[Inhoud]VI.DE LAATSTE AANVAL.De achter de wallen geplaatste lanceros hadden den aanval der roovers moedig doorgestaan. De generaal, wanhopig over den dood van kapitein Aguilar, en overtuigd dat er met zulke vijanden niet te onderhandelen viel, had besloten een onverzettelijken tegenstand te bieden en zich liever te laten dooden, dan in hunne handen te vallen.De Mexicanen, daaronder gerekend de peones en gidsen, op welke[152]men zich nauwelijks verlaten kon, waren slechts ten getale van zeventien, zoo mannen als vrouwen.De roovers waren ten getale van minstens dertig.Er bestond dus een groot verschil in aantal tusschen de belegeraars en de belegerden; maar door de sterke ligging van het kamp op den top van een chaos van rotsen, viel dit verschil gedeeltelijk weg, en stonden de krachten aan beide zijden bijna gelijk.Kapitein Ouaktehno kende zeer goed al de bezwaren aan den aanval verbonden, bezwaren, die, daar de aanval thans openlijk geschiedde, bijna onoverkomelijk waren; ook had hij op eene verrassing gerekend, en vooral op het verraad van den Babbelaar. De omstandigheden alleen en zijne woede over het verlies, dat kapitein Aguilar hem berokkend had, hadden hem genoopt om den aanval te wagen.Toen echter het eerste oogenblik van drift voorbij was, en hij zag dat zijne manschappen, als overrijpe vruchten, aan alle zijden nedervielen, zonder dat hij hen kon wreken, of zonder dat zij een duim gronds wonnen, besloot hij, niet om terug te trekken, maar om de bestorming in eene belegering te veranderen, hopende dat hij gedurende den nacht gelegenheid zou vinden om een goeden slag te slaan, en in het uiterste geval, zeker zou zijn van vroeg of laat de belegerden door den honger te kunnen dwingen.Hij hield zich overtuigd, dat zij op geenerlei hulp of bijstand rekenen konden in deze prairiën, waar men slechts Indianen ontmoet, die met alle blanken in vijandschap leven, of wel jagers, die er niet van houden om zich te mengen in zaken, die hun niet aangaan.Zijn besluit eens genomen zijnde, bracht de kapitein het onmiddellijk ten uitvoer.Hij wierp een blik om zich heen: hun toestand bleef altijd dezelfde; ondanks al hunne schier bovenmenschelijke inspanning om de steile helling die naar de wallen leidde, te beklimmen, waren de roovers geen stap gevorderd.Zoodra maar iemand waagde zich te vertoonen, deed een kogel uit een der Mexicaansche karabijnen hem onmiddellijk in den afgrond storten.De kapitein gaf het teeken tot den aftocht, dat is te zeggen hij bootste het gehuil van den hond der prairiën na. Oogenblikkelijk hield het gevecht op. Deze plek, een oogenblik te voren nog zoo levendig door het geschreeuw der strijders en het losbranden der vuurwapenen, verviel eensklaps in eene doodelijke stilte. Zoodra echter de menschen hun vernielingswerk ten einde hadden gebracht, maakten de gieren, de valken en de arenden een begin met het hunne. Na de roovers, de roofvogels; zoo behoort het immers.In groote troepen dwarrelden zij als wolken om de lijken heen, waarop zij zich krassend en vechtend nederwierpen, ten aanschouwe der Mexicanen, die zich niet buiten hunne verschansingen durfden te wagen, en genoodzaakt waren toeschouwers te blijven van dit afschuwelijk feestmaal.[153]De roovers vereenigden zich in een grot, buiten het bereik van de geweren der Mexicanen, en telden hunne manschappen. Hun verlies was vreeselijk geweest; van de veertig waren er nog maar negentien. In minder dan een uur hadden zij een en twintig man verloren; meer dan de helft.De Mexicanen hadden, behalve kapitein Aguilar, noch dooden noch gekwetsten.Het verlies, dat de roovers geleden hadden, bracht hen tot nadenken. De meerderheid was van oordeel, dat men moest aftrekken, en van de voordeelen eener onderneming afzien, die met zooveel gevaren en zoovele moeielijkheden gepaard ging. De kapitein was nog meer ontmoedigd dan zijne makkers.Voorzeker, als het hem slechts te doen ware geweest om goud en edelgesteenten te veroveren, zou hij zonder aarzelen zijne plannen hebben laten varen, maar een andere, meer dringende reden noopte hem tot handelen, en spoorde hem aan, om het avontuur tot aan het einde toe voort te zetten, welke ook voor hem de gevolgen mochten zijn. De schat, dien hij begeerde, een schat van onberekenbare waarde, wasdoñaLuz, dat meisje, dat hij reeds eenmaal te Mexico uit de handen zijner bandieten had gered, en voor hetwelk hij, zijns ondanks, eene onbeteugelde liefde had opgevat. Van Mexico af volgde hij haar stap voor stap, evenals een wild dier op iedere gelegenheid loerend om een prooi meester te worden, voor welker bezit hem geen offer te zwaar, geene moeite te groot, geen gevaar te dreigend scheen.Hij putte dan ook bij zijne bandieten alle hulpmiddelen uit, die de taal schenkt aan iemand, die zich door hartstocht verblinden laat, om hen bij zich te houden, om hunnen moed op te wekken, in één woord om hen te bewegen, dat zij, alvorens zij aftrokken, nog een aanval zouden wagen.Hij had veel moeite om hen te overtuigen; gelijk meestal in zulke gevallen, waren de dappersten gedood; de overblijvenden voelden zich niet zeer gestemd om zich aan hetzelfde lot bloot te stellen. Maar door middel van beloften en bedreigingen, gelukte het den kapitein eindelijk om aan de bandieten de belofte af te persen, dat zij tot den volgenden dag aldaar blijven, en gedurende den nacht een beslissenden slag zouden wagen.Toen zij hierin overeengekomen waren, gaf Ouaktehno aan zijne manschappen bevel om zich zoo goed mogelijk te verbergen, vooral omdat zij er order toe kregen, zich niet te verroeren, welke beweging zij ook door de Mexicanen zagen maken. De kapitein hoopte door onzichtbaar te blijven, de belegerden in den waan te brengen dat de roovers, afgeschrikt door de ontzettende moeielijkheden, die zij hadden ontmoet, tot den aftocht besloten hadden, en werkelijk reeds afgetrokken waren. Dit plan was niet zonder beleid opgevat; en het verkreeg inderdaad bijna de uitkomst, die hij er van verwachtte.[154]De roodachtige gloed der ondergaande zon kleurde met zijne laatste stralen de toppen der boomen en der rotsen; de avondwind verfrischte en zuiverde de lucht, de zon verdween in een bed van purperen dampen. De stilte werd door niets gestoord dan door het krassend geschreeuw der roofvogels, die hun kannibalenfeest voortzetten, en met woedende bloeddorstigheid elkander de stukken vleesch betwistten, die zij van de lijken afscheurden.De generaal, aangedaan door het droevig schouwspel, en meenende dat kapitein Aguilar, de man wiens heldenmoed hen allen gered had, mede aan die afschuwelijke ontwijding was blootgesteld, besloot zijn lijk niet te verlaten, en, ’t mocht kosten wat het wilde, het op te zoeken en te begraven, om alzoo een laatste eerbewijs te geven aan den ongelukkigen jongeling, die niet geaarzeld had, zich voor hem op te offeren.DoñaLuz, aan wie hij zijn voornemen mededeelde, hoewel zij er de gevaren van inzag, had de kracht niet om zich er tegen te verzetten.De generaal koos vier wakkere mannen uit, en na de wallen beklommen te hebben, ging hij hun voor naar de plaats, waar het lijk van den ongelukkigen kapitein lag.De lanceros, die in het kamp gebleven waren, bewaakten de vlakte, gereed om hunnen moedigen makkers krachtdadig bijstand te bieden, in geval zij in hun vromen arbeid mochten worden gestoord.De roovers, die in de spleten der rotsen in hinderlaag lagen, verloren geene hunner bewegingen uit het oog, maar zij wachtten zich wel, hunne tegenwoordigheid te verraden.De generaal kon dus rustig den plicht volbrengen, dien hij zich had opgelegd. Het lijk van den kapitein was niet moeielijk te vinden.Het lag, half omver gevallen, aan den voet van een boom, met een pistool in de eene hand en zijne machete in de andere met opgerichten hoofde, met vasten blik en met een glimlach op de lippen, als daagde hij, nog na zijnen dood, zijne moordenaars uit. Zijn lijk was letterlijk met wonden bedekt, maar door een gelukkig toeval, dat de generaal met blijdschap opmerkte, hadden de roofvogels het tot nu toe gespaard.De lanceros legden het lijk op hunne geweren, en droegen het in gezwinden pas naar het kamp terug.De generaal liep dicht achter hen, een wakend oog houdende op de struiken en het kreupelhout.Geen blad bewoog zich; overal heerschte de grootste stilte; de roovers waren verdwenen, zonder ander spoor achter te laten als hunne dooden. De generaal hoopte, dat zijne vijanden waren afgetrokken; hij slaakte een zucht van verlichting.De nacht begon met zijne gewone snelheid te vallen, aller blikken waren gericht op de lanceros, die hun gesneuvelden officier terug brachten, niemand merkte een twintigtal schimmen op, die zwijgend over de rotsen gleden, en langzaam het kamp naderden, bij hetwelk[155]zij zich in hinderlaag legden, om van daar hunne vlammende blikken op de verdedigers der legerplaats te richten.De generaal liet het lijk op een rustbed plaatsen, dat in der haast was opgemaakt; en eene spade nemende, wilde hij zelf een kuil graven, waarin de jongeling zou worden nedergelegd.Al de lanceros schaarden zich om hem heen, leunende op hunne wapenen.De generaal ontblootte zijn hoofd, nam een gebedenboek en las overluid het doodenformulier voor, waarop zijne nicht en de omstanders het Amen uitspraken.De Generaal ontblootte zijn hoofd, bladz. 155.De Generaal ontblootte zijn hoofd, bladz. 155.Er was iets grootsch en treffends in deze eenvoudige plechtigheid, te midden der wildernis, wier duizend stemmen ook een gebed schenen te prevelen, en in het aangezicht dier grootsche natuur, waar Gods vinger zich zoo duidelijk openbaart.Die grijsaard, zooals hij daar bezig was het doodenformulier voor te lezen boven het lijk van een jongeling, even te voren nog vol levenskracht, zooals hij daar stond naast dat jonge meisje, te midden dier sombere soldaten, die er over nadachten, hoe hetzelfde lot weldra hen misschien wachten zou, maar die toch kalm en onderworpen, ijverig baden voor hem, die hun was voorgegaan; en dan dat gebed zelve, zooals het daar omhoog rees in den nacht, begeleid door het zuchten van den avondwind, die huiverend door de takken ritselde, alles herinnerde aan de eerste tijden van het Christendom, toen het, vervolgd en gedwongen zich te verschuilen, in de woestijn de wijk nam, om nader bij God te wezen.De vervulling dezer laatste plichtpleging werd door niets gestoord. Nadat elk der aanwezigen nog eenmaal van den doode afscheid genomen had, werd hij in zijn mantel gewikkeld en in den kuil nedergelaten; zijne wapens werden naast hem geplaatst en de kuil werd dicht geworpen. Eene kleine verhevenheid van den grond, die weldra weder verdwijnen zou, wees alleen de plaats aan, waar het lijk rustte van een man, wiens heldenmoed en verhevene zelfopoffering diegenen had gered, welke hem de zorg voor hun behoud toevertrouwd hadden.De omstanders gingen uiteen, vast besloten zijn dood te wreken, en in geval van nood, te doen gelijk hij.Het was nu volkomen donker geworden.De generaal deed thans voor het laatste de ronde, om zich te verzekeren, dat de wachten allen op hun post stonden, wenschte zijne nicht goeden nacht, en legde zich buiten hare tent, dwars voor den ingang neder.—Zoo gingen er drie uren in ongestoorde rust voorbij.Eensklaps begon een twintigtal mannen, als zoovele duivels, zwijgend tegen de wallen op te klauteren, en eer de verbaasde schildwachten den minsten tegenweer konden bieden, waren zij reeds bij de keel gegrepen en geworgd.Het kamp der Mexicanen was door de roovers verrast, en met hen waren roof en moord daar binnen getreden![156]
[Inhoud]VI.DE LAATSTE AANVAL.De achter de wallen geplaatste lanceros hadden den aanval der roovers moedig doorgestaan. De generaal, wanhopig over den dood van kapitein Aguilar, en overtuigd dat er met zulke vijanden niet te onderhandelen viel, had besloten een onverzettelijken tegenstand te bieden en zich liever te laten dooden, dan in hunne handen te vallen.De Mexicanen, daaronder gerekend de peones en gidsen, op welke[152]men zich nauwelijks verlaten kon, waren slechts ten getale van zeventien, zoo mannen als vrouwen.De roovers waren ten getale van minstens dertig.Er bestond dus een groot verschil in aantal tusschen de belegeraars en de belegerden; maar door de sterke ligging van het kamp op den top van een chaos van rotsen, viel dit verschil gedeeltelijk weg, en stonden de krachten aan beide zijden bijna gelijk.Kapitein Ouaktehno kende zeer goed al de bezwaren aan den aanval verbonden, bezwaren, die, daar de aanval thans openlijk geschiedde, bijna onoverkomelijk waren; ook had hij op eene verrassing gerekend, en vooral op het verraad van den Babbelaar. De omstandigheden alleen en zijne woede over het verlies, dat kapitein Aguilar hem berokkend had, hadden hem genoopt om den aanval te wagen.Toen echter het eerste oogenblik van drift voorbij was, en hij zag dat zijne manschappen, als overrijpe vruchten, aan alle zijden nedervielen, zonder dat hij hen kon wreken, of zonder dat zij een duim gronds wonnen, besloot hij, niet om terug te trekken, maar om de bestorming in eene belegering te veranderen, hopende dat hij gedurende den nacht gelegenheid zou vinden om een goeden slag te slaan, en in het uiterste geval, zeker zou zijn van vroeg of laat de belegerden door den honger te kunnen dwingen.Hij hield zich overtuigd, dat zij op geenerlei hulp of bijstand rekenen konden in deze prairiën, waar men slechts Indianen ontmoet, die met alle blanken in vijandschap leven, of wel jagers, die er niet van houden om zich te mengen in zaken, die hun niet aangaan.Zijn besluit eens genomen zijnde, bracht de kapitein het onmiddellijk ten uitvoer.Hij wierp een blik om zich heen: hun toestand bleef altijd dezelfde; ondanks al hunne schier bovenmenschelijke inspanning om de steile helling die naar de wallen leidde, te beklimmen, waren de roovers geen stap gevorderd.Zoodra maar iemand waagde zich te vertoonen, deed een kogel uit een der Mexicaansche karabijnen hem onmiddellijk in den afgrond storten.De kapitein gaf het teeken tot den aftocht, dat is te zeggen hij bootste het gehuil van den hond der prairiën na. Oogenblikkelijk hield het gevecht op. Deze plek, een oogenblik te voren nog zoo levendig door het geschreeuw der strijders en het losbranden der vuurwapenen, verviel eensklaps in eene doodelijke stilte. Zoodra echter de menschen hun vernielingswerk ten einde hadden gebracht, maakten de gieren, de valken en de arenden een begin met het hunne. Na de roovers, de roofvogels; zoo behoort het immers.In groote troepen dwarrelden zij als wolken om de lijken heen, waarop zij zich krassend en vechtend nederwierpen, ten aanschouwe der Mexicanen, die zich niet buiten hunne verschansingen durfden te wagen, en genoodzaakt waren toeschouwers te blijven van dit afschuwelijk feestmaal.[153]De roovers vereenigden zich in een grot, buiten het bereik van de geweren der Mexicanen, en telden hunne manschappen. Hun verlies was vreeselijk geweest; van de veertig waren er nog maar negentien. In minder dan een uur hadden zij een en twintig man verloren; meer dan de helft.De Mexicanen hadden, behalve kapitein Aguilar, noch dooden noch gekwetsten.Het verlies, dat de roovers geleden hadden, bracht hen tot nadenken. De meerderheid was van oordeel, dat men moest aftrekken, en van de voordeelen eener onderneming afzien, die met zooveel gevaren en zoovele moeielijkheden gepaard ging. De kapitein was nog meer ontmoedigd dan zijne makkers.Voorzeker, als het hem slechts te doen ware geweest om goud en edelgesteenten te veroveren, zou hij zonder aarzelen zijne plannen hebben laten varen, maar een andere, meer dringende reden noopte hem tot handelen, en spoorde hem aan, om het avontuur tot aan het einde toe voort te zetten, welke ook voor hem de gevolgen mochten zijn. De schat, dien hij begeerde, een schat van onberekenbare waarde, wasdoñaLuz, dat meisje, dat hij reeds eenmaal te Mexico uit de handen zijner bandieten had gered, en voor hetwelk hij, zijns ondanks, eene onbeteugelde liefde had opgevat. Van Mexico af volgde hij haar stap voor stap, evenals een wild dier op iedere gelegenheid loerend om een prooi meester te worden, voor welker bezit hem geen offer te zwaar, geene moeite te groot, geen gevaar te dreigend scheen.Hij putte dan ook bij zijne bandieten alle hulpmiddelen uit, die de taal schenkt aan iemand, die zich door hartstocht verblinden laat, om hen bij zich te houden, om hunnen moed op te wekken, in één woord om hen te bewegen, dat zij, alvorens zij aftrokken, nog een aanval zouden wagen.Hij had veel moeite om hen te overtuigen; gelijk meestal in zulke gevallen, waren de dappersten gedood; de overblijvenden voelden zich niet zeer gestemd om zich aan hetzelfde lot bloot te stellen. Maar door middel van beloften en bedreigingen, gelukte het den kapitein eindelijk om aan de bandieten de belofte af te persen, dat zij tot den volgenden dag aldaar blijven, en gedurende den nacht een beslissenden slag zouden wagen.Toen zij hierin overeengekomen waren, gaf Ouaktehno aan zijne manschappen bevel om zich zoo goed mogelijk te verbergen, vooral omdat zij er order toe kregen, zich niet te verroeren, welke beweging zij ook door de Mexicanen zagen maken. De kapitein hoopte door onzichtbaar te blijven, de belegerden in den waan te brengen dat de roovers, afgeschrikt door de ontzettende moeielijkheden, die zij hadden ontmoet, tot den aftocht besloten hadden, en werkelijk reeds afgetrokken waren. Dit plan was niet zonder beleid opgevat; en het verkreeg inderdaad bijna de uitkomst, die hij er van verwachtte.[154]De roodachtige gloed der ondergaande zon kleurde met zijne laatste stralen de toppen der boomen en der rotsen; de avondwind verfrischte en zuiverde de lucht, de zon verdween in een bed van purperen dampen. De stilte werd door niets gestoord dan door het krassend geschreeuw der roofvogels, die hun kannibalenfeest voortzetten, en met woedende bloeddorstigheid elkander de stukken vleesch betwistten, die zij van de lijken afscheurden.De generaal, aangedaan door het droevig schouwspel, en meenende dat kapitein Aguilar, de man wiens heldenmoed hen allen gered had, mede aan die afschuwelijke ontwijding was blootgesteld, besloot zijn lijk niet te verlaten, en, ’t mocht kosten wat het wilde, het op te zoeken en te begraven, om alzoo een laatste eerbewijs te geven aan den ongelukkigen jongeling, die niet geaarzeld had, zich voor hem op te offeren.DoñaLuz, aan wie hij zijn voornemen mededeelde, hoewel zij er de gevaren van inzag, had de kracht niet om zich er tegen te verzetten.De generaal koos vier wakkere mannen uit, en na de wallen beklommen te hebben, ging hij hun voor naar de plaats, waar het lijk van den ongelukkigen kapitein lag.De lanceros, die in het kamp gebleven waren, bewaakten de vlakte, gereed om hunnen moedigen makkers krachtdadig bijstand te bieden, in geval zij in hun vromen arbeid mochten worden gestoord.De roovers, die in de spleten der rotsen in hinderlaag lagen, verloren geene hunner bewegingen uit het oog, maar zij wachtten zich wel, hunne tegenwoordigheid te verraden.De generaal kon dus rustig den plicht volbrengen, dien hij zich had opgelegd. Het lijk van den kapitein was niet moeielijk te vinden.Het lag, half omver gevallen, aan den voet van een boom, met een pistool in de eene hand en zijne machete in de andere met opgerichten hoofde, met vasten blik en met een glimlach op de lippen, als daagde hij, nog na zijnen dood, zijne moordenaars uit. Zijn lijk was letterlijk met wonden bedekt, maar door een gelukkig toeval, dat de generaal met blijdschap opmerkte, hadden de roofvogels het tot nu toe gespaard.De lanceros legden het lijk op hunne geweren, en droegen het in gezwinden pas naar het kamp terug.De generaal liep dicht achter hen, een wakend oog houdende op de struiken en het kreupelhout.Geen blad bewoog zich; overal heerschte de grootste stilte; de roovers waren verdwenen, zonder ander spoor achter te laten als hunne dooden. De generaal hoopte, dat zijne vijanden waren afgetrokken; hij slaakte een zucht van verlichting.De nacht begon met zijne gewone snelheid te vallen, aller blikken waren gericht op de lanceros, die hun gesneuvelden officier terug brachten, niemand merkte een twintigtal schimmen op, die zwijgend over de rotsen gleden, en langzaam het kamp naderden, bij hetwelk[155]zij zich in hinderlaag legden, om van daar hunne vlammende blikken op de verdedigers der legerplaats te richten.De generaal liet het lijk op een rustbed plaatsen, dat in der haast was opgemaakt; en eene spade nemende, wilde hij zelf een kuil graven, waarin de jongeling zou worden nedergelegd.Al de lanceros schaarden zich om hem heen, leunende op hunne wapenen.De generaal ontblootte zijn hoofd, nam een gebedenboek en las overluid het doodenformulier voor, waarop zijne nicht en de omstanders het Amen uitspraken.De Generaal ontblootte zijn hoofd, bladz. 155.De Generaal ontblootte zijn hoofd, bladz. 155.Er was iets grootsch en treffends in deze eenvoudige plechtigheid, te midden der wildernis, wier duizend stemmen ook een gebed schenen te prevelen, en in het aangezicht dier grootsche natuur, waar Gods vinger zich zoo duidelijk openbaart.Die grijsaard, zooals hij daar bezig was het doodenformulier voor te lezen boven het lijk van een jongeling, even te voren nog vol levenskracht, zooals hij daar stond naast dat jonge meisje, te midden dier sombere soldaten, die er over nadachten, hoe hetzelfde lot weldra hen misschien wachten zou, maar die toch kalm en onderworpen, ijverig baden voor hem, die hun was voorgegaan; en dan dat gebed zelve, zooals het daar omhoog rees in den nacht, begeleid door het zuchten van den avondwind, die huiverend door de takken ritselde, alles herinnerde aan de eerste tijden van het Christendom, toen het, vervolgd en gedwongen zich te verschuilen, in de woestijn de wijk nam, om nader bij God te wezen.De vervulling dezer laatste plichtpleging werd door niets gestoord. Nadat elk der aanwezigen nog eenmaal van den doode afscheid genomen had, werd hij in zijn mantel gewikkeld en in den kuil nedergelaten; zijne wapens werden naast hem geplaatst en de kuil werd dicht geworpen. Eene kleine verhevenheid van den grond, die weldra weder verdwijnen zou, wees alleen de plaats aan, waar het lijk rustte van een man, wiens heldenmoed en verhevene zelfopoffering diegenen had gered, welke hem de zorg voor hun behoud toevertrouwd hadden.De omstanders gingen uiteen, vast besloten zijn dood te wreken, en in geval van nood, te doen gelijk hij.Het was nu volkomen donker geworden.De generaal deed thans voor het laatste de ronde, om zich te verzekeren, dat de wachten allen op hun post stonden, wenschte zijne nicht goeden nacht, en legde zich buiten hare tent, dwars voor den ingang neder.—Zoo gingen er drie uren in ongestoorde rust voorbij.Eensklaps begon een twintigtal mannen, als zoovele duivels, zwijgend tegen de wallen op te klauteren, en eer de verbaasde schildwachten den minsten tegenweer konden bieden, waren zij reeds bij de keel gegrepen en geworgd.Het kamp der Mexicanen was door de roovers verrast, en met hen waren roof en moord daar binnen getreden![156]
[Inhoud]VI.DE LAATSTE AANVAL.De achter de wallen geplaatste lanceros hadden den aanval der roovers moedig doorgestaan. De generaal, wanhopig over den dood van kapitein Aguilar, en overtuigd dat er met zulke vijanden niet te onderhandelen viel, had besloten een onverzettelijken tegenstand te bieden en zich liever te laten dooden, dan in hunne handen te vallen.De Mexicanen, daaronder gerekend de peones en gidsen, op welke[152]men zich nauwelijks verlaten kon, waren slechts ten getale van zeventien, zoo mannen als vrouwen.De roovers waren ten getale van minstens dertig.Er bestond dus een groot verschil in aantal tusschen de belegeraars en de belegerden; maar door de sterke ligging van het kamp op den top van een chaos van rotsen, viel dit verschil gedeeltelijk weg, en stonden de krachten aan beide zijden bijna gelijk.Kapitein Ouaktehno kende zeer goed al de bezwaren aan den aanval verbonden, bezwaren, die, daar de aanval thans openlijk geschiedde, bijna onoverkomelijk waren; ook had hij op eene verrassing gerekend, en vooral op het verraad van den Babbelaar. De omstandigheden alleen en zijne woede over het verlies, dat kapitein Aguilar hem berokkend had, hadden hem genoopt om den aanval te wagen.Toen echter het eerste oogenblik van drift voorbij was, en hij zag dat zijne manschappen, als overrijpe vruchten, aan alle zijden nedervielen, zonder dat hij hen kon wreken, of zonder dat zij een duim gronds wonnen, besloot hij, niet om terug te trekken, maar om de bestorming in eene belegering te veranderen, hopende dat hij gedurende den nacht gelegenheid zou vinden om een goeden slag te slaan, en in het uiterste geval, zeker zou zijn van vroeg of laat de belegerden door den honger te kunnen dwingen.Hij hield zich overtuigd, dat zij op geenerlei hulp of bijstand rekenen konden in deze prairiën, waar men slechts Indianen ontmoet, die met alle blanken in vijandschap leven, of wel jagers, die er niet van houden om zich te mengen in zaken, die hun niet aangaan.Zijn besluit eens genomen zijnde, bracht de kapitein het onmiddellijk ten uitvoer.Hij wierp een blik om zich heen: hun toestand bleef altijd dezelfde; ondanks al hunne schier bovenmenschelijke inspanning om de steile helling die naar de wallen leidde, te beklimmen, waren de roovers geen stap gevorderd.Zoodra maar iemand waagde zich te vertoonen, deed een kogel uit een der Mexicaansche karabijnen hem onmiddellijk in den afgrond storten.De kapitein gaf het teeken tot den aftocht, dat is te zeggen hij bootste het gehuil van den hond der prairiën na. Oogenblikkelijk hield het gevecht op. Deze plek, een oogenblik te voren nog zoo levendig door het geschreeuw der strijders en het losbranden der vuurwapenen, verviel eensklaps in eene doodelijke stilte. Zoodra echter de menschen hun vernielingswerk ten einde hadden gebracht, maakten de gieren, de valken en de arenden een begin met het hunne. Na de roovers, de roofvogels; zoo behoort het immers.In groote troepen dwarrelden zij als wolken om de lijken heen, waarop zij zich krassend en vechtend nederwierpen, ten aanschouwe der Mexicanen, die zich niet buiten hunne verschansingen durfden te wagen, en genoodzaakt waren toeschouwers te blijven van dit afschuwelijk feestmaal.[153]De roovers vereenigden zich in een grot, buiten het bereik van de geweren der Mexicanen, en telden hunne manschappen. Hun verlies was vreeselijk geweest; van de veertig waren er nog maar negentien. In minder dan een uur hadden zij een en twintig man verloren; meer dan de helft.De Mexicanen hadden, behalve kapitein Aguilar, noch dooden noch gekwetsten.Het verlies, dat de roovers geleden hadden, bracht hen tot nadenken. De meerderheid was van oordeel, dat men moest aftrekken, en van de voordeelen eener onderneming afzien, die met zooveel gevaren en zoovele moeielijkheden gepaard ging. De kapitein was nog meer ontmoedigd dan zijne makkers.Voorzeker, als het hem slechts te doen ware geweest om goud en edelgesteenten te veroveren, zou hij zonder aarzelen zijne plannen hebben laten varen, maar een andere, meer dringende reden noopte hem tot handelen, en spoorde hem aan, om het avontuur tot aan het einde toe voort te zetten, welke ook voor hem de gevolgen mochten zijn. De schat, dien hij begeerde, een schat van onberekenbare waarde, wasdoñaLuz, dat meisje, dat hij reeds eenmaal te Mexico uit de handen zijner bandieten had gered, en voor hetwelk hij, zijns ondanks, eene onbeteugelde liefde had opgevat. Van Mexico af volgde hij haar stap voor stap, evenals een wild dier op iedere gelegenheid loerend om een prooi meester te worden, voor welker bezit hem geen offer te zwaar, geene moeite te groot, geen gevaar te dreigend scheen.Hij putte dan ook bij zijne bandieten alle hulpmiddelen uit, die de taal schenkt aan iemand, die zich door hartstocht verblinden laat, om hen bij zich te houden, om hunnen moed op te wekken, in één woord om hen te bewegen, dat zij, alvorens zij aftrokken, nog een aanval zouden wagen.Hij had veel moeite om hen te overtuigen; gelijk meestal in zulke gevallen, waren de dappersten gedood; de overblijvenden voelden zich niet zeer gestemd om zich aan hetzelfde lot bloot te stellen. Maar door middel van beloften en bedreigingen, gelukte het den kapitein eindelijk om aan de bandieten de belofte af te persen, dat zij tot den volgenden dag aldaar blijven, en gedurende den nacht een beslissenden slag zouden wagen.Toen zij hierin overeengekomen waren, gaf Ouaktehno aan zijne manschappen bevel om zich zoo goed mogelijk te verbergen, vooral omdat zij er order toe kregen, zich niet te verroeren, welke beweging zij ook door de Mexicanen zagen maken. De kapitein hoopte door onzichtbaar te blijven, de belegerden in den waan te brengen dat de roovers, afgeschrikt door de ontzettende moeielijkheden, die zij hadden ontmoet, tot den aftocht besloten hadden, en werkelijk reeds afgetrokken waren. Dit plan was niet zonder beleid opgevat; en het verkreeg inderdaad bijna de uitkomst, die hij er van verwachtte.[154]De roodachtige gloed der ondergaande zon kleurde met zijne laatste stralen de toppen der boomen en der rotsen; de avondwind verfrischte en zuiverde de lucht, de zon verdween in een bed van purperen dampen. De stilte werd door niets gestoord dan door het krassend geschreeuw der roofvogels, die hun kannibalenfeest voortzetten, en met woedende bloeddorstigheid elkander de stukken vleesch betwistten, die zij van de lijken afscheurden.De generaal, aangedaan door het droevig schouwspel, en meenende dat kapitein Aguilar, de man wiens heldenmoed hen allen gered had, mede aan die afschuwelijke ontwijding was blootgesteld, besloot zijn lijk niet te verlaten, en, ’t mocht kosten wat het wilde, het op te zoeken en te begraven, om alzoo een laatste eerbewijs te geven aan den ongelukkigen jongeling, die niet geaarzeld had, zich voor hem op te offeren.DoñaLuz, aan wie hij zijn voornemen mededeelde, hoewel zij er de gevaren van inzag, had de kracht niet om zich er tegen te verzetten.De generaal koos vier wakkere mannen uit, en na de wallen beklommen te hebben, ging hij hun voor naar de plaats, waar het lijk van den ongelukkigen kapitein lag.De lanceros, die in het kamp gebleven waren, bewaakten de vlakte, gereed om hunnen moedigen makkers krachtdadig bijstand te bieden, in geval zij in hun vromen arbeid mochten worden gestoord.De roovers, die in de spleten der rotsen in hinderlaag lagen, verloren geene hunner bewegingen uit het oog, maar zij wachtten zich wel, hunne tegenwoordigheid te verraden.De generaal kon dus rustig den plicht volbrengen, dien hij zich had opgelegd. Het lijk van den kapitein was niet moeielijk te vinden.Het lag, half omver gevallen, aan den voet van een boom, met een pistool in de eene hand en zijne machete in de andere met opgerichten hoofde, met vasten blik en met een glimlach op de lippen, als daagde hij, nog na zijnen dood, zijne moordenaars uit. Zijn lijk was letterlijk met wonden bedekt, maar door een gelukkig toeval, dat de generaal met blijdschap opmerkte, hadden de roofvogels het tot nu toe gespaard.De lanceros legden het lijk op hunne geweren, en droegen het in gezwinden pas naar het kamp terug.De generaal liep dicht achter hen, een wakend oog houdende op de struiken en het kreupelhout.Geen blad bewoog zich; overal heerschte de grootste stilte; de roovers waren verdwenen, zonder ander spoor achter te laten als hunne dooden. De generaal hoopte, dat zijne vijanden waren afgetrokken; hij slaakte een zucht van verlichting.De nacht begon met zijne gewone snelheid te vallen, aller blikken waren gericht op de lanceros, die hun gesneuvelden officier terug brachten, niemand merkte een twintigtal schimmen op, die zwijgend over de rotsen gleden, en langzaam het kamp naderden, bij hetwelk[155]zij zich in hinderlaag legden, om van daar hunne vlammende blikken op de verdedigers der legerplaats te richten.De generaal liet het lijk op een rustbed plaatsen, dat in der haast was opgemaakt; en eene spade nemende, wilde hij zelf een kuil graven, waarin de jongeling zou worden nedergelegd.Al de lanceros schaarden zich om hem heen, leunende op hunne wapenen.De generaal ontblootte zijn hoofd, nam een gebedenboek en las overluid het doodenformulier voor, waarop zijne nicht en de omstanders het Amen uitspraken.De Generaal ontblootte zijn hoofd, bladz. 155.De Generaal ontblootte zijn hoofd, bladz. 155.Er was iets grootsch en treffends in deze eenvoudige plechtigheid, te midden der wildernis, wier duizend stemmen ook een gebed schenen te prevelen, en in het aangezicht dier grootsche natuur, waar Gods vinger zich zoo duidelijk openbaart.Die grijsaard, zooals hij daar bezig was het doodenformulier voor te lezen boven het lijk van een jongeling, even te voren nog vol levenskracht, zooals hij daar stond naast dat jonge meisje, te midden dier sombere soldaten, die er over nadachten, hoe hetzelfde lot weldra hen misschien wachten zou, maar die toch kalm en onderworpen, ijverig baden voor hem, die hun was voorgegaan; en dan dat gebed zelve, zooals het daar omhoog rees in den nacht, begeleid door het zuchten van den avondwind, die huiverend door de takken ritselde, alles herinnerde aan de eerste tijden van het Christendom, toen het, vervolgd en gedwongen zich te verschuilen, in de woestijn de wijk nam, om nader bij God te wezen.De vervulling dezer laatste plichtpleging werd door niets gestoord. Nadat elk der aanwezigen nog eenmaal van den doode afscheid genomen had, werd hij in zijn mantel gewikkeld en in den kuil nedergelaten; zijne wapens werden naast hem geplaatst en de kuil werd dicht geworpen. Eene kleine verhevenheid van den grond, die weldra weder verdwijnen zou, wees alleen de plaats aan, waar het lijk rustte van een man, wiens heldenmoed en verhevene zelfopoffering diegenen had gered, welke hem de zorg voor hun behoud toevertrouwd hadden.De omstanders gingen uiteen, vast besloten zijn dood te wreken, en in geval van nood, te doen gelijk hij.Het was nu volkomen donker geworden.De generaal deed thans voor het laatste de ronde, om zich te verzekeren, dat de wachten allen op hun post stonden, wenschte zijne nicht goeden nacht, en legde zich buiten hare tent, dwars voor den ingang neder.—Zoo gingen er drie uren in ongestoorde rust voorbij.Eensklaps begon een twintigtal mannen, als zoovele duivels, zwijgend tegen de wallen op te klauteren, en eer de verbaasde schildwachten den minsten tegenweer konden bieden, waren zij reeds bij de keel gegrepen en geworgd.Het kamp der Mexicanen was door de roovers verrast, en met hen waren roof en moord daar binnen getreden![156]
VI.DE LAATSTE AANVAL.
De achter de wallen geplaatste lanceros hadden den aanval der roovers moedig doorgestaan. De generaal, wanhopig over den dood van kapitein Aguilar, en overtuigd dat er met zulke vijanden niet te onderhandelen viel, had besloten een onverzettelijken tegenstand te bieden en zich liever te laten dooden, dan in hunne handen te vallen.De Mexicanen, daaronder gerekend de peones en gidsen, op welke[152]men zich nauwelijks verlaten kon, waren slechts ten getale van zeventien, zoo mannen als vrouwen.De roovers waren ten getale van minstens dertig.Er bestond dus een groot verschil in aantal tusschen de belegeraars en de belegerden; maar door de sterke ligging van het kamp op den top van een chaos van rotsen, viel dit verschil gedeeltelijk weg, en stonden de krachten aan beide zijden bijna gelijk.Kapitein Ouaktehno kende zeer goed al de bezwaren aan den aanval verbonden, bezwaren, die, daar de aanval thans openlijk geschiedde, bijna onoverkomelijk waren; ook had hij op eene verrassing gerekend, en vooral op het verraad van den Babbelaar. De omstandigheden alleen en zijne woede over het verlies, dat kapitein Aguilar hem berokkend had, hadden hem genoopt om den aanval te wagen.Toen echter het eerste oogenblik van drift voorbij was, en hij zag dat zijne manschappen, als overrijpe vruchten, aan alle zijden nedervielen, zonder dat hij hen kon wreken, of zonder dat zij een duim gronds wonnen, besloot hij, niet om terug te trekken, maar om de bestorming in eene belegering te veranderen, hopende dat hij gedurende den nacht gelegenheid zou vinden om een goeden slag te slaan, en in het uiterste geval, zeker zou zijn van vroeg of laat de belegerden door den honger te kunnen dwingen.Hij hield zich overtuigd, dat zij op geenerlei hulp of bijstand rekenen konden in deze prairiën, waar men slechts Indianen ontmoet, die met alle blanken in vijandschap leven, of wel jagers, die er niet van houden om zich te mengen in zaken, die hun niet aangaan.Zijn besluit eens genomen zijnde, bracht de kapitein het onmiddellijk ten uitvoer.Hij wierp een blik om zich heen: hun toestand bleef altijd dezelfde; ondanks al hunne schier bovenmenschelijke inspanning om de steile helling die naar de wallen leidde, te beklimmen, waren de roovers geen stap gevorderd.Zoodra maar iemand waagde zich te vertoonen, deed een kogel uit een der Mexicaansche karabijnen hem onmiddellijk in den afgrond storten.De kapitein gaf het teeken tot den aftocht, dat is te zeggen hij bootste het gehuil van den hond der prairiën na. Oogenblikkelijk hield het gevecht op. Deze plek, een oogenblik te voren nog zoo levendig door het geschreeuw der strijders en het losbranden der vuurwapenen, verviel eensklaps in eene doodelijke stilte. Zoodra echter de menschen hun vernielingswerk ten einde hadden gebracht, maakten de gieren, de valken en de arenden een begin met het hunne. Na de roovers, de roofvogels; zoo behoort het immers.In groote troepen dwarrelden zij als wolken om de lijken heen, waarop zij zich krassend en vechtend nederwierpen, ten aanschouwe der Mexicanen, die zich niet buiten hunne verschansingen durfden te wagen, en genoodzaakt waren toeschouwers te blijven van dit afschuwelijk feestmaal.[153]De roovers vereenigden zich in een grot, buiten het bereik van de geweren der Mexicanen, en telden hunne manschappen. Hun verlies was vreeselijk geweest; van de veertig waren er nog maar negentien. In minder dan een uur hadden zij een en twintig man verloren; meer dan de helft.De Mexicanen hadden, behalve kapitein Aguilar, noch dooden noch gekwetsten.Het verlies, dat de roovers geleden hadden, bracht hen tot nadenken. De meerderheid was van oordeel, dat men moest aftrekken, en van de voordeelen eener onderneming afzien, die met zooveel gevaren en zoovele moeielijkheden gepaard ging. De kapitein was nog meer ontmoedigd dan zijne makkers.Voorzeker, als het hem slechts te doen ware geweest om goud en edelgesteenten te veroveren, zou hij zonder aarzelen zijne plannen hebben laten varen, maar een andere, meer dringende reden noopte hem tot handelen, en spoorde hem aan, om het avontuur tot aan het einde toe voort te zetten, welke ook voor hem de gevolgen mochten zijn. De schat, dien hij begeerde, een schat van onberekenbare waarde, wasdoñaLuz, dat meisje, dat hij reeds eenmaal te Mexico uit de handen zijner bandieten had gered, en voor hetwelk hij, zijns ondanks, eene onbeteugelde liefde had opgevat. Van Mexico af volgde hij haar stap voor stap, evenals een wild dier op iedere gelegenheid loerend om een prooi meester te worden, voor welker bezit hem geen offer te zwaar, geene moeite te groot, geen gevaar te dreigend scheen.Hij putte dan ook bij zijne bandieten alle hulpmiddelen uit, die de taal schenkt aan iemand, die zich door hartstocht verblinden laat, om hen bij zich te houden, om hunnen moed op te wekken, in één woord om hen te bewegen, dat zij, alvorens zij aftrokken, nog een aanval zouden wagen.Hij had veel moeite om hen te overtuigen; gelijk meestal in zulke gevallen, waren de dappersten gedood; de overblijvenden voelden zich niet zeer gestemd om zich aan hetzelfde lot bloot te stellen. Maar door middel van beloften en bedreigingen, gelukte het den kapitein eindelijk om aan de bandieten de belofte af te persen, dat zij tot den volgenden dag aldaar blijven, en gedurende den nacht een beslissenden slag zouden wagen.Toen zij hierin overeengekomen waren, gaf Ouaktehno aan zijne manschappen bevel om zich zoo goed mogelijk te verbergen, vooral omdat zij er order toe kregen, zich niet te verroeren, welke beweging zij ook door de Mexicanen zagen maken. De kapitein hoopte door onzichtbaar te blijven, de belegerden in den waan te brengen dat de roovers, afgeschrikt door de ontzettende moeielijkheden, die zij hadden ontmoet, tot den aftocht besloten hadden, en werkelijk reeds afgetrokken waren. Dit plan was niet zonder beleid opgevat; en het verkreeg inderdaad bijna de uitkomst, die hij er van verwachtte.[154]De roodachtige gloed der ondergaande zon kleurde met zijne laatste stralen de toppen der boomen en der rotsen; de avondwind verfrischte en zuiverde de lucht, de zon verdween in een bed van purperen dampen. De stilte werd door niets gestoord dan door het krassend geschreeuw der roofvogels, die hun kannibalenfeest voortzetten, en met woedende bloeddorstigheid elkander de stukken vleesch betwistten, die zij van de lijken afscheurden.De generaal, aangedaan door het droevig schouwspel, en meenende dat kapitein Aguilar, de man wiens heldenmoed hen allen gered had, mede aan die afschuwelijke ontwijding was blootgesteld, besloot zijn lijk niet te verlaten, en, ’t mocht kosten wat het wilde, het op te zoeken en te begraven, om alzoo een laatste eerbewijs te geven aan den ongelukkigen jongeling, die niet geaarzeld had, zich voor hem op te offeren.DoñaLuz, aan wie hij zijn voornemen mededeelde, hoewel zij er de gevaren van inzag, had de kracht niet om zich er tegen te verzetten.De generaal koos vier wakkere mannen uit, en na de wallen beklommen te hebben, ging hij hun voor naar de plaats, waar het lijk van den ongelukkigen kapitein lag.De lanceros, die in het kamp gebleven waren, bewaakten de vlakte, gereed om hunnen moedigen makkers krachtdadig bijstand te bieden, in geval zij in hun vromen arbeid mochten worden gestoord.De roovers, die in de spleten der rotsen in hinderlaag lagen, verloren geene hunner bewegingen uit het oog, maar zij wachtten zich wel, hunne tegenwoordigheid te verraden.De generaal kon dus rustig den plicht volbrengen, dien hij zich had opgelegd. Het lijk van den kapitein was niet moeielijk te vinden.Het lag, half omver gevallen, aan den voet van een boom, met een pistool in de eene hand en zijne machete in de andere met opgerichten hoofde, met vasten blik en met een glimlach op de lippen, als daagde hij, nog na zijnen dood, zijne moordenaars uit. Zijn lijk was letterlijk met wonden bedekt, maar door een gelukkig toeval, dat de generaal met blijdschap opmerkte, hadden de roofvogels het tot nu toe gespaard.De lanceros legden het lijk op hunne geweren, en droegen het in gezwinden pas naar het kamp terug.De generaal liep dicht achter hen, een wakend oog houdende op de struiken en het kreupelhout.Geen blad bewoog zich; overal heerschte de grootste stilte; de roovers waren verdwenen, zonder ander spoor achter te laten als hunne dooden. De generaal hoopte, dat zijne vijanden waren afgetrokken; hij slaakte een zucht van verlichting.De nacht begon met zijne gewone snelheid te vallen, aller blikken waren gericht op de lanceros, die hun gesneuvelden officier terug brachten, niemand merkte een twintigtal schimmen op, die zwijgend over de rotsen gleden, en langzaam het kamp naderden, bij hetwelk[155]zij zich in hinderlaag legden, om van daar hunne vlammende blikken op de verdedigers der legerplaats te richten.De generaal liet het lijk op een rustbed plaatsen, dat in der haast was opgemaakt; en eene spade nemende, wilde hij zelf een kuil graven, waarin de jongeling zou worden nedergelegd.Al de lanceros schaarden zich om hem heen, leunende op hunne wapenen.De generaal ontblootte zijn hoofd, nam een gebedenboek en las overluid het doodenformulier voor, waarop zijne nicht en de omstanders het Amen uitspraken.De Generaal ontblootte zijn hoofd, bladz. 155.De Generaal ontblootte zijn hoofd, bladz. 155.Er was iets grootsch en treffends in deze eenvoudige plechtigheid, te midden der wildernis, wier duizend stemmen ook een gebed schenen te prevelen, en in het aangezicht dier grootsche natuur, waar Gods vinger zich zoo duidelijk openbaart.Die grijsaard, zooals hij daar bezig was het doodenformulier voor te lezen boven het lijk van een jongeling, even te voren nog vol levenskracht, zooals hij daar stond naast dat jonge meisje, te midden dier sombere soldaten, die er over nadachten, hoe hetzelfde lot weldra hen misschien wachten zou, maar die toch kalm en onderworpen, ijverig baden voor hem, die hun was voorgegaan; en dan dat gebed zelve, zooals het daar omhoog rees in den nacht, begeleid door het zuchten van den avondwind, die huiverend door de takken ritselde, alles herinnerde aan de eerste tijden van het Christendom, toen het, vervolgd en gedwongen zich te verschuilen, in de woestijn de wijk nam, om nader bij God te wezen.De vervulling dezer laatste plichtpleging werd door niets gestoord. Nadat elk der aanwezigen nog eenmaal van den doode afscheid genomen had, werd hij in zijn mantel gewikkeld en in den kuil nedergelaten; zijne wapens werden naast hem geplaatst en de kuil werd dicht geworpen. Eene kleine verhevenheid van den grond, die weldra weder verdwijnen zou, wees alleen de plaats aan, waar het lijk rustte van een man, wiens heldenmoed en verhevene zelfopoffering diegenen had gered, welke hem de zorg voor hun behoud toevertrouwd hadden.De omstanders gingen uiteen, vast besloten zijn dood te wreken, en in geval van nood, te doen gelijk hij.Het was nu volkomen donker geworden.De generaal deed thans voor het laatste de ronde, om zich te verzekeren, dat de wachten allen op hun post stonden, wenschte zijne nicht goeden nacht, en legde zich buiten hare tent, dwars voor den ingang neder.—Zoo gingen er drie uren in ongestoorde rust voorbij.Eensklaps begon een twintigtal mannen, als zoovele duivels, zwijgend tegen de wallen op te klauteren, en eer de verbaasde schildwachten den minsten tegenweer konden bieden, waren zij reeds bij de keel gegrepen en geworgd.Het kamp der Mexicanen was door de roovers verrast, en met hen waren roof en moord daar binnen getreden![156]
De achter de wallen geplaatste lanceros hadden den aanval der roovers moedig doorgestaan. De generaal, wanhopig over den dood van kapitein Aguilar, en overtuigd dat er met zulke vijanden niet te onderhandelen viel, had besloten een onverzettelijken tegenstand te bieden en zich liever te laten dooden, dan in hunne handen te vallen.
De Mexicanen, daaronder gerekend de peones en gidsen, op welke[152]men zich nauwelijks verlaten kon, waren slechts ten getale van zeventien, zoo mannen als vrouwen.
De roovers waren ten getale van minstens dertig.
Er bestond dus een groot verschil in aantal tusschen de belegeraars en de belegerden; maar door de sterke ligging van het kamp op den top van een chaos van rotsen, viel dit verschil gedeeltelijk weg, en stonden de krachten aan beide zijden bijna gelijk.
Kapitein Ouaktehno kende zeer goed al de bezwaren aan den aanval verbonden, bezwaren, die, daar de aanval thans openlijk geschiedde, bijna onoverkomelijk waren; ook had hij op eene verrassing gerekend, en vooral op het verraad van den Babbelaar. De omstandigheden alleen en zijne woede over het verlies, dat kapitein Aguilar hem berokkend had, hadden hem genoopt om den aanval te wagen.
Toen echter het eerste oogenblik van drift voorbij was, en hij zag dat zijne manschappen, als overrijpe vruchten, aan alle zijden nedervielen, zonder dat hij hen kon wreken, of zonder dat zij een duim gronds wonnen, besloot hij, niet om terug te trekken, maar om de bestorming in eene belegering te veranderen, hopende dat hij gedurende den nacht gelegenheid zou vinden om een goeden slag te slaan, en in het uiterste geval, zeker zou zijn van vroeg of laat de belegerden door den honger te kunnen dwingen.
Hij hield zich overtuigd, dat zij op geenerlei hulp of bijstand rekenen konden in deze prairiën, waar men slechts Indianen ontmoet, die met alle blanken in vijandschap leven, of wel jagers, die er niet van houden om zich te mengen in zaken, die hun niet aangaan.
Zijn besluit eens genomen zijnde, bracht de kapitein het onmiddellijk ten uitvoer.
Hij wierp een blik om zich heen: hun toestand bleef altijd dezelfde; ondanks al hunne schier bovenmenschelijke inspanning om de steile helling die naar de wallen leidde, te beklimmen, waren de roovers geen stap gevorderd.
Zoodra maar iemand waagde zich te vertoonen, deed een kogel uit een der Mexicaansche karabijnen hem onmiddellijk in den afgrond storten.
De kapitein gaf het teeken tot den aftocht, dat is te zeggen hij bootste het gehuil van den hond der prairiën na. Oogenblikkelijk hield het gevecht op. Deze plek, een oogenblik te voren nog zoo levendig door het geschreeuw der strijders en het losbranden der vuurwapenen, verviel eensklaps in eene doodelijke stilte. Zoodra echter de menschen hun vernielingswerk ten einde hadden gebracht, maakten de gieren, de valken en de arenden een begin met het hunne. Na de roovers, de roofvogels; zoo behoort het immers.
In groote troepen dwarrelden zij als wolken om de lijken heen, waarop zij zich krassend en vechtend nederwierpen, ten aanschouwe der Mexicanen, die zich niet buiten hunne verschansingen durfden te wagen, en genoodzaakt waren toeschouwers te blijven van dit afschuwelijk feestmaal.[153]
De roovers vereenigden zich in een grot, buiten het bereik van de geweren der Mexicanen, en telden hunne manschappen. Hun verlies was vreeselijk geweest; van de veertig waren er nog maar negentien. In minder dan een uur hadden zij een en twintig man verloren; meer dan de helft.
De Mexicanen hadden, behalve kapitein Aguilar, noch dooden noch gekwetsten.
Het verlies, dat de roovers geleden hadden, bracht hen tot nadenken. De meerderheid was van oordeel, dat men moest aftrekken, en van de voordeelen eener onderneming afzien, die met zooveel gevaren en zoovele moeielijkheden gepaard ging. De kapitein was nog meer ontmoedigd dan zijne makkers.
Voorzeker, als het hem slechts te doen ware geweest om goud en edelgesteenten te veroveren, zou hij zonder aarzelen zijne plannen hebben laten varen, maar een andere, meer dringende reden noopte hem tot handelen, en spoorde hem aan, om het avontuur tot aan het einde toe voort te zetten, welke ook voor hem de gevolgen mochten zijn. De schat, dien hij begeerde, een schat van onberekenbare waarde, wasdoñaLuz, dat meisje, dat hij reeds eenmaal te Mexico uit de handen zijner bandieten had gered, en voor hetwelk hij, zijns ondanks, eene onbeteugelde liefde had opgevat. Van Mexico af volgde hij haar stap voor stap, evenals een wild dier op iedere gelegenheid loerend om een prooi meester te worden, voor welker bezit hem geen offer te zwaar, geene moeite te groot, geen gevaar te dreigend scheen.
Hij putte dan ook bij zijne bandieten alle hulpmiddelen uit, die de taal schenkt aan iemand, die zich door hartstocht verblinden laat, om hen bij zich te houden, om hunnen moed op te wekken, in één woord om hen te bewegen, dat zij, alvorens zij aftrokken, nog een aanval zouden wagen.
Hij had veel moeite om hen te overtuigen; gelijk meestal in zulke gevallen, waren de dappersten gedood; de overblijvenden voelden zich niet zeer gestemd om zich aan hetzelfde lot bloot te stellen. Maar door middel van beloften en bedreigingen, gelukte het den kapitein eindelijk om aan de bandieten de belofte af te persen, dat zij tot den volgenden dag aldaar blijven, en gedurende den nacht een beslissenden slag zouden wagen.
Toen zij hierin overeengekomen waren, gaf Ouaktehno aan zijne manschappen bevel om zich zoo goed mogelijk te verbergen, vooral omdat zij er order toe kregen, zich niet te verroeren, welke beweging zij ook door de Mexicanen zagen maken. De kapitein hoopte door onzichtbaar te blijven, de belegerden in den waan te brengen dat de roovers, afgeschrikt door de ontzettende moeielijkheden, die zij hadden ontmoet, tot den aftocht besloten hadden, en werkelijk reeds afgetrokken waren. Dit plan was niet zonder beleid opgevat; en het verkreeg inderdaad bijna de uitkomst, die hij er van verwachtte.[154]
De roodachtige gloed der ondergaande zon kleurde met zijne laatste stralen de toppen der boomen en der rotsen; de avondwind verfrischte en zuiverde de lucht, de zon verdween in een bed van purperen dampen. De stilte werd door niets gestoord dan door het krassend geschreeuw der roofvogels, die hun kannibalenfeest voortzetten, en met woedende bloeddorstigheid elkander de stukken vleesch betwistten, die zij van de lijken afscheurden.
De generaal, aangedaan door het droevig schouwspel, en meenende dat kapitein Aguilar, de man wiens heldenmoed hen allen gered had, mede aan die afschuwelijke ontwijding was blootgesteld, besloot zijn lijk niet te verlaten, en, ’t mocht kosten wat het wilde, het op te zoeken en te begraven, om alzoo een laatste eerbewijs te geven aan den ongelukkigen jongeling, die niet geaarzeld had, zich voor hem op te offeren.DoñaLuz, aan wie hij zijn voornemen mededeelde, hoewel zij er de gevaren van inzag, had de kracht niet om zich er tegen te verzetten.
De generaal koos vier wakkere mannen uit, en na de wallen beklommen te hebben, ging hij hun voor naar de plaats, waar het lijk van den ongelukkigen kapitein lag.
De lanceros, die in het kamp gebleven waren, bewaakten de vlakte, gereed om hunnen moedigen makkers krachtdadig bijstand te bieden, in geval zij in hun vromen arbeid mochten worden gestoord.
De roovers, die in de spleten der rotsen in hinderlaag lagen, verloren geene hunner bewegingen uit het oog, maar zij wachtten zich wel, hunne tegenwoordigheid te verraden.
De generaal kon dus rustig den plicht volbrengen, dien hij zich had opgelegd. Het lijk van den kapitein was niet moeielijk te vinden.
Het lag, half omver gevallen, aan den voet van een boom, met een pistool in de eene hand en zijne machete in de andere met opgerichten hoofde, met vasten blik en met een glimlach op de lippen, als daagde hij, nog na zijnen dood, zijne moordenaars uit. Zijn lijk was letterlijk met wonden bedekt, maar door een gelukkig toeval, dat de generaal met blijdschap opmerkte, hadden de roofvogels het tot nu toe gespaard.
De lanceros legden het lijk op hunne geweren, en droegen het in gezwinden pas naar het kamp terug.
De generaal liep dicht achter hen, een wakend oog houdende op de struiken en het kreupelhout.
Geen blad bewoog zich; overal heerschte de grootste stilte; de roovers waren verdwenen, zonder ander spoor achter te laten als hunne dooden. De generaal hoopte, dat zijne vijanden waren afgetrokken; hij slaakte een zucht van verlichting.
De nacht begon met zijne gewone snelheid te vallen, aller blikken waren gericht op de lanceros, die hun gesneuvelden officier terug brachten, niemand merkte een twintigtal schimmen op, die zwijgend over de rotsen gleden, en langzaam het kamp naderden, bij hetwelk[155]zij zich in hinderlaag legden, om van daar hunne vlammende blikken op de verdedigers der legerplaats te richten.
De generaal liet het lijk op een rustbed plaatsen, dat in der haast was opgemaakt; en eene spade nemende, wilde hij zelf een kuil graven, waarin de jongeling zou worden nedergelegd.
Al de lanceros schaarden zich om hem heen, leunende op hunne wapenen.
De generaal ontblootte zijn hoofd, nam een gebedenboek en las overluid het doodenformulier voor, waarop zijne nicht en de omstanders het Amen uitspraken.
De Generaal ontblootte zijn hoofd, bladz. 155.De Generaal ontblootte zijn hoofd, bladz. 155.
De Generaal ontblootte zijn hoofd, bladz. 155.
Er was iets grootsch en treffends in deze eenvoudige plechtigheid, te midden der wildernis, wier duizend stemmen ook een gebed schenen te prevelen, en in het aangezicht dier grootsche natuur, waar Gods vinger zich zoo duidelijk openbaart.
Die grijsaard, zooals hij daar bezig was het doodenformulier voor te lezen boven het lijk van een jongeling, even te voren nog vol levenskracht, zooals hij daar stond naast dat jonge meisje, te midden dier sombere soldaten, die er over nadachten, hoe hetzelfde lot weldra hen misschien wachten zou, maar die toch kalm en onderworpen, ijverig baden voor hem, die hun was voorgegaan; en dan dat gebed zelve, zooals het daar omhoog rees in den nacht, begeleid door het zuchten van den avondwind, die huiverend door de takken ritselde, alles herinnerde aan de eerste tijden van het Christendom, toen het, vervolgd en gedwongen zich te verschuilen, in de woestijn de wijk nam, om nader bij God te wezen.
De vervulling dezer laatste plichtpleging werd door niets gestoord. Nadat elk der aanwezigen nog eenmaal van den doode afscheid genomen had, werd hij in zijn mantel gewikkeld en in den kuil nedergelaten; zijne wapens werden naast hem geplaatst en de kuil werd dicht geworpen. Eene kleine verhevenheid van den grond, die weldra weder verdwijnen zou, wees alleen de plaats aan, waar het lijk rustte van een man, wiens heldenmoed en verhevene zelfopoffering diegenen had gered, welke hem de zorg voor hun behoud toevertrouwd hadden.
De omstanders gingen uiteen, vast besloten zijn dood te wreken, en in geval van nood, te doen gelijk hij.
Het was nu volkomen donker geworden.
De generaal deed thans voor het laatste de ronde, om zich te verzekeren, dat de wachten allen op hun post stonden, wenschte zijne nicht goeden nacht, en legde zich buiten hare tent, dwars voor den ingang neder.—Zoo gingen er drie uren in ongestoorde rust voorbij.
Eensklaps begon een twintigtal mannen, als zoovele duivels, zwijgend tegen de wallen op te klauteren, en eer de verbaasde schildwachten den minsten tegenweer konden bieden, waren zij reeds bij de keel gegrepen en geworgd.
Het kamp der Mexicanen was door de roovers verrast, en met hen waren roof en moord daar binnen getreden![156]