X.

[Inhoud]X.DE VERSCHANSING.Wij zullen de jagers het spoor der roodhuiden laten vervolgen, en tot den generaal terugkeeren.Eenige oogenblikken nadat de twee mannen het kamp der Mexicanen verlaten hadden, verliet de generaal de tent, en een onderzoekenden blik om zich heen slaande, begon hij met een bedrukt gelaat heen en weêr te loopen. De gebeurtenissen van dien nacht hadden een diepen indruk gemaakt op den ouden soldaat. Voor de eerste maal misschien sedert hij dezen tocht ondernomen had, zag hij hem in het ware daglicht; hij vroeg zich af of hij inderdaad wel het recht had, om aan dat leven vol gevaren en gedurige hinderlagen een meisje bloot te stellen, van den leeftijd zijner nicht, die tot nu toe kalm en rustighad voortgeleefd, en waarschijnlijk zich niet zou kunnen gewennen aan de onophoudelijke gevaren en inspanningen van het leven in de prairiën, die in korten tijd zelfs de meest geharde gestellen ondermijnen. Zijn verlegenheid was groot. Hij aanbad zijne nicht; zij was zijn eenige liefde, zijn eenige troost; voor haar zou hij duizendmaal, al wat hij bezat, zonder spijt[70]en wroeging hebben opgeofferd; maar van den anderen kant, de redenen die hem hadden aangespoord dezen hachelijken tocht te wagen, waren zóó belangrijk, dat hij rilde en ijsde op de gedachte van hem op te geven.»Wat moet ik doen?…” zeide hij; »wat moet ik doen?”DoñaLuz, die op hare beurt de tent verliet, bemerkte dat haar oom nog altijd op en neêr wandelde; zij liep naar hem toe, en de armen om zijn hals slaande, zeide zij:»Goeden morgen, lieve oom.”»Goeden morgen, mijn kind,” antwoordde de generaal.—»Wel, wel, wat zijt gij vroolijk van morgen.” En hij gaf de liefkoozingen waarmede zij hem overlaadde, met woeker terug.»Waarom zou ik niet vroolijk zijn, oom? wij zijn, God dank! aan een groot gevaar ontsnapt, de natuur schijnt ons toe te lachen, de vogels zingen in de takken, de zon koestert ons met haar stralen; wij zouden ondankbaar zijn jegens onzen Schepper, zoo wij ongevoelig bleven voor deze openbaring zijner macht.”»Dus hebben de gevaren van dezen nacht geen treurigen indruk op uw gemoed achtergelaten, lief kind.”»Volstrekt niet, oom, maar veeleer innige dankbaarheid voor de weldaden, waarmede God ons overlaadt.”»Goed, mijn kind,” antwoordde de generaal verheugd, »ik ben blijde u zoo te hooren spreken.”»Des te beter, zoo het u genoegen doet, oomlief.”»Zoodat,” hernam de generaal, zijn gedachtenloop volgende, »zoodat het leven dat wij leiden u niet vermoeit.”»Geenszins, ik vind het heel prettig, en vooral heel avontuurlijk.”»Ja, dat is het zeker; maar, mij dunkt dat wij met dat al onze redders vergeten.”»Zij zijn al weg,” antwoorddedoñaLuz.»Zijn zij al weg?” zeide de generaal sidderend.»Reeds voor een uur zijn zij vertrokken.”»Hoe weet gij dat, lieve nicht?”»Dat heeft een heel eenvoudige reden, oom; zij hebben mij vaarwel gezegd, alvorens ons te verlaten.”»Dat is alles behalve braaf gehandeld,” prevelde de generaal ter nedergeslagen, »eene dienstbetooning verplicht zoowel hen, die haar bewijzen, als hen, aan wie zij bewezen wordt; zij hadden ons niet moeten verlaten, zonder ons te zeggen, of wij hen ooit zouden mogen wederzien, en zelfs zonder ons hunne namen achter te laten.”»Die weet ik.”»Gij weet die, mijn kind?” vroeg de generaal verbaasd.»Ja, oom; eer zij weggingen hebben zij mij die medegedeeld.”»En … hoe heeten zij?” vroeg de generaal angstig.»De jongste, Goedsmoeds.”»En de oudste?”[71]»Edelhart.”»O, ik moet die mannen wedervinden,” zeide de generaal met eene ontroering, waarvan hij zich geen rekenschap wist te geven.»Wie weet?” antwoordde het meisje peinzend, »bij het eerste gevaar misschien, dat ons bedreigen zal, zien wij hen als twee reddende engelen weder verschijnen.”»God geve, dat wij niet aan een dergelijke oorzaak hun terugkeer tot ons zullen te danken hebben.”De kapitein kwam hun goeden morgen wenschen.»Nu, kapitein,” zeide de generaal lachend, »zijn uwe manschappen van hunne vermoeienissen uitgerust?”»Geheel en al, generaal,” antwoordde de jonge man; »zij zijn gereed, om op het eerste kommando op te breken.”»Na het ontbijt zullen wij gaan; wees daarom zoo goed de noodige bevelen aan de lanceros te geven en den Babbelaar bij mij te zenden.”De kapitein ging weg.»Wat u betreft, nicht,” ging de generaal voort, zich totdoñaLuz wendende, »ga gij voor het ontbijt zorgen, terwijl ik mij met den gids onderhoud.”Het meisje ijlde heen.Weldra verscheen de Babbelaar. Zijn blik was donkerder, zijn gelaat ontevredener dan anders.De generaal scheen het echter niet op te merken.»Gij weet,” zeide hij tot hem, »dat ik u gisteren mijn plan heb medegedeeld, om eene plek te vinden waar mijn troep gedurende eenige dagen in veiligheid kampeeren kan.”»Ja, generaal.”»Gij hebt mij verzekerd eene plaats te kennen, die daartoe uitnemend geschikt was?”»Ja, generaal.”»Zijt gij bereid om er mij naar toe te brengen?”»Zooals gij verkiest.”»Hoeveel tijd hebben wij noodig, om er te komen?”»Twee dagen.”»Zeer goed. Wij zullen dadelijk na het ontbijt vertrekken.”De Babbelaar boog zonder antwoord te geven.»A propos!” zeide de generaal met geveinsde onverschilligheid, »is er niet één van uwe manschappen verdwenen?”»Ja.”»Wat is er van hem geworden?”»Ik weet het niet.”»Hoe, gij weet het niet?” riep de generaal met een uitvorschenden blik.»Neen. Toen hij den brand zag, is hij bang geworden, en heeft zich uit de voeten gemaakt.”»En?”[72]»Hij is waarschijnlijk het slachtoffer zijner lafhartigheid geworden.”»Wat meent gij?”»Hij zal verbrand zijn.”»Arme kerel!”Een duivelsche lach speelde om de lippen van den gids.»Hebt gij mij niets meer te zeggen, generaal?”»Neen … o ja, wacht eens.”»Ik wacht.”»Kent gij die twee jagers niet, die ons dezen nacht een zoo groote dienst bewezen hebben?”»Iedereen kent ze in de prairie.”»Wat zijn het voor menschen?”»Pelsjagers.”»Dat vraag ik u niet.”»Wat vraagt gij dan?”»Ik bedoel hun gedrag.”»Dat weet ik niet.”»Hoe heeten zij?”»Goedsmoeds en Edelhart.”»En weet gij niets van hun leven?”»Niets.…”»Het is goed; gij kunt weg gaan.”De gids maakte eene buiging, en keerde langzaam tot zijne kameraden terug, die zich tot het vertrek gereed maakten.»Hm!” prevelde de generaal, »ik zal op dien schurk het oog houden; er is veel geheimzinnigs in zijne wijze van handelen.”Na dit onderhoud trad de generaal de tent binnen, waar de kapitein, de doctor endoñaLuz hem aan het ontbijt zaten te wachten.Het maal was spoedig afgeloopen. Een half uur later was de tent opgevouwen, waren de koffers op de muilezels geladen, en hervatte de karavaan haar tocht onder geleide van den Babbelaar, die als wegwijzer een twintigtal passen vooruit ging.De prairie had sedert den vorigen dag een geheel ander aanzien bekomen. De zwarte en verbrande aarde was bedekt met hoopen smeulende asch; verkoolde, maar nog overeind staande boomen vertoonden hier en daar hun treurig geraamte; van verre loeiden de vlammen nog altijd voort, en dikke rookwolken maakten den horizon onzichtbaar.De paarden liepen voorzichtig voort over dezen noodlottigen bodem, waar zij vaak struikelden over de beenderen der door den brand overvallen wilde dieren.Een sombere droefheid, nog verhoogd door den aanblik van het landschap, dat zich voor hen ontrolde, had zich van de reizigers meester gemaakt; zij liepen sprakeloos in gepeinzen verdiept, achter elkander voort.De weg, dien zij volgden, liep kronkelend in een nauwe diepte[73]tusschen twee heuvels door, in de oude bedding van een uitgedroogde rivier. De grond, dien de hoeven der paarden omwoelden, bestond uit ronde keisteenen, die onder hunne pooten weggleden en de moeielijkheden van den marsch vermeerderden; de brandende zonnestralen vielen loodrecht op de reizigers neder, zonder dat zij er zich tegen konden beschutten; want het land dat zij doorkruisten had volkomen het aanzien gekregen van die uitgestrekte woestijnen die men in het binnenland van Afrika aantreft.Zoo verliep de dag, zonder dat, behalve de vermoeienis, die hen afmatte, eenig voorval de eentonigheid der reis verbrak.Des avonds kampeerden zij in een geheel opene vlakte; doch aan den horizon ontdekten zij eenig groen, waarover zij zich zeer verheugden, omdat zij eindelijk weder eene streek zouden betreden, die door den brand was gespaard.Den volgenden dag, twee uren voor zonsopgang, gaf de Babbelaar het teeken tot vertrek.Deze dag was nog vermoeiender dan de vorige; de reizigers waren letterlijk uitgeput toen men het kamp opsloeg.De Babbelaar had den generaal niet misleid; de ligging was uitnemend gekozen, om een aanval af te slaan; wij zullen haar niet beschrijven, daar de lezer haar reeds kent; het was op dezelfde plaats, waar de jagers zich bevonden, toen wij hen voor de eerste maal ten tooneele voerden.De generaal, na een blik om zich heen geworpen te hebben, kon zich niet weerhouden zijne tevredenheid te betuigen.»Bravo!” zeide hij tot den gids, »wij hadden bijna onoverkomelijke hinderpalen te overwinnen om hier te komen; maar nu wij er eenmaal zijn, kunnen wij er des noods een beleg uithouden.”De gids antwoordde niet; hij boog zich met een dubbelzinnigen glimlach, en ging heen.»Het is vreemd,” mompelde de generaal; »het gedrag van dien man is schijnbaar onberispelijk, en ik heb hem niet het minste verwijt te doen; maar toch, waarom weet ik niet, heb ik een voorgevoel, dat hij ons misleidt, en dat hij eenig duivelsch opzet tegen ons in den zin heeft.”De generaal was een oud soldaat van veel ondervinding, die niets wilde overlaten aan het toeval, diendeus ex machina, die in één sekonde de best ontworpene plannen verijdelt. Ondanks de vermoeidheid zijner manschappen, wilde hij geen minuut verliezen; door den kapitein bijgestaan, liet hij een groote menigte boomen vellen, ten einde een stevige verschansing te vormen. Achter die verschansing groeven de lanceros een breede gracht, waarvan zij de aarde aan de zijde van het kamp wierpen; achter die tweede omheining eindelijk werden de pakken op elkander gestapeld, ten einde een derden en laatsten wal te vormen.Men richtte de tent in het midden van het kamp op; de schildwachten[74]werden uitgezet, en ieder gaf zich aan een welverdiende rust over.De generaal, die van plan was eenigen tijd hier te vertoeven, wilde zooveel mogelijk voor de veiligheid zijner kameraden zorgen, en meende daarin volkomen geslaagd te zijn.Sedert twee dagen hadden de reizigers over slechte wegen geloopen, zonder te slapen, en bijna nergens zich langer ophoudende dan hoog noodig was om iets te gebruiken; zij waren, gelijk wij reeds zeiden, uitgeput door vermoeienis, en ondanks al hun verlangen om wakker te blijven, hadden de schildwachten geen weêrstand kunnen bieden aan den slaap die hen overmeesterde, en weldra waren zij in diepe sluimering verzonken. Tegen middernacht terwijl iedereen in het kamp nog rustig sliep, stond een der mannen heel zachtjes op, en in het donker vlug als een slang wegsluipende, gleed hij over debarricadenen wallen heen. Toen legde hij zich op den grond neder, en richtte zich bijna onmerkbaar op handen en voeten voortkruipende, door het hooge gras naar een woud, dat de helling van den heuvel bedekte en zich ver in de prairie uitstrekte. Op eenigen afstand gekomen, en zeker van niet meer ontdekt te zullen worden, richtte hij zich op. De maan van tusschen de wolken te voorschijn komende verlichtte de gestalte.… van den Babbelaar.Hij zag zorgvuldig om zich heen, spitste de ooren, en bootste, met ongelooflijke volkomenheid, het gehuil van den hond der prairiën na. Bijna op hetzelfde oogenblik werd dezelfde kreet herhaald, en kwam er niet ver van den Babbelaar een man te voorschijn. Die man was de gids, die voor drie dagen bij het opkomen van den brand, uit het kamp ontsnapt was.

[Inhoud]X.DE VERSCHANSING.Wij zullen de jagers het spoor der roodhuiden laten vervolgen, en tot den generaal terugkeeren.Eenige oogenblikken nadat de twee mannen het kamp der Mexicanen verlaten hadden, verliet de generaal de tent, en een onderzoekenden blik om zich heen slaande, begon hij met een bedrukt gelaat heen en weêr te loopen. De gebeurtenissen van dien nacht hadden een diepen indruk gemaakt op den ouden soldaat. Voor de eerste maal misschien sedert hij dezen tocht ondernomen had, zag hij hem in het ware daglicht; hij vroeg zich af of hij inderdaad wel het recht had, om aan dat leven vol gevaren en gedurige hinderlagen een meisje bloot te stellen, van den leeftijd zijner nicht, die tot nu toe kalm en rustighad voortgeleefd, en waarschijnlijk zich niet zou kunnen gewennen aan de onophoudelijke gevaren en inspanningen van het leven in de prairiën, die in korten tijd zelfs de meest geharde gestellen ondermijnen. Zijn verlegenheid was groot. Hij aanbad zijne nicht; zij was zijn eenige liefde, zijn eenige troost; voor haar zou hij duizendmaal, al wat hij bezat, zonder spijt[70]en wroeging hebben opgeofferd; maar van den anderen kant, de redenen die hem hadden aangespoord dezen hachelijken tocht te wagen, waren zóó belangrijk, dat hij rilde en ijsde op de gedachte van hem op te geven.»Wat moet ik doen?…” zeide hij; »wat moet ik doen?”DoñaLuz, die op hare beurt de tent verliet, bemerkte dat haar oom nog altijd op en neêr wandelde; zij liep naar hem toe, en de armen om zijn hals slaande, zeide zij:»Goeden morgen, lieve oom.”»Goeden morgen, mijn kind,” antwoordde de generaal.—»Wel, wel, wat zijt gij vroolijk van morgen.” En hij gaf de liefkoozingen waarmede zij hem overlaadde, met woeker terug.»Waarom zou ik niet vroolijk zijn, oom? wij zijn, God dank! aan een groot gevaar ontsnapt, de natuur schijnt ons toe te lachen, de vogels zingen in de takken, de zon koestert ons met haar stralen; wij zouden ondankbaar zijn jegens onzen Schepper, zoo wij ongevoelig bleven voor deze openbaring zijner macht.”»Dus hebben de gevaren van dezen nacht geen treurigen indruk op uw gemoed achtergelaten, lief kind.”»Volstrekt niet, oom, maar veeleer innige dankbaarheid voor de weldaden, waarmede God ons overlaadt.”»Goed, mijn kind,” antwoordde de generaal verheugd, »ik ben blijde u zoo te hooren spreken.”»Des te beter, zoo het u genoegen doet, oomlief.”»Zoodat,” hernam de generaal, zijn gedachtenloop volgende, »zoodat het leven dat wij leiden u niet vermoeit.”»Geenszins, ik vind het heel prettig, en vooral heel avontuurlijk.”»Ja, dat is het zeker; maar, mij dunkt dat wij met dat al onze redders vergeten.”»Zij zijn al weg,” antwoorddedoñaLuz.»Zijn zij al weg?” zeide de generaal sidderend.»Reeds voor een uur zijn zij vertrokken.”»Hoe weet gij dat, lieve nicht?”»Dat heeft een heel eenvoudige reden, oom; zij hebben mij vaarwel gezegd, alvorens ons te verlaten.”»Dat is alles behalve braaf gehandeld,” prevelde de generaal ter nedergeslagen, »eene dienstbetooning verplicht zoowel hen, die haar bewijzen, als hen, aan wie zij bewezen wordt; zij hadden ons niet moeten verlaten, zonder ons te zeggen, of wij hen ooit zouden mogen wederzien, en zelfs zonder ons hunne namen achter te laten.”»Die weet ik.”»Gij weet die, mijn kind?” vroeg de generaal verbaasd.»Ja, oom; eer zij weggingen hebben zij mij die medegedeeld.”»En … hoe heeten zij?” vroeg de generaal angstig.»De jongste, Goedsmoeds.”»En de oudste?”[71]»Edelhart.”»O, ik moet die mannen wedervinden,” zeide de generaal met eene ontroering, waarvan hij zich geen rekenschap wist te geven.»Wie weet?” antwoordde het meisje peinzend, »bij het eerste gevaar misschien, dat ons bedreigen zal, zien wij hen als twee reddende engelen weder verschijnen.”»God geve, dat wij niet aan een dergelijke oorzaak hun terugkeer tot ons zullen te danken hebben.”De kapitein kwam hun goeden morgen wenschen.»Nu, kapitein,” zeide de generaal lachend, »zijn uwe manschappen van hunne vermoeienissen uitgerust?”»Geheel en al, generaal,” antwoordde de jonge man; »zij zijn gereed, om op het eerste kommando op te breken.”»Na het ontbijt zullen wij gaan; wees daarom zoo goed de noodige bevelen aan de lanceros te geven en den Babbelaar bij mij te zenden.”De kapitein ging weg.»Wat u betreft, nicht,” ging de generaal voort, zich totdoñaLuz wendende, »ga gij voor het ontbijt zorgen, terwijl ik mij met den gids onderhoud.”Het meisje ijlde heen.Weldra verscheen de Babbelaar. Zijn blik was donkerder, zijn gelaat ontevredener dan anders.De generaal scheen het echter niet op te merken.»Gij weet,” zeide hij tot hem, »dat ik u gisteren mijn plan heb medegedeeld, om eene plek te vinden waar mijn troep gedurende eenige dagen in veiligheid kampeeren kan.”»Ja, generaal.”»Gij hebt mij verzekerd eene plaats te kennen, die daartoe uitnemend geschikt was?”»Ja, generaal.”»Zijt gij bereid om er mij naar toe te brengen?”»Zooals gij verkiest.”»Hoeveel tijd hebben wij noodig, om er te komen?”»Twee dagen.”»Zeer goed. Wij zullen dadelijk na het ontbijt vertrekken.”De Babbelaar boog zonder antwoord te geven.»A propos!” zeide de generaal met geveinsde onverschilligheid, »is er niet één van uwe manschappen verdwenen?”»Ja.”»Wat is er van hem geworden?”»Ik weet het niet.”»Hoe, gij weet het niet?” riep de generaal met een uitvorschenden blik.»Neen. Toen hij den brand zag, is hij bang geworden, en heeft zich uit de voeten gemaakt.”»En?”[72]»Hij is waarschijnlijk het slachtoffer zijner lafhartigheid geworden.”»Wat meent gij?”»Hij zal verbrand zijn.”»Arme kerel!”Een duivelsche lach speelde om de lippen van den gids.»Hebt gij mij niets meer te zeggen, generaal?”»Neen … o ja, wacht eens.”»Ik wacht.”»Kent gij die twee jagers niet, die ons dezen nacht een zoo groote dienst bewezen hebben?”»Iedereen kent ze in de prairie.”»Wat zijn het voor menschen?”»Pelsjagers.”»Dat vraag ik u niet.”»Wat vraagt gij dan?”»Ik bedoel hun gedrag.”»Dat weet ik niet.”»Hoe heeten zij?”»Goedsmoeds en Edelhart.”»En weet gij niets van hun leven?”»Niets.…”»Het is goed; gij kunt weg gaan.”De gids maakte eene buiging, en keerde langzaam tot zijne kameraden terug, die zich tot het vertrek gereed maakten.»Hm!” prevelde de generaal, »ik zal op dien schurk het oog houden; er is veel geheimzinnigs in zijne wijze van handelen.”Na dit onderhoud trad de generaal de tent binnen, waar de kapitein, de doctor endoñaLuz hem aan het ontbijt zaten te wachten.Het maal was spoedig afgeloopen. Een half uur later was de tent opgevouwen, waren de koffers op de muilezels geladen, en hervatte de karavaan haar tocht onder geleide van den Babbelaar, die als wegwijzer een twintigtal passen vooruit ging.De prairie had sedert den vorigen dag een geheel ander aanzien bekomen. De zwarte en verbrande aarde was bedekt met hoopen smeulende asch; verkoolde, maar nog overeind staande boomen vertoonden hier en daar hun treurig geraamte; van verre loeiden de vlammen nog altijd voort, en dikke rookwolken maakten den horizon onzichtbaar.De paarden liepen voorzichtig voort over dezen noodlottigen bodem, waar zij vaak struikelden over de beenderen der door den brand overvallen wilde dieren.Een sombere droefheid, nog verhoogd door den aanblik van het landschap, dat zich voor hen ontrolde, had zich van de reizigers meester gemaakt; zij liepen sprakeloos in gepeinzen verdiept, achter elkander voort.De weg, dien zij volgden, liep kronkelend in een nauwe diepte[73]tusschen twee heuvels door, in de oude bedding van een uitgedroogde rivier. De grond, dien de hoeven der paarden omwoelden, bestond uit ronde keisteenen, die onder hunne pooten weggleden en de moeielijkheden van den marsch vermeerderden; de brandende zonnestralen vielen loodrecht op de reizigers neder, zonder dat zij er zich tegen konden beschutten; want het land dat zij doorkruisten had volkomen het aanzien gekregen van die uitgestrekte woestijnen die men in het binnenland van Afrika aantreft.Zoo verliep de dag, zonder dat, behalve de vermoeienis, die hen afmatte, eenig voorval de eentonigheid der reis verbrak.Des avonds kampeerden zij in een geheel opene vlakte; doch aan den horizon ontdekten zij eenig groen, waarover zij zich zeer verheugden, omdat zij eindelijk weder eene streek zouden betreden, die door den brand was gespaard.Den volgenden dag, twee uren voor zonsopgang, gaf de Babbelaar het teeken tot vertrek.Deze dag was nog vermoeiender dan de vorige; de reizigers waren letterlijk uitgeput toen men het kamp opsloeg.De Babbelaar had den generaal niet misleid; de ligging was uitnemend gekozen, om een aanval af te slaan; wij zullen haar niet beschrijven, daar de lezer haar reeds kent; het was op dezelfde plaats, waar de jagers zich bevonden, toen wij hen voor de eerste maal ten tooneele voerden.De generaal, na een blik om zich heen geworpen te hebben, kon zich niet weerhouden zijne tevredenheid te betuigen.»Bravo!” zeide hij tot den gids, »wij hadden bijna onoverkomelijke hinderpalen te overwinnen om hier te komen; maar nu wij er eenmaal zijn, kunnen wij er des noods een beleg uithouden.”De gids antwoordde niet; hij boog zich met een dubbelzinnigen glimlach, en ging heen.»Het is vreemd,” mompelde de generaal; »het gedrag van dien man is schijnbaar onberispelijk, en ik heb hem niet het minste verwijt te doen; maar toch, waarom weet ik niet, heb ik een voorgevoel, dat hij ons misleidt, en dat hij eenig duivelsch opzet tegen ons in den zin heeft.”De generaal was een oud soldaat van veel ondervinding, die niets wilde overlaten aan het toeval, diendeus ex machina, die in één sekonde de best ontworpene plannen verijdelt. Ondanks de vermoeidheid zijner manschappen, wilde hij geen minuut verliezen; door den kapitein bijgestaan, liet hij een groote menigte boomen vellen, ten einde een stevige verschansing te vormen. Achter die verschansing groeven de lanceros een breede gracht, waarvan zij de aarde aan de zijde van het kamp wierpen; achter die tweede omheining eindelijk werden de pakken op elkander gestapeld, ten einde een derden en laatsten wal te vormen.Men richtte de tent in het midden van het kamp op; de schildwachten[74]werden uitgezet, en ieder gaf zich aan een welverdiende rust over.De generaal, die van plan was eenigen tijd hier te vertoeven, wilde zooveel mogelijk voor de veiligheid zijner kameraden zorgen, en meende daarin volkomen geslaagd te zijn.Sedert twee dagen hadden de reizigers over slechte wegen geloopen, zonder te slapen, en bijna nergens zich langer ophoudende dan hoog noodig was om iets te gebruiken; zij waren, gelijk wij reeds zeiden, uitgeput door vermoeienis, en ondanks al hun verlangen om wakker te blijven, hadden de schildwachten geen weêrstand kunnen bieden aan den slaap die hen overmeesterde, en weldra waren zij in diepe sluimering verzonken. Tegen middernacht terwijl iedereen in het kamp nog rustig sliep, stond een der mannen heel zachtjes op, en in het donker vlug als een slang wegsluipende, gleed hij over debarricadenen wallen heen. Toen legde hij zich op den grond neder, en richtte zich bijna onmerkbaar op handen en voeten voortkruipende, door het hooge gras naar een woud, dat de helling van den heuvel bedekte en zich ver in de prairie uitstrekte. Op eenigen afstand gekomen, en zeker van niet meer ontdekt te zullen worden, richtte hij zich op. De maan van tusschen de wolken te voorschijn komende verlichtte de gestalte.… van den Babbelaar.Hij zag zorgvuldig om zich heen, spitste de ooren, en bootste, met ongelooflijke volkomenheid, het gehuil van den hond der prairiën na. Bijna op hetzelfde oogenblik werd dezelfde kreet herhaald, en kwam er niet ver van den Babbelaar een man te voorschijn. Die man was de gids, die voor drie dagen bij het opkomen van den brand, uit het kamp ontsnapt was.

[Inhoud]X.DE VERSCHANSING.Wij zullen de jagers het spoor der roodhuiden laten vervolgen, en tot den generaal terugkeeren.Eenige oogenblikken nadat de twee mannen het kamp der Mexicanen verlaten hadden, verliet de generaal de tent, en een onderzoekenden blik om zich heen slaande, begon hij met een bedrukt gelaat heen en weêr te loopen. De gebeurtenissen van dien nacht hadden een diepen indruk gemaakt op den ouden soldaat. Voor de eerste maal misschien sedert hij dezen tocht ondernomen had, zag hij hem in het ware daglicht; hij vroeg zich af of hij inderdaad wel het recht had, om aan dat leven vol gevaren en gedurige hinderlagen een meisje bloot te stellen, van den leeftijd zijner nicht, die tot nu toe kalm en rustighad voortgeleefd, en waarschijnlijk zich niet zou kunnen gewennen aan de onophoudelijke gevaren en inspanningen van het leven in de prairiën, die in korten tijd zelfs de meest geharde gestellen ondermijnen. Zijn verlegenheid was groot. Hij aanbad zijne nicht; zij was zijn eenige liefde, zijn eenige troost; voor haar zou hij duizendmaal, al wat hij bezat, zonder spijt[70]en wroeging hebben opgeofferd; maar van den anderen kant, de redenen die hem hadden aangespoord dezen hachelijken tocht te wagen, waren zóó belangrijk, dat hij rilde en ijsde op de gedachte van hem op te geven.»Wat moet ik doen?…” zeide hij; »wat moet ik doen?”DoñaLuz, die op hare beurt de tent verliet, bemerkte dat haar oom nog altijd op en neêr wandelde; zij liep naar hem toe, en de armen om zijn hals slaande, zeide zij:»Goeden morgen, lieve oom.”»Goeden morgen, mijn kind,” antwoordde de generaal.—»Wel, wel, wat zijt gij vroolijk van morgen.” En hij gaf de liefkoozingen waarmede zij hem overlaadde, met woeker terug.»Waarom zou ik niet vroolijk zijn, oom? wij zijn, God dank! aan een groot gevaar ontsnapt, de natuur schijnt ons toe te lachen, de vogels zingen in de takken, de zon koestert ons met haar stralen; wij zouden ondankbaar zijn jegens onzen Schepper, zoo wij ongevoelig bleven voor deze openbaring zijner macht.”»Dus hebben de gevaren van dezen nacht geen treurigen indruk op uw gemoed achtergelaten, lief kind.”»Volstrekt niet, oom, maar veeleer innige dankbaarheid voor de weldaden, waarmede God ons overlaadt.”»Goed, mijn kind,” antwoordde de generaal verheugd, »ik ben blijde u zoo te hooren spreken.”»Des te beter, zoo het u genoegen doet, oomlief.”»Zoodat,” hernam de generaal, zijn gedachtenloop volgende, »zoodat het leven dat wij leiden u niet vermoeit.”»Geenszins, ik vind het heel prettig, en vooral heel avontuurlijk.”»Ja, dat is het zeker; maar, mij dunkt dat wij met dat al onze redders vergeten.”»Zij zijn al weg,” antwoorddedoñaLuz.»Zijn zij al weg?” zeide de generaal sidderend.»Reeds voor een uur zijn zij vertrokken.”»Hoe weet gij dat, lieve nicht?”»Dat heeft een heel eenvoudige reden, oom; zij hebben mij vaarwel gezegd, alvorens ons te verlaten.”»Dat is alles behalve braaf gehandeld,” prevelde de generaal ter nedergeslagen, »eene dienstbetooning verplicht zoowel hen, die haar bewijzen, als hen, aan wie zij bewezen wordt; zij hadden ons niet moeten verlaten, zonder ons te zeggen, of wij hen ooit zouden mogen wederzien, en zelfs zonder ons hunne namen achter te laten.”»Die weet ik.”»Gij weet die, mijn kind?” vroeg de generaal verbaasd.»Ja, oom; eer zij weggingen hebben zij mij die medegedeeld.”»En … hoe heeten zij?” vroeg de generaal angstig.»De jongste, Goedsmoeds.”»En de oudste?”[71]»Edelhart.”»O, ik moet die mannen wedervinden,” zeide de generaal met eene ontroering, waarvan hij zich geen rekenschap wist te geven.»Wie weet?” antwoordde het meisje peinzend, »bij het eerste gevaar misschien, dat ons bedreigen zal, zien wij hen als twee reddende engelen weder verschijnen.”»God geve, dat wij niet aan een dergelijke oorzaak hun terugkeer tot ons zullen te danken hebben.”De kapitein kwam hun goeden morgen wenschen.»Nu, kapitein,” zeide de generaal lachend, »zijn uwe manschappen van hunne vermoeienissen uitgerust?”»Geheel en al, generaal,” antwoordde de jonge man; »zij zijn gereed, om op het eerste kommando op te breken.”»Na het ontbijt zullen wij gaan; wees daarom zoo goed de noodige bevelen aan de lanceros te geven en den Babbelaar bij mij te zenden.”De kapitein ging weg.»Wat u betreft, nicht,” ging de generaal voort, zich totdoñaLuz wendende, »ga gij voor het ontbijt zorgen, terwijl ik mij met den gids onderhoud.”Het meisje ijlde heen.Weldra verscheen de Babbelaar. Zijn blik was donkerder, zijn gelaat ontevredener dan anders.De generaal scheen het echter niet op te merken.»Gij weet,” zeide hij tot hem, »dat ik u gisteren mijn plan heb medegedeeld, om eene plek te vinden waar mijn troep gedurende eenige dagen in veiligheid kampeeren kan.”»Ja, generaal.”»Gij hebt mij verzekerd eene plaats te kennen, die daartoe uitnemend geschikt was?”»Ja, generaal.”»Zijt gij bereid om er mij naar toe te brengen?”»Zooals gij verkiest.”»Hoeveel tijd hebben wij noodig, om er te komen?”»Twee dagen.”»Zeer goed. Wij zullen dadelijk na het ontbijt vertrekken.”De Babbelaar boog zonder antwoord te geven.»A propos!” zeide de generaal met geveinsde onverschilligheid, »is er niet één van uwe manschappen verdwenen?”»Ja.”»Wat is er van hem geworden?”»Ik weet het niet.”»Hoe, gij weet het niet?” riep de generaal met een uitvorschenden blik.»Neen. Toen hij den brand zag, is hij bang geworden, en heeft zich uit de voeten gemaakt.”»En?”[72]»Hij is waarschijnlijk het slachtoffer zijner lafhartigheid geworden.”»Wat meent gij?”»Hij zal verbrand zijn.”»Arme kerel!”Een duivelsche lach speelde om de lippen van den gids.»Hebt gij mij niets meer te zeggen, generaal?”»Neen … o ja, wacht eens.”»Ik wacht.”»Kent gij die twee jagers niet, die ons dezen nacht een zoo groote dienst bewezen hebben?”»Iedereen kent ze in de prairie.”»Wat zijn het voor menschen?”»Pelsjagers.”»Dat vraag ik u niet.”»Wat vraagt gij dan?”»Ik bedoel hun gedrag.”»Dat weet ik niet.”»Hoe heeten zij?”»Goedsmoeds en Edelhart.”»En weet gij niets van hun leven?”»Niets.…”»Het is goed; gij kunt weg gaan.”De gids maakte eene buiging, en keerde langzaam tot zijne kameraden terug, die zich tot het vertrek gereed maakten.»Hm!” prevelde de generaal, »ik zal op dien schurk het oog houden; er is veel geheimzinnigs in zijne wijze van handelen.”Na dit onderhoud trad de generaal de tent binnen, waar de kapitein, de doctor endoñaLuz hem aan het ontbijt zaten te wachten.Het maal was spoedig afgeloopen. Een half uur later was de tent opgevouwen, waren de koffers op de muilezels geladen, en hervatte de karavaan haar tocht onder geleide van den Babbelaar, die als wegwijzer een twintigtal passen vooruit ging.De prairie had sedert den vorigen dag een geheel ander aanzien bekomen. De zwarte en verbrande aarde was bedekt met hoopen smeulende asch; verkoolde, maar nog overeind staande boomen vertoonden hier en daar hun treurig geraamte; van verre loeiden de vlammen nog altijd voort, en dikke rookwolken maakten den horizon onzichtbaar.De paarden liepen voorzichtig voort over dezen noodlottigen bodem, waar zij vaak struikelden over de beenderen der door den brand overvallen wilde dieren.Een sombere droefheid, nog verhoogd door den aanblik van het landschap, dat zich voor hen ontrolde, had zich van de reizigers meester gemaakt; zij liepen sprakeloos in gepeinzen verdiept, achter elkander voort.De weg, dien zij volgden, liep kronkelend in een nauwe diepte[73]tusschen twee heuvels door, in de oude bedding van een uitgedroogde rivier. De grond, dien de hoeven der paarden omwoelden, bestond uit ronde keisteenen, die onder hunne pooten weggleden en de moeielijkheden van den marsch vermeerderden; de brandende zonnestralen vielen loodrecht op de reizigers neder, zonder dat zij er zich tegen konden beschutten; want het land dat zij doorkruisten had volkomen het aanzien gekregen van die uitgestrekte woestijnen die men in het binnenland van Afrika aantreft.Zoo verliep de dag, zonder dat, behalve de vermoeienis, die hen afmatte, eenig voorval de eentonigheid der reis verbrak.Des avonds kampeerden zij in een geheel opene vlakte; doch aan den horizon ontdekten zij eenig groen, waarover zij zich zeer verheugden, omdat zij eindelijk weder eene streek zouden betreden, die door den brand was gespaard.Den volgenden dag, twee uren voor zonsopgang, gaf de Babbelaar het teeken tot vertrek.Deze dag was nog vermoeiender dan de vorige; de reizigers waren letterlijk uitgeput toen men het kamp opsloeg.De Babbelaar had den generaal niet misleid; de ligging was uitnemend gekozen, om een aanval af te slaan; wij zullen haar niet beschrijven, daar de lezer haar reeds kent; het was op dezelfde plaats, waar de jagers zich bevonden, toen wij hen voor de eerste maal ten tooneele voerden.De generaal, na een blik om zich heen geworpen te hebben, kon zich niet weerhouden zijne tevredenheid te betuigen.»Bravo!” zeide hij tot den gids, »wij hadden bijna onoverkomelijke hinderpalen te overwinnen om hier te komen; maar nu wij er eenmaal zijn, kunnen wij er des noods een beleg uithouden.”De gids antwoordde niet; hij boog zich met een dubbelzinnigen glimlach, en ging heen.»Het is vreemd,” mompelde de generaal; »het gedrag van dien man is schijnbaar onberispelijk, en ik heb hem niet het minste verwijt te doen; maar toch, waarom weet ik niet, heb ik een voorgevoel, dat hij ons misleidt, en dat hij eenig duivelsch opzet tegen ons in den zin heeft.”De generaal was een oud soldaat van veel ondervinding, die niets wilde overlaten aan het toeval, diendeus ex machina, die in één sekonde de best ontworpene plannen verijdelt. Ondanks de vermoeidheid zijner manschappen, wilde hij geen minuut verliezen; door den kapitein bijgestaan, liet hij een groote menigte boomen vellen, ten einde een stevige verschansing te vormen. Achter die verschansing groeven de lanceros een breede gracht, waarvan zij de aarde aan de zijde van het kamp wierpen; achter die tweede omheining eindelijk werden de pakken op elkander gestapeld, ten einde een derden en laatsten wal te vormen.Men richtte de tent in het midden van het kamp op; de schildwachten[74]werden uitgezet, en ieder gaf zich aan een welverdiende rust over.De generaal, die van plan was eenigen tijd hier te vertoeven, wilde zooveel mogelijk voor de veiligheid zijner kameraden zorgen, en meende daarin volkomen geslaagd te zijn.Sedert twee dagen hadden de reizigers over slechte wegen geloopen, zonder te slapen, en bijna nergens zich langer ophoudende dan hoog noodig was om iets te gebruiken; zij waren, gelijk wij reeds zeiden, uitgeput door vermoeienis, en ondanks al hun verlangen om wakker te blijven, hadden de schildwachten geen weêrstand kunnen bieden aan den slaap die hen overmeesterde, en weldra waren zij in diepe sluimering verzonken. Tegen middernacht terwijl iedereen in het kamp nog rustig sliep, stond een der mannen heel zachtjes op, en in het donker vlug als een slang wegsluipende, gleed hij over debarricadenen wallen heen. Toen legde hij zich op den grond neder, en richtte zich bijna onmerkbaar op handen en voeten voortkruipende, door het hooge gras naar een woud, dat de helling van den heuvel bedekte en zich ver in de prairie uitstrekte. Op eenigen afstand gekomen, en zeker van niet meer ontdekt te zullen worden, richtte hij zich op. De maan van tusschen de wolken te voorschijn komende verlichtte de gestalte.… van den Babbelaar.Hij zag zorgvuldig om zich heen, spitste de ooren, en bootste, met ongelooflijke volkomenheid, het gehuil van den hond der prairiën na. Bijna op hetzelfde oogenblik werd dezelfde kreet herhaald, en kwam er niet ver van den Babbelaar een man te voorschijn. Die man was de gids, die voor drie dagen bij het opkomen van den brand, uit het kamp ontsnapt was.

X.DE VERSCHANSING.

Wij zullen de jagers het spoor der roodhuiden laten vervolgen, en tot den generaal terugkeeren.Eenige oogenblikken nadat de twee mannen het kamp der Mexicanen verlaten hadden, verliet de generaal de tent, en een onderzoekenden blik om zich heen slaande, begon hij met een bedrukt gelaat heen en weêr te loopen. De gebeurtenissen van dien nacht hadden een diepen indruk gemaakt op den ouden soldaat. Voor de eerste maal misschien sedert hij dezen tocht ondernomen had, zag hij hem in het ware daglicht; hij vroeg zich af of hij inderdaad wel het recht had, om aan dat leven vol gevaren en gedurige hinderlagen een meisje bloot te stellen, van den leeftijd zijner nicht, die tot nu toe kalm en rustighad voortgeleefd, en waarschijnlijk zich niet zou kunnen gewennen aan de onophoudelijke gevaren en inspanningen van het leven in de prairiën, die in korten tijd zelfs de meest geharde gestellen ondermijnen. Zijn verlegenheid was groot. Hij aanbad zijne nicht; zij was zijn eenige liefde, zijn eenige troost; voor haar zou hij duizendmaal, al wat hij bezat, zonder spijt[70]en wroeging hebben opgeofferd; maar van den anderen kant, de redenen die hem hadden aangespoord dezen hachelijken tocht te wagen, waren zóó belangrijk, dat hij rilde en ijsde op de gedachte van hem op te geven.»Wat moet ik doen?…” zeide hij; »wat moet ik doen?”DoñaLuz, die op hare beurt de tent verliet, bemerkte dat haar oom nog altijd op en neêr wandelde; zij liep naar hem toe, en de armen om zijn hals slaande, zeide zij:»Goeden morgen, lieve oom.”»Goeden morgen, mijn kind,” antwoordde de generaal.—»Wel, wel, wat zijt gij vroolijk van morgen.” En hij gaf de liefkoozingen waarmede zij hem overlaadde, met woeker terug.»Waarom zou ik niet vroolijk zijn, oom? wij zijn, God dank! aan een groot gevaar ontsnapt, de natuur schijnt ons toe te lachen, de vogels zingen in de takken, de zon koestert ons met haar stralen; wij zouden ondankbaar zijn jegens onzen Schepper, zoo wij ongevoelig bleven voor deze openbaring zijner macht.”»Dus hebben de gevaren van dezen nacht geen treurigen indruk op uw gemoed achtergelaten, lief kind.”»Volstrekt niet, oom, maar veeleer innige dankbaarheid voor de weldaden, waarmede God ons overlaadt.”»Goed, mijn kind,” antwoordde de generaal verheugd, »ik ben blijde u zoo te hooren spreken.”»Des te beter, zoo het u genoegen doet, oomlief.”»Zoodat,” hernam de generaal, zijn gedachtenloop volgende, »zoodat het leven dat wij leiden u niet vermoeit.”»Geenszins, ik vind het heel prettig, en vooral heel avontuurlijk.”»Ja, dat is het zeker; maar, mij dunkt dat wij met dat al onze redders vergeten.”»Zij zijn al weg,” antwoorddedoñaLuz.»Zijn zij al weg?” zeide de generaal sidderend.»Reeds voor een uur zijn zij vertrokken.”»Hoe weet gij dat, lieve nicht?”»Dat heeft een heel eenvoudige reden, oom; zij hebben mij vaarwel gezegd, alvorens ons te verlaten.”»Dat is alles behalve braaf gehandeld,” prevelde de generaal ter nedergeslagen, »eene dienstbetooning verplicht zoowel hen, die haar bewijzen, als hen, aan wie zij bewezen wordt; zij hadden ons niet moeten verlaten, zonder ons te zeggen, of wij hen ooit zouden mogen wederzien, en zelfs zonder ons hunne namen achter te laten.”»Die weet ik.”»Gij weet die, mijn kind?” vroeg de generaal verbaasd.»Ja, oom; eer zij weggingen hebben zij mij die medegedeeld.”»En … hoe heeten zij?” vroeg de generaal angstig.»De jongste, Goedsmoeds.”»En de oudste?”[71]»Edelhart.”»O, ik moet die mannen wedervinden,” zeide de generaal met eene ontroering, waarvan hij zich geen rekenschap wist te geven.»Wie weet?” antwoordde het meisje peinzend, »bij het eerste gevaar misschien, dat ons bedreigen zal, zien wij hen als twee reddende engelen weder verschijnen.”»God geve, dat wij niet aan een dergelijke oorzaak hun terugkeer tot ons zullen te danken hebben.”De kapitein kwam hun goeden morgen wenschen.»Nu, kapitein,” zeide de generaal lachend, »zijn uwe manschappen van hunne vermoeienissen uitgerust?”»Geheel en al, generaal,” antwoordde de jonge man; »zij zijn gereed, om op het eerste kommando op te breken.”»Na het ontbijt zullen wij gaan; wees daarom zoo goed de noodige bevelen aan de lanceros te geven en den Babbelaar bij mij te zenden.”De kapitein ging weg.»Wat u betreft, nicht,” ging de generaal voort, zich totdoñaLuz wendende, »ga gij voor het ontbijt zorgen, terwijl ik mij met den gids onderhoud.”Het meisje ijlde heen.Weldra verscheen de Babbelaar. Zijn blik was donkerder, zijn gelaat ontevredener dan anders.De generaal scheen het echter niet op te merken.»Gij weet,” zeide hij tot hem, »dat ik u gisteren mijn plan heb medegedeeld, om eene plek te vinden waar mijn troep gedurende eenige dagen in veiligheid kampeeren kan.”»Ja, generaal.”»Gij hebt mij verzekerd eene plaats te kennen, die daartoe uitnemend geschikt was?”»Ja, generaal.”»Zijt gij bereid om er mij naar toe te brengen?”»Zooals gij verkiest.”»Hoeveel tijd hebben wij noodig, om er te komen?”»Twee dagen.”»Zeer goed. Wij zullen dadelijk na het ontbijt vertrekken.”De Babbelaar boog zonder antwoord te geven.»A propos!” zeide de generaal met geveinsde onverschilligheid, »is er niet één van uwe manschappen verdwenen?”»Ja.”»Wat is er van hem geworden?”»Ik weet het niet.”»Hoe, gij weet het niet?” riep de generaal met een uitvorschenden blik.»Neen. Toen hij den brand zag, is hij bang geworden, en heeft zich uit de voeten gemaakt.”»En?”[72]»Hij is waarschijnlijk het slachtoffer zijner lafhartigheid geworden.”»Wat meent gij?”»Hij zal verbrand zijn.”»Arme kerel!”Een duivelsche lach speelde om de lippen van den gids.»Hebt gij mij niets meer te zeggen, generaal?”»Neen … o ja, wacht eens.”»Ik wacht.”»Kent gij die twee jagers niet, die ons dezen nacht een zoo groote dienst bewezen hebben?”»Iedereen kent ze in de prairie.”»Wat zijn het voor menschen?”»Pelsjagers.”»Dat vraag ik u niet.”»Wat vraagt gij dan?”»Ik bedoel hun gedrag.”»Dat weet ik niet.”»Hoe heeten zij?”»Goedsmoeds en Edelhart.”»En weet gij niets van hun leven?”»Niets.…”»Het is goed; gij kunt weg gaan.”De gids maakte eene buiging, en keerde langzaam tot zijne kameraden terug, die zich tot het vertrek gereed maakten.»Hm!” prevelde de generaal, »ik zal op dien schurk het oog houden; er is veel geheimzinnigs in zijne wijze van handelen.”Na dit onderhoud trad de generaal de tent binnen, waar de kapitein, de doctor endoñaLuz hem aan het ontbijt zaten te wachten.Het maal was spoedig afgeloopen. Een half uur later was de tent opgevouwen, waren de koffers op de muilezels geladen, en hervatte de karavaan haar tocht onder geleide van den Babbelaar, die als wegwijzer een twintigtal passen vooruit ging.De prairie had sedert den vorigen dag een geheel ander aanzien bekomen. De zwarte en verbrande aarde was bedekt met hoopen smeulende asch; verkoolde, maar nog overeind staande boomen vertoonden hier en daar hun treurig geraamte; van verre loeiden de vlammen nog altijd voort, en dikke rookwolken maakten den horizon onzichtbaar.De paarden liepen voorzichtig voort over dezen noodlottigen bodem, waar zij vaak struikelden over de beenderen der door den brand overvallen wilde dieren.Een sombere droefheid, nog verhoogd door den aanblik van het landschap, dat zich voor hen ontrolde, had zich van de reizigers meester gemaakt; zij liepen sprakeloos in gepeinzen verdiept, achter elkander voort.De weg, dien zij volgden, liep kronkelend in een nauwe diepte[73]tusschen twee heuvels door, in de oude bedding van een uitgedroogde rivier. De grond, dien de hoeven der paarden omwoelden, bestond uit ronde keisteenen, die onder hunne pooten weggleden en de moeielijkheden van den marsch vermeerderden; de brandende zonnestralen vielen loodrecht op de reizigers neder, zonder dat zij er zich tegen konden beschutten; want het land dat zij doorkruisten had volkomen het aanzien gekregen van die uitgestrekte woestijnen die men in het binnenland van Afrika aantreft.Zoo verliep de dag, zonder dat, behalve de vermoeienis, die hen afmatte, eenig voorval de eentonigheid der reis verbrak.Des avonds kampeerden zij in een geheel opene vlakte; doch aan den horizon ontdekten zij eenig groen, waarover zij zich zeer verheugden, omdat zij eindelijk weder eene streek zouden betreden, die door den brand was gespaard.Den volgenden dag, twee uren voor zonsopgang, gaf de Babbelaar het teeken tot vertrek.Deze dag was nog vermoeiender dan de vorige; de reizigers waren letterlijk uitgeput toen men het kamp opsloeg.De Babbelaar had den generaal niet misleid; de ligging was uitnemend gekozen, om een aanval af te slaan; wij zullen haar niet beschrijven, daar de lezer haar reeds kent; het was op dezelfde plaats, waar de jagers zich bevonden, toen wij hen voor de eerste maal ten tooneele voerden.De generaal, na een blik om zich heen geworpen te hebben, kon zich niet weerhouden zijne tevredenheid te betuigen.»Bravo!” zeide hij tot den gids, »wij hadden bijna onoverkomelijke hinderpalen te overwinnen om hier te komen; maar nu wij er eenmaal zijn, kunnen wij er des noods een beleg uithouden.”De gids antwoordde niet; hij boog zich met een dubbelzinnigen glimlach, en ging heen.»Het is vreemd,” mompelde de generaal; »het gedrag van dien man is schijnbaar onberispelijk, en ik heb hem niet het minste verwijt te doen; maar toch, waarom weet ik niet, heb ik een voorgevoel, dat hij ons misleidt, en dat hij eenig duivelsch opzet tegen ons in den zin heeft.”De generaal was een oud soldaat van veel ondervinding, die niets wilde overlaten aan het toeval, diendeus ex machina, die in één sekonde de best ontworpene plannen verijdelt. Ondanks de vermoeidheid zijner manschappen, wilde hij geen minuut verliezen; door den kapitein bijgestaan, liet hij een groote menigte boomen vellen, ten einde een stevige verschansing te vormen. Achter die verschansing groeven de lanceros een breede gracht, waarvan zij de aarde aan de zijde van het kamp wierpen; achter die tweede omheining eindelijk werden de pakken op elkander gestapeld, ten einde een derden en laatsten wal te vormen.Men richtte de tent in het midden van het kamp op; de schildwachten[74]werden uitgezet, en ieder gaf zich aan een welverdiende rust over.De generaal, die van plan was eenigen tijd hier te vertoeven, wilde zooveel mogelijk voor de veiligheid zijner kameraden zorgen, en meende daarin volkomen geslaagd te zijn.Sedert twee dagen hadden de reizigers over slechte wegen geloopen, zonder te slapen, en bijna nergens zich langer ophoudende dan hoog noodig was om iets te gebruiken; zij waren, gelijk wij reeds zeiden, uitgeput door vermoeienis, en ondanks al hun verlangen om wakker te blijven, hadden de schildwachten geen weêrstand kunnen bieden aan den slaap die hen overmeesterde, en weldra waren zij in diepe sluimering verzonken. Tegen middernacht terwijl iedereen in het kamp nog rustig sliep, stond een der mannen heel zachtjes op, en in het donker vlug als een slang wegsluipende, gleed hij over debarricadenen wallen heen. Toen legde hij zich op den grond neder, en richtte zich bijna onmerkbaar op handen en voeten voortkruipende, door het hooge gras naar een woud, dat de helling van den heuvel bedekte en zich ver in de prairie uitstrekte. Op eenigen afstand gekomen, en zeker van niet meer ontdekt te zullen worden, richtte hij zich op. De maan van tusschen de wolken te voorschijn komende verlichtte de gestalte.… van den Babbelaar.Hij zag zorgvuldig om zich heen, spitste de ooren, en bootste, met ongelooflijke volkomenheid, het gehuil van den hond der prairiën na. Bijna op hetzelfde oogenblik werd dezelfde kreet herhaald, en kwam er niet ver van den Babbelaar een man te voorschijn. Die man was de gids, die voor drie dagen bij het opkomen van den brand, uit het kamp ontsnapt was.

Wij zullen de jagers het spoor der roodhuiden laten vervolgen, en tot den generaal terugkeeren.

Eenige oogenblikken nadat de twee mannen het kamp der Mexicanen verlaten hadden, verliet de generaal de tent, en een onderzoekenden blik om zich heen slaande, begon hij met een bedrukt gelaat heen en weêr te loopen. De gebeurtenissen van dien nacht hadden een diepen indruk gemaakt op den ouden soldaat. Voor de eerste maal misschien sedert hij dezen tocht ondernomen had, zag hij hem in het ware daglicht; hij vroeg zich af of hij inderdaad wel het recht had, om aan dat leven vol gevaren en gedurige hinderlagen een meisje bloot te stellen, van den leeftijd zijner nicht, die tot nu toe kalm en rustighad voortgeleefd, en waarschijnlijk zich niet zou kunnen gewennen aan de onophoudelijke gevaren en inspanningen van het leven in de prairiën, die in korten tijd zelfs de meest geharde gestellen ondermijnen. Zijn verlegenheid was groot. Hij aanbad zijne nicht; zij was zijn eenige liefde, zijn eenige troost; voor haar zou hij duizendmaal, al wat hij bezat, zonder spijt[70]en wroeging hebben opgeofferd; maar van den anderen kant, de redenen die hem hadden aangespoord dezen hachelijken tocht te wagen, waren zóó belangrijk, dat hij rilde en ijsde op de gedachte van hem op te geven.

»Wat moet ik doen?…” zeide hij; »wat moet ik doen?”DoñaLuz, die op hare beurt de tent verliet, bemerkte dat haar oom nog altijd op en neêr wandelde; zij liep naar hem toe, en de armen om zijn hals slaande, zeide zij:

»Goeden morgen, lieve oom.”

»Goeden morgen, mijn kind,” antwoordde de generaal.—»Wel, wel, wat zijt gij vroolijk van morgen.” En hij gaf de liefkoozingen waarmede zij hem overlaadde, met woeker terug.

»Waarom zou ik niet vroolijk zijn, oom? wij zijn, God dank! aan een groot gevaar ontsnapt, de natuur schijnt ons toe te lachen, de vogels zingen in de takken, de zon koestert ons met haar stralen; wij zouden ondankbaar zijn jegens onzen Schepper, zoo wij ongevoelig bleven voor deze openbaring zijner macht.”

»Dus hebben de gevaren van dezen nacht geen treurigen indruk op uw gemoed achtergelaten, lief kind.”

»Volstrekt niet, oom, maar veeleer innige dankbaarheid voor de weldaden, waarmede God ons overlaadt.”

»Goed, mijn kind,” antwoordde de generaal verheugd, »ik ben blijde u zoo te hooren spreken.”

»Des te beter, zoo het u genoegen doet, oomlief.”

»Zoodat,” hernam de generaal, zijn gedachtenloop volgende, »zoodat het leven dat wij leiden u niet vermoeit.”

»Geenszins, ik vind het heel prettig, en vooral heel avontuurlijk.”

»Ja, dat is het zeker; maar, mij dunkt dat wij met dat al onze redders vergeten.”

»Zij zijn al weg,” antwoorddedoñaLuz.

»Zijn zij al weg?” zeide de generaal sidderend.

»Reeds voor een uur zijn zij vertrokken.”

»Hoe weet gij dat, lieve nicht?”

»Dat heeft een heel eenvoudige reden, oom; zij hebben mij vaarwel gezegd, alvorens ons te verlaten.”

»Dat is alles behalve braaf gehandeld,” prevelde de generaal ter nedergeslagen, »eene dienstbetooning verplicht zoowel hen, die haar bewijzen, als hen, aan wie zij bewezen wordt; zij hadden ons niet moeten verlaten, zonder ons te zeggen, of wij hen ooit zouden mogen wederzien, en zelfs zonder ons hunne namen achter te laten.”

»Die weet ik.”

»Gij weet die, mijn kind?” vroeg de generaal verbaasd.

»Ja, oom; eer zij weggingen hebben zij mij die medegedeeld.”

»En … hoe heeten zij?” vroeg de generaal angstig.

»De jongste, Goedsmoeds.”

»En de oudste?”[71]

»Edelhart.”

»O, ik moet die mannen wedervinden,” zeide de generaal met eene ontroering, waarvan hij zich geen rekenschap wist te geven.

»Wie weet?” antwoordde het meisje peinzend, »bij het eerste gevaar misschien, dat ons bedreigen zal, zien wij hen als twee reddende engelen weder verschijnen.”

»God geve, dat wij niet aan een dergelijke oorzaak hun terugkeer tot ons zullen te danken hebben.”

De kapitein kwam hun goeden morgen wenschen.

»Nu, kapitein,” zeide de generaal lachend, »zijn uwe manschappen van hunne vermoeienissen uitgerust?”

»Geheel en al, generaal,” antwoordde de jonge man; »zij zijn gereed, om op het eerste kommando op te breken.”

»Na het ontbijt zullen wij gaan; wees daarom zoo goed de noodige bevelen aan de lanceros te geven en den Babbelaar bij mij te zenden.”

De kapitein ging weg.

»Wat u betreft, nicht,” ging de generaal voort, zich totdoñaLuz wendende, »ga gij voor het ontbijt zorgen, terwijl ik mij met den gids onderhoud.”

Het meisje ijlde heen.

Weldra verscheen de Babbelaar. Zijn blik was donkerder, zijn gelaat ontevredener dan anders.

De generaal scheen het echter niet op te merken.

»Gij weet,” zeide hij tot hem, »dat ik u gisteren mijn plan heb medegedeeld, om eene plek te vinden waar mijn troep gedurende eenige dagen in veiligheid kampeeren kan.”

»Ja, generaal.”

»Gij hebt mij verzekerd eene plaats te kennen, die daartoe uitnemend geschikt was?”

»Ja, generaal.”

»Zijt gij bereid om er mij naar toe te brengen?”

»Zooals gij verkiest.”

»Hoeveel tijd hebben wij noodig, om er te komen?”

»Twee dagen.”

»Zeer goed. Wij zullen dadelijk na het ontbijt vertrekken.”

De Babbelaar boog zonder antwoord te geven.

»A propos!” zeide de generaal met geveinsde onverschilligheid, »is er niet één van uwe manschappen verdwenen?”

»Ja.”

»Wat is er van hem geworden?”

»Ik weet het niet.”

»Hoe, gij weet het niet?” riep de generaal met een uitvorschenden blik.

»Neen. Toen hij den brand zag, is hij bang geworden, en heeft zich uit de voeten gemaakt.”

»En?”[72]

»Hij is waarschijnlijk het slachtoffer zijner lafhartigheid geworden.”

»Wat meent gij?”

»Hij zal verbrand zijn.”

»Arme kerel!”

Een duivelsche lach speelde om de lippen van den gids.

»Hebt gij mij niets meer te zeggen, generaal?”

»Neen … o ja, wacht eens.”

»Ik wacht.”

»Kent gij die twee jagers niet, die ons dezen nacht een zoo groote dienst bewezen hebben?”

»Iedereen kent ze in de prairie.”

»Wat zijn het voor menschen?”

»Pelsjagers.”

»Dat vraag ik u niet.”

»Wat vraagt gij dan?”

»Ik bedoel hun gedrag.”

»Dat weet ik niet.”

»Hoe heeten zij?”

»Goedsmoeds en Edelhart.”

»En weet gij niets van hun leven?”

»Niets.…”

»Het is goed; gij kunt weg gaan.”

De gids maakte eene buiging, en keerde langzaam tot zijne kameraden terug, die zich tot het vertrek gereed maakten.

»Hm!” prevelde de generaal, »ik zal op dien schurk het oog houden; er is veel geheimzinnigs in zijne wijze van handelen.”

Na dit onderhoud trad de generaal de tent binnen, waar de kapitein, de doctor endoñaLuz hem aan het ontbijt zaten te wachten.

Het maal was spoedig afgeloopen. Een half uur later was de tent opgevouwen, waren de koffers op de muilezels geladen, en hervatte de karavaan haar tocht onder geleide van den Babbelaar, die als wegwijzer een twintigtal passen vooruit ging.

De prairie had sedert den vorigen dag een geheel ander aanzien bekomen. De zwarte en verbrande aarde was bedekt met hoopen smeulende asch; verkoolde, maar nog overeind staande boomen vertoonden hier en daar hun treurig geraamte; van verre loeiden de vlammen nog altijd voort, en dikke rookwolken maakten den horizon onzichtbaar.

De paarden liepen voorzichtig voort over dezen noodlottigen bodem, waar zij vaak struikelden over de beenderen der door den brand overvallen wilde dieren.

Een sombere droefheid, nog verhoogd door den aanblik van het landschap, dat zich voor hen ontrolde, had zich van de reizigers meester gemaakt; zij liepen sprakeloos in gepeinzen verdiept, achter elkander voort.

De weg, dien zij volgden, liep kronkelend in een nauwe diepte[73]tusschen twee heuvels door, in de oude bedding van een uitgedroogde rivier. De grond, dien de hoeven der paarden omwoelden, bestond uit ronde keisteenen, die onder hunne pooten weggleden en de moeielijkheden van den marsch vermeerderden; de brandende zonnestralen vielen loodrecht op de reizigers neder, zonder dat zij er zich tegen konden beschutten; want het land dat zij doorkruisten had volkomen het aanzien gekregen van die uitgestrekte woestijnen die men in het binnenland van Afrika aantreft.

Zoo verliep de dag, zonder dat, behalve de vermoeienis, die hen afmatte, eenig voorval de eentonigheid der reis verbrak.

Des avonds kampeerden zij in een geheel opene vlakte; doch aan den horizon ontdekten zij eenig groen, waarover zij zich zeer verheugden, omdat zij eindelijk weder eene streek zouden betreden, die door den brand was gespaard.

Den volgenden dag, twee uren voor zonsopgang, gaf de Babbelaar het teeken tot vertrek.

Deze dag was nog vermoeiender dan de vorige; de reizigers waren letterlijk uitgeput toen men het kamp opsloeg.

De Babbelaar had den generaal niet misleid; de ligging was uitnemend gekozen, om een aanval af te slaan; wij zullen haar niet beschrijven, daar de lezer haar reeds kent; het was op dezelfde plaats, waar de jagers zich bevonden, toen wij hen voor de eerste maal ten tooneele voerden.

De generaal, na een blik om zich heen geworpen te hebben, kon zich niet weerhouden zijne tevredenheid te betuigen.

»Bravo!” zeide hij tot den gids, »wij hadden bijna onoverkomelijke hinderpalen te overwinnen om hier te komen; maar nu wij er eenmaal zijn, kunnen wij er des noods een beleg uithouden.”

De gids antwoordde niet; hij boog zich met een dubbelzinnigen glimlach, en ging heen.

»Het is vreemd,” mompelde de generaal; »het gedrag van dien man is schijnbaar onberispelijk, en ik heb hem niet het minste verwijt te doen; maar toch, waarom weet ik niet, heb ik een voorgevoel, dat hij ons misleidt, en dat hij eenig duivelsch opzet tegen ons in den zin heeft.”

De generaal was een oud soldaat van veel ondervinding, die niets wilde overlaten aan het toeval, diendeus ex machina, die in één sekonde de best ontworpene plannen verijdelt. Ondanks de vermoeidheid zijner manschappen, wilde hij geen minuut verliezen; door den kapitein bijgestaan, liet hij een groote menigte boomen vellen, ten einde een stevige verschansing te vormen. Achter die verschansing groeven de lanceros een breede gracht, waarvan zij de aarde aan de zijde van het kamp wierpen; achter die tweede omheining eindelijk werden de pakken op elkander gestapeld, ten einde een derden en laatsten wal te vormen.

Men richtte de tent in het midden van het kamp op; de schildwachten[74]werden uitgezet, en ieder gaf zich aan een welverdiende rust over.

De generaal, die van plan was eenigen tijd hier te vertoeven, wilde zooveel mogelijk voor de veiligheid zijner kameraden zorgen, en meende daarin volkomen geslaagd te zijn.

Sedert twee dagen hadden de reizigers over slechte wegen geloopen, zonder te slapen, en bijna nergens zich langer ophoudende dan hoog noodig was om iets te gebruiken; zij waren, gelijk wij reeds zeiden, uitgeput door vermoeienis, en ondanks al hun verlangen om wakker te blijven, hadden de schildwachten geen weêrstand kunnen bieden aan den slaap die hen overmeesterde, en weldra waren zij in diepe sluimering verzonken. Tegen middernacht terwijl iedereen in het kamp nog rustig sliep, stond een der mannen heel zachtjes op, en in het donker vlug als een slang wegsluipende, gleed hij over debarricadenen wallen heen. Toen legde hij zich op den grond neder, en richtte zich bijna onmerkbaar op handen en voeten voortkruipende, door het hooge gras naar een woud, dat de helling van den heuvel bedekte en zich ver in de prairie uitstrekte. Op eenigen afstand gekomen, en zeker van niet meer ontdekt te zullen worden, richtte hij zich op. De maan van tusschen de wolken te voorschijn komende verlichtte de gestalte.… van den Babbelaar.

Hij zag zorgvuldig om zich heen, spitste de ooren, en bootste, met ongelooflijke volkomenheid, het gehuil van den hond der prairiën na. Bijna op hetzelfde oogenblik werd dezelfde kreet herhaald, en kwam er niet ver van den Babbelaar een man te voorschijn. Die man was de gids, die voor drie dagen bij het opkomen van den brand, uit het kamp ontsnapt was.


Back to IndexNext