V.

[Inhoud]V.HET VERBOND.Wij moeten nu tot Edelhart terugkeeren.Na ongeveer tien minuten rechtuit geloopen te hebben, zonder zich zelfs de moeite te geven, om een dier tallooze voetpaden te volgen, die de prairiën in alle richtingen doorkruisen, stond de jager stil, zette zijn geweer op den grond, zag zorgvuldig om zich heen, luisterde naar die duizende geluiden der wildernis, die voor den in het leven der prairiën ingewijden mensch allen een beteekenis hebben, en bootste, klaarblijkelijk over de uitkomst van zijn onderzoek voldaan, driemaal achtereen, het geschreeuw van een ekster zoo natuurlijk na, dat verscheidene dezer vogels, in het dichte loof verborgen, hem onmiddellijk antwoord gaven.Nauwelijks had hij voor de derde maal zijn geschreeuw doen hooren, of het woud, tot nu toe geheel stom en naar het scheen in volmaakte eenzaamheid verzonken, begon, als ware het betooverd, plotseling te leven; van alle zijden richtten zich van uit de struiken en van uit het gras, waarin zij verscholen waren, eene menigte jagers op, met krachtige gelaatstrekken en schilderachtige kostumen, en vormden in een oogenblik een dichten kring om den jager.Het toeval wilde, dat de twee eerste gezichten, die Edelhart in het oog vielen, die van den Zwarten Eland en van Nô Eusébio waren, welke beiden dicht bij hem stonden.»O,” zeide hij, hun de hand gevende, »ik begrijp alles; mijne vrienden, hebt dank, hebt dank voor uwen welwillenden bijstand, maar Gode zij dank, ik heb dien niet meer noodig.”»Des te beter,” zeide de Zwarte Eland.»Het is u dus gelukt, om aan de handen dier verwenschte Roodhuiden te ontsnappen?” vroeg de oude dienaar met belangstelling.»Zeg geen kwaad van de Comanchen,” zeide Edelhart glimlachende, »zij zijn thans mijne broeders.”»Spreekt gij in ernst,” riep de Zwarte Eland levendig; »zijt gij werkelijk wel met de Indianen?”»Gij zult er zelven over oordeelen; de vrede tusschen hen en mijne[148]vrienden is gesloten; zoo gij het goedvindt, zal ik u aan elkander voorstellen.”»Hemel! in de tegenwoordige omstandigheden kon ons geen grooter geluk overkomen,” zeide de Zwarte Eland, »en, daar gij vrij zijt, kunnen wij ons met anderen bezig houden, die zich op dit oogenblik in groot gevaar bevinden, en die waarschijnlijk grootelijks behoefte hebben aan onze hulp.”»Wat wilt gij daarmede zeggen?” vroeg Edelhart met belangstellende nieuwsgierigheid.»Ik wil zeggen, dat diezelfde menschen, aan wie gij reeds een ontzaglijke dienst bewezen hebt, bij gelegenheid van den brand in de prairie, op dit oogenblik door een bende roovers omsingeld worden, die waarschijnlijk niet zullen nalaten hen aan te vallen, indien dit niet reeds heeft plaats gehad.”»Gij moet hun ter hulpe snellen!” riep Edelhart, die zijn aandoening niet bedwingen kon.»Bij God, dat is ons plan, maar wij wilden eerst u verlossen, Edelhart; gij zijt de ziel onzer vereeniging; zonder u zouden wij niets goeds kunnen doen.”»Ik dank u, mijne vrienden, maar nu, zooals gij ziet, ben ik vrij; niets alzoo weerhoudt ons om terstond te gaan.”»Vergeef mij,” hernam de Zwarte Eland, »maar wij hebben met eene sterke tegenpartij te doen; de roovers, die weten, dat zij op geen genade te rekenen hebben, vechten als tijgers; hoe grooter in aantal wij zijn, des te meer kans hebben wij om wél te slagen.”»Dat is waar! maar wat wilt gij dan?”»Wel: gij hebt in onzen naam vrede gesloten met de Comanchen; zou het niet.…”»Gij hebt waarachtig gelijk, Zwarte Eland;” viel Edelhart hem haastig in de rede, »ik zou er niet aan gedacht hebben; de Indiaansche krijgslieden zullen blijde zijn, dat wij hun eene gelegenheid aanbieden om hunne dapperheid te toonen; zij zullen ons gaarne helpen, ik neem de zorg op mij, om hen over te halen; volgt gij mij allen, ik ga u aan onze nieuwe vrienden voorstellen.”De jagers vereenigden zich en vormden een dicht opeengedrongen bende van omtrent veertig man.De wapenen werden ten teeken van vrede onderstboven gekeerd, en allen richtten zich naar het kamp, voorafgegaan door Edelhart.»En mijne moeder?” vroeg Edelhart aan Nô Eusébio.»Zij is in veiligheid in de hut van den Zwarten Eland.”»Hoe gaat het met haar?”»Goed, maar halfdood van angst,” antwoordde de grijsaard; »uwe moeder is eene vrouw die slechts door haar hart leeft; zij bezit een ontzaglijken moed, de grootste lichaamssmarten schokken haar niet; zij gevoelt niets meer van de afschuwelijke marteling, die zij heeft ondergaan.”[149]»God zij geprezen! maar wij moeten haar niet lang in die doodelijke spanning laten; waar is uw paard?”»Hier dicht bij, in de struiken verscholen.”»Haal dat en begeef u naar mijne moeder,—stel haar gerust en gaat met u beiden naar de grot van deKopergroen, waar zij tegen alle gevaar beschut zal zijn. Blijf daar bij haar. Die grot is gemakkelijk te vinden, zij ligt niet ver van de rots vanden dooden Bison; overigens, als gij daar gekomen zult zijn, laat de honden dan maar los, die zullen u den weg wel wijzen. Hebt gij mij goed begrepen?”»Volkomen.”»Ga dan, wij zijn vlak bij het kamp; uwe tegenwoordigheid is hier onnoodig, terwijl zij daar onmisbaar is.”»Ik ga.”»Vaarwel.”»Tot weêrziens.”Nô Eusébio floot de speurhonden, die hij met een lasso aan elkander bond; voor de laatste maal gaf hij Edelhart de hand, verliet hen toen, maakte rechtsomkeert, en ging terug naar het bosch, terwijl de jagerbende aan den ingang der opene plaats kwam waar de Indianen hun kamp hadden opgeslagen.De Comanchen vormden op eenige passen afstands van de eerste grenzen van hun kamp een grooten halven cirkel, in het midden waarvan de opperhoofden stonden. Om aan de aankomelingen alle eer te bewijzen, hadden zij hun schoonste gewaad aangetrokken; zij waren allen als tot den oorlog geschilderd en gewapend.Edelhart liet zijn troep halt houden, en alleen voortgaande, ontplooide hij een bisonhuid en liet die in de lucht wapperen.De Arendskop verwijderde zich toen van de andere opperhoofden, hij naderde op zijne beurt den jager, en deed insgelijks, ten teeken van vrede, een bisonhuid wapperen.Toen de beide mannen nog slechts drie passen van elkander waren, bleven zij staan. Edelhart nam het woord.»De meester des levens,” zeide hij, »doorziet onze harten; hij weet, dat tusschen ons de weg schoon en open is, en dat de woorden, die ons hart uitblaast en onze mond uitspreekt, oprecht zijn; de blanke jagers komen aan hunne roode broeders een bezoek brengen.”»Zij zijn welkom,” antwoordde de Arendskop hartelijk, en hij maakte eene buiging, met die bevalligheid en die edelemajestueuzehouding, die de Indianen kenmerkt.Na deze woorden schoten de Comanchen en de jagers hunne wapens in de lucht af, terwijl zij tevens een luid vreugdegejuich deden hooren. Toen werd alle stijfheid verbannen, de beide troepen mengden zich zoo geheel ondereen, dat zij in weinig tijds slechts eene enkele bende vormden.Maar Edelhart, die, na al wat de Zwarte Eland hem gezegd had, wist, hoe kostbaar de oogenblikken waren, had ondertusschen den[150]Arendskop ter zijde genomen, en hem openhartig de verwachting medegedeeld, die men van zijn stam koesterde.De hoofdman glimlachte bij dit verzoek.»Aan het verlangen van mijn broeder zal voldaan worden,” zeide hij, »zoo hij slechts even wachten wil.”Hierop den jager verlatende, voegde hij zich bij de andere opperhoofden.Weldra klom de roeper op deverandaheener hut, en riep met luid geschreeuw de meest vermaarde krijgslieden op, om zich in de raadstent te vereenigen.Het verzoek van Edelhart verwierf algemeene goedkeuring; er werden tachtig uitgelezene mannen, onder aanvoering van den Arendskop, aangewezen, om de jagers te vergezellen, en met alle kracht mede te werken, tot het welslagen der onderneming.Toen het besluit der opperhoofden bekend was geworden, heerschte er eene algemeene vreugde in den stam. De verbondenen zouden zich met zonsondergang op weg begeven, om den vijand onverhoeds te overvallen. Men danste, met inachtneming van al de in dergelijke gevallen gebruikelijke plechtigheden, den grooten krijgsdans, gedurende welken de krijgslieden steeds in koor deze woorden herhaalden:»Wabimdam Kitchée manitoo, agarmissey hapitch neatissum!”Dat wil zeggen: »Meester des levens, zie mij met een gunstig oog aan, gij hebt mij den moed gegeven, om mijne aderen te openen!”Toen men op het punt stond van te vertrekken koos de Arendskop, die wel wist met welke gevaarlijke vijanden hij te doen zou krijgen, twintig lieden uit, op wie hij rekenen kon, en zond hen als verspieders vooruit, na hen vanScotté wigwasof boomschors voorzien te hebben, opdat zij terstond vuur zouden kunnen aanleggen, om ingeval van nood te waarschuwen.Vervolgens onderzocht hij nauwkeurig de wapenen zijner krijgslieden, en, voldaan over den uitslag zijner inspectie, gaf hij het teeken tot vertrek.De Comanchen en de pelsjagers schaarden zich op de wijze der Indianen in gelid, en door hunne opperhoofden voorafgegaan verlieten zij het kamp, achtervolgd door de wenschen en aanmoedigingen hunner vrienden, die hen tot aan de eerste boomen van het woud vergezelden.Het legertje bestond uit honderd dertig wakkere mannen, allen van top tot teen gewapend, en aangevoerd door opperhoofden, die voor geen hinderpaal terugweken, en door geen gevaar zich lieten afschrikken. Er heerschte eene dikke duisternis; de maan, door zware wolken omringd, die zich log en langzaam voortbewogen, verspreidde slechts nu en dan een flauwen glans, die aan alles een fantastisch voorkomen gaf. De wind blies zeer ongelijkmatig, en[151]stortte zich met dof en klagend geluid in de holen en in de openingen tusschen de rotsen. Het was, in één woord, een van die nachten, die in de geschiedenis der menschheid altijd het tooneel schijnen te moeten zijn van droevige treurspelen.De krijgslieden trokken stilzwijgend voort; zij geleken in het donker op een troep schimmen, die aan het graf ontkomen waren, en zich haastten, om een nameloos, door God vervloekt werk te volbrengen, dat de nacht alleen in staat was met zijne schaduw te bedekken.Omstreeks middernacht werd het woord: halt! zoo zacht mogelijk uitgesproken. Men betrok een kamp, om op het nieuws der verspieders te wachten; dat wil zeggen, ieder wikkelde zich zoo goed of zoo kwaad als hij kon in zijn mantel, om op het eerste teeken gereed te zijn. Er werden geen vuren ontstoken. De Indianen, die op hunne verspieders vertrouwen, zetten nooit schildwachten uit, als zij ten strijde uitgetrokken zijn. Zoo gingen twee uren voorbij. Het kamp der Mexicanen was niet meer dan drie mijlen van daar verwijderd; maar alvorens zij zich verder waagden wilden de opperhoofden zich verzekeren, dat de weg vrij was; in het tegenovergestelde geval wilden zij onderzoeken, hoe groot het aantal was der vijanden, die hun den weg versperden, en welk plan van aanval zij schenen beraamd te hebben.Op het oogenblik dat Edelhart, door ongeduld verteerd, zich gereed maakte om zelf op verkenning uit te gaan, liet zich in de struiken eenig gedruisch hooren, dat in het eerst bijna onmerkbaar was, maar weldra hoe langer hoe sterker werd. Er kwamen twee mannen te voorschijn. De eerste was een der verspieders, de ander was de doctor. De toestand waarin de arme geleerde zich bevond, was deerniswaardig. Hij had zijn pruik verloren, zijne kleederen waren verscheurd, zijn gezicht was van angst verwrongen, en zijn geheele persoon droeg de duidelijke sporen van een hevig gevecht.Toen hij bij den Arendskop en bij Edelhart kwam, viel hij op den grond in zwijm. Men haastte zich hem in het leven terug te roepen.

[Inhoud]V.HET VERBOND.Wij moeten nu tot Edelhart terugkeeren.Na ongeveer tien minuten rechtuit geloopen te hebben, zonder zich zelfs de moeite te geven, om een dier tallooze voetpaden te volgen, die de prairiën in alle richtingen doorkruisen, stond de jager stil, zette zijn geweer op den grond, zag zorgvuldig om zich heen, luisterde naar die duizende geluiden der wildernis, die voor den in het leven der prairiën ingewijden mensch allen een beteekenis hebben, en bootste, klaarblijkelijk over de uitkomst van zijn onderzoek voldaan, driemaal achtereen, het geschreeuw van een ekster zoo natuurlijk na, dat verscheidene dezer vogels, in het dichte loof verborgen, hem onmiddellijk antwoord gaven.Nauwelijks had hij voor de derde maal zijn geschreeuw doen hooren, of het woud, tot nu toe geheel stom en naar het scheen in volmaakte eenzaamheid verzonken, begon, als ware het betooverd, plotseling te leven; van alle zijden richtten zich van uit de struiken en van uit het gras, waarin zij verscholen waren, eene menigte jagers op, met krachtige gelaatstrekken en schilderachtige kostumen, en vormden in een oogenblik een dichten kring om den jager.Het toeval wilde, dat de twee eerste gezichten, die Edelhart in het oog vielen, die van den Zwarten Eland en van Nô Eusébio waren, welke beiden dicht bij hem stonden.»O,” zeide hij, hun de hand gevende, »ik begrijp alles; mijne vrienden, hebt dank, hebt dank voor uwen welwillenden bijstand, maar Gode zij dank, ik heb dien niet meer noodig.”»Des te beter,” zeide de Zwarte Eland.»Het is u dus gelukt, om aan de handen dier verwenschte Roodhuiden te ontsnappen?” vroeg de oude dienaar met belangstelling.»Zeg geen kwaad van de Comanchen,” zeide Edelhart glimlachende, »zij zijn thans mijne broeders.”»Spreekt gij in ernst,” riep de Zwarte Eland levendig; »zijt gij werkelijk wel met de Indianen?”»Gij zult er zelven over oordeelen; de vrede tusschen hen en mijne[148]vrienden is gesloten; zoo gij het goedvindt, zal ik u aan elkander voorstellen.”»Hemel! in de tegenwoordige omstandigheden kon ons geen grooter geluk overkomen,” zeide de Zwarte Eland, »en, daar gij vrij zijt, kunnen wij ons met anderen bezig houden, die zich op dit oogenblik in groot gevaar bevinden, en die waarschijnlijk grootelijks behoefte hebben aan onze hulp.”»Wat wilt gij daarmede zeggen?” vroeg Edelhart met belangstellende nieuwsgierigheid.»Ik wil zeggen, dat diezelfde menschen, aan wie gij reeds een ontzaglijke dienst bewezen hebt, bij gelegenheid van den brand in de prairie, op dit oogenblik door een bende roovers omsingeld worden, die waarschijnlijk niet zullen nalaten hen aan te vallen, indien dit niet reeds heeft plaats gehad.”»Gij moet hun ter hulpe snellen!” riep Edelhart, die zijn aandoening niet bedwingen kon.»Bij God, dat is ons plan, maar wij wilden eerst u verlossen, Edelhart; gij zijt de ziel onzer vereeniging; zonder u zouden wij niets goeds kunnen doen.”»Ik dank u, mijne vrienden, maar nu, zooals gij ziet, ben ik vrij; niets alzoo weerhoudt ons om terstond te gaan.”»Vergeef mij,” hernam de Zwarte Eland, »maar wij hebben met eene sterke tegenpartij te doen; de roovers, die weten, dat zij op geen genade te rekenen hebben, vechten als tijgers; hoe grooter in aantal wij zijn, des te meer kans hebben wij om wél te slagen.”»Dat is waar! maar wat wilt gij dan?”»Wel: gij hebt in onzen naam vrede gesloten met de Comanchen; zou het niet.…”»Gij hebt waarachtig gelijk, Zwarte Eland;” viel Edelhart hem haastig in de rede, »ik zou er niet aan gedacht hebben; de Indiaansche krijgslieden zullen blijde zijn, dat wij hun eene gelegenheid aanbieden om hunne dapperheid te toonen; zij zullen ons gaarne helpen, ik neem de zorg op mij, om hen over te halen; volgt gij mij allen, ik ga u aan onze nieuwe vrienden voorstellen.”De jagers vereenigden zich en vormden een dicht opeengedrongen bende van omtrent veertig man.De wapenen werden ten teeken van vrede onderstboven gekeerd, en allen richtten zich naar het kamp, voorafgegaan door Edelhart.»En mijne moeder?” vroeg Edelhart aan Nô Eusébio.»Zij is in veiligheid in de hut van den Zwarten Eland.”»Hoe gaat het met haar?”»Goed, maar halfdood van angst,” antwoordde de grijsaard; »uwe moeder is eene vrouw die slechts door haar hart leeft; zij bezit een ontzaglijken moed, de grootste lichaamssmarten schokken haar niet; zij gevoelt niets meer van de afschuwelijke marteling, die zij heeft ondergaan.”[149]»God zij geprezen! maar wij moeten haar niet lang in die doodelijke spanning laten; waar is uw paard?”»Hier dicht bij, in de struiken verscholen.”»Haal dat en begeef u naar mijne moeder,—stel haar gerust en gaat met u beiden naar de grot van deKopergroen, waar zij tegen alle gevaar beschut zal zijn. Blijf daar bij haar. Die grot is gemakkelijk te vinden, zij ligt niet ver van de rots vanden dooden Bison; overigens, als gij daar gekomen zult zijn, laat de honden dan maar los, die zullen u den weg wel wijzen. Hebt gij mij goed begrepen?”»Volkomen.”»Ga dan, wij zijn vlak bij het kamp; uwe tegenwoordigheid is hier onnoodig, terwijl zij daar onmisbaar is.”»Ik ga.”»Vaarwel.”»Tot weêrziens.”Nô Eusébio floot de speurhonden, die hij met een lasso aan elkander bond; voor de laatste maal gaf hij Edelhart de hand, verliet hen toen, maakte rechtsomkeert, en ging terug naar het bosch, terwijl de jagerbende aan den ingang der opene plaats kwam waar de Indianen hun kamp hadden opgeslagen.De Comanchen vormden op eenige passen afstands van de eerste grenzen van hun kamp een grooten halven cirkel, in het midden waarvan de opperhoofden stonden. Om aan de aankomelingen alle eer te bewijzen, hadden zij hun schoonste gewaad aangetrokken; zij waren allen als tot den oorlog geschilderd en gewapend.Edelhart liet zijn troep halt houden, en alleen voortgaande, ontplooide hij een bisonhuid en liet die in de lucht wapperen.De Arendskop verwijderde zich toen van de andere opperhoofden, hij naderde op zijne beurt den jager, en deed insgelijks, ten teeken van vrede, een bisonhuid wapperen.Toen de beide mannen nog slechts drie passen van elkander waren, bleven zij staan. Edelhart nam het woord.»De meester des levens,” zeide hij, »doorziet onze harten; hij weet, dat tusschen ons de weg schoon en open is, en dat de woorden, die ons hart uitblaast en onze mond uitspreekt, oprecht zijn; de blanke jagers komen aan hunne roode broeders een bezoek brengen.”»Zij zijn welkom,” antwoordde de Arendskop hartelijk, en hij maakte eene buiging, met die bevalligheid en die edelemajestueuzehouding, die de Indianen kenmerkt.Na deze woorden schoten de Comanchen en de jagers hunne wapens in de lucht af, terwijl zij tevens een luid vreugdegejuich deden hooren. Toen werd alle stijfheid verbannen, de beide troepen mengden zich zoo geheel ondereen, dat zij in weinig tijds slechts eene enkele bende vormden.Maar Edelhart, die, na al wat de Zwarte Eland hem gezegd had, wist, hoe kostbaar de oogenblikken waren, had ondertusschen den[150]Arendskop ter zijde genomen, en hem openhartig de verwachting medegedeeld, die men van zijn stam koesterde.De hoofdman glimlachte bij dit verzoek.»Aan het verlangen van mijn broeder zal voldaan worden,” zeide hij, »zoo hij slechts even wachten wil.”Hierop den jager verlatende, voegde hij zich bij de andere opperhoofden.Weldra klom de roeper op deverandaheener hut, en riep met luid geschreeuw de meest vermaarde krijgslieden op, om zich in de raadstent te vereenigen.Het verzoek van Edelhart verwierf algemeene goedkeuring; er werden tachtig uitgelezene mannen, onder aanvoering van den Arendskop, aangewezen, om de jagers te vergezellen, en met alle kracht mede te werken, tot het welslagen der onderneming.Toen het besluit der opperhoofden bekend was geworden, heerschte er eene algemeene vreugde in den stam. De verbondenen zouden zich met zonsondergang op weg begeven, om den vijand onverhoeds te overvallen. Men danste, met inachtneming van al de in dergelijke gevallen gebruikelijke plechtigheden, den grooten krijgsdans, gedurende welken de krijgslieden steeds in koor deze woorden herhaalden:»Wabimdam Kitchée manitoo, agarmissey hapitch neatissum!”Dat wil zeggen: »Meester des levens, zie mij met een gunstig oog aan, gij hebt mij den moed gegeven, om mijne aderen te openen!”Toen men op het punt stond van te vertrekken koos de Arendskop, die wel wist met welke gevaarlijke vijanden hij te doen zou krijgen, twintig lieden uit, op wie hij rekenen kon, en zond hen als verspieders vooruit, na hen vanScotté wigwasof boomschors voorzien te hebben, opdat zij terstond vuur zouden kunnen aanleggen, om ingeval van nood te waarschuwen.Vervolgens onderzocht hij nauwkeurig de wapenen zijner krijgslieden, en, voldaan over den uitslag zijner inspectie, gaf hij het teeken tot vertrek.De Comanchen en de pelsjagers schaarden zich op de wijze der Indianen in gelid, en door hunne opperhoofden voorafgegaan verlieten zij het kamp, achtervolgd door de wenschen en aanmoedigingen hunner vrienden, die hen tot aan de eerste boomen van het woud vergezelden.Het legertje bestond uit honderd dertig wakkere mannen, allen van top tot teen gewapend, en aangevoerd door opperhoofden, die voor geen hinderpaal terugweken, en door geen gevaar zich lieten afschrikken. Er heerschte eene dikke duisternis; de maan, door zware wolken omringd, die zich log en langzaam voortbewogen, verspreidde slechts nu en dan een flauwen glans, die aan alles een fantastisch voorkomen gaf. De wind blies zeer ongelijkmatig, en[151]stortte zich met dof en klagend geluid in de holen en in de openingen tusschen de rotsen. Het was, in één woord, een van die nachten, die in de geschiedenis der menschheid altijd het tooneel schijnen te moeten zijn van droevige treurspelen.De krijgslieden trokken stilzwijgend voort; zij geleken in het donker op een troep schimmen, die aan het graf ontkomen waren, en zich haastten, om een nameloos, door God vervloekt werk te volbrengen, dat de nacht alleen in staat was met zijne schaduw te bedekken.Omstreeks middernacht werd het woord: halt! zoo zacht mogelijk uitgesproken. Men betrok een kamp, om op het nieuws der verspieders te wachten; dat wil zeggen, ieder wikkelde zich zoo goed of zoo kwaad als hij kon in zijn mantel, om op het eerste teeken gereed te zijn. Er werden geen vuren ontstoken. De Indianen, die op hunne verspieders vertrouwen, zetten nooit schildwachten uit, als zij ten strijde uitgetrokken zijn. Zoo gingen twee uren voorbij. Het kamp der Mexicanen was niet meer dan drie mijlen van daar verwijderd; maar alvorens zij zich verder waagden wilden de opperhoofden zich verzekeren, dat de weg vrij was; in het tegenovergestelde geval wilden zij onderzoeken, hoe groot het aantal was der vijanden, die hun den weg versperden, en welk plan van aanval zij schenen beraamd te hebben.Op het oogenblik dat Edelhart, door ongeduld verteerd, zich gereed maakte om zelf op verkenning uit te gaan, liet zich in de struiken eenig gedruisch hooren, dat in het eerst bijna onmerkbaar was, maar weldra hoe langer hoe sterker werd. Er kwamen twee mannen te voorschijn. De eerste was een der verspieders, de ander was de doctor. De toestand waarin de arme geleerde zich bevond, was deerniswaardig. Hij had zijn pruik verloren, zijne kleederen waren verscheurd, zijn gezicht was van angst verwrongen, en zijn geheele persoon droeg de duidelijke sporen van een hevig gevecht.Toen hij bij den Arendskop en bij Edelhart kwam, viel hij op den grond in zwijm. Men haastte zich hem in het leven terug te roepen.

[Inhoud]V.HET VERBOND.Wij moeten nu tot Edelhart terugkeeren.Na ongeveer tien minuten rechtuit geloopen te hebben, zonder zich zelfs de moeite te geven, om een dier tallooze voetpaden te volgen, die de prairiën in alle richtingen doorkruisen, stond de jager stil, zette zijn geweer op den grond, zag zorgvuldig om zich heen, luisterde naar die duizende geluiden der wildernis, die voor den in het leven der prairiën ingewijden mensch allen een beteekenis hebben, en bootste, klaarblijkelijk over de uitkomst van zijn onderzoek voldaan, driemaal achtereen, het geschreeuw van een ekster zoo natuurlijk na, dat verscheidene dezer vogels, in het dichte loof verborgen, hem onmiddellijk antwoord gaven.Nauwelijks had hij voor de derde maal zijn geschreeuw doen hooren, of het woud, tot nu toe geheel stom en naar het scheen in volmaakte eenzaamheid verzonken, begon, als ware het betooverd, plotseling te leven; van alle zijden richtten zich van uit de struiken en van uit het gras, waarin zij verscholen waren, eene menigte jagers op, met krachtige gelaatstrekken en schilderachtige kostumen, en vormden in een oogenblik een dichten kring om den jager.Het toeval wilde, dat de twee eerste gezichten, die Edelhart in het oog vielen, die van den Zwarten Eland en van Nô Eusébio waren, welke beiden dicht bij hem stonden.»O,” zeide hij, hun de hand gevende, »ik begrijp alles; mijne vrienden, hebt dank, hebt dank voor uwen welwillenden bijstand, maar Gode zij dank, ik heb dien niet meer noodig.”»Des te beter,” zeide de Zwarte Eland.»Het is u dus gelukt, om aan de handen dier verwenschte Roodhuiden te ontsnappen?” vroeg de oude dienaar met belangstelling.»Zeg geen kwaad van de Comanchen,” zeide Edelhart glimlachende, »zij zijn thans mijne broeders.”»Spreekt gij in ernst,” riep de Zwarte Eland levendig; »zijt gij werkelijk wel met de Indianen?”»Gij zult er zelven over oordeelen; de vrede tusschen hen en mijne[148]vrienden is gesloten; zoo gij het goedvindt, zal ik u aan elkander voorstellen.”»Hemel! in de tegenwoordige omstandigheden kon ons geen grooter geluk overkomen,” zeide de Zwarte Eland, »en, daar gij vrij zijt, kunnen wij ons met anderen bezig houden, die zich op dit oogenblik in groot gevaar bevinden, en die waarschijnlijk grootelijks behoefte hebben aan onze hulp.”»Wat wilt gij daarmede zeggen?” vroeg Edelhart met belangstellende nieuwsgierigheid.»Ik wil zeggen, dat diezelfde menschen, aan wie gij reeds een ontzaglijke dienst bewezen hebt, bij gelegenheid van den brand in de prairie, op dit oogenblik door een bende roovers omsingeld worden, die waarschijnlijk niet zullen nalaten hen aan te vallen, indien dit niet reeds heeft plaats gehad.”»Gij moet hun ter hulpe snellen!” riep Edelhart, die zijn aandoening niet bedwingen kon.»Bij God, dat is ons plan, maar wij wilden eerst u verlossen, Edelhart; gij zijt de ziel onzer vereeniging; zonder u zouden wij niets goeds kunnen doen.”»Ik dank u, mijne vrienden, maar nu, zooals gij ziet, ben ik vrij; niets alzoo weerhoudt ons om terstond te gaan.”»Vergeef mij,” hernam de Zwarte Eland, »maar wij hebben met eene sterke tegenpartij te doen; de roovers, die weten, dat zij op geen genade te rekenen hebben, vechten als tijgers; hoe grooter in aantal wij zijn, des te meer kans hebben wij om wél te slagen.”»Dat is waar! maar wat wilt gij dan?”»Wel: gij hebt in onzen naam vrede gesloten met de Comanchen; zou het niet.…”»Gij hebt waarachtig gelijk, Zwarte Eland;” viel Edelhart hem haastig in de rede, »ik zou er niet aan gedacht hebben; de Indiaansche krijgslieden zullen blijde zijn, dat wij hun eene gelegenheid aanbieden om hunne dapperheid te toonen; zij zullen ons gaarne helpen, ik neem de zorg op mij, om hen over te halen; volgt gij mij allen, ik ga u aan onze nieuwe vrienden voorstellen.”De jagers vereenigden zich en vormden een dicht opeengedrongen bende van omtrent veertig man.De wapenen werden ten teeken van vrede onderstboven gekeerd, en allen richtten zich naar het kamp, voorafgegaan door Edelhart.»En mijne moeder?” vroeg Edelhart aan Nô Eusébio.»Zij is in veiligheid in de hut van den Zwarten Eland.”»Hoe gaat het met haar?”»Goed, maar halfdood van angst,” antwoordde de grijsaard; »uwe moeder is eene vrouw die slechts door haar hart leeft; zij bezit een ontzaglijken moed, de grootste lichaamssmarten schokken haar niet; zij gevoelt niets meer van de afschuwelijke marteling, die zij heeft ondergaan.”[149]»God zij geprezen! maar wij moeten haar niet lang in die doodelijke spanning laten; waar is uw paard?”»Hier dicht bij, in de struiken verscholen.”»Haal dat en begeef u naar mijne moeder,—stel haar gerust en gaat met u beiden naar de grot van deKopergroen, waar zij tegen alle gevaar beschut zal zijn. Blijf daar bij haar. Die grot is gemakkelijk te vinden, zij ligt niet ver van de rots vanden dooden Bison; overigens, als gij daar gekomen zult zijn, laat de honden dan maar los, die zullen u den weg wel wijzen. Hebt gij mij goed begrepen?”»Volkomen.”»Ga dan, wij zijn vlak bij het kamp; uwe tegenwoordigheid is hier onnoodig, terwijl zij daar onmisbaar is.”»Ik ga.”»Vaarwel.”»Tot weêrziens.”Nô Eusébio floot de speurhonden, die hij met een lasso aan elkander bond; voor de laatste maal gaf hij Edelhart de hand, verliet hen toen, maakte rechtsomkeert, en ging terug naar het bosch, terwijl de jagerbende aan den ingang der opene plaats kwam waar de Indianen hun kamp hadden opgeslagen.De Comanchen vormden op eenige passen afstands van de eerste grenzen van hun kamp een grooten halven cirkel, in het midden waarvan de opperhoofden stonden. Om aan de aankomelingen alle eer te bewijzen, hadden zij hun schoonste gewaad aangetrokken; zij waren allen als tot den oorlog geschilderd en gewapend.Edelhart liet zijn troep halt houden, en alleen voortgaande, ontplooide hij een bisonhuid en liet die in de lucht wapperen.De Arendskop verwijderde zich toen van de andere opperhoofden, hij naderde op zijne beurt den jager, en deed insgelijks, ten teeken van vrede, een bisonhuid wapperen.Toen de beide mannen nog slechts drie passen van elkander waren, bleven zij staan. Edelhart nam het woord.»De meester des levens,” zeide hij, »doorziet onze harten; hij weet, dat tusschen ons de weg schoon en open is, en dat de woorden, die ons hart uitblaast en onze mond uitspreekt, oprecht zijn; de blanke jagers komen aan hunne roode broeders een bezoek brengen.”»Zij zijn welkom,” antwoordde de Arendskop hartelijk, en hij maakte eene buiging, met die bevalligheid en die edelemajestueuzehouding, die de Indianen kenmerkt.Na deze woorden schoten de Comanchen en de jagers hunne wapens in de lucht af, terwijl zij tevens een luid vreugdegejuich deden hooren. Toen werd alle stijfheid verbannen, de beide troepen mengden zich zoo geheel ondereen, dat zij in weinig tijds slechts eene enkele bende vormden.Maar Edelhart, die, na al wat de Zwarte Eland hem gezegd had, wist, hoe kostbaar de oogenblikken waren, had ondertusschen den[150]Arendskop ter zijde genomen, en hem openhartig de verwachting medegedeeld, die men van zijn stam koesterde.De hoofdman glimlachte bij dit verzoek.»Aan het verlangen van mijn broeder zal voldaan worden,” zeide hij, »zoo hij slechts even wachten wil.”Hierop den jager verlatende, voegde hij zich bij de andere opperhoofden.Weldra klom de roeper op deverandaheener hut, en riep met luid geschreeuw de meest vermaarde krijgslieden op, om zich in de raadstent te vereenigen.Het verzoek van Edelhart verwierf algemeene goedkeuring; er werden tachtig uitgelezene mannen, onder aanvoering van den Arendskop, aangewezen, om de jagers te vergezellen, en met alle kracht mede te werken, tot het welslagen der onderneming.Toen het besluit der opperhoofden bekend was geworden, heerschte er eene algemeene vreugde in den stam. De verbondenen zouden zich met zonsondergang op weg begeven, om den vijand onverhoeds te overvallen. Men danste, met inachtneming van al de in dergelijke gevallen gebruikelijke plechtigheden, den grooten krijgsdans, gedurende welken de krijgslieden steeds in koor deze woorden herhaalden:»Wabimdam Kitchée manitoo, agarmissey hapitch neatissum!”Dat wil zeggen: »Meester des levens, zie mij met een gunstig oog aan, gij hebt mij den moed gegeven, om mijne aderen te openen!”Toen men op het punt stond van te vertrekken koos de Arendskop, die wel wist met welke gevaarlijke vijanden hij te doen zou krijgen, twintig lieden uit, op wie hij rekenen kon, en zond hen als verspieders vooruit, na hen vanScotté wigwasof boomschors voorzien te hebben, opdat zij terstond vuur zouden kunnen aanleggen, om ingeval van nood te waarschuwen.Vervolgens onderzocht hij nauwkeurig de wapenen zijner krijgslieden, en, voldaan over den uitslag zijner inspectie, gaf hij het teeken tot vertrek.De Comanchen en de pelsjagers schaarden zich op de wijze der Indianen in gelid, en door hunne opperhoofden voorafgegaan verlieten zij het kamp, achtervolgd door de wenschen en aanmoedigingen hunner vrienden, die hen tot aan de eerste boomen van het woud vergezelden.Het legertje bestond uit honderd dertig wakkere mannen, allen van top tot teen gewapend, en aangevoerd door opperhoofden, die voor geen hinderpaal terugweken, en door geen gevaar zich lieten afschrikken. Er heerschte eene dikke duisternis; de maan, door zware wolken omringd, die zich log en langzaam voortbewogen, verspreidde slechts nu en dan een flauwen glans, die aan alles een fantastisch voorkomen gaf. De wind blies zeer ongelijkmatig, en[151]stortte zich met dof en klagend geluid in de holen en in de openingen tusschen de rotsen. Het was, in één woord, een van die nachten, die in de geschiedenis der menschheid altijd het tooneel schijnen te moeten zijn van droevige treurspelen.De krijgslieden trokken stilzwijgend voort; zij geleken in het donker op een troep schimmen, die aan het graf ontkomen waren, en zich haastten, om een nameloos, door God vervloekt werk te volbrengen, dat de nacht alleen in staat was met zijne schaduw te bedekken.Omstreeks middernacht werd het woord: halt! zoo zacht mogelijk uitgesproken. Men betrok een kamp, om op het nieuws der verspieders te wachten; dat wil zeggen, ieder wikkelde zich zoo goed of zoo kwaad als hij kon in zijn mantel, om op het eerste teeken gereed te zijn. Er werden geen vuren ontstoken. De Indianen, die op hunne verspieders vertrouwen, zetten nooit schildwachten uit, als zij ten strijde uitgetrokken zijn. Zoo gingen twee uren voorbij. Het kamp der Mexicanen was niet meer dan drie mijlen van daar verwijderd; maar alvorens zij zich verder waagden wilden de opperhoofden zich verzekeren, dat de weg vrij was; in het tegenovergestelde geval wilden zij onderzoeken, hoe groot het aantal was der vijanden, die hun den weg versperden, en welk plan van aanval zij schenen beraamd te hebben.Op het oogenblik dat Edelhart, door ongeduld verteerd, zich gereed maakte om zelf op verkenning uit te gaan, liet zich in de struiken eenig gedruisch hooren, dat in het eerst bijna onmerkbaar was, maar weldra hoe langer hoe sterker werd. Er kwamen twee mannen te voorschijn. De eerste was een der verspieders, de ander was de doctor. De toestand waarin de arme geleerde zich bevond, was deerniswaardig. Hij had zijn pruik verloren, zijne kleederen waren verscheurd, zijn gezicht was van angst verwrongen, en zijn geheele persoon droeg de duidelijke sporen van een hevig gevecht.Toen hij bij den Arendskop en bij Edelhart kwam, viel hij op den grond in zwijm. Men haastte zich hem in het leven terug te roepen.

V.HET VERBOND.

Wij moeten nu tot Edelhart terugkeeren.Na ongeveer tien minuten rechtuit geloopen te hebben, zonder zich zelfs de moeite te geven, om een dier tallooze voetpaden te volgen, die de prairiën in alle richtingen doorkruisen, stond de jager stil, zette zijn geweer op den grond, zag zorgvuldig om zich heen, luisterde naar die duizende geluiden der wildernis, die voor den in het leven der prairiën ingewijden mensch allen een beteekenis hebben, en bootste, klaarblijkelijk over de uitkomst van zijn onderzoek voldaan, driemaal achtereen, het geschreeuw van een ekster zoo natuurlijk na, dat verscheidene dezer vogels, in het dichte loof verborgen, hem onmiddellijk antwoord gaven.Nauwelijks had hij voor de derde maal zijn geschreeuw doen hooren, of het woud, tot nu toe geheel stom en naar het scheen in volmaakte eenzaamheid verzonken, begon, als ware het betooverd, plotseling te leven; van alle zijden richtten zich van uit de struiken en van uit het gras, waarin zij verscholen waren, eene menigte jagers op, met krachtige gelaatstrekken en schilderachtige kostumen, en vormden in een oogenblik een dichten kring om den jager.Het toeval wilde, dat de twee eerste gezichten, die Edelhart in het oog vielen, die van den Zwarten Eland en van Nô Eusébio waren, welke beiden dicht bij hem stonden.»O,” zeide hij, hun de hand gevende, »ik begrijp alles; mijne vrienden, hebt dank, hebt dank voor uwen welwillenden bijstand, maar Gode zij dank, ik heb dien niet meer noodig.”»Des te beter,” zeide de Zwarte Eland.»Het is u dus gelukt, om aan de handen dier verwenschte Roodhuiden te ontsnappen?” vroeg de oude dienaar met belangstelling.»Zeg geen kwaad van de Comanchen,” zeide Edelhart glimlachende, »zij zijn thans mijne broeders.”»Spreekt gij in ernst,” riep de Zwarte Eland levendig; »zijt gij werkelijk wel met de Indianen?”»Gij zult er zelven over oordeelen; de vrede tusschen hen en mijne[148]vrienden is gesloten; zoo gij het goedvindt, zal ik u aan elkander voorstellen.”»Hemel! in de tegenwoordige omstandigheden kon ons geen grooter geluk overkomen,” zeide de Zwarte Eland, »en, daar gij vrij zijt, kunnen wij ons met anderen bezig houden, die zich op dit oogenblik in groot gevaar bevinden, en die waarschijnlijk grootelijks behoefte hebben aan onze hulp.”»Wat wilt gij daarmede zeggen?” vroeg Edelhart met belangstellende nieuwsgierigheid.»Ik wil zeggen, dat diezelfde menschen, aan wie gij reeds een ontzaglijke dienst bewezen hebt, bij gelegenheid van den brand in de prairie, op dit oogenblik door een bende roovers omsingeld worden, die waarschijnlijk niet zullen nalaten hen aan te vallen, indien dit niet reeds heeft plaats gehad.”»Gij moet hun ter hulpe snellen!” riep Edelhart, die zijn aandoening niet bedwingen kon.»Bij God, dat is ons plan, maar wij wilden eerst u verlossen, Edelhart; gij zijt de ziel onzer vereeniging; zonder u zouden wij niets goeds kunnen doen.”»Ik dank u, mijne vrienden, maar nu, zooals gij ziet, ben ik vrij; niets alzoo weerhoudt ons om terstond te gaan.”»Vergeef mij,” hernam de Zwarte Eland, »maar wij hebben met eene sterke tegenpartij te doen; de roovers, die weten, dat zij op geen genade te rekenen hebben, vechten als tijgers; hoe grooter in aantal wij zijn, des te meer kans hebben wij om wél te slagen.”»Dat is waar! maar wat wilt gij dan?”»Wel: gij hebt in onzen naam vrede gesloten met de Comanchen; zou het niet.…”»Gij hebt waarachtig gelijk, Zwarte Eland;” viel Edelhart hem haastig in de rede, »ik zou er niet aan gedacht hebben; de Indiaansche krijgslieden zullen blijde zijn, dat wij hun eene gelegenheid aanbieden om hunne dapperheid te toonen; zij zullen ons gaarne helpen, ik neem de zorg op mij, om hen over te halen; volgt gij mij allen, ik ga u aan onze nieuwe vrienden voorstellen.”De jagers vereenigden zich en vormden een dicht opeengedrongen bende van omtrent veertig man.De wapenen werden ten teeken van vrede onderstboven gekeerd, en allen richtten zich naar het kamp, voorafgegaan door Edelhart.»En mijne moeder?” vroeg Edelhart aan Nô Eusébio.»Zij is in veiligheid in de hut van den Zwarten Eland.”»Hoe gaat het met haar?”»Goed, maar halfdood van angst,” antwoordde de grijsaard; »uwe moeder is eene vrouw die slechts door haar hart leeft; zij bezit een ontzaglijken moed, de grootste lichaamssmarten schokken haar niet; zij gevoelt niets meer van de afschuwelijke marteling, die zij heeft ondergaan.”[149]»God zij geprezen! maar wij moeten haar niet lang in die doodelijke spanning laten; waar is uw paard?”»Hier dicht bij, in de struiken verscholen.”»Haal dat en begeef u naar mijne moeder,—stel haar gerust en gaat met u beiden naar de grot van deKopergroen, waar zij tegen alle gevaar beschut zal zijn. Blijf daar bij haar. Die grot is gemakkelijk te vinden, zij ligt niet ver van de rots vanden dooden Bison; overigens, als gij daar gekomen zult zijn, laat de honden dan maar los, die zullen u den weg wel wijzen. Hebt gij mij goed begrepen?”»Volkomen.”»Ga dan, wij zijn vlak bij het kamp; uwe tegenwoordigheid is hier onnoodig, terwijl zij daar onmisbaar is.”»Ik ga.”»Vaarwel.”»Tot weêrziens.”Nô Eusébio floot de speurhonden, die hij met een lasso aan elkander bond; voor de laatste maal gaf hij Edelhart de hand, verliet hen toen, maakte rechtsomkeert, en ging terug naar het bosch, terwijl de jagerbende aan den ingang der opene plaats kwam waar de Indianen hun kamp hadden opgeslagen.De Comanchen vormden op eenige passen afstands van de eerste grenzen van hun kamp een grooten halven cirkel, in het midden waarvan de opperhoofden stonden. Om aan de aankomelingen alle eer te bewijzen, hadden zij hun schoonste gewaad aangetrokken; zij waren allen als tot den oorlog geschilderd en gewapend.Edelhart liet zijn troep halt houden, en alleen voortgaande, ontplooide hij een bisonhuid en liet die in de lucht wapperen.De Arendskop verwijderde zich toen van de andere opperhoofden, hij naderde op zijne beurt den jager, en deed insgelijks, ten teeken van vrede, een bisonhuid wapperen.Toen de beide mannen nog slechts drie passen van elkander waren, bleven zij staan. Edelhart nam het woord.»De meester des levens,” zeide hij, »doorziet onze harten; hij weet, dat tusschen ons de weg schoon en open is, en dat de woorden, die ons hart uitblaast en onze mond uitspreekt, oprecht zijn; de blanke jagers komen aan hunne roode broeders een bezoek brengen.”»Zij zijn welkom,” antwoordde de Arendskop hartelijk, en hij maakte eene buiging, met die bevalligheid en die edelemajestueuzehouding, die de Indianen kenmerkt.Na deze woorden schoten de Comanchen en de jagers hunne wapens in de lucht af, terwijl zij tevens een luid vreugdegejuich deden hooren. Toen werd alle stijfheid verbannen, de beide troepen mengden zich zoo geheel ondereen, dat zij in weinig tijds slechts eene enkele bende vormden.Maar Edelhart, die, na al wat de Zwarte Eland hem gezegd had, wist, hoe kostbaar de oogenblikken waren, had ondertusschen den[150]Arendskop ter zijde genomen, en hem openhartig de verwachting medegedeeld, die men van zijn stam koesterde.De hoofdman glimlachte bij dit verzoek.»Aan het verlangen van mijn broeder zal voldaan worden,” zeide hij, »zoo hij slechts even wachten wil.”Hierop den jager verlatende, voegde hij zich bij de andere opperhoofden.Weldra klom de roeper op deverandaheener hut, en riep met luid geschreeuw de meest vermaarde krijgslieden op, om zich in de raadstent te vereenigen.Het verzoek van Edelhart verwierf algemeene goedkeuring; er werden tachtig uitgelezene mannen, onder aanvoering van den Arendskop, aangewezen, om de jagers te vergezellen, en met alle kracht mede te werken, tot het welslagen der onderneming.Toen het besluit der opperhoofden bekend was geworden, heerschte er eene algemeene vreugde in den stam. De verbondenen zouden zich met zonsondergang op weg begeven, om den vijand onverhoeds te overvallen. Men danste, met inachtneming van al de in dergelijke gevallen gebruikelijke plechtigheden, den grooten krijgsdans, gedurende welken de krijgslieden steeds in koor deze woorden herhaalden:»Wabimdam Kitchée manitoo, agarmissey hapitch neatissum!”Dat wil zeggen: »Meester des levens, zie mij met een gunstig oog aan, gij hebt mij den moed gegeven, om mijne aderen te openen!”Toen men op het punt stond van te vertrekken koos de Arendskop, die wel wist met welke gevaarlijke vijanden hij te doen zou krijgen, twintig lieden uit, op wie hij rekenen kon, en zond hen als verspieders vooruit, na hen vanScotté wigwasof boomschors voorzien te hebben, opdat zij terstond vuur zouden kunnen aanleggen, om ingeval van nood te waarschuwen.Vervolgens onderzocht hij nauwkeurig de wapenen zijner krijgslieden, en, voldaan over den uitslag zijner inspectie, gaf hij het teeken tot vertrek.De Comanchen en de pelsjagers schaarden zich op de wijze der Indianen in gelid, en door hunne opperhoofden voorafgegaan verlieten zij het kamp, achtervolgd door de wenschen en aanmoedigingen hunner vrienden, die hen tot aan de eerste boomen van het woud vergezelden.Het legertje bestond uit honderd dertig wakkere mannen, allen van top tot teen gewapend, en aangevoerd door opperhoofden, die voor geen hinderpaal terugweken, en door geen gevaar zich lieten afschrikken. Er heerschte eene dikke duisternis; de maan, door zware wolken omringd, die zich log en langzaam voortbewogen, verspreidde slechts nu en dan een flauwen glans, die aan alles een fantastisch voorkomen gaf. De wind blies zeer ongelijkmatig, en[151]stortte zich met dof en klagend geluid in de holen en in de openingen tusschen de rotsen. Het was, in één woord, een van die nachten, die in de geschiedenis der menschheid altijd het tooneel schijnen te moeten zijn van droevige treurspelen.De krijgslieden trokken stilzwijgend voort; zij geleken in het donker op een troep schimmen, die aan het graf ontkomen waren, en zich haastten, om een nameloos, door God vervloekt werk te volbrengen, dat de nacht alleen in staat was met zijne schaduw te bedekken.Omstreeks middernacht werd het woord: halt! zoo zacht mogelijk uitgesproken. Men betrok een kamp, om op het nieuws der verspieders te wachten; dat wil zeggen, ieder wikkelde zich zoo goed of zoo kwaad als hij kon in zijn mantel, om op het eerste teeken gereed te zijn. Er werden geen vuren ontstoken. De Indianen, die op hunne verspieders vertrouwen, zetten nooit schildwachten uit, als zij ten strijde uitgetrokken zijn. Zoo gingen twee uren voorbij. Het kamp der Mexicanen was niet meer dan drie mijlen van daar verwijderd; maar alvorens zij zich verder waagden wilden de opperhoofden zich verzekeren, dat de weg vrij was; in het tegenovergestelde geval wilden zij onderzoeken, hoe groot het aantal was der vijanden, die hun den weg versperden, en welk plan van aanval zij schenen beraamd te hebben.Op het oogenblik dat Edelhart, door ongeduld verteerd, zich gereed maakte om zelf op verkenning uit te gaan, liet zich in de struiken eenig gedruisch hooren, dat in het eerst bijna onmerkbaar was, maar weldra hoe langer hoe sterker werd. Er kwamen twee mannen te voorschijn. De eerste was een der verspieders, de ander was de doctor. De toestand waarin de arme geleerde zich bevond, was deerniswaardig. Hij had zijn pruik verloren, zijne kleederen waren verscheurd, zijn gezicht was van angst verwrongen, en zijn geheele persoon droeg de duidelijke sporen van een hevig gevecht.Toen hij bij den Arendskop en bij Edelhart kwam, viel hij op den grond in zwijm. Men haastte zich hem in het leven terug te roepen.

Wij moeten nu tot Edelhart terugkeeren.

Na ongeveer tien minuten rechtuit geloopen te hebben, zonder zich zelfs de moeite te geven, om een dier tallooze voetpaden te volgen, die de prairiën in alle richtingen doorkruisen, stond de jager stil, zette zijn geweer op den grond, zag zorgvuldig om zich heen, luisterde naar die duizende geluiden der wildernis, die voor den in het leven der prairiën ingewijden mensch allen een beteekenis hebben, en bootste, klaarblijkelijk over de uitkomst van zijn onderzoek voldaan, driemaal achtereen, het geschreeuw van een ekster zoo natuurlijk na, dat verscheidene dezer vogels, in het dichte loof verborgen, hem onmiddellijk antwoord gaven.

Nauwelijks had hij voor de derde maal zijn geschreeuw doen hooren, of het woud, tot nu toe geheel stom en naar het scheen in volmaakte eenzaamheid verzonken, begon, als ware het betooverd, plotseling te leven; van alle zijden richtten zich van uit de struiken en van uit het gras, waarin zij verscholen waren, eene menigte jagers op, met krachtige gelaatstrekken en schilderachtige kostumen, en vormden in een oogenblik een dichten kring om den jager.

Het toeval wilde, dat de twee eerste gezichten, die Edelhart in het oog vielen, die van den Zwarten Eland en van Nô Eusébio waren, welke beiden dicht bij hem stonden.

»O,” zeide hij, hun de hand gevende, »ik begrijp alles; mijne vrienden, hebt dank, hebt dank voor uwen welwillenden bijstand, maar Gode zij dank, ik heb dien niet meer noodig.”

»Des te beter,” zeide de Zwarte Eland.

»Het is u dus gelukt, om aan de handen dier verwenschte Roodhuiden te ontsnappen?” vroeg de oude dienaar met belangstelling.

»Zeg geen kwaad van de Comanchen,” zeide Edelhart glimlachende, »zij zijn thans mijne broeders.”

»Spreekt gij in ernst,” riep de Zwarte Eland levendig; »zijt gij werkelijk wel met de Indianen?”

»Gij zult er zelven over oordeelen; de vrede tusschen hen en mijne[148]vrienden is gesloten; zoo gij het goedvindt, zal ik u aan elkander voorstellen.”

»Hemel! in de tegenwoordige omstandigheden kon ons geen grooter geluk overkomen,” zeide de Zwarte Eland, »en, daar gij vrij zijt, kunnen wij ons met anderen bezig houden, die zich op dit oogenblik in groot gevaar bevinden, en die waarschijnlijk grootelijks behoefte hebben aan onze hulp.”

»Wat wilt gij daarmede zeggen?” vroeg Edelhart met belangstellende nieuwsgierigheid.

»Ik wil zeggen, dat diezelfde menschen, aan wie gij reeds een ontzaglijke dienst bewezen hebt, bij gelegenheid van den brand in de prairie, op dit oogenblik door een bende roovers omsingeld worden, die waarschijnlijk niet zullen nalaten hen aan te vallen, indien dit niet reeds heeft plaats gehad.”

»Gij moet hun ter hulpe snellen!” riep Edelhart, die zijn aandoening niet bedwingen kon.

»Bij God, dat is ons plan, maar wij wilden eerst u verlossen, Edelhart; gij zijt de ziel onzer vereeniging; zonder u zouden wij niets goeds kunnen doen.”

»Ik dank u, mijne vrienden, maar nu, zooals gij ziet, ben ik vrij; niets alzoo weerhoudt ons om terstond te gaan.”

»Vergeef mij,” hernam de Zwarte Eland, »maar wij hebben met eene sterke tegenpartij te doen; de roovers, die weten, dat zij op geen genade te rekenen hebben, vechten als tijgers; hoe grooter in aantal wij zijn, des te meer kans hebben wij om wél te slagen.”

»Dat is waar! maar wat wilt gij dan?”

»Wel: gij hebt in onzen naam vrede gesloten met de Comanchen; zou het niet.…”

»Gij hebt waarachtig gelijk, Zwarte Eland;” viel Edelhart hem haastig in de rede, »ik zou er niet aan gedacht hebben; de Indiaansche krijgslieden zullen blijde zijn, dat wij hun eene gelegenheid aanbieden om hunne dapperheid te toonen; zij zullen ons gaarne helpen, ik neem de zorg op mij, om hen over te halen; volgt gij mij allen, ik ga u aan onze nieuwe vrienden voorstellen.”

De jagers vereenigden zich en vormden een dicht opeengedrongen bende van omtrent veertig man.

De wapenen werden ten teeken van vrede onderstboven gekeerd, en allen richtten zich naar het kamp, voorafgegaan door Edelhart.

»En mijne moeder?” vroeg Edelhart aan Nô Eusébio.

»Zij is in veiligheid in de hut van den Zwarten Eland.”

»Hoe gaat het met haar?”

»Goed, maar halfdood van angst,” antwoordde de grijsaard; »uwe moeder is eene vrouw die slechts door haar hart leeft; zij bezit een ontzaglijken moed, de grootste lichaamssmarten schokken haar niet; zij gevoelt niets meer van de afschuwelijke marteling, die zij heeft ondergaan.”[149]

»God zij geprezen! maar wij moeten haar niet lang in die doodelijke spanning laten; waar is uw paard?”

»Hier dicht bij, in de struiken verscholen.”

»Haal dat en begeef u naar mijne moeder,—stel haar gerust en gaat met u beiden naar de grot van deKopergroen, waar zij tegen alle gevaar beschut zal zijn. Blijf daar bij haar. Die grot is gemakkelijk te vinden, zij ligt niet ver van de rots vanden dooden Bison; overigens, als gij daar gekomen zult zijn, laat de honden dan maar los, die zullen u den weg wel wijzen. Hebt gij mij goed begrepen?”

»Volkomen.”

»Ga dan, wij zijn vlak bij het kamp; uwe tegenwoordigheid is hier onnoodig, terwijl zij daar onmisbaar is.”

»Ik ga.”

»Vaarwel.”

»Tot weêrziens.”

Nô Eusébio floot de speurhonden, die hij met een lasso aan elkander bond; voor de laatste maal gaf hij Edelhart de hand, verliet hen toen, maakte rechtsomkeert, en ging terug naar het bosch, terwijl de jagerbende aan den ingang der opene plaats kwam waar de Indianen hun kamp hadden opgeslagen.

De Comanchen vormden op eenige passen afstands van de eerste grenzen van hun kamp een grooten halven cirkel, in het midden waarvan de opperhoofden stonden. Om aan de aankomelingen alle eer te bewijzen, hadden zij hun schoonste gewaad aangetrokken; zij waren allen als tot den oorlog geschilderd en gewapend.

Edelhart liet zijn troep halt houden, en alleen voortgaande, ontplooide hij een bisonhuid en liet die in de lucht wapperen.

De Arendskop verwijderde zich toen van de andere opperhoofden, hij naderde op zijne beurt den jager, en deed insgelijks, ten teeken van vrede, een bisonhuid wapperen.

Toen de beide mannen nog slechts drie passen van elkander waren, bleven zij staan. Edelhart nam het woord.

»De meester des levens,” zeide hij, »doorziet onze harten; hij weet, dat tusschen ons de weg schoon en open is, en dat de woorden, die ons hart uitblaast en onze mond uitspreekt, oprecht zijn; de blanke jagers komen aan hunne roode broeders een bezoek brengen.”

»Zij zijn welkom,” antwoordde de Arendskop hartelijk, en hij maakte eene buiging, met die bevalligheid en die edelemajestueuzehouding, die de Indianen kenmerkt.

Na deze woorden schoten de Comanchen en de jagers hunne wapens in de lucht af, terwijl zij tevens een luid vreugdegejuich deden hooren. Toen werd alle stijfheid verbannen, de beide troepen mengden zich zoo geheel ondereen, dat zij in weinig tijds slechts eene enkele bende vormden.

Maar Edelhart, die, na al wat de Zwarte Eland hem gezegd had, wist, hoe kostbaar de oogenblikken waren, had ondertusschen den[150]Arendskop ter zijde genomen, en hem openhartig de verwachting medegedeeld, die men van zijn stam koesterde.

De hoofdman glimlachte bij dit verzoek.

»Aan het verlangen van mijn broeder zal voldaan worden,” zeide hij, »zoo hij slechts even wachten wil.”

Hierop den jager verlatende, voegde hij zich bij de andere opperhoofden.

Weldra klom de roeper op deverandaheener hut, en riep met luid geschreeuw de meest vermaarde krijgslieden op, om zich in de raadstent te vereenigen.

Het verzoek van Edelhart verwierf algemeene goedkeuring; er werden tachtig uitgelezene mannen, onder aanvoering van den Arendskop, aangewezen, om de jagers te vergezellen, en met alle kracht mede te werken, tot het welslagen der onderneming.

Toen het besluit der opperhoofden bekend was geworden, heerschte er eene algemeene vreugde in den stam. De verbondenen zouden zich met zonsondergang op weg begeven, om den vijand onverhoeds te overvallen. Men danste, met inachtneming van al de in dergelijke gevallen gebruikelijke plechtigheden, den grooten krijgsdans, gedurende welken de krijgslieden steeds in koor deze woorden herhaalden:

»Wabimdam Kitchée manitoo, agarmissey hapitch neatissum!”

Dat wil zeggen: »Meester des levens, zie mij met een gunstig oog aan, gij hebt mij den moed gegeven, om mijne aderen te openen!”

Toen men op het punt stond van te vertrekken koos de Arendskop, die wel wist met welke gevaarlijke vijanden hij te doen zou krijgen, twintig lieden uit, op wie hij rekenen kon, en zond hen als verspieders vooruit, na hen vanScotté wigwasof boomschors voorzien te hebben, opdat zij terstond vuur zouden kunnen aanleggen, om ingeval van nood te waarschuwen.

Vervolgens onderzocht hij nauwkeurig de wapenen zijner krijgslieden, en, voldaan over den uitslag zijner inspectie, gaf hij het teeken tot vertrek.

De Comanchen en de pelsjagers schaarden zich op de wijze der Indianen in gelid, en door hunne opperhoofden voorafgegaan verlieten zij het kamp, achtervolgd door de wenschen en aanmoedigingen hunner vrienden, die hen tot aan de eerste boomen van het woud vergezelden.

Het legertje bestond uit honderd dertig wakkere mannen, allen van top tot teen gewapend, en aangevoerd door opperhoofden, die voor geen hinderpaal terugweken, en door geen gevaar zich lieten afschrikken. Er heerschte eene dikke duisternis; de maan, door zware wolken omringd, die zich log en langzaam voortbewogen, verspreidde slechts nu en dan een flauwen glans, die aan alles een fantastisch voorkomen gaf. De wind blies zeer ongelijkmatig, en[151]stortte zich met dof en klagend geluid in de holen en in de openingen tusschen de rotsen. Het was, in één woord, een van die nachten, die in de geschiedenis der menschheid altijd het tooneel schijnen te moeten zijn van droevige treurspelen.

De krijgslieden trokken stilzwijgend voort; zij geleken in het donker op een troep schimmen, die aan het graf ontkomen waren, en zich haastten, om een nameloos, door God vervloekt werk te volbrengen, dat de nacht alleen in staat was met zijne schaduw te bedekken.

Omstreeks middernacht werd het woord: halt! zoo zacht mogelijk uitgesproken. Men betrok een kamp, om op het nieuws der verspieders te wachten; dat wil zeggen, ieder wikkelde zich zoo goed of zoo kwaad als hij kon in zijn mantel, om op het eerste teeken gereed te zijn. Er werden geen vuren ontstoken. De Indianen, die op hunne verspieders vertrouwen, zetten nooit schildwachten uit, als zij ten strijde uitgetrokken zijn. Zoo gingen twee uren voorbij. Het kamp der Mexicanen was niet meer dan drie mijlen van daar verwijderd; maar alvorens zij zich verder waagden wilden de opperhoofden zich verzekeren, dat de weg vrij was; in het tegenovergestelde geval wilden zij onderzoeken, hoe groot het aantal was der vijanden, die hun den weg versperden, en welk plan van aanval zij schenen beraamd te hebben.

Op het oogenblik dat Edelhart, door ongeduld verteerd, zich gereed maakte om zelf op verkenning uit te gaan, liet zich in de struiken eenig gedruisch hooren, dat in het eerst bijna onmerkbaar was, maar weldra hoe langer hoe sterker werd. Er kwamen twee mannen te voorschijn. De eerste was een der verspieders, de ander was de doctor. De toestand waarin de arme geleerde zich bevond, was deerniswaardig. Hij had zijn pruik verloren, zijne kleederen waren verscheurd, zijn gezicht was van angst verwrongen, en zijn geheele persoon droeg de duidelijke sporen van een hevig gevecht.

Toen hij bij den Arendskop en bij Edelhart kwam, viel hij op den grond in zwijm. Men haastte zich hem in het leven terug te roepen.


Back to IndexNext