[Inhoud]III.HET SPOOR.De Arendskop, die door zijne vijanden ontdekt wilde zijn, had geen voorzorgen genomen om zijn spoor te verbergen. Het was volmaakt zichtbaar in het hooge gras, en zoo het hier of daar scheen te verdwijnen, hadden de jagers slechts even te bukken, om dadelijk den indruk zijner voeten te vinden.Nooit had men in de prairie een vijand aldus kunnen vervolgen. Dit moest Edelhart des te zonderlinger voorkomen, daar deze sinds lang al de listen der Indianen kende en wist met welk een talent zij, wanneer zij het noodig oordeelen, de geringste blijken van hun doortocht weten te doen verdwijnen.Dit bracht hem tot nadenken. Naardien de Comanchen zoo weinig maatregelen van voorzorg hadden genomen, moesten zij zich wel zeer sterk gevoelen, of anders een hinderlaag hebben gelegd, waarin zij hoopten hunne al te lichtgeloovige vijanden te verschalken.De twee jagers gingen voort, van tijd tot tijd een blik rechts of links werpende, ten einde zeker te zijn van zich niet te vergissen, maar het spoor liep altijd in een rechte lijn voort, zonder afwijkingen noch omwegen van welken aard ook. Zelfs Goedsmoeds begon het vreemd te vinden en er zich ernstig over te verontrusten.Maar zoo de Comanchen zich de moeite niet hadden willen geven van hun pad te verbergen, de jagers deden anders, en gingen niet voort dan met gedurige uitwissching van ieder spoor, dat de richting die zij volgden kon verraden.Zij kwamen eindelijk aan den oever van een vrij breede beek, deKopergroengeheeten, een tak van de groote Canadasche rivier. Alvorens zij deze overstaken, maakte Edelhart halt, aan zijn medgezel een teeken gevende om hem te volgen. Beiden stegen van hunne paarden af, en deze bij den toom voortleidende, trokken zij[35]zich in de schaduw van een boschje terug, om niet opgemerkt te worden, zoo bij toeval een indiaansche schildwacht hunne aankomst stond af te wachten.Zoodra zij achter de takken verborgen waren, legde Edelhart zijn vinger op den mond, om zijn makker voorzichtigheid aan te bevelen, en met de lippen diens oor aanrakende, zeide hij hem met een bijkans onhoorbare stem: »Voordat wij verder gaan, moeten wij eerst nauwkeurig beraadslagen, wat wij doen zullen.”Goedsmoeds knikte ten teeken van goedkeuring.»Ik vermoed eenig verraad,” hernam de jager; »de Indianen zijn te bedreven krijgslieden, en te ervaren in het leven der prairiën, om zonder gewichtige redenen aldus te handelen.”»Het is zoo,” antwoordde de Canadees overtuigd; »dit spoor is te mooi en te duidelijk aangewezen, om niet een valstrik te verbergen.”»Ja, maar zij hebben te slim willen zijn, hunne listigheid is te ver gegaan, op die wijze kan men geen oude jagers zooals wij misleiden. Wij moeten dus onze waakzaamheid verdubbelen; ieder blad en iederen grashalm onderzoeken, eer wij ons te dicht bij het kamp der Indianen wagen.”»Laat ons beter doen,” zeide Goedsmoeds, een blik om zich heen werpende; »laten wij onze paarden op een veilige plaats verbergen, en vervolgens te voet de stelling en het aantal van hen, die wij wenschen te overvallen, gaan opnemen.”»Gij hebt gelijk, Goedsmoeds,” zeide Edelhart, »uw raad is uitmuntend, wij gaan hem dadelijk in toepassing brengen.”»Ik geloof, dat wij ons dan zullen moeten haasten.”»Waartoe? laten wij ons juist niet haasten; de Indianen, als ze ons niet zien verschijnen, zullen zich op hunne wachten verlaten, en wij zullen van hunne zorgeloosheid gebruik maken, om hen te overvallen, zoolang wij genoodzaakt worden om tot dit uiterste middel onze toevlucht te nemen; overigens zou het beter zijn om den nacht af te wachten voor onze onderneming.”»Laten wij eerst onze paarden in veiligheid brengen, dan zullen wij zien.”De jagers verlieten met de uiterste behoedzaamheid hun schuilhoek. In plaats van de rivier over te steken gingen zij terug, en volgden eenigen tijd denzelfden weg dien zij reeds gegaan waren; vervolgens gingen zij links af, een hollen weg langs, waarin zij weldra te midden van het hooge gras verdwenen.»Ik geef mij aan uw geleide over, Goedsmoeds,” zeide Edelhart, »ik weet waarlijk niet waarheen ge ons brengt.”»Verlaat u op mij; ik heb bij toeval op twee geweerschoten afstands van hier eene soort van vesting ontdekt, waar onze paarden een onverbeterlijk verblijf zullen hebben, en waar wij, desnoods, een geregeld beleg zouden kunnen doorstaan.”[36]»Caramba!” riep de jager met zijn gewonen vloek, die zijne spaansche afkomst verried, »hoe hebt gij deze kostelijke ontdekking gemaakt?”»Mijn hemel!” zeide Goedsmoeds, »op de eenvoudigste wijze; ik was bezig mijne vallen te zetten, toen ik bij het beklimmen van gindschen berg, niet ver van den top, tusschen de takken den ruigen muil van een beer gewaar werd.”»Ha, ha; maar ik ben met dat voorval zoo wat bekend; gij hebt mij dien dag, zoo ik mij niet vergis, niet één, maar twee zwarte beerenvellen medegebracht.”»Juist! er waren twee van die liefhebbers, een mannetje en een wijfje; gij begrijpt, dat, zoodra ik hen zag, mijn jager-instinct wakker werd, en ik, mijne vermoeidheid vergetende, mijn buks laadde, om hen te vervolgen. Gij kunt nu zelf de sterkte zien, welke zij hadden ingenomen,” vervolgde hij van zijn paard afstijgende, in welke beweging zijn makker hem volgde.Voor hen verhief zich amphitheatersgewijze een massa rotsen, van de zonderlingste en grilligste vormen; eenige weinige kruiden groeiden hier en daar in de openingen, kruipende planten kroonden de toppen der rotsen en gaven aan deze massa, die meer dan zeshonderd el boven de prairie uitstak, het aanzien van een dier antieke ruïnen uit de middeleeuwen, welke men aan de oevers der groote Europeesche rivieren aanschouwt.Deze plaats werd door de jagers in die streken »De witte Kasteelen” genaamd, wegens de kleur der granietblokken waaruit zij was samengesteld.»Wij kunnen daar met onze paarden nooit tegen op komen,” zeide Edelhart, na een oogenblik zorgvuldig de ruimte, die zij beklimmen moesten, bestudeerd te hebben.»Laten wij het beproeven,” zeide Goedsmoeds, zijn paard bij den toom grijpende.De helling was ruw, en geen andere paarden dan die der jagers zouden deze taak hebben kunnen volbrengen.Men moest zorgvuldig de plaats kiezen, waar men den voet zou nederzetten, vervolgens zich met een sprong opgeven, en altijd met kromme lijnen en omwegen voortgaan, om den opgang wat hellend te maken.Na een half uur van ongehoorde moeielijkheden, bereikten zij een soort van vlak, dat hoogstens tien ellen breedte had.»Hier is het,” zeide Goedsmoeds stilstaande.»Hoe, hier,” antwoordde Edelhart, aan alle kanten om zich heen ziende zonder een opening te ontdekken.Goedsmoeds glimlachte.»Kom,” zeide hij.En altijd zijn paard voorttrekkende, ging hij achter een rotsblok om; de jager volgde hem nieuwsgierig.Na vijf minuten in een soort van loopgraaf, die nauwelijks drie[37]voet breed was, te zijn voortgegaan, bevonden de avonturiers zich eensklaps voor de opening van een groot hol.Deze weg, gevormd door een van die vreeselijke uitbarstingen die in deze streken zoo veelvuldig voorkomen, was zóó goed achter rotsen en steenen verborgen, dat het onmogelijk was die anders dan door een toeval te ontdekken.De jagers gingen naar binnen. Alvorens naar boven te gaan, had Goedsmoeds een grooten voorraad van droog hout mede genomen; hij stak twee toortsen aan, gaf er een aan zijn makker, en hield de ander zelf. Toen vertoonde de grot zich aan hen, in al hare woeste majesteit. Hare wanden waren hoog en met schitterenden druipsteen beladen, die het licht tienvoudig weerkaatste, en een tooverachtigen glans rondom zich verspreidde.»De grot,” zeide Goedsmoeds, »is zonder twijfel een der wonderen van de prairie; deze galerij die zachthellend naar beneden daalt, loopt onder de Kopergroen door, en komt aan de andere zijde, omstreeks een mijl van den oever verwijderd, in de vlakte uit. Behalve de galerij, door welke wij zijn binnengekomen, en die, welke wij voor ons hebben, zijn er nog vier andere, die allen op verschillende plaatsen een uitgang hebben. Gij ziet, dat wij hier geen gevaar loopen van gezien te worden, en dat deze ruime kamers ons een volgreeks van vertrekken aanbieden, die den president der Vereenigde Staten zelven jaloersch zoude maken.”Edelhart, verrukt over de ontdekking van deze schuilplaats, wilde haar tot in de minste bijzonderheden onderzoeken, en hoewel zeer stilzwijgend van aard, kon de jager herhaalde malen zijne bewondering niet inhouden.»Waarom hebt gij mij niet eer daarvan gesproken?” vroeg hij aan Goedsmoeds.»Ik wachtte op een goede gelegenheid,” antwoordde deze.De jagers plaatsten hunne paarden met de noodige levensmiddelen in een der vertrekken van de grot, waar het daglicht door haast onmerkbare scheuren binnendrong; vervolgens, toen zij zich verzekerd hadden, dat het den edelen dieren gedurende hunne afwezigheid aan niets zou ontbreken, en dat zij niet konden ontsnappen, wierpen zij hun buks over den schouder, floten de honden, en begaven zich met groote schreden op weg, langs de galerij die onder de rivier doorliep.Weldra werd de atmosfeer rondom hen vochtig, een dof en aanhoudend gedruisch deed zich boven hen hooren, zij gingen onder de Kopergroen door; maar door middel van een soort van lantaarn, gevormd door eene holle rots, die als een schilderhuis in het midden van den stroom stond, was er licht genoeg om hen te geleiden.Na een half uur loopens, kwamen zij in de prairie door een opening, die achter takken en kruipende planten van buiten onzichtbaar was.[38]Zij waren lang in de grot gebleven. Eerst hadden zij haar nauwkeurig onderzocht, als menschen, die voorzagen dat zij er den een of anderen dag eene schuilplaats zouden moeten zoeken; vervolgens hadden zij een soort van stal voor hunne paarden gemaakt, en eindelijk hadden zij zelven iets gebruikt, zoodat de zon op het punt was van onder te gaan, toen zij op nieuw het spoor der Comanchen begonnen te volgen.Toen nam de werkelijke vervolging der Indianen een aanvang. De twee jagers, hunne honden vooruit zendende, slopen stilzwijgend over de sporen voort, te midden van het hooge gras op handen en voeten kruipende, met een waakzaam oog en gespitste ooren, hun adem inhoudende, en nu en dan stilstaande om de lucht in te ademen en die duizenden geluiden der prairie te ondervragen, die de jagers met ongeloofelijk gemak weten te onderscheiden, en oogenblikkelijk te verklaren.De woestijn was in een doodsche stilte gehuld. In deze uitgestrekte wildernissen schijnt de natuur, bij het naderen van den nacht, als het ware adem te halen, en zich voor te bereiden tot de verborgenheden der duisternis.De jagers gingen altijd voort, hunne voorzorgen verdubbelende, en naast elkander voortkruipende. Eensklaps bleven de honden stilzwijgend staan. De moedige dieren schenen de waarde der stilte in deze plaats te beseffen, als begrepen zij, dat één enkele schreeuw hunnen meesters het leven kon kosten.Goedsmoeds wierp een doordringenden blik om zich heen. Zijn oog glinsterde, hij rolde zich als het ware ineen, en met een sprong als van een panter wierp hij zich op een indiaansch krijgsman, die, geheel voorover gebogen, een voorgevoel scheen te hebben, dat er een vijand in aantocht was. De Indiaan werd snel achterover geworpen eer hij een kreet om hulp uiten kon. Goedsmoeds schroefde hem de keel toe, en zette hem de knie op de borst. Vervolgens ontblootte de jager met de uiterste koelbloedigheid zijn mes, en stootte het tot aan het hecht in het hart van zijn vijand. Zoodra de wilde zag dat hij verloren was, verwaardigde hij zich niet om een nutteloozen tegenstand te beproeven, maar op den Canadees een blik van haat en verachting werpende, plooide hij zijne lippen tot een spotlach, en wachtte hij met onverstoorbare kalmte den dood af. Goedsmoeds stak het mes weêr in zijn gordel, en het lichaam ver van zich schoppende, zeide hij: Dat ’s één! En hij kroop weêr voort.Edelhart had de bewegingen van zijn vriend met de grootste aandacht gadegeslagen, gereed om hem in geval van nood bij te springen; toen de Indiaan dood was volgde hij weêr bedaard het spoor.Weldra schitterde de glans van een groot vuur tusschen de boomen door, en de geur van gebraden vleesch bereikte het fijne reukorgaan der jagers. Zij richtten zich als twee schimmen langs een[39]ontzaglijken kurk-eik op, en den knoestigen stam omvattende, verborgen zij zich in zijne takken.Toen zagen zij om zich heen. Zij hadden het gezicht op het kamp der Comanchen, dat zich ongeveer tien ellen van hen af bevond.
[Inhoud]III.HET SPOOR.De Arendskop, die door zijne vijanden ontdekt wilde zijn, had geen voorzorgen genomen om zijn spoor te verbergen. Het was volmaakt zichtbaar in het hooge gras, en zoo het hier of daar scheen te verdwijnen, hadden de jagers slechts even te bukken, om dadelijk den indruk zijner voeten te vinden.Nooit had men in de prairie een vijand aldus kunnen vervolgen. Dit moest Edelhart des te zonderlinger voorkomen, daar deze sinds lang al de listen der Indianen kende en wist met welk een talent zij, wanneer zij het noodig oordeelen, de geringste blijken van hun doortocht weten te doen verdwijnen.Dit bracht hem tot nadenken. Naardien de Comanchen zoo weinig maatregelen van voorzorg hadden genomen, moesten zij zich wel zeer sterk gevoelen, of anders een hinderlaag hebben gelegd, waarin zij hoopten hunne al te lichtgeloovige vijanden te verschalken.De twee jagers gingen voort, van tijd tot tijd een blik rechts of links werpende, ten einde zeker te zijn van zich niet te vergissen, maar het spoor liep altijd in een rechte lijn voort, zonder afwijkingen noch omwegen van welken aard ook. Zelfs Goedsmoeds begon het vreemd te vinden en er zich ernstig over te verontrusten.Maar zoo de Comanchen zich de moeite niet hadden willen geven van hun pad te verbergen, de jagers deden anders, en gingen niet voort dan met gedurige uitwissching van ieder spoor, dat de richting die zij volgden kon verraden.Zij kwamen eindelijk aan den oever van een vrij breede beek, deKopergroengeheeten, een tak van de groote Canadasche rivier. Alvorens zij deze overstaken, maakte Edelhart halt, aan zijn medgezel een teeken gevende om hem te volgen. Beiden stegen van hunne paarden af, en deze bij den toom voortleidende, trokken zij[35]zich in de schaduw van een boschje terug, om niet opgemerkt te worden, zoo bij toeval een indiaansche schildwacht hunne aankomst stond af te wachten.Zoodra zij achter de takken verborgen waren, legde Edelhart zijn vinger op den mond, om zijn makker voorzichtigheid aan te bevelen, en met de lippen diens oor aanrakende, zeide hij hem met een bijkans onhoorbare stem: »Voordat wij verder gaan, moeten wij eerst nauwkeurig beraadslagen, wat wij doen zullen.”Goedsmoeds knikte ten teeken van goedkeuring.»Ik vermoed eenig verraad,” hernam de jager; »de Indianen zijn te bedreven krijgslieden, en te ervaren in het leven der prairiën, om zonder gewichtige redenen aldus te handelen.”»Het is zoo,” antwoordde de Canadees overtuigd; »dit spoor is te mooi en te duidelijk aangewezen, om niet een valstrik te verbergen.”»Ja, maar zij hebben te slim willen zijn, hunne listigheid is te ver gegaan, op die wijze kan men geen oude jagers zooals wij misleiden. Wij moeten dus onze waakzaamheid verdubbelen; ieder blad en iederen grashalm onderzoeken, eer wij ons te dicht bij het kamp der Indianen wagen.”»Laat ons beter doen,” zeide Goedsmoeds, een blik om zich heen werpende; »laten wij onze paarden op een veilige plaats verbergen, en vervolgens te voet de stelling en het aantal van hen, die wij wenschen te overvallen, gaan opnemen.”»Gij hebt gelijk, Goedsmoeds,” zeide Edelhart, »uw raad is uitmuntend, wij gaan hem dadelijk in toepassing brengen.”»Ik geloof, dat wij ons dan zullen moeten haasten.”»Waartoe? laten wij ons juist niet haasten; de Indianen, als ze ons niet zien verschijnen, zullen zich op hunne wachten verlaten, en wij zullen van hunne zorgeloosheid gebruik maken, om hen te overvallen, zoolang wij genoodzaakt worden om tot dit uiterste middel onze toevlucht te nemen; overigens zou het beter zijn om den nacht af te wachten voor onze onderneming.”»Laten wij eerst onze paarden in veiligheid brengen, dan zullen wij zien.”De jagers verlieten met de uiterste behoedzaamheid hun schuilhoek. In plaats van de rivier over te steken gingen zij terug, en volgden eenigen tijd denzelfden weg dien zij reeds gegaan waren; vervolgens gingen zij links af, een hollen weg langs, waarin zij weldra te midden van het hooge gras verdwenen.»Ik geef mij aan uw geleide over, Goedsmoeds,” zeide Edelhart, »ik weet waarlijk niet waarheen ge ons brengt.”»Verlaat u op mij; ik heb bij toeval op twee geweerschoten afstands van hier eene soort van vesting ontdekt, waar onze paarden een onverbeterlijk verblijf zullen hebben, en waar wij, desnoods, een geregeld beleg zouden kunnen doorstaan.”[36]»Caramba!” riep de jager met zijn gewonen vloek, die zijne spaansche afkomst verried, »hoe hebt gij deze kostelijke ontdekking gemaakt?”»Mijn hemel!” zeide Goedsmoeds, »op de eenvoudigste wijze; ik was bezig mijne vallen te zetten, toen ik bij het beklimmen van gindschen berg, niet ver van den top, tusschen de takken den ruigen muil van een beer gewaar werd.”»Ha, ha; maar ik ben met dat voorval zoo wat bekend; gij hebt mij dien dag, zoo ik mij niet vergis, niet één, maar twee zwarte beerenvellen medegebracht.”»Juist! er waren twee van die liefhebbers, een mannetje en een wijfje; gij begrijpt, dat, zoodra ik hen zag, mijn jager-instinct wakker werd, en ik, mijne vermoeidheid vergetende, mijn buks laadde, om hen te vervolgen. Gij kunt nu zelf de sterkte zien, welke zij hadden ingenomen,” vervolgde hij van zijn paard afstijgende, in welke beweging zijn makker hem volgde.Voor hen verhief zich amphitheatersgewijze een massa rotsen, van de zonderlingste en grilligste vormen; eenige weinige kruiden groeiden hier en daar in de openingen, kruipende planten kroonden de toppen der rotsen en gaven aan deze massa, die meer dan zeshonderd el boven de prairie uitstak, het aanzien van een dier antieke ruïnen uit de middeleeuwen, welke men aan de oevers der groote Europeesche rivieren aanschouwt.Deze plaats werd door de jagers in die streken »De witte Kasteelen” genaamd, wegens de kleur der granietblokken waaruit zij was samengesteld.»Wij kunnen daar met onze paarden nooit tegen op komen,” zeide Edelhart, na een oogenblik zorgvuldig de ruimte, die zij beklimmen moesten, bestudeerd te hebben.»Laten wij het beproeven,” zeide Goedsmoeds, zijn paard bij den toom grijpende.De helling was ruw, en geen andere paarden dan die der jagers zouden deze taak hebben kunnen volbrengen.Men moest zorgvuldig de plaats kiezen, waar men den voet zou nederzetten, vervolgens zich met een sprong opgeven, en altijd met kromme lijnen en omwegen voortgaan, om den opgang wat hellend te maken.Na een half uur van ongehoorde moeielijkheden, bereikten zij een soort van vlak, dat hoogstens tien ellen breedte had.»Hier is het,” zeide Goedsmoeds stilstaande.»Hoe, hier,” antwoordde Edelhart, aan alle kanten om zich heen ziende zonder een opening te ontdekken.Goedsmoeds glimlachte.»Kom,” zeide hij.En altijd zijn paard voorttrekkende, ging hij achter een rotsblok om; de jager volgde hem nieuwsgierig.Na vijf minuten in een soort van loopgraaf, die nauwelijks drie[37]voet breed was, te zijn voortgegaan, bevonden de avonturiers zich eensklaps voor de opening van een groot hol.Deze weg, gevormd door een van die vreeselijke uitbarstingen die in deze streken zoo veelvuldig voorkomen, was zóó goed achter rotsen en steenen verborgen, dat het onmogelijk was die anders dan door een toeval te ontdekken.De jagers gingen naar binnen. Alvorens naar boven te gaan, had Goedsmoeds een grooten voorraad van droog hout mede genomen; hij stak twee toortsen aan, gaf er een aan zijn makker, en hield de ander zelf. Toen vertoonde de grot zich aan hen, in al hare woeste majesteit. Hare wanden waren hoog en met schitterenden druipsteen beladen, die het licht tienvoudig weerkaatste, en een tooverachtigen glans rondom zich verspreidde.»De grot,” zeide Goedsmoeds, »is zonder twijfel een der wonderen van de prairie; deze galerij die zachthellend naar beneden daalt, loopt onder de Kopergroen door, en komt aan de andere zijde, omstreeks een mijl van den oever verwijderd, in de vlakte uit. Behalve de galerij, door welke wij zijn binnengekomen, en die, welke wij voor ons hebben, zijn er nog vier andere, die allen op verschillende plaatsen een uitgang hebben. Gij ziet, dat wij hier geen gevaar loopen van gezien te worden, en dat deze ruime kamers ons een volgreeks van vertrekken aanbieden, die den president der Vereenigde Staten zelven jaloersch zoude maken.”Edelhart, verrukt over de ontdekking van deze schuilplaats, wilde haar tot in de minste bijzonderheden onderzoeken, en hoewel zeer stilzwijgend van aard, kon de jager herhaalde malen zijne bewondering niet inhouden.»Waarom hebt gij mij niet eer daarvan gesproken?” vroeg hij aan Goedsmoeds.»Ik wachtte op een goede gelegenheid,” antwoordde deze.De jagers plaatsten hunne paarden met de noodige levensmiddelen in een der vertrekken van de grot, waar het daglicht door haast onmerkbare scheuren binnendrong; vervolgens, toen zij zich verzekerd hadden, dat het den edelen dieren gedurende hunne afwezigheid aan niets zou ontbreken, en dat zij niet konden ontsnappen, wierpen zij hun buks over den schouder, floten de honden, en begaven zich met groote schreden op weg, langs de galerij die onder de rivier doorliep.Weldra werd de atmosfeer rondom hen vochtig, een dof en aanhoudend gedruisch deed zich boven hen hooren, zij gingen onder de Kopergroen door; maar door middel van een soort van lantaarn, gevormd door eene holle rots, die als een schilderhuis in het midden van den stroom stond, was er licht genoeg om hen te geleiden.Na een half uur loopens, kwamen zij in de prairie door een opening, die achter takken en kruipende planten van buiten onzichtbaar was.[38]Zij waren lang in de grot gebleven. Eerst hadden zij haar nauwkeurig onderzocht, als menschen, die voorzagen dat zij er den een of anderen dag eene schuilplaats zouden moeten zoeken; vervolgens hadden zij een soort van stal voor hunne paarden gemaakt, en eindelijk hadden zij zelven iets gebruikt, zoodat de zon op het punt was van onder te gaan, toen zij op nieuw het spoor der Comanchen begonnen te volgen.Toen nam de werkelijke vervolging der Indianen een aanvang. De twee jagers, hunne honden vooruit zendende, slopen stilzwijgend over de sporen voort, te midden van het hooge gras op handen en voeten kruipende, met een waakzaam oog en gespitste ooren, hun adem inhoudende, en nu en dan stilstaande om de lucht in te ademen en die duizenden geluiden der prairie te ondervragen, die de jagers met ongeloofelijk gemak weten te onderscheiden, en oogenblikkelijk te verklaren.De woestijn was in een doodsche stilte gehuld. In deze uitgestrekte wildernissen schijnt de natuur, bij het naderen van den nacht, als het ware adem te halen, en zich voor te bereiden tot de verborgenheden der duisternis.De jagers gingen altijd voort, hunne voorzorgen verdubbelende, en naast elkander voortkruipende. Eensklaps bleven de honden stilzwijgend staan. De moedige dieren schenen de waarde der stilte in deze plaats te beseffen, als begrepen zij, dat één enkele schreeuw hunnen meesters het leven kon kosten.Goedsmoeds wierp een doordringenden blik om zich heen. Zijn oog glinsterde, hij rolde zich als het ware ineen, en met een sprong als van een panter wierp hij zich op een indiaansch krijgsman, die, geheel voorover gebogen, een voorgevoel scheen te hebben, dat er een vijand in aantocht was. De Indiaan werd snel achterover geworpen eer hij een kreet om hulp uiten kon. Goedsmoeds schroefde hem de keel toe, en zette hem de knie op de borst. Vervolgens ontblootte de jager met de uiterste koelbloedigheid zijn mes, en stootte het tot aan het hecht in het hart van zijn vijand. Zoodra de wilde zag dat hij verloren was, verwaardigde hij zich niet om een nutteloozen tegenstand te beproeven, maar op den Canadees een blik van haat en verachting werpende, plooide hij zijne lippen tot een spotlach, en wachtte hij met onverstoorbare kalmte den dood af. Goedsmoeds stak het mes weêr in zijn gordel, en het lichaam ver van zich schoppende, zeide hij: Dat ’s één! En hij kroop weêr voort.Edelhart had de bewegingen van zijn vriend met de grootste aandacht gadegeslagen, gereed om hem in geval van nood bij te springen; toen de Indiaan dood was volgde hij weêr bedaard het spoor.Weldra schitterde de glans van een groot vuur tusschen de boomen door, en de geur van gebraden vleesch bereikte het fijne reukorgaan der jagers. Zij richtten zich als twee schimmen langs een[39]ontzaglijken kurk-eik op, en den knoestigen stam omvattende, verborgen zij zich in zijne takken.Toen zagen zij om zich heen. Zij hadden het gezicht op het kamp der Comanchen, dat zich ongeveer tien ellen van hen af bevond.
[Inhoud]III.HET SPOOR.De Arendskop, die door zijne vijanden ontdekt wilde zijn, had geen voorzorgen genomen om zijn spoor te verbergen. Het was volmaakt zichtbaar in het hooge gras, en zoo het hier of daar scheen te verdwijnen, hadden de jagers slechts even te bukken, om dadelijk den indruk zijner voeten te vinden.Nooit had men in de prairie een vijand aldus kunnen vervolgen. Dit moest Edelhart des te zonderlinger voorkomen, daar deze sinds lang al de listen der Indianen kende en wist met welk een talent zij, wanneer zij het noodig oordeelen, de geringste blijken van hun doortocht weten te doen verdwijnen.Dit bracht hem tot nadenken. Naardien de Comanchen zoo weinig maatregelen van voorzorg hadden genomen, moesten zij zich wel zeer sterk gevoelen, of anders een hinderlaag hebben gelegd, waarin zij hoopten hunne al te lichtgeloovige vijanden te verschalken.De twee jagers gingen voort, van tijd tot tijd een blik rechts of links werpende, ten einde zeker te zijn van zich niet te vergissen, maar het spoor liep altijd in een rechte lijn voort, zonder afwijkingen noch omwegen van welken aard ook. Zelfs Goedsmoeds begon het vreemd te vinden en er zich ernstig over te verontrusten.Maar zoo de Comanchen zich de moeite niet hadden willen geven van hun pad te verbergen, de jagers deden anders, en gingen niet voort dan met gedurige uitwissching van ieder spoor, dat de richting die zij volgden kon verraden.Zij kwamen eindelijk aan den oever van een vrij breede beek, deKopergroengeheeten, een tak van de groote Canadasche rivier. Alvorens zij deze overstaken, maakte Edelhart halt, aan zijn medgezel een teeken gevende om hem te volgen. Beiden stegen van hunne paarden af, en deze bij den toom voortleidende, trokken zij[35]zich in de schaduw van een boschje terug, om niet opgemerkt te worden, zoo bij toeval een indiaansche schildwacht hunne aankomst stond af te wachten.Zoodra zij achter de takken verborgen waren, legde Edelhart zijn vinger op den mond, om zijn makker voorzichtigheid aan te bevelen, en met de lippen diens oor aanrakende, zeide hij hem met een bijkans onhoorbare stem: »Voordat wij verder gaan, moeten wij eerst nauwkeurig beraadslagen, wat wij doen zullen.”Goedsmoeds knikte ten teeken van goedkeuring.»Ik vermoed eenig verraad,” hernam de jager; »de Indianen zijn te bedreven krijgslieden, en te ervaren in het leven der prairiën, om zonder gewichtige redenen aldus te handelen.”»Het is zoo,” antwoordde de Canadees overtuigd; »dit spoor is te mooi en te duidelijk aangewezen, om niet een valstrik te verbergen.”»Ja, maar zij hebben te slim willen zijn, hunne listigheid is te ver gegaan, op die wijze kan men geen oude jagers zooals wij misleiden. Wij moeten dus onze waakzaamheid verdubbelen; ieder blad en iederen grashalm onderzoeken, eer wij ons te dicht bij het kamp der Indianen wagen.”»Laat ons beter doen,” zeide Goedsmoeds, een blik om zich heen werpende; »laten wij onze paarden op een veilige plaats verbergen, en vervolgens te voet de stelling en het aantal van hen, die wij wenschen te overvallen, gaan opnemen.”»Gij hebt gelijk, Goedsmoeds,” zeide Edelhart, »uw raad is uitmuntend, wij gaan hem dadelijk in toepassing brengen.”»Ik geloof, dat wij ons dan zullen moeten haasten.”»Waartoe? laten wij ons juist niet haasten; de Indianen, als ze ons niet zien verschijnen, zullen zich op hunne wachten verlaten, en wij zullen van hunne zorgeloosheid gebruik maken, om hen te overvallen, zoolang wij genoodzaakt worden om tot dit uiterste middel onze toevlucht te nemen; overigens zou het beter zijn om den nacht af te wachten voor onze onderneming.”»Laten wij eerst onze paarden in veiligheid brengen, dan zullen wij zien.”De jagers verlieten met de uiterste behoedzaamheid hun schuilhoek. In plaats van de rivier over te steken gingen zij terug, en volgden eenigen tijd denzelfden weg dien zij reeds gegaan waren; vervolgens gingen zij links af, een hollen weg langs, waarin zij weldra te midden van het hooge gras verdwenen.»Ik geef mij aan uw geleide over, Goedsmoeds,” zeide Edelhart, »ik weet waarlijk niet waarheen ge ons brengt.”»Verlaat u op mij; ik heb bij toeval op twee geweerschoten afstands van hier eene soort van vesting ontdekt, waar onze paarden een onverbeterlijk verblijf zullen hebben, en waar wij, desnoods, een geregeld beleg zouden kunnen doorstaan.”[36]»Caramba!” riep de jager met zijn gewonen vloek, die zijne spaansche afkomst verried, »hoe hebt gij deze kostelijke ontdekking gemaakt?”»Mijn hemel!” zeide Goedsmoeds, »op de eenvoudigste wijze; ik was bezig mijne vallen te zetten, toen ik bij het beklimmen van gindschen berg, niet ver van den top, tusschen de takken den ruigen muil van een beer gewaar werd.”»Ha, ha; maar ik ben met dat voorval zoo wat bekend; gij hebt mij dien dag, zoo ik mij niet vergis, niet één, maar twee zwarte beerenvellen medegebracht.”»Juist! er waren twee van die liefhebbers, een mannetje en een wijfje; gij begrijpt, dat, zoodra ik hen zag, mijn jager-instinct wakker werd, en ik, mijne vermoeidheid vergetende, mijn buks laadde, om hen te vervolgen. Gij kunt nu zelf de sterkte zien, welke zij hadden ingenomen,” vervolgde hij van zijn paard afstijgende, in welke beweging zijn makker hem volgde.Voor hen verhief zich amphitheatersgewijze een massa rotsen, van de zonderlingste en grilligste vormen; eenige weinige kruiden groeiden hier en daar in de openingen, kruipende planten kroonden de toppen der rotsen en gaven aan deze massa, die meer dan zeshonderd el boven de prairie uitstak, het aanzien van een dier antieke ruïnen uit de middeleeuwen, welke men aan de oevers der groote Europeesche rivieren aanschouwt.Deze plaats werd door de jagers in die streken »De witte Kasteelen” genaamd, wegens de kleur der granietblokken waaruit zij was samengesteld.»Wij kunnen daar met onze paarden nooit tegen op komen,” zeide Edelhart, na een oogenblik zorgvuldig de ruimte, die zij beklimmen moesten, bestudeerd te hebben.»Laten wij het beproeven,” zeide Goedsmoeds, zijn paard bij den toom grijpende.De helling was ruw, en geen andere paarden dan die der jagers zouden deze taak hebben kunnen volbrengen.Men moest zorgvuldig de plaats kiezen, waar men den voet zou nederzetten, vervolgens zich met een sprong opgeven, en altijd met kromme lijnen en omwegen voortgaan, om den opgang wat hellend te maken.Na een half uur van ongehoorde moeielijkheden, bereikten zij een soort van vlak, dat hoogstens tien ellen breedte had.»Hier is het,” zeide Goedsmoeds stilstaande.»Hoe, hier,” antwoordde Edelhart, aan alle kanten om zich heen ziende zonder een opening te ontdekken.Goedsmoeds glimlachte.»Kom,” zeide hij.En altijd zijn paard voorttrekkende, ging hij achter een rotsblok om; de jager volgde hem nieuwsgierig.Na vijf minuten in een soort van loopgraaf, die nauwelijks drie[37]voet breed was, te zijn voortgegaan, bevonden de avonturiers zich eensklaps voor de opening van een groot hol.Deze weg, gevormd door een van die vreeselijke uitbarstingen die in deze streken zoo veelvuldig voorkomen, was zóó goed achter rotsen en steenen verborgen, dat het onmogelijk was die anders dan door een toeval te ontdekken.De jagers gingen naar binnen. Alvorens naar boven te gaan, had Goedsmoeds een grooten voorraad van droog hout mede genomen; hij stak twee toortsen aan, gaf er een aan zijn makker, en hield de ander zelf. Toen vertoonde de grot zich aan hen, in al hare woeste majesteit. Hare wanden waren hoog en met schitterenden druipsteen beladen, die het licht tienvoudig weerkaatste, en een tooverachtigen glans rondom zich verspreidde.»De grot,” zeide Goedsmoeds, »is zonder twijfel een der wonderen van de prairie; deze galerij die zachthellend naar beneden daalt, loopt onder de Kopergroen door, en komt aan de andere zijde, omstreeks een mijl van den oever verwijderd, in de vlakte uit. Behalve de galerij, door welke wij zijn binnengekomen, en die, welke wij voor ons hebben, zijn er nog vier andere, die allen op verschillende plaatsen een uitgang hebben. Gij ziet, dat wij hier geen gevaar loopen van gezien te worden, en dat deze ruime kamers ons een volgreeks van vertrekken aanbieden, die den president der Vereenigde Staten zelven jaloersch zoude maken.”Edelhart, verrukt over de ontdekking van deze schuilplaats, wilde haar tot in de minste bijzonderheden onderzoeken, en hoewel zeer stilzwijgend van aard, kon de jager herhaalde malen zijne bewondering niet inhouden.»Waarom hebt gij mij niet eer daarvan gesproken?” vroeg hij aan Goedsmoeds.»Ik wachtte op een goede gelegenheid,” antwoordde deze.De jagers plaatsten hunne paarden met de noodige levensmiddelen in een der vertrekken van de grot, waar het daglicht door haast onmerkbare scheuren binnendrong; vervolgens, toen zij zich verzekerd hadden, dat het den edelen dieren gedurende hunne afwezigheid aan niets zou ontbreken, en dat zij niet konden ontsnappen, wierpen zij hun buks over den schouder, floten de honden, en begaven zich met groote schreden op weg, langs de galerij die onder de rivier doorliep.Weldra werd de atmosfeer rondom hen vochtig, een dof en aanhoudend gedruisch deed zich boven hen hooren, zij gingen onder de Kopergroen door; maar door middel van een soort van lantaarn, gevormd door eene holle rots, die als een schilderhuis in het midden van den stroom stond, was er licht genoeg om hen te geleiden.Na een half uur loopens, kwamen zij in de prairie door een opening, die achter takken en kruipende planten van buiten onzichtbaar was.[38]Zij waren lang in de grot gebleven. Eerst hadden zij haar nauwkeurig onderzocht, als menschen, die voorzagen dat zij er den een of anderen dag eene schuilplaats zouden moeten zoeken; vervolgens hadden zij een soort van stal voor hunne paarden gemaakt, en eindelijk hadden zij zelven iets gebruikt, zoodat de zon op het punt was van onder te gaan, toen zij op nieuw het spoor der Comanchen begonnen te volgen.Toen nam de werkelijke vervolging der Indianen een aanvang. De twee jagers, hunne honden vooruit zendende, slopen stilzwijgend over de sporen voort, te midden van het hooge gras op handen en voeten kruipende, met een waakzaam oog en gespitste ooren, hun adem inhoudende, en nu en dan stilstaande om de lucht in te ademen en die duizenden geluiden der prairie te ondervragen, die de jagers met ongeloofelijk gemak weten te onderscheiden, en oogenblikkelijk te verklaren.De woestijn was in een doodsche stilte gehuld. In deze uitgestrekte wildernissen schijnt de natuur, bij het naderen van den nacht, als het ware adem te halen, en zich voor te bereiden tot de verborgenheden der duisternis.De jagers gingen altijd voort, hunne voorzorgen verdubbelende, en naast elkander voortkruipende. Eensklaps bleven de honden stilzwijgend staan. De moedige dieren schenen de waarde der stilte in deze plaats te beseffen, als begrepen zij, dat één enkele schreeuw hunnen meesters het leven kon kosten.Goedsmoeds wierp een doordringenden blik om zich heen. Zijn oog glinsterde, hij rolde zich als het ware ineen, en met een sprong als van een panter wierp hij zich op een indiaansch krijgsman, die, geheel voorover gebogen, een voorgevoel scheen te hebben, dat er een vijand in aantocht was. De Indiaan werd snel achterover geworpen eer hij een kreet om hulp uiten kon. Goedsmoeds schroefde hem de keel toe, en zette hem de knie op de borst. Vervolgens ontblootte de jager met de uiterste koelbloedigheid zijn mes, en stootte het tot aan het hecht in het hart van zijn vijand. Zoodra de wilde zag dat hij verloren was, verwaardigde hij zich niet om een nutteloozen tegenstand te beproeven, maar op den Canadees een blik van haat en verachting werpende, plooide hij zijne lippen tot een spotlach, en wachtte hij met onverstoorbare kalmte den dood af. Goedsmoeds stak het mes weêr in zijn gordel, en het lichaam ver van zich schoppende, zeide hij: Dat ’s één! En hij kroop weêr voort.Edelhart had de bewegingen van zijn vriend met de grootste aandacht gadegeslagen, gereed om hem in geval van nood bij te springen; toen de Indiaan dood was volgde hij weêr bedaard het spoor.Weldra schitterde de glans van een groot vuur tusschen de boomen door, en de geur van gebraden vleesch bereikte het fijne reukorgaan der jagers. Zij richtten zich als twee schimmen langs een[39]ontzaglijken kurk-eik op, en den knoestigen stam omvattende, verborgen zij zich in zijne takken.Toen zagen zij om zich heen. Zij hadden het gezicht op het kamp der Comanchen, dat zich ongeveer tien ellen van hen af bevond.
III.HET SPOOR.
De Arendskop, die door zijne vijanden ontdekt wilde zijn, had geen voorzorgen genomen om zijn spoor te verbergen. Het was volmaakt zichtbaar in het hooge gras, en zoo het hier of daar scheen te verdwijnen, hadden de jagers slechts even te bukken, om dadelijk den indruk zijner voeten te vinden.Nooit had men in de prairie een vijand aldus kunnen vervolgen. Dit moest Edelhart des te zonderlinger voorkomen, daar deze sinds lang al de listen der Indianen kende en wist met welk een talent zij, wanneer zij het noodig oordeelen, de geringste blijken van hun doortocht weten te doen verdwijnen.Dit bracht hem tot nadenken. Naardien de Comanchen zoo weinig maatregelen van voorzorg hadden genomen, moesten zij zich wel zeer sterk gevoelen, of anders een hinderlaag hebben gelegd, waarin zij hoopten hunne al te lichtgeloovige vijanden te verschalken.De twee jagers gingen voort, van tijd tot tijd een blik rechts of links werpende, ten einde zeker te zijn van zich niet te vergissen, maar het spoor liep altijd in een rechte lijn voort, zonder afwijkingen noch omwegen van welken aard ook. Zelfs Goedsmoeds begon het vreemd te vinden en er zich ernstig over te verontrusten.Maar zoo de Comanchen zich de moeite niet hadden willen geven van hun pad te verbergen, de jagers deden anders, en gingen niet voort dan met gedurige uitwissching van ieder spoor, dat de richting die zij volgden kon verraden.Zij kwamen eindelijk aan den oever van een vrij breede beek, deKopergroengeheeten, een tak van de groote Canadasche rivier. Alvorens zij deze overstaken, maakte Edelhart halt, aan zijn medgezel een teeken gevende om hem te volgen. Beiden stegen van hunne paarden af, en deze bij den toom voortleidende, trokken zij[35]zich in de schaduw van een boschje terug, om niet opgemerkt te worden, zoo bij toeval een indiaansche schildwacht hunne aankomst stond af te wachten.Zoodra zij achter de takken verborgen waren, legde Edelhart zijn vinger op den mond, om zijn makker voorzichtigheid aan te bevelen, en met de lippen diens oor aanrakende, zeide hij hem met een bijkans onhoorbare stem: »Voordat wij verder gaan, moeten wij eerst nauwkeurig beraadslagen, wat wij doen zullen.”Goedsmoeds knikte ten teeken van goedkeuring.»Ik vermoed eenig verraad,” hernam de jager; »de Indianen zijn te bedreven krijgslieden, en te ervaren in het leven der prairiën, om zonder gewichtige redenen aldus te handelen.”»Het is zoo,” antwoordde de Canadees overtuigd; »dit spoor is te mooi en te duidelijk aangewezen, om niet een valstrik te verbergen.”»Ja, maar zij hebben te slim willen zijn, hunne listigheid is te ver gegaan, op die wijze kan men geen oude jagers zooals wij misleiden. Wij moeten dus onze waakzaamheid verdubbelen; ieder blad en iederen grashalm onderzoeken, eer wij ons te dicht bij het kamp der Indianen wagen.”»Laat ons beter doen,” zeide Goedsmoeds, een blik om zich heen werpende; »laten wij onze paarden op een veilige plaats verbergen, en vervolgens te voet de stelling en het aantal van hen, die wij wenschen te overvallen, gaan opnemen.”»Gij hebt gelijk, Goedsmoeds,” zeide Edelhart, »uw raad is uitmuntend, wij gaan hem dadelijk in toepassing brengen.”»Ik geloof, dat wij ons dan zullen moeten haasten.”»Waartoe? laten wij ons juist niet haasten; de Indianen, als ze ons niet zien verschijnen, zullen zich op hunne wachten verlaten, en wij zullen van hunne zorgeloosheid gebruik maken, om hen te overvallen, zoolang wij genoodzaakt worden om tot dit uiterste middel onze toevlucht te nemen; overigens zou het beter zijn om den nacht af te wachten voor onze onderneming.”»Laten wij eerst onze paarden in veiligheid brengen, dan zullen wij zien.”De jagers verlieten met de uiterste behoedzaamheid hun schuilhoek. In plaats van de rivier over te steken gingen zij terug, en volgden eenigen tijd denzelfden weg dien zij reeds gegaan waren; vervolgens gingen zij links af, een hollen weg langs, waarin zij weldra te midden van het hooge gras verdwenen.»Ik geef mij aan uw geleide over, Goedsmoeds,” zeide Edelhart, »ik weet waarlijk niet waarheen ge ons brengt.”»Verlaat u op mij; ik heb bij toeval op twee geweerschoten afstands van hier eene soort van vesting ontdekt, waar onze paarden een onverbeterlijk verblijf zullen hebben, en waar wij, desnoods, een geregeld beleg zouden kunnen doorstaan.”[36]»Caramba!” riep de jager met zijn gewonen vloek, die zijne spaansche afkomst verried, »hoe hebt gij deze kostelijke ontdekking gemaakt?”»Mijn hemel!” zeide Goedsmoeds, »op de eenvoudigste wijze; ik was bezig mijne vallen te zetten, toen ik bij het beklimmen van gindschen berg, niet ver van den top, tusschen de takken den ruigen muil van een beer gewaar werd.”»Ha, ha; maar ik ben met dat voorval zoo wat bekend; gij hebt mij dien dag, zoo ik mij niet vergis, niet één, maar twee zwarte beerenvellen medegebracht.”»Juist! er waren twee van die liefhebbers, een mannetje en een wijfje; gij begrijpt, dat, zoodra ik hen zag, mijn jager-instinct wakker werd, en ik, mijne vermoeidheid vergetende, mijn buks laadde, om hen te vervolgen. Gij kunt nu zelf de sterkte zien, welke zij hadden ingenomen,” vervolgde hij van zijn paard afstijgende, in welke beweging zijn makker hem volgde.Voor hen verhief zich amphitheatersgewijze een massa rotsen, van de zonderlingste en grilligste vormen; eenige weinige kruiden groeiden hier en daar in de openingen, kruipende planten kroonden de toppen der rotsen en gaven aan deze massa, die meer dan zeshonderd el boven de prairie uitstak, het aanzien van een dier antieke ruïnen uit de middeleeuwen, welke men aan de oevers der groote Europeesche rivieren aanschouwt.Deze plaats werd door de jagers in die streken »De witte Kasteelen” genaamd, wegens de kleur der granietblokken waaruit zij was samengesteld.»Wij kunnen daar met onze paarden nooit tegen op komen,” zeide Edelhart, na een oogenblik zorgvuldig de ruimte, die zij beklimmen moesten, bestudeerd te hebben.»Laten wij het beproeven,” zeide Goedsmoeds, zijn paard bij den toom grijpende.De helling was ruw, en geen andere paarden dan die der jagers zouden deze taak hebben kunnen volbrengen.Men moest zorgvuldig de plaats kiezen, waar men den voet zou nederzetten, vervolgens zich met een sprong opgeven, en altijd met kromme lijnen en omwegen voortgaan, om den opgang wat hellend te maken.Na een half uur van ongehoorde moeielijkheden, bereikten zij een soort van vlak, dat hoogstens tien ellen breedte had.»Hier is het,” zeide Goedsmoeds stilstaande.»Hoe, hier,” antwoordde Edelhart, aan alle kanten om zich heen ziende zonder een opening te ontdekken.Goedsmoeds glimlachte.»Kom,” zeide hij.En altijd zijn paard voorttrekkende, ging hij achter een rotsblok om; de jager volgde hem nieuwsgierig.Na vijf minuten in een soort van loopgraaf, die nauwelijks drie[37]voet breed was, te zijn voortgegaan, bevonden de avonturiers zich eensklaps voor de opening van een groot hol.Deze weg, gevormd door een van die vreeselijke uitbarstingen die in deze streken zoo veelvuldig voorkomen, was zóó goed achter rotsen en steenen verborgen, dat het onmogelijk was die anders dan door een toeval te ontdekken.De jagers gingen naar binnen. Alvorens naar boven te gaan, had Goedsmoeds een grooten voorraad van droog hout mede genomen; hij stak twee toortsen aan, gaf er een aan zijn makker, en hield de ander zelf. Toen vertoonde de grot zich aan hen, in al hare woeste majesteit. Hare wanden waren hoog en met schitterenden druipsteen beladen, die het licht tienvoudig weerkaatste, en een tooverachtigen glans rondom zich verspreidde.»De grot,” zeide Goedsmoeds, »is zonder twijfel een der wonderen van de prairie; deze galerij die zachthellend naar beneden daalt, loopt onder de Kopergroen door, en komt aan de andere zijde, omstreeks een mijl van den oever verwijderd, in de vlakte uit. Behalve de galerij, door welke wij zijn binnengekomen, en die, welke wij voor ons hebben, zijn er nog vier andere, die allen op verschillende plaatsen een uitgang hebben. Gij ziet, dat wij hier geen gevaar loopen van gezien te worden, en dat deze ruime kamers ons een volgreeks van vertrekken aanbieden, die den president der Vereenigde Staten zelven jaloersch zoude maken.”Edelhart, verrukt over de ontdekking van deze schuilplaats, wilde haar tot in de minste bijzonderheden onderzoeken, en hoewel zeer stilzwijgend van aard, kon de jager herhaalde malen zijne bewondering niet inhouden.»Waarom hebt gij mij niet eer daarvan gesproken?” vroeg hij aan Goedsmoeds.»Ik wachtte op een goede gelegenheid,” antwoordde deze.De jagers plaatsten hunne paarden met de noodige levensmiddelen in een der vertrekken van de grot, waar het daglicht door haast onmerkbare scheuren binnendrong; vervolgens, toen zij zich verzekerd hadden, dat het den edelen dieren gedurende hunne afwezigheid aan niets zou ontbreken, en dat zij niet konden ontsnappen, wierpen zij hun buks over den schouder, floten de honden, en begaven zich met groote schreden op weg, langs de galerij die onder de rivier doorliep.Weldra werd de atmosfeer rondom hen vochtig, een dof en aanhoudend gedruisch deed zich boven hen hooren, zij gingen onder de Kopergroen door; maar door middel van een soort van lantaarn, gevormd door eene holle rots, die als een schilderhuis in het midden van den stroom stond, was er licht genoeg om hen te geleiden.Na een half uur loopens, kwamen zij in de prairie door een opening, die achter takken en kruipende planten van buiten onzichtbaar was.[38]Zij waren lang in de grot gebleven. Eerst hadden zij haar nauwkeurig onderzocht, als menschen, die voorzagen dat zij er den een of anderen dag eene schuilplaats zouden moeten zoeken; vervolgens hadden zij een soort van stal voor hunne paarden gemaakt, en eindelijk hadden zij zelven iets gebruikt, zoodat de zon op het punt was van onder te gaan, toen zij op nieuw het spoor der Comanchen begonnen te volgen.Toen nam de werkelijke vervolging der Indianen een aanvang. De twee jagers, hunne honden vooruit zendende, slopen stilzwijgend over de sporen voort, te midden van het hooge gras op handen en voeten kruipende, met een waakzaam oog en gespitste ooren, hun adem inhoudende, en nu en dan stilstaande om de lucht in te ademen en die duizenden geluiden der prairie te ondervragen, die de jagers met ongeloofelijk gemak weten te onderscheiden, en oogenblikkelijk te verklaren.De woestijn was in een doodsche stilte gehuld. In deze uitgestrekte wildernissen schijnt de natuur, bij het naderen van den nacht, als het ware adem te halen, en zich voor te bereiden tot de verborgenheden der duisternis.De jagers gingen altijd voort, hunne voorzorgen verdubbelende, en naast elkander voortkruipende. Eensklaps bleven de honden stilzwijgend staan. De moedige dieren schenen de waarde der stilte in deze plaats te beseffen, als begrepen zij, dat één enkele schreeuw hunnen meesters het leven kon kosten.Goedsmoeds wierp een doordringenden blik om zich heen. Zijn oog glinsterde, hij rolde zich als het ware ineen, en met een sprong als van een panter wierp hij zich op een indiaansch krijgsman, die, geheel voorover gebogen, een voorgevoel scheen te hebben, dat er een vijand in aantocht was. De Indiaan werd snel achterover geworpen eer hij een kreet om hulp uiten kon. Goedsmoeds schroefde hem de keel toe, en zette hem de knie op de borst. Vervolgens ontblootte de jager met de uiterste koelbloedigheid zijn mes, en stootte het tot aan het hecht in het hart van zijn vijand. Zoodra de wilde zag dat hij verloren was, verwaardigde hij zich niet om een nutteloozen tegenstand te beproeven, maar op den Canadees een blik van haat en verachting werpende, plooide hij zijne lippen tot een spotlach, en wachtte hij met onverstoorbare kalmte den dood af. Goedsmoeds stak het mes weêr in zijn gordel, en het lichaam ver van zich schoppende, zeide hij: Dat ’s één! En hij kroop weêr voort.Edelhart had de bewegingen van zijn vriend met de grootste aandacht gadegeslagen, gereed om hem in geval van nood bij te springen; toen de Indiaan dood was volgde hij weêr bedaard het spoor.Weldra schitterde de glans van een groot vuur tusschen de boomen door, en de geur van gebraden vleesch bereikte het fijne reukorgaan der jagers. Zij richtten zich als twee schimmen langs een[39]ontzaglijken kurk-eik op, en den knoestigen stam omvattende, verborgen zij zich in zijne takken.Toen zagen zij om zich heen. Zij hadden het gezicht op het kamp der Comanchen, dat zich ongeveer tien ellen van hen af bevond.
De Arendskop, die door zijne vijanden ontdekt wilde zijn, had geen voorzorgen genomen om zijn spoor te verbergen. Het was volmaakt zichtbaar in het hooge gras, en zoo het hier of daar scheen te verdwijnen, hadden de jagers slechts even te bukken, om dadelijk den indruk zijner voeten te vinden.
Nooit had men in de prairie een vijand aldus kunnen vervolgen. Dit moest Edelhart des te zonderlinger voorkomen, daar deze sinds lang al de listen der Indianen kende en wist met welk een talent zij, wanneer zij het noodig oordeelen, de geringste blijken van hun doortocht weten te doen verdwijnen.
Dit bracht hem tot nadenken. Naardien de Comanchen zoo weinig maatregelen van voorzorg hadden genomen, moesten zij zich wel zeer sterk gevoelen, of anders een hinderlaag hebben gelegd, waarin zij hoopten hunne al te lichtgeloovige vijanden te verschalken.
De twee jagers gingen voort, van tijd tot tijd een blik rechts of links werpende, ten einde zeker te zijn van zich niet te vergissen, maar het spoor liep altijd in een rechte lijn voort, zonder afwijkingen noch omwegen van welken aard ook. Zelfs Goedsmoeds begon het vreemd te vinden en er zich ernstig over te verontrusten.
Maar zoo de Comanchen zich de moeite niet hadden willen geven van hun pad te verbergen, de jagers deden anders, en gingen niet voort dan met gedurige uitwissching van ieder spoor, dat de richting die zij volgden kon verraden.
Zij kwamen eindelijk aan den oever van een vrij breede beek, deKopergroengeheeten, een tak van de groote Canadasche rivier. Alvorens zij deze overstaken, maakte Edelhart halt, aan zijn medgezel een teeken gevende om hem te volgen. Beiden stegen van hunne paarden af, en deze bij den toom voortleidende, trokken zij[35]zich in de schaduw van een boschje terug, om niet opgemerkt te worden, zoo bij toeval een indiaansche schildwacht hunne aankomst stond af te wachten.
Zoodra zij achter de takken verborgen waren, legde Edelhart zijn vinger op den mond, om zijn makker voorzichtigheid aan te bevelen, en met de lippen diens oor aanrakende, zeide hij hem met een bijkans onhoorbare stem: »Voordat wij verder gaan, moeten wij eerst nauwkeurig beraadslagen, wat wij doen zullen.”
Goedsmoeds knikte ten teeken van goedkeuring.
»Ik vermoed eenig verraad,” hernam de jager; »de Indianen zijn te bedreven krijgslieden, en te ervaren in het leven der prairiën, om zonder gewichtige redenen aldus te handelen.”
»Het is zoo,” antwoordde de Canadees overtuigd; »dit spoor is te mooi en te duidelijk aangewezen, om niet een valstrik te verbergen.”
»Ja, maar zij hebben te slim willen zijn, hunne listigheid is te ver gegaan, op die wijze kan men geen oude jagers zooals wij misleiden. Wij moeten dus onze waakzaamheid verdubbelen; ieder blad en iederen grashalm onderzoeken, eer wij ons te dicht bij het kamp der Indianen wagen.”
»Laat ons beter doen,” zeide Goedsmoeds, een blik om zich heen werpende; »laten wij onze paarden op een veilige plaats verbergen, en vervolgens te voet de stelling en het aantal van hen, die wij wenschen te overvallen, gaan opnemen.”
»Gij hebt gelijk, Goedsmoeds,” zeide Edelhart, »uw raad is uitmuntend, wij gaan hem dadelijk in toepassing brengen.”
»Ik geloof, dat wij ons dan zullen moeten haasten.”
»Waartoe? laten wij ons juist niet haasten; de Indianen, als ze ons niet zien verschijnen, zullen zich op hunne wachten verlaten, en wij zullen van hunne zorgeloosheid gebruik maken, om hen te overvallen, zoolang wij genoodzaakt worden om tot dit uiterste middel onze toevlucht te nemen; overigens zou het beter zijn om den nacht af te wachten voor onze onderneming.”
»Laten wij eerst onze paarden in veiligheid brengen, dan zullen wij zien.”
De jagers verlieten met de uiterste behoedzaamheid hun schuilhoek. In plaats van de rivier over te steken gingen zij terug, en volgden eenigen tijd denzelfden weg dien zij reeds gegaan waren; vervolgens gingen zij links af, een hollen weg langs, waarin zij weldra te midden van het hooge gras verdwenen.
»Ik geef mij aan uw geleide over, Goedsmoeds,” zeide Edelhart, »ik weet waarlijk niet waarheen ge ons brengt.”
»Verlaat u op mij; ik heb bij toeval op twee geweerschoten afstands van hier eene soort van vesting ontdekt, waar onze paarden een onverbeterlijk verblijf zullen hebben, en waar wij, desnoods, een geregeld beleg zouden kunnen doorstaan.”[36]
»Caramba!” riep de jager met zijn gewonen vloek, die zijne spaansche afkomst verried, »hoe hebt gij deze kostelijke ontdekking gemaakt?”
»Mijn hemel!” zeide Goedsmoeds, »op de eenvoudigste wijze; ik was bezig mijne vallen te zetten, toen ik bij het beklimmen van gindschen berg, niet ver van den top, tusschen de takken den ruigen muil van een beer gewaar werd.”
»Ha, ha; maar ik ben met dat voorval zoo wat bekend; gij hebt mij dien dag, zoo ik mij niet vergis, niet één, maar twee zwarte beerenvellen medegebracht.”
»Juist! er waren twee van die liefhebbers, een mannetje en een wijfje; gij begrijpt, dat, zoodra ik hen zag, mijn jager-instinct wakker werd, en ik, mijne vermoeidheid vergetende, mijn buks laadde, om hen te vervolgen. Gij kunt nu zelf de sterkte zien, welke zij hadden ingenomen,” vervolgde hij van zijn paard afstijgende, in welke beweging zijn makker hem volgde.
Voor hen verhief zich amphitheatersgewijze een massa rotsen, van de zonderlingste en grilligste vormen; eenige weinige kruiden groeiden hier en daar in de openingen, kruipende planten kroonden de toppen der rotsen en gaven aan deze massa, die meer dan zeshonderd el boven de prairie uitstak, het aanzien van een dier antieke ruïnen uit de middeleeuwen, welke men aan de oevers der groote Europeesche rivieren aanschouwt.
Deze plaats werd door de jagers in die streken »De witte Kasteelen” genaamd, wegens de kleur der granietblokken waaruit zij was samengesteld.
»Wij kunnen daar met onze paarden nooit tegen op komen,” zeide Edelhart, na een oogenblik zorgvuldig de ruimte, die zij beklimmen moesten, bestudeerd te hebben.
»Laten wij het beproeven,” zeide Goedsmoeds, zijn paard bij den toom grijpende.
De helling was ruw, en geen andere paarden dan die der jagers zouden deze taak hebben kunnen volbrengen.
Men moest zorgvuldig de plaats kiezen, waar men den voet zou nederzetten, vervolgens zich met een sprong opgeven, en altijd met kromme lijnen en omwegen voortgaan, om den opgang wat hellend te maken.
Na een half uur van ongehoorde moeielijkheden, bereikten zij een soort van vlak, dat hoogstens tien ellen breedte had.
»Hier is het,” zeide Goedsmoeds stilstaande.
»Hoe, hier,” antwoordde Edelhart, aan alle kanten om zich heen ziende zonder een opening te ontdekken.
Goedsmoeds glimlachte.
»Kom,” zeide hij.
En altijd zijn paard voorttrekkende, ging hij achter een rotsblok om; de jager volgde hem nieuwsgierig.
Na vijf minuten in een soort van loopgraaf, die nauwelijks drie[37]voet breed was, te zijn voortgegaan, bevonden de avonturiers zich eensklaps voor de opening van een groot hol.
Deze weg, gevormd door een van die vreeselijke uitbarstingen die in deze streken zoo veelvuldig voorkomen, was zóó goed achter rotsen en steenen verborgen, dat het onmogelijk was die anders dan door een toeval te ontdekken.
De jagers gingen naar binnen. Alvorens naar boven te gaan, had Goedsmoeds een grooten voorraad van droog hout mede genomen; hij stak twee toortsen aan, gaf er een aan zijn makker, en hield de ander zelf. Toen vertoonde de grot zich aan hen, in al hare woeste majesteit. Hare wanden waren hoog en met schitterenden druipsteen beladen, die het licht tienvoudig weerkaatste, en een tooverachtigen glans rondom zich verspreidde.
»De grot,” zeide Goedsmoeds, »is zonder twijfel een der wonderen van de prairie; deze galerij die zachthellend naar beneden daalt, loopt onder de Kopergroen door, en komt aan de andere zijde, omstreeks een mijl van den oever verwijderd, in de vlakte uit. Behalve de galerij, door welke wij zijn binnengekomen, en die, welke wij voor ons hebben, zijn er nog vier andere, die allen op verschillende plaatsen een uitgang hebben. Gij ziet, dat wij hier geen gevaar loopen van gezien te worden, en dat deze ruime kamers ons een volgreeks van vertrekken aanbieden, die den president der Vereenigde Staten zelven jaloersch zoude maken.”
Edelhart, verrukt over de ontdekking van deze schuilplaats, wilde haar tot in de minste bijzonderheden onderzoeken, en hoewel zeer stilzwijgend van aard, kon de jager herhaalde malen zijne bewondering niet inhouden.
»Waarom hebt gij mij niet eer daarvan gesproken?” vroeg hij aan Goedsmoeds.
»Ik wachtte op een goede gelegenheid,” antwoordde deze.
De jagers plaatsten hunne paarden met de noodige levensmiddelen in een der vertrekken van de grot, waar het daglicht door haast onmerkbare scheuren binnendrong; vervolgens, toen zij zich verzekerd hadden, dat het den edelen dieren gedurende hunne afwezigheid aan niets zou ontbreken, en dat zij niet konden ontsnappen, wierpen zij hun buks over den schouder, floten de honden, en begaven zich met groote schreden op weg, langs de galerij die onder de rivier doorliep.
Weldra werd de atmosfeer rondom hen vochtig, een dof en aanhoudend gedruisch deed zich boven hen hooren, zij gingen onder de Kopergroen door; maar door middel van een soort van lantaarn, gevormd door eene holle rots, die als een schilderhuis in het midden van den stroom stond, was er licht genoeg om hen te geleiden.
Na een half uur loopens, kwamen zij in de prairie door een opening, die achter takken en kruipende planten van buiten onzichtbaar was.[38]
Zij waren lang in de grot gebleven. Eerst hadden zij haar nauwkeurig onderzocht, als menschen, die voorzagen dat zij er den een of anderen dag eene schuilplaats zouden moeten zoeken; vervolgens hadden zij een soort van stal voor hunne paarden gemaakt, en eindelijk hadden zij zelven iets gebruikt, zoodat de zon op het punt was van onder te gaan, toen zij op nieuw het spoor der Comanchen begonnen te volgen.
Toen nam de werkelijke vervolging der Indianen een aanvang. De twee jagers, hunne honden vooruit zendende, slopen stilzwijgend over de sporen voort, te midden van het hooge gras op handen en voeten kruipende, met een waakzaam oog en gespitste ooren, hun adem inhoudende, en nu en dan stilstaande om de lucht in te ademen en die duizenden geluiden der prairie te ondervragen, die de jagers met ongeloofelijk gemak weten te onderscheiden, en oogenblikkelijk te verklaren.
De woestijn was in een doodsche stilte gehuld. In deze uitgestrekte wildernissen schijnt de natuur, bij het naderen van den nacht, als het ware adem te halen, en zich voor te bereiden tot de verborgenheden der duisternis.
De jagers gingen altijd voort, hunne voorzorgen verdubbelende, en naast elkander voortkruipende. Eensklaps bleven de honden stilzwijgend staan. De moedige dieren schenen de waarde der stilte in deze plaats te beseffen, als begrepen zij, dat één enkele schreeuw hunnen meesters het leven kon kosten.
Goedsmoeds wierp een doordringenden blik om zich heen. Zijn oog glinsterde, hij rolde zich als het ware ineen, en met een sprong als van een panter wierp hij zich op een indiaansch krijgsman, die, geheel voorover gebogen, een voorgevoel scheen te hebben, dat er een vijand in aantocht was. De Indiaan werd snel achterover geworpen eer hij een kreet om hulp uiten kon. Goedsmoeds schroefde hem de keel toe, en zette hem de knie op de borst. Vervolgens ontblootte de jager met de uiterste koelbloedigheid zijn mes, en stootte het tot aan het hecht in het hart van zijn vijand. Zoodra de wilde zag dat hij verloren was, verwaardigde hij zich niet om een nutteloozen tegenstand te beproeven, maar op den Canadees een blik van haat en verachting werpende, plooide hij zijne lippen tot een spotlach, en wachtte hij met onverstoorbare kalmte den dood af. Goedsmoeds stak het mes weêr in zijn gordel, en het lichaam ver van zich schoppende, zeide hij: Dat ’s één! En hij kroop weêr voort.
Edelhart had de bewegingen van zijn vriend met de grootste aandacht gadegeslagen, gereed om hem in geval van nood bij te springen; toen de Indiaan dood was volgde hij weêr bedaard het spoor.
Weldra schitterde de glans van een groot vuur tusschen de boomen door, en de geur van gebraden vleesch bereikte het fijne reukorgaan der jagers. Zij richtten zich als twee schimmen langs een[39]ontzaglijken kurk-eik op, en den knoestigen stam omvattende, verborgen zij zich in zijne takken.
Toen zagen zij om zich heen. Zij hadden het gezicht op het kamp der Comanchen, dat zich ongeveer tien ellen van hen af bevond.