IV.

[Inhoud]IV.DE REIZIGERS.Ongeveer op hetzelfde uur, dat de pelsjagers de grot verlieten om het spoor der Comanchen op nieuw te volgen, en omstreeks twintig mijlen ver van de plaats waar deze zich bevonden, maakte een vrij aanzienlijke troep blanke reizigers halt aan de boorden der groote Canadasche rivier, en begonnen aldaar, op een plek die voor verrassing veilig was, de noodige toebereidselen om gedurende den nacht te kampeeren.De half-bloed jagers en Gambusinos, die den reizigers tot gidsen dienden, haastten zich om een twaalftal muilezels, door mexicaansche Lanceros begeleid, te ontpakken.Met de pakken vormden zij een ovaalronde omheining, binnen welke zij vuur ontstaken; en vervolgens, zonder zich meer om hunne reisgenooten te bekommeren, vereenigden de gidsen zich in een kleine groep, en maakten hun avondmaal gereed.Een jeugdig officier van vier of vijf en twintig jaar, met krijgshaftige houding, fijne en scherpe trekken, naderde eerbiedig een palankijn (draagstoel) met twee muilezels bespannen, en door twee ruiters begeleid.»Waar verlangt Uw Excellentie, dat men de tent derseñoritaopsla?” vroeg hij, het hoofd ontblootende.»Waar gij wilt, kapitein Aguilar, mits het spoedig geschiede; mijn nicht is doodelijk vermoeid,” antwoordde de ruiter, die zich rechts van de palankijn bevond.Dit was een hooge gestalte, met harde gelaatstrekken, en een helder, doordringend oog; zijne haren waren wit als de sneeuw van den Chimborazzo, en onder zijn wijden mantel, zag men de prachtige, van borduursel schitterende uniform van een Mexicaansch generaal.De kapitein verwijderde zich met een buiging, en tot de lanceros terugkeerende, gelastte hij hun in het midden van de omheining een fraaie, rood en blauw gestreepte tent op te slaan, die ingepakt op den rug van een muilezel lag.Vijf minuten later steeg de generaal af, bood galant de hand aan een jonge dame, die met een lichten sprong uit de palankijn wipte, en geleidde haar onder de tent, waar, door de zorg van kapitein[40]Aguilar, reeds alles in gereedheid was gebracht, om haar zooveel gemak te verschaffen als de omstandigheden maar toelieten.Achter den generaal en zijn nicht, traden nog twee personen de tent binnen.De eene was een kort, dik man, met een rood vollemaansgezicht, een groenen bril en een blonde pruik. Het mannetje dreigde te stikken in de uniform van officier van gezondheid in Mexicaansche dienst. Zijn ouderdom was een raadsel, maar hij scheen omstreeks vijftig jaar te zijn; zijn naam, Jerôme Boniface Durieux, duidde den Franschman aan. Van zijn paard stijgende had hij met zekeren eerbied een groot valies, dat achter aan den zadel van zijn paard was vastgemaakt en waarvan hij zich niet scheen te willen scheiden, onder den arm genomen.De andere was een jong meisje, of liever een kind van vijftien jaar, met een vroolijk en levendig gelaat, een wipneusje en een trotschen blik, van het ras der mestiezen. Zij diende als kamermeisje bij de nicht van den generaal.Een groote neger, pronkende met den verheven naam van Jupiter, haastte zich, om, door twee of drie Gambusinos geholpen, het souper gereed te maken.»Welnu, doctor,” zeide de generaal glimlachend tot het dikke mannetje, dat blazende zich op zijn valies nederzette, »hoe vindt gij mijn nicht van avond?”»Deseñoritais altijd even bekoorlijk,” antwoordde de doctor beleefd, zich het voorhoofd afwisschende; »vindt gij het drukkend warm?”»Wel neen,” zeide de generaal, »niet warmer dan anders.”»Dan zal ik het mij verbeeld hebben,” hernam de geneesheer met een zucht; »waarom lacht gij, leelijkert?” voegde hij er bij, zich tot het kamermeisje wendende, dat inderdaad bijna stikte van het lachen.»Let niet op die malle meid, doctor, gij weet wel dat het een kind is;” zeide de jonge dame met een bekoorlijken glimlach.»Ik heb u altijd gezegd,doñaLuz,” ging de geneesheer voort, zijne dikke wenkbrauwen fronsende en zijne wangen opblazende, »dat dit meisje een daemon is, dat gij veel te goed voor haar zijt, en dat zij u den een of anderen dag nog eens een leelijke poets zal spelen.”»Ooah!die leelijke steenenzoeker!” zeide de mestieze grijnzend, met toespeling op de liefhebberij van den doctor om delfstoffen te verzamelen.»Kom, kom laat ons den vrede bewaren,” zeide de generaal; »heeft de reis van heden u vermoeid, lieve nicht?”»Neen, niet erg,” antwoordde het meisje, een geeuw onderdrukkende; »sedert een maand bijna, dat wij op reis zijn, begin ik mij aan deze levenswijze te gewennen, die, ik beken het, in het begin weinig aantrekkelijks voor mij had.”[41]De generaal slaakte een zucht, maar antwoordde niet. De doctor was afgetrokken door de zorg, waarmede hij de planten en steenen sorteerde die hij in den loop van den dag bijeenverzameld had.De mestieze fladderde door de tent als een vogel, druk bezig met de verschillende voorwerpen, die haar meesteres mocht noodig hebben, in orde te brengen.Wij zullen ons dit oogenblik van stilte ten nutte maken om de jonge dame aan onze lezers voor te stellen.DoñaLuz de Bermudez was de dochter der jongste zuster van den generaal. Het was een bekoorlijk kind van nauwelijks zestien jaar. Hare groote zwarte oogen, overschaduwd door donkere wenkbrauwen, die scherp afstaken bij haar zuiver blank voorhoofd, verborgen hun verblindenden glans achter lange, fluweelen oogharen; haar klein mondje met ivoorwitte tanden versierd, was begrensd door twee koraalroode lippen, haar fijn vel had nog dat zachte dons van rijpe vruchten, en hare zwarte haarvlechten met blauwen weêrschijn vormden, wanneer ze loshingen, een sluier, die haar geheel lichaam onzichtbaar maakte.Hare gestalte was fijn en buigzaam; zij bezat in de hoogste mate die bevallig golvende beweging, die de Amerikaansche vrouwen onderscheidt; hare handen en voeten waren buitengewoon klein; haar gang had die losse zachtheid der kreolen, die zoozeer door bevalligheid uitmunt.In ’t kort, in dit jonge meisje waren alle vrouwelijke volmaaktheden vereenigd.Onwetend, even als hare landgenooten, was zij vroolijk en lachziek, met de minste nietigheid zich vermakende, en van het leven alleen de aangename zijde kennende.Maar dit schoone beeld leefde niet; het was Pandora, voordat Prometheus voor haar het vuur van den hemel gestolen had; en om onze mythologische vergelijking voort te zetten, de liefde had haar nog met geen vleugel aangeraakt, hare wenkbrauwen hadden zich nog niet gefronst onder den invloed van het nadenken, en haar hart had nog niet geklopt onder den prikkel der begeerte.Door de zorg van den generaal in een bijna kloosterachtige afzondering opgevoed, had zij deze slechts verlaten, om hem te volgen op den tocht, dien hij in de prairiën ondernomen had.Waartoe die tocht en waarom had hij zoo vurig verlangd, dat zij mede zou gaan? Daar bekommerde het meisje zich niet om.Gelukkig dat zij in de open lucht kon leven, onophoudelijk nieuwe landen kon zien, vrij kon zijn, ten minste in vergelijking met het leven dat zij tot dusverre geleid had, had zij niet verder onderzocht en ook niet gepoogd haar oom met onbescheiden vragen lastig te vallen. Op het tijdstip, dat wij haar ontmoeten, wasdoñaLuz een gelukkig kind, dat bij den dag leefde, zich in het heden gelukkig gevoelde, en nimmer aan de toekomst dacht.[42]De kapitein Aguilar trad binnen, gevolgd door Jupiter, die het eten bracht. De tafel werd gedekt door Phebe, het kamermeisje. Het maal bestond uit ingelegde vruchten en een gebraden hertenbout. Vier personen namen rondom de tafel plaats: de generaal, zijne nicht, de kapitein en de doctor. Jupiter en Phebe dienden. Het gesprek bleef onder het eerste gerecht kwijnende, maar toen de eetlust der gasten bedaard was, richtte het meisje, dat er genoegen in schepte om den doctor te plagen, tot dezen het woord:»Hebt gij vandaag een rijken oogst gehad, doctor?” vroeg zij.»’t Heeft niet over,Señorita,” antwoordde hij.»Nu,” zeide zij glimlachend, »het schijnt mij toe dat er steenen in overvloed zijn op onzen weg, en dat het slechts aan u gelegen heeft, om er een muilezel mede te beladen.”»Gij moest wel in uw schik zijn over uwe reis, zij biedt u de ruimste gelegenheid aan om u geheel aan uw hartstocht over te geven en allerlei planten bijeen te garen,” zeide de generaal.»Ik moet u bekennen, generaal, dat het mij niet medevalt; de prairie is niet zoo rijk als ik gedacht heb, en zoo ik niet hoopte eindelijk een plant te zullen ontdekken, welker eigenschappen van groot belang zijn voor de wetenschap, dan zou ik bijna mijn huisje te Guadeloupe betreuren, waar mijn leven kalm en rustig voorbij ging.”»Bah!” viel de kapitein hem in de rede, »wij zijn pas op de grenzen der prairie; gij zult eens zien, als wij er maar eerst wat dieper zijn ingedrongen, kunt gij onmogelijk al de schatten bijeen verzamelen, die gij op uw weg zult ontmoeten.”»God geve het, kapitein,” zeide de geleerde met een zucht; »als ik de plant, die ik zoek, maar terugvind, zal ik tevreden zijn.”»Dat is dan wel eene kostbare plant,” vroegdoñaLuz.»Kostbaar,Señorita?” riep de dikke doctor, die blijkbaar in vuur geraakte; »een plant die Linnaeus heeft beschreven en geclassificeerd, maar die niemand sedert teruggevonden heeft; een plant die mij beroemd kan maken, vraagt gij nog of die kostbaar is?”»Waartoe dient zij dan?” zeide het meisje nieuwsgierig.»Waartoe zij dient?”»Ja.”»Tot niets!” antwoordde de geleerde onschuldig.DoñaLuz barstte in een luid gelach los, op een toon die een nachtegaal jaloersch zou gemaakt hebben.»En noemt gij dat een kostbare plant?”»Ja, wegens hare zeldzaamheid.”»Ha!.… ja wel.”»Wij willen hopen dat gij haar vinden zult, doctor,” zeide de generaal, die hen met elkander verzoenen wilde; »Jupiter, roep den overste der gidsen eens.”De neger vertrok, en kwam weldra, door een gambusino gevolgd, weder binnen. Deze laatste was een man van een veertig jaar, en[43]sterk gebouwd; zijn gelaat was niet leelijk, maar had toch iets terugstootends, waarvan men zich moeielijk rekenschap kon geven; zijne vaalgrijze, loensche oogen, diep in hunne kassen verborgen, schitterden met een woesten glans; zijn laag voorhoofd, zijn kroeshaar en zijn kopertint vormden een geheel, dat niet zeer aantrekkelijk was. Hij droeg het costuum der woudloopers, was koel, stug en terughoudend, en antwoordde op den naam vanBabbelaar, dien de Indianen, of zijne makkers zelven, hem zeker bij wijze van tegenstelling gegeven hadden.»Hier, mijn dappere,” zeide de generaal, terwijl hij hem een glas overreikte, tot den rand toe gevuld met een soort van brandewijn, Mezcal geheeten, naar de plaats waar zij gestookt wordt, »drink dat uit.”De jager boog zich en ledigde het glas, dat bijna een kan inhield, in een enkelen teug: toen zijn snor met de hand afvegende, bleef hij staan wachten.»Ik denk eenige dagen op een veilige plaats te blijven vertoeven,” zeide de generaal, »ten einde mij zonder kommer of ongerustheid aan eenige nasporingen te kunnen wijden; zouden wij hier in veiligheid zijn?”Het oog van den gids tintelde; hij sloeg een gloeienden blik op den generaal, en antwoordde: »Neen.”»Waarom niet?”»Te veel Indianen en wilde beesten.”»Kent ge een betere plaats?”»Ja.”»Is zij ver?”»Neen.”»Hoe ver?”»Veertig mijlen.”»Hoeveel dagen hebben wij noodig, om er te komen?”»Drie.”»Goed, gij zult er ons brengen; morgen bij het opgaan der zon zullen wij ons op weg begeven.”»Is dat alles?”»Dat is alles.”»Goeden nacht.”En de gids vertrok.»Één ding prijs ik in den Babbelaar, namelijk dat zijne gesprekken niet vervelend zijn,” zeide de kapitein glimlachend.»Ik wilde liever, dat hij wat meer sprak,” zeide de doctor, het hoofd schuddende; »ik vertrouw die menschen niet, die altijd vreezen te veel te zeggen: het komt gewoonlijk, omdat zij iets te verbergen hebben.”De gids, toen hij de tent verlaten had, voegde zich weêr bij zijne makkers, met wie hij fluisterend begon te praten.[44]’t Was een schoone nacht. De reizigers zaten voor de tent, en spraken te zamen onder het rooken van een sigaar.DoñaLuz zong een dier bekoorlijke kreoolsche liederen, vol zoete melodieën. Eensklaps verscheen er een roodachtige gloed aan den horizont; met ieder oogenblik nam die toe, en een dof, aanhoudend geluid, aan het rollen van een verren donder gelijk, liet zich hooren.»Wat is dat?” riep de generaal, haastig opstaande.»Dat is de prairie, die in brand staat,” antwoordde de Babbelaar bedaard.Bij deze vreeselijke aankondiging, op zoo kalmen toon uitgesproken, geraakte alles in het kamp in beweging. Men moest in alle haast vluchten, wilde men geen gevaar loopen van levend verbrand te worden. Een der Gambusinos, van de wanorde gebruik makende, gleed tusschen de pakken door, en verdween in de vlakte, na een geheimzinnig teeken met den Babbelaar gewisseld te hebben.

[Inhoud]IV.DE REIZIGERS.Ongeveer op hetzelfde uur, dat de pelsjagers de grot verlieten om het spoor der Comanchen op nieuw te volgen, en omstreeks twintig mijlen ver van de plaats waar deze zich bevonden, maakte een vrij aanzienlijke troep blanke reizigers halt aan de boorden der groote Canadasche rivier, en begonnen aldaar, op een plek die voor verrassing veilig was, de noodige toebereidselen om gedurende den nacht te kampeeren.De half-bloed jagers en Gambusinos, die den reizigers tot gidsen dienden, haastten zich om een twaalftal muilezels, door mexicaansche Lanceros begeleid, te ontpakken.Met de pakken vormden zij een ovaalronde omheining, binnen welke zij vuur ontstaken; en vervolgens, zonder zich meer om hunne reisgenooten te bekommeren, vereenigden de gidsen zich in een kleine groep, en maakten hun avondmaal gereed.Een jeugdig officier van vier of vijf en twintig jaar, met krijgshaftige houding, fijne en scherpe trekken, naderde eerbiedig een palankijn (draagstoel) met twee muilezels bespannen, en door twee ruiters begeleid.»Waar verlangt Uw Excellentie, dat men de tent derseñoritaopsla?” vroeg hij, het hoofd ontblootende.»Waar gij wilt, kapitein Aguilar, mits het spoedig geschiede; mijn nicht is doodelijk vermoeid,” antwoordde de ruiter, die zich rechts van de palankijn bevond.Dit was een hooge gestalte, met harde gelaatstrekken, en een helder, doordringend oog; zijne haren waren wit als de sneeuw van den Chimborazzo, en onder zijn wijden mantel, zag men de prachtige, van borduursel schitterende uniform van een Mexicaansch generaal.De kapitein verwijderde zich met een buiging, en tot de lanceros terugkeerende, gelastte hij hun in het midden van de omheining een fraaie, rood en blauw gestreepte tent op te slaan, die ingepakt op den rug van een muilezel lag.Vijf minuten later steeg de generaal af, bood galant de hand aan een jonge dame, die met een lichten sprong uit de palankijn wipte, en geleidde haar onder de tent, waar, door de zorg van kapitein[40]Aguilar, reeds alles in gereedheid was gebracht, om haar zooveel gemak te verschaffen als de omstandigheden maar toelieten.Achter den generaal en zijn nicht, traden nog twee personen de tent binnen.De eene was een kort, dik man, met een rood vollemaansgezicht, een groenen bril en een blonde pruik. Het mannetje dreigde te stikken in de uniform van officier van gezondheid in Mexicaansche dienst. Zijn ouderdom was een raadsel, maar hij scheen omstreeks vijftig jaar te zijn; zijn naam, Jerôme Boniface Durieux, duidde den Franschman aan. Van zijn paard stijgende had hij met zekeren eerbied een groot valies, dat achter aan den zadel van zijn paard was vastgemaakt en waarvan hij zich niet scheen te willen scheiden, onder den arm genomen.De andere was een jong meisje, of liever een kind van vijftien jaar, met een vroolijk en levendig gelaat, een wipneusje en een trotschen blik, van het ras der mestiezen. Zij diende als kamermeisje bij de nicht van den generaal.Een groote neger, pronkende met den verheven naam van Jupiter, haastte zich, om, door twee of drie Gambusinos geholpen, het souper gereed te maken.»Welnu, doctor,” zeide de generaal glimlachend tot het dikke mannetje, dat blazende zich op zijn valies nederzette, »hoe vindt gij mijn nicht van avond?”»Deseñoritais altijd even bekoorlijk,” antwoordde de doctor beleefd, zich het voorhoofd afwisschende; »vindt gij het drukkend warm?”»Wel neen,” zeide de generaal, »niet warmer dan anders.”»Dan zal ik het mij verbeeld hebben,” hernam de geneesheer met een zucht; »waarom lacht gij, leelijkert?” voegde hij er bij, zich tot het kamermeisje wendende, dat inderdaad bijna stikte van het lachen.»Let niet op die malle meid, doctor, gij weet wel dat het een kind is;” zeide de jonge dame met een bekoorlijken glimlach.»Ik heb u altijd gezegd,doñaLuz,” ging de geneesheer voort, zijne dikke wenkbrauwen fronsende en zijne wangen opblazende, »dat dit meisje een daemon is, dat gij veel te goed voor haar zijt, en dat zij u den een of anderen dag nog eens een leelijke poets zal spelen.”»Ooah!die leelijke steenenzoeker!” zeide de mestieze grijnzend, met toespeling op de liefhebberij van den doctor om delfstoffen te verzamelen.»Kom, kom laat ons den vrede bewaren,” zeide de generaal; »heeft de reis van heden u vermoeid, lieve nicht?”»Neen, niet erg,” antwoordde het meisje, een geeuw onderdrukkende; »sedert een maand bijna, dat wij op reis zijn, begin ik mij aan deze levenswijze te gewennen, die, ik beken het, in het begin weinig aantrekkelijks voor mij had.”[41]De generaal slaakte een zucht, maar antwoordde niet. De doctor was afgetrokken door de zorg, waarmede hij de planten en steenen sorteerde die hij in den loop van den dag bijeenverzameld had.De mestieze fladderde door de tent als een vogel, druk bezig met de verschillende voorwerpen, die haar meesteres mocht noodig hebben, in orde te brengen.Wij zullen ons dit oogenblik van stilte ten nutte maken om de jonge dame aan onze lezers voor te stellen.DoñaLuz de Bermudez was de dochter der jongste zuster van den generaal. Het was een bekoorlijk kind van nauwelijks zestien jaar. Hare groote zwarte oogen, overschaduwd door donkere wenkbrauwen, die scherp afstaken bij haar zuiver blank voorhoofd, verborgen hun verblindenden glans achter lange, fluweelen oogharen; haar klein mondje met ivoorwitte tanden versierd, was begrensd door twee koraalroode lippen, haar fijn vel had nog dat zachte dons van rijpe vruchten, en hare zwarte haarvlechten met blauwen weêrschijn vormden, wanneer ze loshingen, een sluier, die haar geheel lichaam onzichtbaar maakte.Hare gestalte was fijn en buigzaam; zij bezat in de hoogste mate die bevallig golvende beweging, die de Amerikaansche vrouwen onderscheidt; hare handen en voeten waren buitengewoon klein; haar gang had die losse zachtheid der kreolen, die zoozeer door bevalligheid uitmunt.In ’t kort, in dit jonge meisje waren alle vrouwelijke volmaaktheden vereenigd.Onwetend, even als hare landgenooten, was zij vroolijk en lachziek, met de minste nietigheid zich vermakende, en van het leven alleen de aangename zijde kennende.Maar dit schoone beeld leefde niet; het was Pandora, voordat Prometheus voor haar het vuur van den hemel gestolen had; en om onze mythologische vergelijking voort te zetten, de liefde had haar nog met geen vleugel aangeraakt, hare wenkbrauwen hadden zich nog niet gefronst onder den invloed van het nadenken, en haar hart had nog niet geklopt onder den prikkel der begeerte.Door de zorg van den generaal in een bijna kloosterachtige afzondering opgevoed, had zij deze slechts verlaten, om hem te volgen op den tocht, dien hij in de prairiën ondernomen had.Waartoe die tocht en waarom had hij zoo vurig verlangd, dat zij mede zou gaan? Daar bekommerde het meisje zich niet om.Gelukkig dat zij in de open lucht kon leven, onophoudelijk nieuwe landen kon zien, vrij kon zijn, ten minste in vergelijking met het leven dat zij tot dusverre geleid had, had zij niet verder onderzocht en ook niet gepoogd haar oom met onbescheiden vragen lastig te vallen. Op het tijdstip, dat wij haar ontmoeten, wasdoñaLuz een gelukkig kind, dat bij den dag leefde, zich in het heden gelukkig gevoelde, en nimmer aan de toekomst dacht.[42]De kapitein Aguilar trad binnen, gevolgd door Jupiter, die het eten bracht. De tafel werd gedekt door Phebe, het kamermeisje. Het maal bestond uit ingelegde vruchten en een gebraden hertenbout. Vier personen namen rondom de tafel plaats: de generaal, zijne nicht, de kapitein en de doctor. Jupiter en Phebe dienden. Het gesprek bleef onder het eerste gerecht kwijnende, maar toen de eetlust der gasten bedaard was, richtte het meisje, dat er genoegen in schepte om den doctor te plagen, tot dezen het woord:»Hebt gij vandaag een rijken oogst gehad, doctor?” vroeg zij.»’t Heeft niet over,Señorita,” antwoordde hij.»Nu,” zeide zij glimlachend, »het schijnt mij toe dat er steenen in overvloed zijn op onzen weg, en dat het slechts aan u gelegen heeft, om er een muilezel mede te beladen.”»Gij moest wel in uw schik zijn over uwe reis, zij biedt u de ruimste gelegenheid aan om u geheel aan uw hartstocht over te geven en allerlei planten bijeen te garen,” zeide de generaal.»Ik moet u bekennen, generaal, dat het mij niet medevalt; de prairie is niet zoo rijk als ik gedacht heb, en zoo ik niet hoopte eindelijk een plant te zullen ontdekken, welker eigenschappen van groot belang zijn voor de wetenschap, dan zou ik bijna mijn huisje te Guadeloupe betreuren, waar mijn leven kalm en rustig voorbij ging.”»Bah!” viel de kapitein hem in de rede, »wij zijn pas op de grenzen der prairie; gij zult eens zien, als wij er maar eerst wat dieper zijn ingedrongen, kunt gij onmogelijk al de schatten bijeen verzamelen, die gij op uw weg zult ontmoeten.”»God geve het, kapitein,” zeide de geleerde met een zucht; »als ik de plant, die ik zoek, maar terugvind, zal ik tevreden zijn.”»Dat is dan wel eene kostbare plant,” vroegdoñaLuz.»Kostbaar,Señorita?” riep de dikke doctor, die blijkbaar in vuur geraakte; »een plant die Linnaeus heeft beschreven en geclassificeerd, maar die niemand sedert teruggevonden heeft; een plant die mij beroemd kan maken, vraagt gij nog of die kostbaar is?”»Waartoe dient zij dan?” zeide het meisje nieuwsgierig.»Waartoe zij dient?”»Ja.”»Tot niets!” antwoordde de geleerde onschuldig.DoñaLuz barstte in een luid gelach los, op een toon die een nachtegaal jaloersch zou gemaakt hebben.»En noemt gij dat een kostbare plant?”»Ja, wegens hare zeldzaamheid.”»Ha!.… ja wel.”»Wij willen hopen dat gij haar vinden zult, doctor,” zeide de generaal, die hen met elkander verzoenen wilde; »Jupiter, roep den overste der gidsen eens.”De neger vertrok, en kwam weldra, door een gambusino gevolgd, weder binnen. Deze laatste was een man van een veertig jaar, en[43]sterk gebouwd; zijn gelaat was niet leelijk, maar had toch iets terugstootends, waarvan men zich moeielijk rekenschap kon geven; zijne vaalgrijze, loensche oogen, diep in hunne kassen verborgen, schitterden met een woesten glans; zijn laag voorhoofd, zijn kroeshaar en zijn kopertint vormden een geheel, dat niet zeer aantrekkelijk was. Hij droeg het costuum der woudloopers, was koel, stug en terughoudend, en antwoordde op den naam vanBabbelaar, dien de Indianen, of zijne makkers zelven, hem zeker bij wijze van tegenstelling gegeven hadden.»Hier, mijn dappere,” zeide de generaal, terwijl hij hem een glas overreikte, tot den rand toe gevuld met een soort van brandewijn, Mezcal geheeten, naar de plaats waar zij gestookt wordt, »drink dat uit.”De jager boog zich en ledigde het glas, dat bijna een kan inhield, in een enkelen teug: toen zijn snor met de hand afvegende, bleef hij staan wachten.»Ik denk eenige dagen op een veilige plaats te blijven vertoeven,” zeide de generaal, »ten einde mij zonder kommer of ongerustheid aan eenige nasporingen te kunnen wijden; zouden wij hier in veiligheid zijn?”Het oog van den gids tintelde; hij sloeg een gloeienden blik op den generaal, en antwoordde: »Neen.”»Waarom niet?”»Te veel Indianen en wilde beesten.”»Kent ge een betere plaats?”»Ja.”»Is zij ver?”»Neen.”»Hoe ver?”»Veertig mijlen.”»Hoeveel dagen hebben wij noodig, om er te komen?”»Drie.”»Goed, gij zult er ons brengen; morgen bij het opgaan der zon zullen wij ons op weg begeven.”»Is dat alles?”»Dat is alles.”»Goeden nacht.”En de gids vertrok.»Één ding prijs ik in den Babbelaar, namelijk dat zijne gesprekken niet vervelend zijn,” zeide de kapitein glimlachend.»Ik wilde liever, dat hij wat meer sprak,” zeide de doctor, het hoofd schuddende; »ik vertrouw die menschen niet, die altijd vreezen te veel te zeggen: het komt gewoonlijk, omdat zij iets te verbergen hebben.”De gids, toen hij de tent verlaten had, voegde zich weêr bij zijne makkers, met wie hij fluisterend begon te praten.[44]’t Was een schoone nacht. De reizigers zaten voor de tent, en spraken te zamen onder het rooken van een sigaar.DoñaLuz zong een dier bekoorlijke kreoolsche liederen, vol zoete melodieën. Eensklaps verscheen er een roodachtige gloed aan den horizont; met ieder oogenblik nam die toe, en een dof, aanhoudend geluid, aan het rollen van een verren donder gelijk, liet zich hooren.»Wat is dat?” riep de generaal, haastig opstaande.»Dat is de prairie, die in brand staat,” antwoordde de Babbelaar bedaard.Bij deze vreeselijke aankondiging, op zoo kalmen toon uitgesproken, geraakte alles in het kamp in beweging. Men moest in alle haast vluchten, wilde men geen gevaar loopen van levend verbrand te worden. Een der Gambusinos, van de wanorde gebruik makende, gleed tusschen de pakken door, en verdween in de vlakte, na een geheimzinnig teeken met den Babbelaar gewisseld te hebben.

[Inhoud]IV.DE REIZIGERS.Ongeveer op hetzelfde uur, dat de pelsjagers de grot verlieten om het spoor der Comanchen op nieuw te volgen, en omstreeks twintig mijlen ver van de plaats waar deze zich bevonden, maakte een vrij aanzienlijke troep blanke reizigers halt aan de boorden der groote Canadasche rivier, en begonnen aldaar, op een plek die voor verrassing veilig was, de noodige toebereidselen om gedurende den nacht te kampeeren.De half-bloed jagers en Gambusinos, die den reizigers tot gidsen dienden, haastten zich om een twaalftal muilezels, door mexicaansche Lanceros begeleid, te ontpakken.Met de pakken vormden zij een ovaalronde omheining, binnen welke zij vuur ontstaken; en vervolgens, zonder zich meer om hunne reisgenooten te bekommeren, vereenigden de gidsen zich in een kleine groep, en maakten hun avondmaal gereed.Een jeugdig officier van vier of vijf en twintig jaar, met krijgshaftige houding, fijne en scherpe trekken, naderde eerbiedig een palankijn (draagstoel) met twee muilezels bespannen, en door twee ruiters begeleid.»Waar verlangt Uw Excellentie, dat men de tent derseñoritaopsla?” vroeg hij, het hoofd ontblootende.»Waar gij wilt, kapitein Aguilar, mits het spoedig geschiede; mijn nicht is doodelijk vermoeid,” antwoordde de ruiter, die zich rechts van de palankijn bevond.Dit was een hooge gestalte, met harde gelaatstrekken, en een helder, doordringend oog; zijne haren waren wit als de sneeuw van den Chimborazzo, en onder zijn wijden mantel, zag men de prachtige, van borduursel schitterende uniform van een Mexicaansch generaal.De kapitein verwijderde zich met een buiging, en tot de lanceros terugkeerende, gelastte hij hun in het midden van de omheining een fraaie, rood en blauw gestreepte tent op te slaan, die ingepakt op den rug van een muilezel lag.Vijf minuten later steeg de generaal af, bood galant de hand aan een jonge dame, die met een lichten sprong uit de palankijn wipte, en geleidde haar onder de tent, waar, door de zorg van kapitein[40]Aguilar, reeds alles in gereedheid was gebracht, om haar zooveel gemak te verschaffen als de omstandigheden maar toelieten.Achter den generaal en zijn nicht, traden nog twee personen de tent binnen.De eene was een kort, dik man, met een rood vollemaansgezicht, een groenen bril en een blonde pruik. Het mannetje dreigde te stikken in de uniform van officier van gezondheid in Mexicaansche dienst. Zijn ouderdom was een raadsel, maar hij scheen omstreeks vijftig jaar te zijn; zijn naam, Jerôme Boniface Durieux, duidde den Franschman aan. Van zijn paard stijgende had hij met zekeren eerbied een groot valies, dat achter aan den zadel van zijn paard was vastgemaakt en waarvan hij zich niet scheen te willen scheiden, onder den arm genomen.De andere was een jong meisje, of liever een kind van vijftien jaar, met een vroolijk en levendig gelaat, een wipneusje en een trotschen blik, van het ras der mestiezen. Zij diende als kamermeisje bij de nicht van den generaal.Een groote neger, pronkende met den verheven naam van Jupiter, haastte zich, om, door twee of drie Gambusinos geholpen, het souper gereed te maken.»Welnu, doctor,” zeide de generaal glimlachend tot het dikke mannetje, dat blazende zich op zijn valies nederzette, »hoe vindt gij mijn nicht van avond?”»Deseñoritais altijd even bekoorlijk,” antwoordde de doctor beleefd, zich het voorhoofd afwisschende; »vindt gij het drukkend warm?”»Wel neen,” zeide de generaal, »niet warmer dan anders.”»Dan zal ik het mij verbeeld hebben,” hernam de geneesheer met een zucht; »waarom lacht gij, leelijkert?” voegde hij er bij, zich tot het kamermeisje wendende, dat inderdaad bijna stikte van het lachen.»Let niet op die malle meid, doctor, gij weet wel dat het een kind is;” zeide de jonge dame met een bekoorlijken glimlach.»Ik heb u altijd gezegd,doñaLuz,” ging de geneesheer voort, zijne dikke wenkbrauwen fronsende en zijne wangen opblazende, »dat dit meisje een daemon is, dat gij veel te goed voor haar zijt, en dat zij u den een of anderen dag nog eens een leelijke poets zal spelen.”»Ooah!die leelijke steenenzoeker!” zeide de mestieze grijnzend, met toespeling op de liefhebberij van den doctor om delfstoffen te verzamelen.»Kom, kom laat ons den vrede bewaren,” zeide de generaal; »heeft de reis van heden u vermoeid, lieve nicht?”»Neen, niet erg,” antwoordde het meisje, een geeuw onderdrukkende; »sedert een maand bijna, dat wij op reis zijn, begin ik mij aan deze levenswijze te gewennen, die, ik beken het, in het begin weinig aantrekkelijks voor mij had.”[41]De generaal slaakte een zucht, maar antwoordde niet. De doctor was afgetrokken door de zorg, waarmede hij de planten en steenen sorteerde die hij in den loop van den dag bijeenverzameld had.De mestieze fladderde door de tent als een vogel, druk bezig met de verschillende voorwerpen, die haar meesteres mocht noodig hebben, in orde te brengen.Wij zullen ons dit oogenblik van stilte ten nutte maken om de jonge dame aan onze lezers voor te stellen.DoñaLuz de Bermudez was de dochter der jongste zuster van den generaal. Het was een bekoorlijk kind van nauwelijks zestien jaar. Hare groote zwarte oogen, overschaduwd door donkere wenkbrauwen, die scherp afstaken bij haar zuiver blank voorhoofd, verborgen hun verblindenden glans achter lange, fluweelen oogharen; haar klein mondje met ivoorwitte tanden versierd, was begrensd door twee koraalroode lippen, haar fijn vel had nog dat zachte dons van rijpe vruchten, en hare zwarte haarvlechten met blauwen weêrschijn vormden, wanneer ze loshingen, een sluier, die haar geheel lichaam onzichtbaar maakte.Hare gestalte was fijn en buigzaam; zij bezat in de hoogste mate die bevallig golvende beweging, die de Amerikaansche vrouwen onderscheidt; hare handen en voeten waren buitengewoon klein; haar gang had die losse zachtheid der kreolen, die zoozeer door bevalligheid uitmunt.In ’t kort, in dit jonge meisje waren alle vrouwelijke volmaaktheden vereenigd.Onwetend, even als hare landgenooten, was zij vroolijk en lachziek, met de minste nietigheid zich vermakende, en van het leven alleen de aangename zijde kennende.Maar dit schoone beeld leefde niet; het was Pandora, voordat Prometheus voor haar het vuur van den hemel gestolen had; en om onze mythologische vergelijking voort te zetten, de liefde had haar nog met geen vleugel aangeraakt, hare wenkbrauwen hadden zich nog niet gefronst onder den invloed van het nadenken, en haar hart had nog niet geklopt onder den prikkel der begeerte.Door de zorg van den generaal in een bijna kloosterachtige afzondering opgevoed, had zij deze slechts verlaten, om hem te volgen op den tocht, dien hij in de prairiën ondernomen had.Waartoe die tocht en waarom had hij zoo vurig verlangd, dat zij mede zou gaan? Daar bekommerde het meisje zich niet om.Gelukkig dat zij in de open lucht kon leven, onophoudelijk nieuwe landen kon zien, vrij kon zijn, ten minste in vergelijking met het leven dat zij tot dusverre geleid had, had zij niet verder onderzocht en ook niet gepoogd haar oom met onbescheiden vragen lastig te vallen. Op het tijdstip, dat wij haar ontmoeten, wasdoñaLuz een gelukkig kind, dat bij den dag leefde, zich in het heden gelukkig gevoelde, en nimmer aan de toekomst dacht.[42]De kapitein Aguilar trad binnen, gevolgd door Jupiter, die het eten bracht. De tafel werd gedekt door Phebe, het kamermeisje. Het maal bestond uit ingelegde vruchten en een gebraden hertenbout. Vier personen namen rondom de tafel plaats: de generaal, zijne nicht, de kapitein en de doctor. Jupiter en Phebe dienden. Het gesprek bleef onder het eerste gerecht kwijnende, maar toen de eetlust der gasten bedaard was, richtte het meisje, dat er genoegen in schepte om den doctor te plagen, tot dezen het woord:»Hebt gij vandaag een rijken oogst gehad, doctor?” vroeg zij.»’t Heeft niet over,Señorita,” antwoordde hij.»Nu,” zeide zij glimlachend, »het schijnt mij toe dat er steenen in overvloed zijn op onzen weg, en dat het slechts aan u gelegen heeft, om er een muilezel mede te beladen.”»Gij moest wel in uw schik zijn over uwe reis, zij biedt u de ruimste gelegenheid aan om u geheel aan uw hartstocht over te geven en allerlei planten bijeen te garen,” zeide de generaal.»Ik moet u bekennen, generaal, dat het mij niet medevalt; de prairie is niet zoo rijk als ik gedacht heb, en zoo ik niet hoopte eindelijk een plant te zullen ontdekken, welker eigenschappen van groot belang zijn voor de wetenschap, dan zou ik bijna mijn huisje te Guadeloupe betreuren, waar mijn leven kalm en rustig voorbij ging.”»Bah!” viel de kapitein hem in de rede, »wij zijn pas op de grenzen der prairie; gij zult eens zien, als wij er maar eerst wat dieper zijn ingedrongen, kunt gij onmogelijk al de schatten bijeen verzamelen, die gij op uw weg zult ontmoeten.”»God geve het, kapitein,” zeide de geleerde met een zucht; »als ik de plant, die ik zoek, maar terugvind, zal ik tevreden zijn.”»Dat is dan wel eene kostbare plant,” vroegdoñaLuz.»Kostbaar,Señorita?” riep de dikke doctor, die blijkbaar in vuur geraakte; »een plant die Linnaeus heeft beschreven en geclassificeerd, maar die niemand sedert teruggevonden heeft; een plant die mij beroemd kan maken, vraagt gij nog of die kostbaar is?”»Waartoe dient zij dan?” zeide het meisje nieuwsgierig.»Waartoe zij dient?”»Ja.”»Tot niets!” antwoordde de geleerde onschuldig.DoñaLuz barstte in een luid gelach los, op een toon die een nachtegaal jaloersch zou gemaakt hebben.»En noemt gij dat een kostbare plant?”»Ja, wegens hare zeldzaamheid.”»Ha!.… ja wel.”»Wij willen hopen dat gij haar vinden zult, doctor,” zeide de generaal, die hen met elkander verzoenen wilde; »Jupiter, roep den overste der gidsen eens.”De neger vertrok, en kwam weldra, door een gambusino gevolgd, weder binnen. Deze laatste was een man van een veertig jaar, en[43]sterk gebouwd; zijn gelaat was niet leelijk, maar had toch iets terugstootends, waarvan men zich moeielijk rekenschap kon geven; zijne vaalgrijze, loensche oogen, diep in hunne kassen verborgen, schitterden met een woesten glans; zijn laag voorhoofd, zijn kroeshaar en zijn kopertint vormden een geheel, dat niet zeer aantrekkelijk was. Hij droeg het costuum der woudloopers, was koel, stug en terughoudend, en antwoordde op den naam vanBabbelaar, dien de Indianen, of zijne makkers zelven, hem zeker bij wijze van tegenstelling gegeven hadden.»Hier, mijn dappere,” zeide de generaal, terwijl hij hem een glas overreikte, tot den rand toe gevuld met een soort van brandewijn, Mezcal geheeten, naar de plaats waar zij gestookt wordt, »drink dat uit.”De jager boog zich en ledigde het glas, dat bijna een kan inhield, in een enkelen teug: toen zijn snor met de hand afvegende, bleef hij staan wachten.»Ik denk eenige dagen op een veilige plaats te blijven vertoeven,” zeide de generaal, »ten einde mij zonder kommer of ongerustheid aan eenige nasporingen te kunnen wijden; zouden wij hier in veiligheid zijn?”Het oog van den gids tintelde; hij sloeg een gloeienden blik op den generaal, en antwoordde: »Neen.”»Waarom niet?”»Te veel Indianen en wilde beesten.”»Kent ge een betere plaats?”»Ja.”»Is zij ver?”»Neen.”»Hoe ver?”»Veertig mijlen.”»Hoeveel dagen hebben wij noodig, om er te komen?”»Drie.”»Goed, gij zult er ons brengen; morgen bij het opgaan der zon zullen wij ons op weg begeven.”»Is dat alles?”»Dat is alles.”»Goeden nacht.”En de gids vertrok.»Één ding prijs ik in den Babbelaar, namelijk dat zijne gesprekken niet vervelend zijn,” zeide de kapitein glimlachend.»Ik wilde liever, dat hij wat meer sprak,” zeide de doctor, het hoofd schuddende; »ik vertrouw die menschen niet, die altijd vreezen te veel te zeggen: het komt gewoonlijk, omdat zij iets te verbergen hebben.”De gids, toen hij de tent verlaten had, voegde zich weêr bij zijne makkers, met wie hij fluisterend begon te praten.[44]’t Was een schoone nacht. De reizigers zaten voor de tent, en spraken te zamen onder het rooken van een sigaar.DoñaLuz zong een dier bekoorlijke kreoolsche liederen, vol zoete melodieën. Eensklaps verscheen er een roodachtige gloed aan den horizont; met ieder oogenblik nam die toe, en een dof, aanhoudend geluid, aan het rollen van een verren donder gelijk, liet zich hooren.»Wat is dat?” riep de generaal, haastig opstaande.»Dat is de prairie, die in brand staat,” antwoordde de Babbelaar bedaard.Bij deze vreeselijke aankondiging, op zoo kalmen toon uitgesproken, geraakte alles in het kamp in beweging. Men moest in alle haast vluchten, wilde men geen gevaar loopen van levend verbrand te worden. Een der Gambusinos, van de wanorde gebruik makende, gleed tusschen de pakken door, en verdween in de vlakte, na een geheimzinnig teeken met den Babbelaar gewisseld te hebben.

IV.DE REIZIGERS.

Ongeveer op hetzelfde uur, dat de pelsjagers de grot verlieten om het spoor der Comanchen op nieuw te volgen, en omstreeks twintig mijlen ver van de plaats waar deze zich bevonden, maakte een vrij aanzienlijke troep blanke reizigers halt aan de boorden der groote Canadasche rivier, en begonnen aldaar, op een plek die voor verrassing veilig was, de noodige toebereidselen om gedurende den nacht te kampeeren.De half-bloed jagers en Gambusinos, die den reizigers tot gidsen dienden, haastten zich om een twaalftal muilezels, door mexicaansche Lanceros begeleid, te ontpakken.Met de pakken vormden zij een ovaalronde omheining, binnen welke zij vuur ontstaken; en vervolgens, zonder zich meer om hunne reisgenooten te bekommeren, vereenigden de gidsen zich in een kleine groep, en maakten hun avondmaal gereed.Een jeugdig officier van vier of vijf en twintig jaar, met krijgshaftige houding, fijne en scherpe trekken, naderde eerbiedig een palankijn (draagstoel) met twee muilezels bespannen, en door twee ruiters begeleid.»Waar verlangt Uw Excellentie, dat men de tent derseñoritaopsla?” vroeg hij, het hoofd ontblootende.»Waar gij wilt, kapitein Aguilar, mits het spoedig geschiede; mijn nicht is doodelijk vermoeid,” antwoordde de ruiter, die zich rechts van de palankijn bevond.Dit was een hooge gestalte, met harde gelaatstrekken, en een helder, doordringend oog; zijne haren waren wit als de sneeuw van den Chimborazzo, en onder zijn wijden mantel, zag men de prachtige, van borduursel schitterende uniform van een Mexicaansch generaal.De kapitein verwijderde zich met een buiging, en tot de lanceros terugkeerende, gelastte hij hun in het midden van de omheining een fraaie, rood en blauw gestreepte tent op te slaan, die ingepakt op den rug van een muilezel lag.Vijf minuten later steeg de generaal af, bood galant de hand aan een jonge dame, die met een lichten sprong uit de palankijn wipte, en geleidde haar onder de tent, waar, door de zorg van kapitein[40]Aguilar, reeds alles in gereedheid was gebracht, om haar zooveel gemak te verschaffen als de omstandigheden maar toelieten.Achter den generaal en zijn nicht, traden nog twee personen de tent binnen.De eene was een kort, dik man, met een rood vollemaansgezicht, een groenen bril en een blonde pruik. Het mannetje dreigde te stikken in de uniform van officier van gezondheid in Mexicaansche dienst. Zijn ouderdom was een raadsel, maar hij scheen omstreeks vijftig jaar te zijn; zijn naam, Jerôme Boniface Durieux, duidde den Franschman aan. Van zijn paard stijgende had hij met zekeren eerbied een groot valies, dat achter aan den zadel van zijn paard was vastgemaakt en waarvan hij zich niet scheen te willen scheiden, onder den arm genomen.De andere was een jong meisje, of liever een kind van vijftien jaar, met een vroolijk en levendig gelaat, een wipneusje en een trotschen blik, van het ras der mestiezen. Zij diende als kamermeisje bij de nicht van den generaal.Een groote neger, pronkende met den verheven naam van Jupiter, haastte zich, om, door twee of drie Gambusinos geholpen, het souper gereed te maken.»Welnu, doctor,” zeide de generaal glimlachend tot het dikke mannetje, dat blazende zich op zijn valies nederzette, »hoe vindt gij mijn nicht van avond?”»Deseñoritais altijd even bekoorlijk,” antwoordde de doctor beleefd, zich het voorhoofd afwisschende; »vindt gij het drukkend warm?”»Wel neen,” zeide de generaal, »niet warmer dan anders.”»Dan zal ik het mij verbeeld hebben,” hernam de geneesheer met een zucht; »waarom lacht gij, leelijkert?” voegde hij er bij, zich tot het kamermeisje wendende, dat inderdaad bijna stikte van het lachen.»Let niet op die malle meid, doctor, gij weet wel dat het een kind is;” zeide de jonge dame met een bekoorlijken glimlach.»Ik heb u altijd gezegd,doñaLuz,” ging de geneesheer voort, zijne dikke wenkbrauwen fronsende en zijne wangen opblazende, »dat dit meisje een daemon is, dat gij veel te goed voor haar zijt, en dat zij u den een of anderen dag nog eens een leelijke poets zal spelen.”»Ooah!die leelijke steenenzoeker!” zeide de mestieze grijnzend, met toespeling op de liefhebberij van den doctor om delfstoffen te verzamelen.»Kom, kom laat ons den vrede bewaren,” zeide de generaal; »heeft de reis van heden u vermoeid, lieve nicht?”»Neen, niet erg,” antwoordde het meisje, een geeuw onderdrukkende; »sedert een maand bijna, dat wij op reis zijn, begin ik mij aan deze levenswijze te gewennen, die, ik beken het, in het begin weinig aantrekkelijks voor mij had.”[41]De generaal slaakte een zucht, maar antwoordde niet. De doctor was afgetrokken door de zorg, waarmede hij de planten en steenen sorteerde die hij in den loop van den dag bijeenverzameld had.De mestieze fladderde door de tent als een vogel, druk bezig met de verschillende voorwerpen, die haar meesteres mocht noodig hebben, in orde te brengen.Wij zullen ons dit oogenblik van stilte ten nutte maken om de jonge dame aan onze lezers voor te stellen.DoñaLuz de Bermudez was de dochter der jongste zuster van den generaal. Het was een bekoorlijk kind van nauwelijks zestien jaar. Hare groote zwarte oogen, overschaduwd door donkere wenkbrauwen, die scherp afstaken bij haar zuiver blank voorhoofd, verborgen hun verblindenden glans achter lange, fluweelen oogharen; haar klein mondje met ivoorwitte tanden versierd, was begrensd door twee koraalroode lippen, haar fijn vel had nog dat zachte dons van rijpe vruchten, en hare zwarte haarvlechten met blauwen weêrschijn vormden, wanneer ze loshingen, een sluier, die haar geheel lichaam onzichtbaar maakte.Hare gestalte was fijn en buigzaam; zij bezat in de hoogste mate die bevallig golvende beweging, die de Amerikaansche vrouwen onderscheidt; hare handen en voeten waren buitengewoon klein; haar gang had die losse zachtheid der kreolen, die zoozeer door bevalligheid uitmunt.In ’t kort, in dit jonge meisje waren alle vrouwelijke volmaaktheden vereenigd.Onwetend, even als hare landgenooten, was zij vroolijk en lachziek, met de minste nietigheid zich vermakende, en van het leven alleen de aangename zijde kennende.Maar dit schoone beeld leefde niet; het was Pandora, voordat Prometheus voor haar het vuur van den hemel gestolen had; en om onze mythologische vergelijking voort te zetten, de liefde had haar nog met geen vleugel aangeraakt, hare wenkbrauwen hadden zich nog niet gefronst onder den invloed van het nadenken, en haar hart had nog niet geklopt onder den prikkel der begeerte.Door de zorg van den generaal in een bijna kloosterachtige afzondering opgevoed, had zij deze slechts verlaten, om hem te volgen op den tocht, dien hij in de prairiën ondernomen had.Waartoe die tocht en waarom had hij zoo vurig verlangd, dat zij mede zou gaan? Daar bekommerde het meisje zich niet om.Gelukkig dat zij in de open lucht kon leven, onophoudelijk nieuwe landen kon zien, vrij kon zijn, ten minste in vergelijking met het leven dat zij tot dusverre geleid had, had zij niet verder onderzocht en ook niet gepoogd haar oom met onbescheiden vragen lastig te vallen. Op het tijdstip, dat wij haar ontmoeten, wasdoñaLuz een gelukkig kind, dat bij den dag leefde, zich in het heden gelukkig gevoelde, en nimmer aan de toekomst dacht.[42]De kapitein Aguilar trad binnen, gevolgd door Jupiter, die het eten bracht. De tafel werd gedekt door Phebe, het kamermeisje. Het maal bestond uit ingelegde vruchten en een gebraden hertenbout. Vier personen namen rondom de tafel plaats: de generaal, zijne nicht, de kapitein en de doctor. Jupiter en Phebe dienden. Het gesprek bleef onder het eerste gerecht kwijnende, maar toen de eetlust der gasten bedaard was, richtte het meisje, dat er genoegen in schepte om den doctor te plagen, tot dezen het woord:»Hebt gij vandaag een rijken oogst gehad, doctor?” vroeg zij.»’t Heeft niet over,Señorita,” antwoordde hij.»Nu,” zeide zij glimlachend, »het schijnt mij toe dat er steenen in overvloed zijn op onzen weg, en dat het slechts aan u gelegen heeft, om er een muilezel mede te beladen.”»Gij moest wel in uw schik zijn over uwe reis, zij biedt u de ruimste gelegenheid aan om u geheel aan uw hartstocht over te geven en allerlei planten bijeen te garen,” zeide de generaal.»Ik moet u bekennen, generaal, dat het mij niet medevalt; de prairie is niet zoo rijk als ik gedacht heb, en zoo ik niet hoopte eindelijk een plant te zullen ontdekken, welker eigenschappen van groot belang zijn voor de wetenschap, dan zou ik bijna mijn huisje te Guadeloupe betreuren, waar mijn leven kalm en rustig voorbij ging.”»Bah!” viel de kapitein hem in de rede, »wij zijn pas op de grenzen der prairie; gij zult eens zien, als wij er maar eerst wat dieper zijn ingedrongen, kunt gij onmogelijk al de schatten bijeen verzamelen, die gij op uw weg zult ontmoeten.”»God geve het, kapitein,” zeide de geleerde met een zucht; »als ik de plant, die ik zoek, maar terugvind, zal ik tevreden zijn.”»Dat is dan wel eene kostbare plant,” vroegdoñaLuz.»Kostbaar,Señorita?” riep de dikke doctor, die blijkbaar in vuur geraakte; »een plant die Linnaeus heeft beschreven en geclassificeerd, maar die niemand sedert teruggevonden heeft; een plant die mij beroemd kan maken, vraagt gij nog of die kostbaar is?”»Waartoe dient zij dan?” zeide het meisje nieuwsgierig.»Waartoe zij dient?”»Ja.”»Tot niets!” antwoordde de geleerde onschuldig.DoñaLuz barstte in een luid gelach los, op een toon die een nachtegaal jaloersch zou gemaakt hebben.»En noemt gij dat een kostbare plant?”»Ja, wegens hare zeldzaamheid.”»Ha!.… ja wel.”»Wij willen hopen dat gij haar vinden zult, doctor,” zeide de generaal, die hen met elkander verzoenen wilde; »Jupiter, roep den overste der gidsen eens.”De neger vertrok, en kwam weldra, door een gambusino gevolgd, weder binnen. Deze laatste was een man van een veertig jaar, en[43]sterk gebouwd; zijn gelaat was niet leelijk, maar had toch iets terugstootends, waarvan men zich moeielijk rekenschap kon geven; zijne vaalgrijze, loensche oogen, diep in hunne kassen verborgen, schitterden met een woesten glans; zijn laag voorhoofd, zijn kroeshaar en zijn kopertint vormden een geheel, dat niet zeer aantrekkelijk was. Hij droeg het costuum der woudloopers, was koel, stug en terughoudend, en antwoordde op den naam vanBabbelaar, dien de Indianen, of zijne makkers zelven, hem zeker bij wijze van tegenstelling gegeven hadden.»Hier, mijn dappere,” zeide de generaal, terwijl hij hem een glas overreikte, tot den rand toe gevuld met een soort van brandewijn, Mezcal geheeten, naar de plaats waar zij gestookt wordt, »drink dat uit.”De jager boog zich en ledigde het glas, dat bijna een kan inhield, in een enkelen teug: toen zijn snor met de hand afvegende, bleef hij staan wachten.»Ik denk eenige dagen op een veilige plaats te blijven vertoeven,” zeide de generaal, »ten einde mij zonder kommer of ongerustheid aan eenige nasporingen te kunnen wijden; zouden wij hier in veiligheid zijn?”Het oog van den gids tintelde; hij sloeg een gloeienden blik op den generaal, en antwoordde: »Neen.”»Waarom niet?”»Te veel Indianen en wilde beesten.”»Kent ge een betere plaats?”»Ja.”»Is zij ver?”»Neen.”»Hoe ver?”»Veertig mijlen.”»Hoeveel dagen hebben wij noodig, om er te komen?”»Drie.”»Goed, gij zult er ons brengen; morgen bij het opgaan der zon zullen wij ons op weg begeven.”»Is dat alles?”»Dat is alles.”»Goeden nacht.”En de gids vertrok.»Één ding prijs ik in den Babbelaar, namelijk dat zijne gesprekken niet vervelend zijn,” zeide de kapitein glimlachend.»Ik wilde liever, dat hij wat meer sprak,” zeide de doctor, het hoofd schuddende; »ik vertrouw die menschen niet, die altijd vreezen te veel te zeggen: het komt gewoonlijk, omdat zij iets te verbergen hebben.”De gids, toen hij de tent verlaten had, voegde zich weêr bij zijne makkers, met wie hij fluisterend begon te praten.[44]’t Was een schoone nacht. De reizigers zaten voor de tent, en spraken te zamen onder het rooken van een sigaar.DoñaLuz zong een dier bekoorlijke kreoolsche liederen, vol zoete melodieën. Eensklaps verscheen er een roodachtige gloed aan den horizont; met ieder oogenblik nam die toe, en een dof, aanhoudend geluid, aan het rollen van een verren donder gelijk, liet zich hooren.»Wat is dat?” riep de generaal, haastig opstaande.»Dat is de prairie, die in brand staat,” antwoordde de Babbelaar bedaard.Bij deze vreeselijke aankondiging, op zoo kalmen toon uitgesproken, geraakte alles in het kamp in beweging. Men moest in alle haast vluchten, wilde men geen gevaar loopen van levend verbrand te worden. Een der Gambusinos, van de wanorde gebruik makende, gleed tusschen de pakken door, en verdween in de vlakte, na een geheimzinnig teeken met den Babbelaar gewisseld te hebben.

Ongeveer op hetzelfde uur, dat de pelsjagers de grot verlieten om het spoor der Comanchen op nieuw te volgen, en omstreeks twintig mijlen ver van de plaats waar deze zich bevonden, maakte een vrij aanzienlijke troep blanke reizigers halt aan de boorden der groote Canadasche rivier, en begonnen aldaar, op een plek die voor verrassing veilig was, de noodige toebereidselen om gedurende den nacht te kampeeren.

De half-bloed jagers en Gambusinos, die den reizigers tot gidsen dienden, haastten zich om een twaalftal muilezels, door mexicaansche Lanceros begeleid, te ontpakken.

Met de pakken vormden zij een ovaalronde omheining, binnen welke zij vuur ontstaken; en vervolgens, zonder zich meer om hunne reisgenooten te bekommeren, vereenigden de gidsen zich in een kleine groep, en maakten hun avondmaal gereed.

Een jeugdig officier van vier of vijf en twintig jaar, met krijgshaftige houding, fijne en scherpe trekken, naderde eerbiedig een palankijn (draagstoel) met twee muilezels bespannen, en door twee ruiters begeleid.

»Waar verlangt Uw Excellentie, dat men de tent derseñoritaopsla?” vroeg hij, het hoofd ontblootende.

»Waar gij wilt, kapitein Aguilar, mits het spoedig geschiede; mijn nicht is doodelijk vermoeid,” antwoordde de ruiter, die zich rechts van de palankijn bevond.

Dit was een hooge gestalte, met harde gelaatstrekken, en een helder, doordringend oog; zijne haren waren wit als de sneeuw van den Chimborazzo, en onder zijn wijden mantel, zag men de prachtige, van borduursel schitterende uniform van een Mexicaansch generaal.

De kapitein verwijderde zich met een buiging, en tot de lanceros terugkeerende, gelastte hij hun in het midden van de omheining een fraaie, rood en blauw gestreepte tent op te slaan, die ingepakt op den rug van een muilezel lag.

Vijf minuten later steeg de generaal af, bood galant de hand aan een jonge dame, die met een lichten sprong uit de palankijn wipte, en geleidde haar onder de tent, waar, door de zorg van kapitein[40]Aguilar, reeds alles in gereedheid was gebracht, om haar zooveel gemak te verschaffen als de omstandigheden maar toelieten.

Achter den generaal en zijn nicht, traden nog twee personen de tent binnen.

De eene was een kort, dik man, met een rood vollemaansgezicht, een groenen bril en een blonde pruik. Het mannetje dreigde te stikken in de uniform van officier van gezondheid in Mexicaansche dienst. Zijn ouderdom was een raadsel, maar hij scheen omstreeks vijftig jaar te zijn; zijn naam, Jerôme Boniface Durieux, duidde den Franschman aan. Van zijn paard stijgende had hij met zekeren eerbied een groot valies, dat achter aan den zadel van zijn paard was vastgemaakt en waarvan hij zich niet scheen te willen scheiden, onder den arm genomen.

De andere was een jong meisje, of liever een kind van vijftien jaar, met een vroolijk en levendig gelaat, een wipneusje en een trotschen blik, van het ras der mestiezen. Zij diende als kamermeisje bij de nicht van den generaal.

Een groote neger, pronkende met den verheven naam van Jupiter, haastte zich, om, door twee of drie Gambusinos geholpen, het souper gereed te maken.

»Welnu, doctor,” zeide de generaal glimlachend tot het dikke mannetje, dat blazende zich op zijn valies nederzette, »hoe vindt gij mijn nicht van avond?”

»Deseñoritais altijd even bekoorlijk,” antwoordde de doctor beleefd, zich het voorhoofd afwisschende; »vindt gij het drukkend warm?”

»Wel neen,” zeide de generaal, »niet warmer dan anders.”

»Dan zal ik het mij verbeeld hebben,” hernam de geneesheer met een zucht; »waarom lacht gij, leelijkert?” voegde hij er bij, zich tot het kamermeisje wendende, dat inderdaad bijna stikte van het lachen.

»Let niet op die malle meid, doctor, gij weet wel dat het een kind is;” zeide de jonge dame met een bekoorlijken glimlach.

»Ik heb u altijd gezegd,doñaLuz,” ging de geneesheer voort, zijne dikke wenkbrauwen fronsende en zijne wangen opblazende, »dat dit meisje een daemon is, dat gij veel te goed voor haar zijt, en dat zij u den een of anderen dag nog eens een leelijke poets zal spelen.”

»Ooah!die leelijke steenenzoeker!” zeide de mestieze grijnzend, met toespeling op de liefhebberij van den doctor om delfstoffen te verzamelen.

»Kom, kom laat ons den vrede bewaren,” zeide de generaal; »heeft de reis van heden u vermoeid, lieve nicht?”

»Neen, niet erg,” antwoordde het meisje, een geeuw onderdrukkende; »sedert een maand bijna, dat wij op reis zijn, begin ik mij aan deze levenswijze te gewennen, die, ik beken het, in het begin weinig aantrekkelijks voor mij had.”[41]

De generaal slaakte een zucht, maar antwoordde niet. De doctor was afgetrokken door de zorg, waarmede hij de planten en steenen sorteerde die hij in den loop van den dag bijeenverzameld had.

De mestieze fladderde door de tent als een vogel, druk bezig met de verschillende voorwerpen, die haar meesteres mocht noodig hebben, in orde te brengen.

Wij zullen ons dit oogenblik van stilte ten nutte maken om de jonge dame aan onze lezers voor te stellen.

DoñaLuz de Bermudez was de dochter der jongste zuster van den generaal. Het was een bekoorlijk kind van nauwelijks zestien jaar. Hare groote zwarte oogen, overschaduwd door donkere wenkbrauwen, die scherp afstaken bij haar zuiver blank voorhoofd, verborgen hun verblindenden glans achter lange, fluweelen oogharen; haar klein mondje met ivoorwitte tanden versierd, was begrensd door twee koraalroode lippen, haar fijn vel had nog dat zachte dons van rijpe vruchten, en hare zwarte haarvlechten met blauwen weêrschijn vormden, wanneer ze loshingen, een sluier, die haar geheel lichaam onzichtbaar maakte.

Hare gestalte was fijn en buigzaam; zij bezat in de hoogste mate die bevallig golvende beweging, die de Amerikaansche vrouwen onderscheidt; hare handen en voeten waren buitengewoon klein; haar gang had die losse zachtheid der kreolen, die zoozeer door bevalligheid uitmunt.

In ’t kort, in dit jonge meisje waren alle vrouwelijke volmaaktheden vereenigd.

Onwetend, even als hare landgenooten, was zij vroolijk en lachziek, met de minste nietigheid zich vermakende, en van het leven alleen de aangename zijde kennende.

Maar dit schoone beeld leefde niet; het was Pandora, voordat Prometheus voor haar het vuur van den hemel gestolen had; en om onze mythologische vergelijking voort te zetten, de liefde had haar nog met geen vleugel aangeraakt, hare wenkbrauwen hadden zich nog niet gefronst onder den invloed van het nadenken, en haar hart had nog niet geklopt onder den prikkel der begeerte.

Door de zorg van den generaal in een bijna kloosterachtige afzondering opgevoed, had zij deze slechts verlaten, om hem te volgen op den tocht, dien hij in de prairiën ondernomen had.

Waartoe die tocht en waarom had hij zoo vurig verlangd, dat zij mede zou gaan? Daar bekommerde het meisje zich niet om.

Gelukkig dat zij in de open lucht kon leven, onophoudelijk nieuwe landen kon zien, vrij kon zijn, ten minste in vergelijking met het leven dat zij tot dusverre geleid had, had zij niet verder onderzocht en ook niet gepoogd haar oom met onbescheiden vragen lastig te vallen. Op het tijdstip, dat wij haar ontmoeten, wasdoñaLuz een gelukkig kind, dat bij den dag leefde, zich in het heden gelukkig gevoelde, en nimmer aan de toekomst dacht.[42]

De kapitein Aguilar trad binnen, gevolgd door Jupiter, die het eten bracht. De tafel werd gedekt door Phebe, het kamermeisje. Het maal bestond uit ingelegde vruchten en een gebraden hertenbout. Vier personen namen rondom de tafel plaats: de generaal, zijne nicht, de kapitein en de doctor. Jupiter en Phebe dienden. Het gesprek bleef onder het eerste gerecht kwijnende, maar toen de eetlust der gasten bedaard was, richtte het meisje, dat er genoegen in schepte om den doctor te plagen, tot dezen het woord:

»Hebt gij vandaag een rijken oogst gehad, doctor?” vroeg zij.

»’t Heeft niet over,Señorita,” antwoordde hij.

»Nu,” zeide zij glimlachend, »het schijnt mij toe dat er steenen in overvloed zijn op onzen weg, en dat het slechts aan u gelegen heeft, om er een muilezel mede te beladen.”

»Gij moest wel in uw schik zijn over uwe reis, zij biedt u de ruimste gelegenheid aan om u geheel aan uw hartstocht over te geven en allerlei planten bijeen te garen,” zeide de generaal.

»Ik moet u bekennen, generaal, dat het mij niet medevalt; de prairie is niet zoo rijk als ik gedacht heb, en zoo ik niet hoopte eindelijk een plant te zullen ontdekken, welker eigenschappen van groot belang zijn voor de wetenschap, dan zou ik bijna mijn huisje te Guadeloupe betreuren, waar mijn leven kalm en rustig voorbij ging.”

»Bah!” viel de kapitein hem in de rede, »wij zijn pas op de grenzen der prairie; gij zult eens zien, als wij er maar eerst wat dieper zijn ingedrongen, kunt gij onmogelijk al de schatten bijeen verzamelen, die gij op uw weg zult ontmoeten.”

»God geve het, kapitein,” zeide de geleerde met een zucht; »als ik de plant, die ik zoek, maar terugvind, zal ik tevreden zijn.”

»Dat is dan wel eene kostbare plant,” vroegdoñaLuz.

»Kostbaar,Señorita?” riep de dikke doctor, die blijkbaar in vuur geraakte; »een plant die Linnaeus heeft beschreven en geclassificeerd, maar die niemand sedert teruggevonden heeft; een plant die mij beroemd kan maken, vraagt gij nog of die kostbaar is?”

»Waartoe dient zij dan?” zeide het meisje nieuwsgierig.

»Waartoe zij dient?”

»Ja.”

»Tot niets!” antwoordde de geleerde onschuldig.

DoñaLuz barstte in een luid gelach los, op een toon die een nachtegaal jaloersch zou gemaakt hebben.

»En noemt gij dat een kostbare plant?”

»Ja, wegens hare zeldzaamheid.”

»Ha!.… ja wel.”

»Wij willen hopen dat gij haar vinden zult, doctor,” zeide de generaal, die hen met elkander verzoenen wilde; »Jupiter, roep den overste der gidsen eens.”

De neger vertrok, en kwam weldra, door een gambusino gevolgd, weder binnen. Deze laatste was een man van een veertig jaar, en[43]sterk gebouwd; zijn gelaat was niet leelijk, maar had toch iets terugstootends, waarvan men zich moeielijk rekenschap kon geven; zijne vaalgrijze, loensche oogen, diep in hunne kassen verborgen, schitterden met een woesten glans; zijn laag voorhoofd, zijn kroeshaar en zijn kopertint vormden een geheel, dat niet zeer aantrekkelijk was. Hij droeg het costuum der woudloopers, was koel, stug en terughoudend, en antwoordde op den naam vanBabbelaar, dien de Indianen, of zijne makkers zelven, hem zeker bij wijze van tegenstelling gegeven hadden.

»Hier, mijn dappere,” zeide de generaal, terwijl hij hem een glas overreikte, tot den rand toe gevuld met een soort van brandewijn, Mezcal geheeten, naar de plaats waar zij gestookt wordt, »drink dat uit.”

De jager boog zich en ledigde het glas, dat bijna een kan inhield, in een enkelen teug: toen zijn snor met de hand afvegende, bleef hij staan wachten.

»Ik denk eenige dagen op een veilige plaats te blijven vertoeven,” zeide de generaal, »ten einde mij zonder kommer of ongerustheid aan eenige nasporingen te kunnen wijden; zouden wij hier in veiligheid zijn?”

Het oog van den gids tintelde; hij sloeg een gloeienden blik op den generaal, en antwoordde: »Neen.”

»Waarom niet?”

»Te veel Indianen en wilde beesten.”

»Kent ge een betere plaats?”

»Ja.”

»Is zij ver?”

»Neen.”

»Hoe ver?”

»Veertig mijlen.”

»Hoeveel dagen hebben wij noodig, om er te komen?”

»Drie.”

»Goed, gij zult er ons brengen; morgen bij het opgaan der zon zullen wij ons op weg begeven.”

»Is dat alles?”

»Dat is alles.”

»Goeden nacht.”

En de gids vertrok.

»Één ding prijs ik in den Babbelaar, namelijk dat zijne gesprekken niet vervelend zijn,” zeide de kapitein glimlachend.

»Ik wilde liever, dat hij wat meer sprak,” zeide de doctor, het hoofd schuddende; »ik vertrouw die menschen niet, die altijd vreezen te veel te zeggen: het komt gewoonlijk, omdat zij iets te verbergen hebben.”

De gids, toen hij de tent verlaten had, voegde zich weêr bij zijne makkers, met wie hij fluisterend begon te praten.[44]

’t Was een schoone nacht. De reizigers zaten voor de tent, en spraken te zamen onder het rooken van een sigaar.DoñaLuz zong een dier bekoorlijke kreoolsche liederen, vol zoete melodieën. Eensklaps verscheen er een roodachtige gloed aan den horizont; met ieder oogenblik nam die toe, en een dof, aanhoudend geluid, aan het rollen van een verren donder gelijk, liet zich hooren.

»Wat is dat?” riep de generaal, haastig opstaande.

»Dat is de prairie, die in brand staat,” antwoordde de Babbelaar bedaard.

Bij deze vreeselijke aankondiging, op zoo kalmen toon uitgesproken, geraakte alles in het kamp in beweging. Men moest in alle haast vluchten, wilde men geen gevaar loopen van levend verbrand te worden. Een der Gambusinos, van de wanorde gebruik makende, gleed tusschen de pakken door, en verdween in de vlakte, na een geheimzinnig teeken met den Babbelaar gewisseld te hebben.


Back to IndexNext