XI.

[Inhoud]XI.DE KOOP.De Indianen en de woudloopers hebben twee talen, waarvan zij zich beurtelings, naar gelang der omstandigheden bedienen, de spreektaal namelijk en de gebarentaal. Evenals de spreektaal heeft ook de gebarentaal in Amerika tallooze verscheidenheden; ieder heeft om zoo te zeggen, een eigen dialect. Het is een samenstel van zonderlinge en geheimzinnige gebaren, een soort van vrijmetselaars-telegraphie, waarvan de teekenen, die gedurig en willekeurig afwisselen, alleen kunnen begrepen worden door een klein aantal ingewijden.De Babbelaar en zijn medgezel onderhielden zich op die wijze. Dit zonderlinge gesprek duurde bijna een uur; het scheen hun veel belang in te boezemen, zooveel zelfs, dat zij ondanks de uiterste[75]voorzorgen, die zij genomen hadden om niet overvallen te worden, niet bemerkten hoe twee schitterende oogen, uit het midden van eenig struikgewas, onafgewend op hen gericht bleven.»Nu,” zeide de Babbelaar, eindelijk eenige woorden uitsprekende, »ik laat den tijd aan u over.”»En gij zult niet lang behoeven te wachten,” antwoordde de ander.»Ik reken op u, Kennedy; wat mij betreft, ik zal mijn woord houden.”»’t Is goed, ’t is goed; men heeft zooveel woorden niet noodig, om elkander te verstaan,” zeide Kennedy de schouders ophalend; »alleen hadt gij hen op een minder sterke plaats kunnen brengen, het zal niet gemakkelijk zijn, om hen hier te overvallen.”»Dat is uwe zaak,” zeide de Babbelaar met een kwaadaardigen lach.Zijn makker zag hem een oogenblik aandachtig aan.»Hm!” zeide hij, »pas op,Compadre, het is nooit goed, om met menschen als wij, een dubbelzinnige rol te spelen.”»Ik speel geen dubbelzinnige rol, maar wij kennen elkander sinds lang, niet waar, Kennedy?”»Wat zou dat?”»Wel, ik wil niet dat mij nu wederom gebeure, wat mij reeds eenmaal gebeurd is; ziedaar alles.”»Zoudt gij terugtreden, of wel, zoudt ge er aan denken om ons te verraden?”»Ik treed niet terug, en ik heb volstrekt geen plan om u te verraden, maar …”»Nu, maar?”»Ditmaal wil ik u het beloofde niet geven, dan alvorens mijne voorwaarden geheel zullen zijn aangenomen.”»Dat is ten minste oprecht gesproken.”»In zaken moet men openhartig te werk gaan,” merkte de Babbelaar op.»Dat is zoo; welnu, herhaal mij uwe voorwaarden, ik zal zien, of wij ze kunnen aannemen.”»Waartoe zou dat dienen? gij zijt toch het opperhoofd niet, is het wel?”»Neen, maar toch …”»Gij zoudt er dus niets aan kunnen doen, en derhalve zou het tot niets leiden. O, alsOuaktehno(hij die doodt) maar hier ware, dan zou het een andere zaak zijn; ik weet zeker dat wij elkander spoedig zouden verstaan.”»Spreek dan, want hij hoort u,” riep op eens een zware en heldere stem.Er volgde eenig gedruisch in de struiken, en de persoon, die tot nu toe onzichtbaar getuige was geweest van het gesprek der twee mannen, begreep zonder twijfel, dat thans het geschikte oogenblik gekomen was om er deel aan te nemen, want met één sprong kwam[76]hij uit de takken, die hem verborgen hadden, te voorschijn, en plaatste hij zich tusschen de sprekers in.»O, o! gij hebt ons afgeluisterd, kapitein Ouaktehno,” zeide de Babbelaar, in het minst niet van zijn stuk gebracht.»Hindert u dat?” vroeg de nieuw aangekomene met een spottenden glimlach.»Volstrekt niet.”»Ga dan voort, mijn dappere vriend, ik ben geheel oor.”»Goed,” zeide de gids; »het is misschien ook beter zoo.”»Nu, spreek dan maar; ik luister.”Hij, aan wien de Babbelaar den vreeselijken indiaanschen naam van Ouaktehno gaf, was een man van zuiver blank ras, hoogstens dertig jaren oud, lang en welgevormd, en met zekere achteloosheid in het schilderachtig gewaad der woudloopers gedost. Zijne gelaatstrekken waren edel en mannelijk, en hadden die hooghartige en open uitdrukking, die men zoo dikwijls bij mannen, aan het woeste en vrije leven der prairiën gewoon, aantreft.Hij vestigde zijne groote, zwarte, bliksemende oogen op den Babbelaar, een geheimzinnige glimlach plooide zijne lippen, en hij leunde achteloos op zijn karabijn, terwijl hij den gids aanhoorde.»Zoo ik de lieden, die mij betaald hebben om hun den weg te wijzen en te geleiden, in uwe handen lever, dan wil ik daarvoor eene goede belooning genieten,” zeide de bandiet.»Dat is billijk!” merkte Kennedy aan, »en de kapitein is bereid die belooning te geven.”»Ja,” zeide de ander, ten teeken van goedkeuring het hoofd voorover buigende.»Zeer wel,” hernam de gids, »maar waarin zal die belooning bestaan?”»Waarin verlangt gij, dat ze bestaan zal?” zeide de kapitein; »ik moet eerst uwe voorwaarden hooren, om te weten of ik er aan voldoen kan.”»O, mijne voorwaarden zijn zeer eenvoudig.”»Hoe dan?”De gids aarzelde, of liever berekende angstvallig de kansen van winst en verlies die deze zaak hem aanbood, na eenige oogenblikken hernam hij:»Die Mexicanen zijn zeer rijk.”»Dat zal wel zoo zijn,” zeide de kapitein.»Vervolgens schijnt het mij toe, dat.…”»Spreek zonder omwegen, Babbelaar, wij hebben geen tijd om uwe praatjes aan te hooren; evenals bij iederen halfbloed, heeft ook bij u de indiaansche natuur de overhand, nooit gaat gij regelrecht op eenig doel af.”»Nu dan,” vervolgde de gids brutaal, »ik verlang vijf duizend goede piasters, of er komt niets van de geheele zaak.”[77]»Nu weten wij ten minste waaraan wij ons te houden hebben. Gij vraagt dus vijf duizend piasters?”»Ja.”»En voor die som neemt gij op u, om den generaal, zijne nicht, en allen die met hem zijn, in onze handen te leveren?”»Op den eersten wenk, dien gij mij geven zult.”»Zeer goed; luister nu naar hetgeen ik u zeggen zal.”»Ik luister.”»Gij kent mij, niet waar?”»Door en door.”»Gij weet, dat men op mijn woord staat kan maken?”»Het is zoo goed als goud.”»Goed; zoo gij getrouw de verbintenis nakomt, tot welker vervulling gij u vrijwillig aanbiedt, dat is te zeggen, zoo gij, ik zeg niet al de Mexicanen waaruit uwe karavaan bestaat, maar alleen het meisje, dat men geloof ikdoñaLuz noemt, in mijne handen levert, zal ik u niet vijf duizend piasters geven, zooals gij verlangt, maar acht duizend. Gij hebt mij begrepen, niet waar?”De oogen van den gids schitterden van hebzucht.»Ja,” zeide hij.»Goed.”»Maar het zal moeielijk zijn om haar alléén buiten het kamp te lokken.”»Dat is uwe zaak.”»Ik wilde ze liever allen te zamen overleveren.”»Voor den duivel! wat wilt gij, dat ik er mede doen zal?”»Hm! wat zal de generaal zeggen?”»Die mag zeggen wat hij wil, dat raakt mij niet; ja of neen, neemt gij den koop aan, dien ik u voorstel?”»Ja.”»Zweert gij onze voorwaarden getrouw te zullen nakomen?”»Ik zweer het.”»Nu dan, hoe lang denkt de generaal in zijn nieuw kamp te blijven?”»Tien dagen.”»Wat zeidet gij mij dan, dat gij niet wist hoe gij het meisje naar buiten zoudt lokken, daar gij zooveel tijd voor u hebt.”»Alle duivels! ik wist niet wanneer gij verlangdet, dat ik haar u in handen geven zou.”»Dat is waar. Nu ik geef u negen dagen den tijd, dat is tot den dag die hun vertrek voorafgaat.”»Op die wijze.…”»Alzoo draagt die schikking uwe goedkeuring weg?”»Zij kan niet beter zijn.”»’t Is dan zoo besloten?”»Onherroepelijk.”»Hier, Babbelaar,” zeide de kapitein, den gids een prachtige diamanten[78]speld, die hij in zijn jachtkiel droeg, overreikende, »zie hier mijn godspenning.”»O!” riep de bandiet verrukt uit, het kleinood met beide handen te gelijk aangrijpende.»Deze speld,” hernam de kapitein, »is een geschenk, dat ik u maak boven de acht duizend piasters, die ik u zal voortellen bij het in ontvang nemen vandoñaLuz.”»Gij zijt edelmoedig, kapitein,” zeide de gids; »het is een voorrecht u te mogen dienen.”»Maar,” hernam de kapitein op een ruwen toon, en met een blik zoo koud als staal op den bandiet, »herinner u, dat men mij noemt:Hij die doodt, en dat, zoo gij mij misleidt, er in de prairie geen plek gevonden wordt, sterk of verborgen genoeg om u in veiligheid te stellen voor de gevolgen mijner wraak.”»Ik weet het, kapitein,” antwoordde de mesties, zijns ondanks rillend; »maar gij kunt gerust zijn, ik zal u niet misleiden.”»Ik hoop het! maar laat ons nu van elkander gaan, men zou anders uwe afwezigheid gewaar worden. Binnen negen dagen zal ik hier zijn.”»Binnen negen dagen zal ik het meisje in uwe handen leveren.”Na deze woorden keerde de gids naar het kamp terug, waar hij ongezien binnentrad.Zoodra zij alleen waren, baanden de beide mannen, met wie de Babbelaar een zoo zonderlingen en tevens afgrijselijken koop gesloten had, zich een weg door het struikgewas, onder hetwelk zij als slangen voortkropen. Zij bereikten weldra de oevers van een beekje, dat onopgemerkt het woud besproeide. Kennedy floot eenige malen.Een licht gedruisch liet zich hooren, en niet ver van de plaats waar zij stonden, kwam een ruiter te voorschijn, die twee paarden aan de hand hield.»Kom, Franck,” zeide Kennedy, »gij kunt zonder schroom naderen.”De ruiter naderde terstond.»Is er nieuws?” vroeg Kennedy.»Niets bijzonders,” antwoordde de ruiter; »ik heb een indiaansch spoor ontdekt.”»Ha, ha!” zeide de kapitein. »Talrijk?”»Tamelijk.”»In welke richting?”»Het doorsnijdt de prairie van het oosten naar het westen.”»Goed, Franck, en wat voor Indianen zijn het?”»Ik vermoed Comanchen.”De kapitein dacht een oogenblik na.»O, het is zeker een detachement jagers,” zeide hij.»Wel waarschijnlijk,” antwoordde Franck.De twee mannen zetten zich te paard.»Franck, en gij, Kennedy,” zeide de kapitein na eenige oogenblikken,[79]»begeeft u naar het pad van denBuffalo; gij legert u in de grot, die zich daar bevindt, en let goed op de bewegingen der Mexicanen, maar draagt zorg, dat men u niet ontdekke.”»Wees gerust, kapitein.”»O! ik weet dat gij behendig en trouw zijt, ik verlaat mij dus geheel op u, kameraden; bewaakt ook den Babbelaar, ik vertrouw dien mesties maar half.”»Het zal geschieden.”»Nu, tot weêrziens; weldra zult gij weder iets van mij hooren.”Ondanks de duisternis vertrokken de drie mannen in galop, en verdwenen zij in verschillende richtingen in de woestijn.

[Inhoud]XI.DE KOOP.De Indianen en de woudloopers hebben twee talen, waarvan zij zich beurtelings, naar gelang der omstandigheden bedienen, de spreektaal namelijk en de gebarentaal. Evenals de spreektaal heeft ook de gebarentaal in Amerika tallooze verscheidenheden; ieder heeft om zoo te zeggen, een eigen dialect. Het is een samenstel van zonderlinge en geheimzinnige gebaren, een soort van vrijmetselaars-telegraphie, waarvan de teekenen, die gedurig en willekeurig afwisselen, alleen kunnen begrepen worden door een klein aantal ingewijden.De Babbelaar en zijn medgezel onderhielden zich op die wijze. Dit zonderlinge gesprek duurde bijna een uur; het scheen hun veel belang in te boezemen, zooveel zelfs, dat zij ondanks de uiterste[75]voorzorgen, die zij genomen hadden om niet overvallen te worden, niet bemerkten hoe twee schitterende oogen, uit het midden van eenig struikgewas, onafgewend op hen gericht bleven.»Nu,” zeide de Babbelaar, eindelijk eenige woorden uitsprekende, »ik laat den tijd aan u over.”»En gij zult niet lang behoeven te wachten,” antwoordde de ander.»Ik reken op u, Kennedy; wat mij betreft, ik zal mijn woord houden.”»’t Is goed, ’t is goed; men heeft zooveel woorden niet noodig, om elkander te verstaan,” zeide Kennedy de schouders ophalend; »alleen hadt gij hen op een minder sterke plaats kunnen brengen, het zal niet gemakkelijk zijn, om hen hier te overvallen.”»Dat is uwe zaak,” zeide de Babbelaar met een kwaadaardigen lach.Zijn makker zag hem een oogenblik aandachtig aan.»Hm!” zeide hij, »pas op,Compadre, het is nooit goed, om met menschen als wij, een dubbelzinnige rol te spelen.”»Ik speel geen dubbelzinnige rol, maar wij kennen elkander sinds lang, niet waar, Kennedy?”»Wat zou dat?”»Wel, ik wil niet dat mij nu wederom gebeure, wat mij reeds eenmaal gebeurd is; ziedaar alles.”»Zoudt gij terugtreden, of wel, zoudt ge er aan denken om ons te verraden?”»Ik treed niet terug, en ik heb volstrekt geen plan om u te verraden, maar …”»Nu, maar?”»Ditmaal wil ik u het beloofde niet geven, dan alvorens mijne voorwaarden geheel zullen zijn aangenomen.”»Dat is ten minste oprecht gesproken.”»In zaken moet men openhartig te werk gaan,” merkte de Babbelaar op.»Dat is zoo; welnu, herhaal mij uwe voorwaarden, ik zal zien, of wij ze kunnen aannemen.”»Waartoe zou dat dienen? gij zijt toch het opperhoofd niet, is het wel?”»Neen, maar toch …”»Gij zoudt er dus niets aan kunnen doen, en derhalve zou het tot niets leiden. O, alsOuaktehno(hij die doodt) maar hier ware, dan zou het een andere zaak zijn; ik weet zeker dat wij elkander spoedig zouden verstaan.”»Spreek dan, want hij hoort u,” riep op eens een zware en heldere stem.Er volgde eenig gedruisch in de struiken, en de persoon, die tot nu toe onzichtbaar getuige was geweest van het gesprek der twee mannen, begreep zonder twijfel, dat thans het geschikte oogenblik gekomen was om er deel aan te nemen, want met één sprong kwam[76]hij uit de takken, die hem verborgen hadden, te voorschijn, en plaatste hij zich tusschen de sprekers in.»O, o! gij hebt ons afgeluisterd, kapitein Ouaktehno,” zeide de Babbelaar, in het minst niet van zijn stuk gebracht.»Hindert u dat?” vroeg de nieuw aangekomene met een spottenden glimlach.»Volstrekt niet.”»Ga dan voort, mijn dappere vriend, ik ben geheel oor.”»Goed,” zeide de gids; »het is misschien ook beter zoo.”»Nu, spreek dan maar; ik luister.”Hij, aan wien de Babbelaar den vreeselijken indiaanschen naam van Ouaktehno gaf, was een man van zuiver blank ras, hoogstens dertig jaren oud, lang en welgevormd, en met zekere achteloosheid in het schilderachtig gewaad der woudloopers gedost. Zijne gelaatstrekken waren edel en mannelijk, en hadden die hooghartige en open uitdrukking, die men zoo dikwijls bij mannen, aan het woeste en vrije leven der prairiën gewoon, aantreft.Hij vestigde zijne groote, zwarte, bliksemende oogen op den Babbelaar, een geheimzinnige glimlach plooide zijne lippen, en hij leunde achteloos op zijn karabijn, terwijl hij den gids aanhoorde.»Zoo ik de lieden, die mij betaald hebben om hun den weg te wijzen en te geleiden, in uwe handen lever, dan wil ik daarvoor eene goede belooning genieten,” zeide de bandiet.»Dat is billijk!” merkte Kennedy aan, »en de kapitein is bereid die belooning te geven.”»Ja,” zeide de ander, ten teeken van goedkeuring het hoofd voorover buigende.»Zeer wel,” hernam de gids, »maar waarin zal die belooning bestaan?”»Waarin verlangt gij, dat ze bestaan zal?” zeide de kapitein; »ik moet eerst uwe voorwaarden hooren, om te weten of ik er aan voldoen kan.”»O, mijne voorwaarden zijn zeer eenvoudig.”»Hoe dan?”De gids aarzelde, of liever berekende angstvallig de kansen van winst en verlies die deze zaak hem aanbood, na eenige oogenblikken hernam hij:»Die Mexicanen zijn zeer rijk.”»Dat zal wel zoo zijn,” zeide de kapitein.»Vervolgens schijnt het mij toe, dat.…”»Spreek zonder omwegen, Babbelaar, wij hebben geen tijd om uwe praatjes aan te hooren; evenals bij iederen halfbloed, heeft ook bij u de indiaansche natuur de overhand, nooit gaat gij regelrecht op eenig doel af.”»Nu dan,” vervolgde de gids brutaal, »ik verlang vijf duizend goede piasters, of er komt niets van de geheele zaak.”[77]»Nu weten wij ten minste waaraan wij ons te houden hebben. Gij vraagt dus vijf duizend piasters?”»Ja.”»En voor die som neemt gij op u, om den generaal, zijne nicht, en allen die met hem zijn, in onze handen te leveren?”»Op den eersten wenk, dien gij mij geven zult.”»Zeer goed; luister nu naar hetgeen ik u zeggen zal.”»Ik luister.”»Gij kent mij, niet waar?”»Door en door.”»Gij weet, dat men op mijn woord staat kan maken?”»Het is zoo goed als goud.”»Goed; zoo gij getrouw de verbintenis nakomt, tot welker vervulling gij u vrijwillig aanbiedt, dat is te zeggen, zoo gij, ik zeg niet al de Mexicanen waaruit uwe karavaan bestaat, maar alleen het meisje, dat men geloof ikdoñaLuz noemt, in mijne handen levert, zal ik u niet vijf duizend piasters geven, zooals gij verlangt, maar acht duizend. Gij hebt mij begrepen, niet waar?”De oogen van den gids schitterden van hebzucht.»Ja,” zeide hij.»Goed.”»Maar het zal moeielijk zijn om haar alléén buiten het kamp te lokken.”»Dat is uwe zaak.”»Ik wilde ze liever allen te zamen overleveren.”»Voor den duivel! wat wilt gij, dat ik er mede doen zal?”»Hm! wat zal de generaal zeggen?”»Die mag zeggen wat hij wil, dat raakt mij niet; ja of neen, neemt gij den koop aan, dien ik u voorstel?”»Ja.”»Zweert gij onze voorwaarden getrouw te zullen nakomen?”»Ik zweer het.”»Nu dan, hoe lang denkt de generaal in zijn nieuw kamp te blijven?”»Tien dagen.”»Wat zeidet gij mij dan, dat gij niet wist hoe gij het meisje naar buiten zoudt lokken, daar gij zooveel tijd voor u hebt.”»Alle duivels! ik wist niet wanneer gij verlangdet, dat ik haar u in handen geven zou.”»Dat is waar. Nu ik geef u negen dagen den tijd, dat is tot den dag die hun vertrek voorafgaat.”»Op die wijze.…”»Alzoo draagt die schikking uwe goedkeuring weg?”»Zij kan niet beter zijn.”»’t Is dan zoo besloten?”»Onherroepelijk.”»Hier, Babbelaar,” zeide de kapitein, den gids een prachtige diamanten[78]speld, die hij in zijn jachtkiel droeg, overreikende, »zie hier mijn godspenning.”»O!” riep de bandiet verrukt uit, het kleinood met beide handen te gelijk aangrijpende.»Deze speld,” hernam de kapitein, »is een geschenk, dat ik u maak boven de acht duizend piasters, die ik u zal voortellen bij het in ontvang nemen vandoñaLuz.”»Gij zijt edelmoedig, kapitein,” zeide de gids; »het is een voorrecht u te mogen dienen.”»Maar,” hernam de kapitein op een ruwen toon, en met een blik zoo koud als staal op den bandiet, »herinner u, dat men mij noemt:Hij die doodt, en dat, zoo gij mij misleidt, er in de prairie geen plek gevonden wordt, sterk of verborgen genoeg om u in veiligheid te stellen voor de gevolgen mijner wraak.”»Ik weet het, kapitein,” antwoordde de mesties, zijns ondanks rillend; »maar gij kunt gerust zijn, ik zal u niet misleiden.”»Ik hoop het! maar laat ons nu van elkander gaan, men zou anders uwe afwezigheid gewaar worden. Binnen negen dagen zal ik hier zijn.”»Binnen negen dagen zal ik het meisje in uwe handen leveren.”Na deze woorden keerde de gids naar het kamp terug, waar hij ongezien binnentrad.Zoodra zij alleen waren, baanden de beide mannen, met wie de Babbelaar een zoo zonderlingen en tevens afgrijselijken koop gesloten had, zich een weg door het struikgewas, onder hetwelk zij als slangen voortkropen. Zij bereikten weldra de oevers van een beekje, dat onopgemerkt het woud besproeide. Kennedy floot eenige malen.Een licht gedruisch liet zich hooren, en niet ver van de plaats waar zij stonden, kwam een ruiter te voorschijn, die twee paarden aan de hand hield.»Kom, Franck,” zeide Kennedy, »gij kunt zonder schroom naderen.”De ruiter naderde terstond.»Is er nieuws?” vroeg Kennedy.»Niets bijzonders,” antwoordde de ruiter; »ik heb een indiaansch spoor ontdekt.”»Ha, ha!” zeide de kapitein. »Talrijk?”»Tamelijk.”»In welke richting?”»Het doorsnijdt de prairie van het oosten naar het westen.”»Goed, Franck, en wat voor Indianen zijn het?”»Ik vermoed Comanchen.”De kapitein dacht een oogenblik na.»O, het is zeker een detachement jagers,” zeide hij.»Wel waarschijnlijk,” antwoordde Franck.De twee mannen zetten zich te paard.»Franck, en gij, Kennedy,” zeide de kapitein na eenige oogenblikken,[79]»begeeft u naar het pad van denBuffalo; gij legert u in de grot, die zich daar bevindt, en let goed op de bewegingen der Mexicanen, maar draagt zorg, dat men u niet ontdekke.”»Wees gerust, kapitein.”»O! ik weet dat gij behendig en trouw zijt, ik verlaat mij dus geheel op u, kameraden; bewaakt ook den Babbelaar, ik vertrouw dien mesties maar half.”»Het zal geschieden.”»Nu, tot weêrziens; weldra zult gij weder iets van mij hooren.”Ondanks de duisternis vertrokken de drie mannen in galop, en verdwenen zij in verschillende richtingen in de woestijn.

[Inhoud]XI.DE KOOP.De Indianen en de woudloopers hebben twee talen, waarvan zij zich beurtelings, naar gelang der omstandigheden bedienen, de spreektaal namelijk en de gebarentaal. Evenals de spreektaal heeft ook de gebarentaal in Amerika tallooze verscheidenheden; ieder heeft om zoo te zeggen, een eigen dialect. Het is een samenstel van zonderlinge en geheimzinnige gebaren, een soort van vrijmetselaars-telegraphie, waarvan de teekenen, die gedurig en willekeurig afwisselen, alleen kunnen begrepen worden door een klein aantal ingewijden.De Babbelaar en zijn medgezel onderhielden zich op die wijze. Dit zonderlinge gesprek duurde bijna een uur; het scheen hun veel belang in te boezemen, zooveel zelfs, dat zij ondanks de uiterste[75]voorzorgen, die zij genomen hadden om niet overvallen te worden, niet bemerkten hoe twee schitterende oogen, uit het midden van eenig struikgewas, onafgewend op hen gericht bleven.»Nu,” zeide de Babbelaar, eindelijk eenige woorden uitsprekende, »ik laat den tijd aan u over.”»En gij zult niet lang behoeven te wachten,” antwoordde de ander.»Ik reken op u, Kennedy; wat mij betreft, ik zal mijn woord houden.”»’t Is goed, ’t is goed; men heeft zooveel woorden niet noodig, om elkander te verstaan,” zeide Kennedy de schouders ophalend; »alleen hadt gij hen op een minder sterke plaats kunnen brengen, het zal niet gemakkelijk zijn, om hen hier te overvallen.”»Dat is uwe zaak,” zeide de Babbelaar met een kwaadaardigen lach.Zijn makker zag hem een oogenblik aandachtig aan.»Hm!” zeide hij, »pas op,Compadre, het is nooit goed, om met menschen als wij, een dubbelzinnige rol te spelen.”»Ik speel geen dubbelzinnige rol, maar wij kennen elkander sinds lang, niet waar, Kennedy?”»Wat zou dat?”»Wel, ik wil niet dat mij nu wederom gebeure, wat mij reeds eenmaal gebeurd is; ziedaar alles.”»Zoudt gij terugtreden, of wel, zoudt ge er aan denken om ons te verraden?”»Ik treed niet terug, en ik heb volstrekt geen plan om u te verraden, maar …”»Nu, maar?”»Ditmaal wil ik u het beloofde niet geven, dan alvorens mijne voorwaarden geheel zullen zijn aangenomen.”»Dat is ten minste oprecht gesproken.”»In zaken moet men openhartig te werk gaan,” merkte de Babbelaar op.»Dat is zoo; welnu, herhaal mij uwe voorwaarden, ik zal zien, of wij ze kunnen aannemen.”»Waartoe zou dat dienen? gij zijt toch het opperhoofd niet, is het wel?”»Neen, maar toch …”»Gij zoudt er dus niets aan kunnen doen, en derhalve zou het tot niets leiden. O, alsOuaktehno(hij die doodt) maar hier ware, dan zou het een andere zaak zijn; ik weet zeker dat wij elkander spoedig zouden verstaan.”»Spreek dan, want hij hoort u,” riep op eens een zware en heldere stem.Er volgde eenig gedruisch in de struiken, en de persoon, die tot nu toe onzichtbaar getuige was geweest van het gesprek der twee mannen, begreep zonder twijfel, dat thans het geschikte oogenblik gekomen was om er deel aan te nemen, want met één sprong kwam[76]hij uit de takken, die hem verborgen hadden, te voorschijn, en plaatste hij zich tusschen de sprekers in.»O, o! gij hebt ons afgeluisterd, kapitein Ouaktehno,” zeide de Babbelaar, in het minst niet van zijn stuk gebracht.»Hindert u dat?” vroeg de nieuw aangekomene met een spottenden glimlach.»Volstrekt niet.”»Ga dan voort, mijn dappere vriend, ik ben geheel oor.”»Goed,” zeide de gids; »het is misschien ook beter zoo.”»Nu, spreek dan maar; ik luister.”Hij, aan wien de Babbelaar den vreeselijken indiaanschen naam van Ouaktehno gaf, was een man van zuiver blank ras, hoogstens dertig jaren oud, lang en welgevormd, en met zekere achteloosheid in het schilderachtig gewaad der woudloopers gedost. Zijne gelaatstrekken waren edel en mannelijk, en hadden die hooghartige en open uitdrukking, die men zoo dikwijls bij mannen, aan het woeste en vrije leven der prairiën gewoon, aantreft.Hij vestigde zijne groote, zwarte, bliksemende oogen op den Babbelaar, een geheimzinnige glimlach plooide zijne lippen, en hij leunde achteloos op zijn karabijn, terwijl hij den gids aanhoorde.»Zoo ik de lieden, die mij betaald hebben om hun den weg te wijzen en te geleiden, in uwe handen lever, dan wil ik daarvoor eene goede belooning genieten,” zeide de bandiet.»Dat is billijk!” merkte Kennedy aan, »en de kapitein is bereid die belooning te geven.”»Ja,” zeide de ander, ten teeken van goedkeuring het hoofd voorover buigende.»Zeer wel,” hernam de gids, »maar waarin zal die belooning bestaan?”»Waarin verlangt gij, dat ze bestaan zal?” zeide de kapitein; »ik moet eerst uwe voorwaarden hooren, om te weten of ik er aan voldoen kan.”»O, mijne voorwaarden zijn zeer eenvoudig.”»Hoe dan?”De gids aarzelde, of liever berekende angstvallig de kansen van winst en verlies die deze zaak hem aanbood, na eenige oogenblikken hernam hij:»Die Mexicanen zijn zeer rijk.”»Dat zal wel zoo zijn,” zeide de kapitein.»Vervolgens schijnt het mij toe, dat.…”»Spreek zonder omwegen, Babbelaar, wij hebben geen tijd om uwe praatjes aan te hooren; evenals bij iederen halfbloed, heeft ook bij u de indiaansche natuur de overhand, nooit gaat gij regelrecht op eenig doel af.”»Nu dan,” vervolgde de gids brutaal, »ik verlang vijf duizend goede piasters, of er komt niets van de geheele zaak.”[77]»Nu weten wij ten minste waaraan wij ons te houden hebben. Gij vraagt dus vijf duizend piasters?”»Ja.”»En voor die som neemt gij op u, om den generaal, zijne nicht, en allen die met hem zijn, in onze handen te leveren?”»Op den eersten wenk, dien gij mij geven zult.”»Zeer goed; luister nu naar hetgeen ik u zeggen zal.”»Ik luister.”»Gij kent mij, niet waar?”»Door en door.”»Gij weet, dat men op mijn woord staat kan maken?”»Het is zoo goed als goud.”»Goed; zoo gij getrouw de verbintenis nakomt, tot welker vervulling gij u vrijwillig aanbiedt, dat is te zeggen, zoo gij, ik zeg niet al de Mexicanen waaruit uwe karavaan bestaat, maar alleen het meisje, dat men geloof ikdoñaLuz noemt, in mijne handen levert, zal ik u niet vijf duizend piasters geven, zooals gij verlangt, maar acht duizend. Gij hebt mij begrepen, niet waar?”De oogen van den gids schitterden van hebzucht.»Ja,” zeide hij.»Goed.”»Maar het zal moeielijk zijn om haar alléén buiten het kamp te lokken.”»Dat is uwe zaak.”»Ik wilde ze liever allen te zamen overleveren.”»Voor den duivel! wat wilt gij, dat ik er mede doen zal?”»Hm! wat zal de generaal zeggen?”»Die mag zeggen wat hij wil, dat raakt mij niet; ja of neen, neemt gij den koop aan, dien ik u voorstel?”»Ja.”»Zweert gij onze voorwaarden getrouw te zullen nakomen?”»Ik zweer het.”»Nu dan, hoe lang denkt de generaal in zijn nieuw kamp te blijven?”»Tien dagen.”»Wat zeidet gij mij dan, dat gij niet wist hoe gij het meisje naar buiten zoudt lokken, daar gij zooveel tijd voor u hebt.”»Alle duivels! ik wist niet wanneer gij verlangdet, dat ik haar u in handen geven zou.”»Dat is waar. Nu ik geef u negen dagen den tijd, dat is tot den dag die hun vertrek voorafgaat.”»Op die wijze.…”»Alzoo draagt die schikking uwe goedkeuring weg?”»Zij kan niet beter zijn.”»’t Is dan zoo besloten?”»Onherroepelijk.”»Hier, Babbelaar,” zeide de kapitein, den gids een prachtige diamanten[78]speld, die hij in zijn jachtkiel droeg, overreikende, »zie hier mijn godspenning.”»O!” riep de bandiet verrukt uit, het kleinood met beide handen te gelijk aangrijpende.»Deze speld,” hernam de kapitein, »is een geschenk, dat ik u maak boven de acht duizend piasters, die ik u zal voortellen bij het in ontvang nemen vandoñaLuz.”»Gij zijt edelmoedig, kapitein,” zeide de gids; »het is een voorrecht u te mogen dienen.”»Maar,” hernam de kapitein op een ruwen toon, en met een blik zoo koud als staal op den bandiet, »herinner u, dat men mij noemt:Hij die doodt, en dat, zoo gij mij misleidt, er in de prairie geen plek gevonden wordt, sterk of verborgen genoeg om u in veiligheid te stellen voor de gevolgen mijner wraak.”»Ik weet het, kapitein,” antwoordde de mesties, zijns ondanks rillend; »maar gij kunt gerust zijn, ik zal u niet misleiden.”»Ik hoop het! maar laat ons nu van elkander gaan, men zou anders uwe afwezigheid gewaar worden. Binnen negen dagen zal ik hier zijn.”»Binnen negen dagen zal ik het meisje in uwe handen leveren.”Na deze woorden keerde de gids naar het kamp terug, waar hij ongezien binnentrad.Zoodra zij alleen waren, baanden de beide mannen, met wie de Babbelaar een zoo zonderlingen en tevens afgrijselijken koop gesloten had, zich een weg door het struikgewas, onder hetwelk zij als slangen voortkropen. Zij bereikten weldra de oevers van een beekje, dat onopgemerkt het woud besproeide. Kennedy floot eenige malen.Een licht gedruisch liet zich hooren, en niet ver van de plaats waar zij stonden, kwam een ruiter te voorschijn, die twee paarden aan de hand hield.»Kom, Franck,” zeide Kennedy, »gij kunt zonder schroom naderen.”De ruiter naderde terstond.»Is er nieuws?” vroeg Kennedy.»Niets bijzonders,” antwoordde de ruiter; »ik heb een indiaansch spoor ontdekt.”»Ha, ha!” zeide de kapitein. »Talrijk?”»Tamelijk.”»In welke richting?”»Het doorsnijdt de prairie van het oosten naar het westen.”»Goed, Franck, en wat voor Indianen zijn het?”»Ik vermoed Comanchen.”De kapitein dacht een oogenblik na.»O, het is zeker een detachement jagers,” zeide hij.»Wel waarschijnlijk,” antwoordde Franck.De twee mannen zetten zich te paard.»Franck, en gij, Kennedy,” zeide de kapitein na eenige oogenblikken,[79]»begeeft u naar het pad van denBuffalo; gij legert u in de grot, die zich daar bevindt, en let goed op de bewegingen der Mexicanen, maar draagt zorg, dat men u niet ontdekke.”»Wees gerust, kapitein.”»O! ik weet dat gij behendig en trouw zijt, ik verlaat mij dus geheel op u, kameraden; bewaakt ook den Babbelaar, ik vertrouw dien mesties maar half.”»Het zal geschieden.”»Nu, tot weêrziens; weldra zult gij weder iets van mij hooren.”Ondanks de duisternis vertrokken de drie mannen in galop, en verdwenen zij in verschillende richtingen in de woestijn.

XI.DE KOOP.

De Indianen en de woudloopers hebben twee talen, waarvan zij zich beurtelings, naar gelang der omstandigheden bedienen, de spreektaal namelijk en de gebarentaal. Evenals de spreektaal heeft ook de gebarentaal in Amerika tallooze verscheidenheden; ieder heeft om zoo te zeggen, een eigen dialect. Het is een samenstel van zonderlinge en geheimzinnige gebaren, een soort van vrijmetselaars-telegraphie, waarvan de teekenen, die gedurig en willekeurig afwisselen, alleen kunnen begrepen worden door een klein aantal ingewijden.De Babbelaar en zijn medgezel onderhielden zich op die wijze. Dit zonderlinge gesprek duurde bijna een uur; het scheen hun veel belang in te boezemen, zooveel zelfs, dat zij ondanks de uiterste[75]voorzorgen, die zij genomen hadden om niet overvallen te worden, niet bemerkten hoe twee schitterende oogen, uit het midden van eenig struikgewas, onafgewend op hen gericht bleven.»Nu,” zeide de Babbelaar, eindelijk eenige woorden uitsprekende, »ik laat den tijd aan u over.”»En gij zult niet lang behoeven te wachten,” antwoordde de ander.»Ik reken op u, Kennedy; wat mij betreft, ik zal mijn woord houden.”»’t Is goed, ’t is goed; men heeft zooveel woorden niet noodig, om elkander te verstaan,” zeide Kennedy de schouders ophalend; »alleen hadt gij hen op een minder sterke plaats kunnen brengen, het zal niet gemakkelijk zijn, om hen hier te overvallen.”»Dat is uwe zaak,” zeide de Babbelaar met een kwaadaardigen lach.Zijn makker zag hem een oogenblik aandachtig aan.»Hm!” zeide hij, »pas op,Compadre, het is nooit goed, om met menschen als wij, een dubbelzinnige rol te spelen.”»Ik speel geen dubbelzinnige rol, maar wij kennen elkander sinds lang, niet waar, Kennedy?”»Wat zou dat?”»Wel, ik wil niet dat mij nu wederom gebeure, wat mij reeds eenmaal gebeurd is; ziedaar alles.”»Zoudt gij terugtreden, of wel, zoudt ge er aan denken om ons te verraden?”»Ik treed niet terug, en ik heb volstrekt geen plan om u te verraden, maar …”»Nu, maar?”»Ditmaal wil ik u het beloofde niet geven, dan alvorens mijne voorwaarden geheel zullen zijn aangenomen.”»Dat is ten minste oprecht gesproken.”»In zaken moet men openhartig te werk gaan,” merkte de Babbelaar op.»Dat is zoo; welnu, herhaal mij uwe voorwaarden, ik zal zien, of wij ze kunnen aannemen.”»Waartoe zou dat dienen? gij zijt toch het opperhoofd niet, is het wel?”»Neen, maar toch …”»Gij zoudt er dus niets aan kunnen doen, en derhalve zou het tot niets leiden. O, alsOuaktehno(hij die doodt) maar hier ware, dan zou het een andere zaak zijn; ik weet zeker dat wij elkander spoedig zouden verstaan.”»Spreek dan, want hij hoort u,” riep op eens een zware en heldere stem.Er volgde eenig gedruisch in de struiken, en de persoon, die tot nu toe onzichtbaar getuige was geweest van het gesprek der twee mannen, begreep zonder twijfel, dat thans het geschikte oogenblik gekomen was om er deel aan te nemen, want met één sprong kwam[76]hij uit de takken, die hem verborgen hadden, te voorschijn, en plaatste hij zich tusschen de sprekers in.»O, o! gij hebt ons afgeluisterd, kapitein Ouaktehno,” zeide de Babbelaar, in het minst niet van zijn stuk gebracht.»Hindert u dat?” vroeg de nieuw aangekomene met een spottenden glimlach.»Volstrekt niet.”»Ga dan voort, mijn dappere vriend, ik ben geheel oor.”»Goed,” zeide de gids; »het is misschien ook beter zoo.”»Nu, spreek dan maar; ik luister.”Hij, aan wien de Babbelaar den vreeselijken indiaanschen naam van Ouaktehno gaf, was een man van zuiver blank ras, hoogstens dertig jaren oud, lang en welgevormd, en met zekere achteloosheid in het schilderachtig gewaad der woudloopers gedost. Zijne gelaatstrekken waren edel en mannelijk, en hadden die hooghartige en open uitdrukking, die men zoo dikwijls bij mannen, aan het woeste en vrije leven der prairiën gewoon, aantreft.Hij vestigde zijne groote, zwarte, bliksemende oogen op den Babbelaar, een geheimzinnige glimlach plooide zijne lippen, en hij leunde achteloos op zijn karabijn, terwijl hij den gids aanhoorde.»Zoo ik de lieden, die mij betaald hebben om hun den weg te wijzen en te geleiden, in uwe handen lever, dan wil ik daarvoor eene goede belooning genieten,” zeide de bandiet.»Dat is billijk!” merkte Kennedy aan, »en de kapitein is bereid die belooning te geven.”»Ja,” zeide de ander, ten teeken van goedkeuring het hoofd voorover buigende.»Zeer wel,” hernam de gids, »maar waarin zal die belooning bestaan?”»Waarin verlangt gij, dat ze bestaan zal?” zeide de kapitein; »ik moet eerst uwe voorwaarden hooren, om te weten of ik er aan voldoen kan.”»O, mijne voorwaarden zijn zeer eenvoudig.”»Hoe dan?”De gids aarzelde, of liever berekende angstvallig de kansen van winst en verlies die deze zaak hem aanbood, na eenige oogenblikken hernam hij:»Die Mexicanen zijn zeer rijk.”»Dat zal wel zoo zijn,” zeide de kapitein.»Vervolgens schijnt het mij toe, dat.…”»Spreek zonder omwegen, Babbelaar, wij hebben geen tijd om uwe praatjes aan te hooren; evenals bij iederen halfbloed, heeft ook bij u de indiaansche natuur de overhand, nooit gaat gij regelrecht op eenig doel af.”»Nu dan,” vervolgde de gids brutaal, »ik verlang vijf duizend goede piasters, of er komt niets van de geheele zaak.”[77]»Nu weten wij ten minste waaraan wij ons te houden hebben. Gij vraagt dus vijf duizend piasters?”»Ja.”»En voor die som neemt gij op u, om den generaal, zijne nicht, en allen die met hem zijn, in onze handen te leveren?”»Op den eersten wenk, dien gij mij geven zult.”»Zeer goed; luister nu naar hetgeen ik u zeggen zal.”»Ik luister.”»Gij kent mij, niet waar?”»Door en door.”»Gij weet, dat men op mijn woord staat kan maken?”»Het is zoo goed als goud.”»Goed; zoo gij getrouw de verbintenis nakomt, tot welker vervulling gij u vrijwillig aanbiedt, dat is te zeggen, zoo gij, ik zeg niet al de Mexicanen waaruit uwe karavaan bestaat, maar alleen het meisje, dat men geloof ikdoñaLuz noemt, in mijne handen levert, zal ik u niet vijf duizend piasters geven, zooals gij verlangt, maar acht duizend. Gij hebt mij begrepen, niet waar?”De oogen van den gids schitterden van hebzucht.»Ja,” zeide hij.»Goed.”»Maar het zal moeielijk zijn om haar alléén buiten het kamp te lokken.”»Dat is uwe zaak.”»Ik wilde ze liever allen te zamen overleveren.”»Voor den duivel! wat wilt gij, dat ik er mede doen zal?”»Hm! wat zal de generaal zeggen?”»Die mag zeggen wat hij wil, dat raakt mij niet; ja of neen, neemt gij den koop aan, dien ik u voorstel?”»Ja.”»Zweert gij onze voorwaarden getrouw te zullen nakomen?”»Ik zweer het.”»Nu dan, hoe lang denkt de generaal in zijn nieuw kamp te blijven?”»Tien dagen.”»Wat zeidet gij mij dan, dat gij niet wist hoe gij het meisje naar buiten zoudt lokken, daar gij zooveel tijd voor u hebt.”»Alle duivels! ik wist niet wanneer gij verlangdet, dat ik haar u in handen geven zou.”»Dat is waar. Nu ik geef u negen dagen den tijd, dat is tot den dag die hun vertrek voorafgaat.”»Op die wijze.…”»Alzoo draagt die schikking uwe goedkeuring weg?”»Zij kan niet beter zijn.”»’t Is dan zoo besloten?”»Onherroepelijk.”»Hier, Babbelaar,” zeide de kapitein, den gids een prachtige diamanten[78]speld, die hij in zijn jachtkiel droeg, overreikende, »zie hier mijn godspenning.”»O!” riep de bandiet verrukt uit, het kleinood met beide handen te gelijk aangrijpende.»Deze speld,” hernam de kapitein, »is een geschenk, dat ik u maak boven de acht duizend piasters, die ik u zal voortellen bij het in ontvang nemen vandoñaLuz.”»Gij zijt edelmoedig, kapitein,” zeide de gids; »het is een voorrecht u te mogen dienen.”»Maar,” hernam de kapitein op een ruwen toon, en met een blik zoo koud als staal op den bandiet, »herinner u, dat men mij noemt:Hij die doodt, en dat, zoo gij mij misleidt, er in de prairie geen plek gevonden wordt, sterk of verborgen genoeg om u in veiligheid te stellen voor de gevolgen mijner wraak.”»Ik weet het, kapitein,” antwoordde de mesties, zijns ondanks rillend; »maar gij kunt gerust zijn, ik zal u niet misleiden.”»Ik hoop het! maar laat ons nu van elkander gaan, men zou anders uwe afwezigheid gewaar worden. Binnen negen dagen zal ik hier zijn.”»Binnen negen dagen zal ik het meisje in uwe handen leveren.”Na deze woorden keerde de gids naar het kamp terug, waar hij ongezien binnentrad.Zoodra zij alleen waren, baanden de beide mannen, met wie de Babbelaar een zoo zonderlingen en tevens afgrijselijken koop gesloten had, zich een weg door het struikgewas, onder hetwelk zij als slangen voortkropen. Zij bereikten weldra de oevers van een beekje, dat onopgemerkt het woud besproeide. Kennedy floot eenige malen.Een licht gedruisch liet zich hooren, en niet ver van de plaats waar zij stonden, kwam een ruiter te voorschijn, die twee paarden aan de hand hield.»Kom, Franck,” zeide Kennedy, »gij kunt zonder schroom naderen.”De ruiter naderde terstond.»Is er nieuws?” vroeg Kennedy.»Niets bijzonders,” antwoordde de ruiter; »ik heb een indiaansch spoor ontdekt.”»Ha, ha!” zeide de kapitein. »Talrijk?”»Tamelijk.”»In welke richting?”»Het doorsnijdt de prairie van het oosten naar het westen.”»Goed, Franck, en wat voor Indianen zijn het?”»Ik vermoed Comanchen.”De kapitein dacht een oogenblik na.»O, het is zeker een detachement jagers,” zeide hij.»Wel waarschijnlijk,” antwoordde Franck.De twee mannen zetten zich te paard.»Franck, en gij, Kennedy,” zeide de kapitein na eenige oogenblikken,[79]»begeeft u naar het pad van denBuffalo; gij legert u in de grot, die zich daar bevindt, en let goed op de bewegingen der Mexicanen, maar draagt zorg, dat men u niet ontdekke.”»Wees gerust, kapitein.”»O! ik weet dat gij behendig en trouw zijt, ik verlaat mij dus geheel op u, kameraden; bewaakt ook den Babbelaar, ik vertrouw dien mesties maar half.”»Het zal geschieden.”»Nu, tot weêrziens; weldra zult gij weder iets van mij hooren.”Ondanks de duisternis vertrokken de drie mannen in galop, en verdwenen zij in verschillende richtingen in de woestijn.

De Indianen en de woudloopers hebben twee talen, waarvan zij zich beurtelings, naar gelang der omstandigheden bedienen, de spreektaal namelijk en de gebarentaal. Evenals de spreektaal heeft ook de gebarentaal in Amerika tallooze verscheidenheden; ieder heeft om zoo te zeggen, een eigen dialect. Het is een samenstel van zonderlinge en geheimzinnige gebaren, een soort van vrijmetselaars-telegraphie, waarvan de teekenen, die gedurig en willekeurig afwisselen, alleen kunnen begrepen worden door een klein aantal ingewijden.

De Babbelaar en zijn medgezel onderhielden zich op die wijze. Dit zonderlinge gesprek duurde bijna een uur; het scheen hun veel belang in te boezemen, zooveel zelfs, dat zij ondanks de uiterste[75]voorzorgen, die zij genomen hadden om niet overvallen te worden, niet bemerkten hoe twee schitterende oogen, uit het midden van eenig struikgewas, onafgewend op hen gericht bleven.

»Nu,” zeide de Babbelaar, eindelijk eenige woorden uitsprekende, »ik laat den tijd aan u over.”

»En gij zult niet lang behoeven te wachten,” antwoordde de ander.

»Ik reken op u, Kennedy; wat mij betreft, ik zal mijn woord houden.”

»’t Is goed, ’t is goed; men heeft zooveel woorden niet noodig, om elkander te verstaan,” zeide Kennedy de schouders ophalend; »alleen hadt gij hen op een minder sterke plaats kunnen brengen, het zal niet gemakkelijk zijn, om hen hier te overvallen.”

»Dat is uwe zaak,” zeide de Babbelaar met een kwaadaardigen lach.

Zijn makker zag hem een oogenblik aandachtig aan.

»Hm!” zeide hij, »pas op,Compadre, het is nooit goed, om met menschen als wij, een dubbelzinnige rol te spelen.”

»Ik speel geen dubbelzinnige rol, maar wij kennen elkander sinds lang, niet waar, Kennedy?”

»Wat zou dat?”

»Wel, ik wil niet dat mij nu wederom gebeure, wat mij reeds eenmaal gebeurd is; ziedaar alles.”

»Zoudt gij terugtreden, of wel, zoudt ge er aan denken om ons te verraden?”

»Ik treed niet terug, en ik heb volstrekt geen plan om u te verraden, maar …”

»Nu, maar?”

»Ditmaal wil ik u het beloofde niet geven, dan alvorens mijne voorwaarden geheel zullen zijn aangenomen.”

»Dat is ten minste oprecht gesproken.”

»In zaken moet men openhartig te werk gaan,” merkte de Babbelaar op.

»Dat is zoo; welnu, herhaal mij uwe voorwaarden, ik zal zien, of wij ze kunnen aannemen.”

»Waartoe zou dat dienen? gij zijt toch het opperhoofd niet, is het wel?”

»Neen, maar toch …”

»Gij zoudt er dus niets aan kunnen doen, en derhalve zou het tot niets leiden. O, alsOuaktehno(hij die doodt) maar hier ware, dan zou het een andere zaak zijn; ik weet zeker dat wij elkander spoedig zouden verstaan.”

»Spreek dan, want hij hoort u,” riep op eens een zware en heldere stem.

Er volgde eenig gedruisch in de struiken, en de persoon, die tot nu toe onzichtbaar getuige was geweest van het gesprek der twee mannen, begreep zonder twijfel, dat thans het geschikte oogenblik gekomen was om er deel aan te nemen, want met één sprong kwam[76]hij uit de takken, die hem verborgen hadden, te voorschijn, en plaatste hij zich tusschen de sprekers in.

»O, o! gij hebt ons afgeluisterd, kapitein Ouaktehno,” zeide de Babbelaar, in het minst niet van zijn stuk gebracht.

»Hindert u dat?” vroeg de nieuw aangekomene met een spottenden glimlach.

»Volstrekt niet.”

»Ga dan voort, mijn dappere vriend, ik ben geheel oor.”

»Goed,” zeide de gids; »het is misschien ook beter zoo.”

»Nu, spreek dan maar; ik luister.”

Hij, aan wien de Babbelaar den vreeselijken indiaanschen naam van Ouaktehno gaf, was een man van zuiver blank ras, hoogstens dertig jaren oud, lang en welgevormd, en met zekere achteloosheid in het schilderachtig gewaad der woudloopers gedost. Zijne gelaatstrekken waren edel en mannelijk, en hadden die hooghartige en open uitdrukking, die men zoo dikwijls bij mannen, aan het woeste en vrije leven der prairiën gewoon, aantreft.

Hij vestigde zijne groote, zwarte, bliksemende oogen op den Babbelaar, een geheimzinnige glimlach plooide zijne lippen, en hij leunde achteloos op zijn karabijn, terwijl hij den gids aanhoorde.

»Zoo ik de lieden, die mij betaald hebben om hun den weg te wijzen en te geleiden, in uwe handen lever, dan wil ik daarvoor eene goede belooning genieten,” zeide de bandiet.

»Dat is billijk!” merkte Kennedy aan, »en de kapitein is bereid die belooning te geven.”

»Ja,” zeide de ander, ten teeken van goedkeuring het hoofd voorover buigende.

»Zeer wel,” hernam de gids, »maar waarin zal die belooning bestaan?”

»Waarin verlangt gij, dat ze bestaan zal?” zeide de kapitein; »ik moet eerst uwe voorwaarden hooren, om te weten of ik er aan voldoen kan.”

»O, mijne voorwaarden zijn zeer eenvoudig.”

»Hoe dan?”

De gids aarzelde, of liever berekende angstvallig de kansen van winst en verlies die deze zaak hem aanbood, na eenige oogenblikken hernam hij:

»Die Mexicanen zijn zeer rijk.”

»Dat zal wel zoo zijn,” zeide de kapitein.

»Vervolgens schijnt het mij toe, dat.…”

»Spreek zonder omwegen, Babbelaar, wij hebben geen tijd om uwe praatjes aan te hooren; evenals bij iederen halfbloed, heeft ook bij u de indiaansche natuur de overhand, nooit gaat gij regelrecht op eenig doel af.”

»Nu dan,” vervolgde de gids brutaal, »ik verlang vijf duizend goede piasters, of er komt niets van de geheele zaak.”[77]

»Nu weten wij ten minste waaraan wij ons te houden hebben. Gij vraagt dus vijf duizend piasters?”

»Ja.”

»En voor die som neemt gij op u, om den generaal, zijne nicht, en allen die met hem zijn, in onze handen te leveren?”

»Op den eersten wenk, dien gij mij geven zult.”

»Zeer goed; luister nu naar hetgeen ik u zeggen zal.”

»Ik luister.”

»Gij kent mij, niet waar?”

»Door en door.”

»Gij weet, dat men op mijn woord staat kan maken?”

»Het is zoo goed als goud.”

»Goed; zoo gij getrouw de verbintenis nakomt, tot welker vervulling gij u vrijwillig aanbiedt, dat is te zeggen, zoo gij, ik zeg niet al de Mexicanen waaruit uwe karavaan bestaat, maar alleen het meisje, dat men geloof ikdoñaLuz noemt, in mijne handen levert, zal ik u niet vijf duizend piasters geven, zooals gij verlangt, maar acht duizend. Gij hebt mij begrepen, niet waar?”

De oogen van den gids schitterden van hebzucht.

»Ja,” zeide hij.

»Goed.”

»Maar het zal moeielijk zijn om haar alléén buiten het kamp te lokken.”

»Dat is uwe zaak.”

»Ik wilde ze liever allen te zamen overleveren.”

»Voor den duivel! wat wilt gij, dat ik er mede doen zal?”

»Hm! wat zal de generaal zeggen?”

»Die mag zeggen wat hij wil, dat raakt mij niet; ja of neen, neemt gij den koop aan, dien ik u voorstel?”

»Ja.”

»Zweert gij onze voorwaarden getrouw te zullen nakomen?”

»Ik zweer het.”

»Nu dan, hoe lang denkt de generaal in zijn nieuw kamp te blijven?”

»Tien dagen.”

»Wat zeidet gij mij dan, dat gij niet wist hoe gij het meisje naar buiten zoudt lokken, daar gij zooveel tijd voor u hebt.”

»Alle duivels! ik wist niet wanneer gij verlangdet, dat ik haar u in handen geven zou.”

»Dat is waar. Nu ik geef u negen dagen den tijd, dat is tot den dag die hun vertrek voorafgaat.”

»Op die wijze.…”

»Alzoo draagt die schikking uwe goedkeuring weg?”

»Zij kan niet beter zijn.”

»’t Is dan zoo besloten?”

»Onherroepelijk.”

»Hier, Babbelaar,” zeide de kapitein, den gids een prachtige diamanten[78]speld, die hij in zijn jachtkiel droeg, overreikende, »zie hier mijn godspenning.”

»O!” riep de bandiet verrukt uit, het kleinood met beide handen te gelijk aangrijpende.

»Deze speld,” hernam de kapitein, »is een geschenk, dat ik u maak boven de acht duizend piasters, die ik u zal voortellen bij het in ontvang nemen vandoñaLuz.”

»Gij zijt edelmoedig, kapitein,” zeide de gids; »het is een voorrecht u te mogen dienen.”

»Maar,” hernam de kapitein op een ruwen toon, en met een blik zoo koud als staal op den bandiet, »herinner u, dat men mij noemt:Hij die doodt, en dat, zoo gij mij misleidt, er in de prairie geen plek gevonden wordt, sterk of verborgen genoeg om u in veiligheid te stellen voor de gevolgen mijner wraak.”

»Ik weet het, kapitein,” antwoordde de mesties, zijns ondanks rillend; »maar gij kunt gerust zijn, ik zal u niet misleiden.”

»Ik hoop het! maar laat ons nu van elkander gaan, men zou anders uwe afwezigheid gewaar worden. Binnen negen dagen zal ik hier zijn.”

»Binnen negen dagen zal ik het meisje in uwe handen leveren.”

Na deze woorden keerde de gids naar het kamp terug, waar hij ongezien binnentrad.

Zoodra zij alleen waren, baanden de beide mannen, met wie de Babbelaar een zoo zonderlingen en tevens afgrijselijken koop gesloten had, zich een weg door het struikgewas, onder hetwelk zij als slangen voortkropen. Zij bereikten weldra de oevers van een beekje, dat onopgemerkt het woud besproeide. Kennedy floot eenige malen.

Een licht gedruisch liet zich hooren, en niet ver van de plaats waar zij stonden, kwam een ruiter te voorschijn, die twee paarden aan de hand hield.

»Kom, Franck,” zeide Kennedy, »gij kunt zonder schroom naderen.”

De ruiter naderde terstond.

»Is er nieuws?” vroeg Kennedy.

»Niets bijzonders,” antwoordde de ruiter; »ik heb een indiaansch spoor ontdekt.”

»Ha, ha!” zeide de kapitein. »Talrijk?”

»Tamelijk.”

»In welke richting?”

»Het doorsnijdt de prairie van het oosten naar het westen.”

»Goed, Franck, en wat voor Indianen zijn het?”

»Ik vermoed Comanchen.”

De kapitein dacht een oogenblik na.

»O, het is zeker een detachement jagers,” zeide hij.

»Wel waarschijnlijk,” antwoordde Franck.

De twee mannen zetten zich te paard.

»Franck, en gij, Kennedy,” zeide de kapitein na eenige oogenblikken,[79]»begeeft u naar het pad van denBuffalo; gij legert u in de grot, die zich daar bevindt, en let goed op de bewegingen der Mexicanen, maar draagt zorg, dat men u niet ontdekke.”

»Wees gerust, kapitein.”

»O! ik weet dat gij behendig en trouw zijt, ik verlaat mij dus geheel op u, kameraden; bewaakt ook den Babbelaar, ik vertrouw dien mesties maar half.”

»Het zal geschieden.”

»Nu, tot weêrziens; weldra zult gij weder iets van mij hooren.”

Ondanks de duisternis vertrokken de drie mannen in galop, en verdwenen zij in verschillende richtingen in de woestijn.


Back to IndexNext