VI.

[Inhoud]VI.DE REDDER.Om den lezer den toestand begrijpelijk te maken, waarin de jagers zich bevonden, is het noodig tot het Comanchenhoofd terug te keeren.Nauwelijks waren zijne vijanden tusschen de boomen verdwenen, of de Arendskop richtte zich zachtjes op, boog zijn lichaam voorover, en luisterde om zich te verzekeren, dat zij zich werkelijk verwijderden. Zoodra hij deze zekerheid verkregen had, verscheurde hij een stuk van zijnblankett—het kleed dat zijne heupen bedekte—waarmede hij zoo goed en zoo kwaad als hij kon, zijn arm verbond, en ondanks zijne zwakheid en de hevige pijn die hij doorstond, volgde hij behoedzaam het spoor der jagers. Hij vergezelde hen aldus, zonder gezien te worden, tot aan de grenzen van het kamp. Daar, achter een ebbenboom verscholen, was hij, zonder zich te kunnen verzetten, getuige van het zoeken der jagers naar hunne vallen, en eindelijk van hun vertrek, nadat zij ze gevonden hadden.Ofschoon de speurhonden der jagers uitmuntende dieren waren die de Indianen van verre roken, hadden zij zich door een toeval, dat het behoud van den hoofdman was, gulzig op de overblijfselen van het maal der Roodhuiden geworpen, en hunne meesters, weinig denkende, dat zij bespied werden, hadden het niet noodig geacht, hen tot de orde terug te roepen.De Comanchen waren eindelijk in het kamp teruggekomen, na er met ongehoorde moeite in geslaagd te zijn, hunne paarden weder te vinden.Het gezicht van hun gewonden hoofdman wekte in hooge mate hunne verbazing en verbolgenheid op, hetgeen den Arendskop zeer te stade kwam, om hen op nieuw tot het vervolgen der jagers aan te vuren, die in het loopen gehinderd door de vallen die zij droegen,[50]niet ver af konden zijn, en hun zonder missen in handen moesten vallen.Slechts een oogenblik hadden zij zich door de list van Edelhart laten misleiden, en weldra ontdekten zij in de eerste boomen van het woud de ondubbelzinnige sporen van de richting, die hunne vijanden volgden.Beschaamd en wrevelig, dat hij dus de speelbal was geweest van twee onverschrokken mannen, wier listen al zijne berekeningen in de war brachten, besloot de Arendskop om er voor goed een eind aan te maken, en bracht hij zijn duivelsch voornemen om de prairie in brand te steken, onmiddellijk ten uitvoer. Door dit middel, ten minste hij twijfelde er niet aan, moesten zijne geduchte vijanden weldra in zijne handen vallen. Na alzoo zijne krijgslieden in verschillende richtingen uitgezonden te hebben, ten einde een wijden kring te vormen, deed hij op verschillende plaatsen tegelijk het hooge gras in brand steken.Deze maatregel, ofschoon barbaarsch en alleen wilden waardig, was niet kwaad bedacht.De jagers, na vergeefs beproefd te hebben aan den vuurpoel te ontsnappen, die hen weldra van alle kanten zou omringen, zouden tegen wil en dank verplicht zijn om zich aan hunne woeste vijanden over te geven, zoo zij ten minste niet levend verbrand wilden worden.De Arendskop had alles berekend, alles voorzien, behalve één zeer eenvoudige en gemakkelijk te volbrengen zaak, de eenige kans van behoud, die aan Edelhart overbleef.Gelijk wij gezegd hebben, hadden, op bevel van hun opperhoofd, de krijgslieden zich in alle richtingen verstrooid, en op verschillende plaatsen tegelijk vuur aangebracht.In dit vergevorderde jaargetijde waren de planten en grashalmen door de loodrechte stralen der zomerzon verschroeid, onmiddellijk ontvlamd, en het vuur had zich met schrikbarende snelheid in alle richtingen verspreid; niet snel genoeg echter, of het duurde nog eenigen tijd eer de vlammen zich vereenigd hadden.Edelhart aarzelde niet: terwijl de Indianen als duivels om den slagboom van vuur, waarmede zij aan hunne vijanden den weg wilden versperren, heenliepen, en een vroolijk gebrul lieten hooren, had de jager, door zijn vriend gevolgd, zich in snellen loop tusschen twee muren van vuur geworpen, die rechts en links van hem af brandden en sisten, en tegelijkertijd dreigden zich onder en boven hem te zullen vereenigen. Te midden der verkoolde boomen, die krakend neêrvielen, verblind door dikke rookwolken die hun het ademhalen beletten, gezengd door de vonken die van alle kanten op hen neêrregenden, volgden zij onverschrokken hun pad onder een gewelf van vlammen door, en het gelukte den moedigen avonturiers, om ten koste van eenige onbeduidende brandwonden zich door den heilloozen ringmuur heen te slaan, onder welken de Indianen gedacht[51]hadden hen voor eeuwig te zullen begraven en reeds waren zij verre van hunne vijanden verwijderd, toen deze nog luide hun vreugdegejuich deden hooren over den gelukkigen uitslag hunner krijgslist.De brand kreeg ondertusschen een ontzettend aanzien, het woud kroop weg onder de omarming van het vuur; de prairie was een net van vlammen, te midden waarvan de wilde dieren, door deze onverwachte ramp uit hunne schuilplaatsen verdreven, angstig heen en weder liepen. De lucht was bloedig gekleurd en een onstuimige wind joeg rook en vlammen woest voor zich heen.De Indianen zelven waren verschrikt over hun werk, toen zij van alle kanten op de bergen geheele bosschen, als zoovele noodlottige fakkels zagen ontvlammen, toen de aarde overal warm werd en ontzaglijke kudden buffels den grond deden trillen, onder het uitstooten van een wanhopig geloei, dat het moedigste hart met schrik vervulde.In het kamp der Mexicanen heerschte de grootste verwarring; het was een vervaarlijk geraas, de paarden hadden hunne banden gebroken en vluchtten in alle richtingen, de mannen grepen naar hunne wapenen en naar hun kruit, anderen voerden de zadels en pakken weg. Ieder schreeuwde, vloekte, kommandeerde, allen liepen als gekken door het kamp rond.Het vuur naderde statig, alles op zijn weg verslindende, voorafgegaan door eene tallooze menigte van allerlei dieren, die angstig brullend, het gevaar dat hen dreigde, trachtten te ontvlieden.Een dikke rook, met vonken beladen, overdekte reeds het kamp der Mexicanen; nog twintig minuten, en het was met hen gedaan.De generaal, zijn nicht in de armen sluitende, vroeg tevergeefs aan de gidsen, naar middelen die het dreigend gevaar konden afwenden. Deze mannen, versteend van schrik, hadden alle tegenwoordigheid van geest verloren. En wat konden zij er ook tegen doen? de vlammen vormden een ontzaglijken kring, waarvan het kamp het middelpunt was geworden.De Generaal, zijn nicht in de armen sluitende, bladz. 51.De Generaal, zijn nicht in de armen sluitende, bladz. 51.Eensklaps echter was de wind, die tot nu toe het vuur had aangeblazen, gaan liggen. Er woei geen tochtje meer. De gang van het vuur werd langzamer. De voorzienigheid verlengde het leven dezer ongelukkigen met eenige minuten.Op dit oogenblik bood het kamp een vreemd schouwspel aan. Al deze mannen hadden als verstijfd van schrik zelfs het instinct van zelfbehoud verloren. De Lanceros gingen bij elkander te biecht. De gidsen waren met wanhoop geslagen, en verroerden zich niet.De generaal morde tegen den hemel. De doctor betreurde de plant, die hij vruchteloos gezocht had; de gedachte daaraan verdrong bij hem elk ander denkbeeld.DoñaLuz lag met gevouwen handen en gebogen knieën te bidden. Het vuur met zijne voorhoede van wilde dieren naderde meer en meer.»O!” riep de generaal, met geweld den gids bij den arm schuddende,[52]»zult gij ons dan aldus laten verbranden, zonder zelfs een poging tot redding in het werk te stellen?”»Wat kan men doen tegen Gods wil?” antwoordde de Babbelaar onbewogen.»Is er dan geen enkel middel om ons van den dood te bevrijden?”»Geen enkel!”»Ja, één is er!” riep nu een man, die met half verbrande haren en verzengd gelaat, en door nog een ander gevolgd, zich over de pakken heen, plotseling in het kamp stortte.»Wie zijt gij?” vroeg de generaal verrast.»Dat doet er niet toe,” antwoordde de vreemdeling kortaf; »ik kom u redden! Mijn vriend en ik waren reeds buiten gevaar; om u te helpen hebben wij niets te zwaar geacht; dit zij u genoeg. Uw behoud hangt nu alleen van u zelven af: gij behoeft het slechts te willen.”»Beveel,” antwoordde de generaal, »ik zal de eerste zijn om u te gehoorzamen.”»Hebt gij dan geen gidsen bij u?”»Ja!”»Nu, dan zijn het verraders of lafaards: want het middel dat ik zal aanwenden, is aan ieder bewoner der prairie bekend.”De generaal wierp den Babbelaar, die bij de plotselinge verschijning der twee onbekenden eene rilling niet had kunnen weêrhouden, een wantrouwenden blik toe.»Overigens,” zoo ging de jager voort, »is dit eene zaak, die gij later met hen kunt afrekenen; nu hebben wij wat anders te doen.”Op het gezag van dezen vastberaden man, hadden de Mexicanen als van zelf hunne hoop en hun moed voelen terugkeeren, en zij hielden zich gereed om zijne bevelen met allen spoed ten uitvoer te brengen.»Haast u,” zeide de jager, »ruk al het gras uit dat het kamp omringt.—Ieder zette zich aan ’t werk.—Wij,” zoo vervolgde de jager, zich tot den generaal wendende, »zullen intusschen natte zeilen over de pakken uitstrekken.”—De generaal, de kapitein en de doctor, door den jager geleid, deden wat deze beval, terwijl zijn medgezel de paarden en muilezels midden in het kamp aan eenige palen vastbond.»Haast u! haast u!” riep de vreemdeling gedurig, »de brand nadert.” Ieder verdubbelde zijn ijver. Weldra was over een groote ruimte het gras uitgerukt.DoñaLuz zag met bewondering naar dien vreemden man, zoo onverwacht te voorschijn gekomen, juist op het oogenblik, dat het dreigend gevaar op het punt stond hen allen te verslinden, en die toch onder alles even kalm en bedaard bleef, als bezat hij de macht om het onheil, dat hen met reuzenschreden naderde, met een enkel[53]woord te bezweren. Het meisje kon niet nalaten haar blikken op hem te vestigen; zij voelde zich onbewust tot dien onbekenden redder getrokken, wiens stem en gebaren, wiens geheele persoonlijkheid een magtigen indruk op haar maakte.Toen het gras en de planten waren uitgeroeid met dien koortsachtigen spoed, die door het dreigend doodsgevaar werd aangewakkerd, glimlachte de jager even.»Nu,” zeide hij, zich tot de Mexicanen richtende, »nu gaat het overige mijn vriend en mij aan: laat ons nu handelen; wat u betreft, wikkelt u allen in natgemaakte kleederen.”—Ieder volgde zijn raad. De vreemdeling wierp een blik om zich heen, en vervolgens zijn makker een teeken gevende, liep hij het vuur te gemoet.»Ik verlaat u niet,” zeide de generaal.»Kom dan,” antwoordde de vreemdeling.Aan het einde der ruimte gekomen, waarop het gras uitgerukt was, maakte de jager een bundel van planten en droge takken, wierp er een weinig kruit in, en stak er den brand in.»Wat doet gij daar?” riep de generaal verschrikt uit.»Dat ziet gij: ik bestrijd het vuur met het vuur,” antwoordde de jager eenvoudig.Zijn makker had aan den tegenovergestelden kant hetzelfde gedaan.Snel verhief zich een gordijn van vlammen, en gedurende eenige oogenblikken was het kamp bijna onder een gewelf van vuur begraven. Er verliep een kwartier van verschrikkelijken angst, en van gespannen verwachting. Langzamerhand werden de vlammen minder dik en de lucht zuiverde, de rook verdunde zich en het geloei van den brand nam af. Eindelijk kon men in dien vreeselijken chaos elkander weder herkennen. Een kreet van verrukking ging uit aller mond op. Het kamp was gered!De brand, waarvan het geloei hoe langer hoe doffer werd, ging, door den jager overwonnen, in andere richtingen zijn verwoestingen verspreiden.Allen liepen op den vreemdeling toe, om hun dank te betuigen.»Gij hebt mijne nicht het leven gered,” zeide de generaal, »hoe zal ik ooit mijn schuld aan u betalen?”»Gij zijt mij niets schuldig, mijnheer,” antwoordde de jager met edele eenvoudigheid; »in de prairie zijn alle menschen broeders; ik heb niets dan mijn plicht gedaan.”Toen het eerste oogenblik van vreugd voorbij was, en men de orde in het kamp een weinig hersteld had, begon ieder naar rust te verlangen, hetgeen na de verschrikkingen en vermoeienissen van dien nacht zeer natuurlijk was.De twee vreemdelingen, die beleefd maar standvastig alle voordeelen hadden van de hand gewezen, hun door den generaal aangeboden, hadden zich onbezorgd op de balen uitgestrekt, om eenige uren te rusten. Even voordat de zon opging, stonden zij op.[54]»De grond moet al koud zijn,” zeide de een, »laat ons heen gaan, eer die menschen ontwaken; zij zouden misschien ons zoo niet laten vertrekken.”»Ja, laten wij gaan,” antwoordde de ander.Toen zij het kamp verlieten, werd de schouder van den eerste licht aangeraakt; hij keerde zich om.DoñaLuz stond voor hem. De twee mannen bleven staan, en groetten de jonge dame eerbiedig.»Gaat gij ons verlaten?” vroeg zij met een zachte, welluidende stem.»Het moet,señorita,” antwoordde een der jagers.»Ik begrijp u,” zeide zij met een bekoorlijken glimlach. »Thans, nu wij, dank zij uwe hulp, gered zijn, hebt gij hier niets meer te doen, niet waar?”De twee mannen bogen, zonder te antwoorden.»Sta mij een gunst toe,” zeide zij.»Spreek, mevrouw.”Zij nam een klein crucifix, met diamanten ingelegd, dat zij op de borst droeg.»Bewaar dit ter herinnering aan mij.”De jager aarzelde.»Ik bid er u om,” prevelde zij met tranen in de oogen.»Ik neem het aan, mevrouw,” zeide de jager bewogen, het kruis op zijne borst bij zijn scapulier plaatsende; »het zal mij een talisman zijn bij die, welke mijne moeder mij gegeven heeft.”»Ik dank u,” antwoordde het meisje verheugd; »nog eene vraag!”»Spreek!”»Hoe zijn uwe namen?”»Mijn makker heet Goedsmoeds.”»Maar gij?”»Edelhart.”Na nog eenmaal gebogen te hebben, verwijderden de beide jagers zich haastig, en waren spoedig in de duisternis verdwenen.DoñaLuz volgde hen zoolang zij kon met de oogen; vervolgens keerde zij langzaam naar de tent terug, half luid prevelende: »Edelhart!… O, ik zal het niet vergeten!…”

[Inhoud]VI.DE REDDER.Om den lezer den toestand begrijpelijk te maken, waarin de jagers zich bevonden, is het noodig tot het Comanchenhoofd terug te keeren.Nauwelijks waren zijne vijanden tusschen de boomen verdwenen, of de Arendskop richtte zich zachtjes op, boog zijn lichaam voorover, en luisterde om zich te verzekeren, dat zij zich werkelijk verwijderden. Zoodra hij deze zekerheid verkregen had, verscheurde hij een stuk van zijnblankett—het kleed dat zijne heupen bedekte—waarmede hij zoo goed en zoo kwaad als hij kon, zijn arm verbond, en ondanks zijne zwakheid en de hevige pijn die hij doorstond, volgde hij behoedzaam het spoor der jagers. Hij vergezelde hen aldus, zonder gezien te worden, tot aan de grenzen van het kamp. Daar, achter een ebbenboom verscholen, was hij, zonder zich te kunnen verzetten, getuige van het zoeken der jagers naar hunne vallen, en eindelijk van hun vertrek, nadat zij ze gevonden hadden.Ofschoon de speurhonden der jagers uitmuntende dieren waren die de Indianen van verre roken, hadden zij zich door een toeval, dat het behoud van den hoofdman was, gulzig op de overblijfselen van het maal der Roodhuiden geworpen, en hunne meesters, weinig denkende, dat zij bespied werden, hadden het niet noodig geacht, hen tot de orde terug te roepen.De Comanchen waren eindelijk in het kamp teruggekomen, na er met ongehoorde moeite in geslaagd te zijn, hunne paarden weder te vinden.Het gezicht van hun gewonden hoofdman wekte in hooge mate hunne verbazing en verbolgenheid op, hetgeen den Arendskop zeer te stade kwam, om hen op nieuw tot het vervolgen der jagers aan te vuren, die in het loopen gehinderd door de vallen die zij droegen,[50]niet ver af konden zijn, en hun zonder missen in handen moesten vallen.Slechts een oogenblik hadden zij zich door de list van Edelhart laten misleiden, en weldra ontdekten zij in de eerste boomen van het woud de ondubbelzinnige sporen van de richting, die hunne vijanden volgden.Beschaamd en wrevelig, dat hij dus de speelbal was geweest van twee onverschrokken mannen, wier listen al zijne berekeningen in de war brachten, besloot de Arendskop om er voor goed een eind aan te maken, en bracht hij zijn duivelsch voornemen om de prairie in brand te steken, onmiddellijk ten uitvoer. Door dit middel, ten minste hij twijfelde er niet aan, moesten zijne geduchte vijanden weldra in zijne handen vallen. Na alzoo zijne krijgslieden in verschillende richtingen uitgezonden te hebben, ten einde een wijden kring te vormen, deed hij op verschillende plaatsen tegelijk het hooge gras in brand steken.Deze maatregel, ofschoon barbaarsch en alleen wilden waardig, was niet kwaad bedacht.De jagers, na vergeefs beproefd te hebben aan den vuurpoel te ontsnappen, die hen weldra van alle kanten zou omringen, zouden tegen wil en dank verplicht zijn om zich aan hunne woeste vijanden over te geven, zoo zij ten minste niet levend verbrand wilden worden.De Arendskop had alles berekend, alles voorzien, behalve één zeer eenvoudige en gemakkelijk te volbrengen zaak, de eenige kans van behoud, die aan Edelhart overbleef.Gelijk wij gezegd hebben, hadden, op bevel van hun opperhoofd, de krijgslieden zich in alle richtingen verstrooid, en op verschillende plaatsen tegelijk vuur aangebracht.In dit vergevorderde jaargetijde waren de planten en grashalmen door de loodrechte stralen der zomerzon verschroeid, onmiddellijk ontvlamd, en het vuur had zich met schrikbarende snelheid in alle richtingen verspreid; niet snel genoeg echter, of het duurde nog eenigen tijd eer de vlammen zich vereenigd hadden.Edelhart aarzelde niet: terwijl de Indianen als duivels om den slagboom van vuur, waarmede zij aan hunne vijanden den weg wilden versperren, heenliepen, en een vroolijk gebrul lieten hooren, had de jager, door zijn vriend gevolgd, zich in snellen loop tusschen twee muren van vuur geworpen, die rechts en links van hem af brandden en sisten, en tegelijkertijd dreigden zich onder en boven hem te zullen vereenigen. Te midden der verkoolde boomen, die krakend neêrvielen, verblind door dikke rookwolken die hun het ademhalen beletten, gezengd door de vonken die van alle kanten op hen neêrregenden, volgden zij onverschrokken hun pad onder een gewelf van vlammen door, en het gelukte den moedigen avonturiers, om ten koste van eenige onbeduidende brandwonden zich door den heilloozen ringmuur heen te slaan, onder welken de Indianen gedacht[51]hadden hen voor eeuwig te zullen begraven en reeds waren zij verre van hunne vijanden verwijderd, toen deze nog luide hun vreugdegejuich deden hooren over den gelukkigen uitslag hunner krijgslist.De brand kreeg ondertusschen een ontzettend aanzien, het woud kroop weg onder de omarming van het vuur; de prairie was een net van vlammen, te midden waarvan de wilde dieren, door deze onverwachte ramp uit hunne schuilplaatsen verdreven, angstig heen en weder liepen. De lucht was bloedig gekleurd en een onstuimige wind joeg rook en vlammen woest voor zich heen.De Indianen zelven waren verschrikt over hun werk, toen zij van alle kanten op de bergen geheele bosschen, als zoovele noodlottige fakkels zagen ontvlammen, toen de aarde overal warm werd en ontzaglijke kudden buffels den grond deden trillen, onder het uitstooten van een wanhopig geloei, dat het moedigste hart met schrik vervulde.In het kamp der Mexicanen heerschte de grootste verwarring; het was een vervaarlijk geraas, de paarden hadden hunne banden gebroken en vluchtten in alle richtingen, de mannen grepen naar hunne wapenen en naar hun kruit, anderen voerden de zadels en pakken weg. Ieder schreeuwde, vloekte, kommandeerde, allen liepen als gekken door het kamp rond.Het vuur naderde statig, alles op zijn weg verslindende, voorafgegaan door eene tallooze menigte van allerlei dieren, die angstig brullend, het gevaar dat hen dreigde, trachtten te ontvlieden.Een dikke rook, met vonken beladen, overdekte reeds het kamp der Mexicanen; nog twintig minuten, en het was met hen gedaan.De generaal, zijn nicht in de armen sluitende, vroeg tevergeefs aan de gidsen, naar middelen die het dreigend gevaar konden afwenden. Deze mannen, versteend van schrik, hadden alle tegenwoordigheid van geest verloren. En wat konden zij er ook tegen doen? de vlammen vormden een ontzaglijken kring, waarvan het kamp het middelpunt was geworden.De Generaal, zijn nicht in de armen sluitende, bladz. 51.De Generaal, zijn nicht in de armen sluitende, bladz. 51.Eensklaps echter was de wind, die tot nu toe het vuur had aangeblazen, gaan liggen. Er woei geen tochtje meer. De gang van het vuur werd langzamer. De voorzienigheid verlengde het leven dezer ongelukkigen met eenige minuten.Op dit oogenblik bood het kamp een vreemd schouwspel aan. Al deze mannen hadden als verstijfd van schrik zelfs het instinct van zelfbehoud verloren. De Lanceros gingen bij elkander te biecht. De gidsen waren met wanhoop geslagen, en verroerden zich niet.De generaal morde tegen den hemel. De doctor betreurde de plant, die hij vruchteloos gezocht had; de gedachte daaraan verdrong bij hem elk ander denkbeeld.DoñaLuz lag met gevouwen handen en gebogen knieën te bidden. Het vuur met zijne voorhoede van wilde dieren naderde meer en meer.»O!” riep de generaal, met geweld den gids bij den arm schuddende,[52]»zult gij ons dan aldus laten verbranden, zonder zelfs een poging tot redding in het werk te stellen?”»Wat kan men doen tegen Gods wil?” antwoordde de Babbelaar onbewogen.»Is er dan geen enkel middel om ons van den dood te bevrijden?”»Geen enkel!”»Ja, één is er!” riep nu een man, die met half verbrande haren en verzengd gelaat, en door nog een ander gevolgd, zich over de pakken heen, plotseling in het kamp stortte.»Wie zijt gij?” vroeg de generaal verrast.»Dat doet er niet toe,” antwoordde de vreemdeling kortaf; »ik kom u redden! Mijn vriend en ik waren reeds buiten gevaar; om u te helpen hebben wij niets te zwaar geacht; dit zij u genoeg. Uw behoud hangt nu alleen van u zelven af: gij behoeft het slechts te willen.”»Beveel,” antwoordde de generaal, »ik zal de eerste zijn om u te gehoorzamen.”»Hebt gij dan geen gidsen bij u?”»Ja!”»Nu, dan zijn het verraders of lafaards: want het middel dat ik zal aanwenden, is aan ieder bewoner der prairie bekend.”De generaal wierp den Babbelaar, die bij de plotselinge verschijning der twee onbekenden eene rilling niet had kunnen weêrhouden, een wantrouwenden blik toe.»Overigens,” zoo ging de jager voort, »is dit eene zaak, die gij later met hen kunt afrekenen; nu hebben wij wat anders te doen.”Op het gezag van dezen vastberaden man, hadden de Mexicanen als van zelf hunne hoop en hun moed voelen terugkeeren, en zij hielden zich gereed om zijne bevelen met allen spoed ten uitvoer te brengen.»Haast u,” zeide de jager, »ruk al het gras uit dat het kamp omringt.—Ieder zette zich aan ’t werk.—Wij,” zoo vervolgde de jager, zich tot den generaal wendende, »zullen intusschen natte zeilen over de pakken uitstrekken.”—De generaal, de kapitein en de doctor, door den jager geleid, deden wat deze beval, terwijl zijn medgezel de paarden en muilezels midden in het kamp aan eenige palen vastbond.»Haast u! haast u!” riep de vreemdeling gedurig, »de brand nadert.” Ieder verdubbelde zijn ijver. Weldra was over een groote ruimte het gras uitgerukt.DoñaLuz zag met bewondering naar dien vreemden man, zoo onverwacht te voorschijn gekomen, juist op het oogenblik, dat het dreigend gevaar op het punt stond hen allen te verslinden, en die toch onder alles even kalm en bedaard bleef, als bezat hij de macht om het onheil, dat hen met reuzenschreden naderde, met een enkel[53]woord te bezweren. Het meisje kon niet nalaten haar blikken op hem te vestigen; zij voelde zich onbewust tot dien onbekenden redder getrokken, wiens stem en gebaren, wiens geheele persoonlijkheid een magtigen indruk op haar maakte.Toen het gras en de planten waren uitgeroeid met dien koortsachtigen spoed, die door het dreigend doodsgevaar werd aangewakkerd, glimlachte de jager even.»Nu,” zeide hij, zich tot de Mexicanen richtende, »nu gaat het overige mijn vriend en mij aan: laat ons nu handelen; wat u betreft, wikkelt u allen in natgemaakte kleederen.”—Ieder volgde zijn raad. De vreemdeling wierp een blik om zich heen, en vervolgens zijn makker een teeken gevende, liep hij het vuur te gemoet.»Ik verlaat u niet,” zeide de generaal.»Kom dan,” antwoordde de vreemdeling.Aan het einde der ruimte gekomen, waarop het gras uitgerukt was, maakte de jager een bundel van planten en droge takken, wierp er een weinig kruit in, en stak er den brand in.»Wat doet gij daar?” riep de generaal verschrikt uit.»Dat ziet gij: ik bestrijd het vuur met het vuur,” antwoordde de jager eenvoudig.Zijn makker had aan den tegenovergestelden kant hetzelfde gedaan.Snel verhief zich een gordijn van vlammen, en gedurende eenige oogenblikken was het kamp bijna onder een gewelf van vuur begraven. Er verliep een kwartier van verschrikkelijken angst, en van gespannen verwachting. Langzamerhand werden de vlammen minder dik en de lucht zuiverde, de rook verdunde zich en het geloei van den brand nam af. Eindelijk kon men in dien vreeselijken chaos elkander weder herkennen. Een kreet van verrukking ging uit aller mond op. Het kamp was gered!De brand, waarvan het geloei hoe langer hoe doffer werd, ging, door den jager overwonnen, in andere richtingen zijn verwoestingen verspreiden.Allen liepen op den vreemdeling toe, om hun dank te betuigen.»Gij hebt mijne nicht het leven gered,” zeide de generaal, »hoe zal ik ooit mijn schuld aan u betalen?”»Gij zijt mij niets schuldig, mijnheer,” antwoordde de jager met edele eenvoudigheid; »in de prairie zijn alle menschen broeders; ik heb niets dan mijn plicht gedaan.”Toen het eerste oogenblik van vreugd voorbij was, en men de orde in het kamp een weinig hersteld had, begon ieder naar rust te verlangen, hetgeen na de verschrikkingen en vermoeienissen van dien nacht zeer natuurlijk was.De twee vreemdelingen, die beleefd maar standvastig alle voordeelen hadden van de hand gewezen, hun door den generaal aangeboden, hadden zich onbezorgd op de balen uitgestrekt, om eenige uren te rusten. Even voordat de zon opging, stonden zij op.[54]»De grond moet al koud zijn,” zeide de een, »laat ons heen gaan, eer die menschen ontwaken; zij zouden misschien ons zoo niet laten vertrekken.”»Ja, laten wij gaan,” antwoordde de ander.Toen zij het kamp verlieten, werd de schouder van den eerste licht aangeraakt; hij keerde zich om.DoñaLuz stond voor hem. De twee mannen bleven staan, en groetten de jonge dame eerbiedig.»Gaat gij ons verlaten?” vroeg zij met een zachte, welluidende stem.»Het moet,señorita,” antwoordde een der jagers.»Ik begrijp u,” zeide zij met een bekoorlijken glimlach. »Thans, nu wij, dank zij uwe hulp, gered zijn, hebt gij hier niets meer te doen, niet waar?”De twee mannen bogen, zonder te antwoorden.»Sta mij een gunst toe,” zeide zij.»Spreek, mevrouw.”Zij nam een klein crucifix, met diamanten ingelegd, dat zij op de borst droeg.»Bewaar dit ter herinnering aan mij.”De jager aarzelde.»Ik bid er u om,” prevelde zij met tranen in de oogen.»Ik neem het aan, mevrouw,” zeide de jager bewogen, het kruis op zijne borst bij zijn scapulier plaatsende; »het zal mij een talisman zijn bij die, welke mijne moeder mij gegeven heeft.”»Ik dank u,” antwoordde het meisje verheugd; »nog eene vraag!”»Spreek!”»Hoe zijn uwe namen?”»Mijn makker heet Goedsmoeds.”»Maar gij?”»Edelhart.”Na nog eenmaal gebogen te hebben, verwijderden de beide jagers zich haastig, en waren spoedig in de duisternis verdwenen.DoñaLuz volgde hen zoolang zij kon met de oogen; vervolgens keerde zij langzaam naar de tent terug, half luid prevelende: »Edelhart!… O, ik zal het niet vergeten!…”

[Inhoud]VI.DE REDDER.Om den lezer den toestand begrijpelijk te maken, waarin de jagers zich bevonden, is het noodig tot het Comanchenhoofd terug te keeren.Nauwelijks waren zijne vijanden tusschen de boomen verdwenen, of de Arendskop richtte zich zachtjes op, boog zijn lichaam voorover, en luisterde om zich te verzekeren, dat zij zich werkelijk verwijderden. Zoodra hij deze zekerheid verkregen had, verscheurde hij een stuk van zijnblankett—het kleed dat zijne heupen bedekte—waarmede hij zoo goed en zoo kwaad als hij kon, zijn arm verbond, en ondanks zijne zwakheid en de hevige pijn die hij doorstond, volgde hij behoedzaam het spoor der jagers. Hij vergezelde hen aldus, zonder gezien te worden, tot aan de grenzen van het kamp. Daar, achter een ebbenboom verscholen, was hij, zonder zich te kunnen verzetten, getuige van het zoeken der jagers naar hunne vallen, en eindelijk van hun vertrek, nadat zij ze gevonden hadden.Ofschoon de speurhonden der jagers uitmuntende dieren waren die de Indianen van verre roken, hadden zij zich door een toeval, dat het behoud van den hoofdman was, gulzig op de overblijfselen van het maal der Roodhuiden geworpen, en hunne meesters, weinig denkende, dat zij bespied werden, hadden het niet noodig geacht, hen tot de orde terug te roepen.De Comanchen waren eindelijk in het kamp teruggekomen, na er met ongehoorde moeite in geslaagd te zijn, hunne paarden weder te vinden.Het gezicht van hun gewonden hoofdman wekte in hooge mate hunne verbazing en verbolgenheid op, hetgeen den Arendskop zeer te stade kwam, om hen op nieuw tot het vervolgen der jagers aan te vuren, die in het loopen gehinderd door de vallen die zij droegen,[50]niet ver af konden zijn, en hun zonder missen in handen moesten vallen.Slechts een oogenblik hadden zij zich door de list van Edelhart laten misleiden, en weldra ontdekten zij in de eerste boomen van het woud de ondubbelzinnige sporen van de richting, die hunne vijanden volgden.Beschaamd en wrevelig, dat hij dus de speelbal was geweest van twee onverschrokken mannen, wier listen al zijne berekeningen in de war brachten, besloot de Arendskop om er voor goed een eind aan te maken, en bracht hij zijn duivelsch voornemen om de prairie in brand te steken, onmiddellijk ten uitvoer. Door dit middel, ten minste hij twijfelde er niet aan, moesten zijne geduchte vijanden weldra in zijne handen vallen. Na alzoo zijne krijgslieden in verschillende richtingen uitgezonden te hebben, ten einde een wijden kring te vormen, deed hij op verschillende plaatsen tegelijk het hooge gras in brand steken.Deze maatregel, ofschoon barbaarsch en alleen wilden waardig, was niet kwaad bedacht.De jagers, na vergeefs beproefd te hebben aan den vuurpoel te ontsnappen, die hen weldra van alle kanten zou omringen, zouden tegen wil en dank verplicht zijn om zich aan hunne woeste vijanden over te geven, zoo zij ten minste niet levend verbrand wilden worden.De Arendskop had alles berekend, alles voorzien, behalve één zeer eenvoudige en gemakkelijk te volbrengen zaak, de eenige kans van behoud, die aan Edelhart overbleef.Gelijk wij gezegd hebben, hadden, op bevel van hun opperhoofd, de krijgslieden zich in alle richtingen verstrooid, en op verschillende plaatsen tegelijk vuur aangebracht.In dit vergevorderde jaargetijde waren de planten en grashalmen door de loodrechte stralen der zomerzon verschroeid, onmiddellijk ontvlamd, en het vuur had zich met schrikbarende snelheid in alle richtingen verspreid; niet snel genoeg echter, of het duurde nog eenigen tijd eer de vlammen zich vereenigd hadden.Edelhart aarzelde niet: terwijl de Indianen als duivels om den slagboom van vuur, waarmede zij aan hunne vijanden den weg wilden versperren, heenliepen, en een vroolijk gebrul lieten hooren, had de jager, door zijn vriend gevolgd, zich in snellen loop tusschen twee muren van vuur geworpen, die rechts en links van hem af brandden en sisten, en tegelijkertijd dreigden zich onder en boven hem te zullen vereenigen. Te midden der verkoolde boomen, die krakend neêrvielen, verblind door dikke rookwolken die hun het ademhalen beletten, gezengd door de vonken die van alle kanten op hen neêrregenden, volgden zij onverschrokken hun pad onder een gewelf van vlammen door, en het gelukte den moedigen avonturiers, om ten koste van eenige onbeduidende brandwonden zich door den heilloozen ringmuur heen te slaan, onder welken de Indianen gedacht[51]hadden hen voor eeuwig te zullen begraven en reeds waren zij verre van hunne vijanden verwijderd, toen deze nog luide hun vreugdegejuich deden hooren over den gelukkigen uitslag hunner krijgslist.De brand kreeg ondertusschen een ontzettend aanzien, het woud kroop weg onder de omarming van het vuur; de prairie was een net van vlammen, te midden waarvan de wilde dieren, door deze onverwachte ramp uit hunne schuilplaatsen verdreven, angstig heen en weder liepen. De lucht was bloedig gekleurd en een onstuimige wind joeg rook en vlammen woest voor zich heen.De Indianen zelven waren verschrikt over hun werk, toen zij van alle kanten op de bergen geheele bosschen, als zoovele noodlottige fakkels zagen ontvlammen, toen de aarde overal warm werd en ontzaglijke kudden buffels den grond deden trillen, onder het uitstooten van een wanhopig geloei, dat het moedigste hart met schrik vervulde.In het kamp der Mexicanen heerschte de grootste verwarring; het was een vervaarlijk geraas, de paarden hadden hunne banden gebroken en vluchtten in alle richtingen, de mannen grepen naar hunne wapenen en naar hun kruit, anderen voerden de zadels en pakken weg. Ieder schreeuwde, vloekte, kommandeerde, allen liepen als gekken door het kamp rond.Het vuur naderde statig, alles op zijn weg verslindende, voorafgegaan door eene tallooze menigte van allerlei dieren, die angstig brullend, het gevaar dat hen dreigde, trachtten te ontvlieden.Een dikke rook, met vonken beladen, overdekte reeds het kamp der Mexicanen; nog twintig minuten, en het was met hen gedaan.De generaal, zijn nicht in de armen sluitende, vroeg tevergeefs aan de gidsen, naar middelen die het dreigend gevaar konden afwenden. Deze mannen, versteend van schrik, hadden alle tegenwoordigheid van geest verloren. En wat konden zij er ook tegen doen? de vlammen vormden een ontzaglijken kring, waarvan het kamp het middelpunt was geworden.De Generaal, zijn nicht in de armen sluitende, bladz. 51.De Generaal, zijn nicht in de armen sluitende, bladz. 51.Eensklaps echter was de wind, die tot nu toe het vuur had aangeblazen, gaan liggen. Er woei geen tochtje meer. De gang van het vuur werd langzamer. De voorzienigheid verlengde het leven dezer ongelukkigen met eenige minuten.Op dit oogenblik bood het kamp een vreemd schouwspel aan. Al deze mannen hadden als verstijfd van schrik zelfs het instinct van zelfbehoud verloren. De Lanceros gingen bij elkander te biecht. De gidsen waren met wanhoop geslagen, en verroerden zich niet.De generaal morde tegen den hemel. De doctor betreurde de plant, die hij vruchteloos gezocht had; de gedachte daaraan verdrong bij hem elk ander denkbeeld.DoñaLuz lag met gevouwen handen en gebogen knieën te bidden. Het vuur met zijne voorhoede van wilde dieren naderde meer en meer.»O!” riep de generaal, met geweld den gids bij den arm schuddende,[52]»zult gij ons dan aldus laten verbranden, zonder zelfs een poging tot redding in het werk te stellen?”»Wat kan men doen tegen Gods wil?” antwoordde de Babbelaar onbewogen.»Is er dan geen enkel middel om ons van den dood te bevrijden?”»Geen enkel!”»Ja, één is er!” riep nu een man, die met half verbrande haren en verzengd gelaat, en door nog een ander gevolgd, zich over de pakken heen, plotseling in het kamp stortte.»Wie zijt gij?” vroeg de generaal verrast.»Dat doet er niet toe,” antwoordde de vreemdeling kortaf; »ik kom u redden! Mijn vriend en ik waren reeds buiten gevaar; om u te helpen hebben wij niets te zwaar geacht; dit zij u genoeg. Uw behoud hangt nu alleen van u zelven af: gij behoeft het slechts te willen.”»Beveel,” antwoordde de generaal, »ik zal de eerste zijn om u te gehoorzamen.”»Hebt gij dan geen gidsen bij u?”»Ja!”»Nu, dan zijn het verraders of lafaards: want het middel dat ik zal aanwenden, is aan ieder bewoner der prairie bekend.”De generaal wierp den Babbelaar, die bij de plotselinge verschijning der twee onbekenden eene rilling niet had kunnen weêrhouden, een wantrouwenden blik toe.»Overigens,” zoo ging de jager voort, »is dit eene zaak, die gij later met hen kunt afrekenen; nu hebben wij wat anders te doen.”Op het gezag van dezen vastberaden man, hadden de Mexicanen als van zelf hunne hoop en hun moed voelen terugkeeren, en zij hielden zich gereed om zijne bevelen met allen spoed ten uitvoer te brengen.»Haast u,” zeide de jager, »ruk al het gras uit dat het kamp omringt.—Ieder zette zich aan ’t werk.—Wij,” zoo vervolgde de jager, zich tot den generaal wendende, »zullen intusschen natte zeilen over de pakken uitstrekken.”—De generaal, de kapitein en de doctor, door den jager geleid, deden wat deze beval, terwijl zijn medgezel de paarden en muilezels midden in het kamp aan eenige palen vastbond.»Haast u! haast u!” riep de vreemdeling gedurig, »de brand nadert.” Ieder verdubbelde zijn ijver. Weldra was over een groote ruimte het gras uitgerukt.DoñaLuz zag met bewondering naar dien vreemden man, zoo onverwacht te voorschijn gekomen, juist op het oogenblik, dat het dreigend gevaar op het punt stond hen allen te verslinden, en die toch onder alles even kalm en bedaard bleef, als bezat hij de macht om het onheil, dat hen met reuzenschreden naderde, met een enkel[53]woord te bezweren. Het meisje kon niet nalaten haar blikken op hem te vestigen; zij voelde zich onbewust tot dien onbekenden redder getrokken, wiens stem en gebaren, wiens geheele persoonlijkheid een magtigen indruk op haar maakte.Toen het gras en de planten waren uitgeroeid met dien koortsachtigen spoed, die door het dreigend doodsgevaar werd aangewakkerd, glimlachte de jager even.»Nu,” zeide hij, zich tot de Mexicanen richtende, »nu gaat het overige mijn vriend en mij aan: laat ons nu handelen; wat u betreft, wikkelt u allen in natgemaakte kleederen.”—Ieder volgde zijn raad. De vreemdeling wierp een blik om zich heen, en vervolgens zijn makker een teeken gevende, liep hij het vuur te gemoet.»Ik verlaat u niet,” zeide de generaal.»Kom dan,” antwoordde de vreemdeling.Aan het einde der ruimte gekomen, waarop het gras uitgerukt was, maakte de jager een bundel van planten en droge takken, wierp er een weinig kruit in, en stak er den brand in.»Wat doet gij daar?” riep de generaal verschrikt uit.»Dat ziet gij: ik bestrijd het vuur met het vuur,” antwoordde de jager eenvoudig.Zijn makker had aan den tegenovergestelden kant hetzelfde gedaan.Snel verhief zich een gordijn van vlammen, en gedurende eenige oogenblikken was het kamp bijna onder een gewelf van vuur begraven. Er verliep een kwartier van verschrikkelijken angst, en van gespannen verwachting. Langzamerhand werden de vlammen minder dik en de lucht zuiverde, de rook verdunde zich en het geloei van den brand nam af. Eindelijk kon men in dien vreeselijken chaos elkander weder herkennen. Een kreet van verrukking ging uit aller mond op. Het kamp was gered!De brand, waarvan het geloei hoe langer hoe doffer werd, ging, door den jager overwonnen, in andere richtingen zijn verwoestingen verspreiden.Allen liepen op den vreemdeling toe, om hun dank te betuigen.»Gij hebt mijne nicht het leven gered,” zeide de generaal, »hoe zal ik ooit mijn schuld aan u betalen?”»Gij zijt mij niets schuldig, mijnheer,” antwoordde de jager met edele eenvoudigheid; »in de prairie zijn alle menschen broeders; ik heb niets dan mijn plicht gedaan.”Toen het eerste oogenblik van vreugd voorbij was, en men de orde in het kamp een weinig hersteld had, begon ieder naar rust te verlangen, hetgeen na de verschrikkingen en vermoeienissen van dien nacht zeer natuurlijk was.De twee vreemdelingen, die beleefd maar standvastig alle voordeelen hadden van de hand gewezen, hun door den generaal aangeboden, hadden zich onbezorgd op de balen uitgestrekt, om eenige uren te rusten. Even voordat de zon opging, stonden zij op.[54]»De grond moet al koud zijn,” zeide de een, »laat ons heen gaan, eer die menschen ontwaken; zij zouden misschien ons zoo niet laten vertrekken.”»Ja, laten wij gaan,” antwoordde de ander.Toen zij het kamp verlieten, werd de schouder van den eerste licht aangeraakt; hij keerde zich om.DoñaLuz stond voor hem. De twee mannen bleven staan, en groetten de jonge dame eerbiedig.»Gaat gij ons verlaten?” vroeg zij met een zachte, welluidende stem.»Het moet,señorita,” antwoordde een der jagers.»Ik begrijp u,” zeide zij met een bekoorlijken glimlach. »Thans, nu wij, dank zij uwe hulp, gered zijn, hebt gij hier niets meer te doen, niet waar?”De twee mannen bogen, zonder te antwoorden.»Sta mij een gunst toe,” zeide zij.»Spreek, mevrouw.”Zij nam een klein crucifix, met diamanten ingelegd, dat zij op de borst droeg.»Bewaar dit ter herinnering aan mij.”De jager aarzelde.»Ik bid er u om,” prevelde zij met tranen in de oogen.»Ik neem het aan, mevrouw,” zeide de jager bewogen, het kruis op zijne borst bij zijn scapulier plaatsende; »het zal mij een talisman zijn bij die, welke mijne moeder mij gegeven heeft.”»Ik dank u,” antwoordde het meisje verheugd; »nog eene vraag!”»Spreek!”»Hoe zijn uwe namen?”»Mijn makker heet Goedsmoeds.”»Maar gij?”»Edelhart.”Na nog eenmaal gebogen te hebben, verwijderden de beide jagers zich haastig, en waren spoedig in de duisternis verdwenen.DoñaLuz volgde hen zoolang zij kon met de oogen; vervolgens keerde zij langzaam naar de tent terug, half luid prevelende: »Edelhart!… O, ik zal het niet vergeten!…”

VI.DE REDDER.

Om den lezer den toestand begrijpelijk te maken, waarin de jagers zich bevonden, is het noodig tot het Comanchenhoofd terug te keeren.Nauwelijks waren zijne vijanden tusschen de boomen verdwenen, of de Arendskop richtte zich zachtjes op, boog zijn lichaam voorover, en luisterde om zich te verzekeren, dat zij zich werkelijk verwijderden. Zoodra hij deze zekerheid verkregen had, verscheurde hij een stuk van zijnblankett—het kleed dat zijne heupen bedekte—waarmede hij zoo goed en zoo kwaad als hij kon, zijn arm verbond, en ondanks zijne zwakheid en de hevige pijn die hij doorstond, volgde hij behoedzaam het spoor der jagers. Hij vergezelde hen aldus, zonder gezien te worden, tot aan de grenzen van het kamp. Daar, achter een ebbenboom verscholen, was hij, zonder zich te kunnen verzetten, getuige van het zoeken der jagers naar hunne vallen, en eindelijk van hun vertrek, nadat zij ze gevonden hadden.Ofschoon de speurhonden der jagers uitmuntende dieren waren die de Indianen van verre roken, hadden zij zich door een toeval, dat het behoud van den hoofdman was, gulzig op de overblijfselen van het maal der Roodhuiden geworpen, en hunne meesters, weinig denkende, dat zij bespied werden, hadden het niet noodig geacht, hen tot de orde terug te roepen.De Comanchen waren eindelijk in het kamp teruggekomen, na er met ongehoorde moeite in geslaagd te zijn, hunne paarden weder te vinden.Het gezicht van hun gewonden hoofdman wekte in hooge mate hunne verbazing en verbolgenheid op, hetgeen den Arendskop zeer te stade kwam, om hen op nieuw tot het vervolgen der jagers aan te vuren, die in het loopen gehinderd door de vallen die zij droegen,[50]niet ver af konden zijn, en hun zonder missen in handen moesten vallen.Slechts een oogenblik hadden zij zich door de list van Edelhart laten misleiden, en weldra ontdekten zij in de eerste boomen van het woud de ondubbelzinnige sporen van de richting, die hunne vijanden volgden.Beschaamd en wrevelig, dat hij dus de speelbal was geweest van twee onverschrokken mannen, wier listen al zijne berekeningen in de war brachten, besloot de Arendskop om er voor goed een eind aan te maken, en bracht hij zijn duivelsch voornemen om de prairie in brand te steken, onmiddellijk ten uitvoer. Door dit middel, ten minste hij twijfelde er niet aan, moesten zijne geduchte vijanden weldra in zijne handen vallen. Na alzoo zijne krijgslieden in verschillende richtingen uitgezonden te hebben, ten einde een wijden kring te vormen, deed hij op verschillende plaatsen tegelijk het hooge gras in brand steken.Deze maatregel, ofschoon barbaarsch en alleen wilden waardig, was niet kwaad bedacht.De jagers, na vergeefs beproefd te hebben aan den vuurpoel te ontsnappen, die hen weldra van alle kanten zou omringen, zouden tegen wil en dank verplicht zijn om zich aan hunne woeste vijanden over te geven, zoo zij ten minste niet levend verbrand wilden worden.De Arendskop had alles berekend, alles voorzien, behalve één zeer eenvoudige en gemakkelijk te volbrengen zaak, de eenige kans van behoud, die aan Edelhart overbleef.Gelijk wij gezegd hebben, hadden, op bevel van hun opperhoofd, de krijgslieden zich in alle richtingen verstrooid, en op verschillende plaatsen tegelijk vuur aangebracht.In dit vergevorderde jaargetijde waren de planten en grashalmen door de loodrechte stralen der zomerzon verschroeid, onmiddellijk ontvlamd, en het vuur had zich met schrikbarende snelheid in alle richtingen verspreid; niet snel genoeg echter, of het duurde nog eenigen tijd eer de vlammen zich vereenigd hadden.Edelhart aarzelde niet: terwijl de Indianen als duivels om den slagboom van vuur, waarmede zij aan hunne vijanden den weg wilden versperren, heenliepen, en een vroolijk gebrul lieten hooren, had de jager, door zijn vriend gevolgd, zich in snellen loop tusschen twee muren van vuur geworpen, die rechts en links van hem af brandden en sisten, en tegelijkertijd dreigden zich onder en boven hem te zullen vereenigen. Te midden der verkoolde boomen, die krakend neêrvielen, verblind door dikke rookwolken die hun het ademhalen beletten, gezengd door de vonken die van alle kanten op hen neêrregenden, volgden zij onverschrokken hun pad onder een gewelf van vlammen door, en het gelukte den moedigen avonturiers, om ten koste van eenige onbeduidende brandwonden zich door den heilloozen ringmuur heen te slaan, onder welken de Indianen gedacht[51]hadden hen voor eeuwig te zullen begraven en reeds waren zij verre van hunne vijanden verwijderd, toen deze nog luide hun vreugdegejuich deden hooren over den gelukkigen uitslag hunner krijgslist.De brand kreeg ondertusschen een ontzettend aanzien, het woud kroop weg onder de omarming van het vuur; de prairie was een net van vlammen, te midden waarvan de wilde dieren, door deze onverwachte ramp uit hunne schuilplaatsen verdreven, angstig heen en weder liepen. De lucht was bloedig gekleurd en een onstuimige wind joeg rook en vlammen woest voor zich heen.De Indianen zelven waren verschrikt over hun werk, toen zij van alle kanten op de bergen geheele bosschen, als zoovele noodlottige fakkels zagen ontvlammen, toen de aarde overal warm werd en ontzaglijke kudden buffels den grond deden trillen, onder het uitstooten van een wanhopig geloei, dat het moedigste hart met schrik vervulde.In het kamp der Mexicanen heerschte de grootste verwarring; het was een vervaarlijk geraas, de paarden hadden hunne banden gebroken en vluchtten in alle richtingen, de mannen grepen naar hunne wapenen en naar hun kruit, anderen voerden de zadels en pakken weg. Ieder schreeuwde, vloekte, kommandeerde, allen liepen als gekken door het kamp rond.Het vuur naderde statig, alles op zijn weg verslindende, voorafgegaan door eene tallooze menigte van allerlei dieren, die angstig brullend, het gevaar dat hen dreigde, trachtten te ontvlieden.Een dikke rook, met vonken beladen, overdekte reeds het kamp der Mexicanen; nog twintig minuten, en het was met hen gedaan.De generaal, zijn nicht in de armen sluitende, vroeg tevergeefs aan de gidsen, naar middelen die het dreigend gevaar konden afwenden. Deze mannen, versteend van schrik, hadden alle tegenwoordigheid van geest verloren. En wat konden zij er ook tegen doen? de vlammen vormden een ontzaglijken kring, waarvan het kamp het middelpunt was geworden.De Generaal, zijn nicht in de armen sluitende, bladz. 51.De Generaal, zijn nicht in de armen sluitende, bladz. 51.Eensklaps echter was de wind, die tot nu toe het vuur had aangeblazen, gaan liggen. Er woei geen tochtje meer. De gang van het vuur werd langzamer. De voorzienigheid verlengde het leven dezer ongelukkigen met eenige minuten.Op dit oogenblik bood het kamp een vreemd schouwspel aan. Al deze mannen hadden als verstijfd van schrik zelfs het instinct van zelfbehoud verloren. De Lanceros gingen bij elkander te biecht. De gidsen waren met wanhoop geslagen, en verroerden zich niet.De generaal morde tegen den hemel. De doctor betreurde de plant, die hij vruchteloos gezocht had; de gedachte daaraan verdrong bij hem elk ander denkbeeld.DoñaLuz lag met gevouwen handen en gebogen knieën te bidden. Het vuur met zijne voorhoede van wilde dieren naderde meer en meer.»O!” riep de generaal, met geweld den gids bij den arm schuddende,[52]»zult gij ons dan aldus laten verbranden, zonder zelfs een poging tot redding in het werk te stellen?”»Wat kan men doen tegen Gods wil?” antwoordde de Babbelaar onbewogen.»Is er dan geen enkel middel om ons van den dood te bevrijden?”»Geen enkel!”»Ja, één is er!” riep nu een man, die met half verbrande haren en verzengd gelaat, en door nog een ander gevolgd, zich over de pakken heen, plotseling in het kamp stortte.»Wie zijt gij?” vroeg de generaal verrast.»Dat doet er niet toe,” antwoordde de vreemdeling kortaf; »ik kom u redden! Mijn vriend en ik waren reeds buiten gevaar; om u te helpen hebben wij niets te zwaar geacht; dit zij u genoeg. Uw behoud hangt nu alleen van u zelven af: gij behoeft het slechts te willen.”»Beveel,” antwoordde de generaal, »ik zal de eerste zijn om u te gehoorzamen.”»Hebt gij dan geen gidsen bij u?”»Ja!”»Nu, dan zijn het verraders of lafaards: want het middel dat ik zal aanwenden, is aan ieder bewoner der prairie bekend.”De generaal wierp den Babbelaar, die bij de plotselinge verschijning der twee onbekenden eene rilling niet had kunnen weêrhouden, een wantrouwenden blik toe.»Overigens,” zoo ging de jager voort, »is dit eene zaak, die gij later met hen kunt afrekenen; nu hebben wij wat anders te doen.”Op het gezag van dezen vastberaden man, hadden de Mexicanen als van zelf hunne hoop en hun moed voelen terugkeeren, en zij hielden zich gereed om zijne bevelen met allen spoed ten uitvoer te brengen.»Haast u,” zeide de jager, »ruk al het gras uit dat het kamp omringt.—Ieder zette zich aan ’t werk.—Wij,” zoo vervolgde de jager, zich tot den generaal wendende, »zullen intusschen natte zeilen over de pakken uitstrekken.”—De generaal, de kapitein en de doctor, door den jager geleid, deden wat deze beval, terwijl zijn medgezel de paarden en muilezels midden in het kamp aan eenige palen vastbond.»Haast u! haast u!” riep de vreemdeling gedurig, »de brand nadert.” Ieder verdubbelde zijn ijver. Weldra was over een groote ruimte het gras uitgerukt.DoñaLuz zag met bewondering naar dien vreemden man, zoo onverwacht te voorschijn gekomen, juist op het oogenblik, dat het dreigend gevaar op het punt stond hen allen te verslinden, en die toch onder alles even kalm en bedaard bleef, als bezat hij de macht om het onheil, dat hen met reuzenschreden naderde, met een enkel[53]woord te bezweren. Het meisje kon niet nalaten haar blikken op hem te vestigen; zij voelde zich onbewust tot dien onbekenden redder getrokken, wiens stem en gebaren, wiens geheele persoonlijkheid een magtigen indruk op haar maakte.Toen het gras en de planten waren uitgeroeid met dien koortsachtigen spoed, die door het dreigend doodsgevaar werd aangewakkerd, glimlachte de jager even.»Nu,” zeide hij, zich tot de Mexicanen richtende, »nu gaat het overige mijn vriend en mij aan: laat ons nu handelen; wat u betreft, wikkelt u allen in natgemaakte kleederen.”—Ieder volgde zijn raad. De vreemdeling wierp een blik om zich heen, en vervolgens zijn makker een teeken gevende, liep hij het vuur te gemoet.»Ik verlaat u niet,” zeide de generaal.»Kom dan,” antwoordde de vreemdeling.Aan het einde der ruimte gekomen, waarop het gras uitgerukt was, maakte de jager een bundel van planten en droge takken, wierp er een weinig kruit in, en stak er den brand in.»Wat doet gij daar?” riep de generaal verschrikt uit.»Dat ziet gij: ik bestrijd het vuur met het vuur,” antwoordde de jager eenvoudig.Zijn makker had aan den tegenovergestelden kant hetzelfde gedaan.Snel verhief zich een gordijn van vlammen, en gedurende eenige oogenblikken was het kamp bijna onder een gewelf van vuur begraven. Er verliep een kwartier van verschrikkelijken angst, en van gespannen verwachting. Langzamerhand werden de vlammen minder dik en de lucht zuiverde, de rook verdunde zich en het geloei van den brand nam af. Eindelijk kon men in dien vreeselijken chaos elkander weder herkennen. Een kreet van verrukking ging uit aller mond op. Het kamp was gered!De brand, waarvan het geloei hoe langer hoe doffer werd, ging, door den jager overwonnen, in andere richtingen zijn verwoestingen verspreiden.Allen liepen op den vreemdeling toe, om hun dank te betuigen.»Gij hebt mijne nicht het leven gered,” zeide de generaal, »hoe zal ik ooit mijn schuld aan u betalen?”»Gij zijt mij niets schuldig, mijnheer,” antwoordde de jager met edele eenvoudigheid; »in de prairie zijn alle menschen broeders; ik heb niets dan mijn plicht gedaan.”Toen het eerste oogenblik van vreugd voorbij was, en men de orde in het kamp een weinig hersteld had, begon ieder naar rust te verlangen, hetgeen na de verschrikkingen en vermoeienissen van dien nacht zeer natuurlijk was.De twee vreemdelingen, die beleefd maar standvastig alle voordeelen hadden van de hand gewezen, hun door den generaal aangeboden, hadden zich onbezorgd op de balen uitgestrekt, om eenige uren te rusten. Even voordat de zon opging, stonden zij op.[54]»De grond moet al koud zijn,” zeide de een, »laat ons heen gaan, eer die menschen ontwaken; zij zouden misschien ons zoo niet laten vertrekken.”»Ja, laten wij gaan,” antwoordde de ander.Toen zij het kamp verlieten, werd de schouder van den eerste licht aangeraakt; hij keerde zich om.DoñaLuz stond voor hem. De twee mannen bleven staan, en groetten de jonge dame eerbiedig.»Gaat gij ons verlaten?” vroeg zij met een zachte, welluidende stem.»Het moet,señorita,” antwoordde een der jagers.»Ik begrijp u,” zeide zij met een bekoorlijken glimlach. »Thans, nu wij, dank zij uwe hulp, gered zijn, hebt gij hier niets meer te doen, niet waar?”De twee mannen bogen, zonder te antwoorden.»Sta mij een gunst toe,” zeide zij.»Spreek, mevrouw.”Zij nam een klein crucifix, met diamanten ingelegd, dat zij op de borst droeg.»Bewaar dit ter herinnering aan mij.”De jager aarzelde.»Ik bid er u om,” prevelde zij met tranen in de oogen.»Ik neem het aan, mevrouw,” zeide de jager bewogen, het kruis op zijne borst bij zijn scapulier plaatsende; »het zal mij een talisman zijn bij die, welke mijne moeder mij gegeven heeft.”»Ik dank u,” antwoordde het meisje verheugd; »nog eene vraag!”»Spreek!”»Hoe zijn uwe namen?”»Mijn makker heet Goedsmoeds.”»Maar gij?”»Edelhart.”Na nog eenmaal gebogen te hebben, verwijderden de beide jagers zich haastig, en waren spoedig in de duisternis verdwenen.DoñaLuz volgde hen zoolang zij kon met de oogen; vervolgens keerde zij langzaam naar de tent terug, half luid prevelende: »Edelhart!… O, ik zal het niet vergeten!…”

Om den lezer den toestand begrijpelijk te maken, waarin de jagers zich bevonden, is het noodig tot het Comanchenhoofd terug te keeren.

Nauwelijks waren zijne vijanden tusschen de boomen verdwenen, of de Arendskop richtte zich zachtjes op, boog zijn lichaam voorover, en luisterde om zich te verzekeren, dat zij zich werkelijk verwijderden. Zoodra hij deze zekerheid verkregen had, verscheurde hij een stuk van zijnblankett—het kleed dat zijne heupen bedekte—waarmede hij zoo goed en zoo kwaad als hij kon, zijn arm verbond, en ondanks zijne zwakheid en de hevige pijn die hij doorstond, volgde hij behoedzaam het spoor der jagers. Hij vergezelde hen aldus, zonder gezien te worden, tot aan de grenzen van het kamp. Daar, achter een ebbenboom verscholen, was hij, zonder zich te kunnen verzetten, getuige van het zoeken der jagers naar hunne vallen, en eindelijk van hun vertrek, nadat zij ze gevonden hadden.

Ofschoon de speurhonden der jagers uitmuntende dieren waren die de Indianen van verre roken, hadden zij zich door een toeval, dat het behoud van den hoofdman was, gulzig op de overblijfselen van het maal der Roodhuiden geworpen, en hunne meesters, weinig denkende, dat zij bespied werden, hadden het niet noodig geacht, hen tot de orde terug te roepen.

De Comanchen waren eindelijk in het kamp teruggekomen, na er met ongehoorde moeite in geslaagd te zijn, hunne paarden weder te vinden.

Het gezicht van hun gewonden hoofdman wekte in hooge mate hunne verbazing en verbolgenheid op, hetgeen den Arendskop zeer te stade kwam, om hen op nieuw tot het vervolgen der jagers aan te vuren, die in het loopen gehinderd door de vallen die zij droegen,[50]niet ver af konden zijn, en hun zonder missen in handen moesten vallen.

Slechts een oogenblik hadden zij zich door de list van Edelhart laten misleiden, en weldra ontdekten zij in de eerste boomen van het woud de ondubbelzinnige sporen van de richting, die hunne vijanden volgden.

Beschaamd en wrevelig, dat hij dus de speelbal was geweest van twee onverschrokken mannen, wier listen al zijne berekeningen in de war brachten, besloot de Arendskop om er voor goed een eind aan te maken, en bracht hij zijn duivelsch voornemen om de prairie in brand te steken, onmiddellijk ten uitvoer. Door dit middel, ten minste hij twijfelde er niet aan, moesten zijne geduchte vijanden weldra in zijne handen vallen. Na alzoo zijne krijgslieden in verschillende richtingen uitgezonden te hebben, ten einde een wijden kring te vormen, deed hij op verschillende plaatsen tegelijk het hooge gras in brand steken.

Deze maatregel, ofschoon barbaarsch en alleen wilden waardig, was niet kwaad bedacht.

De jagers, na vergeefs beproefd te hebben aan den vuurpoel te ontsnappen, die hen weldra van alle kanten zou omringen, zouden tegen wil en dank verplicht zijn om zich aan hunne woeste vijanden over te geven, zoo zij ten minste niet levend verbrand wilden worden.

De Arendskop had alles berekend, alles voorzien, behalve één zeer eenvoudige en gemakkelijk te volbrengen zaak, de eenige kans van behoud, die aan Edelhart overbleef.

Gelijk wij gezegd hebben, hadden, op bevel van hun opperhoofd, de krijgslieden zich in alle richtingen verstrooid, en op verschillende plaatsen tegelijk vuur aangebracht.

In dit vergevorderde jaargetijde waren de planten en grashalmen door de loodrechte stralen der zomerzon verschroeid, onmiddellijk ontvlamd, en het vuur had zich met schrikbarende snelheid in alle richtingen verspreid; niet snel genoeg echter, of het duurde nog eenigen tijd eer de vlammen zich vereenigd hadden.

Edelhart aarzelde niet: terwijl de Indianen als duivels om den slagboom van vuur, waarmede zij aan hunne vijanden den weg wilden versperren, heenliepen, en een vroolijk gebrul lieten hooren, had de jager, door zijn vriend gevolgd, zich in snellen loop tusschen twee muren van vuur geworpen, die rechts en links van hem af brandden en sisten, en tegelijkertijd dreigden zich onder en boven hem te zullen vereenigen. Te midden der verkoolde boomen, die krakend neêrvielen, verblind door dikke rookwolken die hun het ademhalen beletten, gezengd door de vonken die van alle kanten op hen neêrregenden, volgden zij onverschrokken hun pad onder een gewelf van vlammen door, en het gelukte den moedigen avonturiers, om ten koste van eenige onbeduidende brandwonden zich door den heilloozen ringmuur heen te slaan, onder welken de Indianen gedacht[51]hadden hen voor eeuwig te zullen begraven en reeds waren zij verre van hunne vijanden verwijderd, toen deze nog luide hun vreugdegejuich deden hooren over den gelukkigen uitslag hunner krijgslist.

De brand kreeg ondertusschen een ontzettend aanzien, het woud kroop weg onder de omarming van het vuur; de prairie was een net van vlammen, te midden waarvan de wilde dieren, door deze onverwachte ramp uit hunne schuilplaatsen verdreven, angstig heen en weder liepen. De lucht was bloedig gekleurd en een onstuimige wind joeg rook en vlammen woest voor zich heen.

De Indianen zelven waren verschrikt over hun werk, toen zij van alle kanten op de bergen geheele bosschen, als zoovele noodlottige fakkels zagen ontvlammen, toen de aarde overal warm werd en ontzaglijke kudden buffels den grond deden trillen, onder het uitstooten van een wanhopig geloei, dat het moedigste hart met schrik vervulde.

In het kamp der Mexicanen heerschte de grootste verwarring; het was een vervaarlijk geraas, de paarden hadden hunne banden gebroken en vluchtten in alle richtingen, de mannen grepen naar hunne wapenen en naar hun kruit, anderen voerden de zadels en pakken weg. Ieder schreeuwde, vloekte, kommandeerde, allen liepen als gekken door het kamp rond.

Het vuur naderde statig, alles op zijn weg verslindende, voorafgegaan door eene tallooze menigte van allerlei dieren, die angstig brullend, het gevaar dat hen dreigde, trachtten te ontvlieden.

Een dikke rook, met vonken beladen, overdekte reeds het kamp der Mexicanen; nog twintig minuten, en het was met hen gedaan.

De generaal, zijn nicht in de armen sluitende, vroeg tevergeefs aan de gidsen, naar middelen die het dreigend gevaar konden afwenden. Deze mannen, versteend van schrik, hadden alle tegenwoordigheid van geest verloren. En wat konden zij er ook tegen doen? de vlammen vormden een ontzaglijken kring, waarvan het kamp het middelpunt was geworden.

De Generaal, zijn nicht in de armen sluitende, bladz. 51.De Generaal, zijn nicht in de armen sluitende, bladz. 51.

De Generaal, zijn nicht in de armen sluitende, bladz. 51.

Eensklaps echter was de wind, die tot nu toe het vuur had aangeblazen, gaan liggen. Er woei geen tochtje meer. De gang van het vuur werd langzamer. De voorzienigheid verlengde het leven dezer ongelukkigen met eenige minuten.

Op dit oogenblik bood het kamp een vreemd schouwspel aan. Al deze mannen hadden als verstijfd van schrik zelfs het instinct van zelfbehoud verloren. De Lanceros gingen bij elkander te biecht. De gidsen waren met wanhoop geslagen, en verroerden zich niet.

De generaal morde tegen den hemel. De doctor betreurde de plant, die hij vruchteloos gezocht had; de gedachte daaraan verdrong bij hem elk ander denkbeeld.DoñaLuz lag met gevouwen handen en gebogen knieën te bidden. Het vuur met zijne voorhoede van wilde dieren naderde meer en meer.

»O!” riep de generaal, met geweld den gids bij den arm schuddende,[52]»zult gij ons dan aldus laten verbranden, zonder zelfs een poging tot redding in het werk te stellen?”

»Wat kan men doen tegen Gods wil?” antwoordde de Babbelaar onbewogen.

»Is er dan geen enkel middel om ons van den dood te bevrijden?”

»Geen enkel!”

»Ja, één is er!” riep nu een man, die met half verbrande haren en verzengd gelaat, en door nog een ander gevolgd, zich over de pakken heen, plotseling in het kamp stortte.

»Wie zijt gij?” vroeg de generaal verrast.

»Dat doet er niet toe,” antwoordde de vreemdeling kortaf; »ik kom u redden! Mijn vriend en ik waren reeds buiten gevaar; om u te helpen hebben wij niets te zwaar geacht; dit zij u genoeg. Uw behoud hangt nu alleen van u zelven af: gij behoeft het slechts te willen.”

»Beveel,” antwoordde de generaal, »ik zal de eerste zijn om u te gehoorzamen.”

»Hebt gij dan geen gidsen bij u?”

»Ja!”

»Nu, dan zijn het verraders of lafaards: want het middel dat ik zal aanwenden, is aan ieder bewoner der prairie bekend.”

De generaal wierp den Babbelaar, die bij de plotselinge verschijning der twee onbekenden eene rilling niet had kunnen weêrhouden, een wantrouwenden blik toe.

»Overigens,” zoo ging de jager voort, »is dit eene zaak, die gij later met hen kunt afrekenen; nu hebben wij wat anders te doen.”

Op het gezag van dezen vastberaden man, hadden de Mexicanen als van zelf hunne hoop en hun moed voelen terugkeeren, en zij hielden zich gereed om zijne bevelen met allen spoed ten uitvoer te brengen.

»Haast u,” zeide de jager, »ruk al het gras uit dat het kamp omringt.—Ieder zette zich aan ’t werk.—Wij,” zoo vervolgde de jager, zich tot den generaal wendende, »zullen intusschen natte zeilen over de pakken uitstrekken.”—De generaal, de kapitein en de doctor, door den jager geleid, deden wat deze beval, terwijl zijn medgezel de paarden en muilezels midden in het kamp aan eenige palen vastbond.

»Haast u! haast u!” riep de vreemdeling gedurig, »de brand nadert.” Ieder verdubbelde zijn ijver. Weldra was over een groote ruimte het gras uitgerukt.

DoñaLuz zag met bewondering naar dien vreemden man, zoo onverwacht te voorschijn gekomen, juist op het oogenblik, dat het dreigend gevaar op het punt stond hen allen te verslinden, en die toch onder alles even kalm en bedaard bleef, als bezat hij de macht om het onheil, dat hen met reuzenschreden naderde, met een enkel[53]woord te bezweren. Het meisje kon niet nalaten haar blikken op hem te vestigen; zij voelde zich onbewust tot dien onbekenden redder getrokken, wiens stem en gebaren, wiens geheele persoonlijkheid een magtigen indruk op haar maakte.

Toen het gras en de planten waren uitgeroeid met dien koortsachtigen spoed, die door het dreigend doodsgevaar werd aangewakkerd, glimlachte de jager even.

»Nu,” zeide hij, zich tot de Mexicanen richtende, »nu gaat het overige mijn vriend en mij aan: laat ons nu handelen; wat u betreft, wikkelt u allen in natgemaakte kleederen.”—Ieder volgde zijn raad. De vreemdeling wierp een blik om zich heen, en vervolgens zijn makker een teeken gevende, liep hij het vuur te gemoet.

»Ik verlaat u niet,” zeide de generaal.

»Kom dan,” antwoordde de vreemdeling.

Aan het einde der ruimte gekomen, waarop het gras uitgerukt was, maakte de jager een bundel van planten en droge takken, wierp er een weinig kruit in, en stak er den brand in.

»Wat doet gij daar?” riep de generaal verschrikt uit.

»Dat ziet gij: ik bestrijd het vuur met het vuur,” antwoordde de jager eenvoudig.

Zijn makker had aan den tegenovergestelden kant hetzelfde gedaan.

Snel verhief zich een gordijn van vlammen, en gedurende eenige oogenblikken was het kamp bijna onder een gewelf van vuur begraven. Er verliep een kwartier van verschrikkelijken angst, en van gespannen verwachting. Langzamerhand werden de vlammen minder dik en de lucht zuiverde, de rook verdunde zich en het geloei van den brand nam af. Eindelijk kon men in dien vreeselijken chaos elkander weder herkennen. Een kreet van verrukking ging uit aller mond op. Het kamp was gered!

De brand, waarvan het geloei hoe langer hoe doffer werd, ging, door den jager overwonnen, in andere richtingen zijn verwoestingen verspreiden.

Allen liepen op den vreemdeling toe, om hun dank te betuigen.

»Gij hebt mijne nicht het leven gered,” zeide de generaal, »hoe zal ik ooit mijn schuld aan u betalen?”

»Gij zijt mij niets schuldig, mijnheer,” antwoordde de jager met edele eenvoudigheid; »in de prairie zijn alle menschen broeders; ik heb niets dan mijn plicht gedaan.”

Toen het eerste oogenblik van vreugd voorbij was, en men de orde in het kamp een weinig hersteld had, begon ieder naar rust te verlangen, hetgeen na de verschrikkingen en vermoeienissen van dien nacht zeer natuurlijk was.

De twee vreemdelingen, die beleefd maar standvastig alle voordeelen hadden van de hand gewezen, hun door den generaal aangeboden, hadden zich onbezorgd op de balen uitgestrekt, om eenige uren te rusten. Even voordat de zon opging, stonden zij op.[54]

»De grond moet al koud zijn,” zeide de een, »laat ons heen gaan, eer die menschen ontwaken; zij zouden misschien ons zoo niet laten vertrekken.”

»Ja, laten wij gaan,” antwoordde de ander.

Toen zij het kamp verlieten, werd de schouder van den eerste licht aangeraakt; hij keerde zich om.DoñaLuz stond voor hem. De twee mannen bleven staan, en groetten de jonge dame eerbiedig.

»Gaat gij ons verlaten?” vroeg zij met een zachte, welluidende stem.

»Het moet,señorita,” antwoordde een der jagers.

»Ik begrijp u,” zeide zij met een bekoorlijken glimlach. »Thans, nu wij, dank zij uwe hulp, gered zijn, hebt gij hier niets meer te doen, niet waar?”

De twee mannen bogen, zonder te antwoorden.

»Sta mij een gunst toe,” zeide zij.

»Spreek, mevrouw.”

Zij nam een klein crucifix, met diamanten ingelegd, dat zij op de borst droeg.

»Bewaar dit ter herinnering aan mij.”

De jager aarzelde.

»Ik bid er u om,” prevelde zij met tranen in de oogen.

»Ik neem het aan, mevrouw,” zeide de jager bewogen, het kruis op zijne borst bij zijn scapulier plaatsende; »het zal mij een talisman zijn bij die, welke mijne moeder mij gegeven heeft.”

»Ik dank u,” antwoordde het meisje verheugd; »nog eene vraag!”

»Spreek!”

»Hoe zijn uwe namen?”

»Mijn makker heet Goedsmoeds.”

»Maar gij?”

»Edelhart.”

Na nog eenmaal gebogen te hebben, verwijderden de beide jagers zich haastig, en waren spoedig in de duisternis verdwenen.DoñaLuz volgde hen zoolang zij kon met de oogen; vervolgens keerde zij langzaam naar de tent terug, half luid prevelende: »Edelhart!… O, ik zal het niet vergeten!…”


Back to IndexNext