VIII.Tegen een uur of elf was Baller uit zijn vluchtige roes wakker geworden, èn dorstig, droog in de keel, schreeuwde hij meteen om drinken, maar dadelijk herinnerde hij zich ’t voorgevallene van ’s avonds, waarvan hij de gevolgen had willen ontloopen door er ’n flinke spat op te zetten. Veel kostte ’t em niet, hij had op de klap gedronken, rondje op rondje werd er getrakteerd en met ’n aardige snee in de neus, zooals hij dat noemde, had hij ’t aangedurfd weer bij z’n lieve vrouw thuis te komen. In bed had hij ’t weer goed willen maken, maar haar harde kop bleek niet van hem gediend, daarop liet hij met geweld zijn recht van man gelden en hij wist nou niet meer of ze zich tegen hem verzette of niet; of ze sliep of zich slaperig hield, in elk geval kwam ’t vannacht niet in orde, en nou ze geen dadelijk antwoord gaf wist hij vooraf dat er geducht wat voor hem zou op zitten.Hij besloot toen zich koest te houden, geen aanleidingte geven, zelfs geen kik te laten. Stilletjes zou hij afwachten tot zij er genoeg van kreeg en zij zelf weer vree kwam maken. Tongsmakkend van de nadorst, branderig over zijn geheele lichaam, schoof hij zich weer dieper onder de deken, probeerend opnieuw de slaap te vatten, maar zijn gedachten waren klaar en scherp, zijn ooren namen op ’t minst gerucht. ’t Verwonderde hem algauw dat hij enkel geluiden hoorde van de straat en van haar niets merkte in de kamer, ze moest bepaald uit zijn, hier of daar naartoe, om wat in huis te halen of een boodschap te doen. Een tijdje wachtte hij, en dan nieuwsgierig omdat er in de kamer zich niets verroerde, wilde hij zich overtuigen. Voorzichtig hief hij zich op, boog buiten de bedstee zijn verward hoofd, nog zwaar van de roes, en liet zijn oogen, die dof en doezelig stonden door ’t vertrek waren. Een eigenaardige kilte, een koude stramheid viel op hem neer, al gaf-ie zich nog geen rekenschap van de toestand. Hij zag haar nergens en de gordijnen hingen nog omlaag. ’t Was klam en donker in de kamer.Zijn oogen sperden zich almeer open, terwijl langzaam aan vermoedens in hem oprezen. Wat beduidde het, dat zij zich niet liet zien, of zou het nog zoo vroeg wezen? Nee, dat begreep hij haast niet. Kon hij maar eens op het klokje kijken, maar dat ging niet, zijn hoofd was te stijf, een zagende pijn voelde hij erin.De poes sprong van de stoel, pootelde miauwend naar hem toe, ’t zacht-aanvoelend hard kopje tegen zijn neerhangende hand aanwrijvend; ze vroeg om drinken, dàt begreep hij.Goedmoedig praatte hij een paar woorden met het beest, dat zijn groene, glazige oogen smeekend naar hem opstreelde en de hooge rug inkromp om een sprong te kunnen doen.—Nee, nee poes, dàt niet, zei hij, met z’n hand ’t dier afwerend. Dat wil de vrouw niet hebben, dat weet je.De poes miauwde weer, nu hulpbehoevender. Baller trok zijn hand terug en wilde onder de deken schuiven, maar nu zag hij een stuk papier, dat naar ’t scheen beschreven, dáár op tafel lag, en meteen schoot òp de herinnering aan de ruzie van gisteravond, wist hij weer dat ze hem dreigde om weg te loopen. Even lachte hij om die onderstelling, ja ze liep daar weg, waar moest ze naartoe? nee daarover behoefde hij zich niet bezorgd te maken! Wrevelig op zichzelf, omdat zoo iets nog in hem kon opkomen, wilde hij zich weer leggen om daarmee voorgoed die akeligheid weg te dringen, doch het stukje papier bleef zijn nieuwsgierigheid opwekken; alleen de mogelijkheid dat zijn vrouw zou binnenstappen terwijl hij net eruit wipte hield hem nog terug. Hij probeerde nu van-uit-z’n-bed te lezen; de poes miauwde weer en sprong dan op de bedplank. Hij smeet de poes daar weg en beende nu zelf d’eruit. De nieuwsgierigheidwas al overgegaan in het stekelig gevoel dat er iets schortte, dat zijn vrouw toch wel een dolle streek kon hebben uitgehaald.Zijn oogen spalkten zich al wijder open, terwijl ’t velletje papier in zijn bevende hand ritselde en knetterde; hij kon ’t haast niet gelooven wat daar geschreven stond en toch hij las het duidelijk: Jan, ik gaan weg en kom niet weerom ... je verschooning ligt op de stoel.Die enkele kriewelige woorden gingen voor zijn oogen zich vergrooten, dansten over het papier, en nu vertroebelden weer zijn blikken, zag hij enkel de kreupele halen en een warrel van leelijke letters. Even moest hij de hand voor zijn oogen houden, liep dan naar ’t raam, trok de gordijn omhoog, om beter zich te kunnen overtuigen. Een zware zucht welde naar zijn keel en bleef daar steken; star keken zijn oogen naar buiten, terwijl zijn gedachten verzonken in het enkele besef van verlaten te zijn, een wurgend gevoel dat hem opkropte tot in de keel.—Nou nog mooier... nou nog mooier! prevelde hij. Nee die is goed... ze hêt haar bedreiging toch uitgevoerd!Aemechtig van de schok zakte hij op de stoel neer, de mond wagewijd open over ’t onverwacht gebeuren, dat hem sloeg met ontsteltenis en vreemde beroering. Was het dan toch zoo? De gedachte kon zich nog niet in hem wortelen, ’t leek hem zoo iets gemeens en ongehoorde, dat hij in woede uitbarstte en de geheelekamer vol vloekte. Maar tegelijk greep de treurnis over ’t feit zelf hem zoo overweldigend aan dat het zwaar in hem huilde en hij bijna stikte van de zenuwen die geen uitweg konden vinden.Een poos bleef hij zoo zitten, zijn blikken blind naar buiten waar de sneeuw smoezel en morsig lag met de vele natplekkende voetdruksels. Vaag herinnerde hij ’t zich als iets dat al heel ver achter hem lag, dat dit was de witte sneeuw, waardoor hij zich vannacht met moeite naar huis werkte, omdat hij zóó volgeladen was van drank. Ja, dat ze wegliep was zijn eigen schuld, hij mocht zich niet beklagen, hij kreeg naar wat hij verdiende!Moedeloos zakte hij nog meer in elkaar en probeerde ’t zelfs niet meer te denken. ’t Leek hem alles zoo vreemd, zoo oneigenlijk, alsof ze dood was en niet weggegaan. Armelijk zag hij zich zitten in het kille vertrek en een groot medelijden kreeg hij met zijn eigen ellende. ’t Was hem of ’t al stiller en stiller werd, of de eenzaamheid aangroeide. Verlaten... zij weg... en hij alléén, hij begreep ’t aldoor nog niet, ’t wilde er niet zoo grif in.De poes, weer naar hem toegepooteld, wreef al spinnend haar hoogende rug tegen zijn strakke beenen. Dat warme, zachte gestrijk maakte hem week en hinderde hem niet minder, omdat het sterker liet gevoelen de vlucht van zijn vrouw. Drang tot zelfbeklag woelde weer in hem op,dochde woede van onmacht overdrong alles en eenigszins hardhandig, in ’t genotom ook ruw te zijn en af te stooten nam hij de kat op en smeet haar een eind van zich af.—Ja poes, snerpte hij, je zult je weg zelf moeten zoeken evenals de baas, daaraan is niks te doen, je goeie leventje is ook uit!’t Dier begreep het niet en kwam weer op hem toe. Hij lachte smadelijk en sloeg van kwaadheid zichzelf op de knieën. Net dacht hij beter op te passen en nou liet ze hem alléén. Besef dat hem onrecht werd aangedaan doorkroop hem nu venijnig. O, hij zou zich wel redden, hij had haar niet noodig, o nee volstrekt niet!Maar lang hield die opgezwiepte moed niet aan. De kille kamer, zóó zonder vuur, strak en stug in de stilte van het vreemd-aandoende vroege zondagsuur, joeg hem schrik aan. Het zich alleen zien werkte vertwijfelend op hem in. Die stroeve naaktheid, de kale kamerruimte met het ééne gordijn nog altijd neergelaten, de onberoerde stoelen, de leege tafel met het bekrabbelde stuk papier, het triestig weer, alles drong sarrend op hem in, gaf hem ’t nijpend begrip van de toestand, kneep hem tam en klein. Hij zou het rommeltje kunnen gaan verkoopen aan een jood; maar wat bracht het op? Nee nee, dat niet, hij moest haar zien op te snorren, haar terughalen en zich beteren. Waar kon ze zijn? geld bezat ze niet, evenmin als hij, ze zou om een onderdak moeten bedelen, maar och, een vrouw die handen aan haar lijf heeft, weet zich wel te redden, wordt allicht opgenomen. Toch...De gedachte aan een ongeluk, dat ze zichzelf van kant zou maken, in een dolle bui niet weten wat te doen, kreeg ineens bij hem de overhand en de angst daarvoor verving nu alle andere gewaarwordingen. Van schrik rezen zijn haren overeind, ’t was zoo erg dat hij meende eraan omhoog te worden getrokken.Hij kalmeerde weer. Je verdoet je niet zoo gauw, zei hij nu, het water is veel te koud, vooral in de winter! Ze zou ’t ook wel hebben gezegd, geen letter stond ervan in! Toch, het schrikbeeld eenmaal voor hem opgeroepen, liet hem niet zoo gemakkelijk los, spookte aldoor vinniger voor hem op. Genoeg dreigde ze hem ermee en een wanhopig mensch is niet van zich zelf zeker. In elk geval, hij moest erop uit, ’t haar beletten, ver weg kon ze nog niet wezen.Gehaast en vol schichtige angst, richtte hij zich op, goot water in de kom, waschte zich vluchtig, schoot zijn zondagsche goed aan en ijlde de trap af, de straat op. Dat hij nog niets had gegeten, weerhield hem niet, de angst voor een ongeluk, zat hem door alles heen, joeg hem voort. ’t Eerst liep hij naar de Hesselaars, dan overal waar zijn voeten hem maar droegen. De geheele lange namiddag rond zocht hij haar. Telkens keerde hij op zijn kamer terug in de verwachting, dat ze misschien wel uit haar zelf zou komen, maar ook telkens bleek het niet zoo te wezen; ze was weg en bleef weg, ze daagde niet op. De wanhoop greep hem aan. Wat moest er van hemterechtkomen als zij niet meer voor hem zorgde? Hol en kil, schrikwekkend leeg was de kamer en ’t leek hem of ’t weinige dat er nog stond hem verweet zijn wankelmoedigheid en zijn onhartelijk zijn, of de huiverkilte van ’t vertrek hem zelfs aanklaagde. Honderde keeren had ze gedreigd weg te loopen en vele malen beangstte ’t hem voor een oogenblik in de vrees dat ze er werkelijk eens toe mocht overgaan, maar diep-in had hij toch niet geloofd dat zij het ooit zou doen. En nu was het zoover, nu stond hij alleen, heel alléén, niemand zou meer naar hem omzien omdat hij was een onbruikbaar mensch, een vod. Dat was nu de vrouw voor wie hij zijn toekomst had verbeurd, het meisje dat hij tegen de zin van zijn familie trouwde en die de oorzaak werd van zijn afzakking. Blinde woede joeg hem op, armzalige onmacht plompte hem weer neer. Huilschokkend, het nietig hoofd weggegraven in zijn handen, bleef hij zitten en heel zijn teruggang, zijn verval, wielerde in klare beelden door zijn brein. En toch, ’t was zijn eigen schuld en van niemand anders. Hij had haar niet moeten trouwen, een meisje moeten nemen uit zijn eigen stand, één die hem begreep en met wie hij dezelfde man had kunnen blijven, doch eenmaal die afzakkende pas gezet, diende hij dubbel sterk te wezen en als twee man te werken. Dat had hij niet gedaan, niet kunnen doen en ’t einde werd, dat zij voor hem moest inspringen, zich nu ook als de meerdere liet gelden. Dat had hij niet kunnen verkroppen, daartegenverzette hij zich met alle macht en dan dronk hij maar een borrel. Zoo zakte hij al meer af, zoo zonk hij al dieper,—en nu voor ’t eerst in die wrange verlatenheid voelde hij door de woede heen zijn ongelijk. Je kon je als man alléén laten gelden als je werkelijk man bent; anders dien je te kruipen en willig te aanvaarden.Hoonend klonken die woorden, die bittere zelfverwijten in hem op. Schampend om zichzelf te pijnigen herhaalde hij ze vele malen. Dan begreep hij weer, dat huilen en lammenteeren niets gaf, dat hij op zijn zoek moest om haar terug te halen en saam een nieuw leven te beginnen. Ja, hij zou zich beteren, hij zou niet meer drinken, haar nukken verdragen, tot hij weer geregeld werk vond en haar toonen kon dat hij, hoewel afgezakt tot gewoon werkman, toch ook een man uit één stuk kon zijn.’t Begon nu al te donkeren. Opnieuw daalde hij de nauwe traptreden af, doorliep de straten, ging nogeens bij de Hesselaars aan.—Welja, je vrouw is hier geweest, zei Greet lachend, ze is al naar huis toe, je mot haar zijn tege gekomme, maak maar voort! Hesselaar lachte mee.Een zware angst viel van hem af, maar een ander gevoel van angst steeg bij hem op. Dat ze nu nog terug zou komen leek hem zoo onwerkelijk, zoo vreemd, dat hij zijn eigen ooren haast niet gelooven kon en aarzelend staan bleef in de deur.—Vooruit, ga nou gauw en zoen het weer af,is dat een manier van doen om elkaar ’t leven zoo lastig te maken!Baller wilde d’er wat tegen in brengen, maar Hesselaar sneed hem de woorden af, zei al weer:—Kom, verleuter nou niet je tijd, ’t hêt al lang genog geduurd.—Ja, antwoordde hij zuchtend. Dan stommelde hij weg, de Hesselaars nog bedankend.Op straat moest hij acht geven en voorzichtig stappen, omdat het zoo glad was. Een kleinigheid en je lei op je achterste, een ongeluk zat in een klein hoekje. Zou ze al thuis wezen en op hem wachten, vroeg hij zich nu weer, en zou het nog eerst ruzie geven? moest hij haar de huid vol schelden of zelf soebatten? Hij begreep maar niet dat ze al boven zou zitten, en toch kon dat dubbel en dwars, ze was vóór hem bij de Hesselaars weggegaan en die zoûen hem niet bedriegen. Vreemd, telkens meende hij haar te zien, daarstraks al om de hoek en nou weer.... Ho pas op! anders tuimelde hij nog.... verduiveld, wat was ’t glad, je mocht wel sokken onder de schoenen hebben! Ieder keer als hem een vrouw voorbijging meende hij haar stem te hooren, kwam geheimzinnig gefluister alsof er om hulp werd geroepen op hem toe. Nou, hij zou blij zijn als hij boven zat en alles weer in orde was. Honger had hij voor zes.Met maakte hij weer zoo’n valsche glipper. Verdikkeme, ze mocht ook wel oppassen, een mensch wasmet die gladdigheid z’n leven niet zeker, maar dat hoefde hij niet te zeggen: ze was allang uit de narigheid, al bezig om aardappelen op te zetten. Voetje voor voetje, strompelde hij door en zijn leege maag plaagde hem niet minder.Aan de overkant van de gracht hoorde hij plots groot tumult. Misschien een ongeluk gebeurd, zou hij er langs gaan? Welnee, hij had nu geen tijd!Toch gingen zijn voeten de brug al over, die kant uit; ’t liep ook zoo ver niet om. Langzaam-aan naderde hij, maar ’t gaf hem niet veel, het stond er zwart van de menschen, er viel weinig te zien. In ’t voorbijgaan hoorde hij het: een vrouw overreden en morsdood. Hij schudde zijn klein baardig hoofd, voelde zich verheugd in ’t besef, dat zijn eigen vrouw nu wel thuis zou wezen. Wie weet wat haar met die gladdigheid zou zijn overkomen, indien ze was blijven dwalen.Een policieman daagde op, joeg de menschen uit elkaar. Hij hoorde nu dat de vrouw nog aldoor onder de hoeven lag, een oude vrouw naar ze zeien. God-in-de-hemel, de hoeven sloegen als een wervelwind zoo rap en ’t vuur ketste over de ijsbevroren steenen; wagen en paard radouwden en schokten door elkaar.Baller liep door. Even had hij gedacht.... geprobeerd te onderscheiden... of ’t misschien niet zijn vrouw kon wezen, maar er viel niets te zien, ze lag onder ’t paard, welnee, ze zeien toch een oude vrouw, en nuvoorzichtig om niet te struikelen en uit te wijken voor die dringende menschen ging hij voort, om nu maar gauw thuis te zijn. Op een afstand bleef hij weer staan, om nog eens uit te kijken.De roodpuisterige koetsier, die eerst op de bok was blijven zitten om het paard op de pooten te krijgen, was er nu toch afgesprongen en trachtte zijn knol uit te halen. Hij rukte zoo fel aan de leidsels dat het paard steigerde, doch op de ijsgladde keien vonden de hoeven geen pak. ’t Beest, half overeind, spartelde en struikelde, sloeg weer neer, zichzelf rameiend, zich haast wurgend in de leidsels en ’t nauw gareel.—Hou op, hou op! dacht Baller luid. Ook de omstanders schreeuwden:—Je vermoordt haar, je maakt ’t arme mensch heel’maal kapot!De koetsier liet de leidsel vallen, tierde terug:—Verrek jullie... help ook ’n handje... weten jullie ’t soms zoo goed?Dan stond hij zelf versuft en wist niet wat te doen. De omstanders raasden en tierden, geen had het rechte besef de ongelukkige te verlossen. Arme Baller wist ook niet te helpen, zijn handen stonden toch verkeerd, hij had zelf moeite om op zijn voetjes te blijven...De policieman drong nu in de kring, duwde de schreeuwende menschen op zij, greep het paard bij de kop, en dadelijk hielpen tien, twaalf handen.—Hou de bonk van achteren vast, beet hij de koetsier toe, zorg dat-ie niet opslaat!—Een, twee, drie hallo!... één, twee, drie vast!Met hun allen hieven ze ’t paard van voren op.—Niet te veel, niet te veel!bevelhebberdede policieman. Zoo... trek weg ’t mensch!!Vele handen grepen toe, en nu ’t paard wat terzij en opgeheven, ontstond er ruimte. De verongelukte konden ze naar de andere kant uithalen.—Dood! zeien eenigen.—Een dokter... naar de apotheek! gilden velen door elkaar.—Een brankard! riep de policieman tegen een andere agent die net kwam toegeloopen.Vier, vijf mannen droegen het in-elkaar-gezakte lijf, de kant uit naar de apotheker, terwijl de tweede agent zich met koetsier en paard bemoeide, om de weg weer vrij te krijgen.—Verschrikkelijk! schandalig! murmureerden de menschen die Baller passeerden.De koetsier stond overend, om ’t ongeluk uitéén te zetten. ’t Zweet gutste hem onder zijn lakhoed weg, siepelde over zijn gezwollen gezicht.—’t is niet mijn schuld, verweerde hij zich fel. Als iemand zich voor de knol gooit, wie kan d’er tege?—Je bonk hêt g’n belle! gierde luid een opgeschoten jongen.De koetsier dreigde met de vuisten, de jongen week terug, schreeuwende:—Maak m’ar niet zoo’n heibel... Je bent er toch nakend bij!—Kan ik ’t helpe as de baas geen belle het... alle paarde benne uit, verweerde hij zich.—Zoo’n schoft! schreeuwde er weer een. Dát waagt de menschen er m’ar an.... je most je schamen, moordenaar...!De koetsier, in wilde woede, wou hem te lijf, maar z’n paard lag d’r nog, dàt moest eerst op de pooten. Policieman noteerde al zijn nummer, de stal en zijn naam.—Heel goed zoo! dacht Baller die het in de verte had aangezien en nu wilde doorgaan.De eerste agent, weer toegeschoten, zei kortaf tegen de aapjesman:—Je gaat mee naar ’t beroo!!Koetsier, eindelijk ’t paard op de pooten gekregen, ’t lemoen gebroken, wou er tusschen uit, raasde en vloekte van belang:—Je weet toch m’n nummer en m’n stal! ’t Is Zondag... ’k motverdiene!!—Zoo’n schoft, schreeuwden weer de menschen. Hij mot vérdiene, of hij de menschen doodrijdt raakt hèm niet, as-ie ma’r verdient!!—Vooruit! zei barsch de agent.Al had hij ’t nummer en de stal, er moest satisfaktie worden gegeven. Hij keek uit naar getuigen, om ’t geval te bevestigen.In zwarte wriemel lawaaide droef de optocht de brug over naar ’t bureau.
VIII.Tegen een uur of elf was Baller uit zijn vluchtige roes wakker geworden, èn dorstig, droog in de keel, schreeuwde hij meteen om drinken, maar dadelijk herinnerde hij zich ’t voorgevallene van ’s avonds, waarvan hij de gevolgen had willen ontloopen door er ’n flinke spat op te zetten. Veel kostte ’t em niet, hij had op de klap gedronken, rondje op rondje werd er getrakteerd en met ’n aardige snee in de neus, zooals hij dat noemde, had hij ’t aangedurfd weer bij z’n lieve vrouw thuis te komen. In bed had hij ’t weer goed willen maken, maar haar harde kop bleek niet van hem gediend, daarop liet hij met geweld zijn recht van man gelden en hij wist nou niet meer of ze zich tegen hem verzette of niet; of ze sliep of zich slaperig hield, in elk geval kwam ’t vannacht niet in orde, en nou ze geen dadelijk antwoord gaf wist hij vooraf dat er geducht wat voor hem zou op zitten.Hij besloot toen zich koest te houden, geen aanleidingte geven, zelfs geen kik te laten. Stilletjes zou hij afwachten tot zij er genoeg van kreeg en zij zelf weer vree kwam maken. Tongsmakkend van de nadorst, branderig over zijn geheele lichaam, schoof hij zich weer dieper onder de deken, probeerend opnieuw de slaap te vatten, maar zijn gedachten waren klaar en scherp, zijn ooren namen op ’t minst gerucht. ’t Verwonderde hem algauw dat hij enkel geluiden hoorde van de straat en van haar niets merkte in de kamer, ze moest bepaald uit zijn, hier of daar naartoe, om wat in huis te halen of een boodschap te doen. Een tijdje wachtte hij, en dan nieuwsgierig omdat er in de kamer zich niets verroerde, wilde hij zich overtuigen. Voorzichtig hief hij zich op, boog buiten de bedstee zijn verward hoofd, nog zwaar van de roes, en liet zijn oogen, die dof en doezelig stonden door ’t vertrek waren. Een eigenaardige kilte, een koude stramheid viel op hem neer, al gaf-ie zich nog geen rekenschap van de toestand. Hij zag haar nergens en de gordijnen hingen nog omlaag. ’t Was klam en donker in de kamer.Zijn oogen sperden zich almeer open, terwijl langzaam aan vermoedens in hem oprezen. Wat beduidde het, dat zij zich niet liet zien, of zou het nog zoo vroeg wezen? Nee, dat begreep hij haast niet. Kon hij maar eens op het klokje kijken, maar dat ging niet, zijn hoofd was te stijf, een zagende pijn voelde hij erin.De poes sprong van de stoel, pootelde miauwend naar hem toe, ’t zacht-aanvoelend hard kopje tegen zijn neerhangende hand aanwrijvend; ze vroeg om drinken, dàt begreep hij.Goedmoedig praatte hij een paar woorden met het beest, dat zijn groene, glazige oogen smeekend naar hem opstreelde en de hooge rug inkromp om een sprong te kunnen doen.—Nee, nee poes, dàt niet, zei hij, met z’n hand ’t dier afwerend. Dat wil de vrouw niet hebben, dat weet je.De poes miauwde weer, nu hulpbehoevender. Baller trok zijn hand terug en wilde onder de deken schuiven, maar nu zag hij een stuk papier, dat naar ’t scheen beschreven, dáár op tafel lag, en meteen schoot òp de herinnering aan de ruzie van gisteravond, wist hij weer dat ze hem dreigde om weg te loopen. Even lachte hij om die onderstelling, ja ze liep daar weg, waar moest ze naartoe? nee daarover behoefde hij zich niet bezorgd te maken! Wrevelig op zichzelf, omdat zoo iets nog in hem kon opkomen, wilde hij zich weer leggen om daarmee voorgoed die akeligheid weg te dringen, doch het stukje papier bleef zijn nieuwsgierigheid opwekken; alleen de mogelijkheid dat zijn vrouw zou binnenstappen terwijl hij net eruit wipte hield hem nog terug. Hij probeerde nu van-uit-z’n-bed te lezen; de poes miauwde weer en sprong dan op de bedplank. Hij smeet de poes daar weg en beende nu zelf d’eruit. De nieuwsgierigheidwas al overgegaan in het stekelig gevoel dat er iets schortte, dat zijn vrouw toch wel een dolle streek kon hebben uitgehaald.Zijn oogen spalkten zich al wijder open, terwijl ’t velletje papier in zijn bevende hand ritselde en knetterde; hij kon ’t haast niet gelooven wat daar geschreven stond en toch hij las het duidelijk: Jan, ik gaan weg en kom niet weerom ... je verschooning ligt op de stoel.Die enkele kriewelige woorden gingen voor zijn oogen zich vergrooten, dansten over het papier, en nu vertroebelden weer zijn blikken, zag hij enkel de kreupele halen en een warrel van leelijke letters. Even moest hij de hand voor zijn oogen houden, liep dan naar ’t raam, trok de gordijn omhoog, om beter zich te kunnen overtuigen. Een zware zucht welde naar zijn keel en bleef daar steken; star keken zijn oogen naar buiten, terwijl zijn gedachten verzonken in het enkele besef van verlaten te zijn, een wurgend gevoel dat hem opkropte tot in de keel.—Nou nog mooier... nou nog mooier! prevelde hij. Nee die is goed... ze hêt haar bedreiging toch uitgevoerd!Aemechtig van de schok zakte hij op de stoel neer, de mond wagewijd open over ’t onverwacht gebeuren, dat hem sloeg met ontsteltenis en vreemde beroering. Was het dan toch zoo? De gedachte kon zich nog niet in hem wortelen, ’t leek hem zoo iets gemeens en ongehoorde, dat hij in woede uitbarstte en de geheelekamer vol vloekte. Maar tegelijk greep de treurnis over ’t feit zelf hem zoo overweldigend aan dat het zwaar in hem huilde en hij bijna stikte van de zenuwen die geen uitweg konden vinden.Een poos bleef hij zoo zitten, zijn blikken blind naar buiten waar de sneeuw smoezel en morsig lag met de vele natplekkende voetdruksels. Vaag herinnerde hij ’t zich als iets dat al heel ver achter hem lag, dat dit was de witte sneeuw, waardoor hij zich vannacht met moeite naar huis werkte, omdat hij zóó volgeladen was van drank. Ja, dat ze wegliep was zijn eigen schuld, hij mocht zich niet beklagen, hij kreeg naar wat hij verdiende!Moedeloos zakte hij nog meer in elkaar en probeerde ’t zelfs niet meer te denken. ’t Leek hem alles zoo vreemd, zoo oneigenlijk, alsof ze dood was en niet weggegaan. Armelijk zag hij zich zitten in het kille vertrek en een groot medelijden kreeg hij met zijn eigen ellende. ’t Was hem of ’t al stiller en stiller werd, of de eenzaamheid aangroeide. Verlaten... zij weg... en hij alléén, hij begreep ’t aldoor nog niet, ’t wilde er niet zoo grif in.De poes, weer naar hem toegepooteld, wreef al spinnend haar hoogende rug tegen zijn strakke beenen. Dat warme, zachte gestrijk maakte hem week en hinderde hem niet minder, omdat het sterker liet gevoelen de vlucht van zijn vrouw. Drang tot zelfbeklag woelde weer in hem op,dochde woede van onmacht overdrong alles en eenigszins hardhandig, in ’t genotom ook ruw te zijn en af te stooten nam hij de kat op en smeet haar een eind van zich af.—Ja poes, snerpte hij, je zult je weg zelf moeten zoeken evenals de baas, daaraan is niks te doen, je goeie leventje is ook uit!’t Dier begreep het niet en kwam weer op hem toe. Hij lachte smadelijk en sloeg van kwaadheid zichzelf op de knieën. Net dacht hij beter op te passen en nou liet ze hem alléén. Besef dat hem onrecht werd aangedaan doorkroop hem nu venijnig. O, hij zou zich wel redden, hij had haar niet noodig, o nee volstrekt niet!Maar lang hield die opgezwiepte moed niet aan. De kille kamer, zóó zonder vuur, strak en stug in de stilte van het vreemd-aandoende vroege zondagsuur, joeg hem schrik aan. Het zich alleen zien werkte vertwijfelend op hem in. Die stroeve naaktheid, de kale kamerruimte met het ééne gordijn nog altijd neergelaten, de onberoerde stoelen, de leege tafel met het bekrabbelde stuk papier, het triestig weer, alles drong sarrend op hem in, gaf hem ’t nijpend begrip van de toestand, kneep hem tam en klein. Hij zou het rommeltje kunnen gaan verkoopen aan een jood; maar wat bracht het op? Nee nee, dat niet, hij moest haar zien op te snorren, haar terughalen en zich beteren. Waar kon ze zijn? geld bezat ze niet, evenmin als hij, ze zou om een onderdak moeten bedelen, maar och, een vrouw die handen aan haar lijf heeft, weet zich wel te redden, wordt allicht opgenomen. Toch...De gedachte aan een ongeluk, dat ze zichzelf van kant zou maken, in een dolle bui niet weten wat te doen, kreeg ineens bij hem de overhand en de angst daarvoor verving nu alle andere gewaarwordingen. Van schrik rezen zijn haren overeind, ’t was zoo erg dat hij meende eraan omhoog te worden getrokken.Hij kalmeerde weer. Je verdoet je niet zoo gauw, zei hij nu, het water is veel te koud, vooral in de winter! Ze zou ’t ook wel hebben gezegd, geen letter stond ervan in! Toch, het schrikbeeld eenmaal voor hem opgeroepen, liet hem niet zoo gemakkelijk los, spookte aldoor vinniger voor hem op. Genoeg dreigde ze hem ermee en een wanhopig mensch is niet van zich zelf zeker. In elk geval, hij moest erop uit, ’t haar beletten, ver weg kon ze nog niet wezen.Gehaast en vol schichtige angst, richtte hij zich op, goot water in de kom, waschte zich vluchtig, schoot zijn zondagsche goed aan en ijlde de trap af, de straat op. Dat hij nog niets had gegeten, weerhield hem niet, de angst voor een ongeluk, zat hem door alles heen, joeg hem voort. ’t Eerst liep hij naar de Hesselaars, dan overal waar zijn voeten hem maar droegen. De geheele lange namiddag rond zocht hij haar. Telkens keerde hij op zijn kamer terug in de verwachting, dat ze misschien wel uit haar zelf zou komen, maar ook telkens bleek het niet zoo te wezen; ze was weg en bleef weg, ze daagde niet op. De wanhoop greep hem aan. Wat moest er van hemterechtkomen als zij niet meer voor hem zorgde? Hol en kil, schrikwekkend leeg was de kamer en ’t leek hem of ’t weinige dat er nog stond hem verweet zijn wankelmoedigheid en zijn onhartelijk zijn, of de huiverkilte van ’t vertrek hem zelfs aanklaagde. Honderde keeren had ze gedreigd weg te loopen en vele malen beangstte ’t hem voor een oogenblik in de vrees dat ze er werkelijk eens toe mocht overgaan, maar diep-in had hij toch niet geloofd dat zij het ooit zou doen. En nu was het zoover, nu stond hij alleen, heel alléén, niemand zou meer naar hem omzien omdat hij was een onbruikbaar mensch, een vod. Dat was nu de vrouw voor wie hij zijn toekomst had verbeurd, het meisje dat hij tegen de zin van zijn familie trouwde en die de oorzaak werd van zijn afzakking. Blinde woede joeg hem op, armzalige onmacht plompte hem weer neer. Huilschokkend, het nietig hoofd weggegraven in zijn handen, bleef hij zitten en heel zijn teruggang, zijn verval, wielerde in klare beelden door zijn brein. En toch, ’t was zijn eigen schuld en van niemand anders. Hij had haar niet moeten trouwen, een meisje moeten nemen uit zijn eigen stand, één die hem begreep en met wie hij dezelfde man had kunnen blijven, doch eenmaal die afzakkende pas gezet, diende hij dubbel sterk te wezen en als twee man te werken. Dat had hij niet gedaan, niet kunnen doen en ’t einde werd, dat zij voor hem moest inspringen, zich nu ook als de meerdere liet gelden. Dat had hij niet kunnen verkroppen, daartegenverzette hij zich met alle macht en dan dronk hij maar een borrel. Zoo zakte hij al meer af, zoo zonk hij al dieper,—en nu voor ’t eerst in die wrange verlatenheid voelde hij door de woede heen zijn ongelijk. Je kon je als man alléén laten gelden als je werkelijk man bent; anders dien je te kruipen en willig te aanvaarden.Hoonend klonken die woorden, die bittere zelfverwijten in hem op. Schampend om zichzelf te pijnigen herhaalde hij ze vele malen. Dan begreep hij weer, dat huilen en lammenteeren niets gaf, dat hij op zijn zoek moest om haar terug te halen en saam een nieuw leven te beginnen. Ja, hij zou zich beteren, hij zou niet meer drinken, haar nukken verdragen, tot hij weer geregeld werk vond en haar toonen kon dat hij, hoewel afgezakt tot gewoon werkman, toch ook een man uit één stuk kon zijn.’t Begon nu al te donkeren. Opnieuw daalde hij de nauwe traptreden af, doorliep de straten, ging nogeens bij de Hesselaars aan.—Welja, je vrouw is hier geweest, zei Greet lachend, ze is al naar huis toe, je mot haar zijn tege gekomme, maak maar voort! Hesselaar lachte mee.Een zware angst viel van hem af, maar een ander gevoel van angst steeg bij hem op. Dat ze nu nog terug zou komen leek hem zoo onwerkelijk, zoo vreemd, dat hij zijn eigen ooren haast niet gelooven kon en aarzelend staan bleef in de deur.—Vooruit, ga nou gauw en zoen het weer af,is dat een manier van doen om elkaar ’t leven zoo lastig te maken!Baller wilde d’er wat tegen in brengen, maar Hesselaar sneed hem de woorden af, zei al weer:—Kom, verleuter nou niet je tijd, ’t hêt al lang genog geduurd.—Ja, antwoordde hij zuchtend. Dan stommelde hij weg, de Hesselaars nog bedankend.Op straat moest hij acht geven en voorzichtig stappen, omdat het zoo glad was. Een kleinigheid en je lei op je achterste, een ongeluk zat in een klein hoekje. Zou ze al thuis wezen en op hem wachten, vroeg hij zich nu weer, en zou het nog eerst ruzie geven? moest hij haar de huid vol schelden of zelf soebatten? Hij begreep maar niet dat ze al boven zou zitten, en toch kon dat dubbel en dwars, ze was vóór hem bij de Hesselaars weggegaan en die zoûen hem niet bedriegen. Vreemd, telkens meende hij haar te zien, daarstraks al om de hoek en nou weer.... Ho pas op! anders tuimelde hij nog.... verduiveld, wat was ’t glad, je mocht wel sokken onder de schoenen hebben! Ieder keer als hem een vrouw voorbijging meende hij haar stem te hooren, kwam geheimzinnig gefluister alsof er om hulp werd geroepen op hem toe. Nou, hij zou blij zijn als hij boven zat en alles weer in orde was. Honger had hij voor zes.Met maakte hij weer zoo’n valsche glipper. Verdikkeme, ze mocht ook wel oppassen, een mensch wasmet die gladdigheid z’n leven niet zeker, maar dat hoefde hij niet te zeggen: ze was allang uit de narigheid, al bezig om aardappelen op te zetten. Voetje voor voetje, strompelde hij door en zijn leege maag plaagde hem niet minder.Aan de overkant van de gracht hoorde hij plots groot tumult. Misschien een ongeluk gebeurd, zou hij er langs gaan? Welnee, hij had nu geen tijd!Toch gingen zijn voeten de brug al over, die kant uit; ’t liep ook zoo ver niet om. Langzaam-aan naderde hij, maar ’t gaf hem niet veel, het stond er zwart van de menschen, er viel weinig te zien. In ’t voorbijgaan hoorde hij het: een vrouw overreden en morsdood. Hij schudde zijn klein baardig hoofd, voelde zich verheugd in ’t besef, dat zijn eigen vrouw nu wel thuis zou wezen. Wie weet wat haar met die gladdigheid zou zijn overkomen, indien ze was blijven dwalen.Een policieman daagde op, joeg de menschen uit elkaar. Hij hoorde nu dat de vrouw nog aldoor onder de hoeven lag, een oude vrouw naar ze zeien. God-in-de-hemel, de hoeven sloegen als een wervelwind zoo rap en ’t vuur ketste over de ijsbevroren steenen; wagen en paard radouwden en schokten door elkaar.Baller liep door. Even had hij gedacht.... geprobeerd te onderscheiden... of ’t misschien niet zijn vrouw kon wezen, maar er viel niets te zien, ze lag onder ’t paard, welnee, ze zeien toch een oude vrouw, en nuvoorzichtig om niet te struikelen en uit te wijken voor die dringende menschen ging hij voort, om nu maar gauw thuis te zijn. Op een afstand bleef hij weer staan, om nog eens uit te kijken.De roodpuisterige koetsier, die eerst op de bok was blijven zitten om het paard op de pooten te krijgen, was er nu toch afgesprongen en trachtte zijn knol uit te halen. Hij rukte zoo fel aan de leidsels dat het paard steigerde, doch op de ijsgladde keien vonden de hoeven geen pak. ’t Beest, half overeind, spartelde en struikelde, sloeg weer neer, zichzelf rameiend, zich haast wurgend in de leidsels en ’t nauw gareel.—Hou op, hou op! dacht Baller luid. Ook de omstanders schreeuwden:—Je vermoordt haar, je maakt ’t arme mensch heel’maal kapot!De koetsier liet de leidsel vallen, tierde terug:—Verrek jullie... help ook ’n handje... weten jullie ’t soms zoo goed?Dan stond hij zelf versuft en wist niet wat te doen. De omstanders raasden en tierden, geen had het rechte besef de ongelukkige te verlossen. Arme Baller wist ook niet te helpen, zijn handen stonden toch verkeerd, hij had zelf moeite om op zijn voetjes te blijven...De policieman drong nu in de kring, duwde de schreeuwende menschen op zij, greep het paard bij de kop, en dadelijk hielpen tien, twaalf handen.—Hou de bonk van achteren vast, beet hij de koetsier toe, zorg dat-ie niet opslaat!—Een, twee, drie hallo!... één, twee, drie vast!Met hun allen hieven ze ’t paard van voren op.—Niet te veel, niet te veel!bevelhebberdede policieman. Zoo... trek weg ’t mensch!!Vele handen grepen toe, en nu ’t paard wat terzij en opgeheven, ontstond er ruimte. De verongelukte konden ze naar de andere kant uithalen.—Dood! zeien eenigen.—Een dokter... naar de apotheek! gilden velen door elkaar.—Een brankard! riep de policieman tegen een andere agent die net kwam toegeloopen.Vier, vijf mannen droegen het in-elkaar-gezakte lijf, de kant uit naar de apotheker, terwijl de tweede agent zich met koetsier en paard bemoeide, om de weg weer vrij te krijgen.—Verschrikkelijk! schandalig! murmureerden de menschen die Baller passeerden.De koetsier stond overend, om ’t ongeluk uitéén te zetten. ’t Zweet gutste hem onder zijn lakhoed weg, siepelde over zijn gezwollen gezicht.—’t is niet mijn schuld, verweerde hij zich fel. Als iemand zich voor de knol gooit, wie kan d’er tege?—Je bonk hêt g’n belle! gierde luid een opgeschoten jongen.De koetsier dreigde met de vuisten, de jongen week terug, schreeuwende:—Maak m’ar niet zoo’n heibel... Je bent er toch nakend bij!—Kan ik ’t helpe as de baas geen belle het... alle paarde benne uit, verweerde hij zich.—Zoo’n schoft! schreeuwde er weer een. Dát waagt de menschen er m’ar an.... je most je schamen, moordenaar...!De koetsier, in wilde woede, wou hem te lijf, maar z’n paard lag d’r nog, dàt moest eerst op de pooten. Policieman noteerde al zijn nummer, de stal en zijn naam.—Heel goed zoo! dacht Baller die het in de verte had aangezien en nu wilde doorgaan.De eerste agent, weer toegeschoten, zei kortaf tegen de aapjesman:—Je gaat mee naar ’t beroo!!Koetsier, eindelijk ’t paard op de pooten gekregen, ’t lemoen gebroken, wou er tusschen uit, raasde en vloekte van belang:—Je weet toch m’n nummer en m’n stal! ’t Is Zondag... ’k motverdiene!!—Zoo’n schoft, schreeuwden weer de menschen. Hij mot vérdiene, of hij de menschen doodrijdt raakt hèm niet, as-ie ma’r verdient!!—Vooruit! zei barsch de agent.Al had hij ’t nummer en de stal, er moest satisfaktie worden gegeven. Hij keek uit naar getuigen, om ’t geval te bevestigen.In zwarte wriemel lawaaide droef de optocht de brug over naar ’t bureau.
VIII.Tegen een uur of elf was Baller uit zijn vluchtige roes wakker geworden, èn dorstig, droog in de keel, schreeuwde hij meteen om drinken, maar dadelijk herinnerde hij zich ’t voorgevallene van ’s avonds, waarvan hij de gevolgen had willen ontloopen door er ’n flinke spat op te zetten. Veel kostte ’t em niet, hij had op de klap gedronken, rondje op rondje werd er getrakteerd en met ’n aardige snee in de neus, zooals hij dat noemde, had hij ’t aangedurfd weer bij z’n lieve vrouw thuis te komen. In bed had hij ’t weer goed willen maken, maar haar harde kop bleek niet van hem gediend, daarop liet hij met geweld zijn recht van man gelden en hij wist nou niet meer of ze zich tegen hem verzette of niet; of ze sliep of zich slaperig hield, in elk geval kwam ’t vannacht niet in orde, en nou ze geen dadelijk antwoord gaf wist hij vooraf dat er geducht wat voor hem zou op zitten.Hij besloot toen zich koest te houden, geen aanleidingte geven, zelfs geen kik te laten. Stilletjes zou hij afwachten tot zij er genoeg van kreeg en zij zelf weer vree kwam maken. Tongsmakkend van de nadorst, branderig over zijn geheele lichaam, schoof hij zich weer dieper onder de deken, probeerend opnieuw de slaap te vatten, maar zijn gedachten waren klaar en scherp, zijn ooren namen op ’t minst gerucht. ’t Verwonderde hem algauw dat hij enkel geluiden hoorde van de straat en van haar niets merkte in de kamer, ze moest bepaald uit zijn, hier of daar naartoe, om wat in huis te halen of een boodschap te doen. Een tijdje wachtte hij, en dan nieuwsgierig omdat er in de kamer zich niets verroerde, wilde hij zich overtuigen. Voorzichtig hief hij zich op, boog buiten de bedstee zijn verward hoofd, nog zwaar van de roes, en liet zijn oogen, die dof en doezelig stonden door ’t vertrek waren. Een eigenaardige kilte, een koude stramheid viel op hem neer, al gaf-ie zich nog geen rekenschap van de toestand. Hij zag haar nergens en de gordijnen hingen nog omlaag. ’t Was klam en donker in de kamer.Zijn oogen sperden zich almeer open, terwijl langzaam aan vermoedens in hem oprezen. Wat beduidde het, dat zij zich niet liet zien, of zou het nog zoo vroeg wezen? Nee, dat begreep hij haast niet. Kon hij maar eens op het klokje kijken, maar dat ging niet, zijn hoofd was te stijf, een zagende pijn voelde hij erin.De poes sprong van de stoel, pootelde miauwend naar hem toe, ’t zacht-aanvoelend hard kopje tegen zijn neerhangende hand aanwrijvend; ze vroeg om drinken, dàt begreep hij.Goedmoedig praatte hij een paar woorden met het beest, dat zijn groene, glazige oogen smeekend naar hem opstreelde en de hooge rug inkromp om een sprong te kunnen doen.—Nee, nee poes, dàt niet, zei hij, met z’n hand ’t dier afwerend. Dat wil de vrouw niet hebben, dat weet je.De poes miauwde weer, nu hulpbehoevender. Baller trok zijn hand terug en wilde onder de deken schuiven, maar nu zag hij een stuk papier, dat naar ’t scheen beschreven, dáár op tafel lag, en meteen schoot òp de herinnering aan de ruzie van gisteravond, wist hij weer dat ze hem dreigde om weg te loopen. Even lachte hij om die onderstelling, ja ze liep daar weg, waar moest ze naartoe? nee daarover behoefde hij zich niet bezorgd te maken! Wrevelig op zichzelf, omdat zoo iets nog in hem kon opkomen, wilde hij zich weer leggen om daarmee voorgoed die akeligheid weg te dringen, doch het stukje papier bleef zijn nieuwsgierigheid opwekken; alleen de mogelijkheid dat zijn vrouw zou binnenstappen terwijl hij net eruit wipte hield hem nog terug. Hij probeerde nu van-uit-z’n-bed te lezen; de poes miauwde weer en sprong dan op de bedplank. Hij smeet de poes daar weg en beende nu zelf d’eruit. De nieuwsgierigheidwas al overgegaan in het stekelig gevoel dat er iets schortte, dat zijn vrouw toch wel een dolle streek kon hebben uitgehaald.Zijn oogen spalkten zich al wijder open, terwijl ’t velletje papier in zijn bevende hand ritselde en knetterde; hij kon ’t haast niet gelooven wat daar geschreven stond en toch hij las het duidelijk: Jan, ik gaan weg en kom niet weerom ... je verschooning ligt op de stoel.Die enkele kriewelige woorden gingen voor zijn oogen zich vergrooten, dansten over het papier, en nu vertroebelden weer zijn blikken, zag hij enkel de kreupele halen en een warrel van leelijke letters. Even moest hij de hand voor zijn oogen houden, liep dan naar ’t raam, trok de gordijn omhoog, om beter zich te kunnen overtuigen. Een zware zucht welde naar zijn keel en bleef daar steken; star keken zijn oogen naar buiten, terwijl zijn gedachten verzonken in het enkele besef van verlaten te zijn, een wurgend gevoel dat hem opkropte tot in de keel.—Nou nog mooier... nou nog mooier! prevelde hij. Nee die is goed... ze hêt haar bedreiging toch uitgevoerd!Aemechtig van de schok zakte hij op de stoel neer, de mond wagewijd open over ’t onverwacht gebeuren, dat hem sloeg met ontsteltenis en vreemde beroering. Was het dan toch zoo? De gedachte kon zich nog niet in hem wortelen, ’t leek hem zoo iets gemeens en ongehoorde, dat hij in woede uitbarstte en de geheelekamer vol vloekte. Maar tegelijk greep de treurnis over ’t feit zelf hem zoo overweldigend aan dat het zwaar in hem huilde en hij bijna stikte van de zenuwen die geen uitweg konden vinden.Een poos bleef hij zoo zitten, zijn blikken blind naar buiten waar de sneeuw smoezel en morsig lag met de vele natplekkende voetdruksels. Vaag herinnerde hij ’t zich als iets dat al heel ver achter hem lag, dat dit was de witte sneeuw, waardoor hij zich vannacht met moeite naar huis werkte, omdat hij zóó volgeladen was van drank. Ja, dat ze wegliep was zijn eigen schuld, hij mocht zich niet beklagen, hij kreeg naar wat hij verdiende!Moedeloos zakte hij nog meer in elkaar en probeerde ’t zelfs niet meer te denken. ’t Leek hem alles zoo vreemd, zoo oneigenlijk, alsof ze dood was en niet weggegaan. Armelijk zag hij zich zitten in het kille vertrek en een groot medelijden kreeg hij met zijn eigen ellende. ’t Was hem of ’t al stiller en stiller werd, of de eenzaamheid aangroeide. Verlaten... zij weg... en hij alléén, hij begreep ’t aldoor nog niet, ’t wilde er niet zoo grif in.De poes, weer naar hem toegepooteld, wreef al spinnend haar hoogende rug tegen zijn strakke beenen. Dat warme, zachte gestrijk maakte hem week en hinderde hem niet minder, omdat het sterker liet gevoelen de vlucht van zijn vrouw. Drang tot zelfbeklag woelde weer in hem op,dochde woede van onmacht overdrong alles en eenigszins hardhandig, in ’t genotom ook ruw te zijn en af te stooten nam hij de kat op en smeet haar een eind van zich af.—Ja poes, snerpte hij, je zult je weg zelf moeten zoeken evenals de baas, daaraan is niks te doen, je goeie leventje is ook uit!’t Dier begreep het niet en kwam weer op hem toe. Hij lachte smadelijk en sloeg van kwaadheid zichzelf op de knieën. Net dacht hij beter op te passen en nou liet ze hem alléén. Besef dat hem onrecht werd aangedaan doorkroop hem nu venijnig. O, hij zou zich wel redden, hij had haar niet noodig, o nee volstrekt niet!Maar lang hield die opgezwiepte moed niet aan. De kille kamer, zóó zonder vuur, strak en stug in de stilte van het vreemd-aandoende vroege zondagsuur, joeg hem schrik aan. Het zich alleen zien werkte vertwijfelend op hem in. Die stroeve naaktheid, de kale kamerruimte met het ééne gordijn nog altijd neergelaten, de onberoerde stoelen, de leege tafel met het bekrabbelde stuk papier, het triestig weer, alles drong sarrend op hem in, gaf hem ’t nijpend begrip van de toestand, kneep hem tam en klein. Hij zou het rommeltje kunnen gaan verkoopen aan een jood; maar wat bracht het op? Nee nee, dat niet, hij moest haar zien op te snorren, haar terughalen en zich beteren. Waar kon ze zijn? geld bezat ze niet, evenmin als hij, ze zou om een onderdak moeten bedelen, maar och, een vrouw die handen aan haar lijf heeft, weet zich wel te redden, wordt allicht opgenomen. Toch...De gedachte aan een ongeluk, dat ze zichzelf van kant zou maken, in een dolle bui niet weten wat te doen, kreeg ineens bij hem de overhand en de angst daarvoor verving nu alle andere gewaarwordingen. Van schrik rezen zijn haren overeind, ’t was zoo erg dat hij meende eraan omhoog te worden getrokken.Hij kalmeerde weer. Je verdoet je niet zoo gauw, zei hij nu, het water is veel te koud, vooral in de winter! Ze zou ’t ook wel hebben gezegd, geen letter stond ervan in! Toch, het schrikbeeld eenmaal voor hem opgeroepen, liet hem niet zoo gemakkelijk los, spookte aldoor vinniger voor hem op. Genoeg dreigde ze hem ermee en een wanhopig mensch is niet van zich zelf zeker. In elk geval, hij moest erop uit, ’t haar beletten, ver weg kon ze nog niet wezen.Gehaast en vol schichtige angst, richtte hij zich op, goot water in de kom, waschte zich vluchtig, schoot zijn zondagsche goed aan en ijlde de trap af, de straat op. Dat hij nog niets had gegeten, weerhield hem niet, de angst voor een ongeluk, zat hem door alles heen, joeg hem voort. ’t Eerst liep hij naar de Hesselaars, dan overal waar zijn voeten hem maar droegen. De geheele lange namiddag rond zocht hij haar. Telkens keerde hij op zijn kamer terug in de verwachting, dat ze misschien wel uit haar zelf zou komen, maar ook telkens bleek het niet zoo te wezen; ze was weg en bleef weg, ze daagde niet op. De wanhoop greep hem aan. Wat moest er van hemterechtkomen als zij niet meer voor hem zorgde? Hol en kil, schrikwekkend leeg was de kamer en ’t leek hem of ’t weinige dat er nog stond hem verweet zijn wankelmoedigheid en zijn onhartelijk zijn, of de huiverkilte van ’t vertrek hem zelfs aanklaagde. Honderde keeren had ze gedreigd weg te loopen en vele malen beangstte ’t hem voor een oogenblik in de vrees dat ze er werkelijk eens toe mocht overgaan, maar diep-in had hij toch niet geloofd dat zij het ooit zou doen. En nu was het zoover, nu stond hij alleen, heel alléén, niemand zou meer naar hem omzien omdat hij was een onbruikbaar mensch, een vod. Dat was nu de vrouw voor wie hij zijn toekomst had verbeurd, het meisje dat hij tegen de zin van zijn familie trouwde en die de oorzaak werd van zijn afzakking. Blinde woede joeg hem op, armzalige onmacht plompte hem weer neer. Huilschokkend, het nietig hoofd weggegraven in zijn handen, bleef hij zitten en heel zijn teruggang, zijn verval, wielerde in klare beelden door zijn brein. En toch, ’t was zijn eigen schuld en van niemand anders. Hij had haar niet moeten trouwen, een meisje moeten nemen uit zijn eigen stand, één die hem begreep en met wie hij dezelfde man had kunnen blijven, doch eenmaal die afzakkende pas gezet, diende hij dubbel sterk te wezen en als twee man te werken. Dat had hij niet gedaan, niet kunnen doen en ’t einde werd, dat zij voor hem moest inspringen, zich nu ook als de meerdere liet gelden. Dat had hij niet kunnen verkroppen, daartegenverzette hij zich met alle macht en dan dronk hij maar een borrel. Zoo zakte hij al meer af, zoo zonk hij al dieper,—en nu voor ’t eerst in die wrange verlatenheid voelde hij door de woede heen zijn ongelijk. Je kon je als man alléén laten gelden als je werkelijk man bent; anders dien je te kruipen en willig te aanvaarden.Hoonend klonken die woorden, die bittere zelfverwijten in hem op. Schampend om zichzelf te pijnigen herhaalde hij ze vele malen. Dan begreep hij weer, dat huilen en lammenteeren niets gaf, dat hij op zijn zoek moest om haar terug te halen en saam een nieuw leven te beginnen. Ja, hij zou zich beteren, hij zou niet meer drinken, haar nukken verdragen, tot hij weer geregeld werk vond en haar toonen kon dat hij, hoewel afgezakt tot gewoon werkman, toch ook een man uit één stuk kon zijn.’t Begon nu al te donkeren. Opnieuw daalde hij de nauwe traptreden af, doorliep de straten, ging nogeens bij de Hesselaars aan.—Welja, je vrouw is hier geweest, zei Greet lachend, ze is al naar huis toe, je mot haar zijn tege gekomme, maak maar voort! Hesselaar lachte mee.Een zware angst viel van hem af, maar een ander gevoel van angst steeg bij hem op. Dat ze nu nog terug zou komen leek hem zoo onwerkelijk, zoo vreemd, dat hij zijn eigen ooren haast niet gelooven kon en aarzelend staan bleef in de deur.—Vooruit, ga nou gauw en zoen het weer af,is dat een manier van doen om elkaar ’t leven zoo lastig te maken!Baller wilde d’er wat tegen in brengen, maar Hesselaar sneed hem de woorden af, zei al weer:—Kom, verleuter nou niet je tijd, ’t hêt al lang genog geduurd.—Ja, antwoordde hij zuchtend. Dan stommelde hij weg, de Hesselaars nog bedankend.Op straat moest hij acht geven en voorzichtig stappen, omdat het zoo glad was. Een kleinigheid en je lei op je achterste, een ongeluk zat in een klein hoekje. Zou ze al thuis wezen en op hem wachten, vroeg hij zich nu weer, en zou het nog eerst ruzie geven? moest hij haar de huid vol schelden of zelf soebatten? Hij begreep maar niet dat ze al boven zou zitten, en toch kon dat dubbel en dwars, ze was vóór hem bij de Hesselaars weggegaan en die zoûen hem niet bedriegen. Vreemd, telkens meende hij haar te zien, daarstraks al om de hoek en nou weer.... Ho pas op! anders tuimelde hij nog.... verduiveld, wat was ’t glad, je mocht wel sokken onder de schoenen hebben! Ieder keer als hem een vrouw voorbijging meende hij haar stem te hooren, kwam geheimzinnig gefluister alsof er om hulp werd geroepen op hem toe. Nou, hij zou blij zijn als hij boven zat en alles weer in orde was. Honger had hij voor zes.Met maakte hij weer zoo’n valsche glipper. Verdikkeme, ze mocht ook wel oppassen, een mensch wasmet die gladdigheid z’n leven niet zeker, maar dat hoefde hij niet te zeggen: ze was allang uit de narigheid, al bezig om aardappelen op te zetten. Voetje voor voetje, strompelde hij door en zijn leege maag plaagde hem niet minder.Aan de overkant van de gracht hoorde hij plots groot tumult. Misschien een ongeluk gebeurd, zou hij er langs gaan? Welnee, hij had nu geen tijd!Toch gingen zijn voeten de brug al over, die kant uit; ’t liep ook zoo ver niet om. Langzaam-aan naderde hij, maar ’t gaf hem niet veel, het stond er zwart van de menschen, er viel weinig te zien. In ’t voorbijgaan hoorde hij het: een vrouw overreden en morsdood. Hij schudde zijn klein baardig hoofd, voelde zich verheugd in ’t besef, dat zijn eigen vrouw nu wel thuis zou wezen. Wie weet wat haar met die gladdigheid zou zijn overkomen, indien ze was blijven dwalen.Een policieman daagde op, joeg de menschen uit elkaar. Hij hoorde nu dat de vrouw nog aldoor onder de hoeven lag, een oude vrouw naar ze zeien. God-in-de-hemel, de hoeven sloegen als een wervelwind zoo rap en ’t vuur ketste over de ijsbevroren steenen; wagen en paard radouwden en schokten door elkaar.Baller liep door. Even had hij gedacht.... geprobeerd te onderscheiden... of ’t misschien niet zijn vrouw kon wezen, maar er viel niets te zien, ze lag onder ’t paard, welnee, ze zeien toch een oude vrouw, en nuvoorzichtig om niet te struikelen en uit te wijken voor die dringende menschen ging hij voort, om nu maar gauw thuis te zijn. Op een afstand bleef hij weer staan, om nog eens uit te kijken.De roodpuisterige koetsier, die eerst op de bok was blijven zitten om het paard op de pooten te krijgen, was er nu toch afgesprongen en trachtte zijn knol uit te halen. Hij rukte zoo fel aan de leidsels dat het paard steigerde, doch op de ijsgladde keien vonden de hoeven geen pak. ’t Beest, half overeind, spartelde en struikelde, sloeg weer neer, zichzelf rameiend, zich haast wurgend in de leidsels en ’t nauw gareel.—Hou op, hou op! dacht Baller luid. Ook de omstanders schreeuwden:—Je vermoordt haar, je maakt ’t arme mensch heel’maal kapot!De koetsier liet de leidsel vallen, tierde terug:—Verrek jullie... help ook ’n handje... weten jullie ’t soms zoo goed?Dan stond hij zelf versuft en wist niet wat te doen. De omstanders raasden en tierden, geen had het rechte besef de ongelukkige te verlossen. Arme Baller wist ook niet te helpen, zijn handen stonden toch verkeerd, hij had zelf moeite om op zijn voetjes te blijven...De policieman drong nu in de kring, duwde de schreeuwende menschen op zij, greep het paard bij de kop, en dadelijk hielpen tien, twaalf handen.—Hou de bonk van achteren vast, beet hij de koetsier toe, zorg dat-ie niet opslaat!—Een, twee, drie hallo!... één, twee, drie vast!Met hun allen hieven ze ’t paard van voren op.—Niet te veel, niet te veel!bevelhebberdede policieman. Zoo... trek weg ’t mensch!!Vele handen grepen toe, en nu ’t paard wat terzij en opgeheven, ontstond er ruimte. De verongelukte konden ze naar de andere kant uithalen.—Dood! zeien eenigen.—Een dokter... naar de apotheek! gilden velen door elkaar.—Een brankard! riep de policieman tegen een andere agent die net kwam toegeloopen.Vier, vijf mannen droegen het in-elkaar-gezakte lijf, de kant uit naar de apotheker, terwijl de tweede agent zich met koetsier en paard bemoeide, om de weg weer vrij te krijgen.—Verschrikkelijk! schandalig! murmureerden de menschen die Baller passeerden.De koetsier stond overend, om ’t ongeluk uitéén te zetten. ’t Zweet gutste hem onder zijn lakhoed weg, siepelde over zijn gezwollen gezicht.—’t is niet mijn schuld, verweerde hij zich fel. Als iemand zich voor de knol gooit, wie kan d’er tege?—Je bonk hêt g’n belle! gierde luid een opgeschoten jongen.De koetsier dreigde met de vuisten, de jongen week terug, schreeuwende:—Maak m’ar niet zoo’n heibel... Je bent er toch nakend bij!—Kan ik ’t helpe as de baas geen belle het... alle paarde benne uit, verweerde hij zich.—Zoo’n schoft! schreeuwde er weer een. Dát waagt de menschen er m’ar an.... je most je schamen, moordenaar...!De koetsier, in wilde woede, wou hem te lijf, maar z’n paard lag d’r nog, dàt moest eerst op de pooten. Policieman noteerde al zijn nummer, de stal en zijn naam.—Heel goed zoo! dacht Baller die het in de verte had aangezien en nu wilde doorgaan.De eerste agent, weer toegeschoten, zei kortaf tegen de aapjesman:—Je gaat mee naar ’t beroo!!Koetsier, eindelijk ’t paard op de pooten gekregen, ’t lemoen gebroken, wou er tusschen uit, raasde en vloekte van belang:—Je weet toch m’n nummer en m’n stal! ’t Is Zondag... ’k motverdiene!!—Zoo’n schoft, schreeuwden weer de menschen. Hij mot vérdiene, of hij de menschen doodrijdt raakt hèm niet, as-ie ma’r verdient!!—Vooruit! zei barsch de agent.Al had hij ’t nummer en de stal, er moest satisfaktie worden gegeven. Hij keek uit naar getuigen, om ’t geval te bevestigen.In zwarte wriemel lawaaide droef de optocht de brug over naar ’t bureau.
VIII.Tegen een uur of elf was Baller uit zijn vluchtige roes wakker geworden, èn dorstig, droog in de keel, schreeuwde hij meteen om drinken, maar dadelijk herinnerde hij zich ’t voorgevallene van ’s avonds, waarvan hij de gevolgen had willen ontloopen door er ’n flinke spat op te zetten. Veel kostte ’t em niet, hij had op de klap gedronken, rondje op rondje werd er getrakteerd en met ’n aardige snee in de neus, zooals hij dat noemde, had hij ’t aangedurfd weer bij z’n lieve vrouw thuis te komen. In bed had hij ’t weer goed willen maken, maar haar harde kop bleek niet van hem gediend, daarop liet hij met geweld zijn recht van man gelden en hij wist nou niet meer of ze zich tegen hem verzette of niet; of ze sliep of zich slaperig hield, in elk geval kwam ’t vannacht niet in orde, en nou ze geen dadelijk antwoord gaf wist hij vooraf dat er geducht wat voor hem zou op zitten.Hij besloot toen zich koest te houden, geen aanleidingte geven, zelfs geen kik te laten. Stilletjes zou hij afwachten tot zij er genoeg van kreeg en zij zelf weer vree kwam maken. Tongsmakkend van de nadorst, branderig over zijn geheele lichaam, schoof hij zich weer dieper onder de deken, probeerend opnieuw de slaap te vatten, maar zijn gedachten waren klaar en scherp, zijn ooren namen op ’t minst gerucht. ’t Verwonderde hem algauw dat hij enkel geluiden hoorde van de straat en van haar niets merkte in de kamer, ze moest bepaald uit zijn, hier of daar naartoe, om wat in huis te halen of een boodschap te doen. Een tijdje wachtte hij, en dan nieuwsgierig omdat er in de kamer zich niets verroerde, wilde hij zich overtuigen. Voorzichtig hief hij zich op, boog buiten de bedstee zijn verward hoofd, nog zwaar van de roes, en liet zijn oogen, die dof en doezelig stonden door ’t vertrek waren. Een eigenaardige kilte, een koude stramheid viel op hem neer, al gaf-ie zich nog geen rekenschap van de toestand. Hij zag haar nergens en de gordijnen hingen nog omlaag. ’t Was klam en donker in de kamer.Zijn oogen sperden zich almeer open, terwijl langzaam aan vermoedens in hem oprezen. Wat beduidde het, dat zij zich niet liet zien, of zou het nog zoo vroeg wezen? Nee, dat begreep hij haast niet. Kon hij maar eens op het klokje kijken, maar dat ging niet, zijn hoofd was te stijf, een zagende pijn voelde hij erin.De poes sprong van de stoel, pootelde miauwend naar hem toe, ’t zacht-aanvoelend hard kopje tegen zijn neerhangende hand aanwrijvend; ze vroeg om drinken, dàt begreep hij.Goedmoedig praatte hij een paar woorden met het beest, dat zijn groene, glazige oogen smeekend naar hem opstreelde en de hooge rug inkromp om een sprong te kunnen doen.—Nee, nee poes, dàt niet, zei hij, met z’n hand ’t dier afwerend. Dat wil de vrouw niet hebben, dat weet je.De poes miauwde weer, nu hulpbehoevender. Baller trok zijn hand terug en wilde onder de deken schuiven, maar nu zag hij een stuk papier, dat naar ’t scheen beschreven, dáár op tafel lag, en meteen schoot òp de herinnering aan de ruzie van gisteravond, wist hij weer dat ze hem dreigde om weg te loopen. Even lachte hij om die onderstelling, ja ze liep daar weg, waar moest ze naartoe? nee daarover behoefde hij zich niet bezorgd te maken! Wrevelig op zichzelf, omdat zoo iets nog in hem kon opkomen, wilde hij zich weer leggen om daarmee voorgoed die akeligheid weg te dringen, doch het stukje papier bleef zijn nieuwsgierigheid opwekken; alleen de mogelijkheid dat zijn vrouw zou binnenstappen terwijl hij net eruit wipte hield hem nog terug. Hij probeerde nu van-uit-z’n-bed te lezen; de poes miauwde weer en sprong dan op de bedplank. Hij smeet de poes daar weg en beende nu zelf d’eruit. De nieuwsgierigheidwas al overgegaan in het stekelig gevoel dat er iets schortte, dat zijn vrouw toch wel een dolle streek kon hebben uitgehaald.Zijn oogen spalkten zich al wijder open, terwijl ’t velletje papier in zijn bevende hand ritselde en knetterde; hij kon ’t haast niet gelooven wat daar geschreven stond en toch hij las het duidelijk: Jan, ik gaan weg en kom niet weerom ... je verschooning ligt op de stoel.Die enkele kriewelige woorden gingen voor zijn oogen zich vergrooten, dansten over het papier, en nu vertroebelden weer zijn blikken, zag hij enkel de kreupele halen en een warrel van leelijke letters. Even moest hij de hand voor zijn oogen houden, liep dan naar ’t raam, trok de gordijn omhoog, om beter zich te kunnen overtuigen. Een zware zucht welde naar zijn keel en bleef daar steken; star keken zijn oogen naar buiten, terwijl zijn gedachten verzonken in het enkele besef van verlaten te zijn, een wurgend gevoel dat hem opkropte tot in de keel.—Nou nog mooier... nou nog mooier! prevelde hij. Nee die is goed... ze hêt haar bedreiging toch uitgevoerd!Aemechtig van de schok zakte hij op de stoel neer, de mond wagewijd open over ’t onverwacht gebeuren, dat hem sloeg met ontsteltenis en vreemde beroering. Was het dan toch zoo? De gedachte kon zich nog niet in hem wortelen, ’t leek hem zoo iets gemeens en ongehoorde, dat hij in woede uitbarstte en de geheelekamer vol vloekte. Maar tegelijk greep de treurnis over ’t feit zelf hem zoo overweldigend aan dat het zwaar in hem huilde en hij bijna stikte van de zenuwen die geen uitweg konden vinden.Een poos bleef hij zoo zitten, zijn blikken blind naar buiten waar de sneeuw smoezel en morsig lag met de vele natplekkende voetdruksels. Vaag herinnerde hij ’t zich als iets dat al heel ver achter hem lag, dat dit was de witte sneeuw, waardoor hij zich vannacht met moeite naar huis werkte, omdat hij zóó volgeladen was van drank. Ja, dat ze wegliep was zijn eigen schuld, hij mocht zich niet beklagen, hij kreeg naar wat hij verdiende!Moedeloos zakte hij nog meer in elkaar en probeerde ’t zelfs niet meer te denken. ’t Leek hem alles zoo vreemd, zoo oneigenlijk, alsof ze dood was en niet weggegaan. Armelijk zag hij zich zitten in het kille vertrek en een groot medelijden kreeg hij met zijn eigen ellende. ’t Was hem of ’t al stiller en stiller werd, of de eenzaamheid aangroeide. Verlaten... zij weg... en hij alléén, hij begreep ’t aldoor nog niet, ’t wilde er niet zoo grif in.De poes, weer naar hem toegepooteld, wreef al spinnend haar hoogende rug tegen zijn strakke beenen. Dat warme, zachte gestrijk maakte hem week en hinderde hem niet minder, omdat het sterker liet gevoelen de vlucht van zijn vrouw. Drang tot zelfbeklag woelde weer in hem op,dochde woede van onmacht overdrong alles en eenigszins hardhandig, in ’t genotom ook ruw te zijn en af te stooten nam hij de kat op en smeet haar een eind van zich af.—Ja poes, snerpte hij, je zult je weg zelf moeten zoeken evenals de baas, daaraan is niks te doen, je goeie leventje is ook uit!’t Dier begreep het niet en kwam weer op hem toe. Hij lachte smadelijk en sloeg van kwaadheid zichzelf op de knieën. Net dacht hij beter op te passen en nou liet ze hem alléén. Besef dat hem onrecht werd aangedaan doorkroop hem nu venijnig. O, hij zou zich wel redden, hij had haar niet noodig, o nee volstrekt niet!Maar lang hield die opgezwiepte moed niet aan. De kille kamer, zóó zonder vuur, strak en stug in de stilte van het vreemd-aandoende vroege zondagsuur, joeg hem schrik aan. Het zich alleen zien werkte vertwijfelend op hem in. Die stroeve naaktheid, de kale kamerruimte met het ééne gordijn nog altijd neergelaten, de onberoerde stoelen, de leege tafel met het bekrabbelde stuk papier, het triestig weer, alles drong sarrend op hem in, gaf hem ’t nijpend begrip van de toestand, kneep hem tam en klein. Hij zou het rommeltje kunnen gaan verkoopen aan een jood; maar wat bracht het op? Nee nee, dat niet, hij moest haar zien op te snorren, haar terughalen en zich beteren. Waar kon ze zijn? geld bezat ze niet, evenmin als hij, ze zou om een onderdak moeten bedelen, maar och, een vrouw die handen aan haar lijf heeft, weet zich wel te redden, wordt allicht opgenomen. Toch...De gedachte aan een ongeluk, dat ze zichzelf van kant zou maken, in een dolle bui niet weten wat te doen, kreeg ineens bij hem de overhand en de angst daarvoor verving nu alle andere gewaarwordingen. Van schrik rezen zijn haren overeind, ’t was zoo erg dat hij meende eraan omhoog te worden getrokken.Hij kalmeerde weer. Je verdoet je niet zoo gauw, zei hij nu, het water is veel te koud, vooral in de winter! Ze zou ’t ook wel hebben gezegd, geen letter stond ervan in! Toch, het schrikbeeld eenmaal voor hem opgeroepen, liet hem niet zoo gemakkelijk los, spookte aldoor vinniger voor hem op. Genoeg dreigde ze hem ermee en een wanhopig mensch is niet van zich zelf zeker. In elk geval, hij moest erop uit, ’t haar beletten, ver weg kon ze nog niet wezen.Gehaast en vol schichtige angst, richtte hij zich op, goot water in de kom, waschte zich vluchtig, schoot zijn zondagsche goed aan en ijlde de trap af, de straat op. Dat hij nog niets had gegeten, weerhield hem niet, de angst voor een ongeluk, zat hem door alles heen, joeg hem voort. ’t Eerst liep hij naar de Hesselaars, dan overal waar zijn voeten hem maar droegen. De geheele lange namiddag rond zocht hij haar. Telkens keerde hij op zijn kamer terug in de verwachting, dat ze misschien wel uit haar zelf zou komen, maar ook telkens bleek het niet zoo te wezen; ze was weg en bleef weg, ze daagde niet op. De wanhoop greep hem aan. Wat moest er van hemterechtkomen als zij niet meer voor hem zorgde? Hol en kil, schrikwekkend leeg was de kamer en ’t leek hem of ’t weinige dat er nog stond hem verweet zijn wankelmoedigheid en zijn onhartelijk zijn, of de huiverkilte van ’t vertrek hem zelfs aanklaagde. Honderde keeren had ze gedreigd weg te loopen en vele malen beangstte ’t hem voor een oogenblik in de vrees dat ze er werkelijk eens toe mocht overgaan, maar diep-in had hij toch niet geloofd dat zij het ooit zou doen. En nu was het zoover, nu stond hij alleen, heel alléén, niemand zou meer naar hem omzien omdat hij was een onbruikbaar mensch, een vod. Dat was nu de vrouw voor wie hij zijn toekomst had verbeurd, het meisje dat hij tegen de zin van zijn familie trouwde en die de oorzaak werd van zijn afzakking. Blinde woede joeg hem op, armzalige onmacht plompte hem weer neer. Huilschokkend, het nietig hoofd weggegraven in zijn handen, bleef hij zitten en heel zijn teruggang, zijn verval, wielerde in klare beelden door zijn brein. En toch, ’t was zijn eigen schuld en van niemand anders. Hij had haar niet moeten trouwen, een meisje moeten nemen uit zijn eigen stand, één die hem begreep en met wie hij dezelfde man had kunnen blijven, doch eenmaal die afzakkende pas gezet, diende hij dubbel sterk te wezen en als twee man te werken. Dat had hij niet gedaan, niet kunnen doen en ’t einde werd, dat zij voor hem moest inspringen, zich nu ook als de meerdere liet gelden. Dat had hij niet kunnen verkroppen, daartegenverzette hij zich met alle macht en dan dronk hij maar een borrel. Zoo zakte hij al meer af, zoo zonk hij al dieper,—en nu voor ’t eerst in die wrange verlatenheid voelde hij door de woede heen zijn ongelijk. Je kon je als man alléén laten gelden als je werkelijk man bent; anders dien je te kruipen en willig te aanvaarden.Hoonend klonken die woorden, die bittere zelfverwijten in hem op. Schampend om zichzelf te pijnigen herhaalde hij ze vele malen. Dan begreep hij weer, dat huilen en lammenteeren niets gaf, dat hij op zijn zoek moest om haar terug te halen en saam een nieuw leven te beginnen. Ja, hij zou zich beteren, hij zou niet meer drinken, haar nukken verdragen, tot hij weer geregeld werk vond en haar toonen kon dat hij, hoewel afgezakt tot gewoon werkman, toch ook een man uit één stuk kon zijn.’t Begon nu al te donkeren. Opnieuw daalde hij de nauwe traptreden af, doorliep de straten, ging nogeens bij de Hesselaars aan.—Welja, je vrouw is hier geweest, zei Greet lachend, ze is al naar huis toe, je mot haar zijn tege gekomme, maak maar voort! Hesselaar lachte mee.Een zware angst viel van hem af, maar een ander gevoel van angst steeg bij hem op. Dat ze nu nog terug zou komen leek hem zoo onwerkelijk, zoo vreemd, dat hij zijn eigen ooren haast niet gelooven kon en aarzelend staan bleef in de deur.—Vooruit, ga nou gauw en zoen het weer af,is dat een manier van doen om elkaar ’t leven zoo lastig te maken!Baller wilde d’er wat tegen in brengen, maar Hesselaar sneed hem de woorden af, zei al weer:—Kom, verleuter nou niet je tijd, ’t hêt al lang genog geduurd.—Ja, antwoordde hij zuchtend. Dan stommelde hij weg, de Hesselaars nog bedankend.Op straat moest hij acht geven en voorzichtig stappen, omdat het zoo glad was. Een kleinigheid en je lei op je achterste, een ongeluk zat in een klein hoekje. Zou ze al thuis wezen en op hem wachten, vroeg hij zich nu weer, en zou het nog eerst ruzie geven? moest hij haar de huid vol schelden of zelf soebatten? Hij begreep maar niet dat ze al boven zou zitten, en toch kon dat dubbel en dwars, ze was vóór hem bij de Hesselaars weggegaan en die zoûen hem niet bedriegen. Vreemd, telkens meende hij haar te zien, daarstraks al om de hoek en nou weer.... Ho pas op! anders tuimelde hij nog.... verduiveld, wat was ’t glad, je mocht wel sokken onder de schoenen hebben! Ieder keer als hem een vrouw voorbijging meende hij haar stem te hooren, kwam geheimzinnig gefluister alsof er om hulp werd geroepen op hem toe. Nou, hij zou blij zijn als hij boven zat en alles weer in orde was. Honger had hij voor zes.Met maakte hij weer zoo’n valsche glipper. Verdikkeme, ze mocht ook wel oppassen, een mensch wasmet die gladdigheid z’n leven niet zeker, maar dat hoefde hij niet te zeggen: ze was allang uit de narigheid, al bezig om aardappelen op te zetten. Voetje voor voetje, strompelde hij door en zijn leege maag plaagde hem niet minder.Aan de overkant van de gracht hoorde hij plots groot tumult. Misschien een ongeluk gebeurd, zou hij er langs gaan? Welnee, hij had nu geen tijd!Toch gingen zijn voeten de brug al over, die kant uit; ’t liep ook zoo ver niet om. Langzaam-aan naderde hij, maar ’t gaf hem niet veel, het stond er zwart van de menschen, er viel weinig te zien. In ’t voorbijgaan hoorde hij het: een vrouw overreden en morsdood. Hij schudde zijn klein baardig hoofd, voelde zich verheugd in ’t besef, dat zijn eigen vrouw nu wel thuis zou wezen. Wie weet wat haar met die gladdigheid zou zijn overkomen, indien ze was blijven dwalen.Een policieman daagde op, joeg de menschen uit elkaar. Hij hoorde nu dat de vrouw nog aldoor onder de hoeven lag, een oude vrouw naar ze zeien. God-in-de-hemel, de hoeven sloegen als een wervelwind zoo rap en ’t vuur ketste over de ijsbevroren steenen; wagen en paard radouwden en schokten door elkaar.Baller liep door. Even had hij gedacht.... geprobeerd te onderscheiden... of ’t misschien niet zijn vrouw kon wezen, maar er viel niets te zien, ze lag onder ’t paard, welnee, ze zeien toch een oude vrouw, en nuvoorzichtig om niet te struikelen en uit te wijken voor die dringende menschen ging hij voort, om nu maar gauw thuis te zijn. Op een afstand bleef hij weer staan, om nog eens uit te kijken.De roodpuisterige koetsier, die eerst op de bok was blijven zitten om het paard op de pooten te krijgen, was er nu toch afgesprongen en trachtte zijn knol uit te halen. Hij rukte zoo fel aan de leidsels dat het paard steigerde, doch op de ijsgladde keien vonden de hoeven geen pak. ’t Beest, half overeind, spartelde en struikelde, sloeg weer neer, zichzelf rameiend, zich haast wurgend in de leidsels en ’t nauw gareel.—Hou op, hou op! dacht Baller luid. Ook de omstanders schreeuwden:—Je vermoordt haar, je maakt ’t arme mensch heel’maal kapot!De koetsier liet de leidsel vallen, tierde terug:—Verrek jullie... help ook ’n handje... weten jullie ’t soms zoo goed?Dan stond hij zelf versuft en wist niet wat te doen. De omstanders raasden en tierden, geen had het rechte besef de ongelukkige te verlossen. Arme Baller wist ook niet te helpen, zijn handen stonden toch verkeerd, hij had zelf moeite om op zijn voetjes te blijven...De policieman drong nu in de kring, duwde de schreeuwende menschen op zij, greep het paard bij de kop, en dadelijk hielpen tien, twaalf handen.—Hou de bonk van achteren vast, beet hij de koetsier toe, zorg dat-ie niet opslaat!—Een, twee, drie hallo!... één, twee, drie vast!Met hun allen hieven ze ’t paard van voren op.—Niet te veel, niet te veel!bevelhebberdede policieman. Zoo... trek weg ’t mensch!!Vele handen grepen toe, en nu ’t paard wat terzij en opgeheven, ontstond er ruimte. De verongelukte konden ze naar de andere kant uithalen.—Dood! zeien eenigen.—Een dokter... naar de apotheek! gilden velen door elkaar.—Een brankard! riep de policieman tegen een andere agent die net kwam toegeloopen.Vier, vijf mannen droegen het in-elkaar-gezakte lijf, de kant uit naar de apotheker, terwijl de tweede agent zich met koetsier en paard bemoeide, om de weg weer vrij te krijgen.—Verschrikkelijk! schandalig! murmureerden de menschen die Baller passeerden.De koetsier stond overend, om ’t ongeluk uitéén te zetten. ’t Zweet gutste hem onder zijn lakhoed weg, siepelde over zijn gezwollen gezicht.—’t is niet mijn schuld, verweerde hij zich fel. Als iemand zich voor de knol gooit, wie kan d’er tege?—Je bonk hêt g’n belle! gierde luid een opgeschoten jongen.De koetsier dreigde met de vuisten, de jongen week terug, schreeuwende:—Maak m’ar niet zoo’n heibel... Je bent er toch nakend bij!—Kan ik ’t helpe as de baas geen belle het... alle paarde benne uit, verweerde hij zich.—Zoo’n schoft! schreeuwde er weer een. Dát waagt de menschen er m’ar an.... je most je schamen, moordenaar...!De koetsier, in wilde woede, wou hem te lijf, maar z’n paard lag d’r nog, dàt moest eerst op de pooten. Policieman noteerde al zijn nummer, de stal en zijn naam.—Heel goed zoo! dacht Baller die het in de verte had aangezien en nu wilde doorgaan.De eerste agent, weer toegeschoten, zei kortaf tegen de aapjesman:—Je gaat mee naar ’t beroo!!Koetsier, eindelijk ’t paard op de pooten gekregen, ’t lemoen gebroken, wou er tusschen uit, raasde en vloekte van belang:—Je weet toch m’n nummer en m’n stal! ’t Is Zondag... ’k motverdiene!!—Zoo’n schoft, schreeuwden weer de menschen. Hij mot vérdiene, of hij de menschen doodrijdt raakt hèm niet, as-ie ma’r verdient!!—Vooruit! zei barsch de agent.Al had hij ’t nummer en de stal, er moest satisfaktie worden gegeven. Hij keek uit naar getuigen, om ’t geval te bevestigen.In zwarte wriemel lawaaide droef de optocht de brug over naar ’t bureau.
VIII.
Tegen een uur of elf was Baller uit zijn vluchtige roes wakker geworden, èn dorstig, droog in de keel, schreeuwde hij meteen om drinken, maar dadelijk herinnerde hij zich ’t voorgevallene van ’s avonds, waarvan hij de gevolgen had willen ontloopen door er ’n flinke spat op te zetten. Veel kostte ’t em niet, hij had op de klap gedronken, rondje op rondje werd er getrakteerd en met ’n aardige snee in de neus, zooals hij dat noemde, had hij ’t aangedurfd weer bij z’n lieve vrouw thuis te komen. In bed had hij ’t weer goed willen maken, maar haar harde kop bleek niet van hem gediend, daarop liet hij met geweld zijn recht van man gelden en hij wist nou niet meer of ze zich tegen hem verzette of niet; of ze sliep of zich slaperig hield, in elk geval kwam ’t vannacht niet in orde, en nou ze geen dadelijk antwoord gaf wist hij vooraf dat er geducht wat voor hem zou op zitten.Hij besloot toen zich koest te houden, geen aanleidingte geven, zelfs geen kik te laten. Stilletjes zou hij afwachten tot zij er genoeg van kreeg en zij zelf weer vree kwam maken. Tongsmakkend van de nadorst, branderig over zijn geheele lichaam, schoof hij zich weer dieper onder de deken, probeerend opnieuw de slaap te vatten, maar zijn gedachten waren klaar en scherp, zijn ooren namen op ’t minst gerucht. ’t Verwonderde hem algauw dat hij enkel geluiden hoorde van de straat en van haar niets merkte in de kamer, ze moest bepaald uit zijn, hier of daar naartoe, om wat in huis te halen of een boodschap te doen. Een tijdje wachtte hij, en dan nieuwsgierig omdat er in de kamer zich niets verroerde, wilde hij zich overtuigen. Voorzichtig hief hij zich op, boog buiten de bedstee zijn verward hoofd, nog zwaar van de roes, en liet zijn oogen, die dof en doezelig stonden door ’t vertrek waren. Een eigenaardige kilte, een koude stramheid viel op hem neer, al gaf-ie zich nog geen rekenschap van de toestand. Hij zag haar nergens en de gordijnen hingen nog omlaag. ’t Was klam en donker in de kamer.Zijn oogen sperden zich almeer open, terwijl langzaam aan vermoedens in hem oprezen. Wat beduidde het, dat zij zich niet liet zien, of zou het nog zoo vroeg wezen? Nee, dat begreep hij haast niet. Kon hij maar eens op het klokje kijken, maar dat ging niet, zijn hoofd was te stijf, een zagende pijn voelde hij erin.De poes sprong van de stoel, pootelde miauwend naar hem toe, ’t zacht-aanvoelend hard kopje tegen zijn neerhangende hand aanwrijvend; ze vroeg om drinken, dàt begreep hij.Goedmoedig praatte hij een paar woorden met het beest, dat zijn groene, glazige oogen smeekend naar hem opstreelde en de hooge rug inkromp om een sprong te kunnen doen.—Nee, nee poes, dàt niet, zei hij, met z’n hand ’t dier afwerend. Dat wil de vrouw niet hebben, dat weet je.De poes miauwde weer, nu hulpbehoevender. Baller trok zijn hand terug en wilde onder de deken schuiven, maar nu zag hij een stuk papier, dat naar ’t scheen beschreven, dáár op tafel lag, en meteen schoot òp de herinnering aan de ruzie van gisteravond, wist hij weer dat ze hem dreigde om weg te loopen. Even lachte hij om die onderstelling, ja ze liep daar weg, waar moest ze naartoe? nee daarover behoefde hij zich niet bezorgd te maken! Wrevelig op zichzelf, omdat zoo iets nog in hem kon opkomen, wilde hij zich weer leggen om daarmee voorgoed die akeligheid weg te dringen, doch het stukje papier bleef zijn nieuwsgierigheid opwekken; alleen de mogelijkheid dat zijn vrouw zou binnenstappen terwijl hij net eruit wipte hield hem nog terug. Hij probeerde nu van-uit-z’n-bed te lezen; de poes miauwde weer en sprong dan op de bedplank. Hij smeet de poes daar weg en beende nu zelf d’eruit. De nieuwsgierigheidwas al overgegaan in het stekelig gevoel dat er iets schortte, dat zijn vrouw toch wel een dolle streek kon hebben uitgehaald.Zijn oogen spalkten zich al wijder open, terwijl ’t velletje papier in zijn bevende hand ritselde en knetterde; hij kon ’t haast niet gelooven wat daar geschreven stond en toch hij las het duidelijk: Jan, ik gaan weg en kom niet weerom ... je verschooning ligt op de stoel.Die enkele kriewelige woorden gingen voor zijn oogen zich vergrooten, dansten over het papier, en nu vertroebelden weer zijn blikken, zag hij enkel de kreupele halen en een warrel van leelijke letters. Even moest hij de hand voor zijn oogen houden, liep dan naar ’t raam, trok de gordijn omhoog, om beter zich te kunnen overtuigen. Een zware zucht welde naar zijn keel en bleef daar steken; star keken zijn oogen naar buiten, terwijl zijn gedachten verzonken in het enkele besef van verlaten te zijn, een wurgend gevoel dat hem opkropte tot in de keel.—Nou nog mooier... nou nog mooier! prevelde hij. Nee die is goed... ze hêt haar bedreiging toch uitgevoerd!Aemechtig van de schok zakte hij op de stoel neer, de mond wagewijd open over ’t onverwacht gebeuren, dat hem sloeg met ontsteltenis en vreemde beroering. Was het dan toch zoo? De gedachte kon zich nog niet in hem wortelen, ’t leek hem zoo iets gemeens en ongehoorde, dat hij in woede uitbarstte en de geheelekamer vol vloekte. Maar tegelijk greep de treurnis over ’t feit zelf hem zoo overweldigend aan dat het zwaar in hem huilde en hij bijna stikte van de zenuwen die geen uitweg konden vinden.Een poos bleef hij zoo zitten, zijn blikken blind naar buiten waar de sneeuw smoezel en morsig lag met de vele natplekkende voetdruksels. Vaag herinnerde hij ’t zich als iets dat al heel ver achter hem lag, dat dit was de witte sneeuw, waardoor hij zich vannacht met moeite naar huis werkte, omdat hij zóó volgeladen was van drank. Ja, dat ze wegliep was zijn eigen schuld, hij mocht zich niet beklagen, hij kreeg naar wat hij verdiende!Moedeloos zakte hij nog meer in elkaar en probeerde ’t zelfs niet meer te denken. ’t Leek hem alles zoo vreemd, zoo oneigenlijk, alsof ze dood was en niet weggegaan. Armelijk zag hij zich zitten in het kille vertrek en een groot medelijden kreeg hij met zijn eigen ellende. ’t Was hem of ’t al stiller en stiller werd, of de eenzaamheid aangroeide. Verlaten... zij weg... en hij alléén, hij begreep ’t aldoor nog niet, ’t wilde er niet zoo grif in.De poes, weer naar hem toegepooteld, wreef al spinnend haar hoogende rug tegen zijn strakke beenen. Dat warme, zachte gestrijk maakte hem week en hinderde hem niet minder, omdat het sterker liet gevoelen de vlucht van zijn vrouw. Drang tot zelfbeklag woelde weer in hem op,dochde woede van onmacht overdrong alles en eenigszins hardhandig, in ’t genotom ook ruw te zijn en af te stooten nam hij de kat op en smeet haar een eind van zich af.—Ja poes, snerpte hij, je zult je weg zelf moeten zoeken evenals de baas, daaraan is niks te doen, je goeie leventje is ook uit!’t Dier begreep het niet en kwam weer op hem toe. Hij lachte smadelijk en sloeg van kwaadheid zichzelf op de knieën. Net dacht hij beter op te passen en nou liet ze hem alléén. Besef dat hem onrecht werd aangedaan doorkroop hem nu venijnig. O, hij zou zich wel redden, hij had haar niet noodig, o nee volstrekt niet!Maar lang hield die opgezwiepte moed niet aan. De kille kamer, zóó zonder vuur, strak en stug in de stilte van het vreemd-aandoende vroege zondagsuur, joeg hem schrik aan. Het zich alleen zien werkte vertwijfelend op hem in. Die stroeve naaktheid, de kale kamerruimte met het ééne gordijn nog altijd neergelaten, de onberoerde stoelen, de leege tafel met het bekrabbelde stuk papier, het triestig weer, alles drong sarrend op hem in, gaf hem ’t nijpend begrip van de toestand, kneep hem tam en klein. Hij zou het rommeltje kunnen gaan verkoopen aan een jood; maar wat bracht het op? Nee nee, dat niet, hij moest haar zien op te snorren, haar terughalen en zich beteren. Waar kon ze zijn? geld bezat ze niet, evenmin als hij, ze zou om een onderdak moeten bedelen, maar och, een vrouw die handen aan haar lijf heeft, weet zich wel te redden, wordt allicht opgenomen. Toch...De gedachte aan een ongeluk, dat ze zichzelf van kant zou maken, in een dolle bui niet weten wat te doen, kreeg ineens bij hem de overhand en de angst daarvoor verving nu alle andere gewaarwordingen. Van schrik rezen zijn haren overeind, ’t was zoo erg dat hij meende eraan omhoog te worden getrokken.Hij kalmeerde weer. Je verdoet je niet zoo gauw, zei hij nu, het water is veel te koud, vooral in de winter! Ze zou ’t ook wel hebben gezegd, geen letter stond ervan in! Toch, het schrikbeeld eenmaal voor hem opgeroepen, liet hem niet zoo gemakkelijk los, spookte aldoor vinniger voor hem op. Genoeg dreigde ze hem ermee en een wanhopig mensch is niet van zich zelf zeker. In elk geval, hij moest erop uit, ’t haar beletten, ver weg kon ze nog niet wezen.Gehaast en vol schichtige angst, richtte hij zich op, goot water in de kom, waschte zich vluchtig, schoot zijn zondagsche goed aan en ijlde de trap af, de straat op. Dat hij nog niets had gegeten, weerhield hem niet, de angst voor een ongeluk, zat hem door alles heen, joeg hem voort. ’t Eerst liep hij naar de Hesselaars, dan overal waar zijn voeten hem maar droegen. De geheele lange namiddag rond zocht hij haar. Telkens keerde hij op zijn kamer terug in de verwachting, dat ze misschien wel uit haar zelf zou komen, maar ook telkens bleek het niet zoo te wezen; ze was weg en bleef weg, ze daagde niet op. De wanhoop greep hem aan. Wat moest er van hemterechtkomen als zij niet meer voor hem zorgde? Hol en kil, schrikwekkend leeg was de kamer en ’t leek hem of ’t weinige dat er nog stond hem verweet zijn wankelmoedigheid en zijn onhartelijk zijn, of de huiverkilte van ’t vertrek hem zelfs aanklaagde. Honderde keeren had ze gedreigd weg te loopen en vele malen beangstte ’t hem voor een oogenblik in de vrees dat ze er werkelijk eens toe mocht overgaan, maar diep-in had hij toch niet geloofd dat zij het ooit zou doen. En nu was het zoover, nu stond hij alleen, heel alléén, niemand zou meer naar hem omzien omdat hij was een onbruikbaar mensch, een vod. Dat was nu de vrouw voor wie hij zijn toekomst had verbeurd, het meisje dat hij tegen de zin van zijn familie trouwde en die de oorzaak werd van zijn afzakking. Blinde woede joeg hem op, armzalige onmacht plompte hem weer neer. Huilschokkend, het nietig hoofd weggegraven in zijn handen, bleef hij zitten en heel zijn teruggang, zijn verval, wielerde in klare beelden door zijn brein. En toch, ’t was zijn eigen schuld en van niemand anders. Hij had haar niet moeten trouwen, een meisje moeten nemen uit zijn eigen stand, één die hem begreep en met wie hij dezelfde man had kunnen blijven, doch eenmaal die afzakkende pas gezet, diende hij dubbel sterk te wezen en als twee man te werken. Dat had hij niet gedaan, niet kunnen doen en ’t einde werd, dat zij voor hem moest inspringen, zich nu ook als de meerdere liet gelden. Dat had hij niet kunnen verkroppen, daartegenverzette hij zich met alle macht en dan dronk hij maar een borrel. Zoo zakte hij al meer af, zoo zonk hij al dieper,—en nu voor ’t eerst in die wrange verlatenheid voelde hij door de woede heen zijn ongelijk. Je kon je als man alléén laten gelden als je werkelijk man bent; anders dien je te kruipen en willig te aanvaarden.Hoonend klonken die woorden, die bittere zelfverwijten in hem op. Schampend om zichzelf te pijnigen herhaalde hij ze vele malen. Dan begreep hij weer, dat huilen en lammenteeren niets gaf, dat hij op zijn zoek moest om haar terug te halen en saam een nieuw leven te beginnen. Ja, hij zou zich beteren, hij zou niet meer drinken, haar nukken verdragen, tot hij weer geregeld werk vond en haar toonen kon dat hij, hoewel afgezakt tot gewoon werkman, toch ook een man uit één stuk kon zijn.’t Begon nu al te donkeren. Opnieuw daalde hij de nauwe traptreden af, doorliep de straten, ging nogeens bij de Hesselaars aan.—Welja, je vrouw is hier geweest, zei Greet lachend, ze is al naar huis toe, je mot haar zijn tege gekomme, maak maar voort! Hesselaar lachte mee.Een zware angst viel van hem af, maar een ander gevoel van angst steeg bij hem op. Dat ze nu nog terug zou komen leek hem zoo onwerkelijk, zoo vreemd, dat hij zijn eigen ooren haast niet gelooven kon en aarzelend staan bleef in de deur.—Vooruit, ga nou gauw en zoen het weer af,is dat een manier van doen om elkaar ’t leven zoo lastig te maken!Baller wilde d’er wat tegen in brengen, maar Hesselaar sneed hem de woorden af, zei al weer:—Kom, verleuter nou niet je tijd, ’t hêt al lang genog geduurd.—Ja, antwoordde hij zuchtend. Dan stommelde hij weg, de Hesselaars nog bedankend.Op straat moest hij acht geven en voorzichtig stappen, omdat het zoo glad was. Een kleinigheid en je lei op je achterste, een ongeluk zat in een klein hoekje. Zou ze al thuis wezen en op hem wachten, vroeg hij zich nu weer, en zou het nog eerst ruzie geven? moest hij haar de huid vol schelden of zelf soebatten? Hij begreep maar niet dat ze al boven zou zitten, en toch kon dat dubbel en dwars, ze was vóór hem bij de Hesselaars weggegaan en die zoûen hem niet bedriegen. Vreemd, telkens meende hij haar te zien, daarstraks al om de hoek en nou weer.... Ho pas op! anders tuimelde hij nog.... verduiveld, wat was ’t glad, je mocht wel sokken onder de schoenen hebben! Ieder keer als hem een vrouw voorbijging meende hij haar stem te hooren, kwam geheimzinnig gefluister alsof er om hulp werd geroepen op hem toe. Nou, hij zou blij zijn als hij boven zat en alles weer in orde was. Honger had hij voor zes.Met maakte hij weer zoo’n valsche glipper. Verdikkeme, ze mocht ook wel oppassen, een mensch wasmet die gladdigheid z’n leven niet zeker, maar dat hoefde hij niet te zeggen: ze was allang uit de narigheid, al bezig om aardappelen op te zetten. Voetje voor voetje, strompelde hij door en zijn leege maag plaagde hem niet minder.Aan de overkant van de gracht hoorde hij plots groot tumult. Misschien een ongeluk gebeurd, zou hij er langs gaan? Welnee, hij had nu geen tijd!Toch gingen zijn voeten de brug al over, die kant uit; ’t liep ook zoo ver niet om. Langzaam-aan naderde hij, maar ’t gaf hem niet veel, het stond er zwart van de menschen, er viel weinig te zien. In ’t voorbijgaan hoorde hij het: een vrouw overreden en morsdood. Hij schudde zijn klein baardig hoofd, voelde zich verheugd in ’t besef, dat zijn eigen vrouw nu wel thuis zou wezen. Wie weet wat haar met die gladdigheid zou zijn overkomen, indien ze was blijven dwalen.Een policieman daagde op, joeg de menschen uit elkaar. Hij hoorde nu dat de vrouw nog aldoor onder de hoeven lag, een oude vrouw naar ze zeien. God-in-de-hemel, de hoeven sloegen als een wervelwind zoo rap en ’t vuur ketste over de ijsbevroren steenen; wagen en paard radouwden en schokten door elkaar.Baller liep door. Even had hij gedacht.... geprobeerd te onderscheiden... of ’t misschien niet zijn vrouw kon wezen, maar er viel niets te zien, ze lag onder ’t paard, welnee, ze zeien toch een oude vrouw, en nuvoorzichtig om niet te struikelen en uit te wijken voor die dringende menschen ging hij voort, om nu maar gauw thuis te zijn. Op een afstand bleef hij weer staan, om nog eens uit te kijken.De roodpuisterige koetsier, die eerst op de bok was blijven zitten om het paard op de pooten te krijgen, was er nu toch afgesprongen en trachtte zijn knol uit te halen. Hij rukte zoo fel aan de leidsels dat het paard steigerde, doch op de ijsgladde keien vonden de hoeven geen pak. ’t Beest, half overeind, spartelde en struikelde, sloeg weer neer, zichzelf rameiend, zich haast wurgend in de leidsels en ’t nauw gareel.—Hou op, hou op! dacht Baller luid. Ook de omstanders schreeuwden:—Je vermoordt haar, je maakt ’t arme mensch heel’maal kapot!De koetsier liet de leidsel vallen, tierde terug:—Verrek jullie... help ook ’n handje... weten jullie ’t soms zoo goed?Dan stond hij zelf versuft en wist niet wat te doen. De omstanders raasden en tierden, geen had het rechte besef de ongelukkige te verlossen. Arme Baller wist ook niet te helpen, zijn handen stonden toch verkeerd, hij had zelf moeite om op zijn voetjes te blijven...De policieman drong nu in de kring, duwde de schreeuwende menschen op zij, greep het paard bij de kop, en dadelijk hielpen tien, twaalf handen.—Hou de bonk van achteren vast, beet hij de koetsier toe, zorg dat-ie niet opslaat!—Een, twee, drie hallo!... één, twee, drie vast!Met hun allen hieven ze ’t paard van voren op.—Niet te veel, niet te veel!bevelhebberdede policieman. Zoo... trek weg ’t mensch!!Vele handen grepen toe, en nu ’t paard wat terzij en opgeheven, ontstond er ruimte. De verongelukte konden ze naar de andere kant uithalen.—Dood! zeien eenigen.—Een dokter... naar de apotheek! gilden velen door elkaar.—Een brankard! riep de policieman tegen een andere agent die net kwam toegeloopen.Vier, vijf mannen droegen het in-elkaar-gezakte lijf, de kant uit naar de apotheker, terwijl de tweede agent zich met koetsier en paard bemoeide, om de weg weer vrij te krijgen.—Verschrikkelijk! schandalig! murmureerden de menschen die Baller passeerden.De koetsier stond overend, om ’t ongeluk uitéén te zetten. ’t Zweet gutste hem onder zijn lakhoed weg, siepelde over zijn gezwollen gezicht.—’t is niet mijn schuld, verweerde hij zich fel. Als iemand zich voor de knol gooit, wie kan d’er tege?—Je bonk hêt g’n belle! gierde luid een opgeschoten jongen.De koetsier dreigde met de vuisten, de jongen week terug, schreeuwende:—Maak m’ar niet zoo’n heibel... Je bent er toch nakend bij!—Kan ik ’t helpe as de baas geen belle het... alle paarde benne uit, verweerde hij zich.—Zoo’n schoft! schreeuwde er weer een. Dát waagt de menschen er m’ar an.... je most je schamen, moordenaar...!De koetsier, in wilde woede, wou hem te lijf, maar z’n paard lag d’r nog, dàt moest eerst op de pooten. Policieman noteerde al zijn nummer, de stal en zijn naam.—Heel goed zoo! dacht Baller die het in de verte had aangezien en nu wilde doorgaan.De eerste agent, weer toegeschoten, zei kortaf tegen de aapjesman:—Je gaat mee naar ’t beroo!!Koetsier, eindelijk ’t paard op de pooten gekregen, ’t lemoen gebroken, wou er tusschen uit, raasde en vloekte van belang:—Je weet toch m’n nummer en m’n stal! ’t Is Zondag... ’k motverdiene!!—Zoo’n schoft, schreeuwden weer de menschen. Hij mot vérdiene, of hij de menschen doodrijdt raakt hèm niet, as-ie ma’r verdient!!—Vooruit! zei barsch de agent.Al had hij ’t nummer en de stal, er moest satisfaktie worden gegeven. Hij keek uit naar getuigen, om ’t geval te bevestigen.In zwarte wriemel lawaaide droef de optocht de brug over naar ’t bureau.
Tegen een uur of elf was Baller uit zijn vluchtige roes wakker geworden, èn dorstig, droog in de keel, schreeuwde hij meteen om drinken, maar dadelijk herinnerde hij zich ’t voorgevallene van ’s avonds, waarvan hij de gevolgen had willen ontloopen door er ’n flinke spat op te zetten. Veel kostte ’t em niet, hij had op de klap gedronken, rondje op rondje werd er getrakteerd en met ’n aardige snee in de neus, zooals hij dat noemde, had hij ’t aangedurfd weer bij z’n lieve vrouw thuis te komen. In bed had hij ’t weer goed willen maken, maar haar harde kop bleek niet van hem gediend, daarop liet hij met geweld zijn recht van man gelden en hij wist nou niet meer of ze zich tegen hem verzette of niet; of ze sliep of zich slaperig hield, in elk geval kwam ’t vannacht niet in orde, en nou ze geen dadelijk antwoord gaf wist hij vooraf dat er geducht wat voor hem zou op zitten.
Hij besloot toen zich koest te houden, geen aanleidingte geven, zelfs geen kik te laten. Stilletjes zou hij afwachten tot zij er genoeg van kreeg en zij zelf weer vree kwam maken. Tongsmakkend van de nadorst, branderig over zijn geheele lichaam, schoof hij zich weer dieper onder de deken, probeerend opnieuw de slaap te vatten, maar zijn gedachten waren klaar en scherp, zijn ooren namen op ’t minst gerucht. ’t Verwonderde hem algauw dat hij enkel geluiden hoorde van de straat en van haar niets merkte in de kamer, ze moest bepaald uit zijn, hier of daar naartoe, om wat in huis te halen of een boodschap te doen. Een tijdje wachtte hij, en dan nieuwsgierig omdat er in de kamer zich niets verroerde, wilde hij zich overtuigen. Voorzichtig hief hij zich op, boog buiten de bedstee zijn verward hoofd, nog zwaar van de roes, en liet zijn oogen, die dof en doezelig stonden door ’t vertrek waren. Een eigenaardige kilte, een koude stramheid viel op hem neer, al gaf-ie zich nog geen rekenschap van de toestand. Hij zag haar nergens en de gordijnen hingen nog omlaag. ’t Was klam en donker in de kamer.
Zijn oogen sperden zich almeer open, terwijl langzaam aan vermoedens in hem oprezen. Wat beduidde het, dat zij zich niet liet zien, of zou het nog zoo vroeg wezen? Nee, dat begreep hij haast niet. Kon hij maar eens op het klokje kijken, maar dat ging niet, zijn hoofd was te stijf, een zagende pijn voelde hij erin.
De poes sprong van de stoel, pootelde miauwend naar hem toe, ’t zacht-aanvoelend hard kopje tegen zijn neerhangende hand aanwrijvend; ze vroeg om drinken, dàt begreep hij.
Goedmoedig praatte hij een paar woorden met het beest, dat zijn groene, glazige oogen smeekend naar hem opstreelde en de hooge rug inkromp om een sprong te kunnen doen.
—Nee, nee poes, dàt niet, zei hij, met z’n hand ’t dier afwerend. Dat wil de vrouw niet hebben, dat weet je.
De poes miauwde weer, nu hulpbehoevender. Baller trok zijn hand terug en wilde onder de deken schuiven, maar nu zag hij een stuk papier, dat naar ’t scheen beschreven, dáár op tafel lag, en meteen schoot òp de herinnering aan de ruzie van gisteravond, wist hij weer dat ze hem dreigde om weg te loopen. Even lachte hij om die onderstelling, ja ze liep daar weg, waar moest ze naartoe? nee daarover behoefde hij zich niet bezorgd te maken! Wrevelig op zichzelf, omdat zoo iets nog in hem kon opkomen, wilde hij zich weer leggen om daarmee voorgoed die akeligheid weg te dringen, doch het stukje papier bleef zijn nieuwsgierigheid opwekken; alleen de mogelijkheid dat zijn vrouw zou binnenstappen terwijl hij net eruit wipte hield hem nog terug. Hij probeerde nu van-uit-z’n-bed te lezen; de poes miauwde weer en sprong dan op de bedplank. Hij smeet de poes daar weg en beende nu zelf d’eruit. De nieuwsgierigheidwas al overgegaan in het stekelig gevoel dat er iets schortte, dat zijn vrouw toch wel een dolle streek kon hebben uitgehaald.
Zijn oogen spalkten zich al wijder open, terwijl ’t velletje papier in zijn bevende hand ritselde en knetterde; hij kon ’t haast niet gelooven wat daar geschreven stond en toch hij las het duidelijk: Jan, ik gaan weg en kom niet weerom ... je verschooning ligt op de stoel.
Die enkele kriewelige woorden gingen voor zijn oogen zich vergrooten, dansten over het papier, en nu vertroebelden weer zijn blikken, zag hij enkel de kreupele halen en een warrel van leelijke letters. Even moest hij de hand voor zijn oogen houden, liep dan naar ’t raam, trok de gordijn omhoog, om beter zich te kunnen overtuigen. Een zware zucht welde naar zijn keel en bleef daar steken; star keken zijn oogen naar buiten, terwijl zijn gedachten verzonken in het enkele besef van verlaten te zijn, een wurgend gevoel dat hem opkropte tot in de keel.
—Nou nog mooier... nou nog mooier! prevelde hij. Nee die is goed... ze hêt haar bedreiging toch uitgevoerd!
Aemechtig van de schok zakte hij op de stoel neer, de mond wagewijd open over ’t onverwacht gebeuren, dat hem sloeg met ontsteltenis en vreemde beroering. Was het dan toch zoo? De gedachte kon zich nog niet in hem wortelen, ’t leek hem zoo iets gemeens en ongehoorde, dat hij in woede uitbarstte en de geheelekamer vol vloekte. Maar tegelijk greep de treurnis over ’t feit zelf hem zoo overweldigend aan dat het zwaar in hem huilde en hij bijna stikte van de zenuwen die geen uitweg konden vinden.
Een poos bleef hij zoo zitten, zijn blikken blind naar buiten waar de sneeuw smoezel en morsig lag met de vele natplekkende voetdruksels. Vaag herinnerde hij ’t zich als iets dat al heel ver achter hem lag, dat dit was de witte sneeuw, waardoor hij zich vannacht met moeite naar huis werkte, omdat hij zóó volgeladen was van drank. Ja, dat ze wegliep was zijn eigen schuld, hij mocht zich niet beklagen, hij kreeg naar wat hij verdiende!
Moedeloos zakte hij nog meer in elkaar en probeerde ’t zelfs niet meer te denken. ’t Leek hem alles zoo vreemd, zoo oneigenlijk, alsof ze dood was en niet weggegaan. Armelijk zag hij zich zitten in het kille vertrek en een groot medelijden kreeg hij met zijn eigen ellende. ’t Was hem of ’t al stiller en stiller werd, of de eenzaamheid aangroeide. Verlaten... zij weg... en hij alléén, hij begreep ’t aldoor nog niet, ’t wilde er niet zoo grif in.
De poes, weer naar hem toegepooteld, wreef al spinnend haar hoogende rug tegen zijn strakke beenen. Dat warme, zachte gestrijk maakte hem week en hinderde hem niet minder, omdat het sterker liet gevoelen de vlucht van zijn vrouw. Drang tot zelfbeklag woelde weer in hem op,dochde woede van onmacht overdrong alles en eenigszins hardhandig, in ’t genotom ook ruw te zijn en af te stooten nam hij de kat op en smeet haar een eind van zich af.
—Ja poes, snerpte hij, je zult je weg zelf moeten zoeken evenals de baas, daaraan is niks te doen, je goeie leventje is ook uit!
’t Dier begreep het niet en kwam weer op hem toe. Hij lachte smadelijk en sloeg van kwaadheid zichzelf op de knieën. Net dacht hij beter op te passen en nou liet ze hem alléén. Besef dat hem onrecht werd aangedaan doorkroop hem nu venijnig. O, hij zou zich wel redden, hij had haar niet noodig, o nee volstrekt niet!
Maar lang hield die opgezwiepte moed niet aan. De kille kamer, zóó zonder vuur, strak en stug in de stilte van het vreemd-aandoende vroege zondagsuur, joeg hem schrik aan. Het zich alleen zien werkte vertwijfelend op hem in. Die stroeve naaktheid, de kale kamerruimte met het ééne gordijn nog altijd neergelaten, de onberoerde stoelen, de leege tafel met het bekrabbelde stuk papier, het triestig weer, alles drong sarrend op hem in, gaf hem ’t nijpend begrip van de toestand, kneep hem tam en klein. Hij zou het rommeltje kunnen gaan verkoopen aan een jood; maar wat bracht het op? Nee nee, dat niet, hij moest haar zien op te snorren, haar terughalen en zich beteren. Waar kon ze zijn? geld bezat ze niet, evenmin als hij, ze zou om een onderdak moeten bedelen, maar och, een vrouw die handen aan haar lijf heeft, weet zich wel te redden, wordt allicht opgenomen. Toch...
De gedachte aan een ongeluk, dat ze zichzelf van kant zou maken, in een dolle bui niet weten wat te doen, kreeg ineens bij hem de overhand en de angst daarvoor verving nu alle andere gewaarwordingen. Van schrik rezen zijn haren overeind, ’t was zoo erg dat hij meende eraan omhoog te worden getrokken.
Hij kalmeerde weer. Je verdoet je niet zoo gauw, zei hij nu, het water is veel te koud, vooral in de winter! Ze zou ’t ook wel hebben gezegd, geen letter stond ervan in! Toch, het schrikbeeld eenmaal voor hem opgeroepen, liet hem niet zoo gemakkelijk los, spookte aldoor vinniger voor hem op. Genoeg dreigde ze hem ermee en een wanhopig mensch is niet van zich zelf zeker. In elk geval, hij moest erop uit, ’t haar beletten, ver weg kon ze nog niet wezen.
Gehaast en vol schichtige angst, richtte hij zich op, goot water in de kom, waschte zich vluchtig, schoot zijn zondagsche goed aan en ijlde de trap af, de straat op. Dat hij nog niets had gegeten, weerhield hem niet, de angst voor een ongeluk, zat hem door alles heen, joeg hem voort. ’t Eerst liep hij naar de Hesselaars, dan overal waar zijn voeten hem maar droegen. De geheele lange namiddag rond zocht hij haar. Telkens keerde hij op zijn kamer terug in de verwachting, dat ze misschien wel uit haar zelf zou komen, maar ook telkens bleek het niet zoo te wezen; ze was weg en bleef weg, ze daagde niet op. De wanhoop greep hem aan. Wat moest er van hemterechtkomen als zij niet meer voor hem zorgde? Hol en kil, schrikwekkend leeg was de kamer en ’t leek hem of ’t weinige dat er nog stond hem verweet zijn wankelmoedigheid en zijn onhartelijk zijn, of de huiverkilte van ’t vertrek hem zelfs aanklaagde. Honderde keeren had ze gedreigd weg te loopen en vele malen beangstte ’t hem voor een oogenblik in de vrees dat ze er werkelijk eens toe mocht overgaan, maar diep-in had hij toch niet geloofd dat zij het ooit zou doen. En nu was het zoover, nu stond hij alleen, heel alléén, niemand zou meer naar hem omzien omdat hij was een onbruikbaar mensch, een vod. Dat was nu de vrouw voor wie hij zijn toekomst had verbeurd, het meisje dat hij tegen de zin van zijn familie trouwde en die de oorzaak werd van zijn afzakking. Blinde woede joeg hem op, armzalige onmacht plompte hem weer neer. Huilschokkend, het nietig hoofd weggegraven in zijn handen, bleef hij zitten en heel zijn teruggang, zijn verval, wielerde in klare beelden door zijn brein. En toch, ’t was zijn eigen schuld en van niemand anders. Hij had haar niet moeten trouwen, een meisje moeten nemen uit zijn eigen stand, één die hem begreep en met wie hij dezelfde man had kunnen blijven, doch eenmaal die afzakkende pas gezet, diende hij dubbel sterk te wezen en als twee man te werken. Dat had hij niet gedaan, niet kunnen doen en ’t einde werd, dat zij voor hem moest inspringen, zich nu ook als de meerdere liet gelden. Dat had hij niet kunnen verkroppen, daartegenverzette hij zich met alle macht en dan dronk hij maar een borrel. Zoo zakte hij al meer af, zoo zonk hij al dieper,—en nu voor ’t eerst in die wrange verlatenheid voelde hij door de woede heen zijn ongelijk. Je kon je als man alléén laten gelden als je werkelijk man bent; anders dien je te kruipen en willig te aanvaarden.
Hoonend klonken die woorden, die bittere zelfverwijten in hem op. Schampend om zichzelf te pijnigen herhaalde hij ze vele malen. Dan begreep hij weer, dat huilen en lammenteeren niets gaf, dat hij op zijn zoek moest om haar terug te halen en saam een nieuw leven te beginnen. Ja, hij zou zich beteren, hij zou niet meer drinken, haar nukken verdragen, tot hij weer geregeld werk vond en haar toonen kon dat hij, hoewel afgezakt tot gewoon werkman, toch ook een man uit één stuk kon zijn.
’t Begon nu al te donkeren. Opnieuw daalde hij de nauwe traptreden af, doorliep de straten, ging nogeens bij de Hesselaars aan.
—Welja, je vrouw is hier geweest, zei Greet lachend, ze is al naar huis toe, je mot haar zijn tege gekomme, maak maar voort! Hesselaar lachte mee.
Een zware angst viel van hem af, maar een ander gevoel van angst steeg bij hem op. Dat ze nu nog terug zou komen leek hem zoo onwerkelijk, zoo vreemd, dat hij zijn eigen ooren haast niet gelooven kon en aarzelend staan bleef in de deur.
—Vooruit, ga nou gauw en zoen het weer af,is dat een manier van doen om elkaar ’t leven zoo lastig te maken!
Baller wilde d’er wat tegen in brengen, maar Hesselaar sneed hem de woorden af, zei al weer:
—Kom, verleuter nou niet je tijd, ’t hêt al lang genog geduurd.
—Ja, antwoordde hij zuchtend. Dan stommelde hij weg, de Hesselaars nog bedankend.
Op straat moest hij acht geven en voorzichtig stappen, omdat het zoo glad was. Een kleinigheid en je lei op je achterste, een ongeluk zat in een klein hoekje. Zou ze al thuis wezen en op hem wachten, vroeg hij zich nu weer, en zou het nog eerst ruzie geven? moest hij haar de huid vol schelden of zelf soebatten? Hij begreep maar niet dat ze al boven zou zitten, en toch kon dat dubbel en dwars, ze was vóór hem bij de Hesselaars weggegaan en die zoûen hem niet bedriegen. Vreemd, telkens meende hij haar te zien, daarstraks al om de hoek en nou weer.... Ho pas op! anders tuimelde hij nog.... verduiveld, wat was ’t glad, je mocht wel sokken onder de schoenen hebben! Ieder keer als hem een vrouw voorbijging meende hij haar stem te hooren, kwam geheimzinnig gefluister alsof er om hulp werd geroepen op hem toe. Nou, hij zou blij zijn als hij boven zat en alles weer in orde was. Honger had hij voor zes.
Met maakte hij weer zoo’n valsche glipper. Verdikkeme, ze mocht ook wel oppassen, een mensch wasmet die gladdigheid z’n leven niet zeker, maar dat hoefde hij niet te zeggen: ze was allang uit de narigheid, al bezig om aardappelen op te zetten. Voetje voor voetje, strompelde hij door en zijn leege maag plaagde hem niet minder.
Aan de overkant van de gracht hoorde hij plots groot tumult. Misschien een ongeluk gebeurd, zou hij er langs gaan? Welnee, hij had nu geen tijd!
Toch gingen zijn voeten de brug al over, die kant uit; ’t liep ook zoo ver niet om. Langzaam-aan naderde hij, maar ’t gaf hem niet veel, het stond er zwart van de menschen, er viel weinig te zien. In ’t voorbijgaan hoorde hij het: een vrouw overreden en morsdood. Hij schudde zijn klein baardig hoofd, voelde zich verheugd in ’t besef, dat zijn eigen vrouw nu wel thuis zou wezen. Wie weet wat haar met die gladdigheid zou zijn overkomen, indien ze was blijven dwalen.
Een policieman daagde op, joeg de menschen uit elkaar. Hij hoorde nu dat de vrouw nog aldoor onder de hoeven lag, een oude vrouw naar ze zeien. God-in-de-hemel, de hoeven sloegen als een wervelwind zoo rap en ’t vuur ketste over de ijsbevroren steenen; wagen en paard radouwden en schokten door elkaar.
Baller liep door. Even had hij gedacht.... geprobeerd te onderscheiden... of ’t misschien niet zijn vrouw kon wezen, maar er viel niets te zien, ze lag onder ’t paard, welnee, ze zeien toch een oude vrouw, en nuvoorzichtig om niet te struikelen en uit te wijken voor die dringende menschen ging hij voort, om nu maar gauw thuis te zijn. Op een afstand bleef hij weer staan, om nog eens uit te kijken.
De roodpuisterige koetsier, die eerst op de bok was blijven zitten om het paard op de pooten te krijgen, was er nu toch afgesprongen en trachtte zijn knol uit te halen. Hij rukte zoo fel aan de leidsels dat het paard steigerde, doch op de ijsgladde keien vonden de hoeven geen pak. ’t Beest, half overeind, spartelde en struikelde, sloeg weer neer, zichzelf rameiend, zich haast wurgend in de leidsels en ’t nauw gareel.
—Hou op, hou op! dacht Baller luid. Ook de omstanders schreeuwden:
—Je vermoordt haar, je maakt ’t arme mensch heel’maal kapot!
De koetsier liet de leidsel vallen, tierde terug:
—Verrek jullie... help ook ’n handje... weten jullie ’t soms zoo goed?
Dan stond hij zelf versuft en wist niet wat te doen. De omstanders raasden en tierden, geen had het rechte besef de ongelukkige te verlossen. Arme Baller wist ook niet te helpen, zijn handen stonden toch verkeerd, hij had zelf moeite om op zijn voetjes te blijven...
De policieman drong nu in de kring, duwde de schreeuwende menschen op zij, greep het paard bij de kop, en dadelijk hielpen tien, twaalf handen.
—Hou de bonk van achteren vast, beet hij de koetsier toe, zorg dat-ie niet opslaat!
—Een, twee, drie hallo!... één, twee, drie vast!
Met hun allen hieven ze ’t paard van voren op.
—Niet te veel, niet te veel!bevelhebberdede policieman. Zoo... trek weg ’t mensch!!
Vele handen grepen toe, en nu ’t paard wat terzij en opgeheven, ontstond er ruimte. De verongelukte konden ze naar de andere kant uithalen.
—Dood! zeien eenigen.
—Een dokter... naar de apotheek! gilden velen door elkaar.
—Een brankard! riep de policieman tegen een andere agent die net kwam toegeloopen.
Vier, vijf mannen droegen het in-elkaar-gezakte lijf, de kant uit naar de apotheker, terwijl de tweede agent zich met koetsier en paard bemoeide, om de weg weer vrij te krijgen.
—Verschrikkelijk! schandalig! murmureerden de menschen die Baller passeerden.
De koetsier stond overend, om ’t ongeluk uitéén te zetten. ’t Zweet gutste hem onder zijn lakhoed weg, siepelde over zijn gezwollen gezicht.
—’t is niet mijn schuld, verweerde hij zich fel. Als iemand zich voor de knol gooit, wie kan d’er tege?
—Je bonk hêt g’n belle! gierde luid een opgeschoten jongen.
De koetsier dreigde met de vuisten, de jongen week terug, schreeuwende:
—Maak m’ar niet zoo’n heibel... Je bent er toch nakend bij!
—Kan ik ’t helpe as de baas geen belle het... alle paarde benne uit, verweerde hij zich.
—Zoo’n schoft! schreeuwde er weer een. Dát waagt de menschen er m’ar an.... je most je schamen, moordenaar...!
De koetsier, in wilde woede, wou hem te lijf, maar z’n paard lag d’r nog, dàt moest eerst op de pooten. Policieman noteerde al zijn nummer, de stal en zijn naam.—Heel goed zoo! dacht Baller die het in de verte had aangezien en nu wilde doorgaan.
De eerste agent, weer toegeschoten, zei kortaf tegen de aapjesman:
—Je gaat mee naar ’t beroo!!
Koetsier, eindelijk ’t paard op de pooten gekregen, ’t lemoen gebroken, wou er tusschen uit, raasde en vloekte van belang:
—Je weet toch m’n nummer en m’n stal! ’t Is Zondag... ’k motverdiene!!
—Zoo’n schoft, schreeuwden weer de menschen. Hij mot vérdiene, of hij de menschen doodrijdt raakt hèm niet, as-ie ma’r verdient!!
—Vooruit! zei barsch de agent.
Al had hij ’t nummer en de stal, er moest satisfaktie worden gegeven. Hij keek uit naar getuigen, om ’t geval te bevestigen.
In zwarte wriemel lawaaide droef de optocht de brug over naar ’t bureau.