[Inhoud]VIII.DE INDIAANSCHE WRAAK.De Amerikanen verkeerden in een benarden toestand. De kapitein, verrast door den stillen aanval der Comanchen, was eensklaps wakker geworden door hun geduchten oorlogskreet, toen zij, reeds den brand hadden gestoken in de voor het fort verzamelde brandstoffen.De dappere officier sprong uit zijn bed, en werd een oogenblik verblind door den rooden gloed der vlammen; vervolgens kleedde hij zich half aan, en ijlde met de sabel in de hand naar dat gedeelte, waar het garnizoen rustte, dat reeds ontwaakt, bezig was zich naar zijn post te begeven, met die onverschrokkenheid, die denYankeeeigen is.Maar wat te doen? Het garnizoen telde, den kapitein medegerekend, niet meer dan twaalf man. Hoe zou hij met een zoo kleine macht den Indianen weerstand kunnen bieden wier duivelsche gedaanten hij onheilspellend zag afsteken bij het akelig schijnsel der vlammen? De officier slaakte een zucht.»Wij zijn verloren,” mompelde hij.In de gedurige gevechten die op de indiaansche grenzen geleverd worden, zijn onze oorlogswetten volkomen onbekend. Hetvae victis(wee den overwonnenen!) geldt daar in den vollen zin des woords. De verbitterde vijanden, die elkander met al de schrandere hulpmiddelen der barbaarschheid bestrijden, vragen noch geven kwartier. Iedere schermutseling is een gevecht op leven en dood.De kapitein wist dit; hij maakte zich ook volstrekt geen illusies over het lot dat hem wachtte, zoo hij den Comanchen in handen viel. Hij had den misslag begaan van zich door de Roodhuiden te laten verrassen, en moest dus de gevolgen zijner onvoorzichtigheid dragen. Maar de kapitein was een goed soldaat; overtuigd van niet heelshuids uit den val waarin hij zich bevond te kunnen ontsnappen, wilde hij ten minste eervol sneuvelen. De soldaten behoefden niet aan hun plicht herinnerd te worden, zij wisten even goed als hun kapitein, dat hun geen enkele kans op lijfsbehoud overbleef.[60]De verdedigers van het fort plaatsten zich dan ook vastberaden achter de barricaden, en begonnen op de Indianen te schieten, met eene juistheid en vastheid van hand, die den vijand groote verliezen berokkende.De eerste, dien de kapitein, toen hij op het glacis der vesting stond, bemerkte, was de oude jager Wit-Oog.»Ha! ha!” mompelde de officier, »wat doet die man daar, en hoe is hij daar gekomen?”Vervolgens een pistool uit zijn gordel nemende, liep hij recht op den mesties toe, greep hem bij den strot, zette hem de tromp van zijn wapen op de borst, en zeide met die koelbloedigheid, die de Amerikanen van de Engelschen geërfd en aanmerkelijk vermeerderd hebben:»Op wat wijze hebt gij u in het fort weten te dringen, oude steenuil?”»Wel, denkelijk door de deur,” antwoordde de ander bedaard.»Bah! zijt gij dan een toovenaar?”»Misschien.”»Geen gekheid, halfbloed; gij hebt ons aan uwe broeders, de Roodhuiden verkocht.”Een donkere glimlach teekende zich op het gelaat van den mesties; de kapitein zag het.»Maar uw verraad zal u geen voordeel aanbrengen, ellendeling,” zeide hij met een donderende stem; »gij zult er zelf het eerste slachtoffer van zijn.”De jager rukte zich met een onverhoedsche beweging los, vervolgens deed hij een sprong achteruit, legde zijn geweer aan, en zeide:»Wij zullen zien.”Deze twee mannen, vlak tegenover elkander geplaatst op dien smallen omgang, alleen verlicht door het akelig schijnsel van den brand, die met ieder oogenblik in hevigheid toenam, leverden een vreeselijk schouwspel op. Elk hunner vertegenwoordigde een der twee rassen, die de Vereenigde Staten bevolken, en wier haat niet eindigen zal dan door de algeheele verdelging van een van beiden.Aan hunne voeten nam het gevecht de reusachtige evenredigheden van een oud heldendicht aan. De Indianen wierpen zich woedend en onder vreeselijk geschreeuw op de bolwerken, waar de Amerikanen hen met geladen geweren of gevelde bajonetten ontvingen.Maar het vuur nam steeds toe; de soldaten vielen, de een na den ander; weldra zou alles gedaan zijn.Snel als de bliksem had hij zijn pistool op den jager afgeschoten, bladz. 60.Snel als de bliksem had hij zijn pistool op den jager afgeschoten, bladz. 60.De bedreiging van Wit-Oog was door den kapitein met een verachtelijken glimlach beantwoord. Snel als de bliksem had hij zijn pistool op den jager afgeschoten; deze had zijn geweer laten vallen; zijn rechter arm was verbrijzeld. De kapitein stortte zich, brullend van vreugde, op hem. De mesties werd door dezen onverwachten[61]schok op den grond geworpen. Toen zette zijn vijand hem de knie op de borst en zag hem een oogenblik aan.»Welnu,” zeide hij met een bitteren lach, »heb ik mij vergist?”»Neen,” zeide de mesties kalm, »ik ben een gek, mijn leven is in uwe hand, dood mij.”»Wees stil, ik zal u een indiaanschen dood bezorgen.”»Haast u, zoo gij u wreken wilt,” hernam de jager spottend, »want weldra zal het te laat zijn.”»Ik heb den tijd.… Waarom hebt gij ons verraden, ellendeling?”»Wat gaat het u aan?”»Ik wil het weten.”»Welnu, als gij het dan verlangt,” zeide de jager na een oogenblik stilte, »uwe broeders, de blanken, zijn de beulen van geheel mijne familie, ik heb mij willen wreken.”»Maarwijhebben u toch niets gedaan.”»Zijt gij geen blanken? dood mij en laat het uit zijn.… ik kan verheugd sterven, want ontelbare offers zullen mij in het graf volgen.”»Nu, als het met de zaken zoo gelegen is,” zeide de kapitein met een onheilspellenden blik, »zal ik u bij uwe broeders terug brengen; gij ziet ik ben dus edelmoedig.”En toen, zijn knie stevig op de borst van den jager drukkende, opdat hij niet aan de hem toegedachte straf ontkomen zou, zeide hij:»Op zijn Indiaansch!”En zijn mes nemende, greep hij met de linkerhand het dikke, borstelige, grijze haar van den mesties, en scalpeerde hem met onbegrijpelijke behendigheid.De jager kon een ontzettenden jammerkreet niet weerhouden; het bloed stroomde van zijn naakten schedel en overdekte zijn gelaat.»Dood mij!” riep hij, »dood mij, die pijn is afschuwelijk.”»Vindt gij?” zeide de kapitein.»O, dood mij, dood mij!”»Kom,” antwoordde de officier de schouders ophalende, »houdt gij mij voor een slachter, neen, ik zal u aan uwe waardige vrienden wedergeven.”Toen nam hij den jager bij zijne beenen, sleepte hem tot aan den rand van den omgang en schopte hem weg.De ongelukkige had nog besef genoeg om zich te willen redden, door met de linkerhand het uiteinde van een balk te grijpen, die buiten den muur uitstak. Een oogenblik bleef hij aldus hangen. Het was afschuwelijk om te zien: zijn gevilde schedel, zijn gelaat met stroomen van zwart bloed bedekt, en door angst en lijden geheel verwrongen, zijn gansche lichaam zich krampachtig samentrekkende, dat alles leverde een verschrikkelijk en walgelijk schouwspel op.»Genade! genade!” gilde hij.[62]De kapitein zag hem lachend aan, met de armen over de borst gekruist.Maar de vermoeide spieren van den ongelukkige konden hem niet langer dragen, zijn gekromde vingers lieten den balk, dien hij met de kracht der wanhoop gegrepen had, los.»Beul, wees vervloekt!” schreeuwde hij in de uiterste woede.—En hij viel naar beneden.»Goede reis!” riep de kapitein hem spottend na. Een verschrikkelijk rumoer liet zich aan de deuren van het fort hooren. De kapitein snelde de zijnen te hulp. De Comanchen hadden zich van de barricaden meester gemaakt. Zij drongen in massa het fort binnen, terwijl zij al de vijanden die zij op hun weg ontmoetten, vermoordden of scalpeerden. Nog maar vier Amerikaansche soldaten hielden stand. De anderen waren dood. De kapitein verschanste zich midden op den trap die naar den omgang leidde.»Mijne vrienden,” zeide hij tot zijne makkers, »sterft gelaten, ik heb hem, die ons verraden heeft, gedood.” De soldaten beantwoordden deze zonderlinge troostrede met een luid hoerah, en maakten zich gereed om hun leven zoo duur mogelijk te verkoopen.Maar toen had er iets onbegrijpelijks plaats.De Indianen hadden eensklaps, als door betoovering, opgehouden met schreeuwen.De aanval werd gestaakt.»Wat voeren zij toch uit,” mompelde de kapitein, »welke nieuwe streek hebben die duivels nu uitgevonden?”Zoodra de Arendskop meester was van al de toegangen tot het fort, had hij bevel gegeven, aan het gevecht een einde te maken. De in het dorp buit gemaakte gevangenen werden de een na den ander voorgebracht: zij waren twaalf in getal, en daaronder vier vrouwen. Toen deze twaalf ongelukkigen sidderend voor hem stonden, liet de Arendskop de vrouwen ter zijde brengen. Aan de mannen gelastte hij één voor één langs hem heen te gaan; hij zag ze oplettend aan, en gaf toen een teeken aan de naast hem staande krijgslieden. Deze overrompelden de Amerikanen onmiddellijk, sloegen hun met demachetede handen af, scalpeerden hen, en wierpen hen toen in het fort.Zeven kolonisten hadden deze marteling ondergaan. Nog een bleef er over. Het was een grijsaard, groot van gestalte, mager, maar krachtvol; zijne sneeuwwitte haren vielen hem op de schouders, zijne zwarte oogen gloeiden, doch zijn gelaat bleef onbewegelijk; hij wachtte, schijnbaar kalm, het vonnis van den hoofdman, dat hem met de ongelukkigen, die hem waren voorgegaan, zou vereenigen.Maar het Comanchenhoofd zag hem met de grootste oplettendheid aan.Eindelijk bewogen zich de trekken van den wilde, een glimlach teekende zich op zijne lippen, en zijne hand naar den grijsaard uitstekende,[63]zeide hij, in slecht Spaansch en met den aan zijn ras eigenen keelklank:»Usted no conocer amigo?—Gij niet herkennen vriend?”Op dit woord sidderde de grijsaard, en zag op zijn beurt den Indiaan aan.»O,” zeide hij verbaasd, »el Gallo—de Haan?”»Ooah!” antwoordde het opperhoofd tevreden, »ik ben een vriend van den Grijskop; de Roodhuiden hebben geen twee harten; mijn vader heeft mij het leven gered, mijn vader zal in mijne hut komen.”»Ik dank u, hoofdman, ik neem uw aanbod aan,” zeide de grijsaard den Indiaan warm de hand drukkende.En hij zette zich haastig neder bij eene bejaarde vrouw, met een edel gelaat, dat hoezeer ook door smart vermagerd en gerimpeld, nochtans de sporen droeg van vroegere schoonheid.»God zij geprezen!” zeide zij verheugd toen de grijsaard haar naderde.»God verlaat nooit diegenen, die op Hem hun vertrouwen vestigen,” antwoordde hij.Ondertusschen speelden de Roodhuiden de laatste tooneelen van het vreeselijk drama, waarvan wij den lezer getuige deden zijn. Toen al de kolonisten in het fort waren opgesloten, werd de brand aangewakkerd met al de bouwstoffen die men maar vinden kon, en als door een gordijn van vlammen werden de ongelukkige Amerikanen voor altijd van de wereld afgescheiden. Weldra was het fort niets meer dan een brandstapel, waaruit voortdurend kreten van smart, en nu en dan de knal van een ontploffend geweer omhoog rezen. De Comanchen stonden onbewogen op eenigen afstand den voortgang van den brand gade te slaan, en lachten als duivels over hunne wraakneming.De vlammen hadden het gansche gebouw omringd; zij stegen met verbazende snelheid omhoog, en wierpen, als een fakkel des doods, haar licht ver in de wildernis.Op het glacis van het fort zag men eenige personen wanhopig zich bewegen, terwijl anderen geknield de genade des hemels schenen in te roepen.Eensklaps hoorde men een ontzettend gekraak, een angstkreet rees ten hemel, en het fort stortte ineen, in den gloeienden vuurpoel die het ondermijnd had.Alles was afgeloopen.De Amerikanen waren omgekomen.De Comanchen plantten een grooten mast, op de plek waar het dorp gestaan had; deze mast, waaraan zij de kolonisten vastnagelden, werd bekroond met een met bloed bevlekte bijl.Daarna eenige nog overgeblevene hutten in brand stekende, gaf de Arendskop het teeken om te vertrekken.De vier vrouwen en de grijsaard, de eenigen van de bevolking[64]dezer ongelukkige plaats die nog in leven waren, volgden de Comanchen.Een droevige stilte zweefde over de rookende puinhoopen die het tooneel waren geweest van zóóveel hartverscheurende rampen.
[Inhoud]VIII.DE INDIAANSCHE WRAAK.De Amerikanen verkeerden in een benarden toestand. De kapitein, verrast door den stillen aanval der Comanchen, was eensklaps wakker geworden door hun geduchten oorlogskreet, toen zij, reeds den brand hadden gestoken in de voor het fort verzamelde brandstoffen.De dappere officier sprong uit zijn bed, en werd een oogenblik verblind door den rooden gloed der vlammen; vervolgens kleedde hij zich half aan, en ijlde met de sabel in de hand naar dat gedeelte, waar het garnizoen rustte, dat reeds ontwaakt, bezig was zich naar zijn post te begeven, met die onverschrokkenheid, die denYankeeeigen is.Maar wat te doen? Het garnizoen telde, den kapitein medegerekend, niet meer dan twaalf man. Hoe zou hij met een zoo kleine macht den Indianen weerstand kunnen bieden wier duivelsche gedaanten hij onheilspellend zag afsteken bij het akelig schijnsel der vlammen? De officier slaakte een zucht.»Wij zijn verloren,” mompelde hij.In de gedurige gevechten die op de indiaansche grenzen geleverd worden, zijn onze oorlogswetten volkomen onbekend. Hetvae victis(wee den overwonnenen!) geldt daar in den vollen zin des woords. De verbitterde vijanden, die elkander met al de schrandere hulpmiddelen der barbaarschheid bestrijden, vragen noch geven kwartier. Iedere schermutseling is een gevecht op leven en dood.De kapitein wist dit; hij maakte zich ook volstrekt geen illusies over het lot dat hem wachtte, zoo hij den Comanchen in handen viel. Hij had den misslag begaan van zich door de Roodhuiden te laten verrassen, en moest dus de gevolgen zijner onvoorzichtigheid dragen. Maar de kapitein was een goed soldaat; overtuigd van niet heelshuids uit den val waarin hij zich bevond te kunnen ontsnappen, wilde hij ten minste eervol sneuvelen. De soldaten behoefden niet aan hun plicht herinnerd te worden, zij wisten even goed als hun kapitein, dat hun geen enkele kans op lijfsbehoud overbleef.[60]De verdedigers van het fort plaatsten zich dan ook vastberaden achter de barricaden, en begonnen op de Indianen te schieten, met eene juistheid en vastheid van hand, die den vijand groote verliezen berokkende.De eerste, dien de kapitein, toen hij op het glacis der vesting stond, bemerkte, was de oude jager Wit-Oog.»Ha! ha!” mompelde de officier, »wat doet die man daar, en hoe is hij daar gekomen?”Vervolgens een pistool uit zijn gordel nemende, liep hij recht op den mesties toe, greep hem bij den strot, zette hem de tromp van zijn wapen op de borst, en zeide met die koelbloedigheid, die de Amerikanen van de Engelschen geërfd en aanmerkelijk vermeerderd hebben:»Op wat wijze hebt gij u in het fort weten te dringen, oude steenuil?”»Wel, denkelijk door de deur,” antwoordde de ander bedaard.»Bah! zijt gij dan een toovenaar?”»Misschien.”»Geen gekheid, halfbloed; gij hebt ons aan uwe broeders, de Roodhuiden verkocht.”Een donkere glimlach teekende zich op het gelaat van den mesties; de kapitein zag het.»Maar uw verraad zal u geen voordeel aanbrengen, ellendeling,” zeide hij met een donderende stem; »gij zult er zelf het eerste slachtoffer van zijn.”De jager rukte zich met een onverhoedsche beweging los, vervolgens deed hij een sprong achteruit, legde zijn geweer aan, en zeide:»Wij zullen zien.”Deze twee mannen, vlak tegenover elkander geplaatst op dien smallen omgang, alleen verlicht door het akelig schijnsel van den brand, die met ieder oogenblik in hevigheid toenam, leverden een vreeselijk schouwspel op. Elk hunner vertegenwoordigde een der twee rassen, die de Vereenigde Staten bevolken, en wier haat niet eindigen zal dan door de algeheele verdelging van een van beiden.Aan hunne voeten nam het gevecht de reusachtige evenredigheden van een oud heldendicht aan. De Indianen wierpen zich woedend en onder vreeselijk geschreeuw op de bolwerken, waar de Amerikanen hen met geladen geweren of gevelde bajonetten ontvingen.Maar het vuur nam steeds toe; de soldaten vielen, de een na den ander; weldra zou alles gedaan zijn.Snel als de bliksem had hij zijn pistool op den jager afgeschoten, bladz. 60.Snel als de bliksem had hij zijn pistool op den jager afgeschoten, bladz. 60.De bedreiging van Wit-Oog was door den kapitein met een verachtelijken glimlach beantwoord. Snel als de bliksem had hij zijn pistool op den jager afgeschoten; deze had zijn geweer laten vallen; zijn rechter arm was verbrijzeld. De kapitein stortte zich, brullend van vreugde, op hem. De mesties werd door dezen onverwachten[61]schok op den grond geworpen. Toen zette zijn vijand hem de knie op de borst en zag hem een oogenblik aan.»Welnu,” zeide hij met een bitteren lach, »heb ik mij vergist?”»Neen,” zeide de mesties kalm, »ik ben een gek, mijn leven is in uwe hand, dood mij.”»Wees stil, ik zal u een indiaanschen dood bezorgen.”»Haast u, zoo gij u wreken wilt,” hernam de jager spottend, »want weldra zal het te laat zijn.”»Ik heb den tijd.… Waarom hebt gij ons verraden, ellendeling?”»Wat gaat het u aan?”»Ik wil het weten.”»Welnu, als gij het dan verlangt,” zeide de jager na een oogenblik stilte, »uwe broeders, de blanken, zijn de beulen van geheel mijne familie, ik heb mij willen wreken.”»Maarwijhebben u toch niets gedaan.”»Zijt gij geen blanken? dood mij en laat het uit zijn.… ik kan verheugd sterven, want ontelbare offers zullen mij in het graf volgen.”»Nu, als het met de zaken zoo gelegen is,” zeide de kapitein met een onheilspellenden blik, »zal ik u bij uwe broeders terug brengen; gij ziet ik ben dus edelmoedig.”En toen, zijn knie stevig op de borst van den jager drukkende, opdat hij niet aan de hem toegedachte straf ontkomen zou, zeide hij:»Op zijn Indiaansch!”En zijn mes nemende, greep hij met de linkerhand het dikke, borstelige, grijze haar van den mesties, en scalpeerde hem met onbegrijpelijke behendigheid.De jager kon een ontzettenden jammerkreet niet weerhouden; het bloed stroomde van zijn naakten schedel en overdekte zijn gelaat.»Dood mij!” riep hij, »dood mij, die pijn is afschuwelijk.”»Vindt gij?” zeide de kapitein.»O, dood mij, dood mij!”»Kom,” antwoordde de officier de schouders ophalende, »houdt gij mij voor een slachter, neen, ik zal u aan uwe waardige vrienden wedergeven.”Toen nam hij den jager bij zijne beenen, sleepte hem tot aan den rand van den omgang en schopte hem weg.De ongelukkige had nog besef genoeg om zich te willen redden, door met de linkerhand het uiteinde van een balk te grijpen, die buiten den muur uitstak. Een oogenblik bleef hij aldus hangen. Het was afschuwelijk om te zien: zijn gevilde schedel, zijn gelaat met stroomen van zwart bloed bedekt, en door angst en lijden geheel verwrongen, zijn gansche lichaam zich krampachtig samentrekkende, dat alles leverde een verschrikkelijk en walgelijk schouwspel op.»Genade! genade!” gilde hij.[62]De kapitein zag hem lachend aan, met de armen over de borst gekruist.Maar de vermoeide spieren van den ongelukkige konden hem niet langer dragen, zijn gekromde vingers lieten den balk, dien hij met de kracht der wanhoop gegrepen had, los.»Beul, wees vervloekt!” schreeuwde hij in de uiterste woede.—En hij viel naar beneden.»Goede reis!” riep de kapitein hem spottend na. Een verschrikkelijk rumoer liet zich aan de deuren van het fort hooren. De kapitein snelde de zijnen te hulp. De Comanchen hadden zich van de barricaden meester gemaakt. Zij drongen in massa het fort binnen, terwijl zij al de vijanden die zij op hun weg ontmoetten, vermoordden of scalpeerden. Nog maar vier Amerikaansche soldaten hielden stand. De anderen waren dood. De kapitein verschanste zich midden op den trap die naar den omgang leidde.»Mijne vrienden,” zeide hij tot zijne makkers, »sterft gelaten, ik heb hem, die ons verraden heeft, gedood.” De soldaten beantwoordden deze zonderlinge troostrede met een luid hoerah, en maakten zich gereed om hun leven zoo duur mogelijk te verkoopen.Maar toen had er iets onbegrijpelijks plaats.De Indianen hadden eensklaps, als door betoovering, opgehouden met schreeuwen.De aanval werd gestaakt.»Wat voeren zij toch uit,” mompelde de kapitein, »welke nieuwe streek hebben die duivels nu uitgevonden?”Zoodra de Arendskop meester was van al de toegangen tot het fort, had hij bevel gegeven, aan het gevecht een einde te maken. De in het dorp buit gemaakte gevangenen werden de een na den ander voorgebracht: zij waren twaalf in getal, en daaronder vier vrouwen. Toen deze twaalf ongelukkigen sidderend voor hem stonden, liet de Arendskop de vrouwen ter zijde brengen. Aan de mannen gelastte hij één voor één langs hem heen te gaan; hij zag ze oplettend aan, en gaf toen een teeken aan de naast hem staande krijgslieden. Deze overrompelden de Amerikanen onmiddellijk, sloegen hun met demachetede handen af, scalpeerden hen, en wierpen hen toen in het fort.Zeven kolonisten hadden deze marteling ondergaan. Nog een bleef er over. Het was een grijsaard, groot van gestalte, mager, maar krachtvol; zijne sneeuwwitte haren vielen hem op de schouders, zijne zwarte oogen gloeiden, doch zijn gelaat bleef onbewegelijk; hij wachtte, schijnbaar kalm, het vonnis van den hoofdman, dat hem met de ongelukkigen, die hem waren voorgegaan, zou vereenigen.Maar het Comanchenhoofd zag hem met de grootste oplettendheid aan.Eindelijk bewogen zich de trekken van den wilde, een glimlach teekende zich op zijne lippen, en zijne hand naar den grijsaard uitstekende,[63]zeide hij, in slecht Spaansch en met den aan zijn ras eigenen keelklank:»Usted no conocer amigo?—Gij niet herkennen vriend?”Op dit woord sidderde de grijsaard, en zag op zijn beurt den Indiaan aan.»O,” zeide hij verbaasd, »el Gallo—de Haan?”»Ooah!” antwoordde het opperhoofd tevreden, »ik ben een vriend van den Grijskop; de Roodhuiden hebben geen twee harten; mijn vader heeft mij het leven gered, mijn vader zal in mijne hut komen.”»Ik dank u, hoofdman, ik neem uw aanbod aan,” zeide de grijsaard den Indiaan warm de hand drukkende.En hij zette zich haastig neder bij eene bejaarde vrouw, met een edel gelaat, dat hoezeer ook door smart vermagerd en gerimpeld, nochtans de sporen droeg van vroegere schoonheid.»God zij geprezen!” zeide zij verheugd toen de grijsaard haar naderde.»God verlaat nooit diegenen, die op Hem hun vertrouwen vestigen,” antwoordde hij.Ondertusschen speelden de Roodhuiden de laatste tooneelen van het vreeselijk drama, waarvan wij den lezer getuige deden zijn. Toen al de kolonisten in het fort waren opgesloten, werd de brand aangewakkerd met al de bouwstoffen die men maar vinden kon, en als door een gordijn van vlammen werden de ongelukkige Amerikanen voor altijd van de wereld afgescheiden. Weldra was het fort niets meer dan een brandstapel, waaruit voortdurend kreten van smart, en nu en dan de knal van een ontploffend geweer omhoog rezen. De Comanchen stonden onbewogen op eenigen afstand den voortgang van den brand gade te slaan, en lachten als duivels over hunne wraakneming.De vlammen hadden het gansche gebouw omringd; zij stegen met verbazende snelheid omhoog, en wierpen, als een fakkel des doods, haar licht ver in de wildernis.Op het glacis van het fort zag men eenige personen wanhopig zich bewegen, terwijl anderen geknield de genade des hemels schenen in te roepen.Eensklaps hoorde men een ontzettend gekraak, een angstkreet rees ten hemel, en het fort stortte ineen, in den gloeienden vuurpoel die het ondermijnd had.Alles was afgeloopen.De Amerikanen waren omgekomen.De Comanchen plantten een grooten mast, op de plek waar het dorp gestaan had; deze mast, waaraan zij de kolonisten vastnagelden, werd bekroond met een met bloed bevlekte bijl.Daarna eenige nog overgeblevene hutten in brand stekende, gaf de Arendskop het teeken om te vertrekken.De vier vrouwen en de grijsaard, de eenigen van de bevolking[64]dezer ongelukkige plaats die nog in leven waren, volgden de Comanchen.Een droevige stilte zweefde over de rookende puinhoopen die het tooneel waren geweest van zóóveel hartverscheurende rampen.
[Inhoud]VIII.DE INDIAANSCHE WRAAK.De Amerikanen verkeerden in een benarden toestand. De kapitein, verrast door den stillen aanval der Comanchen, was eensklaps wakker geworden door hun geduchten oorlogskreet, toen zij, reeds den brand hadden gestoken in de voor het fort verzamelde brandstoffen.De dappere officier sprong uit zijn bed, en werd een oogenblik verblind door den rooden gloed der vlammen; vervolgens kleedde hij zich half aan, en ijlde met de sabel in de hand naar dat gedeelte, waar het garnizoen rustte, dat reeds ontwaakt, bezig was zich naar zijn post te begeven, met die onverschrokkenheid, die denYankeeeigen is.Maar wat te doen? Het garnizoen telde, den kapitein medegerekend, niet meer dan twaalf man. Hoe zou hij met een zoo kleine macht den Indianen weerstand kunnen bieden wier duivelsche gedaanten hij onheilspellend zag afsteken bij het akelig schijnsel der vlammen? De officier slaakte een zucht.»Wij zijn verloren,” mompelde hij.In de gedurige gevechten die op de indiaansche grenzen geleverd worden, zijn onze oorlogswetten volkomen onbekend. Hetvae victis(wee den overwonnenen!) geldt daar in den vollen zin des woords. De verbitterde vijanden, die elkander met al de schrandere hulpmiddelen der barbaarschheid bestrijden, vragen noch geven kwartier. Iedere schermutseling is een gevecht op leven en dood.De kapitein wist dit; hij maakte zich ook volstrekt geen illusies over het lot dat hem wachtte, zoo hij den Comanchen in handen viel. Hij had den misslag begaan van zich door de Roodhuiden te laten verrassen, en moest dus de gevolgen zijner onvoorzichtigheid dragen. Maar de kapitein was een goed soldaat; overtuigd van niet heelshuids uit den val waarin hij zich bevond te kunnen ontsnappen, wilde hij ten minste eervol sneuvelen. De soldaten behoefden niet aan hun plicht herinnerd te worden, zij wisten even goed als hun kapitein, dat hun geen enkele kans op lijfsbehoud overbleef.[60]De verdedigers van het fort plaatsten zich dan ook vastberaden achter de barricaden, en begonnen op de Indianen te schieten, met eene juistheid en vastheid van hand, die den vijand groote verliezen berokkende.De eerste, dien de kapitein, toen hij op het glacis der vesting stond, bemerkte, was de oude jager Wit-Oog.»Ha! ha!” mompelde de officier, »wat doet die man daar, en hoe is hij daar gekomen?”Vervolgens een pistool uit zijn gordel nemende, liep hij recht op den mesties toe, greep hem bij den strot, zette hem de tromp van zijn wapen op de borst, en zeide met die koelbloedigheid, die de Amerikanen van de Engelschen geërfd en aanmerkelijk vermeerderd hebben:»Op wat wijze hebt gij u in het fort weten te dringen, oude steenuil?”»Wel, denkelijk door de deur,” antwoordde de ander bedaard.»Bah! zijt gij dan een toovenaar?”»Misschien.”»Geen gekheid, halfbloed; gij hebt ons aan uwe broeders, de Roodhuiden verkocht.”Een donkere glimlach teekende zich op het gelaat van den mesties; de kapitein zag het.»Maar uw verraad zal u geen voordeel aanbrengen, ellendeling,” zeide hij met een donderende stem; »gij zult er zelf het eerste slachtoffer van zijn.”De jager rukte zich met een onverhoedsche beweging los, vervolgens deed hij een sprong achteruit, legde zijn geweer aan, en zeide:»Wij zullen zien.”Deze twee mannen, vlak tegenover elkander geplaatst op dien smallen omgang, alleen verlicht door het akelig schijnsel van den brand, die met ieder oogenblik in hevigheid toenam, leverden een vreeselijk schouwspel op. Elk hunner vertegenwoordigde een der twee rassen, die de Vereenigde Staten bevolken, en wier haat niet eindigen zal dan door de algeheele verdelging van een van beiden.Aan hunne voeten nam het gevecht de reusachtige evenredigheden van een oud heldendicht aan. De Indianen wierpen zich woedend en onder vreeselijk geschreeuw op de bolwerken, waar de Amerikanen hen met geladen geweren of gevelde bajonetten ontvingen.Maar het vuur nam steeds toe; de soldaten vielen, de een na den ander; weldra zou alles gedaan zijn.Snel als de bliksem had hij zijn pistool op den jager afgeschoten, bladz. 60.Snel als de bliksem had hij zijn pistool op den jager afgeschoten, bladz. 60.De bedreiging van Wit-Oog was door den kapitein met een verachtelijken glimlach beantwoord. Snel als de bliksem had hij zijn pistool op den jager afgeschoten; deze had zijn geweer laten vallen; zijn rechter arm was verbrijzeld. De kapitein stortte zich, brullend van vreugde, op hem. De mesties werd door dezen onverwachten[61]schok op den grond geworpen. Toen zette zijn vijand hem de knie op de borst en zag hem een oogenblik aan.»Welnu,” zeide hij met een bitteren lach, »heb ik mij vergist?”»Neen,” zeide de mesties kalm, »ik ben een gek, mijn leven is in uwe hand, dood mij.”»Wees stil, ik zal u een indiaanschen dood bezorgen.”»Haast u, zoo gij u wreken wilt,” hernam de jager spottend, »want weldra zal het te laat zijn.”»Ik heb den tijd.… Waarom hebt gij ons verraden, ellendeling?”»Wat gaat het u aan?”»Ik wil het weten.”»Welnu, als gij het dan verlangt,” zeide de jager na een oogenblik stilte, »uwe broeders, de blanken, zijn de beulen van geheel mijne familie, ik heb mij willen wreken.”»Maarwijhebben u toch niets gedaan.”»Zijt gij geen blanken? dood mij en laat het uit zijn.… ik kan verheugd sterven, want ontelbare offers zullen mij in het graf volgen.”»Nu, als het met de zaken zoo gelegen is,” zeide de kapitein met een onheilspellenden blik, »zal ik u bij uwe broeders terug brengen; gij ziet ik ben dus edelmoedig.”En toen, zijn knie stevig op de borst van den jager drukkende, opdat hij niet aan de hem toegedachte straf ontkomen zou, zeide hij:»Op zijn Indiaansch!”En zijn mes nemende, greep hij met de linkerhand het dikke, borstelige, grijze haar van den mesties, en scalpeerde hem met onbegrijpelijke behendigheid.De jager kon een ontzettenden jammerkreet niet weerhouden; het bloed stroomde van zijn naakten schedel en overdekte zijn gelaat.»Dood mij!” riep hij, »dood mij, die pijn is afschuwelijk.”»Vindt gij?” zeide de kapitein.»O, dood mij, dood mij!”»Kom,” antwoordde de officier de schouders ophalende, »houdt gij mij voor een slachter, neen, ik zal u aan uwe waardige vrienden wedergeven.”Toen nam hij den jager bij zijne beenen, sleepte hem tot aan den rand van den omgang en schopte hem weg.De ongelukkige had nog besef genoeg om zich te willen redden, door met de linkerhand het uiteinde van een balk te grijpen, die buiten den muur uitstak. Een oogenblik bleef hij aldus hangen. Het was afschuwelijk om te zien: zijn gevilde schedel, zijn gelaat met stroomen van zwart bloed bedekt, en door angst en lijden geheel verwrongen, zijn gansche lichaam zich krampachtig samentrekkende, dat alles leverde een verschrikkelijk en walgelijk schouwspel op.»Genade! genade!” gilde hij.[62]De kapitein zag hem lachend aan, met de armen over de borst gekruist.Maar de vermoeide spieren van den ongelukkige konden hem niet langer dragen, zijn gekromde vingers lieten den balk, dien hij met de kracht der wanhoop gegrepen had, los.»Beul, wees vervloekt!” schreeuwde hij in de uiterste woede.—En hij viel naar beneden.»Goede reis!” riep de kapitein hem spottend na. Een verschrikkelijk rumoer liet zich aan de deuren van het fort hooren. De kapitein snelde de zijnen te hulp. De Comanchen hadden zich van de barricaden meester gemaakt. Zij drongen in massa het fort binnen, terwijl zij al de vijanden die zij op hun weg ontmoetten, vermoordden of scalpeerden. Nog maar vier Amerikaansche soldaten hielden stand. De anderen waren dood. De kapitein verschanste zich midden op den trap die naar den omgang leidde.»Mijne vrienden,” zeide hij tot zijne makkers, »sterft gelaten, ik heb hem, die ons verraden heeft, gedood.” De soldaten beantwoordden deze zonderlinge troostrede met een luid hoerah, en maakten zich gereed om hun leven zoo duur mogelijk te verkoopen.Maar toen had er iets onbegrijpelijks plaats.De Indianen hadden eensklaps, als door betoovering, opgehouden met schreeuwen.De aanval werd gestaakt.»Wat voeren zij toch uit,” mompelde de kapitein, »welke nieuwe streek hebben die duivels nu uitgevonden?”Zoodra de Arendskop meester was van al de toegangen tot het fort, had hij bevel gegeven, aan het gevecht een einde te maken. De in het dorp buit gemaakte gevangenen werden de een na den ander voorgebracht: zij waren twaalf in getal, en daaronder vier vrouwen. Toen deze twaalf ongelukkigen sidderend voor hem stonden, liet de Arendskop de vrouwen ter zijde brengen. Aan de mannen gelastte hij één voor één langs hem heen te gaan; hij zag ze oplettend aan, en gaf toen een teeken aan de naast hem staande krijgslieden. Deze overrompelden de Amerikanen onmiddellijk, sloegen hun met demachetede handen af, scalpeerden hen, en wierpen hen toen in het fort.Zeven kolonisten hadden deze marteling ondergaan. Nog een bleef er over. Het was een grijsaard, groot van gestalte, mager, maar krachtvol; zijne sneeuwwitte haren vielen hem op de schouders, zijne zwarte oogen gloeiden, doch zijn gelaat bleef onbewegelijk; hij wachtte, schijnbaar kalm, het vonnis van den hoofdman, dat hem met de ongelukkigen, die hem waren voorgegaan, zou vereenigen.Maar het Comanchenhoofd zag hem met de grootste oplettendheid aan.Eindelijk bewogen zich de trekken van den wilde, een glimlach teekende zich op zijne lippen, en zijne hand naar den grijsaard uitstekende,[63]zeide hij, in slecht Spaansch en met den aan zijn ras eigenen keelklank:»Usted no conocer amigo?—Gij niet herkennen vriend?”Op dit woord sidderde de grijsaard, en zag op zijn beurt den Indiaan aan.»O,” zeide hij verbaasd, »el Gallo—de Haan?”»Ooah!” antwoordde het opperhoofd tevreden, »ik ben een vriend van den Grijskop; de Roodhuiden hebben geen twee harten; mijn vader heeft mij het leven gered, mijn vader zal in mijne hut komen.”»Ik dank u, hoofdman, ik neem uw aanbod aan,” zeide de grijsaard den Indiaan warm de hand drukkende.En hij zette zich haastig neder bij eene bejaarde vrouw, met een edel gelaat, dat hoezeer ook door smart vermagerd en gerimpeld, nochtans de sporen droeg van vroegere schoonheid.»God zij geprezen!” zeide zij verheugd toen de grijsaard haar naderde.»God verlaat nooit diegenen, die op Hem hun vertrouwen vestigen,” antwoordde hij.Ondertusschen speelden de Roodhuiden de laatste tooneelen van het vreeselijk drama, waarvan wij den lezer getuige deden zijn. Toen al de kolonisten in het fort waren opgesloten, werd de brand aangewakkerd met al de bouwstoffen die men maar vinden kon, en als door een gordijn van vlammen werden de ongelukkige Amerikanen voor altijd van de wereld afgescheiden. Weldra was het fort niets meer dan een brandstapel, waaruit voortdurend kreten van smart, en nu en dan de knal van een ontploffend geweer omhoog rezen. De Comanchen stonden onbewogen op eenigen afstand den voortgang van den brand gade te slaan, en lachten als duivels over hunne wraakneming.De vlammen hadden het gansche gebouw omringd; zij stegen met verbazende snelheid omhoog, en wierpen, als een fakkel des doods, haar licht ver in de wildernis.Op het glacis van het fort zag men eenige personen wanhopig zich bewegen, terwijl anderen geknield de genade des hemels schenen in te roepen.Eensklaps hoorde men een ontzettend gekraak, een angstkreet rees ten hemel, en het fort stortte ineen, in den gloeienden vuurpoel die het ondermijnd had.Alles was afgeloopen.De Amerikanen waren omgekomen.De Comanchen plantten een grooten mast, op de plek waar het dorp gestaan had; deze mast, waaraan zij de kolonisten vastnagelden, werd bekroond met een met bloed bevlekte bijl.Daarna eenige nog overgeblevene hutten in brand stekende, gaf de Arendskop het teeken om te vertrekken.De vier vrouwen en de grijsaard, de eenigen van de bevolking[64]dezer ongelukkige plaats die nog in leven waren, volgden de Comanchen.Een droevige stilte zweefde over de rookende puinhoopen die het tooneel waren geweest van zóóveel hartverscheurende rampen.
VIII.DE INDIAANSCHE WRAAK.
De Amerikanen verkeerden in een benarden toestand. De kapitein, verrast door den stillen aanval der Comanchen, was eensklaps wakker geworden door hun geduchten oorlogskreet, toen zij, reeds den brand hadden gestoken in de voor het fort verzamelde brandstoffen.De dappere officier sprong uit zijn bed, en werd een oogenblik verblind door den rooden gloed der vlammen; vervolgens kleedde hij zich half aan, en ijlde met de sabel in de hand naar dat gedeelte, waar het garnizoen rustte, dat reeds ontwaakt, bezig was zich naar zijn post te begeven, met die onverschrokkenheid, die denYankeeeigen is.Maar wat te doen? Het garnizoen telde, den kapitein medegerekend, niet meer dan twaalf man. Hoe zou hij met een zoo kleine macht den Indianen weerstand kunnen bieden wier duivelsche gedaanten hij onheilspellend zag afsteken bij het akelig schijnsel der vlammen? De officier slaakte een zucht.»Wij zijn verloren,” mompelde hij.In de gedurige gevechten die op de indiaansche grenzen geleverd worden, zijn onze oorlogswetten volkomen onbekend. Hetvae victis(wee den overwonnenen!) geldt daar in den vollen zin des woords. De verbitterde vijanden, die elkander met al de schrandere hulpmiddelen der barbaarschheid bestrijden, vragen noch geven kwartier. Iedere schermutseling is een gevecht op leven en dood.De kapitein wist dit; hij maakte zich ook volstrekt geen illusies over het lot dat hem wachtte, zoo hij den Comanchen in handen viel. Hij had den misslag begaan van zich door de Roodhuiden te laten verrassen, en moest dus de gevolgen zijner onvoorzichtigheid dragen. Maar de kapitein was een goed soldaat; overtuigd van niet heelshuids uit den val waarin hij zich bevond te kunnen ontsnappen, wilde hij ten minste eervol sneuvelen. De soldaten behoefden niet aan hun plicht herinnerd te worden, zij wisten even goed als hun kapitein, dat hun geen enkele kans op lijfsbehoud overbleef.[60]De verdedigers van het fort plaatsten zich dan ook vastberaden achter de barricaden, en begonnen op de Indianen te schieten, met eene juistheid en vastheid van hand, die den vijand groote verliezen berokkende.De eerste, dien de kapitein, toen hij op het glacis der vesting stond, bemerkte, was de oude jager Wit-Oog.»Ha! ha!” mompelde de officier, »wat doet die man daar, en hoe is hij daar gekomen?”Vervolgens een pistool uit zijn gordel nemende, liep hij recht op den mesties toe, greep hem bij den strot, zette hem de tromp van zijn wapen op de borst, en zeide met die koelbloedigheid, die de Amerikanen van de Engelschen geërfd en aanmerkelijk vermeerderd hebben:»Op wat wijze hebt gij u in het fort weten te dringen, oude steenuil?”»Wel, denkelijk door de deur,” antwoordde de ander bedaard.»Bah! zijt gij dan een toovenaar?”»Misschien.”»Geen gekheid, halfbloed; gij hebt ons aan uwe broeders, de Roodhuiden verkocht.”Een donkere glimlach teekende zich op het gelaat van den mesties; de kapitein zag het.»Maar uw verraad zal u geen voordeel aanbrengen, ellendeling,” zeide hij met een donderende stem; »gij zult er zelf het eerste slachtoffer van zijn.”De jager rukte zich met een onverhoedsche beweging los, vervolgens deed hij een sprong achteruit, legde zijn geweer aan, en zeide:»Wij zullen zien.”Deze twee mannen, vlak tegenover elkander geplaatst op dien smallen omgang, alleen verlicht door het akelig schijnsel van den brand, die met ieder oogenblik in hevigheid toenam, leverden een vreeselijk schouwspel op. Elk hunner vertegenwoordigde een der twee rassen, die de Vereenigde Staten bevolken, en wier haat niet eindigen zal dan door de algeheele verdelging van een van beiden.Aan hunne voeten nam het gevecht de reusachtige evenredigheden van een oud heldendicht aan. De Indianen wierpen zich woedend en onder vreeselijk geschreeuw op de bolwerken, waar de Amerikanen hen met geladen geweren of gevelde bajonetten ontvingen.Maar het vuur nam steeds toe; de soldaten vielen, de een na den ander; weldra zou alles gedaan zijn.Snel als de bliksem had hij zijn pistool op den jager afgeschoten, bladz. 60.Snel als de bliksem had hij zijn pistool op den jager afgeschoten, bladz. 60.De bedreiging van Wit-Oog was door den kapitein met een verachtelijken glimlach beantwoord. Snel als de bliksem had hij zijn pistool op den jager afgeschoten; deze had zijn geweer laten vallen; zijn rechter arm was verbrijzeld. De kapitein stortte zich, brullend van vreugde, op hem. De mesties werd door dezen onverwachten[61]schok op den grond geworpen. Toen zette zijn vijand hem de knie op de borst en zag hem een oogenblik aan.»Welnu,” zeide hij met een bitteren lach, »heb ik mij vergist?”»Neen,” zeide de mesties kalm, »ik ben een gek, mijn leven is in uwe hand, dood mij.”»Wees stil, ik zal u een indiaanschen dood bezorgen.”»Haast u, zoo gij u wreken wilt,” hernam de jager spottend, »want weldra zal het te laat zijn.”»Ik heb den tijd.… Waarom hebt gij ons verraden, ellendeling?”»Wat gaat het u aan?”»Ik wil het weten.”»Welnu, als gij het dan verlangt,” zeide de jager na een oogenblik stilte, »uwe broeders, de blanken, zijn de beulen van geheel mijne familie, ik heb mij willen wreken.”»Maarwijhebben u toch niets gedaan.”»Zijt gij geen blanken? dood mij en laat het uit zijn.… ik kan verheugd sterven, want ontelbare offers zullen mij in het graf volgen.”»Nu, als het met de zaken zoo gelegen is,” zeide de kapitein met een onheilspellenden blik, »zal ik u bij uwe broeders terug brengen; gij ziet ik ben dus edelmoedig.”En toen, zijn knie stevig op de borst van den jager drukkende, opdat hij niet aan de hem toegedachte straf ontkomen zou, zeide hij:»Op zijn Indiaansch!”En zijn mes nemende, greep hij met de linkerhand het dikke, borstelige, grijze haar van den mesties, en scalpeerde hem met onbegrijpelijke behendigheid.De jager kon een ontzettenden jammerkreet niet weerhouden; het bloed stroomde van zijn naakten schedel en overdekte zijn gelaat.»Dood mij!” riep hij, »dood mij, die pijn is afschuwelijk.”»Vindt gij?” zeide de kapitein.»O, dood mij, dood mij!”»Kom,” antwoordde de officier de schouders ophalende, »houdt gij mij voor een slachter, neen, ik zal u aan uwe waardige vrienden wedergeven.”Toen nam hij den jager bij zijne beenen, sleepte hem tot aan den rand van den omgang en schopte hem weg.De ongelukkige had nog besef genoeg om zich te willen redden, door met de linkerhand het uiteinde van een balk te grijpen, die buiten den muur uitstak. Een oogenblik bleef hij aldus hangen. Het was afschuwelijk om te zien: zijn gevilde schedel, zijn gelaat met stroomen van zwart bloed bedekt, en door angst en lijden geheel verwrongen, zijn gansche lichaam zich krampachtig samentrekkende, dat alles leverde een verschrikkelijk en walgelijk schouwspel op.»Genade! genade!” gilde hij.[62]De kapitein zag hem lachend aan, met de armen over de borst gekruist.Maar de vermoeide spieren van den ongelukkige konden hem niet langer dragen, zijn gekromde vingers lieten den balk, dien hij met de kracht der wanhoop gegrepen had, los.»Beul, wees vervloekt!” schreeuwde hij in de uiterste woede.—En hij viel naar beneden.»Goede reis!” riep de kapitein hem spottend na. Een verschrikkelijk rumoer liet zich aan de deuren van het fort hooren. De kapitein snelde de zijnen te hulp. De Comanchen hadden zich van de barricaden meester gemaakt. Zij drongen in massa het fort binnen, terwijl zij al de vijanden die zij op hun weg ontmoetten, vermoordden of scalpeerden. Nog maar vier Amerikaansche soldaten hielden stand. De anderen waren dood. De kapitein verschanste zich midden op den trap die naar den omgang leidde.»Mijne vrienden,” zeide hij tot zijne makkers, »sterft gelaten, ik heb hem, die ons verraden heeft, gedood.” De soldaten beantwoordden deze zonderlinge troostrede met een luid hoerah, en maakten zich gereed om hun leven zoo duur mogelijk te verkoopen.Maar toen had er iets onbegrijpelijks plaats.De Indianen hadden eensklaps, als door betoovering, opgehouden met schreeuwen.De aanval werd gestaakt.»Wat voeren zij toch uit,” mompelde de kapitein, »welke nieuwe streek hebben die duivels nu uitgevonden?”Zoodra de Arendskop meester was van al de toegangen tot het fort, had hij bevel gegeven, aan het gevecht een einde te maken. De in het dorp buit gemaakte gevangenen werden de een na den ander voorgebracht: zij waren twaalf in getal, en daaronder vier vrouwen. Toen deze twaalf ongelukkigen sidderend voor hem stonden, liet de Arendskop de vrouwen ter zijde brengen. Aan de mannen gelastte hij één voor één langs hem heen te gaan; hij zag ze oplettend aan, en gaf toen een teeken aan de naast hem staande krijgslieden. Deze overrompelden de Amerikanen onmiddellijk, sloegen hun met demachetede handen af, scalpeerden hen, en wierpen hen toen in het fort.Zeven kolonisten hadden deze marteling ondergaan. Nog een bleef er over. Het was een grijsaard, groot van gestalte, mager, maar krachtvol; zijne sneeuwwitte haren vielen hem op de schouders, zijne zwarte oogen gloeiden, doch zijn gelaat bleef onbewegelijk; hij wachtte, schijnbaar kalm, het vonnis van den hoofdman, dat hem met de ongelukkigen, die hem waren voorgegaan, zou vereenigen.Maar het Comanchenhoofd zag hem met de grootste oplettendheid aan.Eindelijk bewogen zich de trekken van den wilde, een glimlach teekende zich op zijne lippen, en zijne hand naar den grijsaard uitstekende,[63]zeide hij, in slecht Spaansch en met den aan zijn ras eigenen keelklank:»Usted no conocer amigo?—Gij niet herkennen vriend?”Op dit woord sidderde de grijsaard, en zag op zijn beurt den Indiaan aan.»O,” zeide hij verbaasd, »el Gallo—de Haan?”»Ooah!” antwoordde het opperhoofd tevreden, »ik ben een vriend van den Grijskop; de Roodhuiden hebben geen twee harten; mijn vader heeft mij het leven gered, mijn vader zal in mijne hut komen.”»Ik dank u, hoofdman, ik neem uw aanbod aan,” zeide de grijsaard den Indiaan warm de hand drukkende.En hij zette zich haastig neder bij eene bejaarde vrouw, met een edel gelaat, dat hoezeer ook door smart vermagerd en gerimpeld, nochtans de sporen droeg van vroegere schoonheid.»God zij geprezen!” zeide zij verheugd toen de grijsaard haar naderde.»God verlaat nooit diegenen, die op Hem hun vertrouwen vestigen,” antwoordde hij.Ondertusschen speelden de Roodhuiden de laatste tooneelen van het vreeselijk drama, waarvan wij den lezer getuige deden zijn. Toen al de kolonisten in het fort waren opgesloten, werd de brand aangewakkerd met al de bouwstoffen die men maar vinden kon, en als door een gordijn van vlammen werden de ongelukkige Amerikanen voor altijd van de wereld afgescheiden. Weldra was het fort niets meer dan een brandstapel, waaruit voortdurend kreten van smart, en nu en dan de knal van een ontploffend geweer omhoog rezen. De Comanchen stonden onbewogen op eenigen afstand den voortgang van den brand gade te slaan, en lachten als duivels over hunne wraakneming.De vlammen hadden het gansche gebouw omringd; zij stegen met verbazende snelheid omhoog, en wierpen, als een fakkel des doods, haar licht ver in de wildernis.Op het glacis van het fort zag men eenige personen wanhopig zich bewegen, terwijl anderen geknield de genade des hemels schenen in te roepen.Eensklaps hoorde men een ontzettend gekraak, een angstkreet rees ten hemel, en het fort stortte ineen, in den gloeienden vuurpoel die het ondermijnd had.Alles was afgeloopen.De Amerikanen waren omgekomen.De Comanchen plantten een grooten mast, op de plek waar het dorp gestaan had; deze mast, waaraan zij de kolonisten vastnagelden, werd bekroond met een met bloed bevlekte bijl.Daarna eenige nog overgeblevene hutten in brand stekende, gaf de Arendskop het teeken om te vertrekken.De vier vrouwen en de grijsaard, de eenigen van de bevolking[64]dezer ongelukkige plaats die nog in leven waren, volgden de Comanchen.Een droevige stilte zweefde over de rookende puinhoopen die het tooneel waren geweest van zóóveel hartverscheurende rampen.
De Amerikanen verkeerden in een benarden toestand. De kapitein, verrast door den stillen aanval der Comanchen, was eensklaps wakker geworden door hun geduchten oorlogskreet, toen zij, reeds den brand hadden gestoken in de voor het fort verzamelde brandstoffen.
De dappere officier sprong uit zijn bed, en werd een oogenblik verblind door den rooden gloed der vlammen; vervolgens kleedde hij zich half aan, en ijlde met de sabel in de hand naar dat gedeelte, waar het garnizoen rustte, dat reeds ontwaakt, bezig was zich naar zijn post te begeven, met die onverschrokkenheid, die denYankeeeigen is.
Maar wat te doen? Het garnizoen telde, den kapitein medegerekend, niet meer dan twaalf man. Hoe zou hij met een zoo kleine macht den Indianen weerstand kunnen bieden wier duivelsche gedaanten hij onheilspellend zag afsteken bij het akelig schijnsel der vlammen? De officier slaakte een zucht.
»Wij zijn verloren,” mompelde hij.
In de gedurige gevechten die op de indiaansche grenzen geleverd worden, zijn onze oorlogswetten volkomen onbekend. Hetvae victis(wee den overwonnenen!) geldt daar in den vollen zin des woords. De verbitterde vijanden, die elkander met al de schrandere hulpmiddelen der barbaarschheid bestrijden, vragen noch geven kwartier. Iedere schermutseling is een gevecht op leven en dood.
De kapitein wist dit; hij maakte zich ook volstrekt geen illusies over het lot dat hem wachtte, zoo hij den Comanchen in handen viel. Hij had den misslag begaan van zich door de Roodhuiden te laten verrassen, en moest dus de gevolgen zijner onvoorzichtigheid dragen. Maar de kapitein was een goed soldaat; overtuigd van niet heelshuids uit den val waarin hij zich bevond te kunnen ontsnappen, wilde hij ten minste eervol sneuvelen. De soldaten behoefden niet aan hun plicht herinnerd te worden, zij wisten even goed als hun kapitein, dat hun geen enkele kans op lijfsbehoud overbleef.[60]
De verdedigers van het fort plaatsten zich dan ook vastberaden achter de barricaden, en begonnen op de Indianen te schieten, met eene juistheid en vastheid van hand, die den vijand groote verliezen berokkende.
De eerste, dien de kapitein, toen hij op het glacis der vesting stond, bemerkte, was de oude jager Wit-Oog.
»Ha! ha!” mompelde de officier, »wat doet die man daar, en hoe is hij daar gekomen?”
Vervolgens een pistool uit zijn gordel nemende, liep hij recht op den mesties toe, greep hem bij den strot, zette hem de tromp van zijn wapen op de borst, en zeide met die koelbloedigheid, die de Amerikanen van de Engelschen geërfd en aanmerkelijk vermeerderd hebben:
»Op wat wijze hebt gij u in het fort weten te dringen, oude steenuil?”
»Wel, denkelijk door de deur,” antwoordde de ander bedaard.
»Bah! zijt gij dan een toovenaar?”
»Misschien.”
»Geen gekheid, halfbloed; gij hebt ons aan uwe broeders, de Roodhuiden verkocht.”
Een donkere glimlach teekende zich op het gelaat van den mesties; de kapitein zag het.
»Maar uw verraad zal u geen voordeel aanbrengen, ellendeling,” zeide hij met een donderende stem; »gij zult er zelf het eerste slachtoffer van zijn.”
De jager rukte zich met een onverhoedsche beweging los, vervolgens deed hij een sprong achteruit, legde zijn geweer aan, en zeide:
»Wij zullen zien.”
Deze twee mannen, vlak tegenover elkander geplaatst op dien smallen omgang, alleen verlicht door het akelig schijnsel van den brand, die met ieder oogenblik in hevigheid toenam, leverden een vreeselijk schouwspel op. Elk hunner vertegenwoordigde een der twee rassen, die de Vereenigde Staten bevolken, en wier haat niet eindigen zal dan door de algeheele verdelging van een van beiden.
Aan hunne voeten nam het gevecht de reusachtige evenredigheden van een oud heldendicht aan. De Indianen wierpen zich woedend en onder vreeselijk geschreeuw op de bolwerken, waar de Amerikanen hen met geladen geweren of gevelde bajonetten ontvingen.
Maar het vuur nam steeds toe; de soldaten vielen, de een na den ander; weldra zou alles gedaan zijn.
Snel als de bliksem had hij zijn pistool op den jager afgeschoten, bladz. 60.Snel als de bliksem had hij zijn pistool op den jager afgeschoten, bladz. 60.
Snel als de bliksem had hij zijn pistool op den jager afgeschoten, bladz. 60.
De bedreiging van Wit-Oog was door den kapitein met een verachtelijken glimlach beantwoord. Snel als de bliksem had hij zijn pistool op den jager afgeschoten; deze had zijn geweer laten vallen; zijn rechter arm was verbrijzeld. De kapitein stortte zich, brullend van vreugde, op hem. De mesties werd door dezen onverwachten[61]schok op den grond geworpen. Toen zette zijn vijand hem de knie op de borst en zag hem een oogenblik aan.
»Welnu,” zeide hij met een bitteren lach, »heb ik mij vergist?”
»Neen,” zeide de mesties kalm, »ik ben een gek, mijn leven is in uwe hand, dood mij.”
»Wees stil, ik zal u een indiaanschen dood bezorgen.”
»Haast u, zoo gij u wreken wilt,” hernam de jager spottend, »want weldra zal het te laat zijn.”
»Ik heb den tijd.… Waarom hebt gij ons verraden, ellendeling?”
»Wat gaat het u aan?”
»Ik wil het weten.”
»Welnu, als gij het dan verlangt,” zeide de jager na een oogenblik stilte, »uwe broeders, de blanken, zijn de beulen van geheel mijne familie, ik heb mij willen wreken.”
»Maarwijhebben u toch niets gedaan.”
»Zijt gij geen blanken? dood mij en laat het uit zijn.… ik kan verheugd sterven, want ontelbare offers zullen mij in het graf volgen.”
»Nu, als het met de zaken zoo gelegen is,” zeide de kapitein met een onheilspellenden blik, »zal ik u bij uwe broeders terug brengen; gij ziet ik ben dus edelmoedig.”
En toen, zijn knie stevig op de borst van den jager drukkende, opdat hij niet aan de hem toegedachte straf ontkomen zou, zeide hij:
»Op zijn Indiaansch!”
En zijn mes nemende, greep hij met de linkerhand het dikke, borstelige, grijze haar van den mesties, en scalpeerde hem met onbegrijpelijke behendigheid.
De jager kon een ontzettenden jammerkreet niet weerhouden; het bloed stroomde van zijn naakten schedel en overdekte zijn gelaat.
»Dood mij!” riep hij, »dood mij, die pijn is afschuwelijk.”
»Vindt gij?” zeide de kapitein.
»O, dood mij, dood mij!”
»Kom,” antwoordde de officier de schouders ophalende, »houdt gij mij voor een slachter, neen, ik zal u aan uwe waardige vrienden wedergeven.”
Toen nam hij den jager bij zijne beenen, sleepte hem tot aan den rand van den omgang en schopte hem weg.
De ongelukkige had nog besef genoeg om zich te willen redden, door met de linkerhand het uiteinde van een balk te grijpen, die buiten den muur uitstak. Een oogenblik bleef hij aldus hangen. Het was afschuwelijk om te zien: zijn gevilde schedel, zijn gelaat met stroomen van zwart bloed bedekt, en door angst en lijden geheel verwrongen, zijn gansche lichaam zich krampachtig samentrekkende, dat alles leverde een verschrikkelijk en walgelijk schouwspel op.
»Genade! genade!” gilde hij.[62]
De kapitein zag hem lachend aan, met de armen over de borst gekruist.
Maar de vermoeide spieren van den ongelukkige konden hem niet langer dragen, zijn gekromde vingers lieten den balk, dien hij met de kracht der wanhoop gegrepen had, los.
»Beul, wees vervloekt!” schreeuwde hij in de uiterste woede.—En hij viel naar beneden.
»Goede reis!” riep de kapitein hem spottend na. Een verschrikkelijk rumoer liet zich aan de deuren van het fort hooren. De kapitein snelde de zijnen te hulp. De Comanchen hadden zich van de barricaden meester gemaakt. Zij drongen in massa het fort binnen, terwijl zij al de vijanden die zij op hun weg ontmoetten, vermoordden of scalpeerden. Nog maar vier Amerikaansche soldaten hielden stand. De anderen waren dood. De kapitein verschanste zich midden op den trap die naar den omgang leidde.
»Mijne vrienden,” zeide hij tot zijne makkers, »sterft gelaten, ik heb hem, die ons verraden heeft, gedood.” De soldaten beantwoordden deze zonderlinge troostrede met een luid hoerah, en maakten zich gereed om hun leven zoo duur mogelijk te verkoopen.
Maar toen had er iets onbegrijpelijks plaats.
De Indianen hadden eensklaps, als door betoovering, opgehouden met schreeuwen.
De aanval werd gestaakt.
»Wat voeren zij toch uit,” mompelde de kapitein, »welke nieuwe streek hebben die duivels nu uitgevonden?”
Zoodra de Arendskop meester was van al de toegangen tot het fort, had hij bevel gegeven, aan het gevecht een einde te maken. De in het dorp buit gemaakte gevangenen werden de een na den ander voorgebracht: zij waren twaalf in getal, en daaronder vier vrouwen. Toen deze twaalf ongelukkigen sidderend voor hem stonden, liet de Arendskop de vrouwen ter zijde brengen. Aan de mannen gelastte hij één voor één langs hem heen te gaan; hij zag ze oplettend aan, en gaf toen een teeken aan de naast hem staande krijgslieden. Deze overrompelden de Amerikanen onmiddellijk, sloegen hun met demachetede handen af, scalpeerden hen, en wierpen hen toen in het fort.
Zeven kolonisten hadden deze marteling ondergaan. Nog een bleef er over. Het was een grijsaard, groot van gestalte, mager, maar krachtvol; zijne sneeuwwitte haren vielen hem op de schouders, zijne zwarte oogen gloeiden, doch zijn gelaat bleef onbewegelijk; hij wachtte, schijnbaar kalm, het vonnis van den hoofdman, dat hem met de ongelukkigen, die hem waren voorgegaan, zou vereenigen.
Maar het Comanchenhoofd zag hem met de grootste oplettendheid aan.
Eindelijk bewogen zich de trekken van den wilde, een glimlach teekende zich op zijne lippen, en zijne hand naar den grijsaard uitstekende,[63]zeide hij, in slecht Spaansch en met den aan zijn ras eigenen keelklank:
»Usted no conocer amigo?—Gij niet herkennen vriend?”
Op dit woord sidderde de grijsaard, en zag op zijn beurt den Indiaan aan.
»O,” zeide hij verbaasd, »el Gallo—de Haan?”
»Ooah!” antwoordde het opperhoofd tevreden, »ik ben een vriend van den Grijskop; de Roodhuiden hebben geen twee harten; mijn vader heeft mij het leven gered, mijn vader zal in mijne hut komen.”
»Ik dank u, hoofdman, ik neem uw aanbod aan,” zeide de grijsaard den Indiaan warm de hand drukkende.
En hij zette zich haastig neder bij eene bejaarde vrouw, met een edel gelaat, dat hoezeer ook door smart vermagerd en gerimpeld, nochtans de sporen droeg van vroegere schoonheid.
»God zij geprezen!” zeide zij verheugd toen de grijsaard haar naderde.
»God verlaat nooit diegenen, die op Hem hun vertrouwen vestigen,” antwoordde hij.
Ondertusschen speelden de Roodhuiden de laatste tooneelen van het vreeselijk drama, waarvan wij den lezer getuige deden zijn. Toen al de kolonisten in het fort waren opgesloten, werd de brand aangewakkerd met al de bouwstoffen die men maar vinden kon, en als door een gordijn van vlammen werden de ongelukkige Amerikanen voor altijd van de wereld afgescheiden. Weldra was het fort niets meer dan een brandstapel, waaruit voortdurend kreten van smart, en nu en dan de knal van een ontploffend geweer omhoog rezen. De Comanchen stonden onbewogen op eenigen afstand den voortgang van den brand gade te slaan, en lachten als duivels over hunne wraakneming.
De vlammen hadden het gansche gebouw omringd; zij stegen met verbazende snelheid omhoog, en wierpen, als een fakkel des doods, haar licht ver in de wildernis.
Op het glacis van het fort zag men eenige personen wanhopig zich bewegen, terwijl anderen geknield de genade des hemels schenen in te roepen.
Eensklaps hoorde men een ontzettend gekraak, een angstkreet rees ten hemel, en het fort stortte ineen, in den gloeienden vuurpoel die het ondermijnd had.
Alles was afgeloopen.
De Amerikanen waren omgekomen.
De Comanchen plantten een grooten mast, op de plek waar het dorp gestaan had; deze mast, waaraan zij de kolonisten vastnagelden, werd bekroond met een met bloed bevlekte bijl.
Daarna eenige nog overgeblevene hutten in brand stekende, gaf de Arendskop het teeken om te vertrekken.
De vier vrouwen en de grijsaard, de eenigen van de bevolking[64]dezer ongelukkige plaats die nog in leven waren, volgden de Comanchen.
Een droevige stilte zweefde over de rookende puinhoopen die het tooneel waren geweest van zóóveel hartverscheurende rampen.