[Inhoud]VII.HET GEVECHT.De roovers dansten als jakhalzen in het kamp rond, onder het aanheffen van een luid gebrul en onder het schudden der wapenen. Zoodra het kamp ingenomen was, had de kapitein hun de vergunning gegeven, om op hun gemak te gaan plunderen en moorden. Zonder zich verder met hen te bemoeien, was hij naar de tent geijld.Daar echter werd de doorgang hem belet. De generaal had zeven of acht man om zich heen verzameld, en wachtte aldus de bandieten moedig af, vast besloten zich liever te laten dooden, dan toe te staan dat een dezer ellendelingen zijne nicht aanraakte. Op het gezicht van den ouden soldaat, die met bliksemende oogen, met een pistool in de eene en den degen in de andere hand, gereed was hem te ontvangen, aarzelde de kapitein. Maar die aarzeling duurde geen seconde, hij riep een tiental roovers op, om zich rondom hem te scharen.»Maak plaats!” zeide hij, zijne machete zwaaiende.»Kom, zoo gij durft!” antwoordde de generaal, zich woedend op de lippen bijtende.De beide mannen wierpen zich op elkander, hunne manschappen volgden hun voorbeeld, het gevecht werd algemeen.’t Was eene vreeselijke worsteling, eene worsteling tusschen mannen, die wisten, dat zij van elkander geene genade te wachten hadden.Ieder deed zijn best om doodelijke slagen uit te deelen, zonder zich de moeite te geven, om die, welke op hem gericht waren, af te weren, niet morrende om zijn val, zoo hij in dien val slechts zijne tegenpartij medesleepte. De gekwetsten poogden zich nog op te richten, om met hun ponjaard diegenen te treffen, welke nog vechtende waren.Zulk een woeste strijd kon niet lang duren; al de lanceros werden afgemaakt, de generaal viel op den grond, omvergeworpen door den kapitein, die op hem viel, en hem met zijn gordel stevig knevelde, om hen allen verderen tegenstand onmogelijk te maken.De generaal was slechts licht gewond. Om zekere redenen, die hij alleen kende, had de kapitein hem voorbedachtelijk onder het gevecht beschermd, met zijne machete de slagen, die door de bandieten op hem gericht werden, afwerende. Hij wilde zijn vijand levend in handen krijgen, en het was hem gelukt.Al de overige Mexicanen waren wel is waar gevallen, maar de overwinning was den roovers duur te staan gekomen. Zij waren voor de grootste helft gedood.De neger van den generaal, met een geduchte knods gewapend,[157]had zich lang verdedigd tegen hen, die zich van hem poogden meester te maken; zonder genade sloeg hij allen, die zich te dicht bij hem waagden, dood, met het moorddadig wapen, dat hij met ongemeene behendigheid hanteerde; eindelijk was men er in geslaagd hem te lasseeren en half geworgd op den grond te werpen, maar de kapitein redde hem het leven, op het oogenblik, dat een der roovers den arm oplichtte, om hem te dooden.Zoodra de kapitein zag, dat de generaal in de onmogelijkheid was om eenige beweging te maken, slaakte hij een kreet van vreugde, en zonder er aan te denken om het bloed te stelpen, dat hem uit twee wonden stroomde, sprong hij als een tijger over het lichaam van zijn vijand, die zich machteloos aan zijne voeten kromde, en trad de tent binnen.Deze was ledig.DoñaLuz was verdwenen. De kapitein stond als aan den grond genageld.Wat kon er van het meisje geworden zijn?De tent was niet groot, bijna zonder meubelen; het was onmogelijk er zich in te verbergen. Een verfrommeld bed bewees, dat, op het oogenblik van den aanval,doñaLuz nog rustig lag te sluimeren. Als een toovernimf was zij zonder eenig spoor achter te laten, verdwenen. De kapitein begreep niets van hare vlucht, daar het kamp van alle zijden te gelijk was aangevallen. Hoe zou een jong meisje, plotseling wakker geschrikt, genoeg moed en tegenwoordigheid van geest hebben gehad, om zoo vlug en zoo ongemerkt te ontsnappen, door den kring van vijanden heen, die haar omringden, en wier eerste zorg het geweest was, om al de ingangen te bewaken? Hij zocht te vergeefs naar de oplossing van dit raadsel. Stampvoetend van toorn peilde hij met zijn ponjaard de pakken, die der vluchteling tot eene tijdelijke schuilplaats hadden kunnen verstrekken, maar alles te vergeefs. Eindelijk overtuigd, dat zijne nasporingen in de tent tot niets zouden leiden, wierp hij zich naar buiten, als een wild dier overal rondloopende, verzekerd, dat, zoo het haar door een wonder gelukt was, om alleen, in den nacht, half gekleed, en onbekend met de wegen in de wildernis, te ontsnappen, hij haar spoor gemakkelijk terug zou vinden.De plundering werd ondertusschen voortgezet met eene snelheid en met eene orde, te midden der wanorde, die de proefondervindelijke kundigheden der roovers eer aandeden.De overwinnaars, eindelijk het moorden en stelen moede, openden met hunne ponjaards de lederen zakken mezcal, en zetten door een algemeene slemppartij de kroon op hun werk.Eensklaps liet zich op eenigen afstand een krassend en vreeselijk geschreeuw hooren, en een hagelbui van kogels stortte op de bandieten neder. Dezen, op hunne beurt aangevallen, vlogen te wapen, en poogden zich te hereenigen. Op hetzelfde oogenblik kwam er een bende Indianen te voorschijn, die als tijgers tusschen de pakgoederen[158]sprongen, van nabij gevolgd door een troep jagers, onder de aanvoering van Edelhart, Goedsmoeds en den Zwarten Eland.De roovers bevonden zich in een benarden toestand. De kapitein, wien het gevaar, waaraan zijne manschappen waren blootgesteld, ter harte ging, liet het vruchteloos zoeken met weêrzin varen, en zijne lieden om zich heen scharende, liet hij de twee gevangenen, die hij gemaakt had, den generaal namelijk en zijn neger, opnemen. Toen gebruik makende van de verwarring, die van een dergelijken aanval onafscheidelijk is, gaf hij aan de zijnen bevel, om zich in alle richtingen te verspreiden, ten einde des te gemakkelijker aan de slagen hunner vijanden te ontkomen.De roovers schoten allen te gelijkertijd hunne geweren af, hetgeen onder de aanvallers eenige aarzeling teweeg bracht, en verwijderden zich toen als een troep bloeddorstige gieren, om weldra in de duisternis te verdwijnen.De kapitein intusschen, die het laatst achtergebleven was, om den aftocht te dekken, verzuimde niet om nogmaals, terwijl hij langs de rotsen afgleed, al vluchtende en zoolang hij kon, naar de sporen van het meisje te zoeken; maar er was niets van haar te ontdekken. Teleurgesteld ging hij weg, met woede in het hart en de zwartste voornemens in het hoofd.Edelhart door den Indiaanschen verspieder, en vooral door het verhaal van den doctor van den aanval op het kamp onderricht, was dadelijk op marsch gegaan, ten einde den Mexicanen zoo spoedig mogelijk hulp toe te brengen. Doch ongelukkig waren, ondanks de snelheid waarmede zij voortgingen, de jagers en de Comanchen te laat gekomen om de karavaan te redden.Toen de aanvoerders der onderneming zich van de vlucht der roovers verzekerd hadden, begonnen de Arendskop en zijne manschappen hen te achtervolgen.Edelhart, meester van het kamp gebleven zijnde, gaf bevel tot eene algemeene jacht in de naburige rotskloven en in het hooge gras, dat de bandieten nog niet den tijd hadden gehad nauwkeurig te onderzoeken, want zij waren nauwelijks het kamp binnengedrongen, of zij werden er weder uitgeslagen. Deze jacht leidde tot de ontdekking van Phebe, het kamermeisje vandoñaLuz, en van twee lanceros, die zich in een boomstam verscholen hadden, en die meer dood dan levend door den Zwarten Eland en nog eenige andere jagers werden te voorschijn gebracht. De arme drommels meenden den roovers in handen gevallen te zijn, en Edelhart had onbeschrijfelijk veel moeite om hun aan het verstand te brengen, dat de lieden die zij zagen vrienden waren, wel is waar te laat gekomen om hen te helpen, maar toch niet genegen hun eenig kwaad te doen. Zoodra zij een weinig gerust gesteld waren, trad Edelhart met hen de tent binnen, en vroeg hun een omstandig verhaal van het gebeurde.De jongste mesties, zoodra zij zag met wie zij te doen had, kreeg[159]eensklaps al haar moed terug, en daar zij bovendien Edelhart herkende, liet zij zich lichtelijk tot praten bewegen: binnen weinige minuten bracht zij den jager op de hoogte van al de verschrikkelijke gebeurtenissen, waarvan zij getuige was geweest.»Dus,” vroeg hij haar, »is kapitein Aguilar gedood?”»Helaas! ja,” antwoordde het meisje met een smartelijken zucht; zij dacht aan den moed van den armen officier.»En de generaal?” hernam de jager.»O, de generaal,” zeide de mesties levendig, »die heeft zich geweerd als een leeuw, en hij is eerst na een heldhaftigen tegenstand gevallen.”»Is hij dood?” vroeg Edelhart, pijnlijk aangedaan.»O, neen,” zeide zij, »hij is maar gewond, ik heb gezien dat de bandieten hem wegdroegen, ik geloof zelfs, dat zijne wonden niet van de zwaarsten zijn, daar deladrons(dieven) hem gedurende het gevecht altijd trachtten te sparen.”»Des te beter,” zeide de jager, en hij boog nadenkend het hoofd. Na eene korte pauze, voegde hij er aarzelend en met eenigszins bevende stem bij: »En uwe jonge meesteres, wat is daarvan geworden?”»Mijne meesteres,doñaLuz?”»Ja,doñaLuz, dat is geloof ik haar naam; ik zou er alles voor over hebben, om iets van haar te hooren, en te weten dat zij zich in veiligheid bevindt.”»Dat doet zij, want zij is dicht bij u,” zeide eene welluidende stem.EndoñaLuz trad te voorschijn, nog bleek van de aandoeningen, waaraan zij ten prooi was geweest, maar toch kalm, met een glimlach op de lippen, en met glinsterende oogen.De omstanders konden een uitroep van verbazing niet weerhouden, toen zij zoo onverwachts dat meisje zagen verschijnen.»O, God zij geprezen!” riep de jager uit, »onze hulp is dan niet geheel nutteloos geweest, Caballero.”»Neen,” antwoordde zij bevallig; en liet er treurig op volgen, terwijl eene donkere wolk haar gelaat overschaduwde: »thans, nu ik hem verloren heb, die mij als een vader was, kom ik uwe bescherming inroepen.”»Zij is u gegund, mevrouw,” zeide hij met warmte; »wat uw oom betreft, o, reken op mij; ik zal hem u teruggeven, al moest ik het met mijn leven betalen. Gij weet,” voegde hij er bij, »dat ik heden niet voor de eerste maal uwe zaak verdedig.”Toen de eerste oogenblikken van aandoening voorbij waren, verlangde men te weten, hoe het meisje er in geslaagd was om zich aan de nasporingen der roovers te onttrekken.DoñaLuz verhaalde wat haar overkomen was.Het meisje had zich geheel gekleed te bed gelegd, de ongerustheid had haar wakker gehouden, een geheim voorgevoel zeide haar, dat zij op hare hoede moest zijn. Bij het door de roovers aangeheven[160]geschreeuw was zij verschrikt opgestaan, en met den eersten oogopslag had zij gezien, dat het onmogelijk was om te vluchten. Een angstigen blik om zich heen werpende, had zij eenige kleederen bemerkt, die in wanorde in eene hangmat waren geworpen en naar buiten hingen.Toen was haar plotseling een gedachte in het hoofd gekomen. Zij had zich onder deze kleederen laten doorglijden, en zich zoo klein makende als zij kon, zich in de hangmat nedergelegd, zonder de wanorde der kleederen te verstoren. Door Gods goedheid had het opperhoofd der bandieten, toen hij overal rondzocht, er niet aan gedacht om met de hand in die schijnbaar ledige hangmat te tasten. Door dit toeval gered, had zij zich ongeveer een half uur schuil gehouden, al dien tijd in eene spanning verkeerende, die het onmogelijk is te beschrijven. De komst der jagers en de stem van Edelhart, die zij terstond herkende, hadden haar weder hoop ingeboezemd, zij had hare schuilplaats verlaten, en ongeduldig op eene gunstige gelegenheid gewacht om zich te vertoonen.De jagers stonden verbaasd over dit eenvoudig en toch zoo treffend verhaal; zij wenschten het meisje geluk met haren moed en hare tegenwoordigheid van geest, door welke alleen zij gered was geworden.Toen de orde in het kamp een weinig hersteld was, begaf Edelhart zich wederom naardoñaLuz.»Mevrouw,” zeide hij, »weldra zal het dag zijn; als gij eenige uren rust zult genomen hebben, zal ik u bij mijne moeder brengen, die eene vrome vrouw is; als zij u kent, twijfel ik niet, of zij zal u als hare dochter liefhebben; daarna, als gij in veiligheid zult zijn, zal ik mijn best doen, om uwen oom op te sporen.”Zonder de dankbetuigingen van het meisje af te wachten, maakte hij eene eerbiedige buiging voor haar en ging de tent uit.Zoodra hij weg was, slaaktedoñaLuz een zucht, en liet zich peinzend op haar stoel nedervallen.
[Inhoud]VII.HET GEVECHT.De roovers dansten als jakhalzen in het kamp rond, onder het aanheffen van een luid gebrul en onder het schudden der wapenen. Zoodra het kamp ingenomen was, had de kapitein hun de vergunning gegeven, om op hun gemak te gaan plunderen en moorden. Zonder zich verder met hen te bemoeien, was hij naar de tent geijld.Daar echter werd de doorgang hem belet. De generaal had zeven of acht man om zich heen verzameld, en wachtte aldus de bandieten moedig af, vast besloten zich liever te laten dooden, dan toe te staan dat een dezer ellendelingen zijne nicht aanraakte. Op het gezicht van den ouden soldaat, die met bliksemende oogen, met een pistool in de eene en den degen in de andere hand, gereed was hem te ontvangen, aarzelde de kapitein. Maar die aarzeling duurde geen seconde, hij riep een tiental roovers op, om zich rondom hem te scharen.»Maak plaats!” zeide hij, zijne machete zwaaiende.»Kom, zoo gij durft!” antwoordde de generaal, zich woedend op de lippen bijtende.De beide mannen wierpen zich op elkander, hunne manschappen volgden hun voorbeeld, het gevecht werd algemeen.’t Was eene vreeselijke worsteling, eene worsteling tusschen mannen, die wisten, dat zij van elkander geene genade te wachten hadden.Ieder deed zijn best om doodelijke slagen uit te deelen, zonder zich de moeite te geven, om die, welke op hem gericht waren, af te weren, niet morrende om zijn val, zoo hij in dien val slechts zijne tegenpartij medesleepte. De gekwetsten poogden zich nog op te richten, om met hun ponjaard diegenen te treffen, welke nog vechtende waren.Zulk een woeste strijd kon niet lang duren; al de lanceros werden afgemaakt, de generaal viel op den grond, omvergeworpen door den kapitein, die op hem viel, en hem met zijn gordel stevig knevelde, om hen allen verderen tegenstand onmogelijk te maken.De generaal was slechts licht gewond. Om zekere redenen, die hij alleen kende, had de kapitein hem voorbedachtelijk onder het gevecht beschermd, met zijne machete de slagen, die door de bandieten op hem gericht werden, afwerende. Hij wilde zijn vijand levend in handen krijgen, en het was hem gelukt.Al de overige Mexicanen waren wel is waar gevallen, maar de overwinning was den roovers duur te staan gekomen. Zij waren voor de grootste helft gedood.De neger van den generaal, met een geduchte knods gewapend,[157]had zich lang verdedigd tegen hen, die zich van hem poogden meester te maken; zonder genade sloeg hij allen, die zich te dicht bij hem waagden, dood, met het moorddadig wapen, dat hij met ongemeene behendigheid hanteerde; eindelijk was men er in geslaagd hem te lasseeren en half geworgd op den grond te werpen, maar de kapitein redde hem het leven, op het oogenblik, dat een der roovers den arm oplichtte, om hem te dooden.Zoodra de kapitein zag, dat de generaal in de onmogelijkheid was om eenige beweging te maken, slaakte hij een kreet van vreugde, en zonder er aan te denken om het bloed te stelpen, dat hem uit twee wonden stroomde, sprong hij als een tijger over het lichaam van zijn vijand, die zich machteloos aan zijne voeten kromde, en trad de tent binnen.Deze was ledig.DoñaLuz was verdwenen. De kapitein stond als aan den grond genageld.Wat kon er van het meisje geworden zijn?De tent was niet groot, bijna zonder meubelen; het was onmogelijk er zich in te verbergen. Een verfrommeld bed bewees, dat, op het oogenblik van den aanval,doñaLuz nog rustig lag te sluimeren. Als een toovernimf was zij zonder eenig spoor achter te laten, verdwenen. De kapitein begreep niets van hare vlucht, daar het kamp van alle zijden te gelijk was aangevallen. Hoe zou een jong meisje, plotseling wakker geschrikt, genoeg moed en tegenwoordigheid van geest hebben gehad, om zoo vlug en zoo ongemerkt te ontsnappen, door den kring van vijanden heen, die haar omringden, en wier eerste zorg het geweest was, om al de ingangen te bewaken? Hij zocht te vergeefs naar de oplossing van dit raadsel. Stampvoetend van toorn peilde hij met zijn ponjaard de pakken, die der vluchteling tot eene tijdelijke schuilplaats hadden kunnen verstrekken, maar alles te vergeefs. Eindelijk overtuigd, dat zijne nasporingen in de tent tot niets zouden leiden, wierp hij zich naar buiten, als een wild dier overal rondloopende, verzekerd, dat, zoo het haar door een wonder gelukt was, om alleen, in den nacht, half gekleed, en onbekend met de wegen in de wildernis, te ontsnappen, hij haar spoor gemakkelijk terug zou vinden.De plundering werd ondertusschen voortgezet met eene snelheid en met eene orde, te midden der wanorde, die de proefondervindelijke kundigheden der roovers eer aandeden.De overwinnaars, eindelijk het moorden en stelen moede, openden met hunne ponjaards de lederen zakken mezcal, en zetten door een algemeene slemppartij de kroon op hun werk.Eensklaps liet zich op eenigen afstand een krassend en vreeselijk geschreeuw hooren, en een hagelbui van kogels stortte op de bandieten neder. Dezen, op hunne beurt aangevallen, vlogen te wapen, en poogden zich te hereenigen. Op hetzelfde oogenblik kwam er een bende Indianen te voorschijn, die als tijgers tusschen de pakgoederen[158]sprongen, van nabij gevolgd door een troep jagers, onder de aanvoering van Edelhart, Goedsmoeds en den Zwarten Eland.De roovers bevonden zich in een benarden toestand. De kapitein, wien het gevaar, waaraan zijne manschappen waren blootgesteld, ter harte ging, liet het vruchteloos zoeken met weêrzin varen, en zijne lieden om zich heen scharende, liet hij de twee gevangenen, die hij gemaakt had, den generaal namelijk en zijn neger, opnemen. Toen gebruik makende van de verwarring, die van een dergelijken aanval onafscheidelijk is, gaf hij aan de zijnen bevel, om zich in alle richtingen te verspreiden, ten einde des te gemakkelijker aan de slagen hunner vijanden te ontkomen.De roovers schoten allen te gelijkertijd hunne geweren af, hetgeen onder de aanvallers eenige aarzeling teweeg bracht, en verwijderden zich toen als een troep bloeddorstige gieren, om weldra in de duisternis te verdwijnen.De kapitein intusschen, die het laatst achtergebleven was, om den aftocht te dekken, verzuimde niet om nogmaals, terwijl hij langs de rotsen afgleed, al vluchtende en zoolang hij kon, naar de sporen van het meisje te zoeken; maar er was niets van haar te ontdekken. Teleurgesteld ging hij weg, met woede in het hart en de zwartste voornemens in het hoofd.Edelhart door den Indiaanschen verspieder, en vooral door het verhaal van den doctor van den aanval op het kamp onderricht, was dadelijk op marsch gegaan, ten einde den Mexicanen zoo spoedig mogelijk hulp toe te brengen. Doch ongelukkig waren, ondanks de snelheid waarmede zij voortgingen, de jagers en de Comanchen te laat gekomen om de karavaan te redden.Toen de aanvoerders der onderneming zich van de vlucht der roovers verzekerd hadden, begonnen de Arendskop en zijne manschappen hen te achtervolgen.Edelhart, meester van het kamp gebleven zijnde, gaf bevel tot eene algemeene jacht in de naburige rotskloven en in het hooge gras, dat de bandieten nog niet den tijd hadden gehad nauwkeurig te onderzoeken, want zij waren nauwelijks het kamp binnengedrongen, of zij werden er weder uitgeslagen. Deze jacht leidde tot de ontdekking van Phebe, het kamermeisje vandoñaLuz, en van twee lanceros, die zich in een boomstam verscholen hadden, en die meer dood dan levend door den Zwarten Eland en nog eenige andere jagers werden te voorschijn gebracht. De arme drommels meenden den roovers in handen gevallen te zijn, en Edelhart had onbeschrijfelijk veel moeite om hun aan het verstand te brengen, dat de lieden die zij zagen vrienden waren, wel is waar te laat gekomen om hen te helpen, maar toch niet genegen hun eenig kwaad te doen. Zoodra zij een weinig gerust gesteld waren, trad Edelhart met hen de tent binnen, en vroeg hun een omstandig verhaal van het gebeurde.De jongste mesties, zoodra zij zag met wie zij te doen had, kreeg[159]eensklaps al haar moed terug, en daar zij bovendien Edelhart herkende, liet zij zich lichtelijk tot praten bewegen: binnen weinige minuten bracht zij den jager op de hoogte van al de verschrikkelijke gebeurtenissen, waarvan zij getuige was geweest.»Dus,” vroeg hij haar, »is kapitein Aguilar gedood?”»Helaas! ja,” antwoordde het meisje met een smartelijken zucht; zij dacht aan den moed van den armen officier.»En de generaal?” hernam de jager.»O, de generaal,” zeide de mesties levendig, »die heeft zich geweerd als een leeuw, en hij is eerst na een heldhaftigen tegenstand gevallen.”»Is hij dood?” vroeg Edelhart, pijnlijk aangedaan.»O, neen,” zeide zij, »hij is maar gewond, ik heb gezien dat de bandieten hem wegdroegen, ik geloof zelfs, dat zijne wonden niet van de zwaarsten zijn, daar deladrons(dieven) hem gedurende het gevecht altijd trachtten te sparen.”»Des te beter,” zeide de jager, en hij boog nadenkend het hoofd. Na eene korte pauze, voegde hij er aarzelend en met eenigszins bevende stem bij: »En uwe jonge meesteres, wat is daarvan geworden?”»Mijne meesteres,doñaLuz?”»Ja,doñaLuz, dat is geloof ik haar naam; ik zou er alles voor over hebben, om iets van haar te hooren, en te weten dat zij zich in veiligheid bevindt.”»Dat doet zij, want zij is dicht bij u,” zeide eene welluidende stem.EndoñaLuz trad te voorschijn, nog bleek van de aandoeningen, waaraan zij ten prooi was geweest, maar toch kalm, met een glimlach op de lippen, en met glinsterende oogen.De omstanders konden een uitroep van verbazing niet weerhouden, toen zij zoo onverwachts dat meisje zagen verschijnen.»O, God zij geprezen!” riep de jager uit, »onze hulp is dan niet geheel nutteloos geweest, Caballero.”»Neen,” antwoordde zij bevallig; en liet er treurig op volgen, terwijl eene donkere wolk haar gelaat overschaduwde: »thans, nu ik hem verloren heb, die mij als een vader was, kom ik uwe bescherming inroepen.”»Zij is u gegund, mevrouw,” zeide hij met warmte; »wat uw oom betreft, o, reken op mij; ik zal hem u teruggeven, al moest ik het met mijn leven betalen. Gij weet,” voegde hij er bij, »dat ik heden niet voor de eerste maal uwe zaak verdedig.”Toen de eerste oogenblikken van aandoening voorbij waren, verlangde men te weten, hoe het meisje er in geslaagd was om zich aan de nasporingen der roovers te onttrekken.DoñaLuz verhaalde wat haar overkomen was.Het meisje had zich geheel gekleed te bed gelegd, de ongerustheid had haar wakker gehouden, een geheim voorgevoel zeide haar, dat zij op hare hoede moest zijn. Bij het door de roovers aangeheven[160]geschreeuw was zij verschrikt opgestaan, en met den eersten oogopslag had zij gezien, dat het onmogelijk was om te vluchten. Een angstigen blik om zich heen werpende, had zij eenige kleederen bemerkt, die in wanorde in eene hangmat waren geworpen en naar buiten hingen.Toen was haar plotseling een gedachte in het hoofd gekomen. Zij had zich onder deze kleederen laten doorglijden, en zich zoo klein makende als zij kon, zich in de hangmat nedergelegd, zonder de wanorde der kleederen te verstoren. Door Gods goedheid had het opperhoofd der bandieten, toen hij overal rondzocht, er niet aan gedacht om met de hand in die schijnbaar ledige hangmat te tasten. Door dit toeval gered, had zij zich ongeveer een half uur schuil gehouden, al dien tijd in eene spanning verkeerende, die het onmogelijk is te beschrijven. De komst der jagers en de stem van Edelhart, die zij terstond herkende, hadden haar weder hoop ingeboezemd, zij had hare schuilplaats verlaten, en ongeduldig op eene gunstige gelegenheid gewacht om zich te vertoonen.De jagers stonden verbaasd over dit eenvoudig en toch zoo treffend verhaal; zij wenschten het meisje geluk met haren moed en hare tegenwoordigheid van geest, door welke alleen zij gered was geworden.Toen de orde in het kamp een weinig hersteld was, begaf Edelhart zich wederom naardoñaLuz.»Mevrouw,” zeide hij, »weldra zal het dag zijn; als gij eenige uren rust zult genomen hebben, zal ik u bij mijne moeder brengen, die eene vrome vrouw is; als zij u kent, twijfel ik niet, of zij zal u als hare dochter liefhebben; daarna, als gij in veiligheid zult zijn, zal ik mijn best doen, om uwen oom op te sporen.”Zonder de dankbetuigingen van het meisje af te wachten, maakte hij eene eerbiedige buiging voor haar en ging de tent uit.Zoodra hij weg was, slaaktedoñaLuz een zucht, en liet zich peinzend op haar stoel nedervallen.
[Inhoud]VII.HET GEVECHT.De roovers dansten als jakhalzen in het kamp rond, onder het aanheffen van een luid gebrul en onder het schudden der wapenen. Zoodra het kamp ingenomen was, had de kapitein hun de vergunning gegeven, om op hun gemak te gaan plunderen en moorden. Zonder zich verder met hen te bemoeien, was hij naar de tent geijld.Daar echter werd de doorgang hem belet. De generaal had zeven of acht man om zich heen verzameld, en wachtte aldus de bandieten moedig af, vast besloten zich liever te laten dooden, dan toe te staan dat een dezer ellendelingen zijne nicht aanraakte. Op het gezicht van den ouden soldaat, die met bliksemende oogen, met een pistool in de eene en den degen in de andere hand, gereed was hem te ontvangen, aarzelde de kapitein. Maar die aarzeling duurde geen seconde, hij riep een tiental roovers op, om zich rondom hem te scharen.»Maak plaats!” zeide hij, zijne machete zwaaiende.»Kom, zoo gij durft!” antwoordde de generaal, zich woedend op de lippen bijtende.De beide mannen wierpen zich op elkander, hunne manschappen volgden hun voorbeeld, het gevecht werd algemeen.’t Was eene vreeselijke worsteling, eene worsteling tusschen mannen, die wisten, dat zij van elkander geene genade te wachten hadden.Ieder deed zijn best om doodelijke slagen uit te deelen, zonder zich de moeite te geven, om die, welke op hem gericht waren, af te weren, niet morrende om zijn val, zoo hij in dien val slechts zijne tegenpartij medesleepte. De gekwetsten poogden zich nog op te richten, om met hun ponjaard diegenen te treffen, welke nog vechtende waren.Zulk een woeste strijd kon niet lang duren; al de lanceros werden afgemaakt, de generaal viel op den grond, omvergeworpen door den kapitein, die op hem viel, en hem met zijn gordel stevig knevelde, om hen allen verderen tegenstand onmogelijk te maken.De generaal was slechts licht gewond. Om zekere redenen, die hij alleen kende, had de kapitein hem voorbedachtelijk onder het gevecht beschermd, met zijne machete de slagen, die door de bandieten op hem gericht werden, afwerende. Hij wilde zijn vijand levend in handen krijgen, en het was hem gelukt.Al de overige Mexicanen waren wel is waar gevallen, maar de overwinning was den roovers duur te staan gekomen. Zij waren voor de grootste helft gedood.De neger van den generaal, met een geduchte knods gewapend,[157]had zich lang verdedigd tegen hen, die zich van hem poogden meester te maken; zonder genade sloeg hij allen, die zich te dicht bij hem waagden, dood, met het moorddadig wapen, dat hij met ongemeene behendigheid hanteerde; eindelijk was men er in geslaagd hem te lasseeren en half geworgd op den grond te werpen, maar de kapitein redde hem het leven, op het oogenblik, dat een der roovers den arm oplichtte, om hem te dooden.Zoodra de kapitein zag, dat de generaal in de onmogelijkheid was om eenige beweging te maken, slaakte hij een kreet van vreugde, en zonder er aan te denken om het bloed te stelpen, dat hem uit twee wonden stroomde, sprong hij als een tijger over het lichaam van zijn vijand, die zich machteloos aan zijne voeten kromde, en trad de tent binnen.Deze was ledig.DoñaLuz was verdwenen. De kapitein stond als aan den grond genageld.Wat kon er van het meisje geworden zijn?De tent was niet groot, bijna zonder meubelen; het was onmogelijk er zich in te verbergen. Een verfrommeld bed bewees, dat, op het oogenblik van den aanval,doñaLuz nog rustig lag te sluimeren. Als een toovernimf was zij zonder eenig spoor achter te laten, verdwenen. De kapitein begreep niets van hare vlucht, daar het kamp van alle zijden te gelijk was aangevallen. Hoe zou een jong meisje, plotseling wakker geschrikt, genoeg moed en tegenwoordigheid van geest hebben gehad, om zoo vlug en zoo ongemerkt te ontsnappen, door den kring van vijanden heen, die haar omringden, en wier eerste zorg het geweest was, om al de ingangen te bewaken? Hij zocht te vergeefs naar de oplossing van dit raadsel. Stampvoetend van toorn peilde hij met zijn ponjaard de pakken, die der vluchteling tot eene tijdelijke schuilplaats hadden kunnen verstrekken, maar alles te vergeefs. Eindelijk overtuigd, dat zijne nasporingen in de tent tot niets zouden leiden, wierp hij zich naar buiten, als een wild dier overal rondloopende, verzekerd, dat, zoo het haar door een wonder gelukt was, om alleen, in den nacht, half gekleed, en onbekend met de wegen in de wildernis, te ontsnappen, hij haar spoor gemakkelijk terug zou vinden.De plundering werd ondertusschen voortgezet met eene snelheid en met eene orde, te midden der wanorde, die de proefondervindelijke kundigheden der roovers eer aandeden.De overwinnaars, eindelijk het moorden en stelen moede, openden met hunne ponjaards de lederen zakken mezcal, en zetten door een algemeene slemppartij de kroon op hun werk.Eensklaps liet zich op eenigen afstand een krassend en vreeselijk geschreeuw hooren, en een hagelbui van kogels stortte op de bandieten neder. Dezen, op hunne beurt aangevallen, vlogen te wapen, en poogden zich te hereenigen. Op hetzelfde oogenblik kwam er een bende Indianen te voorschijn, die als tijgers tusschen de pakgoederen[158]sprongen, van nabij gevolgd door een troep jagers, onder de aanvoering van Edelhart, Goedsmoeds en den Zwarten Eland.De roovers bevonden zich in een benarden toestand. De kapitein, wien het gevaar, waaraan zijne manschappen waren blootgesteld, ter harte ging, liet het vruchteloos zoeken met weêrzin varen, en zijne lieden om zich heen scharende, liet hij de twee gevangenen, die hij gemaakt had, den generaal namelijk en zijn neger, opnemen. Toen gebruik makende van de verwarring, die van een dergelijken aanval onafscheidelijk is, gaf hij aan de zijnen bevel, om zich in alle richtingen te verspreiden, ten einde des te gemakkelijker aan de slagen hunner vijanden te ontkomen.De roovers schoten allen te gelijkertijd hunne geweren af, hetgeen onder de aanvallers eenige aarzeling teweeg bracht, en verwijderden zich toen als een troep bloeddorstige gieren, om weldra in de duisternis te verdwijnen.De kapitein intusschen, die het laatst achtergebleven was, om den aftocht te dekken, verzuimde niet om nogmaals, terwijl hij langs de rotsen afgleed, al vluchtende en zoolang hij kon, naar de sporen van het meisje te zoeken; maar er was niets van haar te ontdekken. Teleurgesteld ging hij weg, met woede in het hart en de zwartste voornemens in het hoofd.Edelhart door den Indiaanschen verspieder, en vooral door het verhaal van den doctor van den aanval op het kamp onderricht, was dadelijk op marsch gegaan, ten einde den Mexicanen zoo spoedig mogelijk hulp toe te brengen. Doch ongelukkig waren, ondanks de snelheid waarmede zij voortgingen, de jagers en de Comanchen te laat gekomen om de karavaan te redden.Toen de aanvoerders der onderneming zich van de vlucht der roovers verzekerd hadden, begonnen de Arendskop en zijne manschappen hen te achtervolgen.Edelhart, meester van het kamp gebleven zijnde, gaf bevel tot eene algemeene jacht in de naburige rotskloven en in het hooge gras, dat de bandieten nog niet den tijd hadden gehad nauwkeurig te onderzoeken, want zij waren nauwelijks het kamp binnengedrongen, of zij werden er weder uitgeslagen. Deze jacht leidde tot de ontdekking van Phebe, het kamermeisje vandoñaLuz, en van twee lanceros, die zich in een boomstam verscholen hadden, en die meer dood dan levend door den Zwarten Eland en nog eenige andere jagers werden te voorschijn gebracht. De arme drommels meenden den roovers in handen gevallen te zijn, en Edelhart had onbeschrijfelijk veel moeite om hun aan het verstand te brengen, dat de lieden die zij zagen vrienden waren, wel is waar te laat gekomen om hen te helpen, maar toch niet genegen hun eenig kwaad te doen. Zoodra zij een weinig gerust gesteld waren, trad Edelhart met hen de tent binnen, en vroeg hun een omstandig verhaal van het gebeurde.De jongste mesties, zoodra zij zag met wie zij te doen had, kreeg[159]eensklaps al haar moed terug, en daar zij bovendien Edelhart herkende, liet zij zich lichtelijk tot praten bewegen: binnen weinige minuten bracht zij den jager op de hoogte van al de verschrikkelijke gebeurtenissen, waarvan zij getuige was geweest.»Dus,” vroeg hij haar, »is kapitein Aguilar gedood?”»Helaas! ja,” antwoordde het meisje met een smartelijken zucht; zij dacht aan den moed van den armen officier.»En de generaal?” hernam de jager.»O, de generaal,” zeide de mesties levendig, »die heeft zich geweerd als een leeuw, en hij is eerst na een heldhaftigen tegenstand gevallen.”»Is hij dood?” vroeg Edelhart, pijnlijk aangedaan.»O, neen,” zeide zij, »hij is maar gewond, ik heb gezien dat de bandieten hem wegdroegen, ik geloof zelfs, dat zijne wonden niet van de zwaarsten zijn, daar deladrons(dieven) hem gedurende het gevecht altijd trachtten te sparen.”»Des te beter,” zeide de jager, en hij boog nadenkend het hoofd. Na eene korte pauze, voegde hij er aarzelend en met eenigszins bevende stem bij: »En uwe jonge meesteres, wat is daarvan geworden?”»Mijne meesteres,doñaLuz?”»Ja,doñaLuz, dat is geloof ik haar naam; ik zou er alles voor over hebben, om iets van haar te hooren, en te weten dat zij zich in veiligheid bevindt.”»Dat doet zij, want zij is dicht bij u,” zeide eene welluidende stem.EndoñaLuz trad te voorschijn, nog bleek van de aandoeningen, waaraan zij ten prooi was geweest, maar toch kalm, met een glimlach op de lippen, en met glinsterende oogen.De omstanders konden een uitroep van verbazing niet weerhouden, toen zij zoo onverwachts dat meisje zagen verschijnen.»O, God zij geprezen!” riep de jager uit, »onze hulp is dan niet geheel nutteloos geweest, Caballero.”»Neen,” antwoordde zij bevallig; en liet er treurig op volgen, terwijl eene donkere wolk haar gelaat overschaduwde: »thans, nu ik hem verloren heb, die mij als een vader was, kom ik uwe bescherming inroepen.”»Zij is u gegund, mevrouw,” zeide hij met warmte; »wat uw oom betreft, o, reken op mij; ik zal hem u teruggeven, al moest ik het met mijn leven betalen. Gij weet,” voegde hij er bij, »dat ik heden niet voor de eerste maal uwe zaak verdedig.”Toen de eerste oogenblikken van aandoening voorbij waren, verlangde men te weten, hoe het meisje er in geslaagd was om zich aan de nasporingen der roovers te onttrekken.DoñaLuz verhaalde wat haar overkomen was.Het meisje had zich geheel gekleed te bed gelegd, de ongerustheid had haar wakker gehouden, een geheim voorgevoel zeide haar, dat zij op hare hoede moest zijn. Bij het door de roovers aangeheven[160]geschreeuw was zij verschrikt opgestaan, en met den eersten oogopslag had zij gezien, dat het onmogelijk was om te vluchten. Een angstigen blik om zich heen werpende, had zij eenige kleederen bemerkt, die in wanorde in eene hangmat waren geworpen en naar buiten hingen.Toen was haar plotseling een gedachte in het hoofd gekomen. Zij had zich onder deze kleederen laten doorglijden, en zich zoo klein makende als zij kon, zich in de hangmat nedergelegd, zonder de wanorde der kleederen te verstoren. Door Gods goedheid had het opperhoofd der bandieten, toen hij overal rondzocht, er niet aan gedacht om met de hand in die schijnbaar ledige hangmat te tasten. Door dit toeval gered, had zij zich ongeveer een half uur schuil gehouden, al dien tijd in eene spanning verkeerende, die het onmogelijk is te beschrijven. De komst der jagers en de stem van Edelhart, die zij terstond herkende, hadden haar weder hoop ingeboezemd, zij had hare schuilplaats verlaten, en ongeduldig op eene gunstige gelegenheid gewacht om zich te vertoonen.De jagers stonden verbaasd over dit eenvoudig en toch zoo treffend verhaal; zij wenschten het meisje geluk met haren moed en hare tegenwoordigheid van geest, door welke alleen zij gered was geworden.Toen de orde in het kamp een weinig hersteld was, begaf Edelhart zich wederom naardoñaLuz.»Mevrouw,” zeide hij, »weldra zal het dag zijn; als gij eenige uren rust zult genomen hebben, zal ik u bij mijne moeder brengen, die eene vrome vrouw is; als zij u kent, twijfel ik niet, of zij zal u als hare dochter liefhebben; daarna, als gij in veiligheid zult zijn, zal ik mijn best doen, om uwen oom op te sporen.”Zonder de dankbetuigingen van het meisje af te wachten, maakte hij eene eerbiedige buiging voor haar en ging de tent uit.Zoodra hij weg was, slaaktedoñaLuz een zucht, en liet zich peinzend op haar stoel nedervallen.
VII.HET GEVECHT.
De roovers dansten als jakhalzen in het kamp rond, onder het aanheffen van een luid gebrul en onder het schudden der wapenen. Zoodra het kamp ingenomen was, had de kapitein hun de vergunning gegeven, om op hun gemak te gaan plunderen en moorden. Zonder zich verder met hen te bemoeien, was hij naar de tent geijld.Daar echter werd de doorgang hem belet. De generaal had zeven of acht man om zich heen verzameld, en wachtte aldus de bandieten moedig af, vast besloten zich liever te laten dooden, dan toe te staan dat een dezer ellendelingen zijne nicht aanraakte. Op het gezicht van den ouden soldaat, die met bliksemende oogen, met een pistool in de eene en den degen in de andere hand, gereed was hem te ontvangen, aarzelde de kapitein. Maar die aarzeling duurde geen seconde, hij riep een tiental roovers op, om zich rondom hem te scharen.»Maak plaats!” zeide hij, zijne machete zwaaiende.»Kom, zoo gij durft!” antwoordde de generaal, zich woedend op de lippen bijtende.De beide mannen wierpen zich op elkander, hunne manschappen volgden hun voorbeeld, het gevecht werd algemeen.’t Was eene vreeselijke worsteling, eene worsteling tusschen mannen, die wisten, dat zij van elkander geene genade te wachten hadden.Ieder deed zijn best om doodelijke slagen uit te deelen, zonder zich de moeite te geven, om die, welke op hem gericht waren, af te weren, niet morrende om zijn val, zoo hij in dien val slechts zijne tegenpartij medesleepte. De gekwetsten poogden zich nog op te richten, om met hun ponjaard diegenen te treffen, welke nog vechtende waren.Zulk een woeste strijd kon niet lang duren; al de lanceros werden afgemaakt, de generaal viel op den grond, omvergeworpen door den kapitein, die op hem viel, en hem met zijn gordel stevig knevelde, om hen allen verderen tegenstand onmogelijk te maken.De generaal was slechts licht gewond. Om zekere redenen, die hij alleen kende, had de kapitein hem voorbedachtelijk onder het gevecht beschermd, met zijne machete de slagen, die door de bandieten op hem gericht werden, afwerende. Hij wilde zijn vijand levend in handen krijgen, en het was hem gelukt.Al de overige Mexicanen waren wel is waar gevallen, maar de overwinning was den roovers duur te staan gekomen. Zij waren voor de grootste helft gedood.De neger van den generaal, met een geduchte knods gewapend,[157]had zich lang verdedigd tegen hen, die zich van hem poogden meester te maken; zonder genade sloeg hij allen, die zich te dicht bij hem waagden, dood, met het moorddadig wapen, dat hij met ongemeene behendigheid hanteerde; eindelijk was men er in geslaagd hem te lasseeren en half geworgd op den grond te werpen, maar de kapitein redde hem het leven, op het oogenblik, dat een der roovers den arm oplichtte, om hem te dooden.Zoodra de kapitein zag, dat de generaal in de onmogelijkheid was om eenige beweging te maken, slaakte hij een kreet van vreugde, en zonder er aan te denken om het bloed te stelpen, dat hem uit twee wonden stroomde, sprong hij als een tijger over het lichaam van zijn vijand, die zich machteloos aan zijne voeten kromde, en trad de tent binnen.Deze was ledig.DoñaLuz was verdwenen. De kapitein stond als aan den grond genageld.Wat kon er van het meisje geworden zijn?De tent was niet groot, bijna zonder meubelen; het was onmogelijk er zich in te verbergen. Een verfrommeld bed bewees, dat, op het oogenblik van den aanval,doñaLuz nog rustig lag te sluimeren. Als een toovernimf was zij zonder eenig spoor achter te laten, verdwenen. De kapitein begreep niets van hare vlucht, daar het kamp van alle zijden te gelijk was aangevallen. Hoe zou een jong meisje, plotseling wakker geschrikt, genoeg moed en tegenwoordigheid van geest hebben gehad, om zoo vlug en zoo ongemerkt te ontsnappen, door den kring van vijanden heen, die haar omringden, en wier eerste zorg het geweest was, om al de ingangen te bewaken? Hij zocht te vergeefs naar de oplossing van dit raadsel. Stampvoetend van toorn peilde hij met zijn ponjaard de pakken, die der vluchteling tot eene tijdelijke schuilplaats hadden kunnen verstrekken, maar alles te vergeefs. Eindelijk overtuigd, dat zijne nasporingen in de tent tot niets zouden leiden, wierp hij zich naar buiten, als een wild dier overal rondloopende, verzekerd, dat, zoo het haar door een wonder gelukt was, om alleen, in den nacht, half gekleed, en onbekend met de wegen in de wildernis, te ontsnappen, hij haar spoor gemakkelijk terug zou vinden.De plundering werd ondertusschen voortgezet met eene snelheid en met eene orde, te midden der wanorde, die de proefondervindelijke kundigheden der roovers eer aandeden.De overwinnaars, eindelijk het moorden en stelen moede, openden met hunne ponjaards de lederen zakken mezcal, en zetten door een algemeene slemppartij de kroon op hun werk.Eensklaps liet zich op eenigen afstand een krassend en vreeselijk geschreeuw hooren, en een hagelbui van kogels stortte op de bandieten neder. Dezen, op hunne beurt aangevallen, vlogen te wapen, en poogden zich te hereenigen. Op hetzelfde oogenblik kwam er een bende Indianen te voorschijn, die als tijgers tusschen de pakgoederen[158]sprongen, van nabij gevolgd door een troep jagers, onder de aanvoering van Edelhart, Goedsmoeds en den Zwarten Eland.De roovers bevonden zich in een benarden toestand. De kapitein, wien het gevaar, waaraan zijne manschappen waren blootgesteld, ter harte ging, liet het vruchteloos zoeken met weêrzin varen, en zijne lieden om zich heen scharende, liet hij de twee gevangenen, die hij gemaakt had, den generaal namelijk en zijn neger, opnemen. Toen gebruik makende van de verwarring, die van een dergelijken aanval onafscheidelijk is, gaf hij aan de zijnen bevel, om zich in alle richtingen te verspreiden, ten einde des te gemakkelijker aan de slagen hunner vijanden te ontkomen.De roovers schoten allen te gelijkertijd hunne geweren af, hetgeen onder de aanvallers eenige aarzeling teweeg bracht, en verwijderden zich toen als een troep bloeddorstige gieren, om weldra in de duisternis te verdwijnen.De kapitein intusschen, die het laatst achtergebleven was, om den aftocht te dekken, verzuimde niet om nogmaals, terwijl hij langs de rotsen afgleed, al vluchtende en zoolang hij kon, naar de sporen van het meisje te zoeken; maar er was niets van haar te ontdekken. Teleurgesteld ging hij weg, met woede in het hart en de zwartste voornemens in het hoofd.Edelhart door den Indiaanschen verspieder, en vooral door het verhaal van den doctor van den aanval op het kamp onderricht, was dadelijk op marsch gegaan, ten einde den Mexicanen zoo spoedig mogelijk hulp toe te brengen. Doch ongelukkig waren, ondanks de snelheid waarmede zij voortgingen, de jagers en de Comanchen te laat gekomen om de karavaan te redden.Toen de aanvoerders der onderneming zich van de vlucht der roovers verzekerd hadden, begonnen de Arendskop en zijne manschappen hen te achtervolgen.Edelhart, meester van het kamp gebleven zijnde, gaf bevel tot eene algemeene jacht in de naburige rotskloven en in het hooge gras, dat de bandieten nog niet den tijd hadden gehad nauwkeurig te onderzoeken, want zij waren nauwelijks het kamp binnengedrongen, of zij werden er weder uitgeslagen. Deze jacht leidde tot de ontdekking van Phebe, het kamermeisje vandoñaLuz, en van twee lanceros, die zich in een boomstam verscholen hadden, en die meer dood dan levend door den Zwarten Eland en nog eenige andere jagers werden te voorschijn gebracht. De arme drommels meenden den roovers in handen gevallen te zijn, en Edelhart had onbeschrijfelijk veel moeite om hun aan het verstand te brengen, dat de lieden die zij zagen vrienden waren, wel is waar te laat gekomen om hen te helpen, maar toch niet genegen hun eenig kwaad te doen. Zoodra zij een weinig gerust gesteld waren, trad Edelhart met hen de tent binnen, en vroeg hun een omstandig verhaal van het gebeurde.De jongste mesties, zoodra zij zag met wie zij te doen had, kreeg[159]eensklaps al haar moed terug, en daar zij bovendien Edelhart herkende, liet zij zich lichtelijk tot praten bewegen: binnen weinige minuten bracht zij den jager op de hoogte van al de verschrikkelijke gebeurtenissen, waarvan zij getuige was geweest.»Dus,” vroeg hij haar, »is kapitein Aguilar gedood?”»Helaas! ja,” antwoordde het meisje met een smartelijken zucht; zij dacht aan den moed van den armen officier.»En de generaal?” hernam de jager.»O, de generaal,” zeide de mesties levendig, »die heeft zich geweerd als een leeuw, en hij is eerst na een heldhaftigen tegenstand gevallen.”»Is hij dood?” vroeg Edelhart, pijnlijk aangedaan.»O, neen,” zeide zij, »hij is maar gewond, ik heb gezien dat de bandieten hem wegdroegen, ik geloof zelfs, dat zijne wonden niet van de zwaarsten zijn, daar deladrons(dieven) hem gedurende het gevecht altijd trachtten te sparen.”»Des te beter,” zeide de jager, en hij boog nadenkend het hoofd. Na eene korte pauze, voegde hij er aarzelend en met eenigszins bevende stem bij: »En uwe jonge meesteres, wat is daarvan geworden?”»Mijne meesteres,doñaLuz?”»Ja,doñaLuz, dat is geloof ik haar naam; ik zou er alles voor over hebben, om iets van haar te hooren, en te weten dat zij zich in veiligheid bevindt.”»Dat doet zij, want zij is dicht bij u,” zeide eene welluidende stem.EndoñaLuz trad te voorschijn, nog bleek van de aandoeningen, waaraan zij ten prooi was geweest, maar toch kalm, met een glimlach op de lippen, en met glinsterende oogen.De omstanders konden een uitroep van verbazing niet weerhouden, toen zij zoo onverwachts dat meisje zagen verschijnen.»O, God zij geprezen!” riep de jager uit, »onze hulp is dan niet geheel nutteloos geweest, Caballero.”»Neen,” antwoordde zij bevallig; en liet er treurig op volgen, terwijl eene donkere wolk haar gelaat overschaduwde: »thans, nu ik hem verloren heb, die mij als een vader was, kom ik uwe bescherming inroepen.”»Zij is u gegund, mevrouw,” zeide hij met warmte; »wat uw oom betreft, o, reken op mij; ik zal hem u teruggeven, al moest ik het met mijn leven betalen. Gij weet,” voegde hij er bij, »dat ik heden niet voor de eerste maal uwe zaak verdedig.”Toen de eerste oogenblikken van aandoening voorbij waren, verlangde men te weten, hoe het meisje er in geslaagd was om zich aan de nasporingen der roovers te onttrekken.DoñaLuz verhaalde wat haar overkomen was.Het meisje had zich geheel gekleed te bed gelegd, de ongerustheid had haar wakker gehouden, een geheim voorgevoel zeide haar, dat zij op hare hoede moest zijn. Bij het door de roovers aangeheven[160]geschreeuw was zij verschrikt opgestaan, en met den eersten oogopslag had zij gezien, dat het onmogelijk was om te vluchten. Een angstigen blik om zich heen werpende, had zij eenige kleederen bemerkt, die in wanorde in eene hangmat waren geworpen en naar buiten hingen.Toen was haar plotseling een gedachte in het hoofd gekomen. Zij had zich onder deze kleederen laten doorglijden, en zich zoo klein makende als zij kon, zich in de hangmat nedergelegd, zonder de wanorde der kleederen te verstoren. Door Gods goedheid had het opperhoofd der bandieten, toen hij overal rondzocht, er niet aan gedacht om met de hand in die schijnbaar ledige hangmat te tasten. Door dit toeval gered, had zij zich ongeveer een half uur schuil gehouden, al dien tijd in eene spanning verkeerende, die het onmogelijk is te beschrijven. De komst der jagers en de stem van Edelhart, die zij terstond herkende, hadden haar weder hoop ingeboezemd, zij had hare schuilplaats verlaten, en ongeduldig op eene gunstige gelegenheid gewacht om zich te vertoonen.De jagers stonden verbaasd over dit eenvoudig en toch zoo treffend verhaal; zij wenschten het meisje geluk met haren moed en hare tegenwoordigheid van geest, door welke alleen zij gered was geworden.Toen de orde in het kamp een weinig hersteld was, begaf Edelhart zich wederom naardoñaLuz.»Mevrouw,” zeide hij, »weldra zal het dag zijn; als gij eenige uren rust zult genomen hebben, zal ik u bij mijne moeder brengen, die eene vrome vrouw is; als zij u kent, twijfel ik niet, of zij zal u als hare dochter liefhebben; daarna, als gij in veiligheid zult zijn, zal ik mijn best doen, om uwen oom op te sporen.”Zonder de dankbetuigingen van het meisje af te wachten, maakte hij eene eerbiedige buiging voor haar en ging de tent uit.Zoodra hij weg was, slaaktedoñaLuz een zucht, en liet zich peinzend op haar stoel nedervallen.
De roovers dansten als jakhalzen in het kamp rond, onder het aanheffen van een luid gebrul en onder het schudden der wapenen. Zoodra het kamp ingenomen was, had de kapitein hun de vergunning gegeven, om op hun gemak te gaan plunderen en moorden. Zonder zich verder met hen te bemoeien, was hij naar de tent geijld.
Daar echter werd de doorgang hem belet. De generaal had zeven of acht man om zich heen verzameld, en wachtte aldus de bandieten moedig af, vast besloten zich liever te laten dooden, dan toe te staan dat een dezer ellendelingen zijne nicht aanraakte. Op het gezicht van den ouden soldaat, die met bliksemende oogen, met een pistool in de eene en den degen in de andere hand, gereed was hem te ontvangen, aarzelde de kapitein. Maar die aarzeling duurde geen seconde, hij riep een tiental roovers op, om zich rondom hem te scharen.
»Maak plaats!” zeide hij, zijne machete zwaaiende.
»Kom, zoo gij durft!” antwoordde de generaal, zich woedend op de lippen bijtende.
De beide mannen wierpen zich op elkander, hunne manschappen volgden hun voorbeeld, het gevecht werd algemeen.
’t Was eene vreeselijke worsteling, eene worsteling tusschen mannen, die wisten, dat zij van elkander geene genade te wachten hadden.
Ieder deed zijn best om doodelijke slagen uit te deelen, zonder zich de moeite te geven, om die, welke op hem gericht waren, af te weren, niet morrende om zijn val, zoo hij in dien val slechts zijne tegenpartij medesleepte. De gekwetsten poogden zich nog op te richten, om met hun ponjaard diegenen te treffen, welke nog vechtende waren.
Zulk een woeste strijd kon niet lang duren; al de lanceros werden afgemaakt, de generaal viel op den grond, omvergeworpen door den kapitein, die op hem viel, en hem met zijn gordel stevig knevelde, om hen allen verderen tegenstand onmogelijk te maken.
De generaal was slechts licht gewond. Om zekere redenen, die hij alleen kende, had de kapitein hem voorbedachtelijk onder het gevecht beschermd, met zijne machete de slagen, die door de bandieten op hem gericht werden, afwerende. Hij wilde zijn vijand levend in handen krijgen, en het was hem gelukt.
Al de overige Mexicanen waren wel is waar gevallen, maar de overwinning was den roovers duur te staan gekomen. Zij waren voor de grootste helft gedood.
De neger van den generaal, met een geduchte knods gewapend,[157]had zich lang verdedigd tegen hen, die zich van hem poogden meester te maken; zonder genade sloeg hij allen, die zich te dicht bij hem waagden, dood, met het moorddadig wapen, dat hij met ongemeene behendigheid hanteerde; eindelijk was men er in geslaagd hem te lasseeren en half geworgd op den grond te werpen, maar de kapitein redde hem het leven, op het oogenblik, dat een der roovers den arm oplichtte, om hem te dooden.
Zoodra de kapitein zag, dat de generaal in de onmogelijkheid was om eenige beweging te maken, slaakte hij een kreet van vreugde, en zonder er aan te denken om het bloed te stelpen, dat hem uit twee wonden stroomde, sprong hij als een tijger over het lichaam van zijn vijand, die zich machteloos aan zijne voeten kromde, en trad de tent binnen.
Deze was ledig.DoñaLuz was verdwenen. De kapitein stond als aan den grond genageld.
Wat kon er van het meisje geworden zijn?
De tent was niet groot, bijna zonder meubelen; het was onmogelijk er zich in te verbergen. Een verfrommeld bed bewees, dat, op het oogenblik van den aanval,doñaLuz nog rustig lag te sluimeren. Als een toovernimf was zij zonder eenig spoor achter te laten, verdwenen. De kapitein begreep niets van hare vlucht, daar het kamp van alle zijden te gelijk was aangevallen. Hoe zou een jong meisje, plotseling wakker geschrikt, genoeg moed en tegenwoordigheid van geest hebben gehad, om zoo vlug en zoo ongemerkt te ontsnappen, door den kring van vijanden heen, die haar omringden, en wier eerste zorg het geweest was, om al de ingangen te bewaken? Hij zocht te vergeefs naar de oplossing van dit raadsel. Stampvoetend van toorn peilde hij met zijn ponjaard de pakken, die der vluchteling tot eene tijdelijke schuilplaats hadden kunnen verstrekken, maar alles te vergeefs. Eindelijk overtuigd, dat zijne nasporingen in de tent tot niets zouden leiden, wierp hij zich naar buiten, als een wild dier overal rondloopende, verzekerd, dat, zoo het haar door een wonder gelukt was, om alleen, in den nacht, half gekleed, en onbekend met de wegen in de wildernis, te ontsnappen, hij haar spoor gemakkelijk terug zou vinden.
De plundering werd ondertusschen voortgezet met eene snelheid en met eene orde, te midden der wanorde, die de proefondervindelijke kundigheden der roovers eer aandeden.
De overwinnaars, eindelijk het moorden en stelen moede, openden met hunne ponjaards de lederen zakken mezcal, en zetten door een algemeene slemppartij de kroon op hun werk.
Eensklaps liet zich op eenigen afstand een krassend en vreeselijk geschreeuw hooren, en een hagelbui van kogels stortte op de bandieten neder. Dezen, op hunne beurt aangevallen, vlogen te wapen, en poogden zich te hereenigen. Op hetzelfde oogenblik kwam er een bende Indianen te voorschijn, die als tijgers tusschen de pakgoederen[158]sprongen, van nabij gevolgd door een troep jagers, onder de aanvoering van Edelhart, Goedsmoeds en den Zwarten Eland.
De roovers bevonden zich in een benarden toestand. De kapitein, wien het gevaar, waaraan zijne manschappen waren blootgesteld, ter harte ging, liet het vruchteloos zoeken met weêrzin varen, en zijne lieden om zich heen scharende, liet hij de twee gevangenen, die hij gemaakt had, den generaal namelijk en zijn neger, opnemen. Toen gebruik makende van de verwarring, die van een dergelijken aanval onafscheidelijk is, gaf hij aan de zijnen bevel, om zich in alle richtingen te verspreiden, ten einde des te gemakkelijker aan de slagen hunner vijanden te ontkomen.
De roovers schoten allen te gelijkertijd hunne geweren af, hetgeen onder de aanvallers eenige aarzeling teweeg bracht, en verwijderden zich toen als een troep bloeddorstige gieren, om weldra in de duisternis te verdwijnen.
De kapitein intusschen, die het laatst achtergebleven was, om den aftocht te dekken, verzuimde niet om nogmaals, terwijl hij langs de rotsen afgleed, al vluchtende en zoolang hij kon, naar de sporen van het meisje te zoeken; maar er was niets van haar te ontdekken. Teleurgesteld ging hij weg, met woede in het hart en de zwartste voornemens in het hoofd.
Edelhart door den Indiaanschen verspieder, en vooral door het verhaal van den doctor van den aanval op het kamp onderricht, was dadelijk op marsch gegaan, ten einde den Mexicanen zoo spoedig mogelijk hulp toe te brengen. Doch ongelukkig waren, ondanks de snelheid waarmede zij voortgingen, de jagers en de Comanchen te laat gekomen om de karavaan te redden.
Toen de aanvoerders der onderneming zich van de vlucht der roovers verzekerd hadden, begonnen de Arendskop en zijne manschappen hen te achtervolgen.
Edelhart, meester van het kamp gebleven zijnde, gaf bevel tot eene algemeene jacht in de naburige rotskloven en in het hooge gras, dat de bandieten nog niet den tijd hadden gehad nauwkeurig te onderzoeken, want zij waren nauwelijks het kamp binnengedrongen, of zij werden er weder uitgeslagen. Deze jacht leidde tot de ontdekking van Phebe, het kamermeisje vandoñaLuz, en van twee lanceros, die zich in een boomstam verscholen hadden, en die meer dood dan levend door den Zwarten Eland en nog eenige andere jagers werden te voorschijn gebracht. De arme drommels meenden den roovers in handen gevallen te zijn, en Edelhart had onbeschrijfelijk veel moeite om hun aan het verstand te brengen, dat de lieden die zij zagen vrienden waren, wel is waar te laat gekomen om hen te helpen, maar toch niet genegen hun eenig kwaad te doen. Zoodra zij een weinig gerust gesteld waren, trad Edelhart met hen de tent binnen, en vroeg hun een omstandig verhaal van het gebeurde.
De jongste mesties, zoodra zij zag met wie zij te doen had, kreeg[159]eensklaps al haar moed terug, en daar zij bovendien Edelhart herkende, liet zij zich lichtelijk tot praten bewegen: binnen weinige minuten bracht zij den jager op de hoogte van al de verschrikkelijke gebeurtenissen, waarvan zij getuige was geweest.
»Dus,” vroeg hij haar, »is kapitein Aguilar gedood?”
»Helaas! ja,” antwoordde het meisje met een smartelijken zucht; zij dacht aan den moed van den armen officier.
»En de generaal?” hernam de jager.
»O, de generaal,” zeide de mesties levendig, »die heeft zich geweerd als een leeuw, en hij is eerst na een heldhaftigen tegenstand gevallen.”
»Is hij dood?” vroeg Edelhart, pijnlijk aangedaan.
»O, neen,” zeide zij, »hij is maar gewond, ik heb gezien dat de bandieten hem wegdroegen, ik geloof zelfs, dat zijne wonden niet van de zwaarsten zijn, daar deladrons(dieven) hem gedurende het gevecht altijd trachtten te sparen.”
»Des te beter,” zeide de jager, en hij boog nadenkend het hoofd. Na eene korte pauze, voegde hij er aarzelend en met eenigszins bevende stem bij: »En uwe jonge meesteres, wat is daarvan geworden?”
»Mijne meesteres,doñaLuz?”
»Ja,doñaLuz, dat is geloof ik haar naam; ik zou er alles voor over hebben, om iets van haar te hooren, en te weten dat zij zich in veiligheid bevindt.”
»Dat doet zij, want zij is dicht bij u,” zeide eene welluidende stem.
EndoñaLuz trad te voorschijn, nog bleek van de aandoeningen, waaraan zij ten prooi was geweest, maar toch kalm, met een glimlach op de lippen, en met glinsterende oogen.
De omstanders konden een uitroep van verbazing niet weerhouden, toen zij zoo onverwachts dat meisje zagen verschijnen.
»O, God zij geprezen!” riep de jager uit, »onze hulp is dan niet geheel nutteloos geweest, Caballero.”
»Neen,” antwoordde zij bevallig; en liet er treurig op volgen, terwijl eene donkere wolk haar gelaat overschaduwde: »thans, nu ik hem verloren heb, die mij als een vader was, kom ik uwe bescherming inroepen.”
»Zij is u gegund, mevrouw,” zeide hij met warmte; »wat uw oom betreft, o, reken op mij; ik zal hem u teruggeven, al moest ik het met mijn leven betalen. Gij weet,” voegde hij er bij, »dat ik heden niet voor de eerste maal uwe zaak verdedig.”
Toen de eerste oogenblikken van aandoening voorbij waren, verlangde men te weten, hoe het meisje er in geslaagd was om zich aan de nasporingen der roovers te onttrekken.
DoñaLuz verhaalde wat haar overkomen was.
Het meisje had zich geheel gekleed te bed gelegd, de ongerustheid had haar wakker gehouden, een geheim voorgevoel zeide haar, dat zij op hare hoede moest zijn. Bij het door de roovers aangeheven[160]geschreeuw was zij verschrikt opgestaan, en met den eersten oogopslag had zij gezien, dat het onmogelijk was om te vluchten. Een angstigen blik om zich heen werpende, had zij eenige kleederen bemerkt, die in wanorde in eene hangmat waren geworpen en naar buiten hingen.
Toen was haar plotseling een gedachte in het hoofd gekomen. Zij had zich onder deze kleederen laten doorglijden, en zich zoo klein makende als zij kon, zich in de hangmat nedergelegd, zonder de wanorde der kleederen te verstoren. Door Gods goedheid had het opperhoofd der bandieten, toen hij overal rondzocht, er niet aan gedacht om met de hand in die schijnbaar ledige hangmat te tasten. Door dit toeval gered, had zij zich ongeveer een half uur schuil gehouden, al dien tijd in eene spanning verkeerende, die het onmogelijk is te beschrijven. De komst der jagers en de stem van Edelhart, die zij terstond herkende, hadden haar weder hoop ingeboezemd, zij had hare schuilplaats verlaten, en ongeduldig op eene gunstige gelegenheid gewacht om zich te vertoonen.
De jagers stonden verbaasd over dit eenvoudig en toch zoo treffend verhaal; zij wenschten het meisje geluk met haren moed en hare tegenwoordigheid van geest, door welke alleen zij gered was geworden.
Toen de orde in het kamp een weinig hersteld was, begaf Edelhart zich wederom naardoñaLuz.
»Mevrouw,” zeide hij, »weldra zal het dag zijn; als gij eenige uren rust zult genomen hebben, zal ik u bij mijne moeder brengen, die eene vrome vrouw is; als zij u kent, twijfel ik niet, of zij zal u als hare dochter liefhebben; daarna, als gij in veiligheid zult zijn, zal ik mijn best doen, om uwen oom op te sporen.”
Zonder de dankbetuigingen van het meisje af te wachten, maakte hij eene eerbiedige buiging voor haar en ging de tent uit.
Zoodra hij weg was, slaaktedoñaLuz een zucht, en liet zich peinzend op haar stoel nedervallen.