[Inhoud]IX.DE SCHIM.Het was ongeveer acht ure in den morgen: een vroolijke herfstzon bescheen de prairie. De vogels fladderden rond en zongen; nu en dan stak een hert zijn kop boven het hooge gras uit, en verdween huppelend in de verte.Twee ruiters, gekleed als woudloopers, volgden, op prachtige, half wilde paarden gezeten, in galop den linker oever der Groote Canadeesche rivier, terwijl verscheidene zwarte speurhonden om hen heen dartelden en sprongen. Deze ruiters waren Edelhart en zijn vriend Goedsmoeds.In strijd met zijne gemoedstemming, scheen Edelhart zich aan de levendigste vreugde over te geven; zijn gelaat schitterde, en met innig welbehagen zag hij om zich heen. Soms bleef hij staan, en staarde in de verte, als het ware om aan den horizont een voorwerp te ontdekken, dat vooralsnog onzichtbaar was.»Ha, komaan!” zeide Goedsmoeds eindelijk lachend, »wij zullen er wel komen; wees maar gerust!”»Caramba! dat weet ik wel, maar ik zou er al willen zijn! De eenige oogenblikken van geluk, die God mij schenkt, geniet ik bij haar, naar wie wij ons nu begeven! Moeder! lieve moeder! die voor mij alles verlaten—zonder spijt, zonder wroeging verlaten hebt! O, wat is het zalig eene moeder te hebben! een hart te bezitten, dat het uwe begrijpt, dat zich zelve volkomen verloochent! dat om en door u leeft! dat zich verheugt in uwe blijdschap, treurt om uwe smarten! dat uw leven voor twee derden op zich neemt, voor zich zelve het zwaarste deel behoudende, het lichtste en gemakkelijkste aan u overlatende! O, Goedsmoeds! om goed te begrijpen wat het is, dat goddelijk samenstel van opoffering en liefde, dat men eene moeder noemt, moet men er, even als ik, lange jaren van beroofd zijn geweest, en vervolgens haar hebben teruggevonden, nog rijker in liefde en aanbiddelijker dan voorheen! Wat gaan wij langzaam, ieder oogenblik van oponthoud schijnt een kus mijner moeder, dien de tijd mij ontsteelt; zullen wij er dan nooit komen?”»Hier hebben wij de ondiepte.”»Ik weet niet waarom, maar een geheime vrees beklemt mij het hart, een onbeschrijfelijk voorgevoel doet mij ondanks mij zelven huiveren.”[65]»Verban die donkere gedachten, mijn vriend, binnen eenige oogenblikken zijn wij bij uwe moeder.”»Ja, niet waar? en toch, ik weet niet of ik het mis heb, maar ik zou zeggen dat het veld er niet zoo uitziet als anders; die stilte, die er om ons heerscht, die eenzaamheid die ons omringt schijnen mij niet zeer natuurlijk toe; wij zijn immers vlak bij het dorp, wij moesten de honden reeds hooren blaffen, en die tallooze geluiden vernemen, die een bewoonde plaats aankondigen.”»Inderdaad,” zeide Goedsmoeds een weinig bezorgd, »’t is wel stil in ’t rond.”De reizigers bevonden zich op een plek waar de rivier een vrij groote bocht maakte; hare oevers, bedekt met ontzaglijke rotsblokken en dicht kreupelhout, beletten hun ver voor zich uit te zien. Op het oogenblik dat de paarden in het water stapten, maakten zij eene forsche achterwaartsche beweging, en de speurhonden stieten een klagend gehuil uit, dat hun ras eigen, den dapperste ijzen doet.»Wat is dat!” mompelde Edelhart, terwijl hij zoo bleek werd als een doode, en een angstigen blik om zich heen sloeg.»Zie!” antwoordde Goedsmoeds, en met den vinger wees hij zijn makker verscheidene lijken die de rivier wegvoerde.»O,” riep Edelhart uit, »er is hier iets verschrikkelijks gebeurd. Mijne moeder! O mijne moeder!”»Maak u niet zoo beangst,” zeide Goedsmoeds, »zij bevindt zich zonder twijfel in veiligheid.”Onvatbaar voor de troostredenen, die zijn vriend hem voorhield, zonder dat hij er zelf aan geloofde, gaf Edelhart zijn paard de sporen en wierp zich in de golven. Weldra kwamen zij aan den anderen oever. Toen werd hun alles helder. Zij hadden voor zich het tooneel der meest volkomene verwoesting die men zich kan voorstellen. Het dorp en het fort waren niets meer dan een puinhoop. Een zwarte rook steeg in lange kronkelende wolken ten hemel. Midden in het dorp verhief zich een mast, waaraan menschenhanden waren vastgenageld, die de raven krassend elkander betwistten. Hier en daar lagen lijken, half verslonden door wilde dieren en roofvogels. Er was geen levend wezen zichtbaar. Niets was heel gebleven, alles was gebroken of verwoest. Men zag bij den eersten oogopslag, dat de Indianen daar geweest waren, met hun dorst naar bloed en hun ingekankerden haat tegen de blanken. Zij hadden een spoor van vuur en bloed achtergelaten.»O,” riep de jager zuchtend uit, »mijn voorgevoel was een waarschuwing des hemels. Mijne moeder! O mijne moeder!”Edelhart liet zich wanhopend op den grond vallen; hij bedekte zijn hoofd met beide handen en weende. De smart van dezen zwaarbeproefden man, wiens moed voor niets terugdeinsde en die nooit voor eenig gevaar beefde, was gelijk aan die van den leeuw: zij had iets schrikwekkends.[66]Goedsmoeds eerbiedigde de droefheid van zijn vriend; welken troost kon hij hem aanbieden? Het was beter zijne tranen te laten stroomen, en aan de eerste uitbarsting der wanhoop den tijd te laten om tot bedaren te komen; hij was toch overtuigd dat deze man van ijzer zich niet lang zou laten ter nederslaan, en dat er weldra eene terugwerking volgen zou, die hem tot handelen zou aansporen. Doch met het talent, den jagers ingeschapen, begon hij in alle richtingen rond te snuffelen, of hij ook eenig teeken vinden mocht, dat hun later in hunne nasporingen van dienst kon zijn.Na langen tijd om de puinhoopen rondgedwaald te hebben, werd zijne aandacht eensklaps op eenig nabijzijnd kreupelhout gevestigd, door een geblaf dat hij meende te herkennen. Hij naderde haastig; een speurhond, aan de zijnen gelijk, sprong vroolijk tegen zijne beenen op en overlaadde hem met liefkoozingen.»O, o!” zeide de jager, »wat beteekent dat, wie heeft den armen Frim daar vastgemaakt?” Hij sneed den band die het dier vasthield door, en bemerkte toen dat hij aan zijn hals een toegevouwen, en zorgvuldig bedekt papiertje droeg. Hij maakte er zich meester van, en liep naar Edelhart terug.»Broeder,” zeide hij, »heb goeden moed!”De jager wist, dat zijn vriend de man niet was die hem met alledaagsche troostredenen zou lastig vallen; hij hief zijn in tranen badend gelaat tot hem op.De hond, zich vrij voelende, had het op een loopen gezet, en ontvluchtte met onbegrijpelijke snelheid en onder een luid geblaf.Goedsmoeds, die hierop bedacht geweest was; had zich gehaast, zijn das om den nek van het dier te binden.»Men weet nooit wat er gebeuren kan!” mompelde de Canadees, toen hij den hond verdwijnen zag. En na deze wijsgeerige overweging was hij zijn vriend gaan opzoeken.»Wat is er?” vroeg Edelhart.»Lees!” antwoordde Goedsmoeds.De jager nam het papier en doorliep het met gretige blikken.Het bevatte slechts deze woorden:»Wij zijn door de Roodhuiden gevangen genomen. Heb goeden moed!.… Er is niets kwaads bejegend aan uwe moeder.”»Geloofd zij God!!…” riep Edelhart, het papier dat hij in zijne hand hield in vervoering kussende, »mijne moeder leeft!.… O, ik zal haar wel vinden.”»Dat zult gij zeker!.…” voegde Goedsmoeds er bij.Er had een volkomen omkeering in de ziel des jagers plaats gegrepen; hij had zich in zijn volle lengte opgericht; op zijn voorhoofd blonk een glans van vergenoegen.»Laten wij terstond een begin maken met onze nasporingen,” zeide hij: »misschien is een der ongelukkige inwoners aan den dood ontsnapt; van hem zullen wij vernemen, wat er is voorgevallen.”[67]»Goed,” zeide Goedsmoeds met innige blijdschap, »ja, laat ons zoeken.”De honden krabden ijverig in de puinhoopen van het fort.»Laat ons daar beginnen,” zeide Edelhart.Beiden ruimden het puin weg. Zij werkten met een ijver waarvan zij zelven geen begrip hadden. Na twintig minuten ongeveer vonden zij een soort van beverval. Daaronder hoorden zij een zwak en onbestemd geluid.»Daar zijn zij!” zeide Goedsmoeds.»God geve, dat wij vroeg genoeg gekomen zijn om hen te redden!”Na lange en ongehoorde moeite gelukte het hun eindelijk om den val op te lichten. Een vreeselijk schouwspel vertoonde zich aan hunne blikken. In een kelder, waaruit een verpestende rotlucht omhoog steeg, waren twintig personen letterlijk op elkander gestapeld. De jagers konden eene beweging van afgrijzen niet weêrhouden, en traden onwillekeurig achteruit. Maar oogenblikkelijk kwamen zij terug, om, zoo het niet reeds te laat ware, nog eenigen dier ongelukkigen te redden. Van al deze menschen gaf slechts een enkele nog eenig teeken van leven; de anderen waren dood. Zij trokken hem uit het onderaardsche gewelf, legden hem zachtkens op een hoop drooge bladeren, en gaven hem al de hulp, die hij noodig had. De honden lekten de handen en het gelaat van den gewonde. Na eenige minuten maakte deze man een lichte beweging, opende de oogen herhaalde malen, en zuchtte diep. Goedsmoeds stopte tusschen zijn op elkander gesloten tanden den hals van eene volle rumflesch, en dwong hem eenige droppels te drinken.»Hij is er slecht aan toe,” zeide de jager.»Hij is verloren,” antwoordde Edelhart, het hoofd schuddende.De gewonde had echter zijne krachten weder eenigszins bijeen verzameld.»O God!” zeide hij met een zwakke en gebrokene stem, »ik ga sterven.”»Heb goeden moed,” zeide Goedsmoeds zachtjes tot hem.Een vluchtig rood kleurde de bleeke wangen van den gewonde, een treurige glimlach plooide zijne lippen.»Waarom zou ik leven?” antwoordde hij: »de Indianen hebben al mijne makkers vermoord, het leven zou een te zware last voor mij zijn.”»Zoo gij vóór uwen dood ons iets wenscht op te dragen, spreek, en op ons jagerswoord, als het geschieden kan, zullen wij het volbrengen.”De oogen van den stervende werden door een doffen glans verlevendigd.»Uwe flesch?” zeide hij tot Goedsmoeds.Deze gaf ze hem. De stervende dronk gulzig. Op zijn voorhoofd parelde het koude zweet, en een koortsachtige gloed verhoogde de kleur van zijn gelaat, dat een ontzettende uitdrukking aannam.[68]»Luistert,” zeide hij: »ik ben hier kommandant geweest; de Indianen, bijgestaan door een ellendigen mesties, die ons aan hen verkocht heeft, hebben het dorp overvallen.”»De naam van dien man?” zeide de jager levendig.»Hij is dood!… ik heb hem gedood!” antwoordde de kapitein op een toon, die zoowel haat als vreugde te kennen gaf. »De Indianen hebben zich meester willen maken van het fort; de strijd is vreeselijk geweest; wij stonden met ons twaalven tegenover vierhonderd wilden; wat konden wij doen? dan tot het laatste vechten. Hiertoe werd besloten. De Indianen, de onmogelijkheid inziende om ons levend in handen te krijgen, hebben de bewoners van het dorp, na hen gescalpeerd en de handen afgehouwen te hebben, in het fort geworpen, en het vervolgens in brand gestoken.”De gewonde, wiens stem hoe langer hoe zwakker en onverstaanbaarder werd, dronk eenige droppels rum, en ging toen weder voort met zijn verhaal, waarnaar de jagers gretig luisterden.»Onder de grachten van het fort strekte zich een gewelf uit, dat tot kelder diende; toen ik bemerkte, dat elke kans op lijfsbehoud verloren was, en dat wij met geen mogelijkheid konden ontvluchten, deed ik mijne ongelukkige kameraden in dien kelder afdalen, hopende dat God ons misschien de gelegenheid zou schenken, om op deze wijze te ontkomen. Eenige oogenblikken later stortte het fort boven onze hoofden in. Niemand kan zich de martelingen voorstellen, die wij in dien verpesten kolk, zonder licht en lucht, hebben uitgestaan. De kreten der gewonden, en dat waren wij allen meer of min, het geroep om water, het gerochel der stervenden, dit alles vormde een concert, dat geen woorden in staat zijn weêr te geven. Ons reeds ondragelijk lijden nam door het gebrek aan lucht gedurig in hevigheid toe; een dolle waanzinnigheid overmeesterde ons, wij raasden tegen elkander, en in de duisternis onder de puinhoopen begon een afgrijselijk gevecht, dat slechts met den dood van al de strijders eindigen kon. Hoe lang het duurde zou ik niet kunnen zeggen. Reeds gevoelde ik dat de dood die al mijne kameraden had aangegrepen, zich ook van mij meester ging maken, toen gij kwaamt om hem nog eenige minuten tegen te houden. God zij geloofd! ik zal niet ongewroken sterven.”Na deze woorden bijna onverstaanbaar te hebben uitgesproken, heerschte er een sombere stilte onder de drie mannen, een stilte alleen afgebroken door het gerochel van den stervende, wiens doodstrijd een aanvang nam.Eensklaps richtte de kapitein zich met geweld op, en een wraakzuchtigen blik op de jagers slaande, zeide hij:»De wilden, die mij hebben aangevallen, behooren tot den stam der Comanchen; hun opperhoofd noemt zich de Arendskop; zweert mij dat gij als dappere en edele jagers mijn dood zult wreken.”»Wij zweren het!” riepen de beide mannen tegelijkertijd uit.[69]»Ik dank u!” prevelde de kapitein, en achterover vallende, bleef hij onbewegelijk liggen.—Hij was dood.Zijn verwrongen trekken en geopende oogen behielden nog de uitdrukking van haat en wanhoop, die hem in zijn laatste oogenblik hadden bezield. De jagers staarden hem een poos aan; daarna dien akeligen indruk van zich willende onttrekken, maakten zij zich gereed om aan de ongelukkige slachtoffers van de woede der Indianen de laatste eer te bewijzen. Bij de laatste stralen der ondergaande zon staakten zij den ruwen arbeid, dien zij zichzelven hadden opgelegd.Na eenige oogenblikken van rust, stond Edelhart op en zadelde zijn paard.»Kom, broeder,” zeide hij tot Goedsmoeds, »laat ons nu het spoor van den Arendskop volgen.”»Laat ons gaan,” antwoordde de jager.De twee mannen wierpen een langen en treurigen blik tot afscheid om zich heen, en hunne honden fluitende, drongen zij onverschrokken door in het bosch, waarin de Comanchen verdwenen waren.Juist op dit zelfde oogenblik kwam de maan, in een oceaan van dampen gehuld, op, en verspreidde hare droefgeestige stralen over het Amerikaansche dorp, waarin voortaan de eenzaamheid en de dood heerschten.
[Inhoud]IX.DE SCHIM.Het was ongeveer acht ure in den morgen: een vroolijke herfstzon bescheen de prairie. De vogels fladderden rond en zongen; nu en dan stak een hert zijn kop boven het hooge gras uit, en verdween huppelend in de verte.Twee ruiters, gekleed als woudloopers, volgden, op prachtige, half wilde paarden gezeten, in galop den linker oever der Groote Canadeesche rivier, terwijl verscheidene zwarte speurhonden om hen heen dartelden en sprongen. Deze ruiters waren Edelhart en zijn vriend Goedsmoeds.In strijd met zijne gemoedstemming, scheen Edelhart zich aan de levendigste vreugde over te geven; zijn gelaat schitterde, en met innig welbehagen zag hij om zich heen. Soms bleef hij staan, en staarde in de verte, als het ware om aan den horizont een voorwerp te ontdekken, dat vooralsnog onzichtbaar was.»Ha, komaan!” zeide Goedsmoeds eindelijk lachend, »wij zullen er wel komen; wees maar gerust!”»Caramba! dat weet ik wel, maar ik zou er al willen zijn! De eenige oogenblikken van geluk, die God mij schenkt, geniet ik bij haar, naar wie wij ons nu begeven! Moeder! lieve moeder! die voor mij alles verlaten—zonder spijt, zonder wroeging verlaten hebt! O, wat is het zalig eene moeder te hebben! een hart te bezitten, dat het uwe begrijpt, dat zich zelve volkomen verloochent! dat om en door u leeft! dat zich verheugt in uwe blijdschap, treurt om uwe smarten! dat uw leven voor twee derden op zich neemt, voor zich zelve het zwaarste deel behoudende, het lichtste en gemakkelijkste aan u overlatende! O, Goedsmoeds! om goed te begrijpen wat het is, dat goddelijk samenstel van opoffering en liefde, dat men eene moeder noemt, moet men er, even als ik, lange jaren van beroofd zijn geweest, en vervolgens haar hebben teruggevonden, nog rijker in liefde en aanbiddelijker dan voorheen! Wat gaan wij langzaam, ieder oogenblik van oponthoud schijnt een kus mijner moeder, dien de tijd mij ontsteelt; zullen wij er dan nooit komen?”»Hier hebben wij de ondiepte.”»Ik weet niet waarom, maar een geheime vrees beklemt mij het hart, een onbeschrijfelijk voorgevoel doet mij ondanks mij zelven huiveren.”[65]»Verban die donkere gedachten, mijn vriend, binnen eenige oogenblikken zijn wij bij uwe moeder.”»Ja, niet waar? en toch, ik weet niet of ik het mis heb, maar ik zou zeggen dat het veld er niet zoo uitziet als anders; die stilte, die er om ons heerscht, die eenzaamheid die ons omringt schijnen mij niet zeer natuurlijk toe; wij zijn immers vlak bij het dorp, wij moesten de honden reeds hooren blaffen, en die tallooze geluiden vernemen, die een bewoonde plaats aankondigen.”»Inderdaad,” zeide Goedsmoeds een weinig bezorgd, »’t is wel stil in ’t rond.”De reizigers bevonden zich op een plek waar de rivier een vrij groote bocht maakte; hare oevers, bedekt met ontzaglijke rotsblokken en dicht kreupelhout, beletten hun ver voor zich uit te zien. Op het oogenblik dat de paarden in het water stapten, maakten zij eene forsche achterwaartsche beweging, en de speurhonden stieten een klagend gehuil uit, dat hun ras eigen, den dapperste ijzen doet.»Wat is dat!” mompelde Edelhart, terwijl hij zoo bleek werd als een doode, en een angstigen blik om zich heen sloeg.»Zie!” antwoordde Goedsmoeds, en met den vinger wees hij zijn makker verscheidene lijken die de rivier wegvoerde.»O,” riep Edelhart uit, »er is hier iets verschrikkelijks gebeurd. Mijne moeder! O mijne moeder!”»Maak u niet zoo beangst,” zeide Goedsmoeds, »zij bevindt zich zonder twijfel in veiligheid.”Onvatbaar voor de troostredenen, die zijn vriend hem voorhield, zonder dat hij er zelf aan geloofde, gaf Edelhart zijn paard de sporen en wierp zich in de golven. Weldra kwamen zij aan den anderen oever. Toen werd hun alles helder. Zij hadden voor zich het tooneel der meest volkomene verwoesting die men zich kan voorstellen. Het dorp en het fort waren niets meer dan een puinhoop. Een zwarte rook steeg in lange kronkelende wolken ten hemel. Midden in het dorp verhief zich een mast, waaraan menschenhanden waren vastgenageld, die de raven krassend elkander betwistten. Hier en daar lagen lijken, half verslonden door wilde dieren en roofvogels. Er was geen levend wezen zichtbaar. Niets was heel gebleven, alles was gebroken of verwoest. Men zag bij den eersten oogopslag, dat de Indianen daar geweest waren, met hun dorst naar bloed en hun ingekankerden haat tegen de blanken. Zij hadden een spoor van vuur en bloed achtergelaten.»O,” riep de jager zuchtend uit, »mijn voorgevoel was een waarschuwing des hemels. Mijne moeder! O mijne moeder!”Edelhart liet zich wanhopend op den grond vallen; hij bedekte zijn hoofd met beide handen en weende. De smart van dezen zwaarbeproefden man, wiens moed voor niets terugdeinsde en die nooit voor eenig gevaar beefde, was gelijk aan die van den leeuw: zij had iets schrikwekkends.[66]Goedsmoeds eerbiedigde de droefheid van zijn vriend; welken troost kon hij hem aanbieden? Het was beter zijne tranen te laten stroomen, en aan de eerste uitbarsting der wanhoop den tijd te laten om tot bedaren te komen; hij was toch overtuigd dat deze man van ijzer zich niet lang zou laten ter nederslaan, en dat er weldra eene terugwerking volgen zou, die hem tot handelen zou aansporen. Doch met het talent, den jagers ingeschapen, begon hij in alle richtingen rond te snuffelen, of hij ook eenig teeken vinden mocht, dat hun later in hunne nasporingen van dienst kon zijn.Na langen tijd om de puinhoopen rondgedwaald te hebben, werd zijne aandacht eensklaps op eenig nabijzijnd kreupelhout gevestigd, door een geblaf dat hij meende te herkennen. Hij naderde haastig; een speurhond, aan de zijnen gelijk, sprong vroolijk tegen zijne beenen op en overlaadde hem met liefkoozingen.»O, o!” zeide de jager, »wat beteekent dat, wie heeft den armen Frim daar vastgemaakt?” Hij sneed den band die het dier vasthield door, en bemerkte toen dat hij aan zijn hals een toegevouwen, en zorgvuldig bedekt papiertje droeg. Hij maakte er zich meester van, en liep naar Edelhart terug.»Broeder,” zeide hij, »heb goeden moed!”De jager wist, dat zijn vriend de man niet was die hem met alledaagsche troostredenen zou lastig vallen; hij hief zijn in tranen badend gelaat tot hem op.De hond, zich vrij voelende, had het op een loopen gezet, en ontvluchtte met onbegrijpelijke snelheid en onder een luid geblaf.Goedsmoeds, die hierop bedacht geweest was; had zich gehaast, zijn das om den nek van het dier te binden.»Men weet nooit wat er gebeuren kan!” mompelde de Canadees, toen hij den hond verdwijnen zag. En na deze wijsgeerige overweging was hij zijn vriend gaan opzoeken.»Wat is er?” vroeg Edelhart.»Lees!” antwoordde Goedsmoeds.De jager nam het papier en doorliep het met gretige blikken.Het bevatte slechts deze woorden:»Wij zijn door de Roodhuiden gevangen genomen. Heb goeden moed!.… Er is niets kwaads bejegend aan uwe moeder.”»Geloofd zij God!!…” riep Edelhart, het papier dat hij in zijne hand hield in vervoering kussende, »mijne moeder leeft!.… O, ik zal haar wel vinden.”»Dat zult gij zeker!.…” voegde Goedsmoeds er bij.Er had een volkomen omkeering in de ziel des jagers plaats gegrepen; hij had zich in zijn volle lengte opgericht; op zijn voorhoofd blonk een glans van vergenoegen.»Laten wij terstond een begin maken met onze nasporingen,” zeide hij: »misschien is een der ongelukkige inwoners aan den dood ontsnapt; van hem zullen wij vernemen, wat er is voorgevallen.”[67]»Goed,” zeide Goedsmoeds met innige blijdschap, »ja, laat ons zoeken.”De honden krabden ijverig in de puinhoopen van het fort.»Laat ons daar beginnen,” zeide Edelhart.Beiden ruimden het puin weg. Zij werkten met een ijver waarvan zij zelven geen begrip hadden. Na twintig minuten ongeveer vonden zij een soort van beverval. Daaronder hoorden zij een zwak en onbestemd geluid.»Daar zijn zij!” zeide Goedsmoeds.»God geve, dat wij vroeg genoeg gekomen zijn om hen te redden!”Na lange en ongehoorde moeite gelukte het hun eindelijk om den val op te lichten. Een vreeselijk schouwspel vertoonde zich aan hunne blikken. In een kelder, waaruit een verpestende rotlucht omhoog steeg, waren twintig personen letterlijk op elkander gestapeld. De jagers konden eene beweging van afgrijzen niet weêrhouden, en traden onwillekeurig achteruit. Maar oogenblikkelijk kwamen zij terug, om, zoo het niet reeds te laat ware, nog eenigen dier ongelukkigen te redden. Van al deze menschen gaf slechts een enkele nog eenig teeken van leven; de anderen waren dood. Zij trokken hem uit het onderaardsche gewelf, legden hem zachtkens op een hoop drooge bladeren, en gaven hem al de hulp, die hij noodig had. De honden lekten de handen en het gelaat van den gewonde. Na eenige minuten maakte deze man een lichte beweging, opende de oogen herhaalde malen, en zuchtte diep. Goedsmoeds stopte tusschen zijn op elkander gesloten tanden den hals van eene volle rumflesch, en dwong hem eenige droppels te drinken.»Hij is er slecht aan toe,” zeide de jager.»Hij is verloren,” antwoordde Edelhart, het hoofd schuddende.De gewonde had echter zijne krachten weder eenigszins bijeen verzameld.»O God!” zeide hij met een zwakke en gebrokene stem, »ik ga sterven.”»Heb goeden moed,” zeide Goedsmoeds zachtjes tot hem.Een vluchtig rood kleurde de bleeke wangen van den gewonde, een treurige glimlach plooide zijne lippen.»Waarom zou ik leven?” antwoordde hij: »de Indianen hebben al mijne makkers vermoord, het leven zou een te zware last voor mij zijn.”»Zoo gij vóór uwen dood ons iets wenscht op te dragen, spreek, en op ons jagerswoord, als het geschieden kan, zullen wij het volbrengen.”De oogen van den stervende werden door een doffen glans verlevendigd.»Uwe flesch?” zeide hij tot Goedsmoeds.Deze gaf ze hem. De stervende dronk gulzig. Op zijn voorhoofd parelde het koude zweet, en een koortsachtige gloed verhoogde de kleur van zijn gelaat, dat een ontzettende uitdrukking aannam.[68]»Luistert,” zeide hij: »ik ben hier kommandant geweest; de Indianen, bijgestaan door een ellendigen mesties, die ons aan hen verkocht heeft, hebben het dorp overvallen.”»De naam van dien man?” zeide de jager levendig.»Hij is dood!… ik heb hem gedood!” antwoordde de kapitein op een toon, die zoowel haat als vreugde te kennen gaf. »De Indianen hebben zich meester willen maken van het fort; de strijd is vreeselijk geweest; wij stonden met ons twaalven tegenover vierhonderd wilden; wat konden wij doen? dan tot het laatste vechten. Hiertoe werd besloten. De Indianen, de onmogelijkheid inziende om ons levend in handen te krijgen, hebben de bewoners van het dorp, na hen gescalpeerd en de handen afgehouwen te hebben, in het fort geworpen, en het vervolgens in brand gestoken.”De gewonde, wiens stem hoe langer hoe zwakker en onverstaanbaarder werd, dronk eenige droppels rum, en ging toen weder voort met zijn verhaal, waarnaar de jagers gretig luisterden.»Onder de grachten van het fort strekte zich een gewelf uit, dat tot kelder diende; toen ik bemerkte, dat elke kans op lijfsbehoud verloren was, en dat wij met geen mogelijkheid konden ontvluchten, deed ik mijne ongelukkige kameraden in dien kelder afdalen, hopende dat God ons misschien de gelegenheid zou schenken, om op deze wijze te ontkomen. Eenige oogenblikken later stortte het fort boven onze hoofden in. Niemand kan zich de martelingen voorstellen, die wij in dien verpesten kolk, zonder licht en lucht, hebben uitgestaan. De kreten der gewonden, en dat waren wij allen meer of min, het geroep om water, het gerochel der stervenden, dit alles vormde een concert, dat geen woorden in staat zijn weêr te geven. Ons reeds ondragelijk lijden nam door het gebrek aan lucht gedurig in hevigheid toe; een dolle waanzinnigheid overmeesterde ons, wij raasden tegen elkander, en in de duisternis onder de puinhoopen begon een afgrijselijk gevecht, dat slechts met den dood van al de strijders eindigen kon. Hoe lang het duurde zou ik niet kunnen zeggen. Reeds gevoelde ik dat de dood die al mijne kameraden had aangegrepen, zich ook van mij meester ging maken, toen gij kwaamt om hem nog eenige minuten tegen te houden. God zij geloofd! ik zal niet ongewroken sterven.”Na deze woorden bijna onverstaanbaar te hebben uitgesproken, heerschte er een sombere stilte onder de drie mannen, een stilte alleen afgebroken door het gerochel van den stervende, wiens doodstrijd een aanvang nam.Eensklaps richtte de kapitein zich met geweld op, en een wraakzuchtigen blik op de jagers slaande, zeide hij:»De wilden, die mij hebben aangevallen, behooren tot den stam der Comanchen; hun opperhoofd noemt zich de Arendskop; zweert mij dat gij als dappere en edele jagers mijn dood zult wreken.”»Wij zweren het!” riepen de beide mannen tegelijkertijd uit.[69]»Ik dank u!” prevelde de kapitein, en achterover vallende, bleef hij onbewegelijk liggen.—Hij was dood.Zijn verwrongen trekken en geopende oogen behielden nog de uitdrukking van haat en wanhoop, die hem in zijn laatste oogenblik hadden bezield. De jagers staarden hem een poos aan; daarna dien akeligen indruk van zich willende onttrekken, maakten zij zich gereed om aan de ongelukkige slachtoffers van de woede der Indianen de laatste eer te bewijzen. Bij de laatste stralen der ondergaande zon staakten zij den ruwen arbeid, dien zij zichzelven hadden opgelegd.Na eenige oogenblikken van rust, stond Edelhart op en zadelde zijn paard.»Kom, broeder,” zeide hij tot Goedsmoeds, »laat ons nu het spoor van den Arendskop volgen.”»Laat ons gaan,” antwoordde de jager.De twee mannen wierpen een langen en treurigen blik tot afscheid om zich heen, en hunne honden fluitende, drongen zij onverschrokken door in het bosch, waarin de Comanchen verdwenen waren.Juist op dit zelfde oogenblik kwam de maan, in een oceaan van dampen gehuld, op, en verspreidde hare droefgeestige stralen over het Amerikaansche dorp, waarin voortaan de eenzaamheid en de dood heerschten.
[Inhoud]IX.DE SCHIM.Het was ongeveer acht ure in den morgen: een vroolijke herfstzon bescheen de prairie. De vogels fladderden rond en zongen; nu en dan stak een hert zijn kop boven het hooge gras uit, en verdween huppelend in de verte.Twee ruiters, gekleed als woudloopers, volgden, op prachtige, half wilde paarden gezeten, in galop den linker oever der Groote Canadeesche rivier, terwijl verscheidene zwarte speurhonden om hen heen dartelden en sprongen. Deze ruiters waren Edelhart en zijn vriend Goedsmoeds.In strijd met zijne gemoedstemming, scheen Edelhart zich aan de levendigste vreugde over te geven; zijn gelaat schitterde, en met innig welbehagen zag hij om zich heen. Soms bleef hij staan, en staarde in de verte, als het ware om aan den horizont een voorwerp te ontdekken, dat vooralsnog onzichtbaar was.»Ha, komaan!” zeide Goedsmoeds eindelijk lachend, »wij zullen er wel komen; wees maar gerust!”»Caramba! dat weet ik wel, maar ik zou er al willen zijn! De eenige oogenblikken van geluk, die God mij schenkt, geniet ik bij haar, naar wie wij ons nu begeven! Moeder! lieve moeder! die voor mij alles verlaten—zonder spijt, zonder wroeging verlaten hebt! O, wat is het zalig eene moeder te hebben! een hart te bezitten, dat het uwe begrijpt, dat zich zelve volkomen verloochent! dat om en door u leeft! dat zich verheugt in uwe blijdschap, treurt om uwe smarten! dat uw leven voor twee derden op zich neemt, voor zich zelve het zwaarste deel behoudende, het lichtste en gemakkelijkste aan u overlatende! O, Goedsmoeds! om goed te begrijpen wat het is, dat goddelijk samenstel van opoffering en liefde, dat men eene moeder noemt, moet men er, even als ik, lange jaren van beroofd zijn geweest, en vervolgens haar hebben teruggevonden, nog rijker in liefde en aanbiddelijker dan voorheen! Wat gaan wij langzaam, ieder oogenblik van oponthoud schijnt een kus mijner moeder, dien de tijd mij ontsteelt; zullen wij er dan nooit komen?”»Hier hebben wij de ondiepte.”»Ik weet niet waarom, maar een geheime vrees beklemt mij het hart, een onbeschrijfelijk voorgevoel doet mij ondanks mij zelven huiveren.”[65]»Verban die donkere gedachten, mijn vriend, binnen eenige oogenblikken zijn wij bij uwe moeder.”»Ja, niet waar? en toch, ik weet niet of ik het mis heb, maar ik zou zeggen dat het veld er niet zoo uitziet als anders; die stilte, die er om ons heerscht, die eenzaamheid die ons omringt schijnen mij niet zeer natuurlijk toe; wij zijn immers vlak bij het dorp, wij moesten de honden reeds hooren blaffen, en die tallooze geluiden vernemen, die een bewoonde plaats aankondigen.”»Inderdaad,” zeide Goedsmoeds een weinig bezorgd, »’t is wel stil in ’t rond.”De reizigers bevonden zich op een plek waar de rivier een vrij groote bocht maakte; hare oevers, bedekt met ontzaglijke rotsblokken en dicht kreupelhout, beletten hun ver voor zich uit te zien. Op het oogenblik dat de paarden in het water stapten, maakten zij eene forsche achterwaartsche beweging, en de speurhonden stieten een klagend gehuil uit, dat hun ras eigen, den dapperste ijzen doet.»Wat is dat!” mompelde Edelhart, terwijl hij zoo bleek werd als een doode, en een angstigen blik om zich heen sloeg.»Zie!” antwoordde Goedsmoeds, en met den vinger wees hij zijn makker verscheidene lijken die de rivier wegvoerde.»O,” riep Edelhart uit, »er is hier iets verschrikkelijks gebeurd. Mijne moeder! O mijne moeder!”»Maak u niet zoo beangst,” zeide Goedsmoeds, »zij bevindt zich zonder twijfel in veiligheid.”Onvatbaar voor de troostredenen, die zijn vriend hem voorhield, zonder dat hij er zelf aan geloofde, gaf Edelhart zijn paard de sporen en wierp zich in de golven. Weldra kwamen zij aan den anderen oever. Toen werd hun alles helder. Zij hadden voor zich het tooneel der meest volkomene verwoesting die men zich kan voorstellen. Het dorp en het fort waren niets meer dan een puinhoop. Een zwarte rook steeg in lange kronkelende wolken ten hemel. Midden in het dorp verhief zich een mast, waaraan menschenhanden waren vastgenageld, die de raven krassend elkander betwistten. Hier en daar lagen lijken, half verslonden door wilde dieren en roofvogels. Er was geen levend wezen zichtbaar. Niets was heel gebleven, alles was gebroken of verwoest. Men zag bij den eersten oogopslag, dat de Indianen daar geweest waren, met hun dorst naar bloed en hun ingekankerden haat tegen de blanken. Zij hadden een spoor van vuur en bloed achtergelaten.»O,” riep de jager zuchtend uit, »mijn voorgevoel was een waarschuwing des hemels. Mijne moeder! O mijne moeder!”Edelhart liet zich wanhopend op den grond vallen; hij bedekte zijn hoofd met beide handen en weende. De smart van dezen zwaarbeproefden man, wiens moed voor niets terugdeinsde en die nooit voor eenig gevaar beefde, was gelijk aan die van den leeuw: zij had iets schrikwekkends.[66]Goedsmoeds eerbiedigde de droefheid van zijn vriend; welken troost kon hij hem aanbieden? Het was beter zijne tranen te laten stroomen, en aan de eerste uitbarsting der wanhoop den tijd te laten om tot bedaren te komen; hij was toch overtuigd dat deze man van ijzer zich niet lang zou laten ter nederslaan, en dat er weldra eene terugwerking volgen zou, die hem tot handelen zou aansporen. Doch met het talent, den jagers ingeschapen, begon hij in alle richtingen rond te snuffelen, of hij ook eenig teeken vinden mocht, dat hun later in hunne nasporingen van dienst kon zijn.Na langen tijd om de puinhoopen rondgedwaald te hebben, werd zijne aandacht eensklaps op eenig nabijzijnd kreupelhout gevestigd, door een geblaf dat hij meende te herkennen. Hij naderde haastig; een speurhond, aan de zijnen gelijk, sprong vroolijk tegen zijne beenen op en overlaadde hem met liefkoozingen.»O, o!” zeide de jager, »wat beteekent dat, wie heeft den armen Frim daar vastgemaakt?” Hij sneed den band die het dier vasthield door, en bemerkte toen dat hij aan zijn hals een toegevouwen, en zorgvuldig bedekt papiertje droeg. Hij maakte er zich meester van, en liep naar Edelhart terug.»Broeder,” zeide hij, »heb goeden moed!”De jager wist, dat zijn vriend de man niet was die hem met alledaagsche troostredenen zou lastig vallen; hij hief zijn in tranen badend gelaat tot hem op.De hond, zich vrij voelende, had het op een loopen gezet, en ontvluchtte met onbegrijpelijke snelheid en onder een luid geblaf.Goedsmoeds, die hierop bedacht geweest was; had zich gehaast, zijn das om den nek van het dier te binden.»Men weet nooit wat er gebeuren kan!” mompelde de Canadees, toen hij den hond verdwijnen zag. En na deze wijsgeerige overweging was hij zijn vriend gaan opzoeken.»Wat is er?” vroeg Edelhart.»Lees!” antwoordde Goedsmoeds.De jager nam het papier en doorliep het met gretige blikken.Het bevatte slechts deze woorden:»Wij zijn door de Roodhuiden gevangen genomen. Heb goeden moed!.… Er is niets kwaads bejegend aan uwe moeder.”»Geloofd zij God!!…” riep Edelhart, het papier dat hij in zijne hand hield in vervoering kussende, »mijne moeder leeft!.… O, ik zal haar wel vinden.”»Dat zult gij zeker!.…” voegde Goedsmoeds er bij.Er had een volkomen omkeering in de ziel des jagers plaats gegrepen; hij had zich in zijn volle lengte opgericht; op zijn voorhoofd blonk een glans van vergenoegen.»Laten wij terstond een begin maken met onze nasporingen,” zeide hij: »misschien is een der ongelukkige inwoners aan den dood ontsnapt; van hem zullen wij vernemen, wat er is voorgevallen.”[67]»Goed,” zeide Goedsmoeds met innige blijdschap, »ja, laat ons zoeken.”De honden krabden ijverig in de puinhoopen van het fort.»Laat ons daar beginnen,” zeide Edelhart.Beiden ruimden het puin weg. Zij werkten met een ijver waarvan zij zelven geen begrip hadden. Na twintig minuten ongeveer vonden zij een soort van beverval. Daaronder hoorden zij een zwak en onbestemd geluid.»Daar zijn zij!” zeide Goedsmoeds.»God geve, dat wij vroeg genoeg gekomen zijn om hen te redden!”Na lange en ongehoorde moeite gelukte het hun eindelijk om den val op te lichten. Een vreeselijk schouwspel vertoonde zich aan hunne blikken. In een kelder, waaruit een verpestende rotlucht omhoog steeg, waren twintig personen letterlijk op elkander gestapeld. De jagers konden eene beweging van afgrijzen niet weêrhouden, en traden onwillekeurig achteruit. Maar oogenblikkelijk kwamen zij terug, om, zoo het niet reeds te laat ware, nog eenigen dier ongelukkigen te redden. Van al deze menschen gaf slechts een enkele nog eenig teeken van leven; de anderen waren dood. Zij trokken hem uit het onderaardsche gewelf, legden hem zachtkens op een hoop drooge bladeren, en gaven hem al de hulp, die hij noodig had. De honden lekten de handen en het gelaat van den gewonde. Na eenige minuten maakte deze man een lichte beweging, opende de oogen herhaalde malen, en zuchtte diep. Goedsmoeds stopte tusschen zijn op elkander gesloten tanden den hals van eene volle rumflesch, en dwong hem eenige droppels te drinken.»Hij is er slecht aan toe,” zeide de jager.»Hij is verloren,” antwoordde Edelhart, het hoofd schuddende.De gewonde had echter zijne krachten weder eenigszins bijeen verzameld.»O God!” zeide hij met een zwakke en gebrokene stem, »ik ga sterven.”»Heb goeden moed,” zeide Goedsmoeds zachtjes tot hem.Een vluchtig rood kleurde de bleeke wangen van den gewonde, een treurige glimlach plooide zijne lippen.»Waarom zou ik leven?” antwoordde hij: »de Indianen hebben al mijne makkers vermoord, het leven zou een te zware last voor mij zijn.”»Zoo gij vóór uwen dood ons iets wenscht op te dragen, spreek, en op ons jagerswoord, als het geschieden kan, zullen wij het volbrengen.”De oogen van den stervende werden door een doffen glans verlevendigd.»Uwe flesch?” zeide hij tot Goedsmoeds.Deze gaf ze hem. De stervende dronk gulzig. Op zijn voorhoofd parelde het koude zweet, en een koortsachtige gloed verhoogde de kleur van zijn gelaat, dat een ontzettende uitdrukking aannam.[68]»Luistert,” zeide hij: »ik ben hier kommandant geweest; de Indianen, bijgestaan door een ellendigen mesties, die ons aan hen verkocht heeft, hebben het dorp overvallen.”»De naam van dien man?” zeide de jager levendig.»Hij is dood!… ik heb hem gedood!” antwoordde de kapitein op een toon, die zoowel haat als vreugde te kennen gaf. »De Indianen hebben zich meester willen maken van het fort; de strijd is vreeselijk geweest; wij stonden met ons twaalven tegenover vierhonderd wilden; wat konden wij doen? dan tot het laatste vechten. Hiertoe werd besloten. De Indianen, de onmogelijkheid inziende om ons levend in handen te krijgen, hebben de bewoners van het dorp, na hen gescalpeerd en de handen afgehouwen te hebben, in het fort geworpen, en het vervolgens in brand gestoken.”De gewonde, wiens stem hoe langer hoe zwakker en onverstaanbaarder werd, dronk eenige droppels rum, en ging toen weder voort met zijn verhaal, waarnaar de jagers gretig luisterden.»Onder de grachten van het fort strekte zich een gewelf uit, dat tot kelder diende; toen ik bemerkte, dat elke kans op lijfsbehoud verloren was, en dat wij met geen mogelijkheid konden ontvluchten, deed ik mijne ongelukkige kameraden in dien kelder afdalen, hopende dat God ons misschien de gelegenheid zou schenken, om op deze wijze te ontkomen. Eenige oogenblikken later stortte het fort boven onze hoofden in. Niemand kan zich de martelingen voorstellen, die wij in dien verpesten kolk, zonder licht en lucht, hebben uitgestaan. De kreten der gewonden, en dat waren wij allen meer of min, het geroep om water, het gerochel der stervenden, dit alles vormde een concert, dat geen woorden in staat zijn weêr te geven. Ons reeds ondragelijk lijden nam door het gebrek aan lucht gedurig in hevigheid toe; een dolle waanzinnigheid overmeesterde ons, wij raasden tegen elkander, en in de duisternis onder de puinhoopen begon een afgrijselijk gevecht, dat slechts met den dood van al de strijders eindigen kon. Hoe lang het duurde zou ik niet kunnen zeggen. Reeds gevoelde ik dat de dood die al mijne kameraden had aangegrepen, zich ook van mij meester ging maken, toen gij kwaamt om hem nog eenige minuten tegen te houden. God zij geloofd! ik zal niet ongewroken sterven.”Na deze woorden bijna onverstaanbaar te hebben uitgesproken, heerschte er een sombere stilte onder de drie mannen, een stilte alleen afgebroken door het gerochel van den stervende, wiens doodstrijd een aanvang nam.Eensklaps richtte de kapitein zich met geweld op, en een wraakzuchtigen blik op de jagers slaande, zeide hij:»De wilden, die mij hebben aangevallen, behooren tot den stam der Comanchen; hun opperhoofd noemt zich de Arendskop; zweert mij dat gij als dappere en edele jagers mijn dood zult wreken.”»Wij zweren het!” riepen de beide mannen tegelijkertijd uit.[69]»Ik dank u!” prevelde de kapitein, en achterover vallende, bleef hij onbewegelijk liggen.—Hij was dood.Zijn verwrongen trekken en geopende oogen behielden nog de uitdrukking van haat en wanhoop, die hem in zijn laatste oogenblik hadden bezield. De jagers staarden hem een poos aan; daarna dien akeligen indruk van zich willende onttrekken, maakten zij zich gereed om aan de ongelukkige slachtoffers van de woede der Indianen de laatste eer te bewijzen. Bij de laatste stralen der ondergaande zon staakten zij den ruwen arbeid, dien zij zichzelven hadden opgelegd.Na eenige oogenblikken van rust, stond Edelhart op en zadelde zijn paard.»Kom, broeder,” zeide hij tot Goedsmoeds, »laat ons nu het spoor van den Arendskop volgen.”»Laat ons gaan,” antwoordde de jager.De twee mannen wierpen een langen en treurigen blik tot afscheid om zich heen, en hunne honden fluitende, drongen zij onverschrokken door in het bosch, waarin de Comanchen verdwenen waren.Juist op dit zelfde oogenblik kwam de maan, in een oceaan van dampen gehuld, op, en verspreidde hare droefgeestige stralen over het Amerikaansche dorp, waarin voortaan de eenzaamheid en de dood heerschten.
IX.DE SCHIM.
Het was ongeveer acht ure in den morgen: een vroolijke herfstzon bescheen de prairie. De vogels fladderden rond en zongen; nu en dan stak een hert zijn kop boven het hooge gras uit, en verdween huppelend in de verte.Twee ruiters, gekleed als woudloopers, volgden, op prachtige, half wilde paarden gezeten, in galop den linker oever der Groote Canadeesche rivier, terwijl verscheidene zwarte speurhonden om hen heen dartelden en sprongen. Deze ruiters waren Edelhart en zijn vriend Goedsmoeds.In strijd met zijne gemoedstemming, scheen Edelhart zich aan de levendigste vreugde over te geven; zijn gelaat schitterde, en met innig welbehagen zag hij om zich heen. Soms bleef hij staan, en staarde in de verte, als het ware om aan den horizont een voorwerp te ontdekken, dat vooralsnog onzichtbaar was.»Ha, komaan!” zeide Goedsmoeds eindelijk lachend, »wij zullen er wel komen; wees maar gerust!”»Caramba! dat weet ik wel, maar ik zou er al willen zijn! De eenige oogenblikken van geluk, die God mij schenkt, geniet ik bij haar, naar wie wij ons nu begeven! Moeder! lieve moeder! die voor mij alles verlaten—zonder spijt, zonder wroeging verlaten hebt! O, wat is het zalig eene moeder te hebben! een hart te bezitten, dat het uwe begrijpt, dat zich zelve volkomen verloochent! dat om en door u leeft! dat zich verheugt in uwe blijdschap, treurt om uwe smarten! dat uw leven voor twee derden op zich neemt, voor zich zelve het zwaarste deel behoudende, het lichtste en gemakkelijkste aan u overlatende! O, Goedsmoeds! om goed te begrijpen wat het is, dat goddelijk samenstel van opoffering en liefde, dat men eene moeder noemt, moet men er, even als ik, lange jaren van beroofd zijn geweest, en vervolgens haar hebben teruggevonden, nog rijker in liefde en aanbiddelijker dan voorheen! Wat gaan wij langzaam, ieder oogenblik van oponthoud schijnt een kus mijner moeder, dien de tijd mij ontsteelt; zullen wij er dan nooit komen?”»Hier hebben wij de ondiepte.”»Ik weet niet waarom, maar een geheime vrees beklemt mij het hart, een onbeschrijfelijk voorgevoel doet mij ondanks mij zelven huiveren.”[65]»Verban die donkere gedachten, mijn vriend, binnen eenige oogenblikken zijn wij bij uwe moeder.”»Ja, niet waar? en toch, ik weet niet of ik het mis heb, maar ik zou zeggen dat het veld er niet zoo uitziet als anders; die stilte, die er om ons heerscht, die eenzaamheid die ons omringt schijnen mij niet zeer natuurlijk toe; wij zijn immers vlak bij het dorp, wij moesten de honden reeds hooren blaffen, en die tallooze geluiden vernemen, die een bewoonde plaats aankondigen.”»Inderdaad,” zeide Goedsmoeds een weinig bezorgd, »’t is wel stil in ’t rond.”De reizigers bevonden zich op een plek waar de rivier een vrij groote bocht maakte; hare oevers, bedekt met ontzaglijke rotsblokken en dicht kreupelhout, beletten hun ver voor zich uit te zien. Op het oogenblik dat de paarden in het water stapten, maakten zij eene forsche achterwaartsche beweging, en de speurhonden stieten een klagend gehuil uit, dat hun ras eigen, den dapperste ijzen doet.»Wat is dat!” mompelde Edelhart, terwijl hij zoo bleek werd als een doode, en een angstigen blik om zich heen sloeg.»Zie!” antwoordde Goedsmoeds, en met den vinger wees hij zijn makker verscheidene lijken die de rivier wegvoerde.»O,” riep Edelhart uit, »er is hier iets verschrikkelijks gebeurd. Mijne moeder! O mijne moeder!”»Maak u niet zoo beangst,” zeide Goedsmoeds, »zij bevindt zich zonder twijfel in veiligheid.”Onvatbaar voor de troostredenen, die zijn vriend hem voorhield, zonder dat hij er zelf aan geloofde, gaf Edelhart zijn paard de sporen en wierp zich in de golven. Weldra kwamen zij aan den anderen oever. Toen werd hun alles helder. Zij hadden voor zich het tooneel der meest volkomene verwoesting die men zich kan voorstellen. Het dorp en het fort waren niets meer dan een puinhoop. Een zwarte rook steeg in lange kronkelende wolken ten hemel. Midden in het dorp verhief zich een mast, waaraan menschenhanden waren vastgenageld, die de raven krassend elkander betwistten. Hier en daar lagen lijken, half verslonden door wilde dieren en roofvogels. Er was geen levend wezen zichtbaar. Niets was heel gebleven, alles was gebroken of verwoest. Men zag bij den eersten oogopslag, dat de Indianen daar geweest waren, met hun dorst naar bloed en hun ingekankerden haat tegen de blanken. Zij hadden een spoor van vuur en bloed achtergelaten.»O,” riep de jager zuchtend uit, »mijn voorgevoel was een waarschuwing des hemels. Mijne moeder! O mijne moeder!”Edelhart liet zich wanhopend op den grond vallen; hij bedekte zijn hoofd met beide handen en weende. De smart van dezen zwaarbeproefden man, wiens moed voor niets terugdeinsde en die nooit voor eenig gevaar beefde, was gelijk aan die van den leeuw: zij had iets schrikwekkends.[66]Goedsmoeds eerbiedigde de droefheid van zijn vriend; welken troost kon hij hem aanbieden? Het was beter zijne tranen te laten stroomen, en aan de eerste uitbarsting der wanhoop den tijd te laten om tot bedaren te komen; hij was toch overtuigd dat deze man van ijzer zich niet lang zou laten ter nederslaan, en dat er weldra eene terugwerking volgen zou, die hem tot handelen zou aansporen. Doch met het talent, den jagers ingeschapen, begon hij in alle richtingen rond te snuffelen, of hij ook eenig teeken vinden mocht, dat hun later in hunne nasporingen van dienst kon zijn.Na langen tijd om de puinhoopen rondgedwaald te hebben, werd zijne aandacht eensklaps op eenig nabijzijnd kreupelhout gevestigd, door een geblaf dat hij meende te herkennen. Hij naderde haastig; een speurhond, aan de zijnen gelijk, sprong vroolijk tegen zijne beenen op en overlaadde hem met liefkoozingen.»O, o!” zeide de jager, »wat beteekent dat, wie heeft den armen Frim daar vastgemaakt?” Hij sneed den band die het dier vasthield door, en bemerkte toen dat hij aan zijn hals een toegevouwen, en zorgvuldig bedekt papiertje droeg. Hij maakte er zich meester van, en liep naar Edelhart terug.»Broeder,” zeide hij, »heb goeden moed!”De jager wist, dat zijn vriend de man niet was die hem met alledaagsche troostredenen zou lastig vallen; hij hief zijn in tranen badend gelaat tot hem op.De hond, zich vrij voelende, had het op een loopen gezet, en ontvluchtte met onbegrijpelijke snelheid en onder een luid geblaf.Goedsmoeds, die hierop bedacht geweest was; had zich gehaast, zijn das om den nek van het dier te binden.»Men weet nooit wat er gebeuren kan!” mompelde de Canadees, toen hij den hond verdwijnen zag. En na deze wijsgeerige overweging was hij zijn vriend gaan opzoeken.»Wat is er?” vroeg Edelhart.»Lees!” antwoordde Goedsmoeds.De jager nam het papier en doorliep het met gretige blikken.Het bevatte slechts deze woorden:»Wij zijn door de Roodhuiden gevangen genomen. Heb goeden moed!.… Er is niets kwaads bejegend aan uwe moeder.”»Geloofd zij God!!…” riep Edelhart, het papier dat hij in zijne hand hield in vervoering kussende, »mijne moeder leeft!.… O, ik zal haar wel vinden.”»Dat zult gij zeker!.…” voegde Goedsmoeds er bij.Er had een volkomen omkeering in de ziel des jagers plaats gegrepen; hij had zich in zijn volle lengte opgericht; op zijn voorhoofd blonk een glans van vergenoegen.»Laten wij terstond een begin maken met onze nasporingen,” zeide hij: »misschien is een der ongelukkige inwoners aan den dood ontsnapt; van hem zullen wij vernemen, wat er is voorgevallen.”[67]»Goed,” zeide Goedsmoeds met innige blijdschap, »ja, laat ons zoeken.”De honden krabden ijverig in de puinhoopen van het fort.»Laat ons daar beginnen,” zeide Edelhart.Beiden ruimden het puin weg. Zij werkten met een ijver waarvan zij zelven geen begrip hadden. Na twintig minuten ongeveer vonden zij een soort van beverval. Daaronder hoorden zij een zwak en onbestemd geluid.»Daar zijn zij!” zeide Goedsmoeds.»God geve, dat wij vroeg genoeg gekomen zijn om hen te redden!”Na lange en ongehoorde moeite gelukte het hun eindelijk om den val op te lichten. Een vreeselijk schouwspel vertoonde zich aan hunne blikken. In een kelder, waaruit een verpestende rotlucht omhoog steeg, waren twintig personen letterlijk op elkander gestapeld. De jagers konden eene beweging van afgrijzen niet weêrhouden, en traden onwillekeurig achteruit. Maar oogenblikkelijk kwamen zij terug, om, zoo het niet reeds te laat ware, nog eenigen dier ongelukkigen te redden. Van al deze menschen gaf slechts een enkele nog eenig teeken van leven; de anderen waren dood. Zij trokken hem uit het onderaardsche gewelf, legden hem zachtkens op een hoop drooge bladeren, en gaven hem al de hulp, die hij noodig had. De honden lekten de handen en het gelaat van den gewonde. Na eenige minuten maakte deze man een lichte beweging, opende de oogen herhaalde malen, en zuchtte diep. Goedsmoeds stopte tusschen zijn op elkander gesloten tanden den hals van eene volle rumflesch, en dwong hem eenige droppels te drinken.»Hij is er slecht aan toe,” zeide de jager.»Hij is verloren,” antwoordde Edelhart, het hoofd schuddende.De gewonde had echter zijne krachten weder eenigszins bijeen verzameld.»O God!” zeide hij met een zwakke en gebrokene stem, »ik ga sterven.”»Heb goeden moed,” zeide Goedsmoeds zachtjes tot hem.Een vluchtig rood kleurde de bleeke wangen van den gewonde, een treurige glimlach plooide zijne lippen.»Waarom zou ik leven?” antwoordde hij: »de Indianen hebben al mijne makkers vermoord, het leven zou een te zware last voor mij zijn.”»Zoo gij vóór uwen dood ons iets wenscht op te dragen, spreek, en op ons jagerswoord, als het geschieden kan, zullen wij het volbrengen.”De oogen van den stervende werden door een doffen glans verlevendigd.»Uwe flesch?” zeide hij tot Goedsmoeds.Deze gaf ze hem. De stervende dronk gulzig. Op zijn voorhoofd parelde het koude zweet, en een koortsachtige gloed verhoogde de kleur van zijn gelaat, dat een ontzettende uitdrukking aannam.[68]»Luistert,” zeide hij: »ik ben hier kommandant geweest; de Indianen, bijgestaan door een ellendigen mesties, die ons aan hen verkocht heeft, hebben het dorp overvallen.”»De naam van dien man?” zeide de jager levendig.»Hij is dood!… ik heb hem gedood!” antwoordde de kapitein op een toon, die zoowel haat als vreugde te kennen gaf. »De Indianen hebben zich meester willen maken van het fort; de strijd is vreeselijk geweest; wij stonden met ons twaalven tegenover vierhonderd wilden; wat konden wij doen? dan tot het laatste vechten. Hiertoe werd besloten. De Indianen, de onmogelijkheid inziende om ons levend in handen te krijgen, hebben de bewoners van het dorp, na hen gescalpeerd en de handen afgehouwen te hebben, in het fort geworpen, en het vervolgens in brand gestoken.”De gewonde, wiens stem hoe langer hoe zwakker en onverstaanbaarder werd, dronk eenige droppels rum, en ging toen weder voort met zijn verhaal, waarnaar de jagers gretig luisterden.»Onder de grachten van het fort strekte zich een gewelf uit, dat tot kelder diende; toen ik bemerkte, dat elke kans op lijfsbehoud verloren was, en dat wij met geen mogelijkheid konden ontvluchten, deed ik mijne ongelukkige kameraden in dien kelder afdalen, hopende dat God ons misschien de gelegenheid zou schenken, om op deze wijze te ontkomen. Eenige oogenblikken later stortte het fort boven onze hoofden in. Niemand kan zich de martelingen voorstellen, die wij in dien verpesten kolk, zonder licht en lucht, hebben uitgestaan. De kreten der gewonden, en dat waren wij allen meer of min, het geroep om water, het gerochel der stervenden, dit alles vormde een concert, dat geen woorden in staat zijn weêr te geven. Ons reeds ondragelijk lijden nam door het gebrek aan lucht gedurig in hevigheid toe; een dolle waanzinnigheid overmeesterde ons, wij raasden tegen elkander, en in de duisternis onder de puinhoopen begon een afgrijselijk gevecht, dat slechts met den dood van al de strijders eindigen kon. Hoe lang het duurde zou ik niet kunnen zeggen. Reeds gevoelde ik dat de dood die al mijne kameraden had aangegrepen, zich ook van mij meester ging maken, toen gij kwaamt om hem nog eenige minuten tegen te houden. God zij geloofd! ik zal niet ongewroken sterven.”Na deze woorden bijna onverstaanbaar te hebben uitgesproken, heerschte er een sombere stilte onder de drie mannen, een stilte alleen afgebroken door het gerochel van den stervende, wiens doodstrijd een aanvang nam.Eensklaps richtte de kapitein zich met geweld op, en een wraakzuchtigen blik op de jagers slaande, zeide hij:»De wilden, die mij hebben aangevallen, behooren tot den stam der Comanchen; hun opperhoofd noemt zich de Arendskop; zweert mij dat gij als dappere en edele jagers mijn dood zult wreken.”»Wij zweren het!” riepen de beide mannen tegelijkertijd uit.[69]»Ik dank u!” prevelde de kapitein, en achterover vallende, bleef hij onbewegelijk liggen.—Hij was dood.Zijn verwrongen trekken en geopende oogen behielden nog de uitdrukking van haat en wanhoop, die hem in zijn laatste oogenblik hadden bezield. De jagers staarden hem een poos aan; daarna dien akeligen indruk van zich willende onttrekken, maakten zij zich gereed om aan de ongelukkige slachtoffers van de woede der Indianen de laatste eer te bewijzen. Bij de laatste stralen der ondergaande zon staakten zij den ruwen arbeid, dien zij zichzelven hadden opgelegd.Na eenige oogenblikken van rust, stond Edelhart op en zadelde zijn paard.»Kom, broeder,” zeide hij tot Goedsmoeds, »laat ons nu het spoor van den Arendskop volgen.”»Laat ons gaan,” antwoordde de jager.De twee mannen wierpen een langen en treurigen blik tot afscheid om zich heen, en hunne honden fluitende, drongen zij onverschrokken door in het bosch, waarin de Comanchen verdwenen waren.Juist op dit zelfde oogenblik kwam de maan, in een oceaan van dampen gehuld, op, en verspreidde hare droefgeestige stralen over het Amerikaansche dorp, waarin voortaan de eenzaamheid en de dood heerschten.
Het was ongeveer acht ure in den morgen: een vroolijke herfstzon bescheen de prairie. De vogels fladderden rond en zongen; nu en dan stak een hert zijn kop boven het hooge gras uit, en verdween huppelend in de verte.
Twee ruiters, gekleed als woudloopers, volgden, op prachtige, half wilde paarden gezeten, in galop den linker oever der Groote Canadeesche rivier, terwijl verscheidene zwarte speurhonden om hen heen dartelden en sprongen. Deze ruiters waren Edelhart en zijn vriend Goedsmoeds.
In strijd met zijne gemoedstemming, scheen Edelhart zich aan de levendigste vreugde over te geven; zijn gelaat schitterde, en met innig welbehagen zag hij om zich heen. Soms bleef hij staan, en staarde in de verte, als het ware om aan den horizont een voorwerp te ontdekken, dat vooralsnog onzichtbaar was.
»Ha, komaan!” zeide Goedsmoeds eindelijk lachend, »wij zullen er wel komen; wees maar gerust!”
»Caramba! dat weet ik wel, maar ik zou er al willen zijn! De eenige oogenblikken van geluk, die God mij schenkt, geniet ik bij haar, naar wie wij ons nu begeven! Moeder! lieve moeder! die voor mij alles verlaten—zonder spijt, zonder wroeging verlaten hebt! O, wat is het zalig eene moeder te hebben! een hart te bezitten, dat het uwe begrijpt, dat zich zelve volkomen verloochent! dat om en door u leeft! dat zich verheugt in uwe blijdschap, treurt om uwe smarten! dat uw leven voor twee derden op zich neemt, voor zich zelve het zwaarste deel behoudende, het lichtste en gemakkelijkste aan u overlatende! O, Goedsmoeds! om goed te begrijpen wat het is, dat goddelijk samenstel van opoffering en liefde, dat men eene moeder noemt, moet men er, even als ik, lange jaren van beroofd zijn geweest, en vervolgens haar hebben teruggevonden, nog rijker in liefde en aanbiddelijker dan voorheen! Wat gaan wij langzaam, ieder oogenblik van oponthoud schijnt een kus mijner moeder, dien de tijd mij ontsteelt; zullen wij er dan nooit komen?”
»Hier hebben wij de ondiepte.”
»Ik weet niet waarom, maar een geheime vrees beklemt mij het hart, een onbeschrijfelijk voorgevoel doet mij ondanks mij zelven huiveren.”[65]
»Verban die donkere gedachten, mijn vriend, binnen eenige oogenblikken zijn wij bij uwe moeder.”
»Ja, niet waar? en toch, ik weet niet of ik het mis heb, maar ik zou zeggen dat het veld er niet zoo uitziet als anders; die stilte, die er om ons heerscht, die eenzaamheid die ons omringt schijnen mij niet zeer natuurlijk toe; wij zijn immers vlak bij het dorp, wij moesten de honden reeds hooren blaffen, en die tallooze geluiden vernemen, die een bewoonde plaats aankondigen.”
»Inderdaad,” zeide Goedsmoeds een weinig bezorgd, »’t is wel stil in ’t rond.”
De reizigers bevonden zich op een plek waar de rivier een vrij groote bocht maakte; hare oevers, bedekt met ontzaglijke rotsblokken en dicht kreupelhout, beletten hun ver voor zich uit te zien. Op het oogenblik dat de paarden in het water stapten, maakten zij eene forsche achterwaartsche beweging, en de speurhonden stieten een klagend gehuil uit, dat hun ras eigen, den dapperste ijzen doet.
»Wat is dat!” mompelde Edelhart, terwijl hij zoo bleek werd als een doode, en een angstigen blik om zich heen sloeg.
»Zie!” antwoordde Goedsmoeds, en met den vinger wees hij zijn makker verscheidene lijken die de rivier wegvoerde.
»O,” riep Edelhart uit, »er is hier iets verschrikkelijks gebeurd. Mijne moeder! O mijne moeder!”
»Maak u niet zoo beangst,” zeide Goedsmoeds, »zij bevindt zich zonder twijfel in veiligheid.”
Onvatbaar voor de troostredenen, die zijn vriend hem voorhield, zonder dat hij er zelf aan geloofde, gaf Edelhart zijn paard de sporen en wierp zich in de golven. Weldra kwamen zij aan den anderen oever. Toen werd hun alles helder. Zij hadden voor zich het tooneel der meest volkomene verwoesting die men zich kan voorstellen. Het dorp en het fort waren niets meer dan een puinhoop. Een zwarte rook steeg in lange kronkelende wolken ten hemel. Midden in het dorp verhief zich een mast, waaraan menschenhanden waren vastgenageld, die de raven krassend elkander betwistten. Hier en daar lagen lijken, half verslonden door wilde dieren en roofvogels. Er was geen levend wezen zichtbaar. Niets was heel gebleven, alles was gebroken of verwoest. Men zag bij den eersten oogopslag, dat de Indianen daar geweest waren, met hun dorst naar bloed en hun ingekankerden haat tegen de blanken. Zij hadden een spoor van vuur en bloed achtergelaten.
»O,” riep de jager zuchtend uit, »mijn voorgevoel was een waarschuwing des hemels. Mijne moeder! O mijne moeder!”
Edelhart liet zich wanhopend op den grond vallen; hij bedekte zijn hoofd met beide handen en weende. De smart van dezen zwaarbeproefden man, wiens moed voor niets terugdeinsde en die nooit voor eenig gevaar beefde, was gelijk aan die van den leeuw: zij had iets schrikwekkends.[66]
Goedsmoeds eerbiedigde de droefheid van zijn vriend; welken troost kon hij hem aanbieden? Het was beter zijne tranen te laten stroomen, en aan de eerste uitbarsting der wanhoop den tijd te laten om tot bedaren te komen; hij was toch overtuigd dat deze man van ijzer zich niet lang zou laten ter nederslaan, en dat er weldra eene terugwerking volgen zou, die hem tot handelen zou aansporen. Doch met het talent, den jagers ingeschapen, begon hij in alle richtingen rond te snuffelen, of hij ook eenig teeken vinden mocht, dat hun later in hunne nasporingen van dienst kon zijn.
Na langen tijd om de puinhoopen rondgedwaald te hebben, werd zijne aandacht eensklaps op eenig nabijzijnd kreupelhout gevestigd, door een geblaf dat hij meende te herkennen. Hij naderde haastig; een speurhond, aan de zijnen gelijk, sprong vroolijk tegen zijne beenen op en overlaadde hem met liefkoozingen.
»O, o!” zeide de jager, »wat beteekent dat, wie heeft den armen Frim daar vastgemaakt?” Hij sneed den band die het dier vasthield door, en bemerkte toen dat hij aan zijn hals een toegevouwen, en zorgvuldig bedekt papiertje droeg. Hij maakte er zich meester van, en liep naar Edelhart terug.
»Broeder,” zeide hij, »heb goeden moed!”
De jager wist, dat zijn vriend de man niet was die hem met alledaagsche troostredenen zou lastig vallen; hij hief zijn in tranen badend gelaat tot hem op.
De hond, zich vrij voelende, had het op een loopen gezet, en ontvluchtte met onbegrijpelijke snelheid en onder een luid geblaf.
Goedsmoeds, die hierop bedacht geweest was; had zich gehaast, zijn das om den nek van het dier te binden.
»Men weet nooit wat er gebeuren kan!” mompelde de Canadees, toen hij den hond verdwijnen zag. En na deze wijsgeerige overweging was hij zijn vriend gaan opzoeken.
»Wat is er?” vroeg Edelhart.
»Lees!” antwoordde Goedsmoeds.
De jager nam het papier en doorliep het met gretige blikken.
Het bevatte slechts deze woorden:
»Wij zijn door de Roodhuiden gevangen genomen. Heb goeden moed!.… Er is niets kwaads bejegend aan uwe moeder.”
»Geloofd zij God!!…” riep Edelhart, het papier dat hij in zijne hand hield in vervoering kussende, »mijne moeder leeft!.… O, ik zal haar wel vinden.”
»Dat zult gij zeker!.…” voegde Goedsmoeds er bij.
Er had een volkomen omkeering in de ziel des jagers plaats gegrepen; hij had zich in zijn volle lengte opgericht; op zijn voorhoofd blonk een glans van vergenoegen.
»Laten wij terstond een begin maken met onze nasporingen,” zeide hij: »misschien is een der ongelukkige inwoners aan den dood ontsnapt; van hem zullen wij vernemen, wat er is voorgevallen.”[67]
»Goed,” zeide Goedsmoeds met innige blijdschap, »ja, laat ons zoeken.”
De honden krabden ijverig in de puinhoopen van het fort.
»Laat ons daar beginnen,” zeide Edelhart.
Beiden ruimden het puin weg. Zij werkten met een ijver waarvan zij zelven geen begrip hadden. Na twintig minuten ongeveer vonden zij een soort van beverval. Daaronder hoorden zij een zwak en onbestemd geluid.
»Daar zijn zij!” zeide Goedsmoeds.
»God geve, dat wij vroeg genoeg gekomen zijn om hen te redden!”
Na lange en ongehoorde moeite gelukte het hun eindelijk om den val op te lichten. Een vreeselijk schouwspel vertoonde zich aan hunne blikken. In een kelder, waaruit een verpestende rotlucht omhoog steeg, waren twintig personen letterlijk op elkander gestapeld. De jagers konden eene beweging van afgrijzen niet weêrhouden, en traden onwillekeurig achteruit. Maar oogenblikkelijk kwamen zij terug, om, zoo het niet reeds te laat ware, nog eenigen dier ongelukkigen te redden. Van al deze menschen gaf slechts een enkele nog eenig teeken van leven; de anderen waren dood. Zij trokken hem uit het onderaardsche gewelf, legden hem zachtkens op een hoop drooge bladeren, en gaven hem al de hulp, die hij noodig had. De honden lekten de handen en het gelaat van den gewonde. Na eenige minuten maakte deze man een lichte beweging, opende de oogen herhaalde malen, en zuchtte diep. Goedsmoeds stopte tusschen zijn op elkander gesloten tanden den hals van eene volle rumflesch, en dwong hem eenige droppels te drinken.
»Hij is er slecht aan toe,” zeide de jager.
»Hij is verloren,” antwoordde Edelhart, het hoofd schuddende.
De gewonde had echter zijne krachten weder eenigszins bijeen verzameld.
»O God!” zeide hij met een zwakke en gebrokene stem, »ik ga sterven.”
»Heb goeden moed,” zeide Goedsmoeds zachtjes tot hem.
Een vluchtig rood kleurde de bleeke wangen van den gewonde, een treurige glimlach plooide zijne lippen.
»Waarom zou ik leven?” antwoordde hij: »de Indianen hebben al mijne makkers vermoord, het leven zou een te zware last voor mij zijn.”
»Zoo gij vóór uwen dood ons iets wenscht op te dragen, spreek, en op ons jagerswoord, als het geschieden kan, zullen wij het volbrengen.”
De oogen van den stervende werden door een doffen glans verlevendigd.
»Uwe flesch?” zeide hij tot Goedsmoeds.
Deze gaf ze hem. De stervende dronk gulzig. Op zijn voorhoofd parelde het koude zweet, en een koortsachtige gloed verhoogde de kleur van zijn gelaat, dat een ontzettende uitdrukking aannam.[68]
»Luistert,” zeide hij: »ik ben hier kommandant geweest; de Indianen, bijgestaan door een ellendigen mesties, die ons aan hen verkocht heeft, hebben het dorp overvallen.”
»De naam van dien man?” zeide de jager levendig.
»Hij is dood!… ik heb hem gedood!” antwoordde de kapitein op een toon, die zoowel haat als vreugde te kennen gaf. »De Indianen hebben zich meester willen maken van het fort; de strijd is vreeselijk geweest; wij stonden met ons twaalven tegenover vierhonderd wilden; wat konden wij doen? dan tot het laatste vechten. Hiertoe werd besloten. De Indianen, de onmogelijkheid inziende om ons levend in handen te krijgen, hebben de bewoners van het dorp, na hen gescalpeerd en de handen afgehouwen te hebben, in het fort geworpen, en het vervolgens in brand gestoken.”
De gewonde, wiens stem hoe langer hoe zwakker en onverstaanbaarder werd, dronk eenige droppels rum, en ging toen weder voort met zijn verhaal, waarnaar de jagers gretig luisterden.
»Onder de grachten van het fort strekte zich een gewelf uit, dat tot kelder diende; toen ik bemerkte, dat elke kans op lijfsbehoud verloren was, en dat wij met geen mogelijkheid konden ontvluchten, deed ik mijne ongelukkige kameraden in dien kelder afdalen, hopende dat God ons misschien de gelegenheid zou schenken, om op deze wijze te ontkomen. Eenige oogenblikken later stortte het fort boven onze hoofden in. Niemand kan zich de martelingen voorstellen, die wij in dien verpesten kolk, zonder licht en lucht, hebben uitgestaan. De kreten der gewonden, en dat waren wij allen meer of min, het geroep om water, het gerochel der stervenden, dit alles vormde een concert, dat geen woorden in staat zijn weêr te geven. Ons reeds ondragelijk lijden nam door het gebrek aan lucht gedurig in hevigheid toe; een dolle waanzinnigheid overmeesterde ons, wij raasden tegen elkander, en in de duisternis onder de puinhoopen begon een afgrijselijk gevecht, dat slechts met den dood van al de strijders eindigen kon. Hoe lang het duurde zou ik niet kunnen zeggen. Reeds gevoelde ik dat de dood die al mijne kameraden had aangegrepen, zich ook van mij meester ging maken, toen gij kwaamt om hem nog eenige minuten tegen te houden. God zij geloofd! ik zal niet ongewroken sterven.”
Na deze woorden bijna onverstaanbaar te hebben uitgesproken, heerschte er een sombere stilte onder de drie mannen, een stilte alleen afgebroken door het gerochel van den stervende, wiens doodstrijd een aanvang nam.
Eensklaps richtte de kapitein zich met geweld op, en een wraakzuchtigen blik op de jagers slaande, zeide hij:
»De wilden, die mij hebben aangevallen, behooren tot den stam der Comanchen; hun opperhoofd noemt zich de Arendskop; zweert mij dat gij als dappere en edele jagers mijn dood zult wreken.”
»Wij zweren het!” riepen de beide mannen tegelijkertijd uit.[69]
»Ik dank u!” prevelde de kapitein, en achterover vallende, bleef hij onbewegelijk liggen.—Hij was dood.
Zijn verwrongen trekken en geopende oogen behielden nog de uitdrukking van haat en wanhoop, die hem in zijn laatste oogenblik hadden bezield. De jagers staarden hem een poos aan; daarna dien akeligen indruk van zich willende onttrekken, maakten zij zich gereed om aan de ongelukkige slachtoffers van de woede der Indianen de laatste eer te bewijzen. Bij de laatste stralen der ondergaande zon staakten zij den ruwen arbeid, dien zij zichzelven hadden opgelegd.
Na eenige oogenblikken van rust, stond Edelhart op en zadelde zijn paard.
»Kom, broeder,” zeide hij tot Goedsmoeds, »laat ons nu het spoor van den Arendskop volgen.”
»Laat ons gaan,” antwoordde de jager.
De twee mannen wierpen een langen en treurigen blik tot afscheid om zich heen, en hunne honden fluitende, drongen zij onverschrokken door in het bosch, waarin de Comanchen verdwenen waren.
Juist op dit zelfde oogenblik kwam de maan, in een oceaan van dampen gehuld, op, en verspreidde hare droefgeestige stralen over het Amerikaansche dorp, waarin voortaan de eenzaamheid en de dood heerschten.