[Inhoud]II.DE ROOVERS.Het was avond. Even ver van het kamp der Mexicanen als van dat der Comanchen verwijderd, zaten in een hollen weg, tusschen twee hooge heuvels verborgen, een veertigtal mannen om verscheidene vuren vereenigd, zoodanig geplaatst, dat het schijnsel der vlammen hunne tegenwoordigheid niet kon verraden. Deze zonderlinge vereeniging van gelukzoekers met sombere gelaatstrekken, woeste blikken, slordige en grillige kostumen, bood een schouwspel aan, de teekenstift van Callot of het penseel van een Salvator Rosa waardig.Deze mannen, een vreemdsoortig samenstel van alle volkssoorten, die de aarde bewonen, van den Rus af tot aan den Chinees toe, vormden de meest volledige verzameling van schurken, die men[133]zich maar kan voorstellen; vrijbuiters zonder eer, zonder wet, zonder haardstede, zonder woning, het uitvaagsel der beschaafde wereld, genoodzaakt tegen deze eene schuilplaats te zoeken in het hart der prairiën van het Westen, vormden zij zelfs daar in de wildernis een afzonderlijke bende, nu eens in oorlog met de jagers, dan weder met de Indianen, beiden in wreedheid en schelmerij overtreffende. Deze mannen in één woord, waren, wat men gewoon isde Roovers der Prairiënte noemen.Die naam komt hun in alle opzichten toe; want evenals hunne broeders op den Oceaan, voeren zij alle vlaggen of liever treden ze allen met voeten, belagen zij alle reizigers, die het wagen alleen de prairiën te doorkruisen, vallen zij alle karavanen aan om die te plunderen, en als iedere andere buit hun ontsnapt, verschuilen zij zich verraderlijk in het hooge gras, om van daar de Indianen te bespieden en te vermoorden, en alzoo de premie te verdienen, die hetvaderlijkbestuur der Vereenigde Staten gesteld heeft op hethoofdhaarvan iederen inlander, evenals men in Frankrijk den kop van een wolf betaalt.Deze bende werd aangevoerd door den kapitein Ouaktehno, dien wij reeds vroeger ten tooneele hebben gevoerd.Er heerschte onder deze bandieten een spanning, die het voorteeken was van eene geheimzinnige onderneming. Eenigen maakten hunne wapenen schoon of laadden die, anderen kleedden zich, anderen wederom rookten en dronken mezcal, nog anderen sliepen in hunne gescheurde mantels gewikkeld. De paarden, geheel gezadeld, waren aan palen vastgemaakt.Op geregelde afstanden stonden wachten, zwijgend en onbewegelijk als standbeelden van metaal op hunne lange karabijnen te leunen, wakende voor het algemeene welzijn. Het wegstervend schijnsel der vuren wierp nu en dan op dit tooneel een roodachtigen gloed, die aan de roovers een nog woester voorkomen gaf.De kapitein scheen aan eene angstige bezorgdheid ten prooi te zijn, hij liep met groote stappen te midden van zijne onderhoorigen heen en weder nu eens stampende van toorn, dan weder stilstaande om naar de onbestemde geluiden der prairie te luisteren.De nacht werd hoe langer hoe donkerder, de maan was ondergegaan, de wind huilde dof in de duisternis, de roovers waren ten laatste allen in slaap gevallen. De kapitein alleen waakte nog.Eensklaps meende hij in de verte het knallen van een geweerschot te hooren, toen een tweede, en daarna werd alles wederom stil.»Wat beteekent dat?” mompelde de kapitein woedend, »hebben die gekken zich laten overvallen?”Terstond zich zorgvuldig in zijnen mantel wikkelende, wendde hij zich met groote schreden naar dien kant, van waar het geluid vernomen was.’t Was erg donker, en ondanks zijne plaatskennis ging de kapitein[134]slechts met moeite voort tusschen de wortels en takken, die bij elke schrede hem den weg versperden. Meermalen was hij genoodzaakt stil te staan en naar den weg te zoeken, dien hij gedurig kwijt was, door de omwegen, waartoe de rotsblokken en kreupelboschjes, die hij tegenkwam hem noodzaakten.Gedurende een dergelijk oponthoud, meende hij niet ver van zich af eenig gedruisch in de bladeren en takken te hooren, niet ongelijk aan dat, hetwelk veroorzaakt wordt door het harde loopen van een dier of van een mensch in het kreupelhout.De kapitein verborg zich achter den stam van een reusachtigen mahonieboom, greep zijne pistolen om op alles bereid te zijn, en luisterde met vooruitgestoken hoofd.Alles om hem heen was stil: het was dat geheimzinnige uur van den nacht, waarin de natuur schijnt te slapen, en waarin al die naamlooze geluiden der wildernis zwijgen, om, zooals de Indianen zeggen, alleende stilte te laten hooren.»Ik heb mij vergist,” prevelde de roover, en hij maakte eene beweging om op zijne schreden terug te keeren. Nu liet zich hetzelfde gedruisch op nieuw hooren, maar duidelijker en dichterbij dan even te voren, en onmiddellijk gevolgd door een ingehouden kermen.»Bij God!” zeide de kapitein, »dat begint interessant te worden, daar moet ik het mijne van hebben.”Na een snellen loop van eenige minuten; zag hij niet ver van zich af de schaduw van een man in het donker voortglijden. Deze persoon, wie het ook zijn mocht, scheen zich met moeite voort te slepen, hij waggelde bij iedere schrede, en stond nu en dan stil, als om zijne krachten te herstellen. Soms liet hij een onderdrukte klacht hooren. De kapitein sprong naar hem toe, om hem den doorgang te versperren. Zoodra de onbekende hem bemerkte, slaakte hij een kreet van schrik, viel op de knieën, en mompelde met eene van angst sidderende stem:»Genade, genade! dood mij niet!”»Hoe!” riep de verbaasde kapitein, »het is de Babbelaar! Wie duivel heeft hem zoo toegetakeld?”Hij bukte om hem van nabij te bezien.Het was inderdaad de gids.Hij was in zwijm gevallen.»De pest hale dien stommeling!” mompelde de kapitein spijtig, »hoe kan ik hem nu uithooren?”Maar de roover was een man; die zich te redden wist, hij stak zijne pistolen in zijn gordel, nam den gekwetste op en legde hem over zijne schouders.Met dezen last beladen, die hem geenszins in het loopen hinderde, keerde hij met groote schreden langs denzelfden weg, dien hij gekomen was, naar het kamp terug.Hij legde den gids bij een half uitgedoofd vuur, en wierp daarin[135]eenige takkenbossen, om het te laten opflikkeren. Weldra stelde een heldere vlam hem in staat, om den man te onderzoeken, die bewusteloos aan zijne voeten nederlag.De gelaatstrekken van den Babbelaar waren loodkleurig, een koud zweet parelde langs zijne slapen, en het bloed liep bij stroomen uit een diepe wond in zijne borst.»Cascaras!” prevelde de kapitein, »de arme duivel heeft wel zijn deel gekregen; als hij mij voor zijn dood nog maar zeggen kan, wie hem in dien toestand hebben gebracht, en wat er van Kennedy is geworden!”Evenals alle woudloopers had de kapitein eene practische kennis van de geneeskunde, en was hij geenszins verlegen met de behandeling van een dergelijke wond.Ten gevolge van de zorg door hem aan den gids ten koste gelegd, kwam deze spoedig bij. Hij slaakte een diepen zucht, sloeg flauw de oogen op, en bleef een tijdlang liggen zonder te kunnen spreken; maar na eenige vruchtelooze pogingen, bijgestaan door den kapitein, kwam hij zoover, dat hij zich halverwege kon oprichten, en terwijl hij herhaalde malen het hoofd schudde, zeide hij op wanhopigen toon, en met eene telkens afgebrokene stem:»Alles is verloren, kapitein! Wij hebben onzen slag gemist.”»Duizend donders!.…” riep de roover woedend stampvoetende, »hoe heeft zich dat toegedragen?”»Dat meisje is een duivel!” hernam de gids, wiens fluitende ademhaling en gedurig zwakker wordende stem duidelijk genoeg bewezen, dat hij niet lang meer leven zou.»Zoo gij kunt,” zeide de kapitein, die van den uitroep van den gekwetste niets begrepen had, »zeg mij dan, hoe de zaken zich hebben toegedragen, en wie uw moordenaar is, opdat ik u wreke!”Een akelige lach plooide de paarsche lippen van den gids.»Wie mijn moordenaar is?” herhaalde hij spottend.»Ja.”»DoñaLuz.”»DoñaLuz!” riep de kapitein, verrast opspringende; »dat is onmogelijk!”»Luister,” hernam de gids, »mijne oogenblikken zijn geteld; weldra zal ik niet meer leven. Een man in mijn toestand liegt niet. Laat mij spreken, en val mij niet in de rede; ik weet niet of ik den tijd zal hebben om u alles te zeggen, alvorens ik rekenschap ga afleggen aan Hem, die alles weet.”»Spreek!” zeide de kapitein.En daar de stem van den gekwetste hoe langer hoe zwakker werd, knielde hij naast hem neder, om geen enkel woord te verliezen.De gids sloot de oogen, haalde even adem, en zeide toen met inspanning van al zijne krachten:»Geef mij wat brandewijn!”[136]»Zijt gij gek, brandewijn zou u dooden.”De gewonde schudde het hoofd.»Het zal mij de noodige kracht geven, om u alles te doen verstaan, wat ik u te zeggen heb. Ben ik niet reeds half dood?”»Dat is waar!” prevelde de kapitein.»Aarzel dan niet,” hernam de ander; »de tijd dringt ons, ik heb u belangrijke zaken mede te deelen.”»Het zij zoo!” mompelde de roover, en bracht de flesch aan de lippen van den gids.Deze dronk gulzig en vrij lang; een koortsachtige gloed kleurde zijne wangen, zijne brekende oogen verhelderden zich, en begonnen levendig te schitteren.»Nu,” zeide hij met een krachtige en vrij harde stem, »moet gij mij niet in de rede vallen; zoodra gij ziet, dat mijne krachten afnemen, laat mij dan drinken; misschien zal ik nog den tijd vinden om u alles te verhalen.”De kapitein gaf hem een teeken van goedkeuring, en de Babbelaar begon zijn verhaal.Het duurde vrij lang, ten gevolge van de uitputting, waarin hij gedurig verviel; toen hij geëindigd had, voegde hij er bij:»Gij ziet het, die vrouw, gelijk ik u zeide, is een duivel, zij heeft Kennedy en mij gedood; zie van haar af, kapitein, het is geen gemakkelijk wild om te jagen, gij zult haar nooit meester worden.”»Hoe!” zeide de kapitein, de wenkbrauwen fronsende, »meent gij dat ik zoo licht mijne plannen laat varen?”»Goed succès dan!” prevelde de gids; »wat mij betreft, ik heb afgehandeld, mijne rekening is gemaakt.… Vaarwel, kapitein,” voegde hij er met een vreemden lach bij, »ik ga naar den duivel, daar zullen wij elkander wederzien!.…”Hij viel omver.De kapitein wilde hem oplichten, maar hij was dood.»Goede reis!” prevelde hij koelbloedig.Hij nam het lijk op zijne schouders, bracht het in een boschje, maakte daar een kuil, en legde het er in; dit gedaan hebbende, ging hij naar het vuur in het kamp terug, wikkelde zich in zijn mantel, strekte zich op den grond uit, met de voeten naar het vuur gekeerd, en legde zich te slapen met de woorden:»Binnen eenige uren zal het dag zijn; dan zullen wij zien, wat er te doen is.”De bandieten sliepen niet lang; met zonsopgang was in het kamp der roovers alles in beweging. Allen maakten zich gereed om op weg te gaan.De kapitein, wel verre van zijn plan te laten varen, had integendeel besloten de uitvoering er van terstond en met geweld door te zetten, ten einde den Mexicanen geen tijd te laten om onder de blanke pelsjagers der prairiën eene hulp te vinden, die den gelukkigen uitslag onmogelijk zou hebben gemaakt.[137]Zoodra het duidelijk was, dat de bevelen, die hij gegeven had, goed begrepen waren, gaf de kapitein het teeken van vertrek. De bende brak op en begon op zijn Indiaansch te marcheeren, dat is te zeggen, met den rug naar de plaats waar zij heen trok.Vervolgens, toen zij op eene plek gekomen waren, die hun de gewenschte veiligheid scheen te bieden, stegen de roovers van hunne paarden, gaven deze aan eenige sterke kerels over; en zich nu als een hoop adders op den grond uitstrekkende, of ook wel van den eenen tak op den anderen en van den eenen boom op den anderen overspringende, begaven zij zich met alle noodige voorzorgen, in de richting van het Mexicaansche kamp.
[Inhoud]II.DE ROOVERS.Het was avond. Even ver van het kamp der Mexicanen als van dat der Comanchen verwijderd, zaten in een hollen weg, tusschen twee hooge heuvels verborgen, een veertigtal mannen om verscheidene vuren vereenigd, zoodanig geplaatst, dat het schijnsel der vlammen hunne tegenwoordigheid niet kon verraden. Deze zonderlinge vereeniging van gelukzoekers met sombere gelaatstrekken, woeste blikken, slordige en grillige kostumen, bood een schouwspel aan, de teekenstift van Callot of het penseel van een Salvator Rosa waardig.Deze mannen, een vreemdsoortig samenstel van alle volkssoorten, die de aarde bewonen, van den Rus af tot aan den Chinees toe, vormden de meest volledige verzameling van schurken, die men[133]zich maar kan voorstellen; vrijbuiters zonder eer, zonder wet, zonder haardstede, zonder woning, het uitvaagsel der beschaafde wereld, genoodzaakt tegen deze eene schuilplaats te zoeken in het hart der prairiën van het Westen, vormden zij zelfs daar in de wildernis een afzonderlijke bende, nu eens in oorlog met de jagers, dan weder met de Indianen, beiden in wreedheid en schelmerij overtreffende. Deze mannen in één woord, waren, wat men gewoon isde Roovers der Prairiënte noemen.Die naam komt hun in alle opzichten toe; want evenals hunne broeders op den Oceaan, voeren zij alle vlaggen of liever treden ze allen met voeten, belagen zij alle reizigers, die het wagen alleen de prairiën te doorkruisen, vallen zij alle karavanen aan om die te plunderen, en als iedere andere buit hun ontsnapt, verschuilen zij zich verraderlijk in het hooge gras, om van daar de Indianen te bespieden en te vermoorden, en alzoo de premie te verdienen, die hetvaderlijkbestuur der Vereenigde Staten gesteld heeft op hethoofdhaarvan iederen inlander, evenals men in Frankrijk den kop van een wolf betaalt.Deze bende werd aangevoerd door den kapitein Ouaktehno, dien wij reeds vroeger ten tooneele hebben gevoerd.Er heerschte onder deze bandieten een spanning, die het voorteeken was van eene geheimzinnige onderneming. Eenigen maakten hunne wapenen schoon of laadden die, anderen kleedden zich, anderen wederom rookten en dronken mezcal, nog anderen sliepen in hunne gescheurde mantels gewikkeld. De paarden, geheel gezadeld, waren aan palen vastgemaakt.Op geregelde afstanden stonden wachten, zwijgend en onbewegelijk als standbeelden van metaal op hunne lange karabijnen te leunen, wakende voor het algemeene welzijn. Het wegstervend schijnsel der vuren wierp nu en dan op dit tooneel een roodachtigen gloed, die aan de roovers een nog woester voorkomen gaf.De kapitein scheen aan eene angstige bezorgdheid ten prooi te zijn, hij liep met groote stappen te midden van zijne onderhoorigen heen en weder nu eens stampende van toorn, dan weder stilstaande om naar de onbestemde geluiden der prairie te luisteren.De nacht werd hoe langer hoe donkerder, de maan was ondergegaan, de wind huilde dof in de duisternis, de roovers waren ten laatste allen in slaap gevallen. De kapitein alleen waakte nog.Eensklaps meende hij in de verte het knallen van een geweerschot te hooren, toen een tweede, en daarna werd alles wederom stil.»Wat beteekent dat?” mompelde de kapitein woedend, »hebben die gekken zich laten overvallen?”Terstond zich zorgvuldig in zijnen mantel wikkelende, wendde hij zich met groote schreden naar dien kant, van waar het geluid vernomen was.’t Was erg donker, en ondanks zijne plaatskennis ging de kapitein[134]slechts met moeite voort tusschen de wortels en takken, die bij elke schrede hem den weg versperden. Meermalen was hij genoodzaakt stil te staan en naar den weg te zoeken, dien hij gedurig kwijt was, door de omwegen, waartoe de rotsblokken en kreupelboschjes, die hij tegenkwam hem noodzaakten.Gedurende een dergelijk oponthoud, meende hij niet ver van zich af eenig gedruisch in de bladeren en takken te hooren, niet ongelijk aan dat, hetwelk veroorzaakt wordt door het harde loopen van een dier of van een mensch in het kreupelhout.De kapitein verborg zich achter den stam van een reusachtigen mahonieboom, greep zijne pistolen om op alles bereid te zijn, en luisterde met vooruitgestoken hoofd.Alles om hem heen was stil: het was dat geheimzinnige uur van den nacht, waarin de natuur schijnt te slapen, en waarin al die naamlooze geluiden der wildernis zwijgen, om, zooals de Indianen zeggen, alleende stilte te laten hooren.»Ik heb mij vergist,” prevelde de roover, en hij maakte eene beweging om op zijne schreden terug te keeren. Nu liet zich hetzelfde gedruisch op nieuw hooren, maar duidelijker en dichterbij dan even te voren, en onmiddellijk gevolgd door een ingehouden kermen.»Bij God!” zeide de kapitein, »dat begint interessant te worden, daar moet ik het mijne van hebben.”Na een snellen loop van eenige minuten; zag hij niet ver van zich af de schaduw van een man in het donker voortglijden. Deze persoon, wie het ook zijn mocht, scheen zich met moeite voort te slepen, hij waggelde bij iedere schrede, en stond nu en dan stil, als om zijne krachten te herstellen. Soms liet hij een onderdrukte klacht hooren. De kapitein sprong naar hem toe, om hem den doorgang te versperren. Zoodra de onbekende hem bemerkte, slaakte hij een kreet van schrik, viel op de knieën, en mompelde met eene van angst sidderende stem:»Genade, genade! dood mij niet!”»Hoe!” riep de verbaasde kapitein, »het is de Babbelaar! Wie duivel heeft hem zoo toegetakeld?”Hij bukte om hem van nabij te bezien.Het was inderdaad de gids.Hij was in zwijm gevallen.»De pest hale dien stommeling!” mompelde de kapitein spijtig, »hoe kan ik hem nu uithooren?”Maar de roover was een man; die zich te redden wist, hij stak zijne pistolen in zijn gordel, nam den gekwetste op en legde hem over zijne schouders.Met dezen last beladen, die hem geenszins in het loopen hinderde, keerde hij met groote schreden langs denzelfden weg, dien hij gekomen was, naar het kamp terug.Hij legde den gids bij een half uitgedoofd vuur, en wierp daarin[135]eenige takkenbossen, om het te laten opflikkeren. Weldra stelde een heldere vlam hem in staat, om den man te onderzoeken, die bewusteloos aan zijne voeten nederlag.De gelaatstrekken van den Babbelaar waren loodkleurig, een koud zweet parelde langs zijne slapen, en het bloed liep bij stroomen uit een diepe wond in zijne borst.»Cascaras!” prevelde de kapitein, »de arme duivel heeft wel zijn deel gekregen; als hij mij voor zijn dood nog maar zeggen kan, wie hem in dien toestand hebben gebracht, en wat er van Kennedy is geworden!”Evenals alle woudloopers had de kapitein eene practische kennis van de geneeskunde, en was hij geenszins verlegen met de behandeling van een dergelijke wond.Ten gevolge van de zorg door hem aan den gids ten koste gelegd, kwam deze spoedig bij. Hij slaakte een diepen zucht, sloeg flauw de oogen op, en bleef een tijdlang liggen zonder te kunnen spreken; maar na eenige vruchtelooze pogingen, bijgestaan door den kapitein, kwam hij zoover, dat hij zich halverwege kon oprichten, en terwijl hij herhaalde malen het hoofd schudde, zeide hij op wanhopigen toon, en met eene telkens afgebrokene stem:»Alles is verloren, kapitein! Wij hebben onzen slag gemist.”»Duizend donders!.…” riep de roover woedend stampvoetende, »hoe heeft zich dat toegedragen?”»Dat meisje is een duivel!” hernam de gids, wiens fluitende ademhaling en gedurig zwakker wordende stem duidelijk genoeg bewezen, dat hij niet lang meer leven zou.»Zoo gij kunt,” zeide de kapitein, die van den uitroep van den gekwetste niets begrepen had, »zeg mij dan, hoe de zaken zich hebben toegedragen, en wie uw moordenaar is, opdat ik u wreke!”Een akelige lach plooide de paarsche lippen van den gids.»Wie mijn moordenaar is?” herhaalde hij spottend.»Ja.”»DoñaLuz.”»DoñaLuz!” riep de kapitein, verrast opspringende; »dat is onmogelijk!”»Luister,” hernam de gids, »mijne oogenblikken zijn geteld; weldra zal ik niet meer leven. Een man in mijn toestand liegt niet. Laat mij spreken, en val mij niet in de rede; ik weet niet of ik den tijd zal hebben om u alles te zeggen, alvorens ik rekenschap ga afleggen aan Hem, die alles weet.”»Spreek!” zeide de kapitein.En daar de stem van den gekwetste hoe langer hoe zwakker werd, knielde hij naast hem neder, om geen enkel woord te verliezen.De gids sloot de oogen, haalde even adem, en zeide toen met inspanning van al zijne krachten:»Geef mij wat brandewijn!”[136]»Zijt gij gek, brandewijn zou u dooden.”De gewonde schudde het hoofd.»Het zal mij de noodige kracht geven, om u alles te doen verstaan, wat ik u te zeggen heb. Ben ik niet reeds half dood?”»Dat is waar!” prevelde de kapitein.»Aarzel dan niet,” hernam de ander; »de tijd dringt ons, ik heb u belangrijke zaken mede te deelen.”»Het zij zoo!” mompelde de roover, en bracht de flesch aan de lippen van den gids.Deze dronk gulzig en vrij lang; een koortsachtige gloed kleurde zijne wangen, zijne brekende oogen verhelderden zich, en begonnen levendig te schitteren.»Nu,” zeide hij met een krachtige en vrij harde stem, »moet gij mij niet in de rede vallen; zoodra gij ziet, dat mijne krachten afnemen, laat mij dan drinken; misschien zal ik nog den tijd vinden om u alles te verhalen.”De kapitein gaf hem een teeken van goedkeuring, en de Babbelaar begon zijn verhaal.Het duurde vrij lang, ten gevolge van de uitputting, waarin hij gedurig verviel; toen hij geëindigd had, voegde hij er bij:»Gij ziet het, die vrouw, gelijk ik u zeide, is een duivel, zij heeft Kennedy en mij gedood; zie van haar af, kapitein, het is geen gemakkelijk wild om te jagen, gij zult haar nooit meester worden.”»Hoe!” zeide de kapitein, de wenkbrauwen fronsende, »meent gij dat ik zoo licht mijne plannen laat varen?”»Goed succès dan!” prevelde de gids; »wat mij betreft, ik heb afgehandeld, mijne rekening is gemaakt.… Vaarwel, kapitein,” voegde hij er met een vreemden lach bij, »ik ga naar den duivel, daar zullen wij elkander wederzien!.…”Hij viel omver.De kapitein wilde hem oplichten, maar hij was dood.»Goede reis!” prevelde hij koelbloedig.Hij nam het lijk op zijne schouders, bracht het in een boschje, maakte daar een kuil, en legde het er in; dit gedaan hebbende, ging hij naar het vuur in het kamp terug, wikkelde zich in zijn mantel, strekte zich op den grond uit, met de voeten naar het vuur gekeerd, en legde zich te slapen met de woorden:»Binnen eenige uren zal het dag zijn; dan zullen wij zien, wat er te doen is.”De bandieten sliepen niet lang; met zonsopgang was in het kamp der roovers alles in beweging. Allen maakten zich gereed om op weg te gaan.De kapitein, wel verre van zijn plan te laten varen, had integendeel besloten de uitvoering er van terstond en met geweld door te zetten, ten einde den Mexicanen geen tijd te laten om onder de blanke pelsjagers der prairiën eene hulp te vinden, die den gelukkigen uitslag onmogelijk zou hebben gemaakt.[137]Zoodra het duidelijk was, dat de bevelen, die hij gegeven had, goed begrepen waren, gaf de kapitein het teeken van vertrek. De bende brak op en begon op zijn Indiaansch te marcheeren, dat is te zeggen, met den rug naar de plaats waar zij heen trok.Vervolgens, toen zij op eene plek gekomen waren, die hun de gewenschte veiligheid scheen te bieden, stegen de roovers van hunne paarden, gaven deze aan eenige sterke kerels over; en zich nu als een hoop adders op den grond uitstrekkende, of ook wel van den eenen tak op den anderen en van den eenen boom op den anderen overspringende, begaven zij zich met alle noodige voorzorgen, in de richting van het Mexicaansche kamp.
[Inhoud]II.DE ROOVERS.Het was avond. Even ver van het kamp der Mexicanen als van dat der Comanchen verwijderd, zaten in een hollen weg, tusschen twee hooge heuvels verborgen, een veertigtal mannen om verscheidene vuren vereenigd, zoodanig geplaatst, dat het schijnsel der vlammen hunne tegenwoordigheid niet kon verraden. Deze zonderlinge vereeniging van gelukzoekers met sombere gelaatstrekken, woeste blikken, slordige en grillige kostumen, bood een schouwspel aan, de teekenstift van Callot of het penseel van een Salvator Rosa waardig.Deze mannen, een vreemdsoortig samenstel van alle volkssoorten, die de aarde bewonen, van den Rus af tot aan den Chinees toe, vormden de meest volledige verzameling van schurken, die men[133]zich maar kan voorstellen; vrijbuiters zonder eer, zonder wet, zonder haardstede, zonder woning, het uitvaagsel der beschaafde wereld, genoodzaakt tegen deze eene schuilplaats te zoeken in het hart der prairiën van het Westen, vormden zij zelfs daar in de wildernis een afzonderlijke bende, nu eens in oorlog met de jagers, dan weder met de Indianen, beiden in wreedheid en schelmerij overtreffende. Deze mannen in één woord, waren, wat men gewoon isde Roovers der Prairiënte noemen.Die naam komt hun in alle opzichten toe; want evenals hunne broeders op den Oceaan, voeren zij alle vlaggen of liever treden ze allen met voeten, belagen zij alle reizigers, die het wagen alleen de prairiën te doorkruisen, vallen zij alle karavanen aan om die te plunderen, en als iedere andere buit hun ontsnapt, verschuilen zij zich verraderlijk in het hooge gras, om van daar de Indianen te bespieden en te vermoorden, en alzoo de premie te verdienen, die hetvaderlijkbestuur der Vereenigde Staten gesteld heeft op hethoofdhaarvan iederen inlander, evenals men in Frankrijk den kop van een wolf betaalt.Deze bende werd aangevoerd door den kapitein Ouaktehno, dien wij reeds vroeger ten tooneele hebben gevoerd.Er heerschte onder deze bandieten een spanning, die het voorteeken was van eene geheimzinnige onderneming. Eenigen maakten hunne wapenen schoon of laadden die, anderen kleedden zich, anderen wederom rookten en dronken mezcal, nog anderen sliepen in hunne gescheurde mantels gewikkeld. De paarden, geheel gezadeld, waren aan palen vastgemaakt.Op geregelde afstanden stonden wachten, zwijgend en onbewegelijk als standbeelden van metaal op hunne lange karabijnen te leunen, wakende voor het algemeene welzijn. Het wegstervend schijnsel der vuren wierp nu en dan op dit tooneel een roodachtigen gloed, die aan de roovers een nog woester voorkomen gaf.De kapitein scheen aan eene angstige bezorgdheid ten prooi te zijn, hij liep met groote stappen te midden van zijne onderhoorigen heen en weder nu eens stampende van toorn, dan weder stilstaande om naar de onbestemde geluiden der prairie te luisteren.De nacht werd hoe langer hoe donkerder, de maan was ondergegaan, de wind huilde dof in de duisternis, de roovers waren ten laatste allen in slaap gevallen. De kapitein alleen waakte nog.Eensklaps meende hij in de verte het knallen van een geweerschot te hooren, toen een tweede, en daarna werd alles wederom stil.»Wat beteekent dat?” mompelde de kapitein woedend, »hebben die gekken zich laten overvallen?”Terstond zich zorgvuldig in zijnen mantel wikkelende, wendde hij zich met groote schreden naar dien kant, van waar het geluid vernomen was.’t Was erg donker, en ondanks zijne plaatskennis ging de kapitein[134]slechts met moeite voort tusschen de wortels en takken, die bij elke schrede hem den weg versperden. Meermalen was hij genoodzaakt stil te staan en naar den weg te zoeken, dien hij gedurig kwijt was, door de omwegen, waartoe de rotsblokken en kreupelboschjes, die hij tegenkwam hem noodzaakten.Gedurende een dergelijk oponthoud, meende hij niet ver van zich af eenig gedruisch in de bladeren en takken te hooren, niet ongelijk aan dat, hetwelk veroorzaakt wordt door het harde loopen van een dier of van een mensch in het kreupelhout.De kapitein verborg zich achter den stam van een reusachtigen mahonieboom, greep zijne pistolen om op alles bereid te zijn, en luisterde met vooruitgestoken hoofd.Alles om hem heen was stil: het was dat geheimzinnige uur van den nacht, waarin de natuur schijnt te slapen, en waarin al die naamlooze geluiden der wildernis zwijgen, om, zooals de Indianen zeggen, alleende stilte te laten hooren.»Ik heb mij vergist,” prevelde de roover, en hij maakte eene beweging om op zijne schreden terug te keeren. Nu liet zich hetzelfde gedruisch op nieuw hooren, maar duidelijker en dichterbij dan even te voren, en onmiddellijk gevolgd door een ingehouden kermen.»Bij God!” zeide de kapitein, »dat begint interessant te worden, daar moet ik het mijne van hebben.”Na een snellen loop van eenige minuten; zag hij niet ver van zich af de schaduw van een man in het donker voortglijden. Deze persoon, wie het ook zijn mocht, scheen zich met moeite voort te slepen, hij waggelde bij iedere schrede, en stond nu en dan stil, als om zijne krachten te herstellen. Soms liet hij een onderdrukte klacht hooren. De kapitein sprong naar hem toe, om hem den doorgang te versperren. Zoodra de onbekende hem bemerkte, slaakte hij een kreet van schrik, viel op de knieën, en mompelde met eene van angst sidderende stem:»Genade, genade! dood mij niet!”»Hoe!” riep de verbaasde kapitein, »het is de Babbelaar! Wie duivel heeft hem zoo toegetakeld?”Hij bukte om hem van nabij te bezien.Het was inderdaad de gids.Hij was in zwijm gevallen.»De pest hale dien stommeling!” mompelde de kapitein spijtig, »hoe kan ik hem nu uithooren?”Maar de roover was een man; die zich te redden wist, hij stak zijne pistolen in zijn gordel, nam den gekwetste op en legde hem over zijne schouders.Met dezen last beladen, die hem geenszins in het loopen hinderde, keerde hij met groote schreden langs denzelfden weg, dien hij gekomen was, naar het kamp terug.Hij legde den gids bij een half uitgedoofd vuur, en wierp daarin[135]eenige takkenbossen, om het te laten opflikkeren. Weldra stelde een heldere vlam hem in staat, om den man te onderzoeken, die bewusteloos aan zijne voeten nederlag.De gelaatstrekken van den Babbelaar waren loodkleurig, een koud zweet parelde langs zijne slapen, en het bloed liep bij stroomen uit een diepe wond in zijne borst.»Cascaras!” prevelde de kapitein, »de arme duivel heeft wel zijn deel gekregen; als hij mij voor zijn dood nog maar zeggen kan, wie hem in dien toestand hebben gebracht, en wat er van Kennedy is geworden!”Evenals alle woudloopers had de kapitein eene practische kennis van de geneeskunde, en was hij geenszins verlegen met de behandeling van een dergelijke wond.Ten gevolge van de zorg door hem aan den gids ten koste gelegd, kwam deze spoedig bij. Hij slaakte een diepen zucht, sloeg flauw de oogen op, en bleef een tijdlang liggen zonder te kunnen spreken; maar na eenige vruchtelooze pogingen, bijgestaan door den kapitein, kwam hij zoover, dat hij zich halverwege kon oprichten, en terwijl hij herhaalde malen het hoofd schudde, zeide hij op wanhopigen toon, en met eene telkens afgebrokene stem:»Alles is verloren, kapitein! Wij hebben onzen slag gemist.”»Duizend donders!.…” riep de roover woedend stampvoetende, »hoe heeft zich dat toegedragen?”»Dat meisje is een duivel!” hernam de gids, wiens fluitende ademhaling en gedurig zwakker wordende stem duidelijk genoeg bewezen, dat hij niet lang meer leven zou.»Zoo gij kunt,” zeide de kapitein, die van den uitroep van den gekwetste niets begrepen had, »zeg mij dan, hoe de zaken zich hebben toegedragen, en wie uw moordenaar is, opdat ik u wreke!”Een akelige lach plooide de paarsche lippen van den gids.»Wie mijn moordenaar is?” herhaalde hij spottend.»Ja.”»DoñaLuz.”»DoñaLuz!” riep de kapitein, verrast opspringende; »dat is onmogelijk!”»Luister,” hernam de gids, »mijne oogenblikken zijn geteld; weldra zal ik niet meer leven. Een man in mijn toestand liegt niet. Laat mij spreken, en val mij niet in de rede; ik weet niet of ik den tijd zal hebben om u alles te zeggen, alvorens ik rekenschap ga afleggen aan Hem, die alles weet.”»Spreek!” zeide de kapitein.En daar de stem van den gekwetste hoe langer hoe zwakker werd, knielde hij naast hem neder, om geen enkel woord te verliezen.De gids sloot de oogen, haalde even adem, en zeide toen met inspanning van al zijne krachten:»Geef mij wat brandewijn!”[136]»Zijt gij gek, brandewijn zou u dooden.”De gewonde schudde het hoofd.»Het zal mij de noodige kracht geven, om u alles te doen verstaan, wat ik u te zeggen heb. Ben ik niet reeds half dood?”»Dat is waar!” prevelde de kapitein.»Aarzel dan niet,” hernam de ander; »de tijd dringt ons, ik heb u belangrijke zaken mede te deelen.”»Het zij zoo!” mompelde de roover, en bracht de flesch aan de lippen van den gids.Deze dronk gulzig en vrij lang; een koortsachtige gloed kleurde zijne wangen, zijne brekende oogen verhelderden zich, en begonnen levendig te schitteren.»Nu,” zeide hij met een krachtige en vrij harde stem, »moet gij mij niet in de rede vallen; zoodra gij ziet, dat mijne krachten afnemen, laat mij dan drinken; misschien zal ik nog den tijd vinden om u alles te verhalen.”De kapitein gaf hem een teeken van goedkeuring, en de Babbelaar begon zijn verhaal.Het duurde vrij lang, ten gevolge van de uitputting, waarin hij gedurig verviel; toen hij geëindigd had, voegde hij er bij:»Gij ziet het, die vrouw, gelijk ik u zeide, is een duivel, zij heeft Kennedy en mij gedood; zie van haar af, kapitein, het is geen gemakkelijk wild om te jagen, gij zult haar nooit meester worden.”»Hoe!” zeide de kapitein, de wenkbrauwen fronsende, »meent gij dat ik zoo licht mijne plannen laat varen?”»Goed succès dan!” prevelde de gids; »wat mij betreft, ik heb afgehandeld, mijne rekening is gemaakt.… Vaarwel, kapitein,” voegde hij er met een vreemden lach bij, »ik ga naar den duivel, daar zullen wij elkander wederzien!.…”Hij viel omver.De kapitein wilde hem oplichten, maar hij was dood.»Goede reis!” prevelde hij koelbloedig.Hij nam het lijk op zijne schouders, bracht het in een boschje, maakte daar een kuil, en legde het er in; dit gedaan hebbende, ging hij naar het vuur in het kamp terug, wikkelde zich in zijn mantel, strekte zich op den grond uit, met de voeten naar het vuur gekeerd, en legde zich te slapen met de woorden:»Binnen eenige uren zal het dag zijn; dan zullen wij zien, wat er te doen is.”De bandieten sliepen niet lang; met zonsopgang was in het kamp der roovers alles in beweging. Allen maakten zich gereed om op weg te gaan.De kapitein, wel verre van zijn plan te laten varen, had integendeel besloten de uitvoering er van terstond en met geweld door te zetten, ten einde den Mexicanen geen tijd te laten om onder de blanke pelsjagers der prairiën eene hulp te vinden, die den gelukkigen uitslag onmogelijk zou hebben gemaakt.[137]Zoodra het duidelijk was, dat de bevelen, die hij gegeven had, goed begrepen waren, gaf de kapitein het teeken van vertrek. De bende brak op en begon op zijn Indiaansch te marcheeren, dat is te zeggen, met den rug naar de plaats waar zij heen trok.Vervolgens, toen zij op eene plek gekomen waren, die hun de gewenschte veiligheid scheen te bieden, stegen de roovers van hunne paarden, gaven deze aan eenige sterke kerels over; en zich nu als een hoop adders op den grond uitstrekkende, of ook wel van den eenen tak op den anderen en van den eenen boom op den anderen overspringende, begaven zij zich met alle noodige voorzorgen, in de richting van het Mexicaansche kamp.
II.DE ROOVERS.
Het was avond. Even ver van het kamp der Mexicanen als van dat der Comanchen verwijderd, zaten in een hollen weg, tusschen twee hooge heuvels verborgen, een veertigtal mannen om verscheidene vuren vereenigd, zoodanig geplaatst, dat het schijnsel der vlammen hunne tegenwoordigheid niet kon verraden. Deze zonderlinge vereeniging van gelukzoekers met sombere gelaatstrekken, woeste blikken, slordige en grillige kostumen, bood een schouwspel aan, de teekenstift van Callot of het penseel van een Salvator Rosa waardig.Deze mannen, een vreemdsoortig samenstel van alle volkssoorten, die de aarde bewonen, van den Rus af tot aan den Chinees toe, vormden de meest volledige verzameling van schurken, die men[133]zich maar kan voorstellen; vrijbuiters zonder eer, zonder wet, zonder haardstede, zonder woning, het uitvaagsel der beschaafde wereld, genoodzaakt tegen deze eene schuilplaats te zoeken in het hart der prairiën van het Westen, vormden zij zelfs daar in de wildernis een afzonderlijke bende, nu eens in oorlog met de jagers, dan weder met de Indianen, beiden in wreedheid en schelmerij overtreffende. Deze mannen in één woord, waren, wat men gewoon isde Roovers der Prairiënte noemen.Die naam komt hun in alle opzichten toe; want evenals hunne broeders op den Oceaan, voeren zij alle vlaggen of liever treden ze allen met voeten, belagen zij alle reizigers, die het wagen alleen de prairiën te doorkruisen, vallen zij alle karavanen aan om die te plunderen, en als iedere andere buit hun ontsnapt, verschuilen zij zich verraderlijk in het hooge gras, om van daar de Indianen te bespieden en te vermoorden, en alzoo de premie te verdienen, die hetvaderlijkbestuur der Vereenigde Staten gesteld heeft op hethoofdhaarvan iederen inlander, evenals men in Frankrijk den kop van een wolf betaalt.Deze bende werd aangevoerd door den kapitein Ouaktehno, dien wij reeds vroeger ten tooneele hebben gevoerd.Er heerschte onder deze bandieten een spanning, die het voorteeken was van eene geheimzinnige onderneming. Eenigen maakten hunne wapenen schoon of laadden die, anderen kleedden zich, anderen wederom rookten en dronken mezcal, nog anderen sliepen in hunne gescheurde mantels gewikkeld. De paarden, geheel gezadeld, waren aan palen vastgemaakt.Op geregelde afstanden stonden wachten, zwijgend en onbewegelijk als standbeelden van metaal op hunne lange karabijnen te leunen, wakende voor het algemeene welzijn. Het wegstervend schijnsel der vuren wierp nu en dan op dit tooneel een roodachtigen gloed, die aan de roovers een nog woester voorkomen gaf.De kapitein scheen aan eene angstige bezorgdheid ten prooi te zijn, hij liep met groote stappen te midden van zijne onderhoorigen heen en weder nu eens stampende van toorn, dan weder stilstaande om naar de onbestemde geluiden der prairie te luisteren.De nacht werd hoe langer hoe donkerder, de maan was ondergegaan, de wind huilde dof in de duisternis, de roovers waren ten laatste allen in slaap gevallen. De kapitein alleen waakte nog.Eensklaps meende hij in de verte het knallen van een geweerschot te hooren, toen een tweede, en daarna werd alles wederom stil.»Wat beteekent dat?” mompelde de kapitein woedend, »hebben die gekken zich laten overvallen?”Terstond zich zorgvuldig in zijnen mantel wikkelende, wendde hij zich met groote schreden naar dien kant, van waar het geluid vernomen was.’t Was erg donker, en ondanks zijne plaatskennis ging de kapitein[134]slechts met moeite voort tusschen de wortels en takken, die bij elke schrede hem den weg versperden. Meermalen was hij genoodzaakt stil te staan en naar den weg te zoeken, dien hij gedurig kwijt was, door de omwegen, waartoe de rotsblokken en kreupelboschjes, die hij tegenkwam hem noodzaakten.Gedurende een dergelijk oponthoud, meende hij niet ver van zich af eenig gedruisch in de bladeren en takken te hooren, niet ongelijk aan dat, hetwelk veroorzaakt wordt door het harde loopen van een dier of van een mensch in het kreupelhout.De kapitein verborg zich achter den stam van een reusachtigen mahonieboom, greep zijne pistolen om op alles bereid te zijn, en luisterde met vooruitgestoken hoofd.Alles om hem heen was stil: het was dat geheimzinnige uur van den nacht, waarin de natuur schijnt te slapen, en waarin al die naamlooze geluiden der wildernis zwijgen, om, zooals de Indianen zeggen, alleende stilte te laten hooren.»Ik heb mij vergist,” prevelde de roover, en hij maakte eene beweging om op zijne schreden terug te keeren. Nu liet zich hetzelfde gedruisch op nieuw hooren, maar duidelijker en dichterbij dan even te voren, en onmiddellijk gevolgd door een ingehouden kermen.»Bij God!” zeide de kapitein, »dat begint interessant te worden, daar moet ik het mijne van hebben.”Na een snellen loop van eenige minuten; zag hij niet ver van zich af de schaduw van een man in het donker voortglijden. Deze persoon, wie het ook zijn mocht, scheen zich met moeite voort te slepen, hij waggelde bij iedere schrede, en stond nu en dan stil, als om zijne krachten te herstellen. Soms liet hij een onderdrukte klacht hooren. De kapitein sprong naar hem toe, om hem den doorgang te versperren. Zoodra de onbekende hem bemerkte, slaakte hij een kreet van schrik, viel op de knieën, en mompelde met eene van angst sidderende stem:»Genade, genade! dood mij niet!”»Hoe!” riep de verbaasde kapitein, »het is de Babbelaar! Wie duivel heeft hem zoo toegetakeld?”Hij bukte om hem van nabij te bezien.Het was inderdaad de gids.Hij was in zwijm gevallen.»De pest hale dien stommeling!” mompelde de kapitein spijtig, »hoe kan ik hem nu uithooren?”Maar de roover was een man; die zich te redden wist, hij stak zijne pistolen in zijn gordel, nam den gekwetste op en legde hem over zijne schouders.Met dezen last beladen, die hem geenszins in het loopen hinderde, keerde hij met groote schreden langs denzelfden weg, dien hij gekomen was, naar het kamp terug.Hij legde den gids bij een half uitgedoofd vuur, en wierp daarin[135]eenige takkenbossen, om het te laten opflikkeren. Weldra stelde een heldere vlam hem in staat, om den man te onderzoeken, die bewusteloos aan zijne voeten nederlag.De gelaatstrekken van den Babbelaar waren loodkleurig, een koud zweet parelde langs zijne slapen, en het bloed liep bij stroomen uit een diepe wond in zijne borst.»Cascaras!” prevelde de kapitein, »de arme duivel heeft wel zijn deel gekregen; als hij mij voor zijn dood nog maar zeggen kan, wie hem in dien toestand hebben gebracht, en wat er van Kennedy is geworden!”Evenals alle woudloopers had de kapitein eene practische kennis van de geneeskunde, en was hij geenszins verlegen met de behandeling van een dergelijke wond.Ten gevolge van de zorg door hem aan den gids ten koste gelegd, kwam deze spoedig bij. Hij slaakte een diepen zucht, sloeg flauw de oogen op, en bleef een tijdlang liggen zonder te kunnen spreken; maar na eenige vruchtelooze pogingen, bijgestaan door den kapitein, kwam hij zoover, dat hij zich halverwege kon oprichten, en terwijl hij herhaalde malen het hoofd schudde, zeide hij op wanhopigen toon, en met eene telkens afgebrokene stem:»Alles is verloren, kapitein! Wij hebben onzen slag gemist.”»Duizend donders!.…” riep de roover woedend stampvoetende, »hoe heeft zich dat toegedragen?”»Dat meisje is een duivel!” hernam de gids, wiens fluitende ademhaling en gedurig zwakker wordende stem duidelijk genoeg bewezen, dat hij niet lang meer leven zou.»Zoo gij kunt,” zeide de kapitein, die van den uitroep van den gekwetste niets begrepen had, »zeg mij dan, hoe de zaken zich hebben toegedragen, en wie uw moordenaar is, opdat ik u wreke!”Een akelige lach plooide de paarsche lippen van den gids.»Wie mijn moordenaar is?” herhaalde hij spottend.»Ja.”»DoñaLuz.”»DoñaLuz!” riep de kapitein, verrast opspringende; »dat is onmogelijk!”»Luister,” hernam de gids, »mijne oogenblikken zijn geteld; weldra zal ik niet meer leven. Een man in mijn toestand liegt niet. Laat mij spreken, en val mij niet in de rede; ik weet niet of ik den tijd zal hebben om u alles te zeggen, alvorens ik rekenschap ga afleggen aan Hem, die alles weet.”»Spreek!” zeide de kapitein.En daar de stem van den gekwetste hoe langer hoe zwakker werd, knielde hij naast hem neder, om geen enkel woord te verliezen.De gids sloot de oogen, haalde even adem, en zeide toen met inspanning van al zijne krachten:»Geef mij wat brandewijn!”[136]»Zijt gij gek, brandewijn zou u dooden.”De gewonde schudde het hoofd.»Het zal mij de noodige kracht geven, om u alles te doen verstaan, wat ik u te zeggen heb. Ben ik niet reeds half dood?”»Dat is waar!” prevelde de kapitein.»Aarzel dan niet,” hernam de ander; »de tijd dringt ons, ik heb u belangrijke zaken mede te deelen.”»Het zij zoo!” mompelde de roover, en bracht de flesch aan de lippen van den gids.Deze dronk gulzig en vrij lang; een koortsachtige gloed kleurde zijne wangen, zijne brekende oogen verhelderden zich, en begonnen levendig te schitteren.»Nu,” zeide hij met een krachtige en vrij harde stem, »moet gij mij niet in de rede vallen; zoodra gij ziet, dat mijne krachten afnemen, laat mij dan drinken; misschien zal ik nog den tijd vinden om u alles te verhalen.”De kapitein gaf hem een teeken van goedkeuring, en de Babbelaar begon zijn verhaal.Het duurde vrij lang, ten gevolge van de uitputting, waarin hij gedurig verviel; toen hij geëindigd had, voegde hij er bij:»Gij ziet het, die vrouw, gelijk ik u zeide, is een duivel, zij heeft Kennedy en mij gedood; zie van haar af, kapitein, het is geen gemakkelijk wild om te jagen, gij zult haar nooit meester worden.”»Hoe!” zeide de kapitein, de wenkbrauwen fronsende, »meent gij dat ik zoo licht mijne plannen laat varen?”»Goed succès dan!” prevelde de gids; »wat mij betreft, ik heb afgehandeld, mijne rekening is gemaakt.… Vaarwel, kapitein,” voegde hij er met een vreemden lach bij, »ik ga naar den duivel, daar zullen wij elkander wederzien!.…”Hij viel omver.De kapitein wilde hem oplichten, maar hij was dood.»Goede reis!” prevelde hij koelbloedig.Hij nam het lijk op zijne schouders, bracht het in een boschje, maakte daar een kuil, en legde het er in; dit gedaan hebbende, ging hij naar het vuur in het kamp terug, wikkelde zich in zijn mantel, strekte zich op den grond uit, met de voeten naar het vuur gekeerd, en legde zich te slapen met de woorden:»Binnen eenige uren zal het dag zijn; dan zullen wij zien, wat er te doen is.”De bandieten sliepen niet lang; met zonsopgang was in het kamp der roovers alles in beweging. Allen maakten zich gereed om op weg te gaan.De kapitein, wel verre van zijn plan te laten varen, had integendeel besloten de uitvoering er van terstond en met geweld door te zetten, ten einde den Mexicanen geen tijd te laten om onder de blanke pelsjagers der prairiën eene hulp te vinden, die den gelukkigen uitslag onmogelijk zou hebben gemaakt.[137]Zoodra het duidelijk was, dat de bevelen, die hij gegeven had, goed begrepen waren, gaf de kapitein het teeken van vertrek. De bende brak op en begon op zijn Indiaansch te marcheeren, dat is te zeggen, met den rug naar de plaats waar zij heen trok.Vervolgens, toen zij op eene plek gekomen waren, die hun de gewenschte veiligheid scheen te bieden, stegen de roovers van hunne paarden, gaven deze aan eenige sterke kerels over; en zich nu als een hoop adders op den grond uitstrekkende, of ook wel van den eenen tak op den anderen en van den eenen boom op den anderen overspringende, begaven zij zich met alle noodige voorzorgen, in de richting van het Mexicaansche kamp.
Het was avond. Even ver van het kamp der Mexicanen als van dat der Comanchen verwijderd, zaten in een hollen weg, tusschen twee hooge heuvels verborgen, een veertigtal mannen om verscheidene vuren vereenigd, zoodanig geplaatst, dat het schijnsel der vlammen hunne tegenwoordigheid niet kon verraden. Deze zonderlinge vereeniging van gelukzoekers met sombere gelaatstrekken, woeste blikken, slordige en grillige kostumen, bood een schouwspel aan, de teekenstift van Callot of het penseel van een Salvator Rosa waardig.
Deze mannen, een vreemdsoortig samenstel van alle volkssoorten, die de aarde bewonen, van den Rus af tot aan den Chinees toe, vormden de meest volledige verzameling van schurken, die men[133]zich maar kan voorstellen; vrijbuiters zonder eer, zonder wet, zonder haardstede, zonder woning, het uitvaagsel der beschaafde wereld, genoodzaakt tegen deze eene schuilplaats te zoeken in het hart der prairiën van het Westen, vormden zij zelfs daar in de wildernis een afzonderlijke bende, nu eens in oorlog met de jagers, dan weder met de Indianen, beiden in wreedheid en schelmerij overtreffende. Deze mannen in één woord, waren, wat men gewoon isde Roovers der Prairiënte noemen.
Die naam komt hun in alle opzichten toe; want evenals hunne broeders op den Oceaan, voeren zij alle vlaggen of liever treden ze allen met voeten, belagen zij alle reizigers, die het wagen alleen de prairiën te doorkruisen, vallen zij alle karavanen aan om die te plunderen, en als iedere andere buit hun ontsnapt, verschuilen zij zich verraderlijk in het hooge gras, om van daar de Indianen te bespieden en te vermoorden, en alzoo de premie te verdienen, die hetvaderlijkbestuur der Vereenigde Staten gesteld heeft op hethoofdhaarvan iederen inlander, evenals men in Frankrijk den kop van een wolf betaalt.
Deze bende werd aangevoerd door den kapitein Ouaktehno, dien wij reeds vroeger ten tooneele hebben gevoerd.
Er heerschte onder deze bandieten een spanning, die het voorteeken was van eene geheimzinnige onderneming. Eenigen maakten hunne wapenen schoon of laadden die, anderen kleedden zich, anderen wederom rookten en dronken mezcal, nog anderen sliepen in hunne gescheurde mantels gewikkeld. De paarden, geheel gezadeld, waren aan palen vastgemaakt.
Op geregelde afstanden stonden wachten, zwijgend en onbewegelijk als standbeelden van metaal op hunne lange karabijnen te leunen, wakende voor het algemeene welzijn. Het wegstervend schijnsel der vuren wierp nu en dan op dit tooneel een roodachtigen gloed, die aan de roovers een nog woester voorkomen gaf.
De kapitein scheen aan eene angstige bezorgdheid ten prooi te zijn, hij liep met groote stappen te midden van zijne onderhoorigen heen en weder nu eens stampende van toorn, dan weder stilstaande om naar de onbestemde geluiden der prairie te luisteren.
De nacht werd hoe langer hoe donkerder, de maan was ondergegaan, de wind huilde dof in de duisternis, de roovers waren ten laatste allen in slaap gevallen. De kapitein alleen waakte nog.
Eensklaps meende hij in de verte het knallen van een geweerschot te hooren, toen een tweede, en daarna werd alles wederom stil.
»Wat beteekent dat?” mompelde de kapitein woedend, »hebben die gekken zich laten overvallen?”
Terstond zich zorgvuldig in zijnen mantel wikkelende, wendde hij zich met groote schreden naar dien kant, van waar het geluid vernomen was.
’t Was erg donker, en ondanks zijne plaatskennis ging de kapitein[134]slechts met moeite voort tusschen de wortels en takken, die bij elke schrede hem den weg versperden. Meermalen was hij genoodzaakt stil te staan en naar den weg te zoeken, dien hij gedurig kwijt was, door de omwegen, waartoe de rotsblokken en kreupelboschjes, die hij tegenkwam hem noodzaakten.
Gedurende een dergelijk oponthoud, meende hij niet ver van zich af eenig gedruisch in de bladeren en takken te hooren, niet ongelijk aan dat, hetwelk veroorzaakt wordt door het harde loopen van een dier of van een mensch in het kreupelhout.
De kapitein verborg zich achter den stam van een reusachtigen mahonieboom, greep zijne pistolen om op alles bereid te zijn, en luisterde met vooruitgestoken hoofd.
Alles om hem heen was stil: het was dat geheimzinnige uur van den nacht, waarin de natuur schijnt te slapen, en waarin al die naamlooze geluiden der wildernis zwijgen, om, zooals de Indianen zeggen, alleende stilte te laten hooren.
»Ik heb mij vergist,” prevelde de roover, en hij maakte eene beweging om op zijne schreden terug te keeren. Nu liet zich hetzelfde gedruisch op nieuw hooren, maar duidelijker en dichterbij dan even te voren, en onmiddellijk gevolgd door een ingehouden kermen.
»Bij God!” zeide de kapitein, »dat begint interessant te worden, daar moet ik het mijne van hebben.”
Na een snellen loop van eenige minuten; zag hij niet ver van zich af de schaduw van een man in het donker voortglijden. Deze persoon, wie het ook zijn mocht, scheen zich met moeite voort te slepen, hij waggelde bij iedere schrede, en stond nu en dan stil, als om zijne krachten te herstellen. Soms liet hij een onderdrukte klacht hooren. De kapitein sprong naar hem toe, om hem den doorgang te versperren. Zoodra de onbekende hem bemerkte, slaakte hij een kreet van schrik, viel op de knieën, en mompelde met eene van angst sidderende stem:
»Genade, genade! dood mij niet!”
»Hoe!” riep de verbaasde kapitein, »het is de Babbelaar! Wie duivel heeft hem zoo toegetakeld?”
Hij bukte om hem van nabij te bezien.
Het was inderdaad de gids.
Hij was in zwijm gevallen.
»De pest hale dien stommeling!” mompelde de kapitein spijtig, »hoe kan ik hem nu uithooren?”
Maar de roover was een man; die zich te redden wist, hij stak zijne pistolen in zijn gordel, nam den gekwetste op en legde hem over zijne schouders.
Met dezen last beladen, die hem geenszins in het loopen hinderde, keerde hij met groote schreden langs denzelfden weg, dien hij gekomen was, naar het kamp terug.
Hij legde den gids bij een half uitgedoofd vuur, en wierp daarin[135]eenige takkenbossen, om het te laten opflikkeren. Weldra stelde een heldere vlam hem in staat, om den man te onderzoeken, die bewusteloos aan zijne voeten nederlag.
De gelaatstrekken van den Babbelaar waren loodkleurig, een koud zweet parelde langs zijne slapen, en het bloed liep bij stroomen uit een diepe wond in zijne borst.
»Cascaras!” prevelde de kapitein, »de arme duivel heeft wel zijn deel gekregen; als hij mij voor zijn dood nog maar zeggen kan, wie hem in dien toestand hebben gebracht, en wat er van Kennedy is geworden!”
Evenals alle woudloopers had de kapitein eene practische kennis van de geneeskunde, en was hij geenszins verlegen met de behandeling van een dergelijke wond.
Ten gevolge van de zorg door hem aan den gids ten koste gelegd, kwam deze spoedig bij. Hij slaakte een diepen zucht, sloeg flauw de oogen op, en bleef een tijdlang liggen zonder te kunnen spreken; maar na eenige vruchtelooze pogingen, bijgestaan door den kapitein, kwam hij zoover, dat hij zich halverwege kon oprichten, en terwijl hij herhaalde malen het hoofd schudde, zeide hij op wanhopigen toon, en met eene telkens afgebrokene stem:
»Alles is verloren, kapitein! Wij hebben onzen slag gemist.”
»Duizend donders!.…” riep de roover woedend stampvoetende, »hoe heeft zich dat toegedragen?”
»Dat meisje is een duivel!” hernam de gids, wiens fluitende ademhaling en gedurig zwakker wordende stem duidelijk genoeg bewezen, dat hij niet lang meer leven zou.
»Zoo gij kunt,” zeide de kapitein, die van den uitroep van den gekwetste niets begrepen had, »zeg mij dan, hoe de zaken zich hebben toegedragen, en wie uw moordenaar is, opdat ik u wreke!”
Een akelige lach plooide de paarsche lippen van den gids.
»Wie mijn moordenaar is?” herhaalde hij spottend.
»Ja.”
»DoñaLuz.”
»DoñaLuz!” riep de kapitein, verrast opspringende; »dat is onmogelijk!”
»Luister,” hernam de gids, »mijne oogenblikken zijn geteld; weldra zal ik niet meer leven. Een man in mijn toestand liegt niet. Laat mij spreken, en val mij niet in de rede; ik weet niet of ik den tijd zal hebben om u alles te zeggen, alvorens ik rekenschap ga afleggen aan Hem, die alles weet.”
»Spreek!” zeide de kapitein.
En daar de stem van den gekwetste hoe langer hoe zwakker werd, knielde hij naast hem neder, om geen enkel woord te verliezen.
De gids sloot de oogen, haalde even adem, en zeide toen met inspanning van al zijne krachten:
»Geef mij wat brandewijn!”[136]
»Zijt gij gek, brandewijn zou u dooden.”
De gewonde schudde het hoofd.
»Het zal mij de noodige kracht geven, om u alles te doen verstaan, wat ik u te zeggen heb. Ben ik niet reeds half dood?”
»Dat is waar!” prevelde de kapitein.
»Aarzel dan niet,” hernam de ander; »de tijd dringt ons, ik heb u belangrijke zaken mede te deelen.”
»Het zij zoo!” mompelde de roover, en bracht de flesch aan de lippen van den gids.
Deze dronk gulzig en vrij lang; een koortsachtige gloed kleurde zijne wangen, zijne brekende oogen verhelderden zich, en begonnen levendig te schitteren.
»Nu,” zeide hij met een krachtige en vrij harde stem, »moet gij mij niet in de rede vallen; zoodra gij ziet, dat mijne krachten afnemen, laat mij dan drinken; misschien zal ik nog den tijd vinden om u alles te verhalen.”
De kapitein gaf hem een teeken van goedkeuring, en de Babbelaar begon zijn verhaal.
Het duurde vrij lang, ten gevolge van de uitputting, waarin hij gedurig verviel; toen hij geëindigd had, voegde hij er bij:
»Gij ziet het, die vrouw, gelijk ik u zeide, is een duivel, zij heeft Kennedy en mij gedood; zie van haar af, kapitein, het is geen gemakkelijk wild om te jagen, gij zult haar nooit meester worden.”
»Hoe!” zeide de kapitein, de wenkbrauwen fronsende, »meent gij dat ik zoo licht mijne plannen laat varen?”
»Goed succès dan!” prevelde de gids; »wat mij betreft, ik heb afgehandeld, mijne rekening is gemaakt.… Vaarwel, kapitein,” voegde hij er met een vreemden lach bij, »ik ga naar den duivel, daar zullen wij elkander wederzien!.…”
Hij viel omver.
De kapitein wilde hem oplichten, maar hij was dood.
»Goede reis!” prevelde hij koelbloedig.
Hij nam het lijk op zijne schouders, bracht het in een boschje, maakte daar een kuil, en legde het er in; dit gedaan hebbende, ging hij naar het vuur in het kamp terug, wikkelde zich in zijn mantel, strekte zich op den grond uit, met de voeten naar het vuur gekeerd, en legde zich te slapen met de woorden:
»Binnen eenige uren zal het dag zijn; dan zullen wij zien, wat er te doen is.”
De bandieten sliepen niet lang; met zonsopgang was in het kamp der roovers alles in beweging. Allen maakten zich gereed om op weg te gaan.
De kapitein, wel verre van zijn plan te laten varen, had integendeel besloten de uitvoering er van terstond en met geweld door te zetten, ten einde den Mexicanen geen tijd te laten om onder de blanke pelsjagers der prairiën eene hulp te vinden, die den gelukkigen uitslag onmogelijk zou hebben gemaakt.[137]
Zoodra het duidelijk was, dat de bevelen, die hij gegeven had, goed begrepen waren, gaf de kapitein het teeken van vertrek. De bende brak op en begon op zijn Indiaansch te marcheeren, dat is te zeggen, met den rug naar de plaats waar zij heen trok.
Vervolgens, toen zij op eene plek gekomen waren, die hun de gewenschte veiligheid scheen te bieden, stegen de roovers van hunne paarden, gaven deze aan eenige sterke kerels over; en zich nu als een hoop adders op den grond uitstrekkende, of ook wel van den eenen tak op den anderen en van den eenen boom op den anderen overspringende, begaven zij zich met alle noodige voorzorgen, in de richting van het Mexicaansche kamp.