[Inhoud]VII.DE VERRASSING.De Vereenigde Staten hebben van Engeland dat systeem van voortdurende uitbreiding en inbezitneming overgeërfd, dat een der meest kenmerkende eigenschappen van het Angel-Saksische ras is.Nauwelijks was Noord-Amerika onafhankelijk en de vrede met het moederland gesloten, of dezelfde menschen die zoo hard over[55]dwingelandij en verdrukking geschreeuwd en die zich verzet hadden tegen de schending van het volkenrecht, waarvan zij, zooals zij zeiden, de slachtoffers waren geweest, regelden met die onverbiddelijke koelbloedigheid, die aan hun geslacht eigen is, eene jacht op de Indianen, niet alleen op hun eigen grondgebied, maar over de gansche uitgestrektheid van Amerika’s vasteland. Niet tevreden met de onmetelijke gewesten, die zij reeds bezitten en welks onrustige bevolking, ondanks haar ijver om van alles voordeel te trekken, nog altijd ontoereikend is, willen zij zich meester maken van de beide oceanen, die Amerika bespoelen, en dringen zij voortdurend de inlandsche stammen terug, om deze volgens de profetische en bittere woorden van een Indiaansch opperhoofd, door middel van allerlei verraad en trouweloosheid, eindelijk in de Stille Zuidzee te verdrinken.In de Vereenigde Staten, dat land waarover de denkbeelden wel beginnen te veranderen, ofschoon bevooroordeelde of slecht ingelichte lieden het nog altijd als den klassieken grond der vrijheid blijven voorstellen, ontmoet men overal de blijken van die hatelijke onrechtvaardigheid, die twee menschenrassen heeft geplunderd en van alles beroofd ten voordeele van een derde, dat zich het recht van leven en dood over hen aanmatigt, en ze niet anders dan als slachtvee beschouwt. Deze twee rassen, de belangstelling van alle weldenkenden zoo overwaardig, zijn het zwarte en het roode ras.Het is aan den anderen kant waar, dat de Vereenigde Staten, om te toonen hoe philanthropisch zij zijn, in het jaar 1795een verbond van vrede en vriendschapgesloten hebben met de Barbarijsche staten, die hun onvergelijkelijk meer voordeelen aanboden dan de orde van Malta, die ook met hen onderhandelen wilde.Dit verbond is gewaarborgd door de gouvernementen van Algiers en van Tripoli, en het luidde uitdrukkelijk, datde regeering der Vereenigde Staten geenszins gebaseerd is op de Christelijke Godsdienst. Aan hen, wien deze bepaling doeltreffend toeschijnt, moeten wij doen opmerken dat de Amerikanen in hun dagelijksch leven maar één God schijnen te erkennen:den God Dollar! die ten allen tijde de eenige is geweest, tot welken de roovers van alle gewesten gebeden hebben.Men make zelf de gevolgtrekking!DeSquatters, menschen zonder recht en wet, door alle natiën veracht, de schande en het uitvaagsel der bevolking van Noord-Amerika, dringen altijd naar het Westen voort, en trachten door onafgebroken landontginningen de Indiaansche stammen uit hun laatste schuilhoeken te verdrijven.Achter desquatterskomen vier of vijf soldaten, een tamboer, een trompetter of een officier met een vaandel met sterren.Deze soldaten bouwen een fort van enkel boomstammen, planten hun vaandel er op, en maken openlijk bekend, dat de grenzen van het Staten-Verbond zich tot daar uitstrekken.[56]Dan worden er rondom het fort eenige hutten gebouwd, een gemengde bevolking van blanken, zwarten en roodhuiden vestigt er zich, en ziedaar eene stad in het aanzijn geroepen, waaraan men een verheven naam, bijv. Utica, of Syracuse, of Rome, of Carthago geeft; en eenige jaren later, als deze stad twee of driehonderd steenen huizen bezit, wordt zij rechtens de hoofdstad van een nieuwen Staat, die eigenlijk nog moet geboren worden. Zoo gaat het in dat land toe; men ziet het is een zeer eenvoudige wijze van handelen.Eenige dagen na de in ons vorige hoofdstuk vermelde gebeurtenissen, had er een vreemd voorval plaats, in een nauwelijks sedert twee jaar bestaandebezitting, aan den oever der groote Canadeesche rivier en aan den voet van een altijd groenen heuvel.Deze bezitting bestond uit een twintigtal hutten, grillig naast elkander geplaatst en beschermd door een fortje, dat met vier kanonnen bewapend den loop der rivier bestreek.Dit dorp, hoe nieuw het ook zijn mocht, had ten gevolge der onvermoeide Amerikaansche bedrijvigheid, reeds al het aanzien eener stad verkregen. Twee kroegen waren altijd vol drinkers, drie kerken van verschillende genootschappen dienden tot vergaderplaats voor de geloovigen. De bewoners kwamen en gingen met die driftige haast, die gewoonlijk lieden kenmerkt, welke met lust arbeiden en veel zaken te doen hebben.Tallooze kano’s bedekten de rivier, en karren, met koopwaren beladen, reden in alle richtingen, knarsten op hun ongesmeerde wielen, en lieten diepe sporen in den grond achter.Doch ondanks al die bewegelijkheid, misschien wel ten gevolge daarvan, viel het niet moeielijk te ontdekken, dat er zekere ongerustheid in het dorp heerschte.De bewoners ondervroegen elkander; er vormden zich groepen voor de huizen, en verscheidene mannen, op krachtvolle paarden gezeten, reden naar alle zijden op verkenning uit, nadat zij van den kommandant van het fort, die in groot uniform, met een verrekijker in de hand, op den muur der sterkte rondliep, de noodige bevelen ontvangen hadden.Langzaam naderden de kano’s den oever, de karren werden uitgespannen, de lastdieren in de parken opgesloten, en de geheele bevolking vereenigde zich op het plein van het dorp.De zon was bijna onder, de avond zou weldra gevallen zijn, de uitgezonden verspieders waren allen terug.»Gij ziet het,” zeide de kapitein tot de inwoners, »wij hebben niets te vreezen, het was slechts een valsch alarm, gij kunt rustig naar uwe woningen terugkeeren, men heeft op twintig mijlen in den omtrek geen spoor van Indianen gevonden.”»Hm!” zeide een oud jager van gemengd ras, die op zijn geweer leunde, »twintig mijlen zijn spoedig afgelegd door de Indianen.”»’t Is mogelijk, Wit-Oog,” antwoordde de kommandant, »maar[57]wees overtuigd dat ik met geen ander doel aldus gehandeld heb, dan om de bevolking de verzekering te geven, dat de Indianen zich niet zullen durven wreken.”»De Indianen wreken zich altoos, kapitein,” zei de oude jager met nadruk.»Gij hebt te veel whiskey gedronken, Wit-Oog, zij is u naar het hoofd gestegen, gij droomt wakend.”»God geve dat gij gelijk hebt, kapitein, maar ik heb mijn gansche leven met het ontginnen van woeste streken doorgebracht; ik ken de gebruiken der Roodhuiden, terwijl gij u slechts sedert twee jaar op de grenzen bevindt.”»Dat is meer dan genoeg.”»Maar met goedvinden, de Indianen zijn mannen, en de twee Comanchen, die hier verraderlijk vermoord zijn, in spijt van het volkenrecht, waren krijgslieden, daar hun stam trotsch op was.”»Wit-Oog, gij zijt een halfbloed, gij zijt maar al te zeer aan het roode ras verwant.”»Het roode ras,” antwoordde de jager trotsch, »is edelmoedig; het vermoordt niemand uit lust tot bloedvergieten, gelijk gij voor vier dagen met die twee krijgslieden, die weerloos in hunne kano’s voorbijvoeren, gedaan hebt, onder voorwendsel van een nieuw geweer te probeeren dat gij uit Akropolis ontvangen hadt.”»’t Is wel! ’t Is genoeg! schenk mij uwe verklaring, Wit-Oog, ik wil van u geen aanmerkingen hooren.”De jager maakte eene linksche buiging, wierp zijn geweer over schouder en ging weg, bij zich zelven mompelend:»Om het even, maar het vergoten bloed schreeuwt om wraak, de Roodhuiden zijn mannen, zij zullen de misdaad niet ongestraft laten.”De kapitein begaf zich wederom naar het fort, blijkbaar verbitterd door de woorden van den mesties. Langzamerhand verstrooiden zich de burgers, na elkander goeden avond gewenscht te hebben, en begaven zich naar huis, met al de onbezorgdheid van menschen die gewoon zijn om ieder oogenblik hun leven in gevaar te stellen.Een uur later was de nacht geheel gevallen; een dikke duisternis omgaf het dorp, welks inwoners, vermoeid door den zwaren arbeid van den dag, onbekommerd uitrustten.De verspieders, die tegen den avond door den kapitein waren uitgezonden, hadden zich slecht van hun plicht gekweten of liever zij waren niet bekend met de streken der Indianen, anders zouden zij de kolonisten niet tot zulke verkeerde onbezorgdheid hebben opgewekt.Nauwelijks een mijl van het dorp verwijderd, lagen te midden van het dichte struikgewas en de ineengegroeide boomen van een ondoordringbaar woud, tweehonderd Comanchen van denSlangenstamverscholen, aangevoerd door hunne meest beroemde opperhoofden, waaronder de Arendskop, die, ofschoon gewond, nochtans aan den[58]tocht wilde deelnemen; zij wachtten met dat Indiaansch geduld, dat zich door niets verstoren laat, het geschikte oogenblik af, om een schitterende wraak te nemen over den hun aangedanen hoon.Verscheidene uren gingen aldus voorbij, zonder dat de stilte van den nacht door het minste gedruisch werd afgebroken. Tegen elf uur des avonds ging de maan op, en verlichtte het landschap met haar zilveren stralen. Op hetzelfde oogenblik liet zich tweemaal, op verren afstand, het huilen van een hond hooren. De Arendskop, zich verwijderende van den boom, die hem beschutte, begon met buitengewone behendigheid en vlugheid naar het dorp te kruipen. Aan den rand van het bosch gekomen maakte hij halt, wierp een onderzoekenden blik om zich heen, en bootste het gehinnik van een paard zoo volkomen na, dat twee paarden van het dorp hem onmiddellijk antwoord gaven. Na eenige sekonden toevens, bemerkte het geoefend gehoor van het opperhoofd eenig gedruisch in de bladeren; niet ver van daar liet zich het geloei van een os hooren; de hoofdman stond op en wachtte. Twee minuten later voegde zich een man bij hem. Die man was Wit-Oog, de oude jager, om wiens lippen een onheilspellende lach speelde.»Wat doen de blanken?” vroeg het opperhoofd.»Zij slapen,” was het antwoord.»Zal mijn broeder ze in mijne handen leveren?”»Gewis, mits gij ook uw woord houdt.”»Een opperhoofd heeft maar één woord. Waar zijn de bleeke vrouw en het grijze hoofd?”»Zij zijn hier.”»Zullen zij mij toebehooren?”»Al de bewoners van het dorp zullen mijn broeder in handen worden gesteld.”»Oach!is de jager niet gekomen?”»Nog niet.”»Hij zal te laat komen.”»Waarschijnlijk.”»Wat zegt mijn broeder nu?”»Waar is het loon, dat ik aan het opperhoofd gevraagd heb?”»De huiden, de geweren en het kruit worden hier achter door mijne lieden bewaakt.”»Ik vertrouw u, hoofdman, maar zoo gij mij misleidt.…”»Een Indiaan heeft maar één woord.”»’t Is goed!.… Nu dan, als ge maar wilt.”Tien minuten later waren de Indianen meesters van het dorp, welks inwoners, de een na den ander wakker geworden, zonder slag of stoot werden gevangen genomen.Het fort werd door de Comanchen omringd, die, na aan den voet der muren boomstammen, karren, meubels en allerlei gereedschappen te hebben bijeengezameld, slechts op een teeken van hun opperhoofd[59]wachtten om den aanval te wagen. Eensklaps vertoonde zich een onduidelijk zichtbare gedaante boven het fort, en het geschreeuw van een sperwer weêrklonk over de vlakte. De Indianen staken den brandstapel aan, en stortten zich op de palissaden, met dien vreeselijk gillenden oorlogskreet, die hun eigen is, en die op de grenzen altijd het sein geeft tot den moord.
[Inhoud]VII.DE VERRASSING.De Vereenigde Staten hebben van Engeland dat systeem van voortdurende uitbreiding en inbezitneming overgeërfd, dat een der meest kenmerkende eigenschappen van het Angel-Saksische ras is.Nauwelijks was Noord-Amerika onafhankelijk en de vrede met het moederland gesloten, of dezelfde menschen die zoo hard over[55]dwingelandij en verdrukking geschreeuwd en die zich verzet hadden tegen de schending van het volkenrecht, waarvan zij, zooals zij zeiden, de slachtoffers waren geweest, regelden met die onverbiddelijke koelbloedigheid, die aan hun geslacht eigen is, eene jacht op de Indianen, niet alleen op hun eigen grondgebied, maar over de gansche uitgestrektheid van Amerika’s vasteland. Niet tevreden met de onmetelijke gewesten, die zij reeds bezitten en welks onrustige bevolking, ondanks haar ijver om van alles voordeel te trekken, nog altijd ontoereikend is, willen zij zich meester maken van de beide oceanen, die Amerika bespoelen, en dringen zij voortdurend de inlandsche stammen terug, om deze volgens de profetische en bittere woorden van een Indiaansch opperhoofd, door middel van allerlei verraad en trouweloosheid, eindelijk in de Stille Zuidzee te verdrinken.In de Vereenigde Staten, dat land waarover de denkbeelden wel beginnen te veranderen, ofschoon bevooroordeelde of slecht ingelichte lieden het nog altijd als den klassieken grond der vrijheid blijven voorstellen, ontmoet men overal de blijken van die hatelijke onrechtvaardigheid, die twee menschenrassen heeft geplunderd en van alles beroofd ten voordeele van een derde, dat zich het recht van leven en dood over hen aanmatigt, en ze niet anders dan als slachtvee beschouwt. Deze twee rassen, de belangstelling van alle weldenkenden zoo overwaardig, zijn het zwarte en het roode ras.Het is aan den anderen kant waar, dat de Vereenigde Staten, om te toonen hoe philanthropisch zij zijn, in het jaar 1795een verbond van vrede en vriendschapgesloten hebben met de Barbarijsche staten, die hun onvergelijkelijk meer voordeelen aanboden dan de orde van Malta, die ook met hen onderhandelen wilde.Dit verbond is gewaarborgd door de gouvernementen van Algiers en van Tripoli, en het luidde uitdrukkelijk, datde regeering der Vereenigde Staten geenszins gebaseerd is op de Christelijke Godsdienst. Aan hen, wien deze bepaling doeltreffend toeschijnt, moeten wij doen opmerken dat de Amerikanen in hun dagelijksch leven maar één God schijnen te erkennen:den God Dollar! die ten allen tijde de eenige is geweest, tot welken de roovers van alle gewesten gebeden hebben.Men make zelf de gevolgtrekking!DeSquatters, menschen zonder recht en wet, door alle natiën veracht, de schande en het uitvaagsel der bevolking van Noord-Amerika, dringen altijd naar het Westen voort, en trachten door onafgebroken landontginningen de Indiaansche stammen uit hun laatste schuilhoeken te verdrijven.Achter desquatterskomen vier of vijf soldaten, een tamboer, een trompetter of een officier met een vaandel met sterren.Deze soldaten bouwen een fort van enkel boomstammen, planten hun vaandel er op, en maken openlijk bekend, dat de grenzen van het Staten-Verbond zich tot daar uitstrekken.[56]Dan worden er rondom het fort eenige hutten gebouwd, een gemengde bevolking van blanken, zwarten en roodhuiden vestigt er zich, en ziedaar eene stad in het aanzijn geroepen, waaraan men een verheven naam, bijv. Utica, of Syracuse, of Rome, of Carthago geeft; en eenige jaren later, als deze stad twee of driehonderd steenen huizen bezit, wordt zij rechtens de hoofdstad van een nieuwen Staat, die eigenlijk nog moet geboren worden. Zoo gaat het in dat land toe; men ziet het is een zeer eenvoudige wijze van handelen.Eenige dagen na de in ons vorige hoofdstuk vermelde gebeurtenissen, had er een vreemd voorval plaats, in een nauwelijks sedert twee jaar bestaandebezitting, aan den oever der groote Canadeesche rivier en aan den voet van een altijd groenen heuvel.Deze bezitting bestond uit een twintigtal hutten, grillig naast elkander geplaatst en beschermd door een fortje, dat met vier kanonnen bewapend den loop der rivier bestreek.Dit dorp, hoe nieuw het ook zijn mocht, had ten gevolge der onvermoeide Amerikaansche bedrijvigheid, reeds al het aanzien eener stad verkregen. Twee kroegen waren altijd vol drinkers, drie kerken van verschillende genootschappen dienden tot vergaderplaats voor de geloovigen. De bewoners kwamen en gingen met die driftige haast, die gewoonlijk lieden kenmerkt, welke met lust arbeiden en veel zaken te doen hebben.Tallooze kano’s bedekten de rivier, en karren, met koopwaren beladen, reden in alle richtingen, knarsten op hun ongesmeerde wielen, en lieten diepe sporen in den grond achter.Doch ondanks al die bewegelijkheid, misschien wel ten gevolge daarvan, viel het niet moeielijk te ontdekken, dat er zekere ongerustheid in het dorp heerschte.De bewoners ondervroegen elkander; er vormden zich groepen voor de huizen, en verscheidene mannen, op krachtvolle paarden gezeten, reden naar alle zijden op verkenning uit, nadat zij van den kommandant van het fort, die in groot uniform, met een verrekijker in de hand, op den muur der sterkte rondliep, de noodige bevelen ontvangen hadden.Langzaam naderden de kano’s den oever, de karren werden uitgespannen, de lastdieren in de parken opgesloten, en de geheele bevolking vereenigde zich op het plein van het dorp.De zon was bijna onder, de avond zou weldra gevallen zijn, de uitgezonden verspieders waren allen terug.»Gij ziet het,” zeide de kapitein tot de inwoners, »wij hebben niets te vreezen, het was slechts een valsch alarm, gij kunt rustig naar uwe woningen terugkeeren, men heeft op twintig mijlen in den omtrek geen spoor van Indianen gevonden.”»Hm!” zeide een oud jager van gemengd ras, die op zijn geweer leunde, »twintig mijlen zijn spoedig afgelegd door de Indianen.”»’t Is mogelijk, Wit-Oog,” antwoordde de kommandant, »maar[57]wees overtuigd dat ik met geen ander doel aldus gehandeld heb, dan om de bevolking de verzekering te geven, dat de Indianen zich niet zullen durven wreken.”»De Indianen wreken zich altoos, kapitein,” zei de oude jager met nadruk.»Gij hebt te veel whiskey gedronken, Wit-Oog, zij is u naar het hoofd gestegen, gij droomt wakend.”»God geve dat gij gelijk hebt, kapitein, maar ik heb mijn gansche leven met het ontginnen van woeste streken doorgebracht; ik ken de gebruiken der Roodhuiden, terwijl gij u slechts sedert twee jaar op de grenzen bevindt.”»Dat is meer dan genoeg.”»Maar met goedvinden, de Indianen zijn mannen, en de twee Comanchen, die hier verraderlijk vermoord zijn, in spijt van het volkenrecht, waren krijgslieden, daar hun stam trotsch op was.”»Wit-Oog, gij zijt een halfbloed, gij zijt maar al te zeer aan het roode ras verwant.”»Het roode ras,” antwoordde de jager trotsch, »is edelmoedig; het vermoordt niemand uit lust tot bloedvergieten, gelijk gij voor vier dagen met die twee krijgslieden, die weerloos in hunne kano’s voorbijvoeren, gedaan hebt, onder voorwendsel van een nieuw geweer te probeeren dat gij uit Akropolis ontvangen hadt.”»’t Is wel! ’t Is genoeg! schenk mij uwe verklaring, Wit-Oog, ik wil van u geen aanmerkingen hooren.”De jager maakte eene linksche buiging, wierp zijn geweer over schouder en ging weg, bij zich zelven mompelend:»Om het even, maar het vergoten bloed schreeuwt om wraak, de Roodhuiden zijn mannen, zij zullen de misdaad niet ongestraft laten.”De kapitein begaf zich wederom naar het fort, blijkbaar verbitterd door de woorden van den mesties. Langzamerhand verstrooiden zich de burgers, na elkander goeden avond gewenscht te hebben, en begaven zich naar huis, met al de onbezorgdheid van menschen die gewoon zijn om ieder oogenblik hun leven in gevaar te stellen.Een uur later was de nacht geheel gevallen; een dikke duisternis omgaf het dorp, welks inwoners, vermoeid door den zwaren arbeid van den dag, onbekommerd uitrustten.De verspieders, die tegen den avond door den kapitein waren uitgezonden, hadden zich slecht van hun plicht gekweten of liever zij waren niet bekend met de streken der Indianen, anders zouden zij de kolonisten niet tot zulke verkeerde onbezorgdheid hebben opgewekt.Nauwelijks een mijl van het dorp verwijderd, lagen te midden van het dichte struikgewas en de ineengegroeide boomen van een ondoordringbaar woud, tweehonderd Comanchen van denSlangenstamverscholen, aangevoerd door hunne meest beroemde opperhoofden, waaronder de Arendskop, die, ofschoon gewond, nochtans aan den[58]tocht wilde deelnemen; zij wachtten met dat Indiaansch geduld, dat zich door niets verstoren laat, het geschikte oogenblik af, om een schitterende wraak te nemen over den hun aangedanen hoon.Verscheidene uren gingen aldus voorbij, zonder dat de stilte van den nacht door het minste gedruisch werd afgebroken. Tegen elf uur des avonds ging de maan op, en verlichtte het landschap met haar zilveren stralen. Op hetzelfde oogenblik liet zich tweemaal, op verren afstand, het huilen van een hond hooren. De Arendskop, zich verwijderende van den boom, die hem beschutte, begon met buitengewone behendigheid en vlugheid naar het dorp te kruipen. Aan den rand van het bosch gekomen maakte hij halt, wierp een onderzoekenden blik om zich heen, en bootste het gehinnik van een paard zoo volkomen na, dat twee paarden van het dorp hem onmiddellijk antwoord gaven. Na eenige sekonden toevens, bemerkte het geoefend gehoor van het opperhoofd eenig gedruisch in de bladeren; niet ver van daar liet zich het geloei van een os hooren; de hoofdman stond op en wachtte. Twee minuten later voegde zich een man bij hem. Die man was Wit-Oog, de oude jager, om wiens lippen een onheilspellende lach speelde.»Wat doen de blanken?” vroeg het opperhoofd.»Zij slapen,” was het antwoord.»Zal mijn broeder ze in mijne handen leveren?”»Gewis, mits gij ook uw woord houdt.”»Een opperhoofd heeft maar één woord. Waar zijn de bleeke vrouw en het grijze hoofd?”»Zij zijn hier.”»Zullen zij mij toebehooren?”»Al de bewoners van het dorp zullen mijn broeder in handen worden gesteld.”»Oach!is de jager niet gekomen?”»Nog niet.”»Hij zal te laat komen.”»Waarschijnlijk.”»Wat zegt mijn broeder nu?”»Waar is het loon, dat ik aan het opperhoofd gevraagd heb?”»De huiden, de geweren en het kruit worden hier achter door mijne lieden bewaakt.”»Ik vertrouw u, hoofdman, maar zoo gij mij misleidt.…”»Een Indiaan heeft maar één woord.”»’t Is goed!.… Nu dan, als ge maar wilt.”Tien minuten later waren de Indianen meesters van het dorp, welks inwoners, de een na den ander wakker geworden, zonder slag of stoot werden gevangen genomen.Het fort werd door de Comanchen omringd, die, na aan den voet der muren boomstammen, karren, meubels en allerlei gereedschappen te hebben bijeengezameld, slechts op een teeken van hun opperhoofd[59]wachtten om den aanval te wagen. Eensklaps vertoonde zich een onduidelijk zichtbare gedaante boven het fort, en het geschreeuw van een sperwer weêrklonk over de vlakte. De Indianen staken den brandstapel aan, en stortten zich op de palissaden, met dien vreeselijk gillenden oorlogskreet, die hun eigen is, en die op de grenzen altijd het sein geeft tot den moord.
[Inhoud]VII.DE VERRASSING.De Vereenigde Staten hebben van Engeland dat systeem van voortdurende uitbreiding en inbezitneming overgeërfd, dat een der meest kenmerkende eigenschappen van het Angel-Saksische ras is.Nauwelijks was Noord-Amerika onafhankelijk en de vrede met het moederland gesloten, of dezelfde menschen die zoo hard over[55]dwingelandij en verdrukking geschreeuwd en die zich verzet hadden tegen de schending van het volkenrecht, waarvan zij, zooals zij zeiden, de slachtoffers waren geweest, regelden met die onverbiddelijke koelbloedigheid, die aan hun geslacht eigen is, eene jacht op de Indianen, niet alleen op hun eigen grondgebied, maar over de gansche uitgestrektheid van Amerika’s vasteland. Niet tevreden met de onmetelijke gewesten, die zij reeds bezitten en welks onrustige bevolking, ondanks haar ijver om van alles voordeel te trekken, nog altijd ontoereikend is, willen zij zich meester maken van de beide oceanen, die Amerika bespoelen, en dringen zij voortdurend de inlandsche stammen terug, om deze volgens de profetische en bittere woorden van een Indiaansch opperhoofd, door middel van allerlei verraad en trouweloosheid, eindelijk in de Stille Zuidzee te verdrinken.In de Vereenigde Staten, dat land waarover de denkbeelden wel beginnen te veranderen, ofschoon bevooroordeelde of slecht ingelichte lieden het nog altijd als den klassieken grond der vrijheid blijven voorstellen, ontmoet men overal de blijken van die hatelijke onrechtvaardigheid, die twee menschenrassen heeft geplunderd en van alles beroofd ten voordeele van een derde, dat zich het recht van leven en dood over hen aanmatigt, en ze niet anders dan als slachtvee beschouwt. Deze twee rassen, de belangstelling van alle weldenkenden zoo overwaardig, zijn het zwarte en het roode ras.Het is aan den anderen kant waar, dat de Vereenigde Staten, om te toonen hoe philanthropisch zij zijn, in het jaar 1795een verbond van vrede en vriendschapgesloten hebben met de Barbarijsche staten, die hun onvergelijkelijk meer voordeelen aanboden dan de orde van Malta, die ook met hen onderhandelen wilde.Dit verbond is gewaarborgd door de gouvernementen van Algiers en van Tripoli, en het luidde uitdrukkelijk, datde regeering der Vereenigde Staten geenszins gebaseerd is op de Christelijke Godsdienst. Aan hen, wien deze bepaling doeltreffend toeschijnt, moeten wij doen opmerken dat de Amerikanen in hun dagelijksch leven maar één God schijnen te erkennen:den God Dollar! die ten allen tijde de eenige is geweest, tot welken de roovers van alle gewesten gebeden hebben.Men make zelf de gevolgtrekking!DeSquatters, menschen zonder recht en wet, door alle natiën veracht, de schande en het uitvaagsel der bevolking van Noord-Amerika, dringen altijd naar het Westen voort, en trachten door onafgebroken landontginningen de Indiaansche stammen uit hun laatste schuilhoeken te verdrijven.Achter desquatterskomen vier of vijf soldaten, een tamboer, een trompetter of een officier met een vaandel met sterren.Deze soldaten bouwen een fort van enkel boomstammen, planten hun vaandel er op, en maken openlijk bekend, dat de grenzen van het Staten-Verbond zich tot daar uitstrekken.[56]Dan worden er rondom het fort eenige hutten gebouwd, een gemengde bevolking van blanken, zwarten en roodhuiden vestigt er zich, en ziedaar eene stad in het aanzijn geroepen, waaraan men een verheven naam, bijv. Utica, of Syracuse, of Rome, of Carthago geeft; en eenige jaren later, als deze stad twee of driehonderd steenen huizen bezit, wordt zij rechtens de hoofdstad van een nieuwen Staat, die eigenlijk nog moet geboren worden. Zoo gaat het in dat land toe; men ziet het is een zeer eenvoudige wijze van handelen.Eenige dagen na de in ons vorige hoofdstuk vermelde gebeurtenissen, had er een vreemd voorval plaats, in een nauwelijks sedert twee jaar bestaandebezitting, aan den oever der groote Canadeesche rivier en aan den voet van een altijd groenen heuvel.Deze bezitting bestond uit een twintigtal hutten, grillig naast elkander geplaatst en beschermd door een fortje, dat met vier kanonnen bewapend den loop der rivier bestreek.Dit dorp, hoe nieuw het ook zijn mocht, had ten gevolge der onvermoeide Amerikaansche bedrijvigheid, reeds al het aanzien eener stad verkregen. Twee kroegen waren altijd vol drinkers, drie kerken van verschillende genootschappen dienden tot vergaderplaats voor de geloovigen. De bewoners kwamen en gingen met die driftige haast, die gewoonlijk lieden kenmerkt, welke met lust arbeiden en veel zaken te doen hebben.Tallooze kano’s bedekten de rivier, en karren, met koopwaren beladen, reden in alle richtingen, knarsten op hun ongesmeerde wielen, en lieten diepe sporen in den grond achter.Doch ondanks al die bewegelijkheid, misschien wel ten gevolge daarvan, viel het niet moeielijk te ontdekken, dat er zekere ongerustheid in het dorp heerschte.De bewoners ondervroegen elkander; er vormden zich groepen voor de huizen, en verscheidene mannen, op krachtvolle paarden gezeten, reden naar alle zijden op verkenning uit, nadat zij van den kommandant van het fort, die in groot uniform, met een verrekijker in de hand, op den muur der sterkte rondliep, de noodige bevelen ontvangen hadden.Langzaam naderden de kano’s den oever, de karren werden uitgespannen, de lastdieren in de parken opgesloten, en de geheele bevolking vereenigde zich op het plein van het dorp.De zon was bijna onder, de avond zou weldra gevallen zijn, de uitgezonden verspieders waren allen terug.»Gij ziet het,” zeide de kapitein tot de inwoners, »wij hebben niets te vreezen, het was slechts een valsch alarm, gij kunt rustig naar uwe woningen terugkeeren, men heeft op twintig mijlen in den omtrek geen spoor van Indianen gevonden.”»Hm!” zeide een oud jager van gemengd ras, die op zijn geweer leunde, »twintig mijlen zijn spoedig afgelegd door de Indianen.”»’t Is mogelijk, Wit-Oog,” antwoordde de kommandant, »maar[57]wees overtuigd dat ik met geen ander doel aldus gehandeld heb, dan om de bevolking de verzekering te geven, dat de Indianen zich niet zullen durven wreken.”»De Indianen wreken zich altoos, kapitein,” zei de oude jager met nadruk.»Gij hebt te veel whiskey gedronken, Wit-Oog, zij is u naar het hoofd gestegen, gij droomt wakend.”»God geve dat gij gelijk hebt, kapitein, maar ik heb mijn gansche leven met het ontginnen van woeste streken doorgebracht; ik ken de gebruiken der Roodhuiden, terwijl gij u slechts sedert twee jaar op de grenzen bevindt.”»Dat is meer dan genoeg.”»Maar met goedvinden, de Indianen zijn mannen, en de twee Comanchen, die hier verraderlijk vermoord zijn, in spijt van het volkenrecht, waren krijgslieden, daar hun stam trotsch op was.”»Wit-Oog, gij zijt een halfbloed, gij zijt maar al te zeer aan het roode ras verwant.”»Het roode ras,” antwoordde de jager trotsch, »is edelmoedig; het vermoordt niemand uit lust tot bloedvergieten, gelijk gij voor vier dagen met die twee krijgslieden, die weerloos in hunne kano’s voorbijvoeren, gedaan hebt, onder voorwendsel van een nieuw geweer te probeeren dat gij uit Akropolis ontvangen hadt.”»’t Is wel! ’t Is genoeg! schenk mij uwe verklaring, Wit-Oog, ik wil van u geen aanmerkingen hooren.”De jager maakte eene linksche buiging, wierp zijn geweer over schouder en ging weg, bij zich zelven mompelend:»Om het even, maar het vergoten bloed schreeuwt om wraak, de Roodhuiden zijn mannen, zij zullen de misdaad niet ongestraft laten.”De kapitein begaf zich wederom naar het fort, blijkbaar verbitterd door de woorden van den mesties. Langzamerhand verstrooiden zich de burgers, na elkander goeden avond gewenscht te hebben, en begaven zich naar huis, met al de onbezorgdheid van menschen die gewoon zijn om ieder oogenblik hun leven in gevaar te stellen.Een uur later was de nacht geheel gevallen; een dikke duisternis omgaf het dorp, welks inwoners, vermoeid door den zwaren arbeid van den dag, onbekommerd uitrustten.De verspieders, die tegen den avond door den kapitein waren uitgezonden, hadden zich slecht van hun plicht gekweten of liever zij waren niet bekend met de streken der Indianen, anders zouden zij de kolonisten niet tot zulke verkeerde onbezorgdheid hebben opgewekt.Nauwelijks een mijl van het dorp verwijderd, lagen te midden van het dichte struikgewas en de ineengegroeide boomen van een ondoordringbaar woud, tweehonderd Comanchen van denSlangenstamverscholen, aangevoerd door hunne meest beroemde opperhoofden, waaronder de Arendskop, die, ofschoon gewond, nochtans aan den[58]tocht wilde deelnemen; zij wachtten met dat Indiaansch geduld, dat zich door niets verstoren laat, het geschikte oogenblik af, om een schitterende wraak te nemen over den hun aangedanen hoon.Verscheidene uren gingen aldus voorbij, zonder dat de stilte van den nacht door het minste gedruisch werd afgebroken. Tegen elf uur des avonds ging de maan op, en verlichtte het landschap met haar zilveren stralen. Op hetzelfde oogenblik liet zich tweemaal, op verren afstand, het huilen van een hond hooren. De Arendskop, zich verwijderende van den boom, die hem beschutte, begon met buitengewone behendigheid en vlugheid naar het dorp te kruipen. Aan den rand van het bosch gekomen maakte hij halt, wierp een onderzoekenden blik om zich heen, en bootste het gehinnik van een paard zoo volkomen na, dat twee paarden van het dorp hem onmiddellijk antwoord gaven. Na eenige sekonden toevens, bemerkte het geoefend gehoor van het opperhoofd eenig gedruisch in de bladeren; niet ver van daar liet zich het geloei van een os hooren; de hoofdman stond op en wachtte. Twee minuten later voegde zich een man bij hem. Die man was Wit-Oog, de oude jager, om wiens lippen een onheilspellende lach speelde.»Wat doen de blanken?” vroeg het opperhoofd.»Zij slapen,” was het antwoord.»Zal mijn broeder ze in mijne handen leveren?”»Gewis, mits gij ook uw woord houdt.”»Een opperhoofd heeft maar één woord. Waar zijn de bleeke vrouw en het grijze hoofd?”»Zij zijn hier.”»Zullen zij mij toebehooren?”»Al de bewoners van het dorp zullen mijn broeder in handen worden gesteld.”»Oach!is de jager niet gekomen?”»Nog niet.”»Hij zal te laat komen.”»Waarschijnlijk.”»Wat zegt mijn broeder nu?”»Waar is het loon, dat ik aan het opperhoofd gevraagd heb?”»De huiden, de geweren en het kruit worden hier achter door mijne lieden bewaakt.”»Ik vertrouw u, hoofdman, maar zoo gij mij misleidt.…”»Een Indiaan heeft maar één woord.”»’t Is goed!.… Nu dan, als ge maar wilt.”Tien minuten later waren de Indianen meesters van het dorp, welks inwoners, de een na den ander wakker geworden, zonder slag of stoot werden gevangen genomen.Het fort werd door de Comanchen omringd, die, na aan den voet der muren boomstammen, karren, meubels en allerlei gereedschappen te hebben bijeengezameld, slechts op een teeken van hun opperhoofd[59]wachtten om den aanval te wagen. Eensklaps vertoonde zich een onduidelijk zichtbare gedaante boven het fort, en het geschreeuw van een sperwer weêrklonk over de vlakte. De Indianen staken den brandstapel aan, en stortten zich op de palissaden, met dien vreeselijk gillenden oorlogskreet, die hun eigen is, en die op de grenzen altijd het sein geeft tot den moord.
VII.DE VERRASSING.
De Vereenigde Staten hebben van Engeland dat systeem van voortdurende uitbreiding en inbezitneming overgeërfd, dat een der meest kenmerkende eigenschappen van het Angel-Saksische ras is.Nauwelijks was Noord-Amerika onafhankelijk en de vrede met het moederland gesloten, of dezelfde menschen die zoo hard over[55]dwingelandij en verdrukking geschreeuwd en die zich verzet hadden tegen de schending van het volkenrecht, waarvan zij, zooals zij zeiden, de slachtoffers waren geweest, regelden met die onverbiddelijke koelbloedigheid, die aan hun geslacht eigen is, eene jacht op de Indianen, niet alleen op hun eigen grondgebied, maar over de gansche uitgestrektheid van Amerika’s vasteland. Niet tevreden met de onmetelijke gewesten, die zij reeds bezitten en welks onrustige bevolking, ondanks haar ijver om van alles voordeel te trekken, nog altijd ontoereikend is, willen zij zich meester maken van de beide oceanen, die Amerika bespoelen, en dringen zij voortdurend de inlandsche stammen terug, om deze volgens de profetische en bittere woorden van een Indiaansch opperhoofd, door middel van allerlei verraad en trouweloosheid, eindelijk in de Stille Zuidzee te verdrinken.In de Vereenigde Staten, dat land waarover de denkbeelden wel beginnen te veranderen, ofschoon bevooroordeelde of slecht ingelichte lieden het nog altijd als den klassieken grond der vrijheid blijven voorstellen, ontmoet men overal de blijken van die hatelijke onrechtvaardigheid, die twee menschenrassen heeft geplunderd en van alles beroofd ten voordeele van een derde, dat zich het recht van leven en dood over hen aanmatigt, en ze niet anders dan als slachtvee beschouwt. Deze twee rassen, de belangstelling van alle weldenkenden zoo overwaardig, zijn het zwarte en het roode ras.Het is aan den anderen kant waar, dat de Vereenigde Staten, om te toonen hoe philanthropisch zij zijn, in het jaar 1795een verbond van vrede en vriendschapgesloten hebben met de Barbarijsche staten, die hun onvergelijkelijk meer voordeelen aanboden dan de orde van Malta, die ook met hen onderhandelen wilde.Dit verbond is gewaarborgd door de gouvernementen van Algiers en van Tripoli, en het luidde uitdrukkelijk, datde regeering der Vereenigde Staten geenszins gebaseerd is op de Christelijke Godsdienst. Aan hen, wien deze bepaling doeltreffend toeschijnt, moeten wij doen opmerken dat de Amerikanen in hun dagelijksch leven maar één God schijnen te erkennen:den God Dollar! die ten allen tijde de eenige is geweest, tot welken de roovers van alle gewesten gebeden hebben.Men make zelf de gevolgtrekking!DeSquatters, menschen zonder recht en wet, door alle natiën veracht, de schande en het uitvaagsel der bevolking van Noord-Amerika, dringen altijd naar het Westen voort, en trachten door onafgebroken landontginningen de Indiaansche stammen uit hun laatste schuilhoeken te verdrijven.Achter desquatterskomen vier of vijf soldaten, een tamboer, een trompetter of een officier met een vaandel met sterren.Deze soldaten bouwen een fort van enkel boomstammen, planten hun vaandel er op, en maken openlijk bekend, dat de grenzen van het Staten-Verbond zich tot daar uitstrekken.[56]Dan worden er rondom het fort eenige hutten gebouwd, een gemengde bevolking van blanken, zwarten en roodhuiden vestigt er zich, en ziedaar eene stad in het aanzijn geroepen, waaraan men een verheven naam, bijv. Utica, of Syracuse, of Rome, of Carthago geeft; en eenige jaren later, als deze stad twee of driehonderd steenen huizen bezit, wordt zij rechtens de hoofdstad van een nieuwen Staat, die eigenlijk nog moet geboren worden. Zoo gaat het in dat land toe; men ziet het is een zeer eenvoudige wijze van handelen.Eenige dagen na de in ons vorige hoofdstuk vermelde gebeurtenissen, had er een vreemd voorval plaats, in een nauwelijks sedert twee jaar bestaandebezitting, aan den oever der groote Canadeesche rivier en aan den voet van een altijd groenen heuvel.Deze bezitting bestond uit een twintigtal hutten, grillig naast elkander geplaatst en beschermd door een fortje, dat met vier kanonnen bewapend den loop der rivier bestreek.Dit dorp, hoe nieuw het ook zijn mocht, had ten gevolge der onvermoeide Amerikaansche bedrijvigheid, reeds al het aanzien eener stad verkregen. Twee kroegen waren altijd vol drinkers, drie kerken van verschillende genootschappen dienden tot vergaderplaats voor de geloovigen. De bewoners kwamen en gingen met die driftige haast, die gewoonlijk lieden kenmerkt, welke met lust arbeiden en veel zaken te doen hebben.Tallooze kano’s bedekten de rivier, en karren, met koopwaren beladen, reden in alle richtingen, knarsten op hun ongesmeerde wielen, en lieten diepe sporen in den grond achter.Doch ondanks al die bewegelijkheid, misschien wel ten gevolge daarvan, viel het niet moeielijk te ontdekken, dat er zekere ongerustheid in het dorp heerschte.De bewoners ondervroegen elkander; er vormden zich groepen voor de huizen, en verscheidene mannen, op krachtvolle paarden gezeten, reden naar alle zijden op verkenning uit, nadat zij van den kommandant van het fort, die in groot uniform, met een verrekijker in de hand, op den muur der sterkte rondliep, de noodige bevelen ontvangen hadden.Langzaam naderden de kano’s den oever, de karren werden uitgespannen, de lastdieren in de parken opgesloten, en de geheele bevolking vereenigde zich op het plein van het dorp.De zon was bijna onder, de avond zou weldra gevallen zijn, de uitgezonden verspieders waren allen terug.»Gij ziet het,” zeide de kapitein tot de inwoners, »wij hebben niets te vreezen, het was slechts een valsch alarm, gij kunt rustig naar uwe woningen terugkeeren, men heeft op twintig mijlen in den omtrek geen spoor van Indianen gevonden.”»Hm!” zeide een oud jager van gemengd ras, die op zijn geweer leunde, »twintig mijlen zijn spoedig afgelegd door de Indianen.”»’t Is mogelijk, Wit-Oog,” antwoordde de kommandant, »maar[57]wees overtuigd dat ik met geen ander doel aldus gehandeld heb, dan om de bevolking de verzekering te geven, dat de Indianen zich niet zullen durven wreken.”»De Indianen wreken zich altoos, kapitein,” zei de oude jager met nadruk.»Gij hebt te veel whiskey gedronken, Wit-Oog, zij is u naar het hoofd gestegen, gij droomt wakend.”»God geve dat gij gelijk hebt, kapitein, maar ik heb mijn gansche leven met het ontginnen van woeste streken doorgebracht; ik ken de gebruiken der Roodhuiden, terwijl gij u slechts sedert twee jaar op de grenzen bevindt.”»Dat is meer dan genoeg.”»Maar met goedvinden, de Indianen zijn mannen, en de twee Comanchen, die hier verraderlijk vermoord zijn, in spijt van het volkenrecht, waren krijgslieden, daar hun stam trotsch op was.”»Wit-Oog, gij zijt een halfbloed, gij zijt maar al te zeer aan het roode ras verwant.”»Het roode ras,” antwoordde de jager trotsch, »is edelmoedig; het vermoordt niemand uit lust tot bloedvergieten, gelijk gij voor vier dagen met die twee krijgslieden, die weerloos in hunne kano’s voorbijvoeren, gedaan hebt, onder voorwendsel van een nieuw geweer te probeeren dat gij uit Akropolis ontvangen hadt.”»’t Is wel! ’t Is genoeg! schenk mij uwe verklaring, Wit-Oog, ik wil van u geen aanmerkingen hooren.”De jager maakte eene linksche buiging, wierp zijn geweer over schouder en ging weg, bij zich zelven mompelend:»Om het even, maar het vergoten bloed schreeuwt om wraak, de Roodhuiden zijn mannen, zij zullen de misdaad niet ongestraft laten.”De kapitein begaf zich wederom naar het fort, blijkbaar verbitterd door de woorden van den mesties. Langzamerhand verstrooiden zich de burgers, na elkander goeden avond gewenscht te hebben, en begaven zich naar huis, met al de onbezorgdheid van menschen die gewoon zijn om ieder oogenblik hun leven in gevaar te stellen.Een uur later was de nacht geheel gevallen; een dikke duisternis omgaf het dorp, welks inwoners, vermoeid door den zwaren arbeid van den dag, onbekommerd uitrustten.De verspieders, die tegen den avond door den kapitein waren uitgezonden, hadden zich slecht van hun plicht gekweten of liever zij waren niet bekend met de streken der Indianen, anders zouden zij de kolonisten niet tot zulke verkeerde onbezorgdheid hebben opgewekt.Nauwelijks een mijl van het dorp verwijderd, lagen te midden van het dichte struikgewas en de ineengegroeide boomen van een ondoordringbaar woud, tweehonderd Comanchen van denSlangenstamverscholen, aangevoerd door hunne meest beroemde opperhoofden, waaronder de Arendskop, die, ofschoon gewond, nochtans aan den[58]tocht wilde deelnemen; zij wachtten met dat Indiaansch geduld, dat zich door niets verstoren laat, het geschikte oogenblik af, om een schitterende wraak te nemen over den hun aangedanen hoon.Verscheidene uren gingen aldus voorbij, zonder dat de stilte van den nacht door het minste gedruisch werd afgebroken. Tegen elf uur des avonds ging de maan op, en verlichtte het landschap met haar zilveren stralen. Op hetzelfde oogenblik liet zich tweemaal, op verren afstand, het huilen van een hond hooren. De Arendskop, zich verwijderende van den boom, die hem beschutte, begon met buitengewone behendigheid en vlugheid naar het dorp te kruipen. Aan den rand van het bosch gekomen maakte hij halt, wierp een onderzoekenden blik om zich heen, en bootste het gehinnik van een paard zoo volkomen na, dat twee paarden van het dorp hem onmiddellijk antwoord gaven. Na eenige sekonden toevens, bemerkte het geoefend gehoor van het opperhoofd eenig gedruisch in de bladeren; niet ver van daar liet zich het geloei van een os hooren; de hoofdman stond op en wachtte. Twee minuten later voegde zich een man bij hem. Die man was Wit-Oog, de oude jager, om wiens lippen een onheilspellende lach speelde.»Wat doen de blanken?” vroeg het opperhoofd.»Zij slapen,” was het antwoord.»Zal mijn broeder ze in mijne handen leveren?”»Gewis, mits gij ook uw woord houdt.”»Een opperhoofd heeft maar één woord. Waar zijn de bleeke vrouw en het grijze hoofd?”»Zij zijn hier.”»Zullen zij mij toebehooren?”»Al de bewoners van het dorp zullen mijn broeder in handen worden gesteld.”»Oach!is de jager niet gekomen?”»Nog niet.”»Hij zal te laat komen.”»Waarschijnlijk.”»Wat zegt mijn broeder nu?”»Waar is het loon, dat ik aan het opperhoofd gevraagd heb?”»De huiden, de geweren en het kruit worden hier achter door mijne lieden bewaakt.”»Ik vertrouw u, hoofdman, maar zoo gij mij misleidt.…”»Een Indiaan heeft maar één woord.”»’t Is goed!.… Nu dan, als ge maar wilt.”Tien minuten later waren de Indianen meesters van het dorp, welks inwoners, de een na den ander wakker geworden, zonder slag of stoot werden gevangen genomen.Het fort werd door de Comanchen omringd, die, na aan den voet der muren boomstammen, karren, meubels en allerlei gereedschappen te hebben bijeengezameld, slechts op een teeken van hun opperhoofd[59]wachtten om den aanval te wagen. Eensklaps vertoonde zich een onduidelijk zichtbare gedaante boven het fort, en het geschreeuw van een sperwer weêrklonk over de vlakte. De Indianen staken den brandstapel aan, en stortten zich op de palissaden, met dien vreeselijk gillenden oorlogskreet, die hun eigen is, en die op de grenzen altijd het sein geeft tot den moord.
De Vereenigde Staten hebben van Engeland dat systeem van voortdurende uitbreiding en inbezitneming overgeërfd, dat een der meest kenmerkende eigenschappen van het Angel-Saksische ras is.
Nauwelijks was Noord-Amerika onafhankelijk en de vrede met het moederland gesloten, of dezelfde menschen die zoo hard over[55]dwingelandij en verdrukking geschreeuwd en die zich verzet hadden tegen de schending van het volkenrecht, waarvan zij, zooals zij zeiden, de slachtoffers waren geweest, regelden met die onverbiddelijke koelbloedigheid, die aan hun geslacht eigen is, eene jacht op de Indianen, niet alleen op hun eigen grondgebied, maar over de gansche uitgestrektheid van Amerika’s vasteland. Niet tevreden met de onmetelijke gewesten, die zij reeds bezitten en welks onrustige bevolking, ondanks haar ijver om van alles voordeel te trekken, nog altijd ontoereikend is, willen zij zich meester maken van de beide oceanen, die Amerika bespoelen, en dringen zij voortdurend de inlandsche stammen terug, om deze volgens de profetische en bittere woorden van een Indiaansch opperhoofd, door middel van allerlei verraad en trouweloosheid, eindelijk in de Stille Zuidzee te verdrinken.
In de Vereenigde Staten, dat land waarover de denkbeelden wel beginnen te veranderen, ofschoon bevooroordeelde of slecht ingelichte lieden het nog altijd als den klassieken grond der vrijheid blijven voorstellen, ontmoet men overal de blijken van die hatelijke onrechtvaardigheid, die twee menschenrassen heeft geplunderd en van alles beroofd ten voordeele van een derde, dat zich het recht van leven en dood over hen aanmatigt, en ze niet anders dan als slachtvee beschouwt. Deze twee rassen, de belangstelling van alle weldenkenden zoo overwaardig, zijn het zwarte en het roode ras.
Het is aan den anderen kant waar, dat de Vereenigde Staten, om te toonen hoe philanthropisch zij zijn, in het jaar 1795een verbond van vrede en vriendschapgesloten hebben met de Barbarijsche staten, die hun onvergelijkelijk meer voordeelen aanboden dan de orde van Malta, die ook met hen onderhandelen wilde.
Dit verbond is gewaarborgd door de gouvernementen van Algiers en van Tripoli, en het luidde uitdrukkelijk, datde regeering der Vereenigde Staten geenszins gebaseerd is op de Christelijke Godsdienst. Aan hen, wien deze bepaling doeltreffend toeschijnt, moeten wij doen opmerken dat de Amerikanen in hun dagelijksch leven maar één God schijnen te erkennen:den God Dollar! die ten allen tijde de eenige is geweest, tot welken de roovers van alle gewesten gebeden hebben.
Men make zelf de gevolgtrekking!
DeSquatters, menschen zonder recht en wet, door alle natiën veracht, de schande en het uitvaagsel der bevolking van Noord-Amerika, dringen altijd naar het Westen voort, en trachten door onafgebroken landontginningen de Indiaansche stammen uit hun laatste schuilhoeken te verdrijven.
Achter desquatterskomen vier of vijf soldaten, een tamboer, een trompetter of een officier met een vaandel met sterren.
Deze soldaten bouwen een fort van enkel boomstammen, planten hun vaandel er op, en maken openlijk bekend, dat de grenzen van het Staten-Verbond zich tot daar uitstrekken.[56]
Dan worden er rondom het fort eenige hutten gebouwd, een gemengde bevolking van blanken, zwarten en roodhuiden vestigt er zich, en ziedaar eene stad in het aanzijn geroepen, waaraan men een verheven naam, bijv. Utica, of Syracuse, of Rome, of Carthago geeft; en eenige jaren later, als deze stad twee of driehonderd steenen huizen bezit, wordt zij rechtens de hoofdstad van een nieuwen Staat, die eigenlijk nog moet geboren worden. Zoo gaat het in dat land toe; men ziet het is een zeer eenvoudige wijze van handelen.
Eenige dagen na de in ons vorige hoofdstuk vermelde gebeurtenissen, had er een vreemd voorval plaats, in een nauwelijks sedert twee jaar bestaandebezitting, aan den oever der groote Canadeesche rivier en aan den voet van een altijd groenen heuvel.
Deze bezitting bestond uit een twintigtal hutten, grillig naast elkander geplaatst en beschermd door een fortje, dat met vier kanonnen bewapend den loop der rivier bestreek.
Dit dorp, hoe nieuw het ook zijn mocht, had ten gevolge der onvermoeide Amerikaansche bedrijvigheid, reeds al het aanzien eener stad verkregen. Twee kroegen waren altijd vol drinkers, drie kerken van verschillende genootschappen dienden tot vergaderplaats voor de geloovigen. De bewoners kwamen en gingen met die driftige haast, die gewoonlijk lieden kenmerkt, welke met lust arbeiden en veel zaken te doen hebben.
Tallooze kano’s bedekten de rivier, en karren, met koopwaren beladen, reden in alle richtingen, knarsten op hun ongesmeerde wielen, en lieten diepe sporen in den grond achter.
Doch ondanks al die bewegelijkheid, misschien wel ten gevolge daarvan, viel het niet moeielijk te ontdekken, dat er zekere ongerustheid in het dorp heerschte.
De bewoners ondervroegen elkander; er vormden zich groepen voor de huizen, en verscheidene mannen, op krachtvolle paarden gezeten, reden naar alle zijden op verkenning uit, nadat zij van den kommandant van het fort, die in groot uniform, met een verrekijker in de hand, op den muur der sterkte rondliep, de noodige bevelen ontvangen hadden.
Langzaam naderden de kano’s den oever, de karren werden uitgespannen, de lastdieren in de parken opgesloten, en de geheele bevolking vereenigde zich op het plein van het dorp.
De zon was bijna onder, de avond zou weldra gevallen zijn, de uitgezonden verspieders waren allen terug.
»Gij ziet het,” zeide de kapitein tot de inwoners, »wij hebben niets te vreezen, het was slechts een valsch alarm, gij kunt rustig naar uwe woningen terugkeeren, men heeft op twintig mijlen in den omtrek geen spoor van Indianen gevonden.”
»Hm!” zeide een oud jager van gemengd ras, die op zijn geweer leunde, »twintig mijlen zijn spoedig afgelegd door de Indianen.”
»’t Is mogelijk, Wit-Oog,” antwoordde de kommandant, »maar[57]wees overtuigd dat ik met geen ander doel aldus gehandeld heb, dan om de bevolking de verzekering te geven, dat de Indianen zich niet zullen durven wreken.”
»De Indianen wreken zich altoos, kapitein,” zei de oude jager met nadruk.
»Gij hebt te veel whiskey gedronken, Wit-Oog, zij is u naar het hoofd gestegen, gij droomt wakend.”
»God geve dat gij gelijk hebt, kapitein, maar ik heb mijn gansche leven met het ontginnen van woeste streken doorgebracht; ik ken de gebruiken der Roodhuiden, terwijl gij u slechts sedert twee jaar op de grenzen bevindt.”
»Dat is meer dan genoeg.”
»Maar met goedvinden, de Indianen zijn mannen, en de twee Comanchen, die hier verraderlijk vermoord zijn, in spijt van het volkenrecht, waren krijgslieden, daar hun stam trotsch op was.”
»Wit-Oog, gij zijt een halfbloed, gij zijt maar al te zeer aan het roode ras verwant.”
»Het roode ras,” antwoordde de jager trotsch, »is edelmoedig; het vermoordt niemand uit lust tot bloedvergieten, gelijk gij voor vier dagen met die twee krijgslieden, die weerloos in hunne kano’s voorbijvoeren, gedaan hebt, onder voorwendsel van een nieuw geweer te probeeren dat gij uit Akropolis ontvangen hadt.”
»’t Is wel! ’t Is genoeg! schenk mij uwe verklaring, Wit-Oog, ik wil van u geen aanmerkingen hooren.”
De jager maakte eene linksche buiging, wierp zijn geweer over schouder en ging weg, bij zich zelven mompelend:
»Om het even, maar het vergoten bloed schreeuwt om wraak, de Roodhuiden zijn mannen, zij zullen de misdaad niet ongestraft laten.”
De kapitein begaf zich wederom naar het fort, blijkbaar verbitterd door de woorden van den mesties. Langzamerhand verstrooiden zich de burgers, na elkander goeden avond gewenscht te hebben, en begaven zich naar huis, met al de onbezorgdheid van menschen die gewoon zijn om ieder oogenblik hun leven in gevaar te stellen.
Een uur later was de nacht geheel gevallen; een dikke duisternis omgaf het dorp, welks inwoners, vermoeid door den zwaren arbeid van den dag, onbekommerd uitrustten.
De verspieders, die tegen den avond door den kapitein waren uitgezonden, hadden zich slecht van hun plicht gekweten of liever zij waren niet bekend met de streken der Indianen, anders zouden zij de kolonisten niet tot zulke verkeerde onbezorgdheid hebben opgewekt.
Nauwelijks een mijl van het dorp verwijderd, lagen te midden van het dichte struikgewas en de ineengegroeide boomen van een ondoordringbaar woud, tweehonderd Comanchen van denSlangenstamverscholen, aangevoerd door hunne meest beroemde opperhoofden, waaronder de Arendskop, die, ofschoon gewond, nochtans aan den[58]tocht wilde deelnemen; zij wachtten met dat Indiaansch geduld, dat zich door niets verstoren laat, het geschikte oogenblik af, om een schitterende wraak te nemen over den hun aangedanen hoon.
Verscheidene uren gingen aldus voorbij, zonder dat de stilte van den nacht door het minste gedruisch werd afgebroken. Tegen elf uur des avonds ging de maan op, en verlichtte het landschap met haar zilveren stralen. Op hetzelfde oogenblik liet zich tweemaal, op verren afstand, het huilen van een hond hooren. De Arendskop, zich verwijderende van den boom, die hem beschutte, begon met buitengewone behendigheid en vlugheid naar het dorp te kruipen. Aan den rand van het bosch gekomen maakte hij halt, wierp een onderzoekenden blik om zich heen, en bootste het gehinnik van een paard zoo volkomen na, dat twee paarden van het dorp hem onmiddellijk antwoord gaven. Na eenige sekonden toevens, bemerkte het geoefend gehoor van het opperhoofd eenig gedruisch in de bladeren; niet ver van daar liet zich het geloei van een os hooren; de hoofdman stond op en wachtte. Twee minuten later voegde zich een man bij hem. Die man was Wit-Oog, de oude jager, om wiens lippen een onheilspellende lach speelde.
»Wat doen de blanken?” vroeg het opperhoofd.
»Zij slapen,” was het antwoord.
»Zal mijn broeder ze in mijne handen leveren?”
»Gewis, mits gij ook uw woord houdt.”
»Een opperhoofd heeft maar één woord. Waar zijn de bleeke vrouw en het grijze hoofd?”
»Zij zijn hier.”
»Zullen zij mij toebehooren?”
»Al de bewoners van het dorp zullen mijn broeder in handen worden gesteld.”
»Oach!is de jager niet gekomen?”
»Nog niet.”
»Hij zal te laat komen.”
»Waarschijnlijk.”
»Wat zegt mijn broeder nu?”
»Waar is het loon, dat ik aan het opperhoofd gevraagd heb?”
»De huiden, de geweren en het kruit worden hier achter door mijne lieden bewaakt.”
»Ik vertrouw u, hoofdman, maar zoo gij mij misleidt.…”
»Een Indiaan heeft maar één woord.”
»’t Is goed!.… Nu dan, als ge maar wilt.”
Tien minuten later waren de Indianen meesters van het dorp, welks inwoners, de een na den ander wakker geworden, zonder slag of stoot werden gevangen genomen.
Het fort werd door de Comanchen omringd, die, na aan den voet der muren boomstammen, karren, meubels en allerlei gereedschappen te hebben bijeengezameld, slechts op een teeken van hun opperhoofd[59]wachtten om den aanval te wagen. Eensklaps vertoonde zich een onduidelijk zichtbare gedaante boven het fort, en het geschreeuw van een sperwer weêrklonk over de vlakte. De Indianen staken den brandstapel aan, en stortten zich op de palissaden, met dien vreeselijk gillenden oorlogskreet, die hun eigen is, en die op de grenzen altijd het sein geeft tot den moord.