[Inhoud]IV.DE DOCTOR.Terwijl deze gebeurtenissen plaats grepen, hield de doctor zich rustig met het verzamelen van planten bezig.De waardige geleerde, verbaasd over de rijkeflora, die hij onder de oogen had, had alles vergeten en dacht slechts aan den rijken oogst, die hem toelachte. Hij liep met het hoofd voorover, en stond stil bij elke plant, om die eerst eenigen tijd te bewonderen en haar dan uit te rukken. Eindelijk, toen hij reeds met een tallooze menigte van kruiden en planten beladen was, besloot hij zich aan den voet van een boom neder te zetten, om ze op zijn gemak na te zien en te rangschikken; hij besteedde hieraan al de zorg, die uitgediende geleerden gewoon zijn aan deze belangrijke werkzaamheid ten koste te leggen, en knabbelde intusschen eenige stukjes beschuit op, die hij uit zijn knapzak haalde.Geruimen tijd bleef hij in deze bezigheid verdiept, met dat inwendig genot, dat geleerden alleen kunnen waardeeren en dat aan gewone menschen onbekend is. Waarschijnlijk zou hij, alvorens de nacht inviel en hem dwong eene schuilplaats te zoeken, aan niets anders hebben gedacht, zoo zich niet eensklaps tusschen de zon en hem een schaduw was komen plaatsen, die zich afteekende op de planten, welke hij met zooveel zorg rangschikte.Werktuigelijk hief hij het hoofd op. Voor hem stond, op een lange karabijn leunende, een man, die hem met spotachtigen ernst aanzag. Het was de Zwarte Eland.»Ei, ei!” zeide hij tot den doctor, »wat doet gij daar, mijn brave heer? De drommel hale mij! toen ik het gras zoo zag trillen, dacht ik, dat er een geit in het kreupelhout zat, en ik was reeds op het punt u een kogel toe te zenden.”[143]»Te duivel!” riep de doctor, hem verschrikt aanziende, »pas toch op! gij hadt mij kunnen dooden, weet gij dat wel?”»Waarachtig!” hernam de jager lachend; »maar wees niet bang, ik heb mijne dwaling nog bij tijds ingezien.”»God zij geloofd!” En de doctor, die juist een zeldzame plant in het oog kreeg, bukte met jeugdig vuur om haar te grijpen.»Gij wilt mij dan niet zeggen,” ging de jager voort, »wat gij daar uitvoert?”»Dat kunt gij wel zien, mijn vriend.”»Ja, ik zie dat gij u vermaakt met het onkruid der prairie uit te rukken, anders niet, en nu vraag ik waartoe dat dient?”»O, die onwetendheid!” prevelde de geleerde, en hij voegde er op dien toon van minzame afdaling, die vooral aan de zonen van Aesculapius eigen is, bij: »mijn vriend, ik pluk kruiden, welke ik verzamel, om ze in mijn boek te rangschikken; de flora dezer prairiën is prachtig, ik ben overtuigd dat ik minstens drie nieuwe soorten vanchirostemon pentadactylonheb ontdekt, waarvan het genus uitsluitend tot deFlora-mexicanabehoort.”»Ha!” zeide de jager, een paar groote oogen opzettende, en bijna het onmogelijke doende om den doctor niet in zijn aangezicht uit te lachen; »meent gij drie nieuwe soorten gevonden te hebben van …”»Chirostemon pentadactylon, mijn vriend,” zeide de geleerde zachtzinnig.»Wel, wel.”»Op zijn minst, misschien zijn er wel vier.”»Wel zoo! dat is dan wel zeer nuttig?”»Of dat nuttig is?” riep de doctor geërgerd.»Maak u niet boos; ik weet het immers niet.”»Dat is waar!” zeide de geleerde, door den toon van den Zwarten Eland tot bedaren gebracht; »gij kunt het belang van dien arbeid voor den vooruitgang der wetenschap niet begrijpen.”»Houd dat in het oog! En het is dus alleen, om op die wijze planten uit te trekken, dat gij in de prairiën gekomen zijt?”»Nergens anders om.”De Zwarte Eland zag hem aan met die verwondering, welke het gezicht van een onverklaarbaar natuurverschijnsel opwekt; de jager kon maar niet begrijpen, dat een verstandig man er toe komen kon, om van goeder harte zich aan een leven van ontbering en gevaar over te geven, alleen met het doel om planten te verzamelen, die tot niets nut zijn; na een oogenblik te hebben nagedacht kwam hij dan ook tot de overtuiging, dat de geleerde krankzinnig was. Hij zag hem met een meêwarigen blik aan, schudde met zijn hoofd, legde zijn geweer op zijn schouder en maakte aanstalten, om zijn weg te vervolgen.»Ja, ja!” zeide hij op dien toon, welken men bezigt om kinderen of onnoozelen aan te spreken en te bemoedigen, »gij hebt gelijk,[144]mijn brave heer, trek gij maar planten uit, gij doet niemand kwaad, en er zullen er altijd nog genoeg overblijven. Goed succès en tot weerziens!”Daarop zijne honden fluitende, deed hij eenige stappen voorwaarts, maar bijna op hetzelfde oogenblik terugkeerende, en zich tot den doctor wendende, die reeds niet meer aan hem dacht, en zijne werkzaamheden, door den jager afgebroken, met ijver hervat had, zeide hij:»Nog een enkel woordje!”»Spreek,” antwoordde hij, het hoofd opheffende.»Ik hoop dat de jonge dame, die mij gisteren in gezelschap van haar oom een bezoek in mijne hatto gebracht heeft, zich wél bevindt? Dat arme kind, gij kunt niet begrijpen, hoeveel belang ik in haar stel, mijn beste heer.”De doctor stond plotseling op en sloeg zich tegen het voorhoofd.»Domoor die ik ben!” zeide hij; »ik had het glad vergeten!”»Vergeten! wat dan?” vroeg de jager verbaasd.»Dat doet ik nu altijd,” prevelde de geleerde; »gelukkig is het onheil zoo groot niet, en daar gij nog hier zijt, gemakkelijk te herstellen.”»Waarvan spreekt gij toch?” zeide de jager die ongerust begon te worden.»Verbeeld u,” ging de doctor bedaard voort, »dat de wetenschap mij zoodanig bezig houdt, dat ik dikwijls vergeet te eten en te drinken, en dus zooveel te eerder, de boodschappen, die mij worden opgedragen.”»Ter zake, ter zake!” riep de jager ongeduldig.»Och hemel, de zaak is doodeenvoudig. Ik verliet het kamp met het aanbreken van den dag, om mij naar uwe hatto te begeven; maar hier gekomen, ben ik door de tallooze menigte van zeldzame planten, die ik met de hoeven van mijn paard vertrad, zoodanig afgeleid, dat ik zonder aan het doel van mijn tocht te denken, eerst stil ben blijven staan, om een plant uit te trekken; vervolgens ontdekte ik er nog een die aan mijn verzameling ontbrak, toen nog een, en zoo voort; in ’t kort, ik heb er volstrekt niet meer aan gedacht om naar u te gaan; ik was zoodanig in mijne nasporingen verdiept, dat uw onvoorziene tegenwoordigheid mij nog niet eens aan de boodschap herinnerd heeft, die ik op mij genomen had, om aan u over te brengen.”»Gij zijt dus met zonsopgang uit het kamp vertrokken?”»Ja.”»Weet gij hoe laat het nu is?”De doctor keek naar de zon.»Omstreeks drie uur,” antwoordde hij; »maar ik zeg u nog eens het doet er weinig toe; nu gij toch hier zijt, zal ik u melden, watdoñaLuz mij belast heeft aan u over te brengen, en dan zal alles in orde zijn, hoop ik.”[145]»God geve, dat uwe nalatigheid niet de oorzaak worde van eenig groot onheil,” zeide de jager met een zucht.»Wat wilt gij daarmede zeggen?”»Gij zult het spoedig weten; ik hoop dat ik mij vergis. Spreek, ik luister.”»Hoor dan, watdoñaLuz mij verzocht heeft u te zeggen.”»Het is dusdoñaLuz, die u tot mij zendt?”»Zij zelve.”»Heeft er dan iets ernstigs in het kamp plaats gehad?”»Waarachtig! dat ’s waar ook, dat kon wel eens van meer belang zijn, dan ik eerst vermoedde. Zie hier het gebeurde: van nacht schijnt het, dat een onzer gidsen.…”»De Babbelaar?”»Dezelfde. Kent ge hem?”»Ja. Ga voort.”»Nu dan, het schijnt, dat die man in eene samenzwering betrokken was met een anderen bandiet van diezelfde soort, waarschijnlijk om het kamp aan de Indianen over te leveren;doñaLuz heeft bij toeval het gansche gesprek dier schurken afgeluisterd, en op het oogenblik, dat zij langs haar heen gingen om te ontsnappen, heeft zij twee pistolen op hen afgeschoten.”»En heeft zij ze gedood?”»Helaas neen; de een, hoewel zonder twijfel zwaar gekwetst, is ontkomen.”»Wie is dat?”»De Babbelaar.”»En toen?”»Toen heeftdoñaLuz mij laten zweren, dat ik mij tot u begeven zou, en dat ik u zou zeggen, ja wacht eens, wat was het ook?”»Zwarte Eland, het uur is gekomen,” viel de jager hem in de rede.»Juist! dat was het,” zeide de geleerde, zich verheugd in de handen wrijvende, »ik wilde het juist zeggen, ik beken dat het mij duister genoeg voorkwam, en dat ik er niets van begrepen heb; maar gij zult het mij uitleggen, niet waar?”De jager greep hem heftig bij den arm, en zijn aangezicht bij het zijne brengende, zeide hij met gloeiende blikken en met woedend gelaat.»Armzalige gek! Waarom zijt gij mij niet dadelijk komen opzoeken, in plaats van met nietsdoen uw tijd te verliezen? Uw oponthoud zal misschien de dood uwer vrienden zijn.”»Is het mogelijk?” riep de doctor overbluft, en zonder er aan te denken om rekenschap te vragen van de brutale wijze, waarop de jager hem op het lijf viel.»Gij waart met eene boodschap belast, waarvan leven en dood afhing, dwaas die gij zijt; wat nu te doen? misschien is het te laat!”[146]»O, zeg dat niet!” riep de geleerde blijkbaar ontroerd, »ik zou van wanhoop sterven, als dat waar was.”De arme man smolt weg in tranen en gaf ondubbelzinnige bewijzen van de grootste smart.De Zwarte Eland was verplicht hem te troosten.»Nu, houd maar moed, mijn beste heer,” zeide hij op zachteren toon tot hem: »wat duivel, misschien is alles nog wel niet verloren!”»O, als ik de oorzaak van een groote ramp moest wezen; ik zou het niet overleven!”»Nu, wat geschied is, is geschied, wij moeten nu kiezen wat ons te doen staat,” zeide de jager wijsgeerig; »ik ga er over nadenken, hoe ik hen helpen zal. Goddank, ik sta niet zoo alleen als men denken zou; ik hoop binnen weinige uren een dertigtal van de beste schutters der prairie bijeen te hebben.”»Gij zult hen redden, niet waar?”»Ik zal ten minste alles doen wat maar met eenige mogelijkheid kan gedaan worden, en als het God behaagt, zal ik wel slagen.”»De hemel verhoore u!”»Amen!” zeide de jager, zich ootmoedig kruisende, »en nu gaat gij naar het kamp terug, hoor.”»Terstond.”»Maar geen bloemen meer plukken, en geen planten meer uittrekken.”»O neen, dat zweer ik u; vervloekt zij het uur, waarin ik aan het herboriseeren gegaan ben,” riep de geleerde in komische wanhoop uit.»Zeer goed, dat is dan afgesproken: gij zult de jonge dame en haar oom gerust gaan stellen; gij zult hen tot waakzaamheid, en als er een aanval geschiedt, tot dapperen tegenstand aanmanen, en gij zult hun zeggen, dat zij weldra hunne vrienden hun ter hulpe zullen zien snellen.”»Ik zal het zeggen.”»Te paard dan, en in galop naar het kamp!”»Wees daar gerust op; maar gij, wat gaat gij doen?”»Bemoei u met mij niet, ik zal niet werkeloos blijven; maak maar dat gij zoo spoedig mogelijk bij uwe vrienden komt.”»Over een uur zal ik bij hen zijn.”»Houd nu maar goeden moed: en alles kan nog goed afloopen.”De Zwarte Eland liet den toom van het paard, dat hij tot hiertoe vasthield, los, en de geleerde vertrok in snellen draf, hetgeen den goeden man moeielijk genoeg viel, daar hij gedurig zijn evenwicht verloor.De jager zag hem een oogenblik na; en liep toen met snellen pas het bosch in. Hij had nauwelijks tien minuten geloopen, toen hij eensklaps vlak tegenover Nô Eusébio stond, die, met de moeder van Edelhart, welke bewusteloos dwars over den zadel lag, langzaam kwam aanrijden.[147]Deze ontmoeting was voor den jager een uitkomst, daar hij nu van den ouden Spanjaard stellige berichten kon erlangen omtrent Edelhart, berichten welke de grijsaard zich haastte hem te geven. Vervolgens begaven de beide mannen zich naar de hut van den pelsjager, waarvan zij niet ver verwijderd waren, en waarin zij voorloopig aan de moeder van hun vriend huisvesting wilden verleenen.
[Inhoud]IV.DE DOCTOR.Terwijl deze gebeurtenissen plaats grepen, hield de doctor zich rustig met het verzamelen van planten bezig.De waardige geleerde, verbaasd over de rijkeflora, die hij onder de oogen had, had alles vergeten en dacht slechts aan den rijken oogst, die hem toelachte. Hij liep met het hoofd voorover, en stond stil bij elke plant, om die eerst eenigen tijd te bewonderen en haar dan uit te rukken. Eindelijk, toen hij reeds met een tallooze menigte van kruiden en planten beladen was, besloot hij zich aan den voet van een boom neder te zetten, om ze op zijn gemak na te zien en te rangschikken; hij besteedde hieraan al de zorg, die uitgediende geleerden gewoon zijn aan deze belangrijke werkzaamheid ten koste te leggen, en knabbelde intusschen eenige stukjes beschuit op, die hij uit zijn knapzak haalde.Geruimen tijd bleef hij in deze bezigheid verdiept, met dat inwendig genot, dat geleerden alleen kunnen waardeeren en dat aan gewone menschen onbekend is. Waarschijnlijk zou hij, alvorens de nacht inviel en hem dwong eene schuilplaats te zoeken, aan niets anders hebben gedacht, zoo zich niet eensklaps tusschen de zon en hem een schaduw was komen plaatsen, die zich afteekende op de planten, welke hij met zooveel zorg rangschikte.Werktuigelijk hief hij het hoofd op. Voor hem stond, op een lange karabijn leunende, een man, die hem met spotachtigen ernst aanzag. Het was de Zwarte Eland.»Ei, ei!” zeide hij tot den doctor, »wat doet gij daar, mijn brave heer? De drommel hale mij! toen ik het gras zoo zag trillen, dacht ik, dat er een geit in het kreupelhout zat, en ik was reeds op het punt u een kogel toe te zenden.”[143]»Te duivel!” riep de doctor, hem verschrikt aanziende, »pas toch op! gij hadt mij kunnen dooden, weet gij dat wel?”»Waarachtig!” hernam de jager lachend; »maar wees niet bang, ik heb mijne dwaling nog bij tijds ingezien.”»God zij geloofd!” En de doctor, die juist een zeldzame plant in het oog kreeg, bukte met jeugdig vuur om haar te grijpen.»Gij wilt mij dan niet zeggen,” ging de jager voort, »wat gij daar uitvoert?”»Dat kunt gij wel zien, mijn vriend.”»Ja, ik zie dat gij u vermaakt met het onkruid der prairie uit te rukken, anders niet, en nu vraag ik waartoe dat dient?”»O, die onwetendheid!” prevelde de geleerde, en hij voegde er op dien toon van minzame afdaling, die vooral aan de zonen van Aesculapius eigen is, bij: »mijn vriend, ik pluk kruiden, welke ik verzamel, om ze in mijn boek te rangschikken; de flora dezer prairiën is prachtig, ik ben overtuigd dat ik minstens drie nieuwe soorten vanchirostemon pentadactylonheb ontdekt, waarvan het genus uitsluitend tot deFlora-mexicanabehoort.”»Ha!” zeide de jager, een paar groote oogen opzettende, en bijna het onmogelijke doende om den doctor niet in zijn aangezicht uit te lachen; »meent gij drie nieuwe soorten gevonden te hebben van …”»Chirostemon pentadactylon, mijn vriend,” zeide de geleerde zachtzinnig.»Wel, wel.”»Op zijn minst, misschien zijn er wel vier.”»Wel zoo! dat is dan wel zeer nuttig?”»Of dat nuttig is?” riep de doctor geërgerd.»Maak u niet boos; ik weet het immers niet.”»Dat is waar!” zeide de geleerde, door den toon van den Zwarten Eland tot bedaren gebracht; »gij kunt het belang van dien arbeid voor den vooruitgang der wetenschap niet begrijpen.”»Houd dat in het oog! En het is dus alleen, om op die wijze planten uit te trekken, dat gij in de prairiën gekomen zijt?”»Nergens anders om.”De Zwarte Eland zag hem aan met die verwondering, welke het gezicht van een onverklaarbaar natuurverschijnsel opwekt; de jager kon maar niet begrijpen, dat een verstandig man er toe komen kon, om van goeder harte zich aan een leven van ontbering en gevaar over te geven, alleen met het doel om planten te verzamelen, die tot niets nut zijn; na een oogenblik te hebben nagedacht kwam hij dan ook tot de overtuiging, dat de geleerde krankzinnig was. Hij zag hem met een meêwarigen blik aan, schudde met zijn hoofd, legde zijn geweer op zijn schouder en maakte aanstalten, om zijn weg te vervolgen.»Ja, ja!” zeide hij op dien toon, welken men bezigt om kinderen of onnoozelen aan te spreken en te bemoedigen, »gij hebt gelijk,[144]mijn brave heer, trek gij maar planten uit, gij doet niemand kwaad, en er zullen er altijd nog genoeg overblijven. Goed succès en tot weerziens!”Daarop zijne honden fluitende, deed hij eenige stappen voorwaarts, maar bijna op hetzelfde oogenblik terugkeerende, en zich tot den doctor wendende, die reeds niet meer aan hem dacht, en zijne werkzaamheden, door den jager afgebroken, met ijver hervat had, zeide hij:»Nog een enkel woordje!”»Spreek,” antwoordde hij, het hoofd opheffende.»Ik hoop dat de jonge dame, die mij gisteren in gezelschap van haar oom een bezoek in mijne hatto gebracht heeft, zich wél bevindt? Dat arme kind, gij kunt niet begrijpen, hoeveel belang ik in haar stel, mijn beste heer.”De doctor stond plotseling op en sloeg zich tegen het voorhoofd.»Domoor die ik ben!” zeide hij; »ik had het glad vergeten!”»Vergeten! wat dan?” vroeg de jager verbaasd.»Dat doet ik nu altijd,” prevelde de geleerde; »gelukkig is het onheil zoo groot niet, en daar gij nog hier zijt, gemakkelijk te herstellen.”»Waarvan spreekt gij toch?” zeide de jager die ongerust begon te worden.»Verbeeld u,” ging de doctor bedaard voort, »dat de wetenschap mij zoodanig bezig houdt, dat ik dikwijls vergeet te eten en te drinken, en dus zooveel te eerder, de boodschappen, die mij worden opgedragen.”»Ter zake, ter zake!” riep de jager ongeduldig.»Och hemel, de zaak is doodeenvoudig. Ik verliet het kamp met het aanbreken van den dag, om mij naar uwe hatto te begeven; maar hier gekomen, ben ik door de tallooze menigte van zeldzame planten, die ik met de hoeven van mijn paard vertrad, zoodanig afgeleid, dat ik zonder aan het doel van mijn tocht te denken, eerst stil ben blijven staan, om een plant uit te trekken; vervolgens ontdekte ik er nog een die aan mijn verzameling ontbrak, toen nog een, en zoo voort; in ’t kort, ik heb er volstrekt niet meer aan gedacht om naar u te gaan; ik was zoodanig in mijne nasporingen verdiept, dat uw onvoorziene tegenwoordigheid mij nog niet eens aan de boodschap herinnerd heeft, die ik op mij genomen had, om aan u over te brengen.”»Gij zijt dus met zonsopgang uit het kamp vertrokken?”»Ja.”»Weet gij hoe laat het nu is?”De doctor keek naar de zon.»Omstreeks drie uur,” antwoordde hij; »maar ik zeg u nog eens het doet er weinig toe; nu gij toch hier zijt, zal ik u melden, watdoñaLuz mij belast heeft aan u over te brengen, en dan zal alles in orde zijn, hoop ik.”[145]»God geve, dat uwe nalatigheid niet de oorzaak worde van eenig groot onheil,” zeide de jager met een zucht.»Wat wilt gij daarmede zeggen?”»Gij zult het spoedig weten; ik hoop dat ik mij vergis. Spreek, ik luister.”»Hoor dan, watdoñaLuz mij verzocht heeft u te zeggen.”»Het is dusdoñaLuz, die u tot mij zendt?”»Zij zelve.”»Heeft er dan iets ernstigs in het kamp plaats gehad?”»Waarachtig! dat ’s waar ook, dat kon wel eens van meer belang zijn, dan ik eerst vermoedde. Zie hier het gebeurde: van nacht schijnt het, dat een onzer gidsen.…”»De Babbelaar?”»Dezelfde. Kent ge hem?”»Ja. Ga voort.”»Nu dan, het schijnt, dat die man in eene samenzwering betrokken was met een anderen bandiet van diezelfde soort, waarschijnlijk om het kamp aan de Indianen over te leveren;doñaLuz heeft bij toeval het gansche gesprek dier schurken afgeluisterd, en op het oogenblik, dat zij langs haar heen gingen om te ontsnappen, heeft zij twee pistolen op hen afgeschoten.”»En heeft zij ze gedood?”»Helaas neen; de een, hoewel zonder twijfel zwaar gekwetst, is ontkomen.”»Wie is dat?”»De Babbelaar.”»En toen?”»Toen heeftdoñaLuz mij laten zweren, dat ik mij tot u begeven zou, en dat ik u zou zeggen, ja wacht eens, wat was het ook?”»Zwarte Eland, het uur is gekomen,” viel de jager hem in de rede.»Juist! dat was het,” zeide de geleerde, zich verheugd in de handen wrijvende, »ik wilde het juist zeggen, ik beken dat het mij duister genoeg voorkwam, en dat ik er niets van begrepen heb; maar gij zult het mij uitleggen, niet waar?”De jager greep hem heftig bij den arm, en zijn aangezicht bij het zijne brengende, zeide hij met gloeiende blikken en met woedend gelaat.»Armzalige gek! Waarom zijt gij mij niet dadelijk komen opzoeken, in plaats van met nietsdoen uw tijd te verliezen? Uw oponthoud zal misschien de dood uwer vrienden zijn.”»Is het mogelijk?” riep de doctor overbluft, en zonder er aan te denken om rekenschap te vragen van de brutale wijze, waarop de jager hem op het lijf viel.»Gij waart met eene boodschap belast, waarvan leven en dood afhing, dwaas die gij zijt; wat nu te doen? misschien is het te laat!”[146]»O, zeg dat niet!” riep de geleerde blijkbaar ontroerd, »ik zou van wanhoop sterven, als dat waar was.”De arme man smolt weg in tranen en gaf ondubbelzinnige bewijzen van de grootste smart.De Zwarte Eland was verplicht hem te troosten.»Nu, houd maar moed, mijn beste heer,” zeide hij op zachteren toon tot hem: »wat duivel, misschien is alles nog wel niet verloren!”»O, als ik de oorzaak van een groote ramp moest wezen; ik zou het niet overleven!”»Nu, wat geschied is, is geschied, wij moeten nu kiezen wat ons te doen staat,” zeide de jager wijsgeerig; »ik ga er over nadenken, hoe ik hen helpen zal. Goddank, ik sta niet zoo alleen als men denken zou; ik hoop binnen weinige uren een dertigtal van de beste schutters der prairie bijeen te hebben.”»Gij zult hen redden, niet waar?”»Ik zal ten minste alles doen wat maar met eenige mogelijkheid kan gedaan worden, en als het God behaagt, zal ik wel slagen.”»De hemel verhoore u!”»Amen!” zeide de jager, zich ootmoedig kruisende, »en nu gaat gij naar het kamp terug, hoor.”»Terstond.”»Maar geen bloemen meer plukken, en geen planten meer uittrekken.”»O neen, dat zweer ik u; vervloekt zij het uur, waarin ik aan het herboriseeren gegaan ben,” riep de geleerde in komische wanhoop uit.»Zeer goed, dat is dan afgesproken: gij zult de jonge dame en haar oom gerust gaan stellen; gij zult hen tot waakzaamheid, en als er een aanval geschiedt, tot dapperen tegenstand aanmanen, en gij zult hun zeggen, dat zij weldra hunne vrienden hun ter hulpe zullen zien snellen.”»Ik zal het zeggen.”»Te paard dan, en in galop naar het kamp!”»Wees daar gerust op; maar gij, wat gaat gij doen?”»Bemoei u met mij niet, ik zal niet werkeloos blijven; maak maar dat gij zoo spoedig mogelijk bij uwe vrienden komt.”»Over een uur zal ik bij hen zijn.”»Houd nu maar goeden moed: en alles kan nog goed afloopen.”De Zwarte Eland liet den toom van het paard, dat hij tot hiertoe vasthield, los, en de geleerde vertrok in snellen draf, hetgeen den goeden man moeielijk genoeg viel, daar hij gedurig zijn evenwicht verloor.De jager zag hem een oogenblik na; en liep toen met snellen pas het bosch in. Hij had nauwelijks tien minuten geloopen, toen hij eensklaps vlak tegenover Nô Eusébio stond, die, met de moeder van Edelhart, welke bewusteloos dwars over den zadel lag, langzaam kwam aanrijden.[147]Deze ontmoeting was voor den jager een uitkomst, daar hij nu van den ouden Spanjaard stellige berichten kon erlangen omtrent Edelhart, berichten welke de grijsaard zich haastte hem te geven. Vervolgens begaven de beide mannen zich naar de hut van den pelsjager, waarvan zij niet ver verwijderd waren, en waarin zij voorloopig aan de moeder van hun vriend huisvesting wilden verleenen.
[Inhoud]IV.DE DOCTOR.Terwijl deze gebeurtenissen plaats grepen, hield de doctor zich rustig met het verzamelen van planten bezig.De waardige geleerde, verbaasd over de rijkeflora, die hij onder de oogen had, had alles vergeten en dacht slechts aan den rijken oogst, die hem toelachte. Hij liep met het hoofd voorover, en stond stil bij elke plant, om die eerst eenigen tijd te bewonderen en haar dan uit te rukken. Eindelijk, toen hij reeds met een tallooze menigte van kruiden en planten beladen was, besloot hij zich aan den voet van een boom neder te zetten, om ze op zijn gemak na te zien en te rangschikken; hij besteedde hieraan al de zorg, die uitgediende geleerden gewoon zijn aan deze belangrijke werkzaamheid ten koste te leggen, en knabbelde intusschen eenige stukjes beschuit op, die hij uit zijn knapzak haalde.Geruimen tijd bleef hij in deze bezigheid verdiept, met dat inwendig genot, dat geleerden alleen kunnen waardeeren en dat aan gewone menschen onbekend is. Waarschijnlijk zou hij, alvorens de nacht inviel en hem dwong eene schuilplaats te zoeken, aan niets anders hebben gedacht, zoo zich niet eensklaps tusschen de zon en hem een schaduw was komen plaatsen, die zich afteekende op de planten, welke hij met zooveel zorg rangschikte.Werktuigelijk hief hij het hoofd op. Voor hem stond, op een lange karabijn leunende, een man, die hem met spotachtigen ernst aanzag. Het was de Zwarte Eland.»Ei, ei!” zeide hij tot den doctor, »wat doet gij daar, mijn brave heer? De drommel hale mij! toen ik het gras zoo zag trillen, dacht ik, dat er een geit in het kreupelhout zat, en ik was reeds op het punt u een kogel toe te zenden.”[143]»Te duivel!” riep de doctor, hem verschrikt aanziende, »pas toch op! gij hadt mij kunnen dooden, weet gij dat wel?”»Waarachtig!” hernam de jager lachend; »maar wees niet bang, ik heb mijne dwaling nog bij tijds ingezien.”»God zij geloofd!” En de doctor, die juist een zeldzame plant in het oog kreeg, bukte met jeugdig vuur om haar te grijpen.»Gij wilt mij dan niet zeggen,” ging de jager voort, »wat gij daar uitvoert?”»Dat kunt gij wel zien, mijn vriend.”»Ja, ik zie dat gij u vermaakt met het onkruid der prairie uit te rukken, anders niet, en nu vraag ik waartoe dat dient?”»O, die onwetendheid!” prevelde de geleerde, en hij voegde er op dien toon van minzame afdaling, die vooral aan de zonen van Aesculapius eigen is, bij: »mijn vriend, ik pluk kruiden, welke ik verzamel, om ze in mijn boek te rangschikken; de flora dezer prairiën is prachtig, ik ben overtuigd dat ik minstens drie nieuwe soorten vanchirostemon pentadactylonheb ontdekt, waarvan het genus uitsluitend tot deFlora-mexicanabehoort.”»Ha!” zeide de jager, een paar groote oogen opzettende, en bijna het onmogelijke doende om den doctor niet in zijn aangezicht uit te lachen; »meent gij drie nieuwe soorten gevonden te hebben van …”»Chirostemon pentadactylon, mijn vriend,” zeide de geleerde zachtzinnig.»Wel, wel.”»Op zijn minst, misschien zijn er wel vier.”»Wel zoo! dat is dan wel zeer nuttig?”»Of dat nuttig is?” riep de doctor geërgerd.»Maak u niet boos; ik weet het immers niet.”»Dat is waar!” zeide de geleerde, door den toon van den Zwarten Eland tot bedaren gebracht; »gij kunt het belang van dien arbeid voor den vooruitgang der wetenschap niet begrijpen.”»Houd dat in het oog! En het is dus alleen, om op die wijze planten uit te trekken, dat gij in de prairiën gekomen zijt?”»Nergens anders om.”De Zwarte Eland zag hem aan met die verwondering, welke het gezicht van een onverklaarbaar natuurverschijnsel opwekt; de jager kon maar niet begrijpen, dat een verstandig man er toe komen kon, om van goeder harte zich aan een leven van ontbering en gevaar over te geven, alleen met het doel om planten te verzamelen, die tot niets nut zijn; na een oogenblik te hebben nagedacht kwam hij dan ook tot de overtuiging, dat de geleerde krankzinnig was. Hij zag hem met een meêwarigen blik aan, schudde met zijn hoofd, legde zijn geweer op zijn schouder en maakte aanstalten, om zijn weg te vervolgen.»Ja, ja!” zeide hij op dien toon, welken men bezigt om kinderen of onnoozelen aan te spreken en te bemoedigen, »gij hebt gelijk,[144]mijn brave heer, trek gij maar planten uit, gij doet niemand kwaad, en er zullen er altijd nog genoeg overblijven. Goed succès en tot weerziens!”Daarop zijne honden fluitende, deed hij eenige stappen voorwaarts, maar bijna op hetzelfde oogenblik terugkeerende, en zich tot den doctor wendende, die reeds niet meer aan hem dacht, en zijne werkzaamheden, door den jager afgebroken, met ijver hervat had, zeide hij:»Nog een enkel woordje!”»Spreek,” antwoordde hij, het hoofd opheffende.»Ik hoop dat de jonge dame, die mij gisteren in gezelschap van haar oom een bezoek in mijne hatto gebracht heeft, zich wél bevindt? Dat arme kind, gij kunt niet begrijpen, hoeveel belang ik in haar stel, mijn beste heer.”De doctor stond plotseling op en sloeg zich tegen het voorhoofd.»Domoor die ik ben!” zeide hij; »ik had het glad vergeten!”»Vergeten! wat dan?” vroeg de jager verbaasd.»Dat doet ik nu altijd,” prevelde de geleerde; »gelukkig is het onheil zoo groot niet, en daar gij nog hier zijt, gemakkelijk te herstellen.”»Waarvan spreekt gij toch?” zeide de jager die ongerust begon te worden.»Verbeeld u,” ging de doctor bedaard voort, »dat de wetenschap mij zoodanig bezig houdt, dat ik dikwijls vergeet te eten en te drinken, en dus zooveel te eerder, de boodschappen, die mij worden opgedragen.”»Ter zake, ter zake!” riep de jager ongeduldig.»Och hemel, de zaak is doodeenvoudig. Ik verliet het kamp met het aanbreken van den dag, om mij naar uwe hatto te begeven; maar hier gekomen, ben ik door de tallooze menigte van zeldzame planten, die ik met de hoeven van mijn paard vertrad, zoodanig afgeleid, dat ik zonder aan het doel van mijn tocht te denken, eerst stil ben blijven staan, om een plant uit te trekken; vervolgens ontdekte ik er nog een die aan mijn verzameling ontbrak, toen nog een, en zoo voort; in ’t kort, ik heb er volstrekt niet meer aan gedacht om naar u te gaan; ik was zoodanig in mijne nasporingen verdiept, dat uw onvoorziene tegenwoordigheid mij nog niet eens aan de boodschap herinnerd heeft, die ik op mij genomen had, om aan u over te brengen.”»Gij zijt dus met zonsopgang uit het kamp vertrokken?”»Ja.”»Weet gij hoe laat het nu is?”De doctor keek naar de zon.»Omstreeks drie uur,” antwoordde hij; »maar ik zeg u nog eens het doet er weinig toe; nu gij toch hier zijt, zal ik u melden, watdoñaLuz mij belast heeft aan u over te brengen, en dan zal alles in orde zijn, hoop ik.”[145]»God geve, dat uwe nalatigheid niet de oorzaak worde van eenig groot onheil,” zeide de jager met een zucht.»Wat wilt gij daarmede zeggen?”»Gij zult het spoedig weten; ik hoop dat ik mij vergis. Spreek, ik luister.”»Hoor dan, watdoñaLuz mij verzocht heeft u te zeggen.”»Het is dusdoñaLuz, die u tot mij zendt?”»Zij zelve.”»Heeft er dan iets ernstigs in het kamp plaats gehad?”»Waarachtig! dat ’s waar ook, dat kon wel eens van meer belang zijn, dan ik eerst vermoedde. Zie hier het gebeurde: van nacht schijnt het, dat een onzer gidsen.…”»De Babbelaar?”»Dezelfde. Kent ge hem?”»Ja. Ga voort.”»Nu dan, het schijnt, dat die man in eene samenzwering betrokken was met een anderen bandiet van diezelfde soort, waarschijnlijk om het kamp aan de Indianen over te leveren;doñaLuz heeft bij toeval het gansche gesprek dier schurken afgeluisterd, en op het oogenblik, dat zij langs haar heen gingen om te ontsnappen, heeft zij twee pistolen op hen afgeschoten.”»En heeft zij ze gedood?”»Helaas neen; de een, hoewel zonder twijfel zwaar gekwetst, is ontkomen.”»Wie is dat?”»De Babbelaar.”»En toen?”»Toen heeftdoñaLuz mij laten zweren, dat ik mij tot u begeven zou, en dat ik u zou zeggen, ja wacht eens, wat was het ook?”»Zwarte Eland, het uur is gekomen,” viel de jager hem in de rede.»Juist! dat was het,” zeide de geleerde, zich verheugd in de handen wrijvende, »ik wilde het juist zeggen, ik beken dat het mij duister genoeg voorkwam, en dat ik er niets van begrepen heb; maar gij zult het mij uitleggen, niet waar?”De jager greep hem heftig bij den arm, en zijn aangezicht bij het zijne brengende, zeide hij met gloeiende blikken en met woedend gelaat.»Armzalige gek! Waarom zijt gij mij niet dadelijk komen opzoeken, in plaats van met nietsdoen uw tijd te verliezen? Uw oponthoud zal misschien de dood uwer vrienden zijn.”»Is het mogelijk?” riep de doctor overbluft, en zonder er aan te denken om rekenschap te vragen van de brutale wijze, waarop de jager hem op het lijf viel.»Gij waart met eene boodschap belast, waarvan leven en dood afhing, dwaas die gij zijt; wat nu te doen? misschien is het te laat!”[146]»O, zeg dat niet!” riep de geleerde blijkbaar ontroerd, »ik zou van wanhoop sterven, als dat waar was.”De arme man smolt weg in tranen en gaf ondubbelzinnige bewijzen van de grootste smart.De Zwarte Eland was verplicht hem te troosten.»Nu, houd maar moed, mijn beste heer,” zeide hij op zachteren toon tot hem: »wat duivel, misschien is alles nog wel niet verloren!”»O, als ik de oorzaak van een groote ramp moest wezen; ik zou het niet overleven!”»Nu, wat geschied is, is geschied, wij moeten nu kiezen wat ons te doen staat,” zeide de jager wijsgeerig; »ik ga er over nadenken, hoe ik hen helpen zal. Goddank, ik sta niet zoo alleen als men denken zou; ik hoop binnen weinige uren een dertigtal van de beste schutters der prairie bijeen te hebben.”»Gij zult hen redden, niet waar?”»Ik zal ten minste alles doen wat maar met eenige mogelijkheid kan gedaan worden, en als het God behaagt, zal ik wel slagen.”»De hemel verhoore u!”»Amen!” zeide de jager, zich ootmoedig kruisende, »en nu gaat gij naar het kamp terug, hoor.”»Terstond.”»Maar geen bloemen meer plukken, en geen planten meer uittrekken.”»O neen, dat zweer ik u; vervloekt zij het uur, waarin ik aan het herboriseeren gegaan ben,” riep de geleerde in komische wanhoop uit.»Zeer goed, dat is dan afgesproken: gij zult de jonge dame en haar oom gerust gaan stellen; gij zult hen tot waakzaamheid, en als er een aanval geschiedt, tot dapperen tegenstand aanmanen, en gij zult hun zeggen, dat zij weldra hunne vrienden hun ter hulpe zullen zien snellen.”»Ik zal het zeggen.”»Te paard dan, en in galop naar het kamp!”»Wees daar gerust op; maar gij, wat gaat gij doen?”»Bemoei u met mij niet, ik zal niet werkeloos blijven; maak maar dat gij zoo spoedig mogelijk bij uwe vrienden komt.”»Over een uur zal ik bij hen zijn.”»Houd nu maar goeden moed: en alles kan nog goed afloopen.”De Zwarte Eland liet den toom van het paard, dat hij tot hiertoe vasthield, los, en de geleerde vertrok in snellen draf, hetgeen den goeden man moeielijk genoeg viel, daar hij gedurig zijn evenwicht verloor.De jager zag hem een oogenblik na; en liep toen met snellen pas het bosch in. Hij had nauwelijks tien minuten geloopen, toen hij eensklaps vlak tegenover Nô Eusébio stond, die, met de moeder van Edelhart, welke bewusteloos dwars over den zadel lag, langzaam kwam aanrijden.[147]Deze ontmoeting was voor den jager een uitkomst, daar hij nu van den ouden Spanjaard stellige berichten kon erlangen omtrent Edelhart, berichten welke de grijsaard zich haastte hem te geven. Vervolgens begaven de beide mannen zich naar de hut van den pelsjager, waarvan zij niet ver verwijderd waren, en waarin zij voorloopig aan de moeder van hun vriend huisvesting wilden verleenen.
IV.DE DOCTOR.
Terwijl deze gebeurtenissen plaats grepen, hield de doctor zich rustig met het verzamelen van planten bezig.De waardige geleerde, verbaasd over de rijkeflora, die hij onder de oogen had, had alles vergeten en dacht slechts aan den rijken oogst, die hem toelachte. Hij liep met het hoofd voorover, en stond stil bij elke plant, om die eerst eenigen tijd te bewonderen en haar dan uit te rukken. Eindelijk, toen hij reeds met een tallooze menigte van kruiden en planten beladen was, besloot hij zich aan den voet van een boom neder te zetten, om ze op zijn gemak na te zien en te rangschikken; hij besteedde hieraan al de zorg, die uitgediende geleerden gewoon zijn aan deze belangrijke werkzaamheid ten koste te leggen, en knabbelde intusschen eenige stukjes beschuit op, die hij uit zijn knapzak haalde.Geruimen tijd bleef hij in deze bezigheid verdiept, met dat inwendig genot, dat geleerden alleen kunnen waardeeren en dat aan gewone menschen onbekend is. Waarschijnlijk zou hij, alvorens de nacht inviel en hem dwong eene schuilplaats te zoeken, aan niets anders hebben gedacht, zoo zich niet eensklaps tusschen de zon en hem een schaduw was komen plaatsen, die zich afteekende op de planten, welke hij met zooveel zorg rangschikte.Werktuigelijk hief hij het hoofd op. Voor hem stond, op een lange karabijn leunende, een man, die hem met spotachtigen ernst aanzag. Het was de Zwarte Eland.»Ei, ei!” zeide hij tot den doctor, »wat doet gij daar, mijn brave heer? De drommel hale mij! toen ik het gras zoo zag trillen, dacht ik, dat er een geit in het kreupelhout zat, en ik was reeds op het punt u een kogel toe te zenden.”[143]»Te duivel!” riep de doctor, hem verschrikt aanziende, »pas toch op! gij hadt mij kunnen dooden, weet gij dat wel?”»Waarachtig!” hernam de jager lachend; »maar wees niet bang, ik heb mijne dwaling nog bij tijds ingezien.”»God zij geloofd!” En de doctor, die juist een zeldzame plant in het oog kreeg, bukte met jeugdig vuur om haar te grijpen.»Gij wilt mij dan niet zeggen,” ging de jager voort, »wat gij daar uitvoert?”»Dat kunt gij wel zien, mijn vriend.”»Ja, ik zie dat gij u vermaakt met het onkruid der prairie uit te rukken, anders niet, en nu vraag ik waartoe dat dient?”»O, die onwetendheid!” prevelde de geleerde, en hij voegde er op dien toon van minzame afdaling, die vooral aan de zonen van Aesculapius eigen is, bij: »mijn vriend, ik pluk kruiden, welke ik verzamel, om ze in mijn boek te rangschikken; de flora dezer prairiën is prachtig, ik ben overtuigd dat ik minstens drie nieuwe soorten vanchirostemon pentadactylonheb ontdekt, waarvan het genus uitsluitend tot deFlora-mexicanabehoort.”»Ha!” zeide de jager, een paar groote oogen opzettende, en bijna het onmogelijke doende om den doctor niet in zijn aangezicht uit te lachen; »meent gij drie nieuwe soorten gevonden te hebben van …”»Chirostemon pentadactylon, mijn vriend,” zeide de geleerde zachtzinnig.»Wel, wel.”»Op zijn minst, misschien zijn er wel vier.”»Wel zoo! dat is dan wel zeer nuttig?”»Of dat nuttig is?” riep de doctor geërgerd.»Maak u niet boos; ik weet het immers niet.”»Dat is waar!” zeide de geleerde, door den toon van den Zwarten Eland tot bedaren gebracht; »gij kunt het belang van dien arbeid voor den vooruitgang der wetenschap niet begrijpen.”»Houd dat in het oog! En het is dus alleen, om op die wijze planten uit te trekken, dat gij in de prairiën gekomen zijt?”»Nergens anders om.”De Zwarte Eland zag hem aan met die verwondering, welke het gezicht van een onverklaarbaar natuurverschijnsel opwekt; de jager kon maar niet begrijpen, dat een verstandig man er toe komen kon, om van goeder harte zich aan een leven van ontbering en gevaar over te geven, alleen met het doel om planten te verzamelen, die tot niets nut zijn; na een oogenblik te hebben nagedacht kwam hij dan ook tot de overtuiging, dat de geleerde krankzinnig was. Hij zag hem met een meêwarigen blik aan, schudde met zijn hoofd, legde zijn geweer op zijn schouder en maakte aanstalten, om zijn weg te vervolgen.»Ja, ja!” zeide hij op dien toon, welken men bezigt om kinderen of onnoozelen aan te spreken en te bemoedigen, »gij hebt gelijk,[144]mijn brave heer, trek gij maar planten uit, gij doet niemand kwaad, en er zullen er altijd nog genoeg overblijven. Goed succès en tot weerziens!”Daarop zijne honden fluitende, deed hij eenige stappen voorwaarts, maar bijna op hetzelfde oogenblik terugkeerende, en zich tot den doctor wendende, die reeds niet meer aan hem dacht, en zijne werkzaamheden, door den jager afgebroken, met ijver hervat had, zeide hij:»Nog een enkel woordje!”»Spreek,” antwoordde hij, het hoofd opheffende.»Ik hoop dat de jonge dame, die mij gisteren in gezelschap van haar oom een bezoek in mijne hatto gebracht heeft, zich wél bevindt? Dat arme kind, gij kunt niet begrijpen, hoeveel belang ik in haar stel, mijn beste heer.”De doctor stond plotseling op en sloeg zich tegen het voorhoofd.»Domoor die ik ben!” zeide hij; »ik had het glad vergeten!”»Vergeten! wat dan?” vroeg de jager verbaasd.»Dat doet ik nu altijd,” prevelde de geleerde; »gelukkig is het onheil zoo groot niet, en daar gij nog hier zijt, gemakkelijk te herstellen.”»Waarvan spreekt gij toch?” zeide de jager die ongerust begon te worden.»Verbeeld u,” ging de doctor bedaard voort, »dat de wetenschap mij zoodanig bezig houdt, dat ik dikwijls vergeet te eten en te drinken, en dus zooveel te eerder, de boodschappen, die mij worden opgedragen.”»Ter zake, ter zake!” riep de jager ongeduldig.»Och hemel, de zaak is doodeenvoudig. Ik verliet het kamp met het aanbreken van den dag, om mij naar uwe hatto te begeven; maar hier gekomen, ben ik door de tallooze menigte van zeldzame planten, die ik met de hoeven van mijn paard vertrad, zoodanig afgeleid, dat ik zonder aan het doel van mijn tocht te denken, eerst stil ben blijven staan, om een plant uit te trekken; vervolgens ontdekte ik er nog een die aan mijn verzameling ontbrak, toen nog een, en zoo voort; in ’t kort, ik heb er volstrekt niet meer aan gedacht om naar u te gaan; ik was zoodanig in mijne nasporingen verdiept, dat uw onvoorziene tegenwoordigheid mij nog niet eens aan de boodschap herinnerd heeft, die ik op mij genomen had, om aan u over te brengen.”»Gij zijt dus met zonsopgang uit het kamp vertrokken?”»Ja.”»Weet gij hoe laat het nu is?”De doctor keek naar de zon.»Omstreeks drie uur,” antwoordde hij; »maar ik zeg u nog eens het doet er weinig toe; nu gij toch hier zijt, zal ik u melden, watdoñaLuz mij belast heeft aan u over te brengen, en dan zal alles in orde zijn, hoop ik.”[145]»God geve, dat uwe nalatigheid niet de oorzaak worde van eenig groot onheil,” zeide de jager met een zucht.»Wat wilt gij daarmede zeggen?”»Gij zult het spoedig weten; ik hoop dat ik mij vergis. Spreek, ik luister.”»Hoor dan, watdoñaLuz mij verzocht heeft u te zeggen.”»Het is dusdoñaLuz, die u tot mij zendt?”»Zij zelve.”»Heeft er dan iets ernstigs in het kamp plaats gehad?”»Waarachtig! dat ’s waar ook, dat kon wel eens van meer belang zijn, dan ik eerst vermoedde. Zie hier het gebeurde: van nacht schijnt het, dat een onzer gidsen.…”»De Babbelaar?”»Dezelfde. Kent ge hem?”»Ja. Ga voort.”»Nu dan, het schijnt, dat die man in eene samenzwering betrokken was met een anderen bandiet van diezelfde soort, waarschijnlijk om het kamp aan de Indianen over te leveren;doñaLuz heeft bij toeval het gansche gesprek dier schurken afgeluisterd, en op het oogenblik, dat zij langs haar heen gingen om te ontsnappen, heeft zij twee pistolen op hen afgeschoten.”»En heeft zij ze gedood?”»Helaas neen; de een, hoewel zonder twijfel zwaar gekwetst, is ontkomen.”»Wie is dat?”»De Babbelaar.”»En toen?”»Toen heeftdoñaLuz mij laten zweren, dat ik mij tot u begeven zou, en dat ik u zou zeggen, ja wacht eens, wat was het ook?”»Zwarte Eland, het uur is gekomen,” viel de jager hem in de rede.»Juist! dat was het,” zeide de geleerde, zich verheugd in de handen wrijvende, »ik wilde het juist zeggen, ik beken dat het mij duister genoeg voorkwam, en dat ik er niets van begrepen heb; maar gij zult het mij uitleggen, niet waar?”De jager greep hem heftig bij den arm, en zijn aangezicht bij het zijne brengende, zeide hij met gloeiende blikken en met woedend gelaat.»Armzalige gek! Waarom zijt gij mij niet dadelijk komen opzoeken, in plaats van met nietsdoen uw tijd te verliezen? Uw oponthoud zal misschien de dood uwer vrienden zijn.”»Is het mogelijk?” riep de doctor overbluft, en zonder er aan te denken om rekenschap te vragen van de brutale wijze, waarop de jager hem op het lijf viel.»Gij waart met eene boodschap belast, waarvan leven en dood afhing, dwaas die gij zijt; wat nu te doen? misschien is het te laat!”[146]»O, zeg dat niet!” riep de geleerde blijkbaar ontroerd, »ik zou van wanhoop sterven, als dat waar was.”De arme man smolt weg in tranen en gaf ondubbelzinnige bewijzen van de grootste smart.De Zwarte Eland was verplicht hem te troosten.»Nu, houd maar moed, mijn beste heer,” zeide hij op zachteren toon tot hem: »wat duivel, misschien is alles nog wel niet verloren!”»O, als ik de oorzaak van een groote ramp moest wezen; ik zou het niet overleven!”»Nu, wat geschied is, is geschied, wij moeten nu kiezen wat ons te doen staat,” zeide de jager wijsgeerig; »ik ga er over nadenken, hoe ik hen helpen zal. Goddank, ik sta niet zoo alleen als men denken zou; ik hoop binnen weinige uren een dertigtal van de beste schutters der prairie bijeen te hebben.”»Gij zult hen redden, niet waar?”»Ik zal ten minste alles doen wat maar met eenige mogelijkheid kan gedaan worden, en als het God behaagt, zal ik wel slagen.”»De hemel verhoore u!”»Amen!” zeide de jager, zich ootmoedig kruisende, »en nu gaat gij naar het kamp terug, hoor.”»Terstond.”»Maar geen bloemen meer plukken, en geen planten meer uittrekken.”»O neen, dat zweer ik u; vervloekt zij het uur, waarin ik aan het herboriseeren gegaan ben,” riep de geleerde in komische wanhoop uit.»Zeer goed, dat is dan afgesproken: gij zult de jonge dame en haar oom gerust gaan stellen; gij zult hen tot waakzaamheid, en als er een aanval geschiedt, tot dapperen tegenstand aanmanen, en gij zult hun zeggen, dat zij weldra hunne vrienden hun ter hulpe zullen zien snellen.”»Ik zal het zeggen.”»Te paard dan, en in galop naar het kamp!”»Wees daar gerust op; maar gij, wat gaat gij doen?”»Bemoei u met mij niet, ik zal niet werkeloos blijven; maak maar dat gij zoo spoedig mogelijk bij uwe vrienden komt.”»Over een uur zal ik bij hen zijn.”»Houd nu maar goeden moed: en alles kan nog goed afloopen.”De Zwarte Eland liet den toom van het paard, dat hij tot hiertoe vasthield, los, en de geleerde vertrok in snellen draf, hetgeen den goeden man moeielijk genoeg viel, daar hij gedurig zijn evenwicht verloor.De jager zag hem een oogenblik na; en liep toen met snellen pas het bosch in. Hij had nauwelijks tien minuten geloopen, toen hij eensklaps vlak tegenover Nô Eusébio stond, die, met de moeder van Edelhart, welke bewusteloos dwars over den zadel lag, langzaam kwam aanrijden.[147]Deze ontmoeting was voor den jager een uitkomst, daar hij nu van den ouden Spanjaard stellige berichten kon erlangen omtrent Edelhart, berichten welke de grijsaard zich haastte hem te geven. Vervolgens begaven de beide mannen zich naar de hut van den pelsjager, waarvan zij niet ver verwijderd waren, en waarin zij voorloopig aan de moeder van hun vriend huisvesting wilden verleenen.
Terwijl deze gebeurtenissen plaats grepen, hield de doctor zich rustig met het verzamelen van planten bezig.
De waardige geleerde, verbaasd over de rijkeflora, die hij onder de oogen had, had alles vergeten en dacht slechts aan den rijken oogst, die hem toelachte. Hij liep met het hoofd voorover, en stond stil bij elke plant, om die eerst eenigen tijd te bewonderen en haar dan uit te rukken. Eindelijk, toen hij reeds met een tallooze menigte van kruiden en planten beladen was, besloot hij zich aan den voet van een boom neder te zetten, om ze op zijn gemak na te zien en te rangschikken; hij besteedde hieraan al de zorg, die uitgediende geleerden gewoon zijn aan deze belangrijke werkzaamheid ten koste te leggen, en knabbelde intusschen eenige stukjes beschuit op, die hij uit zijn knapzak haalde.
Geruimen tijd bleef hij in deze bezigheid verdiept, met dat inwendig genot, dat geleerden alleen kunnen waardeeren en dat aan gewone menschen onbekend is. Waarschijnlijk zou hij, alvorens de nacht inviel en hem dwong eene schuilplaats te zoeken, aan niets anders hebben gedacht, zoo zich niet eensklaps tusschen de zon en hem een schaduw was komen plaatsen, die zich afteekende op de planten, welke hij met zooveel zorg rangschikte.
Werktuigelijk hief hij het hoofd op. Voor hem stond, op een lange karabijn leunende, een man, die hem met spotachtigen ernst aanzag. Het was de Zwarte Eland.
»Ei, ei!” zeide hij tot den doctor, »wat doet gij daar, mijn brave heer? De drommel hale mij! toen ik het gras zoo zag trillen, dacht ik, dat er een geit in het kreupelhout zat, en ik was reeds op het punt u een kogel toe te zenden.”[143]
»Te duivel!” riep de doctor, hem verschrikt aanziende, »pas toch op! gij hadt mij kunnen dooden, weet gij dat wel?”
»Waarachtig!” hernam de jager lachend; »maar wees niet bang, ik heb mijne dwaling nog bij tijds ingezien.”
»God zij geloofd!” En de doctor, die juist een zeldzame plant in het oog kreeg, bukte met jeugdig vuur om haar te grijpen.
»Gij wilt mij dan niet zeggen,” ging de jager voort, »wat gij daar uitvoert?”
»Dat kunt gij wel zien, mijn vriend.”
»Ja, ik zie dat gij u vermaakt met het onkruid der prairie uit te rukken, anders niet, en nu vraag ik waartoe dat dient?”
»O, die onwetendheid!” prevelde de geleerde, en hij voegde er op dien toon van minzame afdaling, die vooral aan de zonen van Aesculapius eigen is, bij: »mijn vriend, ik pluk kruiden, welke ik verzamel, om ze in mijn boek te rangschikken; de flora dezer prairiën is prachtig, ik ben overtuigd dat ik minstens drie nieuwe soorten vanchirostemon pentadactylonheb ontdekt, waarvan het genus uitsluitend tot deFlora-mexicanabehoort.”
»Ha!” zeide de jager, een paar groote oogen opzettende, en bijna het onmogelijke doende om den doctor niet in zijn aangezicht uit te lachen; »meent gij drie nieuwe soorten gevonden te hebben van …”
»Chirostemon pentadactylon, mijn vriend,” zeide de geleerde zachtzinnig.
»Wel, wel.”
»Op zijn minst, misschien zijn er wel vier.”
»Wel zoo! dat is dan wel zeer nuttig?”
»Of dat nuttig is?” riep de doctor geërgerd.
»Maak u niet boos; ik weet het immers niet.”
»Dat is waar!” zeide de geleerde, door den toon van den Zwarten Eland tot bedaren gebracht; »gij kunt het belang van dien arbeid voor den vooruitgang der wetenschap niet begrijpen.”
»Houd dat in het oog! En het is dus alleen, om op die wijze planten uit te trekken, dat gij in de prairiën gekomen zijt?”
»Nergens anders om.”
De Zwarte Eland zag hem aan met die verwondering, welke het gezicht van een onverklaarbaar natuurverschijnsel opwekt; de jager kon maar niet begrijpen, dat een verstandig man er toe komen kon, om van goeder harte zich aan een leven van ontbering en gevaar over te geven, alleen met het doel om planten te verzamelen, die tot niets nut zijn; na een oogenblik te hebben nagedacht kwam hij dan ook tot de overtuiging, dat de geleerde krankzinnig was. Hij zag hem met een meêwarigen blik aan, schudde met zijn hoofd, legde zijn geweer op zijn schouder en maakte aanstalten, om zijn weg te vervolgen.
»Ja, ja!” zeide hij op dien toon, welken men bezigt om kinderen of onnoozelen aan te spreken en te bemoedigen, »gij hebt gelijk,[144]mijn brave heer, trek gij maar planten uit, gij doet niemand kwaad, en er zullen er altijd nog genoeg overblijven. Goed succès en tot weerziens!”
Daarop zijne honden fluitende, deed hij eenige stappen voorwaarts, maar bijna op hetzelfde oogenblik terugkeerende, en zich tot den doctor wendende, die reeds niet meer aan hem dacht, en zijne werkzaamheden, door den jager afgebroken, met ijver hervat had, zeide hij:
»Nog een enkel woordje!”
»Spreek,” antwoordde hij, het hoofd opheffende.
»Ik hoop dat de jonge dame, die mij gisteren in gezelschap van haar oom een bezoek in mijne hatto gebracht heeft, zich wél bevindt? Dat arme kind, gij kunt niet begrijpen, hoeveel belang ik in haar stel, mijn beste heer.”
De doctor stond plotseling op en sloeg zich tegen het voorhoofd.
»Domoor die ik ben!” zeide hij; »ik had het glad vergeten!”
»Vergeten! wat dan?” vroeg de jager verbaasd.
»Dat doet ik nu altijd,” prevelde de geleerde; »gelukkig is het onheil zoo groot niet, en daar gij nog hier zijt, gemakkelijk te herstellen.”
»Waarvan spreekt gij toch?” zeide de jager die ongerust begon te worden.
»Verbeeld u,” ging de doctor bedaard voort, »dat de wetenschap mij zoodanig bezig houdt, dat ik dikwijls vergeet te eten en te drinken, en dus zooveel te eerder, de boodschappen, die mij worden opgedragen.”
»Ter zake, ter zake!” riep de jager ongeduldig.
»Och hemel, de zaak is doodeenvoudig. Ik verliet het kamp met het aanbreken van den dag, om mij naar uwe hatto te begeven; maar hier gekomen, ben ik door de tallooze menigte van zeldzame planten, die ik met de hoeven van mijn paard vertrad, zoodanig afgeleid, dat ik zonder aan het doel van mijn tocht te denken, eerst stil ben blijven staan, om een plant uit te trekken; vervolgens ontdekte ik er nog een die aan mijn verzameling ontbrak, toen nog een, en zoo voort; in ’t kort, ik heb er volstrekt niet meer aan gedacht om naar u te gaan; ik was zoodanig in mijne nasporingen verdiept, dat uw onvoorziene tegenwoordigheid mij nog niet eens aan de boodschap herinnerd heeft, die ik op mij genomen had, om aan u over te brengen.”
»Gij zijt dus met zonsopgang uit het kamp vertrokken?”
»Ja.”
»Weet gij hoe laat het nu is?”
De doctor keek naar de zon.
»Omstreeks drie uur,” antwoordde hij; »maar ik zeg u nog eens het doet er weinig toe; nu gij toch hier zijt, zal ik u melden, watdoñaLuz mij belast heeft aan u over te brengen, en dan zal alles in orde zijn, hoop ik.”[145]
»God geve, dat uwe nalatigheid niet de oorzaak worde van eenig groot onheil,” zeide de jager met een zucht.
»Wat wilt gij daarmede zeggen?”
»Gij zult het spoedig weten; ik hoop dat ik mij vergis. Spreek, ik luister.”
»Hoor dan, watdoñaLuz mij verzocht heeft u te zeggen.”
»Het is dusdoñaLuz, die u tot mij zendt?”
»Zij zelve.”
»Heeft er dan iets ernstigs in het kamp plaats gehad?”
»Waarachtig! dat ’s waar ook, dat kon wel eens van meer belang zijn, dan ik eerst vermoedde. Zie hier het gebeurde: van nacht schijnt het, dat een onzer gidsen.…”
»De Babbelaar?”
»Dezelfde. Kent ge hem?”
»Ja. Ga voort.”
»Nu dan, het schijnt, dat die man in eene samenzwering betrokken was met een anderen bandiet van diezelfde soort, waarschijnlijk om het kamp aan de Indianen over te leveren;doñaLuz heeft bij toeval het gansche gesprek dier schurken afgeluisterd, en op het oogenblik, dat zij langs haar heen gingen om te ontsnappen, heeft zij twee pistolen op hen afgeschoten.”
»En heeft zij ze gedood?”
»Helaas neen; de een, hoewel zonder twijfel zwaar gekwetst, is ontkomen.”
»Wie is dat?”
»De Babbelaar.”
»En toen?”
»Toen heeftdoñaLuz mij laten zweren, dat ik mij tot u begeven zou, en dat ik u zou zeggen, ja wacht eens, wat was het ook?”
»Zwarte Eland, het uur is gekomen,” viel de jager hem in de rede.
»Juist! dat was het,” zeide de geleerde, zich verheugd in de handen wrijvende, »ik wilde het juist zeggen, ik beken dat het mij duister genoeg voorkwam, en dat ik er niets van begrepen heb; maar gij zult het mij uitleggen, niet waar?”
De jager greep hem heftig bij den arm, en zijn aangezicht bij het zijne brengende, zeide hij met gloeiende blikken en met woedend gelaat.
»Armzalige gek! Waarom zijt gij mij niet dadelijk komen opzoeken, in plaats van met nietsdoen uw tijd te verliezen? Uw oponthoud zal misschien de dood uwer vrienden zijn.”
»Is het mogelijk?” riep de doctor overbluft, en zonder er aan te denken om rekenschap te vragen van de brutale wijze, waarop de jager hem op het lijf viel.
»Gij waart met eene boodschap belast, waarvan leven en dood afhing, dwaas die gij zijt; wat nu te doen? misschien is het te laat!”[146]
»O, zeg dat niet!” riep de geleerde blijkbaar ontroerd, »ik zou van wanhoop sterven, als dat waar was.”
De arme man smolt weg in tranen en gaf ondubbelzinnige bewijzen van de grootste smart.
De Zwarte Eland was verplicht hem te troosten.
»Nu, houd maar moed, mijn beste heer,” zeide hij op zachteren toon tot hem: »wat duivel, misschien is alles nog wel niet verloren!”
»O, als ik de oorzaak van een groote ramp moest wezen; ik zou het niet overleven!”
»Nu, wat geschied is, is geschied, wij moeten nu kiezen wat ons te doen staat,” zeide de jager wijsgeerig; »ik ga er over nadenken, hoe ik hen helpen zal. Goddank, ik sta niet zoo alleen als men denken zou; ik hoop binnen weinige uren een dertigtal van de beste schutters der prairie bijeen te hebben.”
»Gij zult hen redden, niet waar?”
»Ik zal ten minste alles doen wat maar met eenige mogelijkheid kan gedaan worden, en als het God behaagt, zal ik wel slagen.”
»De hemel verhoore u!”
»Amen!” zeide de jager, zich ootmoedig kruisende, »en nu gaat gij naar het kamp terug, hoor.”
»Terstond.”
»Maar geen bloemen meer plukken, en geen planten meer uittrekken.”
»O neen, dat zweer ik u; vervloekt zij het uur, waarin ik aan het herboriseeren gegaan ben,” riep de geleerde in komische wanhoop uit.
»Zeer goed, dat is dan afgesproken: gij zult de jonge dame en haar oom gerust gaan stellen; gij zult hen tot waakzaamheid, en als er een aanval geschiedt, tot dapperen tegenstand aanmanen, en gij zult hun zeggen, dat zij weldra hunne vrienden hun ter hulpe zullen zien snellen.”
»Ik zal het zeggen.”
»Te paard dan, en in galop naar het kamp!”
»Wees daar gerust op; maar gij, wat gaat gij doen?”
»Bemoei u met mij niet, ik zal niet werkeloos blijven; maak maar dat gij zoo spoedig mogelijk bij uwe vrienden komt.”
»Over een uur zal ik bij hen zijn.”
»Houd nu maar goeden moed: en alles kan nog goed afloopen.”
De Zwarte Eland liet den toom van het paard, dat hij tot hiertoe vasthield, los, en de geleerde vertrok in snellen draf, hetgeen den goeden man moeielijk genoeg viel, daar hij gedurig zijn evenwicht verloor.
De jager zag hem een oogenblik na; en liep toen met snellen pas het bosch in. Hij had nauwelijks tien minuten geloopen, toen hij eensklaps vlak tegenover Nô Eusébio stond, die, met de moeder van Edelhart, welke bewusteloos dwars over den zadel lag, langzaam kwam aanrijden.[147]
Deze ontmoeting was voor den jager een uitkomst, daar hij nu van den ouden Spanjaard stellige berichten kon erlangen omtrent Edelhart, berichten welke de grijsaard zich haastte hem te geven. Vervolgens begaven de beide mannen zich naar de hut van den pelsjager, waarvan zij niet ver verwijderd waren, en waarin zij voorloopig aan de moeder van hun vriend huisvesting wilden verleenen.