[Inhoud]III.DE ZELFOPOFFERING.Zooals wij vroeger reeds gezegd hebben, had de doctor met een boodschap vandoñaLuz aan den Zwarten Eland belast, het kamp der Mexicanen verlaten.Gelijk vele geleerden was hij van nature zeer afgetrokken, ofschoon met de beste bedoelingen van de wereld.Gedurende de eerste oogenblikken spande hij al zijne denkkracht in om de beteekenis te raden der in zijn oog zoo geheimzinnige woorden, die hij voor den pelsjager moest uitspreken.Hij begreep niet welke hulp zijne vrienden verwachten konden van een halven wilde, die eenzaam in de prairie leefde en met jagen in zijn onderhoud voorzag. Zoo hij de zending dan ook terstond had aangenomen, was het alleen omdat hij zich zoo innig aan de nicht van den generaal gehecht gevoelde, want eenigen goeden uitslag verwachtte hij er niet van. In de overtuiging, dat zijne zending geheel nutteloos was, reed hij niet, gelijk hij had moeten doen, regelrecht en op een draf naar detoldovan den Zwarten Eland; maar hij steeg af, nam zijn paard bij den toom en ging aan het zoeken van planten, eene bezigheid waarin hij zich weldra geheel verdiepte, zoodat hij de aanbeveling vandoñaLuz en de reden, waarom hij het kamp verlaten had, volkomen vergat.De tijd stond echter niet stil, de dag was reeds half verstreken; de doctor, die reeds lang terug had moeten zijn, was nog niet verschenen.Een groote angst heerschte in het kamp der Mexicanen. De generaal en de kapitein hadden alles geregeld om het tegen een aanval te kunnen verdedigen. Er daagde niets op. In den omtrek bleef alles bedaard; de Mexicanen geloofden bijna, dat zij door een valsch alarm waren verschrikt.[138]DoñaLuz alleen voelde hare ongerustheid met ieder oogenblik toenemen; met de oogen naar de vlakte gericht, zag zij vergeefs uit naar den kant, van waar haar boodschapper moest terugkomen. Eensklaps scheen het, dat het hooge gras der prairie een golvende beweging aannam, waarvan de oorzaak onzichtbaar was. De lucht werd door geen enkel koeltje bewogen, het was drukkend warm; de bladeren, door de zonnestralen verbrand, waren onbewegelijk; het hooge gras alleen ging voort langzaam en geheimzinnig te wuiven. En, wat vooral vreemd was, deze bijna onmerkbare beweging, die slechts een geoefend oog kon waarnemen was niet algemeen; integendeel, zij was voortgaande en naderde het kamp met eene regelmatigheid, die eene door overleg bestuurde beweegkracht deed vermoeden; naarmate toch de beweging zich aan de meer nabijzijnde halmen mededeelde, vervielen de achtersten weder in een volkomen rust, die verder door niets werd afgebroken.De wachten, die op de wallen stonden, wisten niet waaraan zij deze onbegrijpelijke beweging moesten toeschrijven. De generaal, als een gehard soldaat, besloot de zaak te onderzoeken; hoewel hij nooit persoonlijk met de Indianen in aanraking was geweest, had hij toch te veel van hunne manier van vechten gehoord, om hier niet eenige achterdocht te koesteren. Het kamp, dat al zijne verdedigers noodig had, niet van manschappen willende berooven, besloot hij om zelf het avontuur te wagen, en op verkenning uit te gaan.Toen hij zich gereed maakte om over de wallen heen te klouteren, hield de kapitein hem staande, en legde hem eerbiedig den arm op den schouder.»Wat wilt gij van mij, mijn vriend?” vroeg de generaal, zich omkeerende.»Ik zou, met uw verlof, wel een vraag tot u willen richten, generaal,” antwoordde de jongeling.»Doe zoo.”»Gij verlaat het kamp, niet waar?”»Ja.”»Zeker om op verkenning uit te gaan?”»Om op verkenning uit te gaan, ja.”»Dan, generaal, ben ik het aan wien de eer van die taak toekomt.”»Waarom?” zeide de generaal verbaasd.»Hemel, generaal, dat is zeer eenvoudig; ik ben maar een arme duivel, een subaltern officier, die alles aan u verplicht ben.”»Verder?”»Het gevaar waaraan ik mij zal blootstellen zoo er gevaar is, zal niets afdoen tot den goeden uitslag der onderneming; terwijl indien.…”»Terwijl indien …?”»Indien gij gedood wordt?”De generaal maakte een afwijzende beweging.[139]»Ja, men moet alles voorzien,” vervolgde de kapitein, »als men zulke tegenstanders heeft.”»Dat is waar; maar dan nog?”»Wel, onze tocht zal mislukt zijn, en geen onzer zal de beschaafde wereld wederzien. Gij zijt het hoofd, wij anderen, wij zijn slechts ledematen; blijf dus in het kamp.”De generaal dacht eenige oogenblikken na; vervolgens de hand van den jongeling met hartelijkheid drukkende, zeide hij:»Ik ben u zeer verplicht, maar ik moet met eigen oogen zien wat men tegen ons beraamt. De zaak is te ernstig dan dat ik mij op u mag verlaten.”»Neen, gij moet blijven, generaal,” drong de kapitein bij hem aan; »is het niet voor ons, laat het dan ten minste voor uwe nicht zijn, voor dat onschuldige brooze schepseltje, dat zoo u iets overkwam, alleen zou staan, alleen te midden van woestevolksstammen, zonder steun en zonder beschermer; wat is het leven voor mij, armen jongen, zonder familie, die alles aan uwe goedheid te danken heb?Hetuur is nu gekomen, waarin ik u mijne dankbaarheid toonen kan, laat mij mijne schuld betalen.”»Maar,” wilde de generaal zeggen.»Gij weet het,” vervolgde de jongeling in vervoering, »zoo ik u kon vervangen bijdoñaLuz, ik zou het met genoegen doen, maar ik ben nog te jong voor die schoone rol; kom, generaal, laat ik in uwe plaats gaan, die eer komt mij toe.”Half vrijwillig, half gedwongen trad de oude officier terug; de kapitein sprong de wallen op, was er met één sprong weder af, en verwijderde zich zoo snel mogelijk, na zijnen vriend een laatst vaarwel te hebben toegeroepen.De generaal volgde hem met de oogen, zoolang hij kon; vervolgens wreef hij zijn voorhoofd met de hand, en prevelde:»Een brave jongen, een uitmuntend karakter!”»Niet waar, oom?” antwoorddedoñaLuz, die ongemerkt naderbij gekomen was.»Waart gij daar, mijn kind?” zeide hij met een glimlach, dien hij vruchteloos vroolijk trachtte te maken.»Ja, beste oom, ik heb alles gehoord.”»Goed, lieve,” zeide de generaal met gedwongen bedaardheid, »maar het is nu geen tijd, om weekhartig te zijn, ik moet voor uwe veiligheid zorgen; blijf niet langer hier, kom met mij mede; hier zou een Indiaansche kogel u maar al te gemakkelijk kunnen treffen.” En haar bij de hand nemende, bracht hij haar zachtjes tot aan de tent. Toen zij binnen was, gaf hij haar een kus op het voorhoofd, beval haar daar te blijven, en keerde weder naar de wallen, om nauwkeurig te zien wat er in de vlakte gebeurde, tevens den tijd berekenende, die er na het vertrek van den doctor verloopen was, en zich verwonderende over diens wegblijven.[140]»Hij zal den Indianen in handen gevallen zijn,” zeide hij, »als zij hem maar niet gedood hebben!”Kapitein Aguilar was een moedig soldaat; gevormd in de gedurige oorlogen van Mexico, ging bij hem beleid met moed gepaard. Tot op een zekeren afstand van het kamp genaderd, ging hij plat op den buik liggen en bereikte al kruipende een rotsblok, dat juist geschikt was, om hem tot hinderlaag te dienen. Alles was rustig om hem heen, niets kon hem doen vermoeden, dat de vijand in aantocht was; na een geruimen tijd te hebben doorgebracht met het terrein te onderzoeken, maakte hij zich gereed om naar het kamp terug te keeren, overtuigd dat de generaal zich had vergist, en dat er volstrekt geen gevaar bestond, toen er eensklaps op tien passen van hem af, een verschrikteasshata, met gespitste ooren en naar achtergeworpen kop, opsprong, en met de duidelijke kenteekenen der grootste vrees, zoo hard hij kon wegliep.»Ha, ha!” prevelde de kapitein, »zou er toch werkelijk iets zijn?Wij zullen zien.”En de rots, achter welke hij zich verscholen had, verlatende, deed hij voorzichtig eenige schreden voorwaarts, om zich van de gegrondheid van zijn vermoeden te overtuigen.Het gras bewoog zich sterk, en eensklaps stonden er plotseling een tiental mannen om hem heen, die hem omsingelden eer hij tijd had, om zich in staat van tegenweer te stellen, of de schuilplaats die hij zoo roekeloos verlaten had, weder te bereiken.»In Gods naam,” zeide hij koelbloedig, »nu weet ik ten minste met wie ik te doen heb.”»Geef u over!” riep een der mannen, die hem het dichtst op het lijf zat.»Wel ja,” antwoordde hij spottend, »dat kunt gij denken; alvorens gij mij in handen krijgt, zult gij mij eerst van kant dienen te maken.”»Dan zal men u van kant maken, aardige jonker,” antwoordde de eerste spreker brutaal.»Daar reken ik op,” hernam de kapitein satiriek: »ik zal mij verdedigen, dat zal gedruisch maken, mijne vrienden zullen ons hooren, dan zal uw aanval mislukt zijn, dat is juist wat ik verlang.”Deze woorden werden zoo kalm uitgesproken, dat de roovers er over begonnen na te denken. Het waren mannen van kapitein Ouaktehno, hij zelf was onder hen.»Ja,” antwoordde de bandietenhoofdman, »uwe bedoeling is goed,maar men kan u wel dooden zonder gedruisch te maken, en dan ligt uw plan in duigen.”»Bah! wij zullen zien!” zeide de jongeling.En eer de roovers het konden verhoeden, deed hij een ontzettenden sprong achterwaarts, wierp twee mannen omver, en liep zoo hard hij kon in de richting van het kamp.Zoodra het eerste oogenblik van verrassing voorbij was, begonnen[141]de roovers hem na te zetten. Deze wedloop duurde vrij lang, zonder dat de roovers den afstand, die hen van den vluchteling scheidde, merkbaar zagen verminderen; want terwijl zij hem vervolgden, trachtten zij zooveel mogelijk zich schuil te houden voor Amerikaansche wachten, die zij wilden overvallen; en deze poging noodzaakte hen tot omwegen, die hun loop natuurlijk vertraagden.Toen de kapitein zoover gekomen was, dat hij door de zijnen kon verstaan worden, wierp hij een blik achter zich. Gebruik makende van het oponthoud, dat hij noodig had om adem te scheppen, wonnen de bandieten hem een grooten afstand af. De kapitein begreep, dat, als hij voortging met vluchten, hij juist het onheil zou uitlokken, dat hij wenschte te verhoeden. Oogenblikkelijk had hij zijne partij gekozen, hij besloot te sterven als soldaat, en nog in zijn val hun van dienst te zijn, voor wie hij zich opofferde. Hij zette zich met den rug tegen een boom, plaatste zijn machete onder het bereik van zijne hand, haalde zijne pistolen uit zijn gordel, vestigde zijn gelaat op de bandieten, die nog slechts een dertigtal passen van hem verwijderd waren, en riep met luide stem, ten einde zijn vrienden te waarschuwen:»Alarm! alarm! de vijand!”Daarna loste hij met de grootste koelbloedigheid, als schoot hij op den prijs, zijne pistolen—waarvan hij er vier met dubbelen loop geladen bij zich had; en herhaalde bij elken roover, die viel, zijn geroep:»Alarm! de vijand! zij omringen ons! weest op uwe hoede, weest op uwe hoede!”De bandieten, wanhopig over deze ruwe wijze van zelfverdediging, wierpen zich woedend op hem, alle voorzorgen, die zij tot nu toe genomen hadden, vergetende.Toen ving er een vreeselijke en ongelijke reuzenkamp aan van één man tegen twintig à dertig, want voor iederen roover die er viel, kwam er een ander in de plaats. De strijd was verschrikkelijk! De jongeling offerde zijn leven op, maar hij wilde het zoo duur mogelijk verkoopen.Zooals wij zeiden, bij ieder schot dat hij loste, bij iederen houw zijner machete, stiet hij een kreet van waarschuwing uit, een kreet dien de Mexicanen beantwoordden, door van hunnen kant een wel onderhouden musketvuur op de roovers te laten spelen, die nu, geheel open en bloot, voor niets oogen hadden als voor den man, die met zijn edele borst, hun zoo stout den voortgang belette. Eindelijk viel de kapitein op ééne knie. De roovers wierpen zich in verwarring op zijn lichaam, en de woede, waarmede zij hem trachtten van kant te maken, was zoo groot, dat zij elkander wonden toebrachten. Een zoodanig gevecht kon niet lang duren. Kapitein Aguilar viel, maar in zijn val sleepte hij twaalf roovers mede, die hij had gedood, en die hem als een bloedig geleide in het graf volgden.[142]»Hm!” mompelde kapitein Ouaktehno, hem met bewondering aanziende, terwijl hij het bloed zocht te stelpen van een breede wond, die hij in de borst ontvangen had, »welk een man! als de anderen op hem gelijken, komen wij er nooit heelshuids van daan. Kom,” ging hij voort, zich tot zijne makkers richtende, die zijne bevelen afwachtten, »zullen wij ons nog langer als duiven laten dood schieten? Valt aan! bij God, valt aan!”De roovers volgden hem, hunne wapens zwaaiende, en begonnen tegen de rots op te klimmen, onder het geschreeuw van:»Valt aan, valt aan!”De Mexicanen, getuigen van den heldenmoed van kapitein Aguilar, maakten zich van hunnen kant gereed hem te wreken.
[Inhoud]III.DE ZELFOPOFFERING.Zooals wij vroeger reeds gezegd hebben, had de doctor met een boodschap vandoñaLuz aan den Zwarten Eland belast, het kamp der Mexicanen verlaten.Gelijk vele geleerden was hij van nature zeer afgetrokken, ofschoon met de beste bedoelingen van de wereld.Gedurende de eerste oogenblikken spande hij al zijne denkkracht in om de beteekenis te raden der in zijn oog zoo geheimzinnige woorden, die hij voor den pelsjager moest uitspreken.Hij begreep niet welke hulp zijne vrienden verwachten konden van een halven wilde, die eenzaam in de prairie leefde en met jagen in zijn onderhoud voorzag. Zoo hij de zending dan ook terstond had aangenomen, was het alleen omdat hij zich zoo innig aan de nicht van den generaal gehecht gevoelde, want eenigen goeden uitslag verwachtte hij er niet van. In de overtuiging, dat zijne zending geheel nutteloos was, reed hij niet, gelijk hij had moeten doen, regelrecht en op een draf naar detoldovan den Zwarten Eland; maar hij steeg af, nam zijn paard bij den toom en ging aan het zoeken van planten, eene bezigheid waarin hij zich weldra geheel verdiepte, zoodat hij de aanbeveling vandoñaLuz en de reden, waarom hij het kamp verlaten had, volkomen vergat.De tijd stond echter niet stil, de dag was reeds half verstreken; de doctor, die reeds lang terug had moeten zijn, was nog niet verschenen.Een groote angst heerschte in het kamp der Mexicanen. De generaal en de kapitein hadden alles geregeld om het tegen een aanval te kunnen verdedigen. Er daagde niets op. In den omtrek bleef alles bedaard; de Mexicanen geloofden bijna, dat zij door een valsch alarm waren verschrikt.[138]DoñaLuz alleen voelde hare ongerustheid met ieder oogenblik toenemen; met de oogen naar de vlakte gericht, zag zij vergeefs uit naar den kant, van waar haar boodschapper moest terugkomen. Eensklaps scheen het, dat het hooge gras der prairie een golvende beweging aannam, waarvan de oorzaak onzichtbaar was. De lucht werd door geen enkel koeltje bewogen, het was drukkend warm; de bladeren, door de zonnestralen verbrand, waren onbewegelijk; het hooge gras alleen ging voort langzaam en geheimzinnig te wuiven. En, wat vooral vreemd was, deze bijna onmerkbare beweging, die slechts een geoefend oog kon waarnemen was niet algemeen; integendeel, zij was voortgaande en naderde het kamp met eene regelmatigheid, die eene door overleg bestuurde beweegkracht deed vermoeden; naarmate toch de beweging zich aan de meer nabijzijnde halmen mededeelde, vervielen de achtersten weder in een volkomen rust, die verder door niets werd afgebroken.De wachten, die op de wallen stonden, wisten niet waaraan zij deze onbegrijpelijke beweging moesten toeschrijven. De generaal, als een gehard soldaat, besloot de zaak te onderzoeken; hoewel hij nooit persoonlijk met de Indianen in aanraking was geweest, had hij toch te veel van hunne manier van vechten gehoord, om hier niet eenige achterdocht te koesteren. Het kamp, dat al zijne verdedigers noodig had, niet van manschappen willende berooven, besloot hij om zelf het avontuur te wagen, en op verkenning uit te gaan.Toen hij zich gereed maakte om over de wallen heen te klouteren, hield de kapitein hem staande, en legde hem eerbiedig den arm op den schouder.»Wat wilt gij van mij, mijn vriend?” vroeg de generaal, zich omkeerende.»Ik zou, met uw verlof, wel een vraag tot u willen richten, generaal,” antwoordde de jongeling.»Doe zoo.”»Gij verlaat het kamp, niet waar?”»Ja.”»Zeker om op verkenning uit te gaan?”»Om op verkenning uit te gaan, ja.”»Dan, generaal, ben ik het aan wien de eer van die taak toekomt.”»Waarom?” zeide de generaal verbaasd.»Hemel, generaal, dat is zeer eenvoudig; ik ben maar een arme duivel, een subaltern officier, die alles aan u verplicht ben.”»Verder?”»Het gevaar waaraan ik mij zal blootstellen zoo er gevaar is, zal niets afdoen tot den goeden uitslag der onderneming; terwijl indien.…”»Terwijl indien …?”»Indien gij gedood wordt?”De generaal maakte een afwijzende beweging.[139]»Ja, men moet alles voorzien,” vervolgde de kapitein, »als men zulke tegenstanders heeft.”»Dat is waar; maar dan nog?”»Wel, onze tocht zal mislukt zijn, en geen onzer zal de beschaafde wereld wederzien. Gij zijt het hoofd, wij anderen, wij zijn slechts ledematen; blijf dus in het kamp.”De generaal dacht eenige oogenblikken na; vervolgens de hand van den jongeling met hartelijkheid drukkende, zeide hij:»Ik ben u zeer verplicht, maar ik moet met eigen oogen zien wat men tegen ons beraamt. De zaak is te ernstig dan dat ik mij op u mag verlaten.”»Neen, gij moet blijven, generaal,” drong de kapitein bij hem aan; »is het niet voor ons, laat het dan ten minste voor uwe nicht zijn, voor dat onschuldige brooze schepseltje, dat zoo u iets overkwam, alleen zou staan, alleen te midden van woestevolksstammen, zonder steun en zonder beschermer; wat is het leven voor mij, armen jongen, zonder familie, die alles aan uwe goedheid te danken heb?Hetuur is nu gekomen, waarin ik u mijne dankbaarheid toonen kan, laat mij mijne schuld betalen.”»Maar,” wilde de generaal zeggen.»Gij weet het,” vervolgde de jongeling in vervoering, »zoo ik u kon vervangen bijdoñaLuz, ik zou het met genoegen doen, maar ik ben nog te jong voor die schoone rol; kom, generaal, laat ik in uwe plaats gaan, die eer komt mij toe.”Half vrijwillig, half gedwongen trad de oude officier terug; de kapitein sprong de wallen op, was er met één sprong weder af, en verwijderde zich zoo snel mogelijk, na zijnen vriend een laatst vaarwel te hebben toegeroepen.De generaal volgde hem met de oogen, zoolang hij kon; vervolgens wreef hij zijn voorhoofd met de hand, en prevelde:»Een brave jongen, een uitmuntend karakter!”»Niet waar, oom?” antwoorddedoñaLuz, die ongemerkt naderbij gekomen was.»Waart gij daar, mijn kind?” zeide hij met een glimlach, dien hij vruchteloos vroolijk trachtte te maken.»Ja, beste oom, ik heb alles gehoord.”»Goed, lieve,” zeide de generaal met gedwongen bedaardheid, »maar het is nu geen tijd, om weekhartig te zijn, ik moet voor uwe veiligheid zorgen; blijf niet langer hier, kom met mij mede; hier zou een Indiaansche kogel u maar al te gemakkelijk kunnen treffen.” En haar bij de hand nemende, bracht hij haar zachtjes tot aan de tent. Toen zij binnen was, gaf hij haar een kus op het voorhoofd, beval haar daar te blijven, en keerde weder naar de wallen, om nauwkeurig te zien wat er in de vlakte gebeurde, tevens den tijd berekenende, die er na het vertrek van den doctor verloopen was, en zich verwonderende over diens wegblijven.[140]»Hij zal den Indianen in handen gevallen zijn,” zeide hij, »als zij hem maar niet gedood hebben!”Kapitein Aguilar was een moedig soldaat; gevormd in de gedurige oorlogen van Mexico, ging bij hem beleid met moed gepaard. Tot op een zekeren afstand van het kamp genaderd, ging hij plat op den buik liggen en bereikte al kruipende een rotsblok, dat juist geschikt was, om hem tot hinderlaag te dienen. Alles was rustig om hem heen, niets kon hem doen vermoeden, dat de vijand in aantocht was; na een geruimen tijd te hebben doorgebracht met het terrein te onderzoeken, maakte hij zich gereed om naar het kamp terug te keeren, overtuigd dat de generaal zich had vergist, en dat er volstrekt geen gevaar bestond, toen er eensklaps op tien passen van hem af, een verschrikteasshata, met gespitste ooren en naar achtergeworpen kop, opsprong, en met de duidelijke kenteekenen der grootste vrees, zoo hard hij kon wegliep.»Ha, ha!” prevelde de kapitein, »zou er toch werkelijk iets zijn?Wij zullen zien.”En de rots, achter welke hij zich verscholen had, verlatende, deed hij voorzichtig eenige schreden voorwaarts, om zich van de gegrondheid van zijn vermoeden te overtuigen.Het gras bewoog zich sterk, en eensklaps stonden er plotseling een tiental mannen om hem heen, die hem omsingelden eer hij tijd had, om zich in staat van tegenweer te stellen, of de schuilplaats die hij zoo roekeloos verlaten had, weder te bereiken.»In Gods naam,” zeide hij koelbloedig, »nu weet ik ten minste met wie ik te doen heb.”»Geef u over!” riep een der mannen, die hem het dichtst op het lijf zat.»Wel ja,” antwoordde hij spottend, »dat kunt gij denken; alvorens gij mij in handen krijgt, zult gij mij eerst van kant dienen te maken.”»Dan zal men u van kant maken, aardige jonker,” antwoordde de eerste spreker brutaal.»Daar reken ik op,” hernam de kapitein satiriek: »ik zal mij verdedigen, dat zal gedruisch maken, mijne vrienden zullen ons hooren, dan zal uw aanval mislukt zijn, dat is juist wat ik verlang.”Deze woorden werden zoo kalm uitgesproken, dat de roovers er over begonnen na te denken. Het waren mannen van kapitein Ouaktehno, hij zelf was onder hen.»Ja,” antwoordde de bandietenhoofdman, »uwe bedoeling is goed,maar men kan u wel dooden zonder gedruisch te maken, en dan ligt uw plan in duigen.”»Bah! wij zullen zien!” zeide de jongeling.En eer de roovers het konden verhoeden, deed hij een ontzettenden sprong achterwaarts, wierp twee mannen omver, en liep zoo hard hij kon in de richting van het kamp.Zoodra het eerste oogenblik van verrassing voorbij was, begonnen[141]de roovers hem na te zetten. Deze wedloop duurde vrij lang, zonder dat de roovers den afstand, die hen van den vluchteling scheidde, merkbaar zagen verminderen; want terwijl zij hem vervolgden, trachtten zij zooveel mogelijk zich schuil te houden voor Amerikaansche wachten, die zij wilden overvallen; en deze poging noodzaakte hen tot omwegen, die hun loop natuurlijk vertraagden.Toen de kapitein zoover gekomen was, dat hij door de zijnen kon verstaan worden, wierp hij een blik achter zich. Gebruik makende van het oponthoud, dat hij noodig had om adem te scheppen, wonnen de bandieten hem een grooten afstand af. De kapitein begreep, dat, als hij voortging met vluchten, hij juist het onheil zou uitlokken, dat hij wenschte te verhoeden. Oogenblikkelijk had hij zijne partij gekozen, hij besloot te sterven als soldaat, en nog in zijn val hun van dienst te zijn, voor wie hij zich opofferde. Hij zette zich met den rug tegen een boom, plaatste zijn machete onder het bereik van zijne hand, haalde zijne pistolen uit zijn gordel, vestigde zijn gelaat op de bandieten, die nog slechts een dertigtal passen van hem verwijderd waren, en riep met luide stem, ten einde zijn vrienden te waarschuwen:»Alarm! alarm! de vijand!”Daarna loste hij met de grootste koelbloedigheid, als schoot hij op den prijs, zijne pistolen—waarvan hij er vier met dubbelen loop geladen bij zich had; en herhaalde bij elken roover, die viel, zijn geroep:»Alarm! de vijand! zij omringen ons! weest op uwe hoede, weest op uwe hoede!”De bandieten, wanhopig over deze ruwe wijze van zelfverdediging, wierpen zich woedend op hem, alle voorzorgen, die zij tot nu toe genomen hadden, vergetende.Toen ving er een vreeselijke en ongelijke reuzenkamp aan van één man tegen twintig à dertig, want voor iederen roover die er viel, kwam er een ander in de plaats. De strijd was verschrikkelijk! De jongeling offerde zijn leven op, maar hij wilde het zoo duur mogelijk verkoopen.Zooals wij zeiden, bij ieder schot dat hij loste, bij iederen houw zijner machete, stiet hij een kreet van waarschuwing uit, een kreet dien de Mexicanen beantwoordden, door van hunnen kant een wel onderhouden musketvuur op de roovers te laten spelen, die nu, geheel open en bloot, voor niets oogen hadden als voor den man, die met zijn edele borst, hun zoo stout den voortgang belette. Eindelijk viel de kapitein op ééne knie. De roovers wierpen zich in verwarring op zijn lichaam, en de woede, waarmede zij hem trachtten van kant te maken, was zoo groot, dat zij elkander wonden toebrachten. Een zoodanig gevecht kon niet lang duren. Kapitein Aguilar viel, maar in zijn val sleepte hij twaalf roovers mede, die hij had gedood, en die hem als een bloedig geleide in het graf volgden.[142]»Hm!” mompelde kapitein Ouaktehno, hem met bewondering aanziende, terwijl hij het bloed zocht te stelpen van een breede wond, die hij in de borst ontvangen had, »welk een man! als de anderen op hem gelijken, komen wij er nooit heelshuids van daan. Kom,” ging hij voort, zich tot zijne makkers richtende, die zijne bevelen afwachtten, »zullen wij ons nog langer als duiven laten dood schieten? Valt aan! bij God, valt aan!”De roovers volgden hem, hunne wapens zwaaiende, en begonnen tegen de rots op te klimmen, onder het geschreeuw van:»Valt aan, valt aan!”De Mexicanen, getuigen van den heldenmoed van kapitein Aguilar, maakten zich van hunnen kant gereed hem te wreken.
[Inhoud]III.DE ZELFOPOFFERING.Zooals wij vroeger reeds gezegd hebben, had de doctor met een boodschap vandoñaLuz aan den Zwarten Eland belast, het kamp der Mexicanen verlaten.Gelijk vele geleerden was hij van nature zeer afgetrokken, ofschoon met de beste bedoelingen van de wereld.Gedurende de eerste oogenblikken spande hij al zijne denkkracht in om de beteekenis te raden der in zijn oog zoo geheimzinnige woorden, die hij voor den pelsjager moest uitspreken.Hij begreep niet welke hulp zijne vrienden verwachten konden van een halven wilde, die eenzaam in de prairie leefde en met jagen in zijn onderhoud voorzag. Zoo hij de zending dan ook terstond had aangenomen, was het alleen omdat hij zich zoo innig aan de nicht van den generaal gehecht gevoelde, want eenigen goeden uitslag verwachtte hij er niet van. In de overtuiging, dat zijne zending geheel nutteloos was, reed hij niet, gelijk hij had moeten doen, regelrecht en op een draf naar detoldovan den Zwarten Eland; maar hij steeg af, nam zijn paard bij den toom en ging aan het zoeken van planten, eene bezigheid waarin hij zich weldra geheel verdiepte, zoodat hij de aanbeveling vandoñaLuz en de reden, waarom hij het kamp verlaten had, volkomen vergat.De tijd stond echter niet stil, de dag was reeds half verstreken; de doctor, die reeds lang terug had moeten zijn, was nog niet verschenen.Een groote angst heerschte in het kamp der Mexicanen. De generaal en de kapitein hadden alles geregeld om het tegen een aanval te kunnen verdedigen. Er daagde niets op. In den omtrek bleef alles bedaard; de Mexicanen geloofden bijna, dat zij door een valsch alarm waren verschrikt.[138]DoñaLuz alleen voelde hare ongerustheid met ieder oogenblik toenemen; met de oogen naar de vlakte gericht, zag zij vergeefs uit naar den kant, van waar haar boodschapper moest terugkomen. Eensklaps scheen het, dat het hooge gras der prairie een golvende beweging aannam, waarvan de oorzaak onzichtbaar was. De lucht werd door geen enkel koeltje bewogen, het was drukkend warm; de bladeren, door de zonnestralen verbrand, waren onbewegelijk; het hooge gras alleen ging voort langzaam en geheimzinnig te wuiven. En, wat vooral vreemd was, deze bijna onmerkbare beweging, die slechts een geoefend oog kon waarnemen was niet algemeen; integendeel, zij was voortgaande en naderde het kamp met eene regelmatigheid, die eene door overleg bestuurde beweegkracht deed vermoeden; naarmate toch de beweging zich aan de meer nabijzijnde halmen mededeelde, vervielen de achtersten weder in een volkomen rust, die verder door niets werd afgebroken.De wachten, die op de wallen stonden, wisten niet waaraan zij deze onbegrijpelijke beweging moesten toeschrijven. De generaal, als een gehard soldaat, besloot de zaak te onderzoeken; hoewel hij nooit persoonlijk met de Indianen in aanraking was geweest, had hij toch te veel van hunne manier van vechten gehoord, om hier niet eenige achterdocht te koesteren. Het kamp, dat al zijne verdedigers noodig had, niet van manschappen willende berooven, besloot hij om zelf het avontuur te wagen, en op verkenning uit te gaan.Toen hij zich gereed maakte om over de wallen heen te klouteren, hield de kapitein hem staande, en legde hem eerbiedig den arm op den schouder.»Wat wilt gij van mij, mijn vriend?” vroeg de generaal, zich omkeerende.»Ik zou, met uw verlof, wel een vraag tot u willen richten, generaal,” antwoordde de jongeling.»Doe zoo.”»Gij verlaat het kamp, niet waar?”»Ja.”»Zeker om op verkenning uit te gaan?”»Om op verkenning uit te gaan, ja.”»Dan, generaal, ben ik het aan wien de eer van die taak toekomt.”»Waarom?” zeide de generaal verbaasd.»Hemel, generaal, dat is zeer eenvoudig; ik ben maar een arme duivel, een subaltern officier, die alles aan u verplicht ben.”»Verder?”»Het gevaar waaraan ik mij zal blootstellen zoo er gevaar is, zal niets afdoen tot den goeden uitslag der onderneming; terwijl indien.…”»Terwijl indien …?”»Indien gij gedood wordt?”De generaal maakte een afwijzende beweging.[139]»Ja, men moet alles voorzien,” vervolgde de kapitein, »als men zulke tegenstanders heeft.”»Dat is waar; maar dan nog?”»Wel, onze tocht zal mislukt zijn, en geen onzer zal de beschaafde wereld wederzien. Gij zijt het hoofd, wij anderen, wij zijn slechts ledematen; blijf dus in het kamp.”De generaal dacht eenige oogenblikken na; vervolgens de hand van den jongeling met hartelijkheid drukkende, zeide hij:»Ik ben u zeer verplicht, maar ik moet met eigen oogen zien wat men tegen ons beraamt. De zaak is te ernstig dan dat ik mij op u mag verlaten.”»Neen, gij moet blijven, generaal,” drong de kapitein bij hem aan; »is het niet voor ons, laat het dan ten minste voor uwe nicht zijn, voor dat onschuldige brooze schepseltje, dat zoo u iets overkwam, alleen zou staan, alleen te midden van woestevolksstammen, zonder steun en zonder beschermer; wat is het leven voor mij, armen jongen, zonder familie, die alles aan uwe goedheid te danken heb?Hetuur is nu gekomen, waarin ik u mijne dankbaarheid toonen kan, laat mij mijne schuld betalen.”»Maar,” wilde de generaal zeggen.»Gij weet het,” vervolgde de jongeling in vervoering, »zoo ik u kon vervangen bijdoñaLuz, ik zou het met genoegen doen, maar ik ben nog te jong voor die schoone rol; kom, generaal, laat ik in uwe plaats gaan, die eer komt mij toe.”Half vrijwillig, half gedwongen trad de oude officier terug; de kapitein sprong de wallen op, was er met één sprong weder af, en verwijderde zich zoo snel mogelijk, na zijnen vriend een laatst vaarwel te hebben toegeroepen.De generaal volgde hem met de oogen, zoolang hij kon; vervolgens wreef hij zijn voorhoofd met de hand, en prevelde:»Een brave jongen, een uitmuntend karakter!”»Niet waar, oom?” antwoorddedoñaLuz, die ongemerkt naderbij gekomen was.»Waart gij daar, mijn kind?” zeide hij met een glimlach, dien hij vruchteloos vroolijk trachtte te maken.»Ja, beste oom, ik heb alles gehoord.”»Goed, lieve,” zeide de generaal met gedwongen bedaardheid, »maar het is nu geen tijd, om weekhartig te zijn, ik moet voor uwe veiligheid zorgen; blijf niet langer hier, kom met mij mede; hier zou een Indiaansche kogel u maar al te gemakkelijk kunnen treffen.” En haar bij de hand nemende, bracht hij haar zachtjes tot aan de tent. Toen zij binnen was, gaf hij haar een kus op het voorhoofd, beval haar daar te blijven, en keerde weder naar de wallen, om nauwkeurig te zien wat er in de vlakte gebeurde, tevens den tijd berekenende, die er na het vertrek van den doctor verloopen was, en zich verwonderende over diens wegblijven.[140]»Hij zal den Indianen in handen gevallen zijn,” zeide hij, »als zij hem maar niet gedood hebben!”Kapitein Aguilar was een moedig soldaat; gevormd in de gedurige oorlogen van Mexico, ging bij hem beleid met moed gepaard. Tot op een zekeren afstand van het kamp genaderd, ging hij plat op den buik liggen en bereikte al kruipende een rotsblok, dat juist geschikt was, om hem tot hinderlaag te dienen. Alles was rustig om hem heen, niets kon hem doen vermoeden, dat de vijand in aantocht was; na een geruimen tijd te hebben doorgebracht met het terrein te onderzoeken, maakte hij zich gereed om naar het kamp terug te keeren, overtuigd dat de generaal zich had vergist, en dat er volstrekt geen gevaar bestond, toen er eensklaps op tien passen van hem af, een verschrikteasshata, met gespitste ooren en naar achtergeworpen kop, opsprong, en met de duidelijke kenteekenen der grootste vrees, zoo hard hij kon wegliep.»Ha, ha!” prevelde de kapitein, »zou er toch werkelijk iets zijn?Wij zullen zien.”En de rots, achter welke hij zich verscholen had, verlatende, deed hij voorzichtig eenige schreden voorwaarts, om zich van de gegrondheid van zijn vermoeden te overtuigen.Het gras bewoog zich sterk, en eensklaps stonden er plotseling een tiental mannen om hem heen, die hem omsingelden eer hij tijd had, om zich in staat van tegenweer te stellen, of de schuilplaats die hij zoo roekeloos verlaten had, weder te bereiken.»In Gods naam,” zeide hij koelbloedig, »nu weet ik ten minste met wie ik te doen heb.”»Geef u over!” riep een der mannen, die hem het dichtst op het lijf zat.»Wel ja,” antwoordde hij spottend, »dat kunt gij denken; alvorens gij mij in handen krijgt, zult gij mij eerst van kant dienen te maken.”»Dan zal men u van kant maken, aardige jonker,” antwoordde de eerste spreker brutaal.»Daar reken ik op,” hernam de kapitein satiriek: »ik zal mij verdedigen, dat zal gedruisch maken, mijne vrienden zullen ons hooren, dan zal uw aanval mislukt zijn, dat is juist wat ik verlang.”Deze woorden werden zoo kalm uitgesproken, dat de roovers er over begonnen na te denken. Het waren mannen van kapitein Ouaktehno, hij zelf was onder hen.»Ja,” antwoordde de bandietenhoofdman, »uwe bedoeling is goed,maar men kan u wel dooden zonder gedruisch te maken, en dan ligt uw plan in duigen.”»Bah! wij zullen zien!” zeide de jongeling.En eer de roovers het konden verhoeden, deed hij een ontzettenden sprong achterwaarts, wierp twee mannen omver, en liep zoo hard hij kon in de richting van het kamp.Zoodra het eerste oogenblik van verrassing voorbij was, begonnen[141]de roovers hem na te zetten. Deze wedloop duurde vrij lang, zonder dat de roovers den afstand, die hen van den vluchteling scheidde, merkbaar zagen verminderen; want terwijl zij hem vervolgden, trachtten zij zooveel mogelijk zich schuil te houden voor Amerikaansche wachten, die zij wilden overvallen; en deze poging noodzaakte hen tot omwegen, die hun loop natuurlijk vertraagden.Toen de kapitein zoover gekomen was, dat hij door de zijnen kon verstaan worden, wierp hij een blik achter zich. Gebruik makende van het oponthoud, dat hij noodig had om adem te scheppen, wonnen de bandieten hem een grooten afstand af. De kapitein begreep, dat, als hij voortging met vluchten, hij juist het onheil zou uitlokken, dat hij wenschte te verhoeden. Oogenblikkelijk had hij zijne partij gekozen, hij besloot te sterven als soldaat, en nog in zijn val hun van dienst te zijn, voor wie hij zich opofferde. Hij zette zich met den rug tegen een boom, plaatste zijn machete onder het bereik van zijne hand, haalde zijne pistolen uit zijn gordel, vestigde zijn gelaat op de bandieten, die nog slechts een dertigtal passen van hem verwijderd waren, en riep met luide stem, ten einde zijn vrienden te waarschuwen:»Alarm! alarm! de vijand!”Daarna loste hij met de grootste koelbloedigheid, als schoot hij op den prijs, zijne pistolen—waarvan hij er vier met dubbelen loop geladen bij zich had; en herhaalde bij elken roover, die viel, zijn geroep:»Alarm! de vijand! zij omringen ons! weest op uwe hoede, weest op uwe hoede!”De bandieten, wanhopig over deze ruwe wijze van zelfverdediging, wierpen zich woedend op hem, alle voorzorgen, die zij tot nu toe genomen hadden, vergetende.Toen ving er een vreeselijke en ongelijke reuzenkamp aan van één man tegen twintig à dertig, want voor iederen roover die er viel, kwam er een ander in de plaats. De strijd was verschrikkelijk! De jongeling offerde zijn leven op, maar hij wilde het zoo duur mogelijk verkoopen.Zooals wij zeiden, bij ieder schot dat hij loste, bij iederen houw zijner machete, stiet hij een kreet van waarschuwing uit, een kreet dien de Mexicanen beantwoordden, door van hunnen kant een wel onderhouden musketvuur op de roovers te laten spelen, die nu, geheel open en bloot, voor niets oogen hadden als voor den man, die met zijn edele borst, hun zoo stout den voortgang belette. Eindelijk viel de kapitein op ééne knie. De roovers wierpen zich in verwarring op zijn lichaam, en de woede, waarmede zij hem trachtten van kant te maken, was zoo groot, dat zij elkander wonden toebrachten. Een zoodanig gevecht kon niet lang duren. Kapitein Aguilar viel, maar in zijn val sleepte hij twaalf roovers mede, die hij had gedood, en die hem als een bloedig geleide in het graf volgden.[142]»Hm!” mompelde kapitein Ouaktehno, hem met bewondering aanziende, terwijl hij het bloed zocht te stelpen van een breede wond, die hij in de borst ontvangen had, »welk een man! als de anderen op hem gelijken, komen wij er nooit heelshuids van daan. Kom,” ging hij voort, zich tot zijne makkers richtende, die zijne bevelen afwachtten, »zullen wij ons nog langer als duiven laten dood schieten? Valt aan! bij God, valt aan!”De roovers volgden hem, hunne wapens zwaaiende, en begonnen tegen de rots op te klimmen, onder het geschreeuw van:»Valt aan, valt aan!”De Mexicanen, getuigen van den heldenmoed van kapitein Aguilar, maakten zich van hunnen kant gereed hem te wreken.
III.DE ZELFOPOFFERING.
Zooals wij vroeger reeds gezegd hebben, had de doctor met een boodschap vandoñaLuz aan den Zwarten Eland belast, het kamp der Mexicanen verlaten.Gelijk vele geleerden was hij van nature zeer afgetrokken, ofschoon met de beste bedoelingen van de wereld.Gedurende de eerste oogenblikken spande hij al zijne denkkracht in om de beteekenis te raden der in zijn oog zoo geheimzinnige woorden, die hij voor den pelsjager moest uitspreken.Hij begreep niet welke hulp zijne vrienden verwachten konden van een halven wilde, die eenzaam in de prairie leefde en met jagen in zijn onderhoud voorzag. Zoo hij de zending dan ook terstond had aangenomen, was het alleen omdat hij zich zoo innig aan de nicht van den generaal gehecht gevoelde, want eenigen goeden uitslag verwachtte hij er niet van. In de overtuiging, dat zijne zending geheel nutteloos was, reed hij niet, gelijk hij had moeten doen, regelrecht en op een draf naar detoldovan den Zwarten Eland; maar hij steeg af, nam zijn paard bij den toom en ging aan het zoeken van planten, eene bezigheid waarin hij zich weldra geheel verdiepte, zoodat hij de aanbeveling vandoñaLuz en de reden, waarom hij het kamp verlaten had, volkomen vergat.De tijd stond echter niet stil, de dag was reeds half verstreken; de doctor, die reeds lang terug had moeten zijn, was nog niet verschenen.Een groote angst heerschte in het kamp der Mexicanen. De generaal en de kapitein hadden alles geregeld om het tegen een aanval te kunnen verdedigen. Er daagde niets op. In den omtrek bleef alles bedaard; de Mexicanen geloofden bijna, dat zij door een valsch alarm waren verschrikt.[138]DoñaLuz alleen voelde hare ongerustheid met ieder oogenblik toenemen; met de oogen naar de vlakte gericht, zag zij vergeefs uit naar den kant, van waar haar boodschapper moest terugkomen. Eensklaps scheen het, dat het hooge gras der prairie een golvende beweging aannam, waarvan de oorzaak onzichtbaar was. De lucht werd door geen enkel koeltje bewogen, het was drukkend warm; de bladeren, door de zonnestralen verbrand, waren onbewegelijk; het hooge gras alleen ging voort langzaam en geheimzinnig te wuiven. En, wat vooral vreemd was, deze bijna onmerkbare beweging, die slechts een geoefend oog kon waarnemen was niet algemeen; integendeel, zij was voortgaande en naderde het kamp met eene regelmatigheid, die eene door overleg bestuurde beweegkracht deed vermoeden; naarmate toch de beweging zich aan de meer nabijzijnde halmen mededeelde, vervielen de achtersten weder in een volkomen rust, die verder door niets werd afgebroken.De wachten, die op de wallen stonden, wisten niet waaraan zij deze onbegrijpelijke beweging moesten toeschrijven. De generaal, als een gehard soldaat, besloot de zaak te onderzoeken; hoewel hij nooit persoonlijk met de Indianen in aanraking was geweest, had hij toch te veel van hunne manier van vechten gehoord, om hier niet eenige achterdocht te koesteren. Het kamp, dat al zijne verdedigers noodig had, niet van manschappen willende berooven, besloot hij om zelf het avontuur te wagen, en op verkenning uit te gaan.Toen hij zich gereed maakte om over de wallen heen te klouteren, hield de kapitein hem staande, en legde hem eerbiedig den arm op den schouder.»Wat wilt gij van mij, mijn vriend?” vroeg de generaal, zich omkeerende.»Ik zou, met uw verlof, wel een vraag tot u willen richten, generaal,” antwoordde de jongeling.»Doe zoo.”»Gij verlaat het kamp, niet waar?”»Ja.”»Zeker om op verkenning uit te gaan?”»Om op verkenning uit te gaan, ja.”»Dan, generaal, ben ik het aan wien de eer van die taak toekomt.”»Waarom?” zeide de generaal verbaasd.»Hemel, generaal, dat is zeer eenvoudig; ik ben maar een arme duivel, een subaltern officier, die alles aan u verplicht ben.”»Verder?”»Het gevaar waaraan ik mij zal blootstellen zoo er gevaar is, zal niets afdoen tot den goeden uitslag der onderneming; terwijl indien.…”»Terwijl indien …?”»Indien gij gedood wordt?”De generaal maakte een afwijzende beweging.[139]»Ja, men moet alles voorzien,” vervolgde de kapitein, »als men zulke tegenstanders heeft.”»Dat is waar; maar dan nog?”»Wel, onze tocht zal mislukt zijn, en geen onzer zal de beschaafde wereld wederzien. Gij zijt het hoofd, wij anderen, wij zijn slechts ledematen; blijf dus in het kamp.”De generaal dacht eenige oogenblikken na; vervolgens de hand van den jongeling met hartelijkheid drukkende, zeide hij:»Ik ben u zeer verplicht, maar ik moet met eigen oogen zien wat men tegen ons beraamt. De zaak is te ernstig dan dat ik mij op u mag verlaten.”»Neen, gij moet blijven, generaal,” drong de kapitein bij hem aan; »is het niet voor ons, laat het dan ten minste voor uwe nicht zijn, voor dat onschuldige brooze schepseltje, dat zoo u iets overkwam, alleen zou staan, alleen te midden van woestevolksstammen, zonder steun en zonder beschermer; wat is het leven voor mij, armen jongen, zonder familie, die alles aan uwe goedheid te danken heb?Hetuur is nu gekomen, waarin ik u mijne dankbaarheid toonen kan, laat mij mijne schuld betalen.”»Maar,” wilde de generaal zeggen.»Gij weet het,” vervolgde de jongeling in vervoering, »zoo ik u kon vervangen bijdoñaLuz, ik zou het met genoegen doen, maar ik ben nog te jong voor die schoone rol; kom, generaal, laat ik in uwe plaats gaan, die eer komt mij toe.”Half vrijwillig, half gedwongen trad de oude officier terug; de kapitein sprong de wallen op, was er met één sprong weder af, en verwijderde zich zoo snel mogelijk, na zijnen vriend een laatst vaarwel te hebben toegeroepen.De generaal volgde hem met de oogen, zoolang hij kon; vervolgens wreef hij zijn voorhoofd met de hand, en prevelde:»Een brave jongen, een uitmuntend karakter!”»Niet waar, oom?” antwoorddedoñaLuz, die ongemerkt naderbij gekomen was.»Waart gij daar, mijn kind?” zeide hij met een glimlach, dien hij vruchteloos vroolijk trachtte te maken.»Ja, beste oom, ik heb alles gehoord.”»Goed, lieve,” zeide de generaal met gedwongen bedaardheid, »maar het is nu geen tijd, om weekhartig te zijn, ik moet voor uwe veiligheid zorgen; blijf niet langer hier, kom met mij mede; hier zou een Indiaansche kogel u maar al te gemakkelijk kunnen treffen.” En haar bij de hand nemende, bracht hij haar zachtjes tot aan de tent. Toen zij binnen was, gaf hij haar een kus op het voorhoofd, beval haar daar te blijven, en keerde weder naar de wallen, om nauwkeurig te zien wat er in de vlakte gebeurde, tevens den tijd berekenende, die er na het vertrek van den doctor verloopen was, en zich verwonderende over diens wegblijven.[140]»Hij zal den Indianen in handen gevallen zijn,” zeide hij, »als zij hem maar niet gedood hebben!”Kapitein Aguilar was een moedig soldaat; gevormd in de gedurige oorlogen van Mexico, ging bij hem beleid met moed gepaard. Tot op een zekeren afstand van het kamp genaderd, ging hij plat op den buik liggen en bereikte al kruipende een rotsblok, dat juist geschikt was, om hem tot hinderlaag te dienen. Alles was rustig om hem heen, niets kon hem doen vermoeden, dat de vijand in aantocht was; na een geruimen tijd te hebben doorgebracht met het terrein te onderzoeken, maakte hij zich gereed om naar het kamp terug te keeren, overtuigd dat de generaal zich had vergist, en dat er volstrekt geen gevaar bestond, toen er eensklaps op tien passen van hem af, een verschrikteasshata, met gespitste ooren en naar achtergeworpen kop, opsprong, en met de duidelijke kenteekenen der grootste vrees, zoo hard hij kon wegliep.»Ha, ha!” prevelde de kapitein, »zou er toch werkelijk iets zijn?Wij zullen zien.”En de rots, achter welke hij zich verscholen had, verlatende, deed hij voorzichtig eenige schreden voorwaarts, om zich van de gegrondheid van zijn vermoeden te overtuigen.Het gras bewoog zich sterk, en eensklaps stonden er plotseling een tiental mannen om hem heen, die hem omsingelden eer hij tijd had, om zich in staat van tegenweer te stellen, of de schuilplaats die hij zoo roekeloos verlaten had, weder te bereiken.»In Gods naam,” zeide hij koelbloedig, »nu weet ik ten minste met wie ik te doen heb.”»Geef u over!” riep een der mannen, die hem het dichtst op het lijf zat.»Wel ja,” antwoordde hij spottend, »dat kunt gij denken; alvorens gij mij in handen krijgt, zult gij mij eerst van kant dienen te maken.”»Dan zal men u van kant maken, aardige jonker,” antwoordde de eerste spreker brutaal.»Daar reken ik op,” hernam de kapitein satiriek: »ik zal mij verdedigen, dat zal gedruisch maken, mijne vrienden zullen ons hooren, dan zal uw aanval mislukt zijn, dat is juist wat ik verlang.”Deze woorden werden zoo kalm uitgesproken, dat de roovers er over begonnen na te denken. Het waren mannen van kapitein Ouaktehno, hij zelf was onder hen.»Ja,” antwoordde de bandietenhoofdman, »uwe bedoeling is goed,maar men kan u wel dooden zonder gedruisch te maken, en dan ligt uw plan in duigen.”»Bah! wij zullen zien!” zeide de jongeling.En eer de roovers het konden verhoeden, deed hij een ontzettenden sprong achterwaarts, wierp twee mannen omver, en liep zoo hard hij kon in de richting van het kamp.Zoodra het eerste oogenblik van verrassing voorbij was, begonnen[141]de roovers hem na te zetten. Deze wedloop duurde vrij lang, zonder dat de roovers den afstand, die hen van den vluchteling scheidde, merkbaar zagen verminderen; want terwijl zij hem vervolgden, trachtten zij zooveel mogelijk zich schuil te houden voor Amerikaansche wachten, die zij wilden overvallen; en deze poging noodzaakte hen tot omwegen, die hun loop natuurlijk vertraagden.Toen de kapitein zoover gekomen was, dat hij door de zijnen kon verstaan worden, wierp hij een blik achter zich. Gebruik makende van het oponthoud, dat hij noodig had om adem te scheppen, wonnen de bandieten hem een grooten afstand af. De kapitein begreep, dat, als hij voortging met vluchten, hij juist het onheil zou uitlokken, dat hij wenschte te verhoeden. Oogenblikkelijk had hij zijne partij gekozen, hij besloot te sterven als soldaat, en nog in zijn val hun van dienst te zijn, voor wie hij zich opofferde. Hij zette zich met den rug tegen een boom, plaatste zijn machete onder het bereik van zijne hand, haalde zijne pistolen uit zijn gordel, vestigde zijn gelaat op de bandieten, die nog slechts een dertigtal passen van hem verwijderd waren, en riep met luide stem, ten einde zijn vrienden te waarschuwen:»Alarm! alarm! de vijand!”Daarna loste hij met de grootste koelbloedigheid, als schoot hij op den prijs, zijne pistolen—waarvan hij er vier met dubbelen loop geladen bij zich had; en herhaalde bij elken roover, die viel, zijn geroep:»Alarm! de vijand! zij omringen ons! weest op uwe hoede, weest op uwe hoede!”De bandieten, wanhopig over deze ruwe wijze van zelfverdediging, wierpen zich woedend op hem, alle voorzorgen, die zij tot nu toe genomen hadden, vergetende.Toen ving er een vreeselijke en ongelijke reuzenkamp aan van één man tegen twintig à dertig, want voor iederen roover die er viel, kwam er een ander in de plaats. De strijd was verschrikkelijk! De jongeling offerde zijn leven op, maar hij wilde het zoo duur mogelijk verkoopen.Zooals wij zeiden, bij ieder schot dat hij loste, bij iederen houw zijner machete, stiet hij een kreet van waarschuwing uit, een kreet dien de Mexicanen beantwoordden, door van hunnen kant een wel onderhouden musketvuur op de roovers te laten spelen, die nu, geheel open en bloot, voor niets oogen hadden als voor den man, die met zijn edele borst, hun zoo stout den voortgang belette. Eindelijk viel de kapitein op ééne knie. De roovers wierpen zich in verwarring op zijn lichaam, en de woede, waarmede zij hem trachtten van kant te maken, was zoo groot, dat zij elkander wonden toebrachten. Een zoodanig gevecht kon niet lang duren. Kapitein Aguilar viel, maar in zijn val sleepte hij twaalf roovers mede, die hij had gedood, en die hem als een bloedig geleide in het graf volgden.[142]»Hm!” mompelde kapitein Ouaktehno, hem met bewondering aanziende, terwijl hij het bloed zocht te stelpen van een breede wond, die hij in de borst ontvangen had, »welk een man! als de anderen op hem gelijken, komen wij er nooit heelshuids van daan. Kom,” ging hij voort, zich tot zijne makkers richtende, die zijne bevelen afwachtten, »zullen wij ons nog langer als duiven laten dood schieten? Valt aan! bij God, valt aan!”De roovers volgden hem, hunne wapens zwaaiende, en begonnen tegen de rots op te klimmen, onder het geschreeuw van:»Valt aan, valt aan!”De Mexicanen, getuigen van den heldenmoed van kapitein Aguilar, maakten zich van hunnen kant gereed hem te wreken.
Zooals wij vroeger reeds gezegd hebben, had de doctor met een boodschap vandoñaLuz aan den Zwarten Eland belast, het kamp der Mexicanen verlaten.
Gelijk vele geleerden was hij van nature zeer afgetrokken, ofschoon met de beste bedoelingen van de wereld.
Gedurende de eerste oogenblikken spande hij al zijne denkkracht in om de beteekenis te raden der in zijn oog zoo geheimzinnige woorden, die hij voor den pelsjager moest uitspreken.
Hij begreep niet welke hulp zijne vrienden verwachten konden van een halven wilde, die eenzaam in de prairie leefde en met jagen in zijn onderhoud voorzag. Zoo hij de zending dan ook terstond had aangenomen, was het alleen omdat hij zich zoo innig aan de nicht van den generaal gehecht gevoelde, want eenigen goeden uitslag verwachtte hij er niet van. In de overtuiging, dat zijne zending geheel nutteloos was, reed hij niet, gelijk hij had moeten doen, regelrecht en op een draf naar detoldovan den Zwarten Eland; maar hij steeg af, nam zijn paard bij den toom en ging aan het zoeken van planten, eene bezigheid waarin hij zich weldra geheel verdiepte, zoodat hij de aanbeveling vandoñaLuz en de reden, waarom hij het kamp verlaten had, volkomen vergat.
De tijd stond echter niet stil, de dag was reeds half verstreken; de doctor, die reeds lang terug had moeten zijn, was nog niet verschenen.
Een groote angst heerschte in het kamp der Mexicanen. De generaal en de kapitein hadden alles geregeld om het tegen een aanval te kunnen verdedigen. Er daagde niets op. In den omtrek bleef alles bedaard; de Mexicanen geloofden bijna, dat zij door een valsch alarm waren verschrikt.[138]
DoñaLuz alleen voelde hare ongerustheid met ieder oogenblik toenemen; met de oogen naar de vlakte gericht, zag zij vergeefs uit naar den kant, van waar haar boodschapper moest terugkomen. Eensklaps scheen het, dat het hooge gras der prairie een golvende beweging aannam, waarvan de oorzaak onzichtbaar was. De lucht werd door geen enkel koeltje bewogen, het was drukkend warm; de bladeren, door de zonnestralen verbrand, waren onbewegelijk; het hooge gras alleen ging voort langzaam en geheimzinnig te wuiven. En, wat vooral vreemd was, deze bijna onmerkbare beweging, die slechts een geoefend oog kon waarnemen was niet algemeen; integendeel, zij was voortgaande en naderde het kamp met eene regelmatigheid, die eene door overleg bestuurde beweegkracht deed vermoeden; naarmate toch de beweging zich aan de meer nabijzijnde halmen mededeelde, vervielen de achtersten weder in een volkomen rust, die verder door niets werd afgebroken.
De wachten, die op de wallen stonden, wisten niet waaraan zij deze onbegrijpelijke beweging moesten toeschrijven. De generaal, als een gehard soldaat, besloot de zaak te onderzoeken; hoewel hij nooit persoonlijk met de Indianen in aanraking was geweest, had hij toch te veel van hunne manier van vechten gehoord, om hier niet eenige achterdocht te koesteren. Het kamp, dat al zijne verdedigers noodig had, niet van manschappen willende berooven, besloot hij om zelf het avontuur te wagen, en op verkenning uit te gaan.
Toen hij zich gereed maakte om over de wallen heen te klouteren, hield de kapitein hem staande, en legde hem eerbiedig den arm op den schouder.
»Wat wilt gij van mij, mijn vriend?” vroeg de generaal, zich omkeerende.
»Ik zou, met uw verlof, wel een vraag tot u willen richten, generaal,” antwoordde de jongeling.
»Doe zoo.”
»Gij verlaat het kamp, niet waar?”
»Ja.”
»Zeker om op verkenning uit te gaan?”
»Om op verkenning uit te gaan, ja.”
»Dan, generaal, ben ik het aan wien de eer van die taak toekomt.”
»Waarom?” zeide de generaal verbaasd.
»Hemel, generaal, dat is zeer eenvoudig; ik ben maar een arme duivel, een subaltern officier, die alles aan u verplicht ben.”
»Verder?”
»Het gevaar waaraan ik mij zal blootstellen zoo er gevaar is, zal niets afdoen tot den goeden uitslag der onderneming; terwijl indien.…”
»Terwijl indien …?”
»Indien gij gedood wordt?”
De generaal maakte een afwijzende beweging.[139]
»Ja, men moet alles voorzien,” vervolgde de kapitein, »als men zulke tegenstanders heeft.”
»Dat is waar; maar dan nog?”
»Wel, onze tocht zal mislukt zijn, en geen onzer zal de beschaafde wereld wederzien. Gij zijt het hoofd, wij anderen, wij zijn slechts ledematen; blijf dus in het kamp.”
De generaal dacht eenige oogenblikken na; vervolgens de hand van den jongeling met hartelijkheid drukkende, zeide hij:
»Ik ben u zeer verplicht, maar ik moet met eigen oogen zien wat men tegen ons beraamt. De zaak is te ernstig dan dat ik mij op u mag verlaten.”
»Neen, gij moet blijven, generaal,” drong de kapitein bij hem aan; »is het niet voor ons, laat het dan ten minste voor uwe nicht zijn, voor dat onschuldige brooze schepseltje, dat zoo u iets overkwam, alleen zou staan, alleen te midden van woestevolksstammen, zonder steun en zonder beschermer; wat is het leven voor mij, armen jongen, zonder familie, die alles aan uwe goedheid te danken heb?Hetuur is nu gekomen, waarin ik u mijne dankbaarheid toonen kan, laat mij mijne schuld betalen.”
»Maar,” wilde de generaal zeggen.
»Gij weet het,” vervolgde de jongeling in vervoering, »zoo ik u kon vervangen bijdoñaLuz, ik zou het met genoegen doen, maar ik ben nog te jong voor die schoone rol; kom, generaal, laat ik in uwe plaats gaan, die eer komt mij toe.”
Half vrijwillig, half gedwongen trad de oude officier terug; de kapitein sprong de wallen op, was er met één sprong weder af, en verwijderde zich zoo snel mogelijk, na zijnen vriend een laatst vaarwel te hebben toegeroepen.
De generaal volgde hem met de oogen, zoolang hij kon; vervolgens wreef hij zijn voorhoofd met de hand, en prevelde:
»Een brave jongen, een uitmuntend karakter!”
»Niet waar, oom?” antwoorddedoñaLuz, die ongemerkt naderbij gekomen was.
»Waart gij daar, mijn kind?” zeide hij met een glimlach, dien hij vruchteloos vroolijk trachtte te maken.
»Ja, beste oom, ik heb alles gehoord.”
»Goed, lieve,” zeide de generaal met gedwongen bedaardheid, »maar het is nu geen tijd, om weekhartig te zijn, ik moet voor uwe veiligheid zorgen; blijf niet langer hier, kom met mij mede; hier zou een Indiaansche kogel u maar al te gemakkelijk kunnen treffen.” En haar bij de hand nemende, bracht hij haar zachtjes tot aan de tent. Toen zij binnen was, gaf hij haar een kus op het voorhoofd, beval haar daar te blijven, en keerde weder naar de wallen, om nauwkeurig te zien wat er in de vlakte gebeurde, tevens den tijd berekenende, die er na het vertrek van den doctor verloopen was, en zich verwonderende over diens wegblijven.[140]
»Hij zal den Indianen in handen gevallen zijn,” zeide hij, »als zij hem maar niet gedood hebben!”
Kapitein Aguilar was een moedig soldaat; gevormd in de gedurige oorlogen van Mexico, ging bij hem beleid met moed gepaard. Tot op een zekeren afstand van het kamp genaderd, ging hij plat op den buik liggen en bereikte al kruipende een rotsblok, dat juist geschikt was, om hem tot hinderlaag te dienen. Alles was rustig om hem heen, niets kon hem doen vermoeden, dat de vijand in aantocht was; na een geruimen tijd te hebben doorgebracht met het terrein te onderzoeken, maakte hij zich gereed om naar het kamp terug te keeren, overtuigd dat de generaal zich had vergist, en dat er volstrekt geen gevaar bestond, toen er eensklaps op tien passen van hem af, een verschrikteasshata, met gespitste ooren en naar achtergeworpen kop, opsprong, en met de duidelijke kenteekenen der grootste vrees, zoo hard hij kon wegliep.
»Ha, ha!” prevelde de kapitein, »zou er toch werkelijk iets zijn?Wij zullen zien.”
En de rots, achter welke hij zich verscholen had, verlatende, deed hij voorzichtig eenige schreden voorwaarts, om zich van de gegrondheid van zijn vermoeden te overtuigen.
Het gras bewoog zich sterk, en eensklaps stonden er plotseling een tiental mannen om hem heen, die hem omsingelden eer hij tijd had, om zich in staat van tegenweer te stellen, of de schuilplaats die hij zoo roekeloos verlaten had, weder te bereiken.
»In Gods naam,” zeide hij koelbloedig, »nu weet ik ten minste met wie ik te doen heb.”
»Geef u over!” riep een der mannen, die hem het dichtst op het lijf zat.
»Wel ja,” antwoordde hij spottend, »dat kunt gij denken; alvorens gij mij in handen krijgt, zult gij mij eerst van kant dienen te maken.”
»Dan zal men u van kant maken, aardige jonker,” antwoordde de eerste spreker brutaal.
»Daar reken ik op,” hernam de kapitein satiriek: »ik zal mij verdedigen, dat zal gedruisch maken, mijne vrienden zullen ons hooren, dan zal uw aanval mislukt zijn, dat is juist wat ik verlang.”
Deze woorden werden zoo kalm uitgesproken, dat de roovers er over begonnen na te denken. Het waren mannen van kapitein Ouaktehno, hij zelf was onder hen.
»Ja,” antwoordde de bandietenhoofdman, »uwe bedoeling is goed,maar men kan u wel dooden zonder gedruisch te maken, en dan ligt uw plan in duigen.”
»Bah! wij zullen zien!” zeide de jongeling.
En eer de roovers het konden verhoeden, deed hij een ontzettenden sprong achterwaarts, wierp twee mannen omver, en liep zoo hard hij kon in de richting van het kamp.
Zoodra het eerste oogenblik van verrassing voorbij was, begonnen[141]de roovers hem na te zetten. Deze wedloop duurde vrij lang, zonder dat de roovers den afstand, die hen van den vluchteling scheidde, merkbaar zagen verminderen; want terwijl zij hem vervolgden, trachtten zij zooveel mogelijk zich schuil te houden voor Amerikaansche wachten, die zij wilden overvallen; en deze poging noodzaakte hen tot omwegen, die hun loop natuurlijk vertraagden.
Toen de kapitein zoover gekomen was, dat hij door de zijnen kon verstaan worden, wierp hij een blik achter zich. Gebruik makende van het oponthoud, dat hij noodig had om adem te scheppen, wonnen de bandieten hem een grooten afstand af. De kapitein begreep, dat, als hij voortging met vluchten, hij juist het onheil zou uitlokken, dat hij wenschte te verhoeden. Oogenblikkelijk had hij zijne partij gekozen, hij besloot te sterven als soldaat, en nog in zijn val hun van dienst te zijn, voor wie hij zich opofferde. Hij zette zich met den rug tegen een boom, plaatste zijn machete onder het bereik van zijne hand, haalde zijne pistolen uit zijn gordel, vestigde zijn gelaat op de bandieten, die nog slechts een dertigtal passen van hem verwijderd waren, en riep met luide stem, ten einde zijn vrienden te waarschuwen:
»Alarm! alarm! de vijand!”
Daarna loste hij met de grootste koelbloedigheid, als schoot hij op den prijs, zijne pistolen—waarvan hij er vier met dubbelen loop geladen bij zich had; en herhaalde bij elken roover, die viel, zijn geroep:
»Alarm! de vijand! zij omringen ons! weest op uwe hoede, weest op uwe hoede!”
De bandieten, wanhopig over deze ruwe wijze van zelfverdediging, wierpen zich woedend op hem, alle voorzorgen, die zij tot nu toe genomen hadden, vergetende.
Toen ving er een vreeselijke en ongelijke reuzenkamp aan van één man tegen twintig à dertig, want voor iederen roover die er viel, kwam er een ander in de plaats. De strijd was verschrikkelijk! De jongeling offerde zijn leven op, maar hij wilde het zoo duur mogelijk verkoopen.
Zooals wij zeiden, bij ieder schot dat hij loste, bij iederen houw zijner machete, stiet hij een kreet van waarschuwing uit, een kreet dien de Mexicanen beantwoordden, door van hunnen kant een wel onderhouden musketvuur op de roovers te laten spelen, die nu, geheel open en bloot, voor niets oogen hadden als voor den man, die met zijn edele borst, hun zoo stout den voortgang belette. Eindelijk viel de kapitein op ééne knie. De roovers wierpen zich in verwarring op zijn lichaam, en de woede, waarmede zij hem trachtten van kant te maken, was zoo groot, dat zij elkander wonden toebrachten. Een zoodanig gevecht kon niet lang duren. Kapitein Aguilar viel, maar in zijn val sleepte hij twaalf roovers mede, die hij had gedood, en die hem als een bloedig geleide in het graf volgden.[142]
»Hm!” mompelde kapitein Ouaktehno, hem met bewondering aanziende, terwijl hij het bloed zocht te stelpen van een breede wond, die hij in de borst ontvangen had, »welk een man! als de anderen op hem gelijken, komen wij er nooit heelshuids van daan. Kom,” ging hij voort, zich tot zijne makkers richtende, die zijne bevelen afwachtten, »zullen wij ons nog langer als duiven laten dood schieten? Valt aan! bij God, valt aan!”
De roovers volgden hem, hunne wapens zwaaiende, en begonnen tegen de rots op te klimmen, onder het geschreeuw van:
»Valt aan, valt aan!”
De Mexicanen, getuigen van den heldenmoed van kapitein Aguilar, maakten zich van hunnen kant gereed hem te wreken.