II.

II.OUAKTEHNO.—HIJ DIE DOODT.[Inhoud]I.EDELHART.De verhouding was geheel omgekeerd. De jagers, die een oogenblik te voren aan de genade der Indianen waren prijs gegeven, waren niet alleen vrij, maar bevonden zich in zulk een toestand, dat zij strenge voorwaarden konden stellen. Verscheidene geweren hadden zich naar den Canadees gericht, verscheidene pijlen waren op hem aangelegd; maar op een wenk van den Arendskop werden de geweren afgewend, en de pijlen in de kokers geborgen. De smaad van door twee mannen voor den gek gehouden te worden, die hen stoutmoedig in het midden van hun kamp braveerden, deed den toorn der Comanchen opwellen. Zij erkenden de onmogelijkheid van eene worsteling met hunne dappere tegenstanders. En inderdaad, wat vermochten zij tegen die onverschrokken woudloopers, die hun leven voor niets achtten? Hen dooden? Maar zoo zij vielen, zouden zij onmeedoogend de gevangenen vermoorden, die men wilde redden. Het gevoel, dat bij de Roodhuiden het sterkst ontwikkeld is, is de liefde voor het huisgezin. Waar het zijne kinderen of zijne vrouw geldt, zal de bloeddorstigste krijgsman niet aarzelen zich aan voorwaarden te onderwerpen, waartoe anders de afschuwelijkste martelingen hem niet zouden kunnen dwingen. Toen dan ook de Arendskop zijne vrouw en zijn zoon in de macht van Goedsmoeds zag, dacht hij aan niets meer dan aan hun behoud.Van alle menschen zijn de Indianen misschien diegenen, die het gemakkelijkst zich naar eene onvoorziene omstandigheid weten te schikken.[128]Het hoofd der Comanchen begroef den haat en den toorn, die hem verteerden, in het diepst van zijn hart. Met een edele en ongedwongene beweging wierp hij het kleed, dat hem tot mantel strekte, naar achteren, en met een kalm gelaat en een glimlach op de lippen, naderde hij de jagers.»Mijne bleeke broeders,” zeide het opperhoofd, »zijn vol wijsheid, hoewel hunne haren nog zwart zijn; zij kennen al de listen die de groote krijgslieden onderscheiden; zij hebben de slimheid van den bever en den moed van den leeuw.”De beide mannen bogen stilzwijgend.De Arendskop ging voort.»Nademaal mijn broeder Edelhart, zich in het kamp van de Comanchen der groote meren bevindt, zoo is eindelijk het uur gekomen dat de wolken verdrijft, die tusschen hem en de Roodhuiden zijn opgerezen. Edelhart is rechtvaardig; hij verklare zich zonder vrees; hij staat voor vermaarde opperhoofden, die niet zullen aarzelen het ongelijk te bekennen, dat zij hem hebben aangedaan.”»O, zoo!” antwoordde de Canadees; »de Arendskop is wel spoedig van gevoelen omtrent ons veranderd; meent hij ons met ijdele woorden te kunnen misleiden?”Het oog van den Indiaan schoot bliksemstralen; maar met de uiterste krachtsinspanning gelukte het hem zich in te houden.Eensklaps plaatste zich een man vlak tusschen de beide sprekers in. Die man was Eshis, de eerwaardigste krijgsman van den stam.De grijsaard verhief langzaam zijn arm.»Dat mijne kinderen luisteren,” zeide hij; »alles moet heden worden opgelost; de bleeke jagers zullen in den raad de calumet rooken.”»Het geschiede alzoo,” zeide Edelhart.Op een teeken van de Zon, schaarden de voornaamste hoofden van den stam zich om hem heen.Goedsmoeds was niet van houding veranderd, hij hield zich gereed, om bij het minste verdachte teeken zijne gevangenen op te offeren.Toen de pijp de ronde gedaan had in den kring, die zich om de jagers gevormd had, maakte de oude hoofdman een buiging voor de blanken, en sprak hen aldus aan.»Krijgslieden, ik dank denMeester des levensdaarvoor dat hij ons Roodhuiden lief heeft, en dat hij ons heden deze mannen zendt, om hun hart voor ons te openen. Schept moed, jonge lieden, laat geen zorg u drukken, en jaagt den boozen geest verre van u. Wij hebben u lief, Edelhart, wij hebben van uwe goedheid voor de Indianen hooren spreken. Wij weten dat uw hart open is, en dat uwe aderen helder zijn als de zon. Het is waar, dat wij, Indianen, ons verstand niet gebruiken, als het vuur der geestdrift ons bezielt, en dat wij u[129]in verschillende omstandigheden hebben mishaagd. Maar wij hopen, dat gij er niet meer aan denken zult, en dat, zoolang gij en wij in de prairiën zullen wonen, wij aan elkanders zijde zullen jagen, gelijk het aan krijgslieden, die elkander lief hebben en eerbiedigen, betaamt.”1Edelhart antwoordde:»Gij, hoofden en leden van de natie der Comanchen van de groote meren, wier oogen geopend zijn, ik hoop dat gij een luisterend oor verleenen zult aan de woorden van mijnen mond. De Meester des levens heeft mijn verstand geopend en woorden van vriendschap in mijne borst geblazen. Mijn hart vloeit over van welwillende gevoelens voor u, voor uwe vrouwen, voor uwe kinderen, en wat ik in dit oogenblik tot u zeg, komt voort uit het hart van mijn vriend en van mij: nooit is in de prairie mijne hatto gesloten geweest voor de jagers van uwe natie. Waarom doet gij dan mij den oorlog aan? Waarom dan martelt gij mijne moeder, die eene oude vrouw is? Waarom tracht gij mij van het leven te berooven? Ik heb er een afkeer van, om het bloed der Indianen te vergieten; want ik herhaal het u, ondanks al het kwaad, dat gij mij gedaan hebt, is mijn hart u toegenegen.”»Ooah!” viel de Arendskop hem in de rede, »mijn broeder spreekt goed; maar de wond, die hij mij toegebracht heeft, is nog niet geheeld.”»Mijn broeder is dwaas,” antwoordde de jager; »houdt hij mij dan voor zulk een sukkel, dat ik hem niet zou hebben gedood, indien zulks mijn voornemen ware geweest. Ik ga u bewijzen, waartoe ik in staat ben, en hoe ik den moed van een krijgsman begrijp. Op een teeken van mij zullen deze vrouw en dat kind hebben opgehouden te leven.”»Ja,” zeide Goedsmoeds.Een rilling liep door de rijen der vergadering. De Arendskop voelde, dat een koud zweet zijne slapen overdekte.Edelhart bewaarde een oogenblik het stilzwijgen, op de Indianen een blik slaande, dien het onmogelijk is te beschrijven; vervolgens met verachting de schouders ophalende, wierp hij zijne wapenen voor zijne voeten en de armen kruiselings over de borst slaande, wendde hij zich naar den Canadees.[130]»Goedsmoeds,” zeide hij, kalm en met nadruk, »geef aan die arme schepsels de vrijheid terug.”»Waaraan denkt gij?” riep de jager verschrikt uit; »het zou uw doodvonnis zijn.”»Dat weet ik.”»Welnu?”»Ik smeek er u om.”De Canadees antwoordde niet; hij begon tusschen zijne tanden te fluiten, en zijn mes te voorschijn halende, sneed hij de banden door, die de gevangenen vasthielden. Deze sprongen als jaguars weg, en gingen brullend van vreugde zich achter hunne vrienden verschuilen. Goedsmoeds borg zijn mes in den gordel, wierp zijne wapenen weg, klom van zijn paard af en plaatste zich vastberaden naast Edelhart.»Wat doet gij toch?” riep deze, »red u, mijn vriend.”»Mij redden, waarom?” antwoordde de Canadees onbezorgd; »bij God! neen, wij moeten toch allen eens sterven; ik doe het even gaarne nu als later; ik zal misschien nooit weder zulk eene goede gelegenheid vinden.”De twee mannen drukten elkander krachtig de hand.»Nu, opperhoofden,” zeide Edelhart op kalmen toon, »nu zijn wij in uwe macht! doet met ons wat u zal goed dunken.”De Comanchen zagen elkander een oogenblik met verbazing aan; de stoïcijnsche zelfverloochening dezer twee mannen, die door de stoutmoedige daad van een hunner, niet alleen hadden kunnen ontsnappen, maar hun tevens de wet hadden kunnen voorschrijven, en die, in plaats van gebruik te maken van dit onbeperkte voordeel, hunne wapenen wegwierpen en zich ter hunner beschikking stelden, scheen hun toe alle voorbeelden van heldenmoed te overtreffen, waarvan hunne natie de herinnering bewaarde.Er volgde een vrij lang stilzwijgen, gedurende hetwelk men het hart dier ijzeren mannen in hunne borst had kunnen hooren kloppen.Eindelijk wierp de Arendskop, na eenige seconden geaarzeld te hebben, zijne wapenen weg, en den jagers naderende, zeide hij met een bewogen stem, die sterk afstak bij het kalm en onverschillig uiterlijk, dat hij vruchteloos poogde te bewaren:»Het is waar, krijgslieden der bleekgezichten, dat gij een groot verstand hebt, dat het de woorden verzacht, die gij tot ons richt, en dat wij allen u verstaan; wij weten ook dat de waarheid uwe lippen opent, het kan niet anders of wij Indianen, die niet het verstand der blanken hebben, moeten dikwijls, zonder het te willen, verkeerde daden doen, maar wij hopen, dat Edelhart de huid van zijn hart zal wegnemen, opdat het open zij als het onze, en dat tusschen ons de bijl zal begraven worden, zoo diep, dat de zonen van de zonen onzer kleinzonen, in duizend manen en honderd bovendien, haar niet zullen wedervinden.”[131]En de beide handen op de schouders van den jager leggende, kuste hij hem op de oogen, er bijvoegende:»Edelhart, wees mijn broeder!”»Het zij zoo,” zeide de jager, verheugd over deze ontknooping; »voortaan zal ik voor de Comanchen evenveel vriendschap koesteren, als tot nu toe wantrouwen.”De Indiaansche hoofden verdrongen zich om hunne nieuwe vrienden, en overlaadden hen met teekenen van genegenheid en hoogachting.De beide jagers waren sedert lang met den stam van den Slang bekend, hun naam was dikwijls gedurende den nacht, rondom het vuur van het kamp, genoemd geworden, het verhaal hunner heldendaden had de jongelieden, aan wie de oude soldaten ze vertelden, met bewondering vervuld.De verzoening van Edelhart met den Arendskop was oprecht; er bleef tusschen hen niet het minste spoor van den ouden haat meer over. De heldenmoed van den blanken jager had den wrok van den Roodhuid overwonnen.De beide mannen zaten vreedzaam aan den ingang eener hut te praten, toen er op eens een groote schreeuw gehoord werd, en een Indiaan met van schrik verbleekte trekken, zich in het kamp wierp. Allen drongen zich om dien man heen, om te hooren wat hij te zeggen had, maar zoodra de Indiaan den Arendskop zag, wendde hij zich tot dezen.»Wat gebeurt er?” vroeg het opperhoofd.De Indiaan wierp een woesten blik op Edelhart en Goedsmoeds, die evenmin als de anderen de oorzaak van dien schrik gissen konden.»Pas op, dat die bleekmuilen niet ontsnappen, wij zijn verraden!” zeide hij hijgend.»Dat mijn broeder zich duidelijker uitdrukke!” beval de Arendskop.»Al de blanke pelsjagers, deLange messen van het Westenzijn vereenigd; zij vormen eene krijgsbende van omstreeks honderd man; zij zijn in aantocht en wel op zulk eene wijze, dat zij op eens het kamp van alle kanten kunnen omsingelen.”»Zijt gij er zeker van, dat die jagers als vijanden komen?” vroeg het opperhoofd.»Hoe kan het anders zijn?” antwoordde de Indiaan; »zij kruipen als slangen door het hooge gras, met het geweer naar voren en het scalpeermes tusschen de tanden. Hoofdman, wij zijn verraden, die twee mannen zijn in ons midden gezonden, om onze waakzaamheid te verschalken.”De Arendskop en Edelhart wisselden een glimlach, die voor allen, behalve voor hen zelven een raadsel was.Het opperhoofd wendde zich tot den Indiaan.»Gij hebt den aanvoerder der jagers gezien, niet waar?”»Ja, ik heb hem gezien.”[132]»En het isAmick—de Zwarte Eland—de bewaker van de vallen van Edelhart.”»Wie zou het anders kunnen zijn?”»Goed, verwijder u,” zeide de krijgsman, den bode met een wenk wegzendende; vervolgens richtte hij zich tot den jager.»Wat moet er gedaan worden?” vroeg hij.»Niets,” antwoordde Edelhart; »dit is eene zaak, die mij aangaat, ik verzoek dus dat mijn broeder mij alleen late handelen.”»Mijn broeder is hier meester.”»Ik ga de jagers verkennen; dat de Arendskop tot aan mijne terugkomst zijne jonge lieden in het kamp terughoude.”»Het zal geschieden,”Edelhart wierp zijn geweer over zijn schouder, gaf Goedsmoeds de hand, lachte den hoofdman vriendelijk toe, en wendde zich naar het bosch met dien kalmen en bedaarden tred, die hem eigen was.Hij verdween weldra te midden van het geboomte.»Hm!” zeide Goedsmoeds, terwijl hij zijn Indiaansche pijp aanstak, tot den Arendskop; »gij ziet, hoofdman, dat het in deze wereld niet altijd eene verkeerde rekening geeft, als men zich door zijn hart laat leiden.”En meer dan voldaan over deze wijsgeerige ontboezeming, die hem voor de plechtigheid van het oogenblik bijzonder geschikt toescheen, wikkelde de Canadees zich in een dikke wolk van rook.Op bevel van den hoofdman werden al de verkenners, die op de grenzen van het kamp verspreid waren, teruggeroepen.De Indianen wachtten angstig den uitslag van Edelharts onderneming af.1Om aan de belangstelling onzer lezers te voldoen, geven wij hier deze redevoering in het oorspronkelijke, als een proefje van de taal der Comanchen.Meegvoitch kitchée manitoo, kaigait-kee zargetoone an nishinnorbay nogomé, shafhijyar payshik artawway winnin tercushenan, cawween kitchée morgussey, an nishinnorbay nogomé, cawwickar indenendum Kaygait kitchée muskowway geossay haguarmissey waybenau matchée oathy nee zargetoone saggonash artawway winnin kaygait hapadgey kitchée morgussey an nishinnorbay; kaig notch annaboikassey nennerwind mornooch towvach nee zargey debwoije kee appayomar, cuppar bebone nepewar appiminiqui omar.↑

II.OUAKTEHNO.—HIJ DIE DOODT.[Inhoud]I.EDELHART.De verhouding was geheel omgekeerd. De jagers, die een oogenblik te voren aan de genade der Indianen waren prijs gegeven, waren niet alleen vrij, maar bevonden zich in zulk een toestand, dat zij strenge voorwaarden konden stellen. Verscheidene geweren hadden zich naar den Canadees gericht, verscheidene pijlen waren op hem aangelegd; maar op een wenk van den Arendskop werden de geweren afgewend, en de pijlen in de kokers geborgen. De smaad van door twee mannen voor den gek gehouden te worden, die hen stoutmoedig in het midden van hun kamp braveerden, deed den toorn der Comanchen opwellen. Zij erkenden de onmogelijkheid van eene worsteling met hunne dappere tegenstanders. En inderdaad, wat vermochten zij tegen die onverschrokken woudloopers, die hun leven voor niets achtten? Hen dooden? Maar zoo zij vielen, zouden zij onmeedoogend de gevangenen vermoorden, die men wilde redden. Het gevoel, dat bij de Roodhuiden het sterkst ontwikkeld is, is de liefde voor het huisgezin. Waar het zijne kinderen of zijne vrouw geldt, zal de bloeddorstigste krijgsman niet aarzelen zich aan voorwaarden te onderwerpen, waartoe anders de afschuwelijkste martelingen hem niet zouden kunnen dwingen. Toen dan ook de Arendskop zijne vrouw en zijn zoon in de macht van Goedsmoeds zag, dacht hij aan niets meer dan aan hun behoud.Van alle menschen zijn de Indianen misschien diegenen, die het gemakkelijkst zich naar eene onvoorziene omstandigheid weten te schikken.[128]Het hoofd der Comanchen begroef den haat en den toorn, die hem verteerden, in het diepst van zijn hart. Met een edele en ongedwongene beweging wierp hij het kleed, dat hem tot mantel strekte, naar achteren, en met een kalm gelaat en een glimlach op de lippen, naderde hij de jagers.»Mijne bleeke broeders,” zeide het opperhoofd, »zijn vol wijsheid, hoewel hunne haren nog zwart zijn; zij kennen al de listen die de groote krijgslieden onderscheiden; zij hebben de slimheid van den bever en den moed van den leeuw.”De beide mannen bogen stilzwijgend.De Arendskop ging voort.»Nademaal mijn broeder Edelhart, zich in het kamp van de Comanchen der groote meren bevindt, zoo is eindelijk het uur gekomen dat de wolken verdrijft, die tusschen hem en de Roodhuiden zijn opgerezen. Edelhart is rechtvaardig; hij verklare zich zonder vrees; hij staat voor vermaarde opperhoofden, die niet zullen aarzelen het ongelijk te bekennen, dat zij hem hebben aangedaan.”»O, zoo!” antwoordde de Canadees; »de Arendskop is wel spoedig van gevoelen omtrent ons veranderd; meent hij ons met ijdele woorden te kunnen misleiden?”Het oog van den Indiaan schoot bliksemstralen; maar met de uiterste krachtsinspanning gelukte het hem zich in te houden.Eensklaps plaatste zich een man vlak tusschen de beide sprekers in. Die man was Eshis, de eerwaardigste krijgsman van den stam.De grijsaard verhief langzaam zijn arm.»Dat mijne kinderen luisteren,” zeide hij; »alles moet heden worden opgelost; de bleeke jagers zullen in den raad de calumet rooken.”»Het geschiede alzoo,” zeide Edelhart.Op een teeken van de Zon, schaarden de voornaamste hoofden van den stam zich om hem heen.Goedsmoeds was niet van houding veranderd, hij hield zich gereed, om bij het minste verdachte teeken zijne gevangenen op te offeren.Toen de pijp de ronde gedaan had in den kring, die zich om de jagers gevormd had, maakte de oude hoofdman een buiging voor de blanken, en sprak hen aldus aan.»Krijgslieden, ik dank denMeester des levensdaarvoor dat hij ons Roodhuiden lief heeft, en dat hij ons heden deze mannen zendt, om hun hart voor ons te openen. Schept moed, jonge lieden, laat geen zorg u drukken, en jaagt den boozen geest verre van u. Wij hebben u lief, Edelhart, wij hebben van uwe goedheid voor de Indianen hooren spreken. Wij weten dat uw hart open is, en dat uwe aderen helder zijn als de zon. Het is waar, dat wij, Indianen, ons verstand niet gebruiken, als het vuur der geestdrift ons bezielt, en dat wij u[129]in verschillende omstandigheden hebben mishaagd. Maar wij hopen, dat gij er niet meer aan denken zult, en dat, zoolang gij en wij in de prairiën zullen wonen, wij aan elkanders zijde zullen jagen, gelijk het aan krijgslieden, die elkander lief hebben en eerbiedigen, betaamt.”1Edelhart antwoordde:»Gij, hoofden en leden van de natie der Comanchen van de groote meren, wier oogen geopend zijn, ik hoop dat gij een luisterend oor verleenen zult aan de woorden van mijnen mond. De Meester des levens heeft mijn verstand geopend en woorden van vriendschap in mijne borst geblazen. Mijn hart vloeit over van welwillende gevoelens voor u, voor uwe vrouwen, voor uwe kinderen, en wat ik in dit oogenblik tot u zeg, komt voort uit het hart van mijn vriend en van mij: nooit is in de prairie mijne hatto gesloten geweest voor de jagers van uwe natie. Waarom doet gij dan mij den oorlog aan? Waarom dan martelt gij mijne moeder, die eene oude vrouw is? Waarom tracht gij mij van het leven te berooven? Ik heb er een afkeer van, om het bloed der Indianen te vergieten; want ik herhaal het u, ondanks al het kwaad, dat gij mij gedaan hebt, is mijn hart u toegenegen.”»Ooah!” viel de Arendskop hem in de rede, »mijn broeder spreekt goed; maar de wond, die hij mij toegebracht heeft, is nog niet geheeld.”»Mijn broeder is dwaas,” antwoordde de jager; »houdt hij mij dan voor zulk een sukkel, dat ik hem niet zou hebben gedood, indien zulks mijn voornemen ware geweest. Ik ga u bewijzen, waartoe ik in staat ben, en hoe ik den moed van een krijgsman begrijp. Op een teeken van mij zullen deze vrouw en dat kind hebben opgehouden te leven.”»Ja,” zeide Goedsmoeds.Een rilling liep door de rijen der vergadering. De Arendskop voelde, dat een koud zweet zijne slapen overdekte.Edelhart bewaarde een oogenblik het stilzwijgen, op de Indianen een blik slaande, dien het onmogelijk is te beschrijven; vervolgens met verachting de schouders ophalende, wierp hij zijne wapenen voor zijne voeten en de armen kruiselings over de borst slaande, wendde hij zich naar den Canadees.[130]»Goedsmoeds,” zeide hij, kalm en met nadruk, »geef aan die arme schepsels de vrijheid terug.”»Waaraan denkt gij?” riep de jager verschrikt uit; »het zou uw doodvonnis zijn.”»Dat weet ik.”»Welnu?”»Ik smeek er u om.”De Canadees antwoordde niet; hij begon tusschen zijne tanden te fluiten, en zijn mes te voorschijn halende, sneed hij de banden door, die de gevangenen vasthielden. Deze sprongen als jaguars weg, en gingen brullend van vreugde zich achter hunne vrienden verschuilen. Goedsmoeds borg zijn mes in den gordel, wierp zijne wapenen weg, klom van zijn paard af en plaatste zich vastberaden naast Edelhart.»Wat doet gij toch?” riep deze, »red u, mijn vriend.”»Mij redden, waarom?” antwoordde de Canadees onbezorgd; »bij God! neen, wij moeten toch allen eens sterven; ik doe het even gaarne nu als later; ik zal misschien nooit weder zulk eene goede gelegenheid vinden.”De twee mannen drukten elkander krachtig de hand.»Nu, opperhoofden,” zeide Edelhart op kalmen toon, »nu zijn wij in uwe macht! doet met ons wat u zal goed dunken.”De Comanchen zagen elkander een oogenblik met verbazing aan; de stoïcijnsche zelfverloochening dezer twee mannen, die door de stoutmoedige daad van een hunner, niet alleen hadden kunnen ontsnappen, maar hun tevens de wet hadden kunnen voorschrijven, en die, in plaats van gebruik te maken van dit onbeperkte voordeel, hunne wapenen wegwierpen en zich ter hunner beschikking stelden, scheen hun toe alle voorbeelden van heldenmoed te overtreffen, waarvan hunne natie de herinnering bewaarde.Er volgde een vrij lang stilzwijgen, gedurende hetwelk men het hart dier ijzeren mannen in hunne borst had kunnen hooren kloppen.Eindelijk wierp de Arendskop, na eenige seconden geaarzeld te hebben, zijne wapenen weg, en den jagers naderende, zeide hij met een bewogen stem, die sterk afstak bij het kalm en onverschillig uiterlijk, dat hij vruchteloos poogde te bewaren:»Het is waar, krijgslieden der bleekgezichten, dat gij een groot verstand hebt, dat het de woorden verzacht, die gij tot ons richt, en dat wij allen u verstaan; wij weten ook dat de waarheid uwe lippen opent, het kan niet anders of wij Indianen, die niet het verstand der blanken hebben, moeten dikwijls, zonder het te willen, verkeerde daden doen, maar wij hopen, dat Edelhart de huid van zijn hart zal wegnemen, opdat het open zij als het onze, en dat tusschen ons de bijl zal begraven worden, zoo diep, dat de zonen van de zonen onzer kleinzonen, in duizend manen en honderd bovendien, haar niet zullen wedervinden.”[131]En de beide handen op de schouders van den jager leggende, kuste hij hem op de oogen, er bijvoegende:»Edelhart, wees mijn broeder!”»Het zij zoo,” zeide de jager, verheugd over deze ontknooping; »voortaan zal ik voor de Comanchen evenveel vriendschap koesteren, als tot nu toe wantrouwen.”De Indiaansche hoofden verdrongen zich om hunne nieuwe vrienden, en overlaadden hen met teekenen van genegenheid en hoogachting.De beide jagers waren sedert lang met den stam van den Slang bekend, hun naam was dikwijls gedurende den nacht, rondom het vuur van het kamp, genoemd geworden, het verhaal hunner heldendaden had de jongelieden, aan wie de oude soldaten ze vertelden, met bewondering vervuld.De verzoening van Edelhart met den Arendskop was oprecht; er bleef tusschen hen niet het minste spoor van den ouden haat meer over. De heldenmoed van den blanken jager had den wrok van den Roodhuid overwonnen.De beide mannen zaten vreedzaam aan den ingang eener hut te praten, toen er op eens een groote schreeuw gehoord werd, en een Indiaan met van schrik verbleekte trekken, zich in het kamp wierp. Allen drongen zich om dien man heen, om te hooren wat hij te zeggen had, maar zoodra de Indiaan den Arendskop zag, wendde hij zich tot dezen.»Wat gebeurt er?” vroeg het opperhoofd.De Indiaan wierp een woesten blik op Edelhart en Goedsmoeds, die evenmin als de anderen de oorzaak van dien schrik gissen konden.»Pas op, dat die bleekmuilen niet ontsnappen, wij zijn verraden!” zeide hij hijgend.»Dat mijn broeder zich duidelijker uitdrukke!” beval de Arendskop.»Al de blanke pelsjagers, deLange messen van het Westenzijn vereenigd; zij vormen eene krijgsbende van omstreeks honderd man; zij zijn in aantocht en wel op zulk eene wijze, dat zij op eens het kamp van alle kanten kunnen omsingelen.”»Zijt gij er zeker van, dat die jagers als vijanden komen?” vroeg het opperhoofd.»Hoe kan het anders zijn?” antwoordde de Indiaan; »zij kruipen als slangen door het hooge gras, met het geweer naar voren en het scalpeermes tusschen de tanden. Hoofdman, wij zijn verraden, die twee mannen zijn in ons midden gezonden, om onze waakzaamheid te verschalken.”De Arendskop en Edelhart wisselden een glimlach, die voor allen, behalve voor hen zelven een raadsel was.Het opperhoofd wendde zich tot den Indiaan.»Gij hebt den aanvoerder der jagers gezien, niet waar?”»Ja, ik heb hem gezien.”[132]»En het isAmick—de Zwarte Eland—de bewaker van de vallen van Edelhart.”»Wie zou het anders kunnen zijn?”»Goed, verwijder u,” zeide de krijgsman, den bode met een wenk wegzendende; vervolgens richtte hij zich tot den jager.»Wat moet er gedaan worden?” vroeg hij.»Niets,” antwoordde Edelhart; »dit is eene zaak, die mij aangaat, ik verzoek dus dat mijn broeder mij alleen late handelen.”»Mijn broeder is hier meester.”»Ik ga de jagers verkennen; dat de Arendskop tot aan mijne terugkomst zijne jonge lieden in het kamp terughoude.”»Het zal geschieden,”Edelhart wierp zijn geweer over zijn schouder, gaf Goedsmoeds de hand, lachte den hoofdman vriendelijk toe, en wendde zich naar het bosch met dien kalmen en bedaarden tred, die hem eigen was.Hij verdween weldra te midden van het geboomte.»Hm!” zeide Goedsmoeds, terwijl hij zijn Indiaansche pijp aanstak, tot den Arendskop; »gij ziet, hoofdman, dat het in deze wereld niet altijd eene verkeerde rekening geeft, als men zich door zijn hart laat leiden.”En meer dan voldaan over deze wijsgeerige ontboezeming, die hem voor de plechtigheid van het oogenblik bijzonder geschikt toescheen, wikkelde de Canadees zich in een dikke wolk van rook.Op bevel van den hoofdman werden al de verkenners, die op de grenzen van het kamp verspreid waren, teruggeroepen.De Indianen wachtten angstig den uitslag van Edelharts onderneming af.1Om aan de belangstelling onzer lezers te voldoen, geven wij hier deze redevoering in het oorspronkelijke, als een proefje van de taal der Comanchen.Meegvoitch kitchée manitoo, kaigait-kee zargetoone an nishinnorbay nogomé, shafhijyar payshik artawway winnin tercushenan, cawween kitchée morgussey, an nishinnorbay nogomé, cawwickar indenendum Kaygait kitchée muskowway geossay haguarmissey waybenau matchée oathy nee zargetoone saggonash artawway winnin kaygait hapadgey kitchée morgussey an nishinnorbay; kaig notch annaboikassey nennerwind mornooch towvach nee zargey debwoije kee appayomar, cuppar bebone nepewar appiminiqui omar.↑

[Inhoud]I.EDELHART.De verhouding was geheel omgekeerd. De jagers, die een oogenblik te voren aan de genade der Indianen waren prijs gegeven, waren niet alleen vrij, maar bevonden zich in zulk een toestand, dat zij strenge voorwaarden konden stellen. Verscheidene geweren hadden zich naar den Canadees gericht, verscheidene pijlen waren op hem aangelegd; maar op een wenk van den Arendskop werden de geweren afgewend, en de pijlen in de kokers geborgen. De smaad van door twee mannen voor den gek gehouden te worden, die hen stoutmoedig in het midden van hun kamp braveerden, deed den toorn der Comanchen opwellen. Zij erkenden de onmogelijkheid van eene worsteling met hunne dappere tegenstanders. En inderdaad, wat vermochten zij tegen die onverschrokken woudloopers, die hun leven voor niets achtten? Hen dooden? Maar zoo zij vielen, zouden zij onmeedoogend de gevangenen vermoorden, die men wilde redden. Het gevoel, dat bij de Roodhuiden het sterkst ontwikkeld is, is de liefde voor het huisgezin. Waar het zijne kinderen of zijne vrouw geldt, zal de bloeddorstigste krijgsman niet aarzelen zich aan voorwaarden te onderwerpen, waartoe anders de afschuwelijkste martelingen hem niet zouden kunnen dwingen. Toen dan ook de Arendskop zijne vrouw en zijn zoon in de macht van Goedsmoeds zag, dacht hij aan niets meer dan aan hun behoud.Van alle menschen zijn de Indianen misschien diegenen, die het gemakkelijkst zich naar eene onvoorziene omstandigheid weten te schikken.[128]Het hoofd der Comanchen begroef den haat en den toorn, die hem verteerden, in het diepst van zijn hart. Met een edele en ongedwongene beweging wierp hij het kleed, dat hem tot mantel strekte, naar achteren, en met een kalm gelaat en een glimlach op de lippen, naderde hij de jagers.»Mijne bleeke broeders,” zeide het opperhoofd, »zijn vol wijsheid, hoewel hunne haren nog zwart zijn; zij kennen al de listen die de groote krijgslieden onderscheiden; zij hebben de slimheid van den bever en den moed van den leeuw.”De beide mannen bogen stilzwijgend.De Arendskop ging voort.»Nademaal mijn broeder Edelhart, zich in het kamp van de Comanchen der groote meren bevindt, zoo is eindelijk het uur gekomen dat de wolken verdrijft, die tusschen hem en de Roodhuiden zijn opgerezen. Edelhart is rechtvaardig; hij verklare zich zonder vrees; hij staat voor vermaarde opperhoofden, die niet zullen aarzelen het ongelijk te bekennen, dat zij hem hebben aangedaan.”»O, zoo!” antwoordde de Canadees; »de Arendskop is wel spoedig van gevoelen omtrent ons veranderd; meent hij ons met ijdele woorden te kunnen misleiden?”Het oog van den Indiaan schoot bliksemstralen; maar met de uiterste krachtsinspanning gelukte het hem zich in te houden.Eensklaps plaatste zich een man vlak tusschen de beide sprekers in. Die man was Eshis, de eerwaardigste krijgsman van den stam.De grijsaard verhief langzaam zijn arm.»Dat mijne kinderen luisteren,” zeide hij; »alles moet heden worden opgelost; de bleeke jagers zullen in den raad de calumet rooken.”»Het geschiede alzoo,” zeide Edelhart.Op een teeken van de Zon, schaarden de voornaamste hoofden van den stam zich om hem heen.Goedsmoeds was niet van houding veranderd, hij hield zich gereed, om bij het minste verdachte teeken zijne gevangenen op te offeren.Toen de pijp de ronde gedaan had in den kring, die zich om de jagers gevormd had, maakte de oude hoofdman een buiging voor de blanken, en sprak hen aldus aan.»Krijgslieden, ik dank denMeester des levensdaarvoor dat hij ons Roodhuiden lief heeft, en dat hij ons heden deze mannen zendt, om hun hart voor ons te openen. Schept moed, jonge lieden, laat geen zorg u drukken, en jaagt den boozen geest verre van u. Wij hebben u lief, Edelhart, wij hebben van uwe goedheid voor de Indianen hooren spreken. Wij weten dat uw hart open is, en dat uwe aderen helder zijn als de zon. Het is waar, dat wij, Indianen, ons verstand niet gebruiken, als het vuur der geestdrift ons bezielt, en dat wij u[129]in verschillende omstandigheden hebben mishaagd. Maar wij hopen, dat gij er niet meer aan denken zult, en dat, zoolang gij en wij in de prairiën zullen wonen, wij aan elkanders zijde zullen jagen, gelijk het aan krijgslieden, die elkander lief hebben en eerbiedigen, betaamt.”1Edelhart antwoordde:»Gij, hoofden en leden van de natie der Comanchen van de groote meren, wier oogen geopend zijn, ik hoop dat gij een luisterend oor verleenen zult aan de woorden van mijnen mond. De Meester des levens heeft mijn verstand geopend en woorden van vriendschap in mijne borst geblazen. Mijn hart vloeit over van welwillende gevoelens voor u, voor uwe vrouwen, voor uwe kinderen, en wat ik in dit oogenblik tot u zeg, komt voort uit het hart van mijn vriend en van mij: nooit is in de prairie mijne hatto gesloten geweest voor de jagers van uwe natie. Waarom doet gij dan mij den oorlog aan? Waarom dan martelt gij mijne moeder, die eene oude vrouw is? Waarom tracht gij mij van het leven te berooven? Ik heb er een afkeer van, om het bloed der Indianen te vergieten; want ik herhaal het u, ondanks al het kwaad, dat gij mij gedaan hebt, is mijn hart u toegenegen.”»Ooah!” viel de Arendskop hem in de rede, »mijn broeder spreekt goed; maar de wond, die hij mij toegebracht heeft, is nog niet geheeld.”»Mijn broeder is dwaas,” antwoordde de jager; »houdt hij mij dan voor zulk een sukkel, dat ik hem niet zou hebben gedood, indien zulks mijn voornemen ware geweest. Ik ga u bewijzen, waartoe ik in staat ben, en hoe ik den moed van een krijgsman begrijp. Op een teeken van mij zullen deze vrouw en dat kind hebben opgehouden te leven.”»Ja,” zeide Goedsmoeds.Een rilling liep door de rijen der vergadering. De Arendskop voelde, dat een koud zweet zijne slapen overdekte.Edelhart bewaarde een oogenblik het stilzwijgen, op de Indianen een blik slaande, dien het onmogelijk is te beschrijven; vervolgens met verachting de schouders ophalende, wierp hij zijne wapenen voor zijne voeten en de armen kruiselings over de borst slaande, wendde hij zich naar den Canadees.[130]»Goedsmoeds,” zeide hij, kalm en met nadruk, »geef aan die arme schepsels de vrijheid terug.”»Waaraan denkt gij?” riep de jager verschrikt uit; »het zou uw doodvonnis zijn.”»Dat weet ik.”»Welnu?”»Ik smeek er u om.”De Canadees antwoordde niet; hij begon tusschen zijne tanden te fluiten, en zijn mes te voorschijn halende, sneed hij de banden door, die de gevangenen vasthielden. Deze sprongen als jaguars weg, en gingen brullend van vreugde zich achter hunne vrienden verschuilen. Goedsmoeds borg zijn mes in den gordel, wierp zijne wapenen weg, klom van zijn paard af en plaatste zich vastberaden naast Edelhart.»Wat doet gij toch?” riep deze, »red u, mijn vriend.”»Mij redden, waarom?” antwoordde de Canadees onbezorgd; »bij God! neen, wij moeten toch allen eens sterven; ik doe het even gaarne nu als later; ik zal misschien nooit weder zulk eene goede gelegenheid vinden.”De twee mannen drukten elkander krachtig de hand.»Nu, opperhoofden,” zeide Edelhart op kalmen toon, »nu zijn wij in uwe macht! doet met ons wat u zal goed dunken.”De Comanchen zagen elkander een oogenblik met verbazing aan; de stoïcijnsche zelfverloochening dezer twee mannen, die door de stoutmoedige daad van een hunner, niet alleen hadden kunnen ontsnappen, maar hun tevens de wet hadden kunnen voorschrijven, en die, in plaats van gebruik te maken van dit onbeperkte voordeel, hunne wapenen wegwierpen en zich ter hunner beschikking stelden, scheen hun toe alle voorbeelden van heldenmoed te overtreffen, waarvan hunne natie de herinnering bewaarde.Er volgde een vrij lang stilzwijgen, gedurende hetwelk men het hart dier ijzeren mannen in hunne borst had kunnen hooren kloppen.Eindelijk wierp de Arendskop, na eenige seconden geaarzeld te hebben, zijne wapenen weg, en den jagers naderende, zeide hij met een bewogen stem, die sterk afstak bij het kalm en onverschillig uiterlijk, dat hij vruchteloos poogde te bewaren:»Het is waar, krijgslieden der bleekgezichten, dat gij een groot verstand hebt, dat het de woorden verzacht, die gij tot ons richt, en dat wij allen u verstaan; wij weten ook dat de waarheid uwe lippen opent, het kan niet anders of wij Indianen, die niet het verstand der blanken hebben, moeten dikwijls, zonder het te willen, verkeerde daden doen, maar wij hopen, dat Edelhart de huid van zijn hart zal wegnemen, opdat het open zij als het onze, en dat tusschen ons de bijl zal begraven worden, zoo diep, dat de zonen van de zonen onzer kleinzonen, in duizend manen en honderd bovendien, haar niet zullen wedervinden.”[131]En de beide handen op de schouders van den jager leggende, kuste hij hem op de oogen, er bijvoegende:»Edelhart, wees mijn broeder!”»Het zij zoo,” zeide de jager, verheugd over deze ontknooping; »voortaan zal ik voor de Comanchen evenveel vriendschap koesteren, als tot nu toe wantrouwen.”De Indiaansche hoofden verdrongen zich om hunne nieuwe vrienden, en overlaadden hen met teekenen van genegenheid en hoogachting.De beide jagers waren sedert lang met den stam van den Slang bekend, hun naam was dikwijls gedurende den nacht, rondom het vuur van het kamp, genoemd geworden, het verhaal hunner heldendaden had de jongelieden, aan wie de oude soldaten ze vertelden, met bewondering vervuld.De verzoening van Edelhart met den Arendskop was oprecht; er bleef tusschen hen niet het minste spoor van den ouden haat meer over. De heldenmoed van den blanken jager had den wrok van den Roodhuid overwonnen.De beide mannen zaten vreedzaam aan den ingang eener hut te praten, toen er op eens een groote schreeuw gehoord werd, en een Indiaan met van schrik verbleekte trekken, zich in het kamp wierp. Allen drongen zich om dien man heen, om te hooren wat hij te zeggen had, maar zoodra de Indiaan den Arendskop zag, wendde hij zich tot dezen.»Wat gebeurt er?” vroeg het opperhoofd.De Indiaan wierp een woesten blik op Edelhart en Goedsmoeds, die evenmin als de anderen de oorzaak van dien schrik gissen konden.»Pas op, dat die bleekmuilen niet ontsnappen, wij zijn verraden!” zeide hij hijgend.»Dat mijn broeder zich duidelijker uitdrukke!” beval de Arendskop.»Al de blanke pelsjagers, deLange messen van het Westenzijn vereenigd; zij vormen eene krijgsbende van omstreeks honderd man; zij zijn in aantocht en wel op zulk eene wijze, dat zij op eens het kamp van alle kanten kunnen omsingelen.”»Zijt gij er zeker van, dat die jagers als vijanden komen?” vroeg het opperhoofd.»Hoe kan het anders zijn?” antwoordde de Indiaan; »zij kruipen als slangen door het hooge gras, met het geweer naar voren en het scalpeermes tusschen de tanden. Hoofdman, wij zijn verraden, die twee mannen zijn in ons midden gezonden, om onze waakzaamheid te verschalken.”De Arendskop en Edelhart wisselden een glimlach, die voor allen, behalve voor hen zelven een raadsel was.Het opperhoofd wendde zich tot den Indiaan.»Gij hebt den aanvoerder der jagers gezien, niet waar?”»Ja, ik heb hem gezien.”[132]»En het isAmick—de Zwarte Eland—de bewaker van de vallen van Edelhart.”»Wie zou het anders kunnen zijn?”»Goed, verwijder u,” zeide de krijgsman, den bode met een wenk wegzendende; vervolgens richtte hij zich tot den jager.»Wat moet er gedaan worden?” vroeg hij.»Niets,” antwoordde Edelhart; »dit is eene zaak, die mij aangaat, ik verzoek dus dat mijn broeder mij alleen late handelen.”»Mijn broeder is hier meester.”»Ik ga de jagers verkennen; dat de Arendskop tot aan mijne terugkomst zijne jonge lieden in het kamp terughoude.”»Het zal geschieden,”Edelhart wierp zijn geweer over zijn schouder, gaf Goedsmoeds de hand, lachte den hoofdman vriendelijk toe, en wendde zich naar het bosch met dien kalmen en bedaarden tred, die hem eigen was.Hij verdween weldra te midden van het geboomte.»Hm!” zeide Goedsmoeds, terwijl hij zijn Indiaansche pijp aanstak, tot den Arendskop; »gij ziet, hoofdman, dat het in deze wereld niet altijd eene verkeerde rekening geeft, als men zich door zijn hart laat leiden.”En meer dan voldaan over deze wijsgeerige ontboezeming, die hem voor de plechtigheid van het oogenblik bijzonder geschikt toescheen, wikkelde de Canadees zich in een dikke wolk van rook.Op bevel van den hoofdman werden al de verkenners, die op de grenzen van het kamp verspreid waren, teruggeroepen.De Indianen wachtten angstig den uitslag van Edelharts onderneming af.1Om aan de belangstelling onzer lezers te voldoen, geven wij hier deze redevoering in het oorspronkelijke, als een proefje van de taal der Comanchen.Meegvoitch kitchée manitoo, kaigait-kee zargetoone an nishinnorbay nogomé, shafhijyar payshik artawway winnin tercushenan, cawween kitchée morgussey, an nishinnorbay nogomé, cawwickar indenendum Kaygait kitchée muskowway geossay haguarmissey waybenau matchée oathy nee zargetoone saggonash artawway winnin kaygait hapadgey kitchée morgussey an nishinnorbay; kaig notch annaboikassey nennerwind mornooch towvach nee zargey debwoije kee appayomar, cuppar bebone nepewar appiminiqui omar.↑

I.EDELHART.

De verhouding was geheel omgekeerd. De jagers, die een oogenblik te voren aan de genade der Indianen waren prijs gegeven, waren niet alleen vrij, maar bevonden zich in zulk een toestand, dat zij strenge voorwaarden konden stellen. Verscheidene geweren hadden zich naar den Canadees gericht, verscheidene pijlen waren op hem aangelegd; maar op een wenk van den Arendskop werden de geweren afgewend, en de pijlen in de kokers geborgen. De smaad van door twee mannen voor den gek gehouden te worden, die hen stoutmoedig in het midden van hun kamp braveerden, deed den toorn der Comanchen opwellen. Zij erkenden de onmogelijkheid van eene worsteling met hunne dappere tegenstanders. En inderdaad, wat vermochten zij tegen die onverschrokken woudloopers, die hun leven voor niets achtten? Hen dooden? Maar zoo zij vielen, zouden zij onmeedoogend de gevangenen vermoorden, die men wilde redden. Het gevoel, dat bij de Roodhuiden het sterkst ontwikkeld is, is de liefde voor het huisgezin. Waar het zijne kinderen of zijne vrouw geldt, zal de bloeddorstigste krijgsman niet aarzelen zich aan voorwaarden te onderwerpen, waartoe anders de afschuwelijkste martelingen hem niet zouden kunnen dwingen. Toen dan ook de Arendskop zijne vrouw en zijn zoon in de macht van Goedsmoeds zag, dacht hij aan niets meer dan aan hun behoud.Van alle menschen zijn de Indianen misschien diegenen, die het gemakkelijkst zich naar eene onvoorziene omstandigheid weten te schikken.[128]Het hoofd der Comanchen begroef den haat en den toorn, die hem verteerden, in het diepst van zijn hart. Met een edele en ongedwongene beweging wierp hij het kleed, dat hem tot mantel strekte, naar achteren, en met een kalm gelaat en een glimlach op de lippen, naderde hij de jagers.»Mijne bleeke broeders,” zeide het opperhoofd, »zijn vol wijsheid, hoewel hunne haren nog zwart zijn; zij kennen al de listen die de groote krijgslieden onderscheiden; zij hebben de slimheid van den bever en den moed van den leeuw.”De beide mannen bogen stilzwijgend.De Arendskop ging voort.»Nademaal mijn broeder Edelhart, zich in het kamp van de Comanchen der groote meren bevindt, zoo is eindelijk het uur gekomen dat de wolken verdrijft, die tusschen hem en de Roodhuiden zijn opgerezen. Edelhart is rechtvaardig; hij verklare zich zonder vrees; hij staat voor vermaarde opperhoofden, die niet zullen aarzelen het ongelijk te bekennen, dat zij hem hebben aangedaan.”»O, zoo!” antwoordde de Canadees; »de Arendskop is wel spoedig van gevoelen omtrent ons veranderd; meent hij ons met ijdele woorden te kunnen misleiden?”Het oog van den Indiaan schoot bliksemstralen; maar met de uiterste krachtsinspanning gelukte het hem zich in te houden.Eensklaps plaatste zich een man vlak tusschen de beide sprekers in. Die man was Eshis, de eerwaardigste krijgsman van den stam.De grijsaard verhief langzaam zijn arm.»Dat mijne kinderen luisteren,” zeide hij; »alles moet heden worden opgelost; de bleeke jagers zullen in den raad de calumet rooken.”»Het geschiede alzoo,” zeide Edelhart.Op een teeken van de Zon, schaarden de voornaamste hoofden van den stam zich om hem heen.Goedsmoeds was niet van houding veranderd, hij hield zich gereed, om bij het minste verdachte teeken zijne gevangenen op te offeren.Toen de pijp de ronde gedaan had in den kring, die zich om de jagers gevormd had, maakte de oude hoofdman een buiging voor de blanken, en sprak hen aldus aan.»Krijgslieden, ik dank denMeester des levensdaarvoor dat hij ons Roodhuiden lief heeft, en dat hij ons heden deze mannen zendt, om hun hart voor ons te openen. Schept moed, jonge lieden, laat geen zorg u drukken, en jaagt den boozen geest verre van u. Wij hebben u lief, Edelhart, wij hebben van uwe goedheid voor de Indianen hooren spreken. Wij weten dat uw hart open is, en dat uwe aderen helder zijn als de zon. Het is waar, dat wij, Indianen, ons verstand niet gebruiken, als het vuur der geestdrift ons bezielt, en dat wij u[129]in verschillende omstandigheden hebben mishaagd. Maar wij hopen, dat gij er niet meer aan denken zult, en dat, zoolang gij en wij in de prairiën zullen wonen, wij aan elkanders zijde zullen jagen, gelijk het aan krijgslieden, die elkander lief hebben en eerbiedigen, betaamt.”1Edelhart antwoordde:»Gij, hoofden en leden van de natie der Comanchen van de groote meren, wier oogen geopend zijn, ik hoop dat gij een luisterend oor verleenen zult aan de woorden van mijnen mond. De Meester des levens heeft mijn verstand geopend en woorden van vriendschap in mijne borst geblazen. Mijn hart vloeit over van welwillende gevoelens voor u, voor uwe vrouwen, voor uwe kinderen, en wat ik in dit oogenblik tot u zeg, komt voort uit het hart van mijn vriend en van mij: nooit is in de prairie mijne hatto gesloten geweest voor de jagers van uwe natie. Waarom doet gij dan mij den oorlog aan? Waarom dan martelt gij mijne moeder, die eene oude vrouw is? Waarom tracht gij mij van het leven te berooven? Ik heb er een afkeer van, om het bloed der Indianen te vergieten; want ik herhaal het u, ondanks al het kwaad, dat gij mij gedaan hebt, is mijn hart u toegenegen.”»Ooah!” viel de Arendskop hem in de rede, »mijn broeder spreekt goed; maar de wond, die hij mij toegebracht heeft, is nog niet geheeld.”»Mijn broeder is dwaas,” antwoordde de jager; »houdt hij mij dan voor zulk een sukkel, dat ik hem niet zou hebben gedood, indien zulks mijn voornemen ware geweest. Ik ga u bewijzen, waartoe ik in staat ben, en hoe ik den moed van een krijgsman begrijp. Op een teeken van mij zullen deze vrouw en dat kind hebben opgehouden te leven.”»Ja,” zeide Goedsmoeds.Een rilling liep door de rijen der vergadering. De Arendskop voelde, dat een koud zweet zijne slapen overdekte.Edelhart bewaarde een oogenblik het stilzwijgen, op de Indianen een blik slaande, dien het onmogelijk is te beschrijven; vervolgens met verachting de schouders ophalende, wierp hij zijne wapenen voor zijne voeten en de armen kruiselings over de borst slaande, wendde hij zich naar den Canadees.[130]»Goedsmoeds,” zeide hij, kalm en met nadruk, »geef aan die arme schepsels de vrijheid terug.”»Waaraan denkt gij?” riep de jager verschrikt uit; »het zou uw doodvonnis zijn.”»Dat weet ik.”»Welnu?”»Ik smeek er u om.”De Canadees antwoordde niet; hij begon tusschen zijne tanden te fluiten, en zijn mes te voorschijn halende, sneed hij de banden door, die de gevangenen vasthielden. Deze sprongen als jaguars weg, en gingen brullend van vreugde zich achter hunne vrienden verschuilen. Goedsmoeds borg zijn mes in den gordel, wierp zijne wapenen weg, klom van zijn paard af en plaatste zich vastberaden naast Edelhart.»Wat doet gij toch?” riep deze, »red u, mijn vriend.”»Mij redden, waarom?” antwoordde de Canadees onbezorgd; »bij God! neen, wij moeten toch allen eens sterven; ik doe het even gaarne nu als later; ik zal misschien nooit weder zulk eene goede gelegenheid vinden.”De twee mannen drukten elkander krachtig de hand.»Nu, opperhoofden,” zeide Edelhart op kalmen toon, »nu zijn wij in uwe macht! doet met ons wat u zal goed dunken.”De Comanchen zagen elkander een oogenblik met verbazing aan; de stoïcijnsche zelfverloochening dezer twee mannen, die door de stoutmoedige daad van een hunner, niet alleen hadden kunnen ontsnappen, maar hun tevens de wet hadden kunnen voorschrijven, en die, in plaats van gebruik te maken van dit onbeperkte voordeel, hunne wapenen wegwierpen en zich ter hunner beschikking stelden, scheen hun toe alle voorbeelden van heldenmoed te overtreffen, waarvan hunne natie de herinnering bewaarde.Er volgde een vrij lang stilzwijgen, gedurende hetwelk men het hart dier ijzeren mannen in hunne borst had kunnen hooren kloppen.Eindelijk wierp de Arendskop, na eenige seconden geaarzeld te hebben, zijne wapenen weg, en den jagers naderende, zeide hij met een bewogen stem, die sterk afstak bij het kalm en onverschillig uiterlijk, dat hij vruchteloos poogde te bewaren:»Het is waar, krijgslieden der bleekgezichten, dat gij een groot verstand hebt, dat het de woorden verzacht, die gij tot ons richt, en dat wij allen u verstaan; wij weten ook dat de waarheid uwe lippen opent, het kan niet anders of wij Indianen, die niet het verstand der blanken hebben, moeten dikwijls, zonder het te willen, verkeerde daden doen, maar wij hopen, dat Edelhart de huid van zijn hart zal wegnemen, opdat het open zij als het onze, en dat tusschen ons de bijl zal begraven worden, zoo diep, dat de zonen van de zonen onzer kleinzonen, in duizend manen en honderd bovendien, haar niet zullen wedervinden.”[131]En de beide handen op de schouders van den jager leggende, kuste hij hem op de oogen, er bijvoegende:»Edelhart, wees mijn broeder!”»Het zij zoo,” zeide de jager, verheugd over deze ontknooping; »voortaan zal ik voor de Comanchen evenveel vriendschap koesteren, als tot nu toe wantrouwen.”De Indiaansche hoofden verdrongen zich om hunne nieuwe vrienden, en overlaadden hen met teekenen van genegenheid en hoogachting.De beide jagers waren sedert lang met den stam van den Slang bekend, hun naam was dikwijls gedurende den nacht, rondom het vuur van het kamp, genoemd geworden, het verhaal hunner heldendaden had de jongelieden, aan wie de oude soldaten ze vertelden, met bewondering vervuld.De verzoening van Edelhart met den Arendskop was oprecht; er bleef tusschen hen niet het minste spoor van den ouden haat meer over. De heldenmoed van den blanken jager had den wrok van den Roodhuid overwonnen.De beide mannen zaten vreedzaam aan den ingang eener hut te praten, toen er op eens een groote schreeuw gehoord werd, en een Indiaan met van schrik verbleekte trekken, zich in het kamp wierp. Allen drongen zich om dien man heen, om te hooren wat hij te zeggen had, maar zoodra de Indiaan den Arendskop zag, wendde hij zich tot dezen.»Wat gebeurt er?” vroeg het opperhoofd.De Indiaan wierp een woesten blik op Edelhart en Goedsmoeds, die evenmin als de anderen de oorzaak van dien schrik gissen konden.»Pas op, dat die bleekmuilen niet ontsnappen, wij zijn verraden!” zeide hij hijgend.»Dat mijn broeder zich duidelijker uitdrukke!” beval de Arendskop.»Al de blanke pelsjagers, deLange messen van het Westenzijn vereenigd; zij vormen eene krijgsbende van omstreeks honderd man; zij zijn in aantocht en wel op zulk eene wijze, dat zij op eens het kamp van alle kanten kunnen omsingelen.”»Zijt gij er zeker van, dat die jagers als vijanden komen?” vroeg het opperhoofd.»Hoe kan het anders zijn?” antwoordde de Indiaan; »zij kruipen als slangen door het hooge gras, met het geweer naar voren en het scalpeermes tusschen de tanden. Hoofdman, wij zijn verraden, die twee mannen zijn in ons midden gezonden, om onze waakzaamheid te verschalken.”De Arendskop en Edelhart wisselden een glimlach, die voor allen, behalve voor hen zelven een raadsel was.Het opperhoofd wendde zich tot den Indiaan.»Gij hebt den aanvoerder der jagers gezien, niet waar?”»Ja, ik heb hem gezien.”[132]»En het isAmick—de Zwarte Eland—de bewaker van de vallen van Edelhart.”»Wie zou het anders kunnen zijn?”»Goed, verwijder u,” zeide de krijgsman, den bode met een wenk wegzendende; vervolgens richtte hij zich tot den jager.»Wat moet er gedaan worden?” vroeg hij.»Niets,” antwoordde Edelhart; »dit is eene zaak, die mij aangaat, ik verzoek dus dat mijn broeder mij alleen late handelen.”»Mijn broeder is hier meester.”»Ik ga de jagers verkennen; dat de Arendskop tot aan mijne terugkomst zijne jonge lieden in het kamp terughoude.”»Het zal geschieden,”Edelhart wierp zijn geweer over zijn schouder, gaf Goedsmoeds de hand, lachte den hoofdman vriendelijk toe, en wendde zich naar het bosch met dien kalmen en bedaarden tred, die hem eigen was.Hij verdween weldra te midden van het geboomte.»Hm!” zeide Goedsmoeds, terwijl hij zijn Indiaansche pijp aanstak, tot den Arendskop; »gij ziet, hoofdman, dat het in deze wereld niet altijd eene verkeerde rekening geeft, als men zich door zijn hart laat leiden.”En meer dan voldaan over deze wijsgeerige ontboezeming, die hem voor de plechtigheid van het oogenblik bijzonder geschikt toescheen, wikkelde de Canadees zich in een dikke wolk van rook.Op bevel van den hoofdman werden al de verkenners, die op de grenzen van het kamp verspreid waren, teruggeroepen.De Indianen wachtten angstig den uitslag van Edelharts onderneming af.

De verhouding was geheel omgekeerd. De jagers, die een oogenblik te voren aan de genade der Indianen waren prijs gegeven, waren niet alleen vrij, maar bevonden zich in zulk een toestand, dat zij strenge voorwaarden konden stellen. Verscheidene geweren hadden zich naar den Canadees gericht, verscheidene pijlen waren op hem aangelegd; maar op een wenk van den Arendskop werden de geweren afgewend, en de pijlen in de kokers geborgen. De smaad van door twee mannen voor den gek gehouden te worden, die hen stoutmoedig in het midden van hun kamp braveerden, deed den toorn der Comanchen opwellen. Zij erkenden de onmogelijkheid van eene worsteling met hunne dappere tegenstanders. En inderdaad, wat vermochten zij tegen die onverschrokken woudloopers, die hun leven voor niets achtten? Hen dooden? Maar zoo zij vielen, zouden zij onmeedoogend de gevangenen vermoorden, die men wilde redden. Het gevoel, dat bij de Roodhuiden het sterkst ontwikkeld is, is de liefde voor het huisgezin. Waar het zijne kinderen of zijne vrouw geldt, zal de bloeddorstigste krijgsman niet aarzelen zich aan voorwaarden te onderwerpen, waartoe anders de afschuwelijkste martelingen hem niet zouden kunnen dwingen. Toen dan ook de Arendskop zijne vrouw en zijn zoon in de macht van Goedsmoeds zag, dacht hij aan niets meer dan aan hun behoud.

Van alle menschen zijn de Indianen misschien diegenen, die het gemakkelijkst zich naar eene onvoorziene omstandigheid weten te schikken.[128]

Het hoofd der Comanchen begroef den haat en den toorn, die hem verteerden, in het diepst van zijn hart. Met een edele en ongedwongene beweging wierp hij het kleed, dat hem tot mantel strekte, naar achteren, en met een kalm gelaat en een glimlach op de lippen, naderde hij de jagers.

»Mijne bleeke broeders,” zeide het opperhoofd, »zijn vol wijsheid, hoewel hunne haren nog zwart zijn; zij kennen al de listen die de groote krijgslieden onderscheiden; zij hebben de slimheid van den bever en den moed van den leeuw.”

De beide mannen bogen stilzwijgend.

De Arendskop ging voort.

»Nademaal mijn broeder Edelhart, zich in het kamp van de Comanchen der groote meren bevindt, zoo is eindelijk het uur gekomen dat de wolken verdrijft, die tusschen hem en de Roodhuiden zijn opgerezen. Edelhart is rechtvaardig; hij verklare zich zonder vrees; hij staat voor vermaarde opperhoofden, die niet zullen aarzelen het ongelijk te bekennen, dat zij hem hebben aangedaan.”

»O, zoo!” antwoordde de Canadees; »de Arendskop is wel spoedig van gevoelen omtrent ons veranderd; meent hij ons met ijdele woorden te kunnen misleiden?”

Het oog van den Indiaan schoot bliksemstralen; maar met de uiterste krachtsinspanning gelukte het hem zich in te houden.

Eensklaps plaatste zich een man vlak tusschen de beide sprekers in. Die man was Eshis, de eerwaardigste krijgsman van den stam.

De grijsaard verhief langzaam zijn arm.

»Dat mijne kinderen luisteren,” zeide hij; »alles moet heden worden opgelost; de bleeke jagers zullen in den raad de calumet rooken.”

»Het geschiede alzoo,” zeide Edelhart.

Op een teeken van de Zon, schaarden de voornaamste hoofden van den stam zich om hem heen.

Goedsmoeds was niet van houding veranderd, hij hield zich gereed, om bij het minste verdachte teeken zijne gevangenen op te offeren.

Toen de pijp de ronde gedaan had in den kring, die zich om de jagers gevormd had, maakte de oude hoofdman een buiging voor de blanken, en sprak hen aldus aan.

»Krijgslieden, ik dank denMeester des levensdaarvoor dat hij ons Roodhuiden lief heeft, en dat hij ons heden deze mannen zendt, om hun hart voor ons te openen. Schept moed, jonge lieden, laat geen zorg u drukken, en jaagt den boozen geest verre van u. Wij hebben u lief, Edelhart, wij hebben van uwe goedheid voor de Indianen hooren spreken. Wij weten dat uw hart open is, en dat uwe aderen helder zijn als de zon. Het is waar, dat wij, Indianen, ons verstand niet gebruiken, als het vuur der geestdrift ons bezielt, en dat wij u[129]in verschillende omstandigheden hebben mishaagd. Maar wij hopen, dat gij er niet meer aan denken zult, en dat, zoolang gij en wij in de prairiën zullen wonen, wij aan elkanders zijde zullen jagen, gelijk het aan krijgslieden, die elkander lief hebben en eerbiedigen, betaamt.”1

Edelhart antwoordde:

»Gij, hoofden en leden van de natie der Comanchen van de groote meren, wier oogen geopend zijn, ik hoop dat gij een luisterend oor verleenen zult aan de woorden van mijnen mond. De Meester des levens heeft mijn verstand geopend en woorden van vriendschap in mijne borst geblazen. Mijn hart vloeit over van welwillende gevoelens voor u, voor uwe vrouwen, voor uwe kinderen, en wat ik in dit oogenblik tot u zeg, komt voort uit het hart van mijn vriend en van mij: nooit is in de prairie mijne hatto gesloten geweest voor de jagers van uwe natie. Waarom doet gij dan mij den oorlog aan? Waarom dan martelt gij mijne moeder, die eene oude vrouw is? Waarom tracht gij mij van het leven te berooven? Ik heb er een afkeer van, om het bloed der Indianen te vergieten; want ik herhaal het u, ondanks al het kwaad, dat gij mij gedaan hebt, is mijn hart u toegenegen.”

»Ooah!” viel de Arendskop hem in de rede, »mijn broeder spreekt goed; maar de wond, die hij mij toegebracht heeft, is nog niet geheeld.”

»Mijn broeder is dwaas,” antwoordde de jager; »houdt hij mij dan voor zulk een sukkel, dat ik hem niet zou hebben gedood, indien zulks mijn voornemen ware geweest. Ik ga u bewijzen, waartoe ik in staat ben, en hoe ik den moed van een krijgsman begrijp. Op een teeken van mij zullen deze vrouw en dat kind hebben opgehouden te leven.”

»Ja,” zeide Goedsmoeds.

Een rilling liep door de rijen der vergadering. De Arendskop voelde, dat een koud zweet zijne slapen overdekte.

Edelhart bewaarde een oogenblik het stilzwijgen, op de Indianen een blik slaande, dien het onmogelijk is te beschrijven; vervolgens met verachting de schouders ophalende, wierp hij zijne wapenen voor zijne voeten en de armen kruiselings over de borst slaande, wendde hij zich naar den Canadees.[130]

»Goedsmoeds,” zeide hij, kalm en met nadruk, »geef aan die arme schepsels de vrijheid terug.”

»Waaraan denkt gij?” riep de jager verschrikt uit; »het zou uw doodvonnis zijn.”

»Dat weet ik.”

»Welnu?”

»Ik smeek er u om.”

De Canadees antwoordde niet; hij begon tusschen zijne tanden te fluiten, en zijn mes te voorschijn halende, sneed hij de banden door, die de gevangenen vasthielden. Deze sprongen als jaguars weg, en gingen brullend van vreugde zich achter hunne vrienden verschuilen. Goedsmoeds borg zijn mes in den gordel, wierp zijne wapenen weg, klom van zijn paard af en plaatste zich vastberaden naast Edelhart.

»Wat doet gij toch?” riep deze, »red u, mijn vriend.”

»Mij redden, waarom?” antwoordde de Canadees onbezorgd; »bij God! neen, wij moeten toch allen eens sterven; ik doe het even gaarne nu als later; ik zal misschien nooit weder zulk eene goede gelegenheid vinden.”

De twee mannen drukten elkander krachtig de hand.

»Nu, opperhoofden,” zeide Edelhart op kalmen toon, »nu zijn wij in uwe macht! doet met ons wat u zal goed dunken.”

De Comanchen zagen elkander een oogenblik met verbazing aan; de stoïcijnsche zelfverloochening dezer twee mannen, die door de stoutmoedige daad van een hunner, niet alleen hadden kunnen ontsnappen, maar hun tevens de wet hadden kunnen voorschrijven, en die, in plaats van gebruik te maken van dit onbeperkte voordeel, hunne wapenen wegwierpen en zich ter hunner beschikking stelden, scheen hun toe alle voorbeelden van heldenmoed te overtreffen, waarvan hunne natie de herinnering bewaarde.

Er volgde een vrij lang stilzwijgen, gedurende hetwelk men het hart dier ijzeren mannen in hunne borst had kunnen hooren kloppen.

Eindelijk wierp de Arendskop, na eenige seconden geaarzeld te hebben, zijne wapenen weg, en den jagers naderende, zeide hij met een bewogen stem, die sterk afstak bij het kalm en onverschillig uiterlijk, dat hij vruchteloos poogde te bewaren:

»Het is waar, krijgslieden der bleekgezichten, dat gij een groot verstand hebt, dat het de woorden verzacht, die gij tot ons richt, en dat wij allen u verstaan; wij weten ook dat de waarheid uwe lippen opent, het kan niet anders of wij Indianen, die niet het verstand der blanken hebben, moeten dikwijls, zonder het te willen, verkeerde daden doen, maar wij hopen, dat Edelhart de huid van zijn hart zal wegnemen, opdat het open zij als het onze, en dat tusschen ons de bijl zal begraven worden, zoo diep, dat de zonen van de zonen onzer kleinzonen, in duizend manen en honderd bovendien, haar niet zullen wedervinden.”[131]

En de beide handen op de schouders van den jager leggende, kuste hij hem op de oogen, er bijvoegende:

»Edelhart, wees mijn broeder!”

»Het zij zoo,” zeide de jager, verheugd over deze ontknooping; »voortaan zal ik voor de Comanchen evenveel vriendschap koesteren, als tot nu toe wantrouwen.”

De Indiaansche hoofden verdrongen zich om hunne nieuwe vrienden, en overlaadden hen met teekenen van genegenheid en hoogachting.

De beide jagers waren sedert lang met den stam van den Slang bekend, hun naam was dikwijls gedurende den nacht, rondom het vuur van het kamp, genoemd geworden, het verhaal hunner heldendaden had de jongelieden, aan wie de oude soldaten ze vertelden, met bewondering vervuld.

De verzoening van Edelhart met den Arendskop was oprecht; er bleef tusschen hen niet het minste spoor van den ouden haat meer over. De heldenmoed van den blanken jager had den wrok van den Roodhuid overwonnen.

De beide mannen zaten vreedzaam aan den ingang eener hut te praten, toen er op eens een groote schreeuw gehoord werd, en een Indiaan met van schrik verbleekte trekken, zich in het kamp wierp. Allen drongen zich om dien man heen, om te hooren wat hij te zeggen had, maar zoodra de Indiaan den Arendskop zag, wendde hij zich tot dezen.

»Wat gebeurt er?” vroeg het opperhoofd.

De Indiaan wierp een woesten blik op Edelhart en Goedsmoeds, die evenmin als de anderen de oorzaak van dien schrik gissen konden.

»Pas op, dat die bleekmuilen niet ontsnappen, wij zijn verraden!” zeide hij hijgend.

»Dat mijn broeder zich duidelijker uitdrukke!” beval de Arendskop.

»Al de blanke pelsjagers, deLange messen van het Westenzijn vereenigd; zij vormen eene krijgsbende van omstreeks honderd man; zij zijn in aantocht en wel op zulk eene wijze, dat zij op eens het kamp van alle kanten kunnen omsingelen.”

»Zijt gij er zeker van, dat die jagers als vijanden komen?” vroeg het opperhoofd.

»Hoe kan het anders zijn?” antwoordde de Indiaan; »zij kruipen als slangen door het hooge gras, met het geweer naar voren en het scalpeermes tusschen de tanden. Hoofdman, wij zijn verraden, die twee mannen zijn in ons midden gezonden, om onze waakzaamheid te verschalken.”

De Arendskop en Edelhart wisselden een glimlach, die voor allen, behalve voor hen zelven een raadsel was.

Het opperhoofd wendde zich tot den Indiaan.

»Gij hebt den aanvoerder der jagers gezien, niet waar?”

»Ja, ik heb hem gezien.”[132]

»En het isAmick—de Zwarte Eland—de bewaker van de vallen van Edelhart.”

»Wie zou het anders kunnen zijn?”

»Goed, verwijder u,” zeide de krijgsman, den bode met een wenk wegzendende; vervolgens richtte hij zich tot den jager.

»Wat moet er gedaan worden?” vroeg hij.

»Niets,” antwoordde Edelhart; »dit is eene zaak, die mij aangaat, ik verzoek dus dat mijn broeder mij alleen late handelen.”

»Mijn broeder is hier meester.”

»Ik ga de jagers verkennen; dat de Arendskop tot aan mijne terugkomst zijne jonge lieden in het kamp terughoude.”

»Het zal geschieden,”

Edelhart wierp zijn geweer over zijn schouder, gaf Goedsmoeds de hand, lachte den hoofdman vriendelijk toe, en wendde zich naar het bosch met dien kalmen en bedaarden tred, die hem eigen was.

Hij verdween weldra te midden van het geboomte.

»Hm!” zeide Goedsmoeds, terwijl hij zijn Indiaansche pijp aanstak, tot den Arendskop; »gij ziet, hoofdman, dat het in deze wereld niet altijd eene verkeerde rekening geeft, als men zich door zijn hart laat leiden.”

En meer dan voldaan over deze wijsgeerige ontboezeming, die hem voor de plechtigheid van het oogenblik bijzonder geschikt toescheen, wikkelde de Canadees zich in een dikke wolk van rook.

Op bevel van den hoofdman werden al de verkenners, die op de grenzen van het kamp verspreid waren, teruggeroepen.

De Indianen wachtten angstig den uitslag van Edelharts onderneming af.

1Om aan de belangstelling onzer lezers te voldoen, geven wij hier deze redevoering in het oorspronkelijke, als een proefje van de taal der Comanchen.Meegvoitch kitchée manitoo, kaigait-kee zargetoone an nishinnorbay nogomé, shafhijyar payshik artawway winnin tercushenan, cawween kitchée morgussey, an nishinnorbay nogomé, cawwickar indenendum Kaygait kitchée muskowway geossay haguarmissey waybenau matchée oathy nee zargetoone saggonash artawway winnin kaygait hapadgey kitchée morgussey an nishinnorbay; kaig notch annaboikassey nennerwind mornooch towvach nee zargey debwoije kee appayomar, cuppar bebone nepewar appiminiqui omar.↑

1Om aan de belangstelling onzer lezers te voldoen, geven wij hier deze redevoering in het oorspronkelijke, als een proefje van de taal der Comanchen.Meegvoitch kitchée manitoo, kaigait-kee zargetoone an nishinnorbay nogomé, shafhijyar payshik artawway winnin tercushenan, cawween kitchée morgussey, an nishinnorbay nogomé, cawwickar indenendum Kaygait kitchée muskowway geossay haguarmissey waybenau matchée oathy nee zargetoone saggonash artawway winnin kaygait hapadgey kitchée morgussey an nishinnorbay; kaig notch annaboikassey nennerwind mornooch towvach nee zargey debwoije kee appayomar, cuppar bebone nepewar appiminiqui omar.↑

1Om aan de belangstelling onzer lezers te voldoen, geven wij hier deze redevoering in het oorspronkelijke, als een proefje van de taal der Comanchen.Meegvoitch kitchée manitoo, kaigait-kee zargetoone an nishinnorbay nogomé, shafhijyar payshik artawway winnin tercushenan, cawween kitchée morgussey, an nishinnorbay nogomé, cawwickar indenendum Kaygait kitchée muskowway geossay haguarmissey waybenau matchée oathy nee zargetoone saggonash artawway winnin kaygait hapadgey kitchée morgussey an nishinnorbay; kaig notch annaboikassey nennerwind mornooch towvach nee zargey debwoije kee appayomar, cuppar bebone nepewar appiminiqui omar.↑

1Om aan de belangstelling onzer lezers te voldoen, geven wij hier deze redevoering in het oorspronkelijke, als een proefje van de taal der Comanchen.

Meegvoitch kitchée manitoo, kaigait-kee zargetoone an nishinnorbay nogomé, shafhijyar payshik artawway winnin tercushenan, cawween kitchée morgussey, an nishinnorbay nogomé, cawwickar indenendum Kaygait kitchée muskowway geossay haguarmissey waybenau matchée oathy nee zargetoone saggonash artawway winnin kaygait hapadgey kitchée morgussey an nishinnorbay; kaig notch annaboikassey nennerwind mornooch towvach nee zargey debwoije kee appayomar, cuppar bebone nepewar appiminiqui omar.↑


Back to IndexNext