V.

[Inhoud]V.DE COMANCHEN.Edelhart en Goedsmoeds, tusschen de takken van den kurkeik verborgen, bespiedden de Comanchen.De Indianen rekenden op de waakzaamheid hunner wachten. Wel verre van te vermoeden dat hunne vijanden zich zoo dicht bij hen bevonden en hunne minste bewegingen gadesloegen, zaten of lagen zij onbekommerd rondom de vuren te eten en te rooken.Deze wilden, ten naasten bij 25 man sterk, waren gekleed in bisonvellen en op de meest verschillende en fantastische wijze uitgedoscht. De meesten waren geheel met vermiljoen besmeerd, anderen waren van top tot teen zwart en prijkten met een lange witte streep op iedere wang; zij droegen hun schild, boog en pijlen op den rug; naast hen lag hun geweer. Overigens zag men spoedig aan het groot aantal wolvenstaarten, die, aan hunne mocksens vastgemaakt, hen achterna sleepten, dat het allen uitgelezen krijgslieden waren, die den roem van hun stam uitmaakten.Op eenigen afstand van hen stond de Arendskop onbewegelijk tegen een boom geleund. Met de armen over elkander, en het lichaam een weinig voorover gebogen, scheen hij te luisteren naar eenige onbekende geluiden, die alleen zijn oor bereiken konden.De Arendskop behoorde tot den stam der Osagen; nog heel jong zijnde, hadden de Comanchen hem onder zich opgenomen, maar hij had altijd de kleeding en de zeden zijner natie bewaard.Het was een man van nauwelijks acht en twintig jaar; hij was bijna zes voet lang; zijn grove, sterk gespierde ledematen, duidden[45]buitengewone kracht aan. Anders dan zijn makkers, droeg hij een kleed, dat alleen zijne heupen bedekte, ten einde zijne borst en armen beter te doen uitkomen: de uitdrukking van zijn gelaat was schoon en edel: zijne zwarte, levendige oogen, zijn kromme neus, zijn wel wat groote mond deden hem eenigszins op een roofvogel gelijken. Al zijn haar was afgeschoren, behalve een enkele smalle streep, midden op zijn hoofd, die aan een helmbos deed denken, en een lange vlecht, die naar achteren viel en met een menigte arendsvederen versierd was. Zijn gezicht was met vier kleuren besmeerd, met blauw, wit, zwart en rood; de wonden, die hij aan zijne vijanden had toegebracht, had hij met blauwe verf op zijn naakte borst gemerkt. Mocksens van ongelooid hertenleêr reikten hem tot boven de knieën, en een aantal wolvenstaarten waren aan zijne hielen vastgemaakt.Gelukkig voor de jagers, waren de Indianen ten strijde uitgetogen en niet ter jacht, zoodat zij geen honden bij zich hadden; anders waren zij reeds lang verraden geworden, en zouden zij niet straffeloos het kamp zijn genaderd.Hoe onbewegelijk het opperhoofd daar ook stond, schitterde toch zijn oog met onrustigen blik; zijne neusgaten trilden; hij hief werktuigelijk de rechterhand op, als om aan zijne krijgslieden het zwijgen op te leggen.»Wij zijn ontdekt,” mompelde Edelhart, zoo zacht dat zijn makker het nauwelijks hooren kon.»Wat nu te doen?” antwoordde Goedsmoeds.»Handelen,” zeide de pelsjager kortweg.Beiden slopen toen onhoorbaar van tak tot tak, van boom tot boom, zonder een voet op den grond te zetten, totdat zij zich vlak tegenover het kamp bevonden, juist boven de plaats, waar de paarden der Comanchen aan de boomen waren vastgemaakt. Goedsmoeds klom zachtjes naar beneden en sneed de touwen, die hen vasthielden, door. De paarden, aangevuurd door de zweepslagen der jagers, renden hinnikend en snuivend in alle richtingen voort.De Indianen stonden in verwarring op, en liepen schreeuwend weg, om hunne paarden op te zoeken. De Arendskop alleen, als had hij de plaats geraden, waar zijne vijanden in hinderlaag lagen, liep recht op hen toe, zich zoo goed mogelijk achter de boomen, die zich op zijn weg bevonden, beschuttende.De jagers gingen voet voor voet achteruit, een waakzaam oog houdende op den omtrek, ten einde zich niet te laten verschalken.Het geschreeuw der Indianen verdween reeds in de verte; zij dachten aan niets dan hunne paarden. Het opperhoofd was nu alleen in de tegenwoordigheid van de twee vrienden. Bij een boom gekomen, waarvan de dikke stam hem volkomen beveiligde, achtte hij het beneden zich om zijn geweer te gebruiken, en zijn kans schoon ziende, legde hij een pijl op zijn boog, maar hoe voorzichtig[46]en behendig hij ook te werk ging, kon hij niet aanleggen zonder zich een weinig bloot te geven. Edelhart legde zijn geweer aan, het schot ging af, de kogel floot, het opperhoofd sprong met een woedend gebrul op en viel op den grond. Zijn arm was doorschoten. De twee jagers waren vlak bij hem.»Maak geen de minste beweging, Roodhuid,” zeide Edelhart, »of gij zijt dood!”De Indiaan verroerde zich niet; schijnbaar kalm en bedaard bedwong hij zijn toorn.»Ik zou u kunnen dooden,” ging de jager voort, »maar dat wil ik niet; dit is nu de tweede maal, hoofdman, dat ik u het leven schenk, maar het zal ook de laatste maal zijn; vertoon u niet wederom op mijn weg, en vooral steel mijne vallen niet meer, anders, ik zweer het u, zal ik u geen genade schenken.”»De Arendskop is een beroemd opperhoofd onder de mannen van zijn stam,” antwoordde de Indiaan trotsch, »hij vreest den dood niet; de blanke jager kan hem dooden, hij zal geen enkele klacht hooren.”»Neen, ik zal u niet dooden, hoofdman: mijn God verbiedt het noodeloos bloedvergieten.”»Ooah!” zeide de Indiaan met een spottenden lach, »mijn broeder is een zendeling.”»Neen, ik ben een eerlijk pelsjager; maar ik wil u niet vermoorden.”»Mijn broeder redeneert als een oude vrouw,” hernam de Indiaan; »Nehunutahvergeeft niet, hij wreekt zich!”»Gij kunt doen, wat gij verkiest, hoofdman;” antwoordde de jager, minachtend de schouders ophalend, »ik ben niet van plan uw natuur te veranderen, maar gij zijt gewaarschuwd; vaarwel!”»De duivel hale u!” voegde Goedsmoeds er bij, hem verachtelijk een schop gevende.De hoofdman scheen bij deze nieuwe beleediging ongevoelig te blijven, alleen zijne wenkbrauwen fronsten zich; hij bewoog zich niet, maar volgde met een blik vol haat zijne beide vijanden, die, zonder zich meer om hem te bekommeren, in het woud verdwenen.»Het zij zoo,” zeide Goedsmoeds naderhand, »maar gij hebt verkeerd gedaan, Edelhart; gij hadt hem moeten dooden.”»Bah! Waarom?” antwoordde de jager onbezorgd.»Cascaras!Waarom? wel dat was een ongedierte minder geweest in de prairie.”»Er zijn er zooveel,” zeide de ander, »dat het er op een niet aankomt.”»Dat is waar!” antwoordde Goedsmoeds, overtuigd; »maar waar zullen wij nu heengaan?”»Onze vallen opzoeken, Caramba! meent gij dat ik die kwijt wil zijn?”[47]»Waarachtig, dat is een goed denkbeeld.”De jagers gingen werkelijk in de richting van het kamp voort, maar op de wijze der Indianen, dat is door middel van tallooze omwegen, ten einde de Comanchen van spoor te brengen.Na twintig minuten loopens bereikten zij het kamp. De Indianen waren nog niet teruggekeerd, maar naar alle waarschijnlijkheid zou het niet lang meer duren. Al hun bagage lag hier en daar verspreid. Twee of drie paarden die geen instinct genoeg bezaten om te vluchten, stonden bedaard te weiden. Zonder een oogenblik tijd te verliezen raapten de jagers hunne vallen bijeen, hetgeen spoedig genoeg gedaan was; zij namen er ieder vijf voor hunne rekening, en zonder dralen namen zij den terugweg aan naar de grot, waar hunne paarden stonden. Ondanks de zware vracht die zij droegen, liepen zij snel voort, verrukt over den goeden uitslag hunner onderneming en lachende over den fraaien trek, dien zij den Indianen gespeeld hadden.Zoo waren zij een geruimen tijd op weg; reeds hoorden zij in de verte het dof gemurmel der rivier, toen eensklaps het hinniken van een paard hun oor bereikte.»Men vervolgt ons,” zeide Edelhart, stilstaande.»Hm!” antwoordde Goedsmoeds, »het is misschien een wild paard.”»Neen, een wild paard hinnikt anders; het zijn de Comanchen. Maar wij zullen er wel achter komen.” En zich op den grond uitstrekkende, luisterde hij aandachtig. Dadelijk stond hij weder op.»Ik wist het wel,” zeide hij, »het zijn de Comanchen; maar zij zijn niet zeker van ons spoor, zij aarzelen.”»Of misschien worden zij opgehouden door de wond van den Arendskop.”»Dat is mogelijk! O, o! meenen zij dan waarlijk in staat te zijn ons te bereiken, als wij hen willen ontsnappen?”»Als wij maar niet zoo zwaar beladen waren, dan was het spoedig uit.”Edelhart dacht even na.»Kom,” zeide hij, »wij hebben een half uur voor ons; dat is meer dan genoeg.”Dicht bij hem stroomde een beek; de jager stapte er in, zoowel als zijn vriend, die in alles zijne bewegingen volgde. In het midden van den stroom gekomen, wikkelde Edelhart de vallen zorgvuldig in een buffelhuid, om ze voor nat te bewaren, en liet ze toen op den bodem van het water zinken. Dezen maatregel genomen hebbende, gingen zij naar de overzijde van de beek; daarna een valsch spoor van omstreeks tweehonderd passen makende, en behoedzaam op hunne schreden terugkomende, opdat niets hun terugkeer zou verraden, begaven zij zich in het bosch naar de paarden, na vooraf, met eene lichte beweging met de hand, de honden weggezonden te hebben.[48]De verstandige dieren begrepen waarheen zij zich te wenden hadden, en verdwenen weldra in de duisternis.Het besluit om zich van hunne honden te scheiden hielp hen om de Indianen van het spoor te brengen, die zeker niet zouden verzuimen de sporen door de speurhonden in het hooge gras achtergelaten, te volgen.Eenmaal in het bosch zijnde, klommen de jagers op een boom en zetten hunnen tocht tusschen hemel en aarde voort. Deze manier van reizen is, veel meer dan men in Europa denken zou, gebruikelijk in landen, waar het, ten gevolge van het in elkander groeien der boomen en lianen, dikwijls onmogelijk is, om vooruit te komen, zonder zich telkens met de bijl een pad te banen. Men kan aldus, door van den eenen tak op den anderen te klauteren, mijlen ver afleggen zonder den grond aan te raken. De jagers deden dit echter thans om een andere reden.Zij gingen op deze wijze voor hunne vijanden uit, die hen hoe langer hoe meer naderden, en die zij weldra vlak onder zich op Indiaansche wijze, dat is achter elkander, zagen voort marcheeren, en met aandacht hun spoor volgen. De Arendskop ging voorop, ten gevolge van zijn wond half op zijn paard liggende, maar beter dan ooit gestemd om zijne vijanden te vervolgen. Toen zij de Comanchen onder zich hadden, verscholen de jagers zich tusschen de bladeren, en hielden hun adem in. De minste kleinigheid zou voldoende zijn geweest om hunne tegenwoordigheid te verraden. De Indianen gingen voorbij, zonder hen te zien. De jagers zetten hunnen tocht voort.»Oef!” zeide Goedsmoeds na een oogenblik van stilte, »ik geloof dat wij er ditmaal heelhuids afkomen.”»Laat ons nog geen victorie kraaien, maar zoo snel wij kunnen ons verwijderen; die verwenschte Roodhuiden zijn slim; zij zullen zich niet lang door onze list laten misleiden.”»Duivelsch!” riep Goedsmoeds eensklaps, »ik heb mijn mes laten vallen, en waar weet ik niet; als de Roodhuiden het vinden, zijn wij verloren.”»Dat is zeer waarschijnlijk,” mompelde Edelhart; »een reden te meer om geen minuut te verliezen.”Uit het woud, dat tot nu toe doodstil was geweest, begon eensklaps een dof gebrom op te rijzen; de vogels vlogen fladderend rond, en in de struiken hoorde men de drooge takken onder de pooten der wilde dieren kraken.»Wat gebeurt er toch?” zeide Edelhart, ophoudende en ongerust om zich heen ziende; »het woud schijnt met duizeling bevangen te zijn.”De beide jagers klommen tot in den top van den boom, waarop zij zich bevonden, en die bij toeval een der hoogste van het woud was.Een ontzaglijke gloed kleurde den horizont op ongeveer een mijl afstand van de plaats, waar zij zich bevonden; deze gloed werd[49]van oogenblik tot oogenblik grooter, en naderde hen met reuzenschreden.»Vervloekt,” riep Goedsmoeds uit, »de Comanchen hebben de prairie in brand gestoken!”»Ja, en ik geloof dat wij ditmaal, zooals gij straks opmerktet, verloren zijn,” antwoordde Edelhart koelbloedig.»Wat nu gedaan?” vroeg de Canadees; »binnen een oogwenk zien zij ons.”Edelhart dacht na. Na eenige oogenblikken richtte hij het hoofd wederom op, een zegepralende glimlach plooide zijne lippen.»Zij hebben ons nog niet,” zeide hij; »volg mij, broeder!.…”en, voegde hij er zachtjes bij,»ik wil mijne moeder weder zien!…”

[Inhoud]V.DE COMANCHEN.Edelhart en Goedsmoeds, tusschen de takken van den kurkeik verborgen, bespiedden de Comanchen.De Indianen rekenden op de waakzaamheid hunner wachten. Wel verre van te vermoeden dat hunne vijanden zich zoo dicht bij hen bevonden en hunne minste bewegingen gadesloegen, zaten of lagen zij onbekommerd rondom de vuren te eten en te rooken.Deze wilden, ten naasten bij 25 man sterk, waren gekleed in bisonvellen en op de meest verschillende en fantastische wijze uitgedoscht. De meesten waren geheel met vermiljoen besmeerd, anderen waren van top tot teen zwart en prijkten met een lange witte streep op iedere wang; zij droegen hun schild, boog en pijlen op den rug; naast hen lag hun geweer. Overigens zag men spoedig aan het groot aantal wolvenstaarten, die, aan hunne mocksens vastgemaakt, hen achterna sleepten, dat het allen uitgelezen krijgslieden waren, die den roem van hun stam uitmaakten.Op eenigen afstand van hen stond de Arendskop onbewegelijk tegen een boom geleund. Met de armen over elkander, en het lichaam een weinig voorover gebogen, scheen hij te luisteren naar eenige onbekende geluiden, die alleen zijn oor bereiken konden.De Arendskop behoorde tot den stam der Osagen; nog heel jong zijnde, hadden de Comanchen hem onder zich opgenomen, maar hij had altijd de kleeding en de zeden zijner natie bewaard.Het was een man van nauwelijks acht en twintig jaar; hij was bijna zes voet lang; zijn grove, sterk gespierde ledematen, duidden[45]buitengewone kracht aan. Anders dan zijn makkers, droeg hij een kleed, dat alleen zijne heupen bedekte, ten einde zijne borst en armen beter te doen uitkomen: de uitdrukking van zijn gelaat was schoon en edel: zijne zwarte, levendige oogen, zijn kromme neus, zijn wel wat groote mond deden hem eenigszins op een roofvogel gelijken. Al zijn haar was afgeschoren, behalve een enkele smalle streep, midden op zijn hoofd, die aan een helmbos deed denken, en een lange vlecht, die naar achteren viel en met een menigte arendsvederen versierd was. Zijn gezicht was met vier kleuren besmeerd, met blauw, wit, zwart en rood; de wonden, die hij aan zijne vijanden had toegebracht, had hij met blauwe verf op zijn naakte borst gemerkt. Mocksens van ongelooid hertenleêr reikten hem tot boven de knieën, en een aantal wolvenstaarten waren aan zijne hielen vastgemaakt.Gelukkig voor de jagers, waren de Indianen ten strijde uitgetogen en niet ter jacht, zoodat zij geen honden bij zich hadden; anders waren zij reeds lang verraden geworden, en zouden zij niet straffeloos het kamp zijn genaderd.Hoe onbewegelijk het opperhoofd daar ook stond, schitterde toch zijn oog met onrustigen blik; zijne neusgaten trilden; hij hief werktuigelijk de rechterhand op, als om aan zijne krijgslieden het zwijgen op te leggen.»Wij zijn ontdekt,” mompelde Edelhart, zoo zacht dat zijn makker het nauwelijks hooren kon.»Wat nu te doen?” antwoordde Goedsmoeds.»Handelen,” zeide de pelsjager kortweg.Beiden slopen toen onhoorbaar van tak tot tak, van boom tot boom, zonder een voet op den grond te zetten, totdat zij zich vlak tegenover het kamp bevonden, juist boven de plaats, waar de paarden der Comanchen aan de boomen waren vastgemaakt. Goedsmoeds klom zachtjes naar beneden en sneed de touwen, die hen vasthielden, door. De paarden, aangevuurd door de zweepslagen der jagers, renden hinnikend en snuivend in alle richtingen voort.De Indianen stonden in verwarring op, en liepen schreeuwend weg, om hunne paarden op te zoeken. De Arendskop alleen, als had hij de plaats geraden, waar zijne vijanden in hinderlaag lagen, liep recht op hen toe, zich zoo goed mogelijk achter de boomen, die zich op zijn weg bevonden, beschuttende.De jagers gingen voet voor voet achteruit, een waakzaam oog houdende op den omtrek, ten einde zich niet te laten verschalken.Het geschreeuw der Indianen verdween reeds in de verte; zij dachten aan niets dan hunne paarden. Het opperhoofd was nu alleen in de tegenwoordigheid van de twee vrienden. Bij een boom gekomen, waarvan de dikke stam hem volkomen beveiligde, achtte hij het beneden zich om zijn geweer te gebruiken, en zijn kans schoon ziende, legde hij een pijl op zijn boog, maar hoe voorzichtig[46]en behendig hij ook te werk ging, kon hij niet aanleggen zonder zich een weinig bloot te geven. Edelhart legde zijn geweer aan, het schot ging af, de kogel floot, het opperhoofd sprong met een woedend gebrul op en viel op den grond. Zijn arm was doorschoten. De twee jagers waren vlak bij hem.»Maak geen de minste beweging, Roodhuid,” zeide Edelhart, »of gij zijt dood!”De Indiaan verroerde zich niet; schijnbaar kalm en bedaard bedwong hij zijn toorn.»Ik zou u kunnen dooden,” ging de jager voort, »maar dat wil ik niet; dit is nu de tweede maal, hoofdman, dat ik u het leven schenk, maar het zal ook de laatste maal zijn; vertoon u niet wederom op mijn weg, en vooral steel mijne vallen niet meer, anders, ik zweer het u, zal ik u geen genade schenken.”»De Arendskop is een beroemd opperhoofd onder de mannen van zijn stam,” antwoordde de Indiaan trotsch, »hij vreest den dood niet; de blanke jager kan hem dooden, hij zal geen enkele klacht hooren.”»Neen, ik zal u niet dooden, hoofdman: mijn God verbiedt het noodeloos bloedvergieten.”»Ooah!” zeide de Indiaan met een spottenden lach, »mijn broeder is een zendeling.”»Neen, ik ben een eerlijk pelsjager; maar ik wil u niet vermoorden.”»Mijn broeder redeneert als een oude vrouw,” hernam de Indiaan; »Nehunutahvergeeft niet, hij wreekt zich!”»Gij kunt doen, wat gij verkiest, hoofdman;” antwoordde de jager, minachtend de schouders ophalend, »ik ben niet van plan uw natuur te veranderen, maar gij zijt gewaarschuwd; vaarwel!”»De duivel hale u!” voegde Goedsmoeds er bij, hem verachtelijk een schop gevende.De hoofdman scheen bij deze nieuwe beleediging ongevoelig te blijven, alleen zijne wenkbrauwen fronsten zich; hij bewoog zich niet, maar volgde met een blik vol haat zijne beide vijanden, die, zonder zich meer om hem te bekommeren, in het woud verdwenen.»Het zij zoo,” zeide Goedsmoeds naderhand, »maar gij hebt verkeerd gedaan, Edelhart; gij hadt hem moeten dooden.”»Bah! Waarom?” antwoordde de jager onbezorgd.»Cascaras!Waarom? wel dat was een ongedierte minder geweest in de prairie.”»Er zijn er zooveel,” zeide de ander, »dat het er op een niet aankomt.”»Dat is waar!” antwoordde Goedsmoeds, overtuigd; »maar waar zullen wij nu heengaan?”»Onze vallen opzoeken, Caramba! meent gij dat ik die kwijt wil zijn?”[47]»Waarachtig, dat is een goed denkbeeld.”De jagers gingen werkelijk in de richting van het kamp voort, maar op de wijze der Indianen, dat is door middel van tallooze omwegen, ten einde de Comanchen van spoor te brengen.Na twintig minuten loopens bereikten zij het kamp. De Indianen waren nog niet teruggekeerd, maar naar alle waarschijnlijkheid zou het niet lang meer duren. Al hun bagage lag hier en daar verspreid. Twee of drie paarden die geen instinct genoeg bezaten om te vluchten, stonden bedaard te weiden. Zonder een oogenblik tijd te verliezen raapten de jagers hunne vallen bijeen, hetgeen spoedig genoeg gedaan was; zij namen er ieder vijf voor hunne rekening, en zonder dralen namen zij den terugweg aan naar de grot, waar hunne paarden stonden. Ondanks de zware vracht die zij droegen, liepen zij snel voort, verrukt over den goeden uitslag hunner onderneming en lachende over den fraaien trek, dien zij den Indianen gespeeld hadden.Zoo waren zij een geruimen tijd op weg; reeds hoorden zij in de verte het dof gemurmel der rivier, toen eensklaps het hinniken van een paard hun oor bereikte.»Men vervolgt ons,” zeide Edelhart, stilstaande.»Hm!” antwoordde Goedsmoeds, »het is misschien een wild paard.”»Neen, een wild paard hinnikt anders; het zijn de Comanchen. Maar wij zullen er wel achter komen.” En zich op den grond uitstrekkende, luisterde hij aandachtig. Dadelijk stond hij weder op.»Ik wist het wel,” zeide hij, »het zijn de Comanchen; maar zij zijn niet zeker van ons spoor, zij aarzelen.”»Of misschien worden zij opgehouden door de wond van den Arendskop.”»Dat is mogelijk! O, o! meenen zij dan waarlijk in staat te zijn ons te bereiken, als wij hen willen ontsnappen?”»Als wij maar niet zoo zwaar beladen waren, dan was het spoedig uit.”Edelhart dacht even na.»Kom,” zeide hij, »wij hebben een half uur voor ons; dat is meer dan genoeg.”Dicht bij hem stroomde een beek; de jager stapte er in, zoowel als zijn vriend, die in alles zijne bewegingen volgde. In het midden van den stroom gekomen, wikkelde Edelhart de vallen zorgvuldig in een buffelhuid, om ze voor nat te bewaren, en liet ze toen op den bodem van het water zinken. Dezen maatregel genomen hebbende, gingen zij naar de overzijde van de beek; daarna een valsch spoor van omstreeks tweehonderd passen makende, en behoedzaam op hunne schreden terugkomende, opdat niets hun terugkeer zou verraden, begaven zij zich in het bosch naar de paarden, na vooraf, met eene lichte beweging met de hand, de honden weggezonden te hebben.[48]De verstandige dieren begrepen waarheen zij zich te wenden hadden, en verdwenen weldra in de duisternis.Het besluit om zich van hunne honden te scheiden hielp hen om de Indianen van het spoor te brengen, die zeker niet zouden verzuimen de sporen door de speurhonden in het hooge gras achtergelaten, te volgen.Eenmaal in het bosch zijnde, klommen de jagers op een boom en zetten hunnen tocht tusschen hemel en aarde voort. Deze manier van reizen is, veel meer dan men in Europa denken zou, gebruikelijk in landen, waar het, ten gevolge van het in elkander groeien der boomen en lianen, dikwijls onmogelijk is, om vooruit te komen, zonder zich telkens met de bijl een pad te banen. Men kan aldus, door van den eenen tak op den anderen te klauteren, mijlen ver afleggen zonder den grond aan te raken. De jagers deden dit echter thans om een andere reden.Zij gingen op deze wijze voor hunne vijanden uit, die hen hoe langer hoe meer naderden, en die zij weldra vlak onder zich op Indiaansche wijze, dat is achter elkander, zagen voort marcheeren, en met aandacht hun spoor volgen. De Arendskop ging voorop, ten gevolge van zijn wond half op zijn paard liggende, maar beter dan ooit gestemd om zijne vijanden te vervolgen. Toen zij de Comanchen onder zich hadden, verscholen de jagers zich tusschen de bladeren, en hielden hun adem in. De minste kleinigheid zou voldoende zijn geweest om hunne tegenwoordigheid te verraden. De Indianen gingen voorbij, zonder hen te zien. De jagers zetten hunnen tocht voort.»Oef!” zeide Goedsmoeds na een oogenblik van stilte, »ik geloof dat wij er ditmaal heelhuids afkomen.”»Laat ons nog geen victorie kraaien, maar zoo snel wij kunnen ons verwijderen; die verwenschte Roodhuiden zijn slim; zij zullen zich niet lang door onze list laten misleiden.”»Duivelsch!” riep Goedsmoeds eensklaps, »ik heb mijn mes laten vallen, en waar weet ik niet; als de Roodhuiden het vinden, zijn wij verloren.”»Dat is zeer waarschijnlijk,” mompelde Edelhart; »een reden te meer om geen minuut te verliezen.”Uit het woud, dat tot nu toe doodstil was geweest, begon eensklaps een dof gebrom op te rijzen; de vogels vlogen fladderend rond, en in de struiken hoorde men de drooge takken onder de pooten der wilde dieren kraken.»Wat gebeurt er toch?” zeide Edelhart, ophoudende en ongerust om zich heen ziende; »het woud schijnt met duizeling bevangen te zijn.”De beide jagers klommen tot in den top van den boom, waarop zij zich bevonden, en die bij toeval een der hoogste van het woud was.Een ontzaglijke gloed kleurde den horizont op ongeveer een mijl afstand van de plaats, waar zij zich bevonden; deze gloed werd[49]van oogenblik tot oogenblik grooter, en naderde hen met reuzenschreden.»Vervloekt,” riep Goedsmoeds uit, »de Comanchen hebben de prairie in brand gestoken!”»Ja, en ik geloof dat wij ditmaal, zooals gij straks opmerktet, verloren zijn,” antwoordde Edelhart koelbloedig.»Wat nu gedaan?” vroeg de Canadees; »binnen een oogwenk zien zij ons.”Edelhart dacht na. Na eenige oogenblikken richtte hij het hoofd wederom op, een zegepralende glimlach plooide zijne lippen.»Zij hebben ons nog niet,” zeide hij; »volg mij, broeder!.…”en, voegde hij er zachtjes bij,»ik wil mijne moeder weder zien!…”

[Inhoud]V.DE COMANCHEN.Edelhart en Goedsmoeds, tusschen de takken van den kurkeik verborgen, bespiedden de Comanchen.De Indianen rekenden op de waakzaamheid hunner wachten. Wel verre van te vermoeden dat hunne vijanden zich zoo dicht bij hen bevonden en hunne minste bewegingen gadesloegen, zaten of lagen zij onbekommerd rondom de vuren te eten en te rooken.Deze wilden, ten naasten bij 25 man sterk, waren gekleed in bisonvellen en op de meest verschillende en fantastische wijze uitgedoscht. De meesten waren geheel met vermiljoen besmeerd, anderen waren van top tot teen zwart en prijkten met een lange witte streep op iedere wang; zij droegen hun schild, boog en pijlen op den rug; naast hen lag hun geweer. Overigens zag men spoedig aan het groot aantal wolvenstaarten, die, aan hunne mocksens vastgemaakt, hen achterna sleepten, dat het allen uitgelezen krijgslieden waren, die den roem van hun stam uitmaakten.Op eenigen afstand van hen stond de Arendskop onbewegelijk tegen een boom geleund. Met de armen over elkander, en het lichaam een weinig voorover gebogen, scheen hij te luisteren naar eenige onbekende geluiden, die alleen zijn oor bereiken konden.De Arendskop behoorde tot den stam der Osagen; nog heel jong zijnde, hadden de Comanchen hem onder zich opgenomen, maar hij had altijd de kleeding en de zeden zijner natie bewaard.Het was een man van nauwelijks acht en twintig jaar; hij was bijna zes voet lang; zijn grove, sterk gespierde ledematen, duidden[45]buitengewone kracht aan. Anders dan zijn makkers, droeg hij een kleed, dat alleen zijne heupen bedekte, ten einde zijne borst en armen beter te doen uitkomen: de uitdrukking van zijn gelaat was schoon en edel: zijne zwarte, levendige oogen, zijn kromme neus, zijn wel wat groote mond deden hem eenigszins op een roofvogel gelijken. Al zijn haar was afgeschoren, behalve een enkele smalle streep, midden op zijn hoofd, die aan een helmbos deed denken, en een lange vlecht, die naar achteren viel en met een menigte arendsvederen versierd was. Zijn gezicht was met vier kleuren besmeerd, met blauw, wit, zwart en rood; de wonden, die hij aan zijne vijanden had toegebracht, had hij met blauwe verf op zijn naakte borst gemerkt. Mocksens van ongelooid hertenleêr reikten hem tot boven de knieën, en een aantal wolvenstaarten waren aan zijne hielen vastgemaakt.Gelukkig voor de jagers, waren de Indianen ten strijde uitgetogen en niet ter jacht, zoodat zij geen honden bij zich hadden; anders waren zij reeds lang verraden geworden, en zouden zij niet straffeloos het kamp zijn genaderd.Hoe onbewegelijk het opperhoofd daar ook stond, schitterde toch zijn oog met onrustigen blik; zijne neusgaten trilden; hij hief werktuigelijk de rechterhand op, als om aan zijne krijgslieden het zwijgen op te leggen.»Wij zijn ontdekt,” mompelde Edelhart, zoo zacht dat zijn makker het nauwelijks hooren kon.»Wat nu te doen?” antwoordde Goedsmoeds.»Handelen,” zeide de pelsjager kortweg.Beiden slopen toen onhoorbaar van tak tot tak, van boom tot boom, zonder een voet op den grond te zetten, totdat zij zich vlak tegenover het kamp bevonden, juist boven de plaats, waar de paarden der Comanchen aan de boomen waren vastgemaakt. Goedsmoeds klom zachtjes naar beneden en sneed de touwen, die hen vasthielden, door. De paarden, aangevuurd door de zweepslagen der jagers, renden hinnikend en snuivend in alle richtingen voort.De Indianen stonden in verwarring op, en liepen schreeuwend weg, om hunne paarden op te zoeken. De Arendskop alleen, als had hij de plaats geraden, waar zijne vijanden in hinderlaag lagen, liep recht op hen toe, zich zoo goed mogelijk achter de boomen, die zich op zijn weg bevonden, beschuttende.De jagers gingen voet voor voet achteruit, een waakzaam oog houdende op den omtrek, ten einde zich niet te laten verschalken.Het geschreeuw der Indianen verdween reeds in de verte; zij dachten aan niets dan hunne paarden. Het opperhoofd was nu alleen in de tegenwoordigheid van de twee vrienden. Bij een boom gekomen, waarvan de dikke stam hem volkomen beveiligde, achtte hij het beneden zich om zijn geweer te gebruiken, en zijn kans schoon ziende, legde hij een pijl op zijn boog, maar hoe voorzichtig[46]en behendig hij ook te werk ging, kon hij niet aanleggen zonder zich een weinig bloot te geven. Edelhart legde zijn geweer aan, het schot ging af, de kogel floot, het opperhoofd sprong met een woedend gebrul op en viel op den grond. Zijn arm was doorschoten. De twee jagers waren vlak bij hem.»Maak geen de minste beweging, Roodhuid,” zeide Edelhart, »of gij zijt dood!”De Indiaan verroerde zich niet; schijnbaar kalm en bedaard bedwong hij zijn toorn.»Ik zou u kunnen dooden,” ging de jager voort, »maar dat wil ik niet; dit is nu de tweede maal, hoofdman, dat ik u het leven schenk, maar het zal ook de laatste maal zijn; vertoon u niet wederom op mijn weg, en vooral steel mijne vallen niet meer, anders, ik zweer het u, zal ik u geen genade schenken.”»De Arendskop is een beroemd opperhoofd onder de mannen van zijn stam,” antwoordde de Indiaan trotsch, »hij vreest den dood niet; de blanke jager kan hem dooden, hij zal geen enkele klacht hooren.”»Neen, ik zal u niet dooden, hoofdman: mijn God verbiedt het noodeloos bloedvergieten.”»Ooah!” zeide de Indiaan met een spottenden lach, »mijn broeder is een zendeling.”»Neen, ik ben een eerlijk pelsjager; maar ik wil u niet vermoorden.”»Mijn broeder redeneert als een oude vrouw,” hernam de Indiaan; »Nehunutahvergeeft niet, hij wreekt zich!”»Gij kunt doen, wat gij verkiest, hoofdman;” antwoordde de jager, minachtend de schouders ophalend, »ik ben niet van plan uw natuur te veranderen, maar gij zijt gewaarschuwd; vaarwel!”»De duivel hale u!” voegde Goedsmoeds er bij, hem verachtelijk een schop gevende.De hoofdman scheen bij deze nieuwe beleediging ongevoelig te blijven, alleen zijne wenkbrauwen fronsten zich; hij bewoog zich niet, maar volgde met een blik vol haat zijne beide vijanden, die, zonder zich meer om hem te bekommeren, in het woud verdwenen.»Het zij zoo,” zeide Goedsmoeds naderhand, »maar gij hebt verkeerd gedaan, Edelhart; gij hadt hem moeten dooden.”»Bah! Waarom?” antwoordde de jager onbezorgd.»Cascaras!Waarom? wel dat was een ongedierte minder geweest in de prairie.”»Er zijn er zooveel,” zeide de ander, »dat het er op een niet aankomt.”»Dat is waar!” antwoordde Goedsmoeds, overtuigd; »maar waar zullen wij nu heengaan?”»Onze vallen opzoeken, Caramba! meent gij dat ik die kwijt wil zijn?”[47]»Waarachtig, dat is een goed denkbeeld.”De jagers gingen werkelijk in de richting van het kamp voort, maar op de wijze der Indianen, dat is door middel van tallooze omwegen, ten einde de Comanchen van spoor te brengen.Na twintig minuten loopens bereikten zij het kamp. De Indianen waren nog niet teruggekeerd, maar naar alle waarschijnlijkheid zou het niet lang meer duren. Al hun bagage lag hier en daar verspreid. Twee of drie paarden die geen instinct genoeg bezaten om te vluchten, stonden bedaard te weiden. Zonder een oogenblik tijd te verliezen raapten de jagers hunne vallen bijeen, hetgeen spoedig genoeg gedaan was; zij namen er ieder vijf voor hunne rekening, en zonder dralen namen zij den terugweg aan naar de grot, waar hunne paarden stonden. Ondanks de zware vracht die zij droegen, liepen zij snel voort, verrukt over den goeden uitslag hunner onderneming en lachende over den fraaien trek, dien zij den Indianen gespeeld hadden.Zoo waren zij een geruimen tijd op weg; reeds hoorden zij in de verte het dof gemurmel der rivier, toen eensklaps het hinniken van een paard hun oor bereikte.»Men vervolgt ons,” zeide Edelhart, stilstaande.»Hm!” antwoordde Goedsmoeds, »het is misschien een wild paard.”»Neen, een wild paard hinnikt anders; het zijn de Comanchen. Maar wij zullen er wel achter komen.” En zich op den grond uitstrekkende, luisterde hij aandachtig. Dadelijk stond hij weder op.»Ik wist het wel,” zeide hij, »het zijn de Comanchen; maar zij zijn niet zeker van ons spoor, zij aarzelen.”»Of misschien worden zij opgehouden door de wond van den Arendskop.”»Dat is mogelijk! O, o! meenen zij dan waarlijk in staat te zijn ons te bereiken, als wij hen willen ontsnappen?”»Als wij maar niet zoo zwaar beladen waren, dan was het spoedig uit.”Edelhart dacht even na.»Kom,” zeide hij, »wij hebben een half uur voor ons; dat is meer dan genoeg.”Dicht bij hem stroomde een beek; de jager stapte er in, zoowel als zijn vriend, die in alles zijne bewegingen volgde. In het midden van den stroom gekomen, wikkelde Edelhart de vallen zorgvuldig in een buffelhuid, om ze voor nat te bewaren, en liet ze toen op den bodem van het water zinken. Dezen maatregel genomen hebbende, gingen zij naar de overzijde van de beek; daarna een valsch spoor van omstreeks tweehonderd passen makende, en behoedzaam op hunne schreden terugkomende, opdat niets hun terugkeer zou verraden, begaven zij zich in het bosch naar de paarden, na vooraf, met eene lichte beweging met de hand, de honden weggezonden te hebben.[48]De verstandige dieren begrepen waarheen zij zich te wenden hadden, en verdwenen weldra in de duisternis.Het besluit om zich van hunne honden te scheiden hielp hen om de Indianen van het spoor te brengen, die zeker niet zouden verzuimen de sporen door de speurhonden in het hooge gras achtergelaten, te volgen.Eenmaal in het bosch zijnde, klommen de jagers op een boom en zetten hunnen tocht tusschen hemel en aarde voort. Deze manier van reizen is, veel meer dan men in Europa denken zou, gebruikelijk in landen, waar het, ten gevolge van het in elkander groeien der boomen en lianen, dikwijls onmogelijk is, om vooruit te komen, zonder zich telkens met de bijl een pad te banen. Men kan aldus, door van den eenen tak op den anderen te klauteren, mijlen ver afleggen zonder den grond aan te raken. De jagers deden dit echter thans om een andere reden.Zij gingen op deze wijze voor hunne vijanden uit, die hen hoe langer hoe meer naderden, en die zij weldra vlak onder zich op Indiaansche wijze, dat is achter elkander, zagen voort marcheeren, en met aandacht hun spoor volgen. De Arendskop ging voorop, ten gevolge van zijn wond half op zijn paard liggende, maar beter dan ooit gestemd om zijne vijanden te vervolgen. Toen zij de Comanchen onder zich hadden, verscholen de jagers zich tusschen de bladeren, en hielden hun adem in. De minste kleinigheid zou voldoende zijn geweest om hunne tegenwoordigheid te verraden. De Indianen gingen voorbij, zonder hen te zien. De jagers zetten hunnen tocht voort.»Oef!” zeide Goedsmoeds na een oogenblik van stilte, »ik geloof dat wij er ditmaal heelhuids afkomen.”»Laat ons nog geen victorie kraaien, maar zoo snel wij kunnen ons verwijderen; die verwenschte Roodhuiden zijn slim; zij zullen zich niet lang door onze list laten misleiden.”»Duivelsch!” riep Goedsmoeds eensklaps, »ik heb mijn mes laten vallen, en waar weet ik niet; als de Roodhuiden het vinden, zijn wij verloren.”»Dat is zeer waarschijnlijk,” mompelde Edelhart; »een reden te meer om geen minuut te verliezen.”Uit het woud, dat tot nu toe doodstil was geweest, begon eensklaps een dof gebrom op te rijzen; de vogels vlogen fladderend rond, en in de struiken hoorde men de drooge takken onder de pooten der wilde dieren kraken.»Wat gebeurt er toch?” zeide Edelhart, ophoudende en ongerust om zich heen ziende; »het woud schijnt met duizeling bevangen te zijn.”De beide jagers klommen tot in den top van den boom, waarop zij zich bevonden, en die bij toeval een der hoogste van het woud was.Een ontzaglijke gloed kleurde den horizont op ongeveer een mijl afstand van de plaats, waar zij zich bevonden; deze gloed werd[49]van oogenblik tot oogenblik grooter, en naderde hen met reuzenschreden.»Vervloekt,” riep Goedsmoeds uit, »de Comanchen hebben de prairie in brand gestoken!”»Ja, en ik geloof dat wij ditmaal, zooals gij straks opmerktet, verloren zijn,” antwoordde Edelhart koelbloedig.»Wat nu gedaan?” vroeg de Canadees; »binnen een oogwenk zien zij ons.”Edelhart dacht na. Na eenige oogenblikken richtte hij het hoofd wederom op, een zegepralende glimlach plooide zijne lippen.»Zij hebben ons nog niet,” zeide hij; »volg mij, broeder!.…”en, voegde hij er zachtjes bij,»ik wil mijne moeder weder zien!…”

V.DE COMANCHEN.

Edelhart en Goedsmoeds, tusschen de takken van den kurkeik verborgen, bespiedden de Comanchen.De Indianen rekenden op de waakzaamheid hunner wachten. Wel verre van te vermoeden dat hunne vijanden zich zoo dicht bij hen bevonden en hunne minste bewegingen gadesloegen, zaten of lagen zij onbekommerd rondom de vuren te eten en te rooken.Deze wilden, ten naasten bij 25 man sterk, waren gekleed in bisonvellen en op de meest verschillende en fantastische wijze uitgedoscht. De meesten waren geheel met vermiljoen besmeerd, anderen waren van top tot teen zwart en prijkten met een lange witte streep op iedere wang; zij droegen hun schild, boog en pijlen op den rug; naast hen lag hun geweer. Overigens zag men spoedig aan het groot aantal wolvenstaarten, die, aan hunne mocksens vastgemaakt, hen achterna sleepten, dat het allen uitgelezen krijgslieden waren, die den roem van hun stam uitmaakten.Op eenigen afstand van hen stond de Arendskop onbewegelijk tegen een boom geleund. Met de armen over elkander, en het lichaam een weinig voorover gebogen, scheen hij te luisteren naar eenige onbekende geluiden, die alleen zijn oor bereiken konden.De Arendskop behoorde tot den stam der Osagen; nog heel jong zijnde, hadden de Comanchen hem onder zich opgenomen, maar hij had altijd de kleeding en de zeden zijner natie bewaard.Het was een man van nauwelijks acht en twintig jaar; hij was bijna zes voet lang; zijn grove, sterk gespierde ledematen, duidden[45]buitengewone kracht aan. Anders dan zijn makkers, droeg hij een kleed, dat alleen zijne heupen bedekte, ten einde zijne borst en armen beter te doen uitkomen: de uitdrukking van zijn gelaat was schoon en edel: zijne zwarte, levendige oogen, zijn kromme neus, zijn wel wat groote mond deden hem eenigszins op een roofvogel gelijken. Al zijn haar was afgeschoren, behalve een enkele smalle streep, midden op zijn hoofd, die aan een helmbos deed denken, en een lange vlecht, die naar achteren viel en met een menigte arendsvederen versierd was. Zijn gezicht was met vier kleuren besmeerd, met blauw, wit, zwart en rood; de wonden, die hij aan zijne vijanden had toegebracht, had hij met blauwe verf op zijn naakte borst gemerkt. Mocksens van ongelooid hertenleêr reikten hem tot boven de knieën, en een aantal wolvenstaarten waren aan zijne hielen vastgemaakt.Gelukkig voor de jagers, waren de Indianen ten strijde uitgetogen en niet ter jacht, zoodat zij geen honden bij zich hadden; anders waren zij reeds lang verraden geworden, en zouden zij niet straffeloos het kamp zijn genaderd.Hoe onbewegelijk het opperhoofd daar ook stond, schitterde toch zijn oog met onrustigen blik; zijne neusgaten trilden; hij hief werktuigelijk de rechterhand op, als om aan zijne krijgslieden het zwijgen op te leggen.»Wij zijn ontdekt,” mompelde Edelhart, zoo zacht dat zijn makker het nauwelijks hooren kon.»Wat nu te doen?” antwoordde Goedsmoeds.»Handelen,” zeide de pelsjager kortweg.Beiden slopen toen onhoorbaar van tak tot tak, van boom tot boom, zonder een voet op den grond te zetten, totdat zij zich vlak tegenover het kamp bevonden, juist boven de plaats, waar de paarden der Comanchen aan de boomen waren vastgemaakt. Goedsmoeds klom zachtjes naar beneden en sneed de touwen, die hen vasthielden, door. De paarden, aangevuurd door de zweepslagen der jagers, renden hinnikend en snuivend in alle richtingen voort.De Indianen stonden in verwarring op, en liepen schreeuwend weg, om hunne paarden op te zoeken. De Arendskop alleen, als had hij de plaats geraden, waar zijne vijanden in hinderlaag lagen, liep recht op hen toe, zich zoo goed mogelijk achter de boomen, die zich op zijn weg bevonden, beschuttende.De jagers gingen voet voor voet achteruit, een waakzaam oog houdende op den omtrek, ten einde zich niet te laten verschalken.Het geschreeuw der Indianen verdween reeds in de verte; zij dachten aan niets dan hunne paarden. Het opperhoofd was nu alleen in de tegenwoordigheid van de twee vrienden. Bij een boom gekomen, waarvan de dikke stam hem volkomen beveiligde, achtte hij het beneden zich om zijn geweer te gebruiken, en zijn kans schoon ziende, legde hij een pijl op zijn boog, maar hoe voorzichtig[46]en behendig hij ook te werk ging, kon hij niet aanleggen zonder zich een weinig bloot te geven. Edelhart legde zijn geweer aan, het schot ging af, de kogel floot, het opperhoofd sprong met een woedend gebrul op en viel op den grond. Zijn arm was doorschoten. De twee jagers waren vlak bij hem.»Maak geen de minste beweging, Roodhuid,” zeide Edelhart, »of gij zijt dood!”De Indiaan verroerde zich niet; schijnbaar kalm en bedaard bedwong hij zijn toorn.»Ik zou u kunnen dooden,” ging de jager voort, »maar dat wil ik niet; dit is nu de tweede maal, hoofdman, dat ik u het leven schenk, maar het zal ook de laatste maal zijn; vertoon u niet wederom op mijn weg, en vooral steel mijne vallen niet meer, anders, ik zweer het u, zal ik u geen genade schenken.”»De Arendskop is een beroemd opperhoofd onder de mannen van zijn stam,” antwoordde de Indiaan trotsch, »hij vreest den dood niet; de blanke jager kan hem dooden, hij zal geen enkele klacht hooren.”»Neen, ik zal u niet dooden, hoofdman: mijn God verbiedt het noodeloos bloedvergieten.”»Ooah!” zeide de Indiaan met een spottenden lach, »mijn broeder is een zendeling.”»Neen, ik ben een eerlijk pelsjager; maar ik wil u niet vermoorden.”»Mijn broeder redeneert als een oude vrouw,” hernam de Indiaan; »Nehunutahvergeeft niet, hij wreekt zich!”»Gij kunt doen, wat gij verkiest, hoofdman;” antwoordde de jager, minachtend de schouders ophalend, »ik ben niet van plan uw natuur te veranderen, maar gij zijt gewaarschuwd; vaarwel!”»De duivel hale u!” voegde Goedsmoeds er bij, hem verachtelijk een schop gevende.De hoofdman scheen bij deze nieuwe beleediging ongevoelig te blijven, alleen zijne wenkbrauwen fronsten zich; hij bewoog zich niet, maar volgde met een blik vol haat zijne beide vijanden, die, zonder zich meer om hem te bekommeren, in het woud verdwenen.»Het zij zoo,” zeide Goedsmoeds naderhand, »maar gij hebt verkeerd gedaan, Edelhart; gij hadt hem moeten dooden.”»Bah! Waarom?” antwoordde de jager onbezorgd.»Cascaras!Waarom? wel dat was een ongedierte minder geweest in de prairie.”»Er zijn er zooveel,” zeide de ander, »dat het er op een niet aankomt.”»Dat is waar!” antwoordde Goedsmoeds, overtuigd; »maar waar zullen wij nu heengaan?”»Onze vallen opzoeken, Caramba! meent gij dat ik die kwijt wil zijn?”[47]»Waarachtig, dat is een goed denkbeeld.”De jagers gingen werkelijk in de richting van het kamp voort, maar op de wijze der Indianen, dat is door middel van tallooze omwegen, ten einde de Comanchen van spoor te brengen.Na twintig minuten loopens bereikten zij het kamp. De Indianen waren nog niet teruggekeerd, maar naar alle waarschijnlijkheid zou het niet lang meer duren. Al hun bagage lag hier en daar verspreid. Twee of drie paarden die geen instinct genoeg bezaten om te vluchten, stonden bedaard te weiden. Zonder een oogenblik tijd te verliezen raapten de jagers hunne vallen bijeen, hetgeen spoedig genoeg gedaan was; zij namen er ieder vijf voor hunne rekening, en zonder dralen namen zij den terugweg aan naar de grot, waar hunne paarden stonden. Ondanks de zware vracht die zij droegen, liepen zij snel voort, verrukt over den goeden uitslag hunner onderneming en lachende over den fraaien trek, dien zij den Indianen gespeeld hadden.Zoo waren zij een geruimen tijd op weg; reeds hoorden zij in de verte het dof gemurmel der rivier, toen eensklaps het hinniken van een paard hun oor bereikte.»Men vervolgt ons,” zeide Edelhart, stilstaande.»Hm!” antwoordde Goedsmoeds, »het is misschien een wild paard.”»Neen, een wild paard hinnikt anders; het zijn de Comanchen. Maar wij zullen er wel achter komen.” En zich op den grond uitstrekkende, luisterde hij aandachtig. Dadelijk stond hij weder op.»Ik wist het wel,” zeide hij, »het zijn de Comanchen; maar zij zijn niet zeker van ons spoor, zij aarzelen.”»Of misschien worden zij opgehouden door de wond van den Arendskop.”»Dat is mogelijk! O, o! meenen zij dan waarlijk in staat te zijn ons te bereiken, als wij hen willen ontsnappen?”»Als wij maar niet zoo zwaar beladen waren, dan was het spoedig uit.”Edelhart dacht even na.»Kom,” zeide hij, »wij hebben een half uur voor ons; dat is meer dan genoeg.”Dicht bij hem stroomde een beek; de jager stapte er in, zoowel als zijn vriend, die in alles zijne bewegingen volgde. In het midden van den stroom gekomen, wikkelde Edelhart de vallen zorgvuldig in een buffelhuid, om ze voor nat te bewaren, en liet ze toen op den bodem van het water zinken. Dezen maatregel genomen hebbende, gingen zij naar de overzijde van de beek; daarna een valsch spoor van omstreeks tweehonderd passen makende, en behoedzaam op hunne schreden terugkomende, opdat niets hun terugkeer zou verraden, begaven zij zich in het bosch naar de paarden, na vooraf, met eene lichte beweging met de hand, de honden weggezonden te hebben.[48]De verstandige dieren begrepen waarheen zij zich te wenden hadden, en verdwenen weldra in de duisternis.Het besluit om zich van hunne honden te scheiden hielp hen om de Indianen van het spoor te brengen, die zeker niet zouden verzuimen de sporen door de speurhonden in het hooge gras achtergelaten, te volgen.Eenmaal in het bosch zijnde, klommen de jagers op een boom en zetten hunnen tocht tusschen hemel en aarde voort. Deze manier van reizen is, veel meer dan men in Europa denken zou, gebruikelijk in landen, waar het, ten gevolge van het in elkander groeien der boomen en lianen, dikwijls onmogelijk is, om vooruit te komen, zonder zich telkens met de bijl een pad te banen. Men kan aldus, door van den eenen tak op den anderen te klauteren, mijlen ver afleggen zonder den grond aan te raken. De jagers deden dit echter thans om een andere reden.Zij gingen op deze wijze voor hunne vijanden uit, die hen hoe langer hoe meer naderden, en die zij weldra vlak onder zich op Indiaansche wijze, dat is achter elkander, zagen voort marcheeren, en met aandacht hun spoor volgen. De Arendskop ging voorop, ten gevolge van zijn wond half op zijn paard liggende, maar beter dan ooit gestemd om zijne vijanden te vervolgen. Toen zij de Comanchen onder zich hadden, verscholen de jagers zich tusschen de bladeren, en hielden hun adem in. De minste kleinigheid zou voldoende zijn geweest om hunne tegenwoordigheid te verraden. De Indianen gingen voorbij, zonder hen te zien. De jagers zetten hunnen tocht voort.»Oef!” zeide Goedsmoeds na een oogenblik van stilte, »ik geloof dat wij er ditmaal heelhuids afkomen.”»Laat ons nog geen victorie kraaien, maar zoo snel wij kunnen ons verwijderen; die verwenschte Roodhuiden zijn slim; zij zullen zich niet lang door onze list laten misleiden.”»Duivelsch!” riep Goedsmoeds eensklaps, »ik heb mijn mes laten vallen, en waar weet ik niet; als de Roodhuiden het vinden, zijn wij verloren.”»Dat is zeer waarschijnlijk,” mompelde Edelhart; »een reden te meer om geen minuut te verliezen.”Uit het woud, dat tot nu toe doodstil was geweest, begon eensklaps een dof gebrom op te rijzen; de vogels vlogen fladderend rond, en in de struiken hoorde men de drooge takken onder de pooten der wilde dieren kraken.»Wat gebeurt er toch?” zeide Edelhart, ophoudende en ongerust om zich heen ziende; »het woud schijnt met duizeling bevangen te zijn.”De beide jagers klommen tot in den top van den boom, waarop zij zich bevonden, en die bij toeval een der hoogste van het woud was.Een ontzaglijke gloed kleurde den horizont op ongeveer een mijl afstand van de plaats, waar zij zich bevonden; deze gloed werd[49]van oogenblik tot oogenblik grooter, en naderde hen met reuzenschreden.»Vervloekt,” riep Goedsmoeds uit, »de Comanchen hebben de prairie in brand gestoken!”»Ja, en ik geloof dat wij ditmaal, zooals gij straks opmerktet, verloren zijn,” antwoordde Edelhart koelbloedig.»Wat nu gedaan?” vroeg de Canadees; »binnen een oogwenk zien zij ons.”Edelhart dacht na. Na eenige oogenblikken richtte hij het hoofd wederom op, een zegepralende glimlach plooide zijne lippen.»Zij hebben ons nog niet,” zeide hij; »volg mij, broeder!.…”en, voegde hij er zachtjes bij,»ik wil mijne moeder weder zien!…”

Edelhart en Goedsmoeds, tusschen de takken van den kurkeik verborgen, bespiedden de Comanchen.

De Indianen rekenden op de waakzaamheid hunner wachten. Wel verre van te vermoeden dat hunne vijanden zich zoo dicht bij hen bevonden en hunne minste bewegingen gadesloegen, zaten of lagen zij onbekommerd rondom de vuren te eten en te rooken.

Deze wilden, ten naasten bij 25 man sterk, waren gekleed in bisonvellen en op de meest verschillende en fantastische wijze uitgedoscht. De meesten waren geheel met vermiljoen besmeerd, anderen waren van top tot teen zwart en prijkten met een lange witte streep op iedere wang; zij droegen hun schild, boog en pijlen op den rug; naast hen lag hun geweer. Overigens zag men spoedig aan het groot aantal wolvenstaarten, die, aan hunne mocksens vastgemaakt, hen achterna sleepten, dat het allen uitgelezen krijgslieden waren, die den roem van hun stam uitmaakten.

Op eenigen afstand van hen stond de Arendskop onbewegelijk tegen een boom geleund. Met de armen over elkander, en het lichaam een weinig voorover gebogen, scheen hij te luisteren naar eenige onbekende geluiden, die alleen zijn oor bereiken konden.

De Arendskop behoorde tot den stam der Osagen; nog heel jong zijnde, hadden de Comanchen hem onder zich opgenomen, maar hij had altijd de kleeding en de zeden zijner natie bewaard.

Het was een man van nauwelijks acht en twintig jaar; hij was bijna zes voet lang; zijn grove, sterk gespierde ledematen, duidden[45]buitengewone kracht aan. Anders dan zijn makkers, droeg hij een kleed, dat alleen zijne heupen bedekte, ten einde zijne borst en armen beter te doen uitkomen: de uitdrukking van zijn gelaat was schoon en edel: zijne zwarte, levendige oogen, zijn kromme neus, zijn wel wat groote mond deden hem eenigszins op een roofvogel gelijken. Al zijn haar was afgeschoren, behalve een enkele smalle streep, midden op zijn hoofd, die aan een helmbos deed denken, en een lange vlecht, die naar achteren viel en met een menigte arendsvederen versierd was. Zijn gezicht was met vier kleuren besmeerd, met blauw, wit, zwart en rood; de wonden, die hij aan zijne vijanden had toegebracht, had hij met blauwe verf op zijn naakte borst gemerkt. Mocksens van ongelooid hertenleêr reikten hem tot boven de knieën, en een aantal wolvenstaarten waren aan zijne hielen vastgemaakt.

Gelukkig voor de jagers, waren de Indianen ten strijde uitgetogen en niet ter jacht, zoodat zij geen honden bij zich hadden; anders waren zij reeds lang verraden geworden, en zouden zij niet straffeloos het kamp zijn genaderd.

Hoe onbewegelijk het opperhoofd daar ook stond, schitterde toch zijn oog met onrustigen blik; zijne neusgaten trilden; hij hief werktuigelijk de rechterhand op, als om aan zijne krijgslieden het zwijgen op te leggen.

»Wij zijn ontdekt,” mompelde Edelhart, zoo zacht dat zijn makker het nauwelijks hooren kon.

»Wat nu te doen?” antwoordde Goedsmoeds.

»Handelen,” zeide de pelsjager kortweg.

Beiden slopen toen onhoorbaar van tak tot tak, van boom tot boom, zonder een voet op den grond te zetten, totdat zij zich vlak tegenover het kamp bevonden, juist boven de plaats, waar de paarden der Comanchen aan de boomen waren vastgemaakt. Goedsmoeds klom zachtjes naar beneden en sneed de touwen, die hen vasthielden, door. De paarden, aangevuurd door de zweepslagen der jagers, renden hinnikend en snuivend in alle richtingen voort.

De Indianen stonden in verwarring op, en liepen schreeuwend weg, om hunne paarden op te zoeken. De Arendskop alleen, als had hij de plaats geraden, waar zijne vijanden in hinderlaag lagen, liep recht op hen toe, zich zoo goed mogelijk achter de boomen, die zich op zijn weg bevonden, beschuttende.

De jagers gingen voet voor voet achteruit, een waakzaam oog houdende op den omtrek, ten einde zich niet te laten verschalken.

Het geschreeuw der Indianen verdween reeds in de verte; zij dachten aan niets dan hunne paarden. Het opperhoofd was nu alleen in de tegenwoordigheid van de twee vrienden. Bij een boom gekomen, waarvan de dikke stam hem volkomen beveiligde, achtte hij het beneden zich om zijn geweer te gebruiken, en zijn kans schoon ziende, legde hij een pijl op zijn boog, maar hoe voorzichtig[46]en behendig hij ook te werk ging, kon hij niet aanleggen zonder zich een weinig bloot te geven. Edelhart legde zijn geweer aan, het schot ging af, de kogel floot, het opperhoofd sprong met een woedend gebrul op en viel op den grond. Zijn arm was doorschoten. De twee jagers waren vlak bij hem.

»Maak geen de minste beweging, Roodhuid,” zeide Edelhart, »of gij zijt dood!”

De Indiaan verroerde zich niet; schijnbaar kalm en bedaard bedwong hij zijn toorn.

»Ik zou u kunnen dooden,” ging de jager voort, »maar dat wil ik niet; dit is nu de tweede maal, hoofdman, dat ik u het leven schenk, maar het zal ook de laatste maal zijn; vertoon u niet wederom op mijn weg, en vooral steel mijne vallen niet meer, anders, ik zweer het u, zal ik u geen genade schenken.”

»De Arendskop is een beroemd opperhoofd onder de mannen van zijn stam,” antwoordde de Indiaan trotsch, »hij vreest den dood niet; de blanke jager kan hem dooden, hij zal geen enkele klacht hooren.”

»Neen, ik zal u niet dooden, hoofdman: mijn God verbiedt het noodeloos bloedvergieten.”

»Ooah!” zeide de Indiaan met een spottenden lach, »mijn broeder is een zendeling.”

»Neen, ik ben een eerlijk pelsjager; maar ik wil u niet vermoorden.”

»Mijn broeder redeneert als een oude vrouw,” hernam de Indiaan; »Nehunutahvergeeft niet, hij wreekt zich!”

»Gij kunt doen, wat gij verkiest, hoofdman;” antwoordde de jager, minachtend de schouders ophalend, »ik ben niet van plan uw natuur te veranderen, maar gij zijt gewaarschuwd; vaarwel!”

»De duivel hale u!” voegde Goedsmoeds er bij, hem verachtelijk een schop gevende.

De hoofdman scheen bij deze nieuwe beleediging ongevoelig te blijven, alleen zijne wenkbrauwen fronsten zich; hij bewoog zich niet, maar volgde met een blik vol haat zijne beide vijanden, die, zonder zich meer om hem te bekommeren, in het woud verdwenen.

»Het zij zoo,” zeide Goedsmoeds naderhand, »maar gij hebt verkeerd gedaan, Edelhart; gij hadt hem moeten dooden.”

»Bah! Waarom?” antwoordde de jager onbezorgd.

»Cascaras!Waarom? wel dat was een ongedierte minder geweest in de prairie.”

»Er zijn er zooveel,” zeide de ander, »dat het er op een niet aankomt.”

»Dat is waar!” antwoordde Goedsmoeds, overtuigd; »maar waar zullen wij nu heengaan?”

»Onze vallen opzoeken, Caramba! meent gij dat ik die kwijt wil zijn?”[47]

»Waarachtig, dat is een goed denkbeeld.”

De jagers gingen werkelijk in de richting van het kamp voort, maar op de wijze der Indianen, dat is door middel van tallooze omwegen, ten einde de Comanchen van spoor te brengen.

Na twintig minuten loopens bereikten zij het kamp. De Indianen waren nog niet teruggekeerd, maar naar alle waarschijnlijkheid zou het niet lang meer duren. Al hun bagage lag hier en daar verspreid. Twee of drie paarden die geen instinct genoeg bezaten om te vluchten, stonden bedaard te weiden. Zonder een oogenblik tijd te verliezen raapten de jagers hunne vallen bijeen, hetgeen spoedig genoeg gedaan was; zij namen er ieder vijf voor hunne rekening, en zonder dralen namen zij den terugweg aan naar de grot, waar hunne paarden stonden. Ondanks de zware vracht die zij droegen, liepen zij snel voort, verrukt over den goeden uitslag hunner onderneming en lachende over den fraaien trek, dien zij den Indianen gespeeld hadden.

Zoo waren zij een geruimen tijd op weg; reeds hoorden zij in de verte het dof gemurmel der rivier, toen eensklaps het hinniken van een paard hun oor bereikte.

»Men vervolgt ons,” zeide Edelhart, stilstaande.

»Hm!” antwoordde Goedsmoeds, »het is misschien een wild paard.”

»Neen, een wild paard hinnikt anders; het zijn de Comanchen. Maar wij zullen er wel achter komen.” En zich op den grond uitstrekkende, luisterde hij aandachtig. Dadelijk stond hij weder op.

»Ik wist het wel,” zeide hij, »het zijn de Comanchen; maar zij zijn niet zeker van ons spoor, zij aarzelen.”

»Of misschien worden zij opgehouden door de wond van den Arendskop.”

»Dat is mogelijk! O, o! meenen zij dan waarlijk in staat te zijn ons te bereiken, als wij hen willen ontsnappen?”

»Als wij maar niet zoo zwaar beladen waren, dan was het spoedig uit.”

Edelhart dacht even na.

»Kom,” zeide hij, »wij hebben een half uur voor ons; dat is meer dan genoeg.”

Dicht bij hem stroomde een beek; de jager stapte er in, zoowel als zijn vriend, die in alles zijne bewegingen volgde. In het midden van den stroom gekomen, wikkelde Edelhart de vallen zorgvuldig in een buffelhuid, om ze voor nat te bewaren, en liet ze toen op den bodem van het water zinken. Dezen maatregel genomen hebbende, gingen zij naar de overzijde van de beek; daarna een valsch spoor van omstreeks tweehonderd passen makende, en behoedzaam op hunne schreden terugkomende, opdat niets hun terugkeer zou verraden, begaven zij zich in het bosch naar de paarden, na vooraf, met eene lichte beweging met de hand, de honden weggezonden te hebben.[48]

De verstandige dieren begrepen waarheen zij zich te wenden hadden, en verdwenen weldra in de duisternis.

Het besluit om zich van hunne honden te scheiden hielp hen om de Indianen van het spoor te brengen, die zeker niet zouden verzuimen de sporen door de speurhonden in het hooge gras achtergelaten, te volgen.

Eenmaal in het bosch zijnde, klommen de jagers op een boom en zetten hunnen tocht tusschen hemel en aarde voort. Deze manier van reizen is, veel meer dan men in Europa denken zou, gebruikelijk in landen, waar het, ten gevolge van het in elkander groeien der boomen en lianen, dikwijls onmogelijk is, om vooruit te komen, zonder zich telkens met de bijl een pad te banen. Men kan aldus, door van den eenen tak op den anderen te klauteren, mijlen ver afleggen zonder den grond aan te raken. De jagers deden dit echter thans om een andere reden.

Zij gingen op deze wijze voor hunne vijanden uit, die hen hoe langer hoe meer naderden, en die zij weldra vlak onder zich op Indiaansche wijze, dat is achter elkander, zagen voort marcheeren, en met aandacht hun spoor volgen. De Arendskop ging voorop, ten gevolge van zijn wond half op zijn paard liggende, maar beter dan ooit gestemd om zijne vijanden te vervolgen. Toen zij de Comanchen onder zich hadden, verscholen de jagers zich tusschen de bladeren, en hielden hun adem in. De minste kleinigheid zou voldoende zijn geweest om hunne tegenwoordigheid te verraden. De Indianen gingen voorbij, zonder hen te zien. De jagers zetten hunnen tocht voort.

»Oef!” zeide Goedsmoeds na een oogenblik van stilte, »ik geloof dat wij er ditmaal heelhuids afkomen.”

»Laat ons nog geen victorie kraaien, maar zoo snel wij kunnen ons verwijderen; die verwenschte Roodhuiden zijn slim; zij zullen zich niet lang door onze list laten misleiden.”

»Duivelsch!” riep Goedsmoeds eensklaps, »ik heb mijn mes laten vallen, en waar weet ik niet; als de Roodhuiden het vinden, zijn wij verloren.”

»Dat is zeer waarschijnlijk,” mompelde Edelhart; »een reden te meer om geen minuut te verliezen.”

Uit het woud, dat tot nu toe doodstil was geweest, begon eensklaps een dof gebrom op te rijzen; de vogels vlogen fladderend rond, en in de struiken hoorde men de drooge takken onder de pooten der wilde dieren kraken.

»Wat gebeurt er toch?” zeide Edelhart, ophoudende en ongerust om zich heen ziende; »het woud schijnt met duizeling bevangen te zijn.”

De beide jagers klommen tot in den top van den boom, waarop zij zich bevonden, en die bij toeval een der hoogste van het woud was.

Een ontzaglijke gloed kleurde den horizont op ongeveer een mijl afstand van de plaats, waar zij zich bevonden; deze gloed werd[49]van oogenblik tot oogenblik grooter, en naderde hen met reuzenschreden.

»Vervloekt,” riep Goedsmoeds uit, »de Comanchen hebben de prairie in brand gestoken!”

»Ja, en ik geloof dat wij ditmaal, zooals gij straks opmerktet, verloren zijn,” antwoordde Edelhart koelbloedig.

»Wat nu gedaan?” vroeg de Canadees; »binnen een oogwenk zien zij ons.”

Edelhart dacht na. Na eenige oogenblikken richtte hij het hoofd wederom op, een zegepralende glimlach plooide zijne lippen.

»Zij hebben ons nog niet,” zeide hij; »volg mij, broeder!.…”en, voegde hij er zachtjes bij,»ik wil mijne moeder weder zien!…”


Back to IndexNext