor, die kost u wonde en bloed.Dit is hun wapen, dit.—Te naadren, is verpletten.

Snelt, broeders! ons verderf is aarzlen en verletten!Slechts weinig stappen, en die pijlzwerm heeft gedaan.De zwakkre strijdt van verr'; de heldenkracht grijpt aan.Komt, volgt my."—'t Schuim der woede omspat zijn breede kakenEn ruiggekroesden baard: zijn nijpende oogen blaken:Hy stampt, ziet driewerf om, en vliegt zijn bende voor;Zy volgt hem, en men streeft den afstand buldrend door.

De Koning, aan het hoofd der zijnen, ziet dit ijlen.Zy naken, en de wolk der afgeschoten pijlenIs reeds min moordend: Maar wat zal hy in dees nood,Met Jaagren zonder moed, van wapenweer ontbloot?'t Is hier dat leger niet, dat op gevelde sprietenDen reus verwachten kon, de bloem der Kaïnieten!Te kleen in aantal tot verdubbling van hun rij,Belemmert zelfs de speer in 't strijden van naby.Reeds ziet hy, in zijn geest, hun bende doorgebroken,Omcingeld, en verstrooid, en Arbals bloed gewroken.Hy peinst een oogenblik. Nu vat hy nieuwen moed,Hy breidt zijn slagorde uit, en deelt zijn schuttrenstoetIn hoopen, ordent hun, om 's vijands loop te teugelen,Van af- tot afstand plaats, aan 's legers beide vleugelen,Met tusschenwijdten in een dubble reeks geschaard,Die 't middelpunt des heirs voor d' overval bewaart.Dus sluit zijn kleene macht door 't kunstige verbreedenEen ruimen veldgrond in, die, met een kreek doorsneden,Den vijand ophoudt en steeds blootstelt aan de schicht,Thands uit een halven kring op zijnen drom gericht.Die—vliegt doldriftig toe; maar, onder 't wondengaderen,Om 't spillen van zijn bloed steeds meer verhit in 't naderen,Raakt aan den boord der beek in kreupelhout verward,En gilt van woede en spijt en ongeduld en smart.Men overspringt, doorkruipt, doorwaadt, de hinderpalen,Of baant zich weg door 't nat, met boomen uit te halenEn loof en tak en stam te ploffen in 't moeras,En kloutert langs die brug, of smoort zich in den plasch.Een aantal wendt ter zijde, en dreigt met woedend rennenHet laatste schuttrenrot in eens op 't lijf te schennen.Maar de eersten vinden zich van allen kant verrast,En tuimlen langs den grond, by hoopen saamgetast.Argebar nog streeft door, en, wie er om hem sneven,Hy wekt den moed in 't hart van al wie overbleven,En, met een vijftigtal waaraan hy 't voorbeeld gaf,Rukt op het middenvak van Segols heirfront af.De Koning geeft bevel. Zijn speerbende, aan het schudden,Dringt samen, biedt hun spits, gelijk de rundrenkuddenDen veewolf stuiten op der hoornen punt. De sprietDoorboort Argebar-zelv', en heel zijn drommel vliedt,En ploft, den rug doorpriemd van pijlen, neêr in 't vluchten.

Maar meerder had het heir aan 't uiterst punt te duchten,Waar derdhalf-honderd reeds in 't bloed der jaagren baadt,Wier smaldeel, eens bereikt, geen oogenblik weêrstaat.Vergeefs had Segols last den plicht hun voorgeschreven,Te wijken, en den Reus hun slagorde op te geven,Om in de ruimten van der vleuglen tweede rijZich weêr te vormen en te sluiten zij' aan zij'.Zy stonden: vloden straks; maar, woest uit een geschoten,Verspreiden zy hunne angst door al hun strijdgenooten.Geheel die vleugel schokt, en trekt zich thands in een,En 't wordt een zwakke hoop, wat eerst een leger scheen.Hier voerde Choch de knots aan 't hoofd der reuzen. Dapper,Als ginds Argebar was, en in den arm niet slapper,Stijft hy zijn menigte door 't voorbeeld, en vergruistWat nek of schedel biedt aan de opgeheven vuist.De slagen regenen om 't dichtst op een, en spelenDoor 't om zich spattend brein en open bekkeneelen,En brijzlen arm en boog in 't rekken van de pees,By 't menglen van 't gejoel van razerny en vrees.

De Koning ziet de vlucht, de wanorde, en 't verwarren,En knarstandt van de spijt. Als duizend ijzren harrenOf grendels, rood verroest, en in hun ring verwrikt,Zoo klinkt het door de lucht, en heel het heir verschrikt.Hy kent der Reuzen kracht en de onmacht van zijn strijderen,En hoe zijn zege hangt aan d' afstand en 't verwijderen."Wie uwer (roept hy uit), gy, spanners van den boog,Is zeker van zijn hand en onbedrieglijk oog?Hy spreke, en trede voor!"—Slechts vijftig mannen tredenDe slagorde uit.—"Genoeg! (dus zegt hy) 'k ben te vreden;Gy, volgt my! 't overschot des legers sta hier pal!"—Flux spoedt hy aan hun hoofd door 't uitgebreide dalEn valt de reuzen met een pijlzwerm in de lenden.

Geen schicht díe 't doelwit mist. Zy vallen, worst'len, wenden,Vertrapplen zich, terwijl een tweede bui reeds treft,En, van den zelfden kant, de derde zich verheft.Een derde hunner ligt verslagen. Driewerf dertigVerzaamlen zich, terwijl de meesten meer flaauwhertigEen vrijburg zoeken in hun bosschen. Maar die hoopSnelt op den Koning toe, onstuitbaar in zijn loop.De schutters sidderen. De Koning ziet hen naderen;Het vuur des ongedulds woelt bruischend door zijne aderen;En mooglijk dat hy thands, in overmaat van moed,Zijn bloed gemengeld had aan 't laauwe reuzenbloed,Zoo niet een sterker macht van uit de hooger kringenZijn schedel had bewaakt. De taaie koorden springenNog eenmaal los, en wat zich bloot gaf, ligt geveld,Terwijl de ontzachbre troep als voor het oog versmelt.Nog naakt zy, en de knots in de opgeheven armenWankt over Segols hoofd en wie dat hoofd beschermen.Hy-zelf ontzet niet, maar de heirbijl in zijn handHouwt d'arm die hem bedreigt met eenen slag in 't zand,En klooft de breede borst aan drie paar forsche reuzen,Wier hand de boom ontvalt waarmeê zy hersens kneuzen.Choch nadert, alles beeft. Een pijl doorboort zijn strot.Hy rukt hem woedende uit; wanneer een tweede schotDoor de eigen hand bestierd, hem plotsling neêr doet zijgenIn 't lillend hart geraakt. Men hoort zijn adem hijgenEn 't borr'len van zijn bloed dat uit zijn wonden welt.Doch 's Konings keurtroep wordt van rondom fel bekneld;De boog wordt werkeloos, en oog noch handgreep baten.Geen jagers eischt dees nood; geoefende soldaten.Dan, Segol strijdt, en zy, door 't voorbeeld aangespoord,Bezwijken niet, maar staan, in 't midden van den moord.Thands wordt de pijl een dolk, in 's schutters vuist gesloten,Waarmeê zy elk die naakt in buik en boezem stoten.Men valt, maar wreekt zich-zelv' terwijl men nederstort,En 't ijzren reuzendom schiet by hun kunst te kort.De vlugheid (op de jacht geoefend) van hun ledenWijkt hier de slagen uit, duikt elders naar beneden,Ontspringt den vijand, of verbijstert hem 't gezicht,Of lamt hem arm of knie in 't ledend beengewricht.Men dringt zich driftig voor den Koning, die in 't strijdenNu her- dan derwaart vliegt, de dood aan alle zijdenVerdeelt, en overal dat wapen schittren laat,Dat nergens keerbaar is, maar bliksemslagen slaat.

Nu was 't geen strijden meer van krijgren, geen slagorde,Maar leeuw- en wolvenmoord in de overvallen hordeVan herders, wie de nood, van allen kant omringd,Tot weêrstand in de dood, tot moed en wanhoop dwingt.Met nagels, tand, en vuist, weêrstaat men klaauw en kakenVan 't grimmig roofgediert' en de uitgerukte stakenDer schaapskooi strekken voor de jachtspriet of voor 't zwaard;En worstlend stort de leeuw by die hem worgt ter aard.De Reuzen, in getal verminderd, eerst bespringers,Zijn thands besprongenen: De knots ontvalt hun vingers,En treft te langzaam om den stoet die hen bestooktTe keeren, daar hun 't bloed uit al de poren rookt!Zy werpen 't wapen weg, en grijpen met de handenDe jagers by de keel, of zetten heete tandenIn 's vijands spieren, dien hun woeste kop rammeitEn neêrploft, dan vertrapt in dolle grimmigheid,Of woedend opscheurt met gekromde nagelspitsen,Meer scherp en meer gepunt dan Segols jaagrenflitsen,Waarvan hun eigen borst de doodkwetsuur ontfangt,Terwijl 't gedrochtlijk lijf zijn overwonn'ling prangtEn d' adem uitperst of den gorgel breekt.—De Koning-Alleen, ontzachlijk, staat in schrikbre machtvertooningMet d' opgeheven bijl in 't midden van een walGesneuvelden, gelijk een hooge ceder, pal.Iets Godlijks schijnt dit uur als uit zijn oog te stralen!Zijn fiere boezem wordt verwijd in 't ademhalen:"Op, Helden (zegt hy)! op! voltooit uw zegepraal!"

Die stem doorklonk het veld, en ('t scheen) een bliksemstraalVloog teffens door de lucht. Zy treft den Reus in de oorenHy geeft den weêrstand op en acht zich-zelv' verloren,En, nietig overschot, bedekt met wond en buil,Ontvliedt hy 't schriktooneel in angstig noodgehuil.

Men volgt, en zet het woud, waarin zy schuilplaats vinden,In vuur. De vlam stijgt op, by 't bruizen van de winden,En 't vijandlijk geslacht, verdreven door den brand,Keert, als vertwijfeld weêr, en zoekt zijn vaderland.

De strijd gaf zege en moed; de moed, vernieuwde krachten.Men leert den schrikbren stal des Arbaliets verachten,En 't gantsche leger roept van uit de volle borst:"Ten vijand! naar den strijd! geleid ons, Wareldvorst!"

De Koning kent den aart van 't bruischend driftvermogen:Hy vreest den geest des volks, als vlottend zand bewogen,Dat, naar de wind zich wendt, dan her- dan derwaart drijft,En weemlende in zijn ko'*k geen zeekren kring beschrijft.Hy zucht. "Mijn vrienden, neen! (dus spreekt hy) staakt uw schreden;Uw arm voldeed zijn plicht. Men rust' de moede leden,En spaar zich voor het heil der wareld, tot de dagVerkoele, en 't bloed verfrisch', nog kokend van den slag.Ververscht u in dit oord: het biedt u rijpe olijven,Met dadel, druif, en vijg. Tot nieuwe krijgsbedrijvenGesterkt, wat wacht mijn hoop van zulk een heldenstoet,Die by zijne eerste proef reeds zulk een poging doet!"

Hy zwijgt. Men zet zich neêr in afgeperkte rijen,Van 't zonlicht afgekeerd. Hy plaatst ter wederzijenEen drom van schutteren tot wachters. Slechts een deelGaârt ooft en lafenis langs 't groenend veldtooneel,En wisselt telkens af, om op zijn beurt te rusten.

Maar welk een sappig ooft kan Segols hart gelusten,Zijn smaaktuig streelen? Ach! gespleten van de dorst,Verhardt gehemelt', tong, by 't gloeien van de borst.Doch 't is geen boomvrucht, 't zijn geen ruime waterteugenDie 't koelen, die den brand zijns boezems dempen meugen.Dat vuur zit dieper. 't Wee om Zilfaas deerlijk lotDoorvlamt zijn aderen en ronkelt door zijn strot.Hem walgt van rust en spijs. Hy stapt met wijde schreden't Verpoozend leger langs. Zijn straffe vuisten knedenDe lucht; zijn adem bruischt; zijn boezem rijst omhoog;En 't schijnt een stroom van vuur die uitbarst uit zijn oog."ô (Roept hy hijgende uit) Gy, eenig hoogst Vermogen!Gy, zoo Gy beden hoort, ô sla uw heilige oogenOp Segol—op dit stof dat Segols ziel omkleedt!Geef kalmte aan 't lijdend hart, dat wegsmelt in zijn leed!

Ach! 'k wilde 's aardrijks kroon, 'k hergeef haar, God der Goden.U zij ze, en U-alleen, geen' stervling aangeboden!Geen middelbaar gezag op lucht of firmament!Maar toon u, sterke God, word Segols hart bekend!"

Hy zwijgt. Een zachte koelte omstroomt zijn moede leden.Een nevelachtig licht omwemelt hem in 't treden,Als of een wolk van damp zijn stappen onderving.Zijn statig voorhoofd bloost, omschenen met een kringVan stralen, die hun glans om 't rijzig lichaam spreiden,Dat, vonklende als een vuur, zich thands schijnt uit te breiden,En 't purper bleeken doet, dat om zijn schouders drijft,En slingrende in de lucht een golvend welf beschrijft.Zijn voeten raken thands geen grond, maar opgehevenVan de aarde, schijnt hy als een hemelgeest te zweven.Zijn leger siddert, valt op 't aanzicht, en verwachtStilzwijgend d' uitslag van een aanblik, zoo vol pracht.

Gy, Dichtkunst, reine Geest des Hemels, my by 't levenTot zalfster aller weên, geleide, en schuts, gegeven;Gy, hangende aan de borst op moederlijken schoot,My zoeter dan de melk die uit heure aders vloot;En, trouwe gezellin door ballingschap en plagen;Mijn wellust tot aan 't eind der my bestemde dagen!Meld, meld my, geef my in, verkondschap door mijn mond,Het wonder dat ik zing, zoo Gy 't verklaren kondt.Maar ja, Gy kunt het, die in hooger kring geboren,Niet naspoort, maar doorziet; geen onbetrouwbare ooren,Maar 't eigen zelfgevoel tot waarborg hebt: Ai spreek,En spiegel in mijn zang (gelijk een heldre beekDe drift der wolken in de rimpling van het waterMet golven naspeelt) wat ons ijdel klankgeklaterDer denkkracht voorstelt: Dek het kleed der heemlen op;En kleure uw zon heur licht in onzen regendrop!

[1810.]

[In de 3e. Uitgave van het Dichtstuk, onder den titel van BILDERDIJKS EPOS, leest men nog de volgende regels, gevonden op een strook papier, met des Dichters hand beschreven en geplaatst in een HS, waarin de zestien laatste regels tusschen teksthaakjes staan:

Nu hief een wervelwind hem hooger dan de wolken.Hy zag de drijvende aard en waterblaauwe kolkenZich wentlen in de verte, en 't scheemrend licht der maanBescheen hem van omlaag. Een siddring greep hem aanWen een onzichtbre hand zich in de zijne kleefde,Hem opvoerde, en met hem den ethersfeer doorzweefde,En Segol, Segol, riep!…

[Noot van den Uitgever.

Ie Zang, vs. 27, volgg, bl. 2, rl 9 v. b.

—En 't Heil der diamanten zalenDen stervling overbrengt in amethysten schalen.

Da Costa aarzelt, hier iets "gedrongens" te vinden. Ik zou nog verder durven gaan en beweren, dat die geheele aanroep aan de dichtkunst, van vs 19 af, te weelderig is, en in dit opzicht ongunstig afsteekt bij den voorbeeldigen, echt epischen aanhef van het gedicht, vs 1—8.

Ie Zang, vs 36, bl. 2. rl 18 v. b.

——En Godlijk laat beklagen.

B. bedoelt voornamelijk de schoone plaatsen van het Parad. L. III, 150 en 232.

Ie Zang, vs 41, bl. 2, rl 15 v. o.

Waar de aadlaar van het zwerk de wieken druipt.

De aanwending van het w. w. druipt schijnt hier zeer ongemeen; als bedrijvend genomen, in de beteekenis van "nederwaarts laten zakken"; verwant met het Engelsch: to drop. Zoo, in den IIen Zang, vs. 110, "hing" voor "liet hangen".

Ie Zang, vs 55, bl. 3, rl 1 v. b.

Aartsvader Adam had, enz.

Het getal wordt hier bepaald der na Adam reeds uitgestorven geslachten, op het tijdstip waarvan de dichter de gebeurtenissen, vóór de in zijn Epos bezongen handeling verloopen, begint te verhalen. "Twee paar" (vier) "rijen neven" (geslachten) waren Adam reeds in 't graf gevolgd. De omstandigheden uit het verleden dat de dichter hier ophaalt vielen dus voor onder den vijfden Aartsvader, Jered, die, volgens de tijdrekenkundigen, (zie Simsoni Chron.) in het jaar 1422 der wereld, overleed, en onder wiens leeftijd het apocryfe boek van Henoch het ontstaan der Reuzen plaatst: zoodat onze dichter, zonder de afwijkende tijdrekening van dien schrijver te volgen, en zich aan die van den hebreeuwschen tekst houdend, het verschijnen der Reuzen op aarde als reeds vier eeuwen geleden in dit verhaal heeft kunnen voorstellen (vs 239); verg. de aant. op den IVen Zang vs 395.

Ie Zang, vs 104, bl. 4, rl 10 v. b.

—Een walm van balsemige luchtenDoorwaaiden uit dien hoek.—

De grammatische onregelmatigheid, die wel elders voorkomt, waar het enk. z. n. eene menigte voorstelt, (verg. Z. IV, vs 531) komt mij hier hard voor. Ik twijfel of B. niet geschreven had of bedoelde te schrijven: "Doorwaaide uit dezen hoek"; dat mij ook deftiger en levendiger (als de onmiddellijke aanwijzing van hetgeen den dichter voor oogen staat) voorkomt, dan: "uit dien hoek." Wat mij echter doet aarzelen deze lezing aan te bevelen, is de plaats in den IVen Zang, vs 632, waar het woord "waterdamp" insgelijks met het w. w. "dalen" (3e pers. meerv.) wordt in verband gebracht.

Ie Zang, vs 111, bl. 4, rl 17 v. b.

De stam van Kaïn hief, in weinige geslachten, enz.

"Hief", dat is, had zich, binnen weinige geslachten, boven den stam van Seth verheven; en vandaar volgt de beschrijving van den toestand zooals die was op het tijdstip waarvan de dichter begint: (vs 55) eerst met een terugblik op hetgeen was voorafgegaan, tot op vs. 215, waar het woord "toen" dit tijdstip nader aanduidt. Vandaar af volgen elkander onafgebroken de onderscheiden vijf historische tijdvakken op, die in ons hierachter volgend betoog, over het ontwerp des gedichts, zijn aangewezen.

Ie Zang, vs 157, bl. 5. rl 12 v. o.

—Had aan 't wraakgeschrei der aardDe vloek zijn vaders zich, bij 't misdrijf, niet gepaard.

B. heeft te recht, als uit de variante blijkt, verbeterd: "des vaders". "Zijns" zou op den "bloedvlek" slaan, waarvan de vermelding onmiddellijk voorafgaat.

Ie Zang, vs 164, bl. 5, rl 5 v. o.

—In honderden van vesten.

Men denke hier niet aan steden; dat buitensporig zou zijn; maar aan versterkte plaatsen: castella, castra. Zooals Segol er een beschrijft, IIIe Zang, vs 555, volgg.

Ie Zang, vs 191, bl. 6, rl 20 v. o.

Dan gaat ze in stroomen bloeds, in bloed en brein, te wed.

Ik twijfel of B. niet geschreven heeft: "in bloedig brein".

Ie Zang, vs 217, bl. 7, rl 8 v. b.

—Ook de almacht hield altaarNoch offer meer.—

"Hield" staat hier voor "behield", naar een taaleige onzer dichters, waardoor het meer gebruikelijk préfix van het w.w. wordt weggelaten; als "minnen" voor "beminnen", en als b. v. vs 111, "hief" voor "verhief"; en in den IIen Zang, vs 111 "bleekte" voor "verbleekte", in den IIIen Zang, vs 425, "schikke" voor "beschikke."

Ie Zang, vs 247, volgg. blz. 8, rl 1 v. b.

Dit schrikbaar reuzenvolk—

Had lang aan 't eenzaam noord aan 't steigren van 't gebergt,De berggeit op de kruin des standmuurs nageklommen.

Het, is moeielijk te zeggen, wat de dichter, met het woord "standmuur" gemeend heeft. Da Costa legt het uit: "steil opgaande hoogte"; zooals hij zich in zijn briefwisseling met mr. Groen van Prinsterer, bl. 89, uitdrukt: "staande muur—natuurlijke muur, die een rots formeert tegen of boven den afgrond". Ik twijfel of deze beteekenis in het woord kan liggen, en of de meening des dichters dus genoegzaam ware uitgedrukt. Geene uitlegging die voldoet schijnt hier mogelijk. Ik meen dat B. geschreven had of bedoelde te schrijven: "strandmuur": d. i. "de rotsketen die als een steile muur het strand afsluit"; waarop dan zeer goed het volgend vers slaat: "En onder zich den storm in d' afgrond hooren grommen". Bilderdijk heeft zoodanige omgeving "'t klippig strandgebergt" genoemd, in de Kathloda, bl. 185 kr., en een weinig verder, in dit zelfde gedicht, die zelfde natuurlijke omwalling van het eiland, waarvan sprake is, aangeduid met de woorden: "Ithormaas strandring." (bl. 188; kr.)

Ie Zang, vs 280, bl. 8, rl 6 v. o.

De grond herbouwde zich.

Ik geef 't in bedenken, of de dichter, in plaats van het nederduitsch: "Men herbouwde den grond", niet een gallicisme gebruikt heeft. Het fransch zegt: "ces fruits se mangent en hiver".—"Les lois se font pour être obéïes". Het Nederduitsch gebruikt hier men of worden, wanneer er sprake is van eene werking die niet van het onderwerp zelf uitgaat, als b. v. wanneer men zeide "de grond bekleedt zich weêr met groen".

Ie Zang, vs 291, bl. 9, rl 6 v. b.

En Hemath stond omringd, van 't heuvlig land der beken,Tot daar m' in 't neevlig west de dagtoorts zag verbleeken.

Met "omringd" drukt de dichter uit wat men, meer gewoon, zou noemen "omcingeld," met het denkbeeld van onveiligheid.

Het schijnt niet overbodig, bij het aanhalen van deze plaats te doen opmerken, hoe B., zelfs in epische taal, geen bezwaar maakt de elisie te gebruiken bij het woord men; daar tegenwoordig sommige critici dit als een niet toe te laten vrijheid beschouwen. Deze uitspraak heeft geen grond en is door geen onzer voornaamste dichters in acht genomen. Reeds Vondel schreef, in Palamedes: (vs 520 v.L.)

—ook heeft m' er in betrokken Het kerkelijk geschil.

en (vs 758 v.L.)

—was met een brief belaên Die m' uit zijn boezem trok.—

en in Hippolytus, vs 637,

daer m' in verdwaelt.

Zoo Oudaan, aangehaald in het Woordenboek der N.T., op het woord "aftintelen" en op het woord "onderdelven", Zoo Feitama, Telem. IVe Boek, bl. 83 l. r.

—en nooit vermag m' er een Dan jeugdig, hagelwit, en vlekloos aan te voeren

en wederom in het Ve Boek, bl. 99, rl 9 v. o.

Zoo Bilderdijk, Fingal IIe Zang:

Nog strijdt m' een korten wijl.

en in den IVen Zang:

Nu zag m', een wolk gelijk,—

in de Geuzen, XIXe Zang, 1e strofe:

En naauwlijks heeft m' aan wederzij—

en wederom in den XXen Zang, 15e str. en XXIVe Z. 13e str. in de Ziekte der Geleerden, Ie Zang bl. 5 rl 8 v.o.

Men—stoot de kiel in flardenOp de eene of andere plaat die m' overglijden mocht.

ald. bl. 13, rl 8 v.o. en op menige plaats in het Buitenleven, te veel om aan te halen. Men kan hier nog plaatsen bijvoegen van v. Lennep, aangeh. in het Woordenboek der N. T. op het woord "onderhoud" en van Bogaers, aldaar, op het woord "afwenden".

Ie Zang, vs 324, bl. 10, rl 4 v.b.

—Terwijl zy uitkomst badenAan Goden, doof voor hun.

De goden, die de Kaïnieten aanroepen, worden niet gezegd "doof" voor hen te zijn als ijdele spooksels en niet bestaande wezens, zooals elders wel eens in zoodanig redeverband gemeend wordt; maar in de bedoeling des dichters zijn de uit het Paradijs verdreven geesten, die de hemellichten en de lucht tot verblijfplaats gekozen hebben en zich door de menschen als goden laten aanbidden, "doof" d.i. ongenegen de beden der Kaïnieten te verhooren, omdat deze strijd voeren tegen de afkomst dier geesten, tegen de Reuzen. Verg. den IIen Zang, vs 511, volgg.

Ie Zang, vs 333, bl. 10, rl 13 v.b.

En, zucht voor 't vaderland, voor huwlijkskoets en kroost,Maakt al wat wapen droeg den wissen dood getroost.

Deze plaats is opmerkelijk, om de door D. C. medegedeelde variante, of liever verbetering des dichters. Hij had, den regel volgende, in deze opvolging van substantiven, daar de twee laatste zonder artikel waren, ook het eerste dus gelaten. Later gevoelde hij, dat het eerste, als een bepaald voorwerp (het vaderland der Kaïnieten) het lidwoord behoefde; terwijl de twee laatste, als eene in 't afgetrokken beschouwde algemeenheid voorstellende, zonder lidwoord moesten blijven.

Ie Zang, vs 375, bl. 11, rl 14 v.b.

Wier koude stralen de aard het gift der Akonieten,Bezwangerd van de dood, in nachtschade uit doen schieten.

Volgens de aanteekening van D. C. zou B. hier gedacht hebben aan de "solanum" (nigrum), die bij ons "nachtschade" genoemd wordt. Maar dan zou de dichter geschreven hebben: "en nachtschade"; of liever, hij had moeten schrijven: "en der nachtschade". Doch het kan zijn dat, door de vermelding der "akonieten", hem de naam der plant voor den geest is geroepen, en hij daardoor op het woord gebracht is dat hij bezigt. Het staat hier niet als geslachtsnaam, maar in de beteekenis van "schaduw"; als zeide hij: "in de schaduw der nachten."


Back to IndexNext