[Inhoud]XII.PSYCHOLOGIE.De generaal had een zoo diep stilzwijgen bewaard over de oorzaken die hem eene reis in de prairiën, ten westen der Vereenigde Staten, hadden doen ondernemen, dat zij die hem vergezelden, er slechts naar hadden kunnen raden. Verscheidene malen reeds had op zijn bevel en zonder eenige blijkbare oorzaak, de karavaan in volslagen woeste streken gekampeerd, om aldaar acht, ja zelfs veertien dagen te blijven, zonder dat er eenige beweegreden voor dit oponthoud scheen te bestaan. Gedurende zulk een rusttijd ging de generaal iederen morgen met een der gidsen uit, om niet voor den avond terug te komen. Wat deed hij gedurende die lange uren zijner afwezigheid? Waartoe die nasporingen, van welke hij nooit terugkeerde, zonder dat een zwaardere wolk van droefgeestigheid zijn voorhoofd overdekte? Niemand wist het.Gedurende die uitstapjes leiddedoñaLuz, alleen te midden van de ruwe personen die haar omringden, een vrij eentonig leven. Zij bracht hare dagen droevig door, gezeten voor hare tent, of in gezelschap van kapitein Aguilar of den dikken doctor, kleine rijtoertjes makende in den omtrek van het kamp.Ook ditmaal gebeurde hetzelfde, wat bij ieder halt plaats had. Het meisje door haar oom verlaten, en ook door den doctor, die met altijd klimmenden ijver bezig was zijne zonderlinge plant te zoeken, en met dat doel elken morgen het kamp verliet, had geen ander gezelschap dan dat van Aguilar. Maar kapitein Aguilar, wij moeten het bekennen, was, ofschoon jong, beleefd, en vrij verstandig, een niet zeer onderhoudend gezelschap voordoñaLuz. Als gehard soldaat, met leeuwenmoed begaafd, vol van liefde voor den generaal, aan wien hij alles te danken had, was de kapitein buitengewoon gehecht aan de nicht van zijn overste; hij was uiterst bezorgd[80]voor hare veiligheid, maar ten eenenmale onbekend met de middelen om haar den tijd te korten, met die kleine beleefdheden en aangename gesprekken, waarin de jonge dames zooveel behagen scheppen.Ditmaal echter verveeldedoñaLuz zich niet. Sedert dien vreeselijken nacht van den brand, toen Edelhart, evenals een dier fabelachtige helden, wier geschiedenis en ongeloofelijke daden zij zoo vaak gelezen had, plotseling verscheen, om haar en allen die met haar waren te redden, was er in het hart van het meisje een nieuw gevoel ontstaan, waarvan zij zich nog geen rekenschap wist te geven, en dat van dag tot dag sterker werd, om zich eindelijk geheel van haar meester te maken. Het beeld van den jager kwam haar gedurig voor den geest, met dien schitterenden gloriekrans om het hoofd, dien onverzettelijke wilskracht schenkt aan den man, die geen gevaren ontziet, en de natuur dwingt zijne meerderheid te erkennen. Haar geheugen, even onbewimpeld als dat van alle meisjes, die zich nog in het ongestoord bezit van onschuld en reinheid verheugen, schilderde haar met nauwkeurige getrouwheid tot zelfs de minste bijzonderheden dier grootsche heldendaden voor. In één woord, zij verlevendigde in haren geest het aandenken van die rij van gebeurtenissen, waaraan de jager zoo onverwacht deelgenomen had; en waaraan hij, door zijn onbedwingbaren moed en tegenwoordigheid van geest, eene zoo gelukkige wending had gegeven. Het onverhoedsch vertrek van den jager, zijne minachting voor de eenvoudigste dankbetuigingen en zijne schijnbare onverschilligheid voor hen, wie hij het leven had gered, dit alles had het meisje gehinderd; zij was zeer geërgerd over deze, hetzij wezenlijke, hetzij gemaakte koelheid. Ook zag zij voortdurend naar middelen uit, om hem over zijne onverschilligheid berouw te doen gevoelen, zoo het toeval hem ten tweeden male in hare nabijheid mocht brengen.Ieder weet, dat er, al schijnt het bij den eersten oogopslag ongerijmd, van haat, of ook maar van nieuwsgierigheid, tot liefde slechts eene schrede ligt.DoñaLuz deed die schrede, zonder dat zij het wist.DoñaLuz was, zooals wij gezegd hebben, in een klooster opgevoed, over welks drempel de verleiding der wereld het niet waagde den voet te zetten. Hare jeugd was kalm en ongestoord voorbijgegaan onder die vrome of liever bijgeloovige praktijken, die in Mexico den grondslag der godsdienst uitmaken. Toen haar oom haar uit het klooster haalde, om haar mede te nemen op zijne voorgenomen reis door de prairiën, kende het meisje de meest eenvoudige behoeften des levens niet, en wist zij evenveel van het bestaan der wereld, waarin zij zich plotseling bewegen zou, als een blindgeborene van den schitterenden glans der zonnestralen. Deze onwetendheid, die zeer dienstig was voor de plannen van haar oom, was voor het meisje een steen des aanstoots, over welken zij ieder oogenblik struikelen zou.[81]Maar door de zorgen, waarmede de generaal haar omringde, waren de weinige weken, die aan hun vertrek van Mexico voorafgingen, voorbijgegaan, zonder aan het meisje al te veel verdriet te veroorzaken. Wij moeten hier echter eene wel schijnbaar nietige omstandigheid vermelden, maar die toch in den geest vandoñaLuz al te diepe sporen naliet, dan dat wij haar zouden mogen vergeten.De generaal was ijverig bezig met de lieden bijeen te verzamelen, die hij voor zijne onderneming noodig had; hij was dus verplicht om zijne nicht meer aan haar lot over te laten, dan hij wel zou gewild hebben. Daar hij echter vreesde, dat het meisje, als zij alléén met eene oude vrouw in het paleis, dat hij in decalle de los Platerosbewoonde, achterbleef, zich zou vervelen, zond hij haar des avonds dikwijls naar een zijner bloedverwanten, waar zij meestal een uitgelezen gezelschap vond, en bij wie zij haar tijd veel aangenamer kon doorbrengen.Doch, eens, toen het gezelschap grooter geweest was dan gewoonlijk, was men ook veel later dan gewoonlijk uit elkander gegaan.Toen de oude klok van het kloosterde la Mercedelf ure sloeg, keerdendoñaLuz en de oude vrouw, die haar steeds ten dienste stond, onder geleide van een fakkeldrager, naar huis. Zij hadden nog maar weinige schreden af te leggen, toen er eensklaps terwijl zij den hoek dercalle San-Augustinomsloegen, waardoor zij in decalle de los Plateroszouden komen, vier of vijf gemeene kerels als uit den grond schenen op te rijzen, en de beide vrouwen omsingelden, na met een vuistslag de fakkel, die haar den weg wees, te hebben uitgebluscht. Den schrik te beschrijven, die het meisje bij deze onverwachte verschijning overviel, zou onmogelijk zijn; zonder zelfs de kracht te hebben om te schreeuwen, viel zij voor de bandieten op de knieën. De oude vrouw daarentegen maakte met haar geschreeuw een vervaarlijk leven.De mexicaansche bandieten, allen geslepen kerels, hadden de oude vrouw spoedig tot zwijgen gebracht, door haar met haarrebozo(sluier) den mond te stoppen; vervolgens gingen zij, met al de kalmte die zulke waardige lieden in de uitoefening van hun ambt weten te bewaren, verzekerd als zij zijn van de toegevendheid der justitie, waaraan zij van hun kant meestal een deel van den buit afstaan, tot het plunderen van hunne slachtoffers over. Dit werk duurde niet lang, want niet alleen dachten de vrouwen er niet aan om tegenstand te bieden, maar ontdeden zij zich zelfs eigenhandig van hare sieraden, die de bandieten, grijnzend van genoegen, in den zak staken. Doch toen zij hiermede goed aan den gang waren, schitterde er plotseling een flambouw boven hunne hoofden, en rolden twee der bandieten vloekend en razend op den grond. Zij, die overeind bleven staan, woedend over dezen onverwachten aanval, wilden hunne kameraden wreken, en wierpen zich met geweld op den onwelkomen gast. Deze, zonder zich door hun aantal te laten vervaren,[82]deed een stap achteruit, zette zich schrap, en maakte zich gereed hen naar behooren te ontvangen. Bij toeval viel het licht der maan even op zijn gelaat. De bandieten traden verschrikt terug en borgen hunne macheten.»Ha ha!” zeide de onbekende met een verachtelijken glimlach, terwijl hij hen naderde; »gij herkent mij, niet waar? Bij God, ik ben boos, ik heb u juist een les willen geven. Brengt men zoo mijne bevelen ten uitvoer?”De bandieten bleven sprakeloos staan.»Komt,” ging de onbekende voort, »maakt uw zakken leêg, rekels, en geeft aan deze dames alles terug, wat gij haar ontnomen hebt.”Zonder aarzelen haalden de roovers de rebozo weder uit den mond der oude vrouw, en gaven zij den rijken buit, dien zij gemeend hadden zich toe te eigenen, terug.DoñaLuz kon hare verbazing niet bedwingen; zij zag met de uiterste verwondering een vreemden man zulk een groot gezag uitoefenen over onbeschaamde bandieten.»Is dat wel alles?” vroeg hij aan het meisje; »ontbreekt u niets meer,Señora?”»Niets, mijnheer,” antwoordde zij meer dood dan levend, zonder zelfs te weten wat zij zeide.»Komt,” ging de onbekende voort, »gaat nu weg, schelmen, ik zal de dames begeleiden.”De bandieten lieten het zich geen tweemaal zeggen; zij verdwenen als een vlucht raven, hunne gewonden met zich voerende.Zoodra hij met de beide vrouwen alleen was, wendde de onbekende zich totdoñaLuz.»Vergun mij,Señorita, u mijn arm aan te bieden,” zeide hij met de meest mogelijke beleefdheid; »de schrik, dien gij ondervonden hebt, maakt u het loopen moeielijk.”Werktuigelijk en zonder te antwoorden, legde het meisje haar arm in dien, welke haar werd aangeboden. Aan het paleis gekomen, klopte de onbekende aan de deur, en vervolgens zijn hoed afnemende, zeide hij:»Señorita, ik ben verheugd, dat het toeval mij in de gelegenheid heeft gebracht om u een kleine dienst te bewijzen … ik zal de eer hebben u nog eens weder te zien. Reeds langen tijd volg ik in het donker uwe schreden. God, die mij de gunst verleende van eenmaal met u te spreken, zal mij die ook ten tweeden male toestaan; daarvan ben ik overtuigd, hoewel gij binnen weinige dagen eene lange reis ondernemen gaat. Vergun mij dus, u niet een »vaarwel” toe te roepen, maar een »tot weêrziens”!”En na een diepe buiging voor het meisje, verwijderde hij zich.Veertien dagen na dit zonderlinge avontuur, dat zij beter gevonden had aan haar oom niet mede te deelen, verlietdoñaLuz[83]Mexico, zonder den onbekende te hebben wedergezien. Doch den dag voor haar vertrek had zij in hare slaapkamer op haar bidstoeltje een gevouwen papier gevonden. Hierop waren met een fraaie hand deze weinige woorden geschreven:»Gij vertrekt,DoñaLuz; denk er om, dat ik u een »tot weêrziens” heb toegeroepen.”Uw redder van la calle de Plateros.”Langen tijd had dit voorval den geest van het meisje bezig gehouden; een oogenblik zelfs had zij gemeend, dat Edelhart en haar onbekende redder een en dezelfde persoon waren, maar deze veronderstelling was weldra weder geweken. Wat toch zou dit waarschijnlijk hebben gemaakt? Met welk doel zou Edelhart, na haar gered te hebben, zich dan zoo snel hebben verwijderd? Daarvoor kon immers geen reden bestaan.Maar naarmate het avontuur van Mexico uit haar gedachte week, werd de plaats daarin aan Edelhart toegestaan, grooter. Zij zou den jager hebben willen zien, met hem hebben willen spreken. Waarom? Dat wist zij zelve niet; om hem te zien, om zijne stem te hooren, om zich aan zijn aanblik te verzadigen; nergens anders om. Alle meisjes zijn zoo.Maar hoe zou zij hem wederzien? Dáár verhief zich voor het arme kind eene onmogelijkheid, die haar moedeloos het hoofd deed buigen.En toch, een zeker iets op den bodem haars harten, misschien wel die geheimvolle stem, die bij het ontwaken der liefde tot de meisjes spreekt, zeide haar, dat weldra haar verlangen in vervulling zou overgaan. Zij hoopte. Waarop? op een onvoorzien toeval, misschien wel op een vreeselijk gevaar, dat hen bij elkander zou brengen. De ware liefde twijfelt soms, zij wanhoopt nooit.Vier dagen na de oprichting van het kamp op den heuvel, toen zij des avonds hare tent binnen trad, glimlachte het meisje inwendig op het zien van haren oom, die zich in gedachten verzonken, gereed maakte, om zich aan de rust over te geven.DoñaLuz had eindelijk een middel gevonden, om Edelhart op te zoeken.
[Inhoud]XII.PSYCHOLOGIE.De generaal had een zoo diep stilzwijgen bewaard over de oorzaken die hem eene reis in de prairiën, ten westen der Vereenigde Staten, hadden doen ondernemen, dat zij die hem vergezelden, er slechts naar hadden kunnen raden. Verscheidene malen reeds had op zijn bevel en zonder eenige blijkbare oorzaak, de karavaan in volslagen woeste streken gekampeerd, om aldaar acht, ja zelfs veertien dagen te blijven, zonder dat er eenige beweegreden voor dit oponthoud scheen te bestaan. Gedurende zulk een rusttijd ging de generaal iederen morgen met een der gidsen uit, om niet voor den avond terug te komen. Wat deed hij gedurende die lange uren zijner afwezigheid? Waartoe die nasporingen, van welke hij nooit terugkeerde, zonder dat een zwaardere wolk van droefgeestigheid zijn voorhoofd overdekte? Niemand wist het.Gedurende die uitstapjes leiddedoñaLuz, alleen te midden van de ruwe personen die haar omringden, een vrij eentonig leven. Zij bracht hare dagen droevig door, gezeten voor hare tent, of in gezelschap van kapitein Aguilar of den dikken doctor, kleine rijtoertjes makende in den omtrek van het kamp.Ook ditmaal gebeurde hetzelfde, wat bij ieder halt plaats had. Het meisje door haar oom verlaten, en ook door den doctor, die met altijd klimmenden ijver bezig was zijne zonderlinge plant te zoeken, en met dat doel elken morgen het kamp verliet, had geen ander gezelschap dan dat van Aguilar. Maar kapitein Aguilar, wij moeten het bekennen, was, ofschoon jong, beleefd, en vrij verstandig, een niet zeer onderhoudend gezelschap voordoñaLuz. Als gehard soldaat, met leeuwenmoed begaafd, vol van liefde voor den generaal, aan wien hij alles te danken had, was de kapitein buitengewoon gehecht aan de nicht van zijn overste; hij was uiterst bezorgd[80]voor hare veiligheid, maar ten eenenmale onbekend met de middelen om haar den tijd te korten, met die kleine beleefdheden en aangename gesprekken, waarin de jonge dames zooveel behagen scheppen.Ditmaal echter verveeldedoñaLuz zich niet. Sedert dien vreeselijken nacht van den brand, toen Edelhart, evenals een dier fabelachtige helden, wier geschiedenis en ongeloofelijke daden zij zoo vaak gelezen had, plotseling verscheen, om haar en allen die met haar waren te redden, was er in het hart van het meisje een nieuw gevoel ontstaan, waarvan zij zich nog geen rekenschap wist te geven, en dat van dag tot dag sterker werd, om zich eindelijk geheel van haar meester te maken. Het beeld van den jager kwam haar gedurig voor den geest, met dien schitterenden gloriekrans om het hoofd, dien onverzettelijke wilskracht schenkt aan den man, die geen gevaren ontziet, en de natuur dwingt zijne meerderheid te erkennen. Haar geheugen, even onbewimpeld als dat van alle meisjes, die zich nog in het ongestoord bezit van onschuld en reinheid verheugen, schilderde haar met nauwkeurige getrouwheid tot zelfs de minste bijzonderheden dier grootsche heldendaden voor. In één woord, zij verlevendigde in haren geest het aandenken van die rij van gebeurtenissen, waaraan de jager zoo onverwacht deelgenomen had; en waaraan hij, door zijn onbedwingbaren moed en tegenwoordigheid van geest, eene zoo gelukkige wending had gegeven. Het onverhoedsch vertrek van den jager, zijne minachting voor de eenvoudigste dankbetuigingen en zijne schijnbare onverschilligheid voor hen, wie hij het leven had gered, dit alles had het meisje gehinderd; zij was zeer geërgerd over deze, hetzij wezenlijke, hetzij gemaakte koelheid. Ook zag zij voortdurend naar middelen uit, om hem over zijne onverschilligheid berouw te doen gevoelen, zoo het toeval hem ten tweeden male in hare nabijheid mocht brengen.Ieder weet, dat er, al schijnt het bij den eersten oogopslag ongerijmd, van haat, of ook maar van nieuwsgierigheid, tot liefde slechts eene schrede ligt.DoñaLuz deed die schrede, zonder dat zij het wist.DoñaLuz was, zooals wij gezegd hebben, in een klooster opgevoed, over welks drempel de verleiding der wereld het niet waagde den voet te zetten. Hare jeugd was kalm en ongestoord voorbijgegaan onder die vrome of liever bijgeloovige praktijken, die in Mexico den grondslag der godsdienst uitmaken. Toen haar oom haar uit het klooster haalde, om haar mede te nemen op zijne voorgenomen reis door de prairiën, kende het meisje de meest eenvoudige behoeften des levens niet, en wist zij evenveel van het bestaan der wereld, waarin zij zich plotseling bewegen zou, als een blindgeborene van den schitterenden glans der zonnestralen. Deze onwetendheid, die zeer dienstig was voor de plannen van haar oom, was voor het meisje een steen des aanstoots, over welken zij ieder oogenblik struikelen zou.[81]Maar door de zorgen, waarmede de generaal haar omringde, waren de weinige weken, die aan hun vertrek van Mexico voorafgingen, voorbijgegaan, zonder aan het meisje al te veel verdriet te veroorzaken. Wij moeten hier echter eene wel schijnbaar nietige omstandigheid vermelden, maar die toch in den geest vandoñaLuz al te diepe sporen naliet, dan dat wij haar zouden mogen vergeten.De generaal was ijverig bezig met de lieden bijeen te verzamelen, die hij voor zijne onderneming noodig had; hij was dus verplicht om zijne nicht meer aan haar lot over te laten, dan hij wel zou gewild hebben. Daar hij echter vreesde, dat het meisje, als zij alléén met eene oude vrouw in het paleis, dat hij in decalle de los Platerosbewoonde, achterbleef, zich zou vervelen, zond hij haar des avonds dikwijls naar een zijner bloedverwanten, waar zij meestal een uitgelezen gezelschap vond, en bij wie zij haar tijd veel aangenamer kon doorbrengen.Doch, eens, toen het gezelschap grooter geweest was dan gewoonlijk, was men ook veel later dan gewoonlijk uit elkander gegaan.Toen de oude klok van het kloosterde la Mercedelf ure sloeg, keerdendoñaLuz en de oude vrouw, die haar steeds ten dienste stond, onder geleide van een fakkeldrager, naar huis. Zij hadden nog maar weinige schreden af te leggen, toen er eensklaps terwijl zij den hoek dercalle San-Augustinomsloegen, waardoor zij in decalle de los Plateroszouden komen, vier of vijf gemeene kerels als uit den grond schenen op te rijzen, en de beide vrouwen omsingelden, na met een vuistslag de fakkel, die haar den weg wees, te hebben uitgebluscht. Den schrik te beschrijven, die het meisje bij deze onverwachte verschijning overviel, zou onmogelijk zijn; zonder zelfs de kracht te hebben om te schreeuwen, viel zij voor de bandieten op de knieën. De oude vrouw daarentegen maakte met haar geschreeuw een vervaarlijk leven.De mexicaansche bandieten, allen geslepen kerels, hadden de oude vrouw spoedig tot zwijgen gebracht, door haar met haarrebozo(sluier) den mond te stoppen; vervolgens gingen zij, met al de kalmte die zulke waardige lieden in de uitoefening van hun ambt weten te bewaren, verzekerd als zij zijn van de toegevendheid der justitie, waaraan zij van hun kant meestal een deel van den buit afstaan, tot het plunderen van hunne slachtoffers over. Dit werk duurde niet lang, want niet alleen dachten de vrouwen er niet aan om tegenstand te bieden, maar ontdeden zij zich zelfs eigenhandig van hare sieraden, die de bandieten, grijnzend van genoegen, in den zak staken. Doch toen zij hiermede goed aan den gang waren, schitterde er plotseling een flambouw boven hunne hoofden, en rolden twee der bandieten vloekend en razend op den grond. Zij, die overeind bleven staan, woedend over dezen onverwachten aanval, wilden hunne kameraden wreken, en wierpen zich met geweld op den onwelkomen gast. Deze, zonder zich door hun aantal te laten vervaren,[82]deed een stap achteruit, zette zich schrap, en maakte zich gereed hen naar behooren te ontvangen. Bij toeval viel het licht der maan even op zijn gelaat. De bandieten traden verschrikt terug en borgen hunne macheten.»Ha ha!” zeide de onbekende met een verachtelijken glimlach, terwijl hij hen naderde; »gij herkent mij, niet waar? Bij God, ik ben boos, ik heb u juist een les willen geven. Brengt men zoo mijne bevelen ten uitvoer?”De bandieten bleven sprakeloos staan.»Komt,” ging de onbekende voort, »maakt uw zakken leêg, rekels, en geeft aan deze dames alles terug, wat gij haar ontnomen hebt.”Zonder aarzelen haalden de roovers de rebozo weder uit den mond der oude vrouw, en gaven zij den rijken buit, dien zij gemeend hadden zich toe te eigenen, terug.DoñaLuz kon hare verbazing niet bedwingen; zij zag met de uiterste verwondering een vreemden man zulk een groot gezag uitoefenen over onbeschaamde bandieten.»Is dat wel alles?” vroeg hij aan het meisje; »ontbreekt u niets meer,Señora?”»Niets, mijnheer,” antwoordde zij meer dood dan levend, zonder zelfs te weten wat zij zeide.»Komt,” ging de onbekende voort, »gaat nu weg, schelmen, ik zal de dames begeleiden.”De bandieten lieten het zich geen tweemaal zeggen; zij verdwenen als een vlucht raven, hunne gewonden met zich voerende.Zoodra hij met de beide vrouwen alleen was, wendde de onbekende zich totdoñaLuz.»Vergun mij,Señorita, u mijn arm aan te bieden,” zeide hij met de meest mogelijke beleefdheid; »de schrik, dien gij ondervonden hebt, maakt u het loopen moeielijk.”Werktuigelijk en zonder te antwoorden, legde het meisje haar arm in dien, welke haar werd aangeboden. Aan het paleis gekomen, klopte de onbekende aan de deur, en vervolgens zijn hoed afnemende, zeide hij:»Señorita, ik ben verheugd, dat het toeval mij in de gelegenheid heeft gebracht om u een kleine dienst te bewijzen … ik zal de eer hebben u nog eens weder te zien. Reeds langen tijd volg ik in het donker uwe schreden. God, die mij de gunst verleende van eenmaal met u te spreken, zal mij die ook ten tweeden male toestaan; daarvan ben ik overtuigd, hoewel gij binnen weinige dagen eene lange reis ondernemen gaat. Vergun mij dus, u niet een »vaarwel” toe te roepen, maar een »tot weêrziens”!”En na een diepe buiging voor het meisje, verwijderde hij zich.Veertien dagen na dit zonderlinge avontuur, dat zij beter gevonden had aan haar oom niet mede te deelen, verlietdoñaLuz[83]Mexico, zonder den onbekende te hebben wedergezien. Doch den dag voor haar vertrek had zij in hare slaapkamer op haar bidstoeltje een gevouwen papier gevonden. Hierop waren met een fraaie hand deze weinige woorden geschreven:»Gij vertrekt,DoñaLuz; denk er om, dat ik u een »tot weêrziens” heb toegeroepen.”Uw redder van la calle de Plateros.”Langen tijd had dit voorval den geest van het meisje bezig gehouden; een oogenblik zelfs had zij gemeend, dat Edelhart en haar onbekende redder een en dezelfde persoon waren, maar deze veronderstelling was weldra weder geweken. Wat toch zou dit waarschijnlijk hebben gemaakt? Met welk doel zou Edelhart, na haar gered te hebben, zich dan zoo snel hebben verwijderd? Daarvoor kon immers geen reden bestaan.Maar naarmate het avontuur van Mexico uit haar gedachte week, werd de plaats daarin aan Edelhart toegestaan, grooter. Zij zou den jager hebben willen zien, met hem hebben willen spreken. Waarom? Dat wist zij zelve niet; om hem te zien, om zijne stem te hooren, om zich aan zijn aanblik te verzadigen; nergens anders om. Alle meisjes zijn zoo.Maar hoe zou zij hem wederzien? Dáár verhief zich voor het arme kind eene onmogelijkheid, die haar moedeloos het hoofd deed buigen.En toch, een zeker iets op den bodem haars harten, misschien wel die geheimvolle stem, die bij het ontwaken der liefde tot de meisjes spreekt, zeide haar, dat weldra haar verlangen in vervulling zou overgaan. Zij hoopte. Waarop? op een onvoorzien toeval, misschien wel op een vreeselijk gevaar, dat hen bij elkander zou brengen. De ware liefde twijfelt soms, zij wanhoopt nooit.Vier dagen na de oprichting van het kamp op den heuvel, toen zij des avonds hare tent binnen trad, glimlachte het meisje inwendig op het zien van haren oom, die zich in gedachten verzonken, gereed maakte, om zich aan de rust over te geven.DoñaLuz had eindelijk een middel gevonden, om Edelhart op te zoeken.
[Inhoud]XII.PSYCHOLOGIE.De generaal had een zoo diep stilzwijgen bewaard over de oorzaken die hem eene reis in de prairiën, ten westen der Vereenigde Staten, hadden doen ondernemen, dat zij die hem vergezelden, er slechts naar hadden kunnen raden. Verscheidene malen reeds had op zijn bevel en zonder eenige blijkbare oorzaak, de karavaan in volslagen woeste streken gekampeerd, om aldaar acht, ja zelfs veertien dagen te blijven, zonder dat er eenige beweegreden voor dit oponthoud scheen te bestaan. Gedurende zulk een rusttijd ging de generaal iederen morgen met een der gidsen uit, om niet voor den avond terug te komen. Wat deed hij gedurende die lange uren zijner afwezigheid? Waartoe die nasporingen, van welke hij nooit terugkeerde, zonder dat een zwaardere wolk van droefgeestigheid zijn voorhoofd overdekte? Niemand wist het.Gedurende die uitstapjes leiddedoñaLuz, alleen te midden van de ruwe personen die haar omringden, een vrij eentonig leven. Zij bracht hare dagen droevig door, gezeten voor hare tent, of in gezelschap van kapitein Aguilar of den dikken doctor, kleine rijtoertjes makende in den omtrek van het kamp.Ook ditmaal gebeurde hetzelfde, wat bij ieder halt plaats had. Het meisje door haar oom verlaten, en ook door den doctor, die met altijd klimmenden ijver bezig was zijne zonderlinge plant te zoeken, en met dat doel elken morgen het kamp verliet, had geen ander gezelschap dan dat van Aguilar. Maar kapitein Aguilar, wij moeten het bekennen, was, ofschoon jong, beleefd, en vrij verstandig, een niet zeer onderhoudend gezelschap voordoñaLuz. Als gehard soldaat, met leeuwenmoed begaafd, vol van liefde voor den generaal, aan wien hij alles te danken had, was de kapitein buitengewoon gehecht aan de nicht van zijn overste; hij was uiterst bezorgd[80]voor hare veiligheid, maar ten eenenmale onbekend met de middelen om haar den tijd te korten, met die kleine beleefdheden en aangename gesprekken, waarin de jonge dames zooveel behagen scheppen.Ditmaal echter verveeldedoñaLuz zich niet. Sedert dien vreeselijken nacht van den brand, toen Edelhart, evenals een dier fabelachtige helden, wier geschiedenis en ongeloofelijke daden zij zoo vaak gelezen had, plotseling verscheen, om haar en allen die met haar waren te redden, was er in het hart van het meisje een nieuw gevoel ontstaan, waarvan zij zich nog geen rekenschap wist te geven, en dat van dag tot dag sterker werd, om zich eindelijk geheel van haar meester te maken. Het beeld van den jager kwam haar gedurig voor den geest, met dien schitterenden gloriekrans om het hoofd, dien onverzettelijke wilskracht schenkt aan den man, die geen gevaren ontziet, en de natuur dwingt zijne meerderheid te erkennen. Haar geheugen, even onbewimpeld als dat van alle meisjes, die zich nog in het ongestoord bezit van onschuld en reinheid verheugen, schilderde haar met nauwkeurige getrouwheid tot zelfs de minste bijzonderheden dier grootsche heldendaden voor. In één woord, zij verlevendigde in haren geest het aandenken van die rij van gebeurtenissen, waaraan de jager zoo onverwacht deelgenomen had; en waaraan hij, door zijn onbedwingbaren moed en tegenwoordigheid van geest, eene zoo gelukkige wending had gegeven. Het onverhoedsch vertrek van den jager, zijne minachting voor de eenvoudigste dankbetuigingen en zijne schijnbare onverschilligheid voor hen, wie hij het leven had gered, dit alles had het meisje gehinderd; zij was zeer geërgerd over deze, hetzij wezenlijke, hetzij gemaakte koelheid. Ook zag zij voortdurend naar middelen uit, om hem over zijne onverschilligheid berouw te doen gevoelen, zoo het toeval hem ten tweeden male in hare nabijheid mocht brengen.Ieder weet, dat er, al schijnt het bij den eersten oogopslag ongerijmd, van haat, of ook maar van nieuwsgierigheid, tot liefde slechts eene schrede ligt.DoñaLuz deed die schrede, zonder dat zij het wist.DoñaLuz was, zooals wij gezegd hebben, in een klooster opgevoed, over welks drempel de verleiding der wereld het niet waagde den voet te zetten. Hare jeugd was kalm en ongestoord voorbijgegaan onder die vrome of liever bijgeloovige praktijken, die in Mexico den grondslag der godsdienst uitmaken. Toen haar oom haar uit het klooster haalde, om haar mede te nemen op zijne voorgenomen reis door de prairiën, kende het meisje de meest eenvoudige behoeften des levens niet, en wist zij evenveel van het bestaan der wereld, waarin zij zich plotseling bewegen zou, als een blindgeborene van den schitterenden glans der zonnestralen. Deze onwetendheid, die zeer dienstig was voor de plannen van haar oom, was voor het meisje een steen des aanstoots, over welken zij ieder oogenblik struikelen zou.[81]Maar door de zorgen, waarmede de generaal haar omringde, waren de weinige weken, die aan hun vertrek van Mexico voorafgingen, voorbijgegaan, zonder aan het meisje al te veel verdriet te veroorzaken. Wij moeten hier echter eene wel schijnbaar nietige omstandigheid vermelden, maar die toch in den geest vandoñaLuz al te diepe sporen naliet, dan dat wij haar zouden mogen vergeten.De generaal was ijverig bezig met de lieden bijeen te verzamelen, die hij voor zijne onderneming noodig had; hij was dus verplicht om zijne nicht meer aan haar lot over te laten, dan hij wel zou gewild hebben. Daar hij echter vreesde, dat het meisje, als zij alléén met eene oude vrouw in het paleis, dat hij in decalle de los Platerosbewoonde, achterbleef, zich zou vervelen, zond hij haar des avonds dikwijls naar een zijner bloedverwanten, waar zij meestal een uitgelezen gezelschap vond, en bij wie zij haar tijd veel aangenamer kon doorbrengen.Doch, eens, toen het gezelschap grooter geweest was dan gewoonlijk, was men ook veel later dan gewoonlijk uit elkander gegaan.Toen de oude klok van het kloosterde la Mercedelf ure sloeg, keerdendoñaLuz en de oude vrouw, die haar steeds ten dienste stond, onder geleide van een fakkeldrager, naar huis. Zij hadden nog maar weinige schreden af te leggen, toen er eensklaps terwijl zij den hoek dercalle San-Augustinomsloegen, waardoor zij in decalle de los Plateroszouden komen, vier of vijf gemeene kerels als uit den grond schenen op te rijzen, en de beide vrouwen omsingelden, na met een vuistslag de fakkel, die haar den weg wees, te hebben uitgebluscht. Den schrik te beschrijven, die het meisje bij deze onverwachte verschijning overviel, zou onmogelijk zijn; zonder zelfs de kracht te hebben om te schreeuwen, viel zij voor de bandieten op de knieën. De oude vrouw daarentegen maakte met haar geschreeuw een vervaarlijk leven.De mexicaansche bandieten, allen geslepen kerels, hadden de oude vrouw spoedig tot zwijgen gebracht, door haar met haarrebozo(sluier) den mond te stoppen; vervolgens gingen zij, met al de kalmte die zulke waardige lieden in de uitoefening van hun ambt weten te bewaren, verzekerd als zij zijn van de toegevendheid der justitie, waaraan zij van hun kant meestal een deel van den buit afstaan, tot het plunderen van hunne slachtoffers over. Dit werk duurde niet lang, want niet alleen dachten de vrouwen er niet aan om tegenstand te bieden, maar ontdeden zij zich zelfs eigenhandig van hare sieraden, die de bandieten, grijnzend van genoegen, in den zak staken. Doch toen zij hiermede goed aan den gang waren, schitterde er plotseling een flambouw boven hunne hoofden, en rolden twee der bandieten vloekend en razend op den grond. Zij, die overeind bleven staan, woedend over dezen onverwachten aanval, wilden hunne kameraden wreken, en wierpen zich met geweld op den onwelkomen gast. Deze, zonder zich door hun aantal te laten vervaren,[82]deed een stap achteruit, zette zich schrap, en maakte zich gereed hen naar behooren te ontvangen. Bij toeval viel het licht der maan even op zijn gelaat. De bandieten traden verschrikt terug en borgen hunne macheten.»Ha ha!” zeide de onbekende met een verachtelijken glimlach, terwijl hij hen naderde; »gij herkent mij, niet waar? Bij God, ik ben boos, ik heb u juist een les willen geven. Brengt men zoo mijne bevelen ten uitvoer?”De bandieten bleven sprakeloos staan.»Komt,” ging de onbekende voort, »maakt uw zakken leêg, rekels, en geeft aan deze dames alles terug, wat gij haar ontnomen hebt.”Zonder aarzelen haalden de roovers de rebozo weder uit den mond der oude vrouw, en gaven zij den rijken buit, dien zij gemeend hadden zich toe te eigenen, terug.DoñaLuz kon hare verbazing niet bedwingen; zij zag met de uiterste verwondering een vreemden man zulk een groot gezag uitoefenen over onbeschaamde bandieten.»Is dat wel alles?” vroeg hij aan het meisje; »ontbreekt u niets meer,Señora?”»Niets, mijnheer,” antwoordde zij meer dood dan levend, zonder zelfs te weten wat zij zeide.»Komt,” ging de onbekende voort, »gaat nu weg, schelmen, ik zal de dames begeleiden.”De bandieten lieten het zich geen tweemaal zeggen; zij verdwenen als een vlucht raven, hunne gewonden met zich voerende.Zoodra hij met de beide vrouwen alleen was, wendde de onbekende zich totdoñaLuz.»Vergun mij,Señorita, u mijn arm aan te bieden,” zeide hij met de meest mogelijke beleefdheid; »de schrik, dien gij ondervonden hebt, maakt u het loopen moeielijk.”Werktuigelijk en zonder te antwoorden, legde het meisje haar arm in dien, welke haar werd aangeboden. Aan het paleis gekomen, klopte de onbekende aan de deur, en vervolgens zijn hoed afnemende, zeide hij:»Señorita, ik ben verheugd, dat het toeval mij in de gelegenheid heeft gebracht om u een kleine dienst te bewijzen … ik zal de eer hebben u nog eens weder te zien. Reeds langen tijd volg ik in het donker uwe schreden. God, die mij de gunst verleende van eenmaal met u te spreken, zal mij die ook ten tweeden male toestaan; daarvan ben ik overtuigd, hoewel gij binnen weinige dagen eene lange reis ondernemen gaat. Vergun mij dus, u niet een »vaarwel” toe te roepen, maar een »tot weêrziens”!”En na een diepe buiging voor het meisje, verwijderde hij zich.Veertien dagen na dit zonderlinge avontuur, dat zij beter gevonden had aan haar oom niet mede te deelen, verlietdoñaLuz[83]Mexico, zonder den onbekende te hebben wedergezien. Doch den dag voor haar vertrek had zij in hare slaapkamer op haar bidstoeltje een gevouwen papier gevonden. Hierop waren met een fraaie hand deze weinige woorden geschreven:»Gij vertrekt,DoñaLuz; denk er om, dat ik u een »tot weêrziens” heb toegeroepen.”Uw redder van la calle de Plateros.”Langen tijd had dit voorval den geest van het meisje bezig gehouden; een oogenblik zelfs had zij gemeend, dat Edelhart en haar onbekende redder een en dezelfde persoon waren, maar deze veronderstelling was weldra weder geweken. Wat toch zou dit waarschijnlijk hebben gemaakt? Met welk doel zou Edelhart, na haar gered te hebben, zich dan zoo snel hebben verwijderd? Daarvoor kon immers geen reden bestaan.Maar naarmate het avontuur van Mexico uit haar gedachte week, werd de plaats daarin aan Edelhart toegestaan, grooter. Zij zou den jager hebben willen zien, met hem hebben willen spreken. Waarom? Dat wist zij zelve niet; om hem te zien, om zijne stem te hooren, om zich aan zijn aanblik te verzadigen; nergens anders om. Alle meisjes zijn zoo.Maar hoe zou zij hem wederzien? Dáár verhief zich voor het arme kind eene onmogelijkheid, die haar moedeloos het hoofd deed buigen.En toch, een zeker iets op den bodem haars harten, misschien wel die geheimvolle stem, die bij het ontwaken der liefde tot de meisjes spreekt, zeide haar, dat weldra haar verlangen in vervulling zou overgaan. Zij hoopte. Waarop? op een onvoorzien toeval, misschien wel op een vreeselijk gevaar, dat hen bij elkander zou brengen. De ware liefde twijfelt soms, zij wanhoopt nooit.Vier dagen na de oprichting van het kamp op den heuvel, toen zij des avonds hare tent binnen trad, glimlachte het meisje inwendig op het zien van haren oom, die zich in gedachten verzonken, gereed maakte, om zich aan de rust over te geven.DoñaLuz had eindelijk een middel gevonden, om Edelhart op te zoeken.
XII.PSYCHOLOGIE.
De generaal had een zoo diep stilzwijgen bewaard over de oorzaken die hem eene reis in de prairiën, ten westen der Vereenigde Staten, hadden doen ondernemen, dat zij die hem vergezelden, er slechts naar hadden kunnen raden. Verscheidene malen reeds had op zijn bevel en zonder eenige blijkbare oorzaak, de karavaan in volslagen woeste streken gekampeerd, om aldaar acht, ja zelfs veertien dagen te blijven, zonder dat er eenige beweegreden voor dit oponthoud scheen te bestaan. Gedurende zulk een rusttijd ging de generaal iederen morgen met een der gidsen uit, om niet voor den avond terug te komen. Wat deed hij gedurende die lange uren zijner afwezigheid? Waartoe die nasporingen, van welke hij nooit terugkeerde, zonder dat een zwaardere wolk van droefgeestigheid zijn voorhoofd overdekte? Niemand wist het.Gedurende die uitstapjes leiddedoñaLuz, alleen te midden van de ruwe personen die haar omringden, een vrij eentonig leven. Zij bracht hare dagen droevig door, gezeten voor hare tent, of in gezelschap van kapitein Aguilar of den dikken doctor, kleine rijtoertjes makende in den omtrek van het kamp.Ook ditmaal gebeurde hetzelfde, wat bij ieder halt plaats had. Het meisje door haar oom verlaten, en ook door den doctor, die met altijd klimmenden ijver bezig was zijne zonderlinge plant te zoeken, en met dat doel elken morgen het kamp verliet, had geen ander gezelschap dan dat van Aguilar. Maar kapitein Aguilar, wij moeten het bekennen, was, ofschoon jong, beleefd, en vrij verstandig, een niet zeer onderhoudend gezelschap voordoñaLuz. Als gehard soldaat, met leeuwenmoed begaafd, vol van liefde voor den generaal, aan wien hij alles te danken had, was de kapitein buitengewoon gehecht aan de nicht van zijn overste; hij was uiterst bezorgd[80]voor hare veiligheid, maar ten eenenmale onbekend met de middelen om haar den tijd te korten, met die kleine beleefdheden en aangename gesprekken, waarin de jonge dames zooveel behagen scheppen.Ditmaal echter verveeldedoñaLuz zich niet. Sedert dien vreeselijken nacht van den brand, toen Edelhart, evenals een dier fabelachtige helden, wier geschiedenis en ongeloofelijke daden zij zoo vaak gelezen had, plotseling verscheen, om haar en allen die met haar waren te redden, was er in het hart van het meisje een nieuw gevoel ontstaan, waarvan zij zich nog geen rekenschap wist te geven, en dat van dag tot dag sterker werd, om zich eindelijk geheel van haar meester te maken. Het beeld van den jager kwam haar gedurig voor den geest, met dien schitterenden gloriekrans om het hoofd, dien onverzettelijke wilskracht schenkt aan den man, die geen gevaren ontziet, en de natuur dwingt zijne meerderheid te erkennen. Haar geheugen, even onbewimpeld als dat van alle meisjes, die zich nog in het ongestoord bezit van onschuld en reinheid verheugen, schilderde haar met nauwkeurige getrouwheid tot zelfs de minste bijzonderheden dier grootsche heldendaden voor. In één woord, zij verlevendigde in haren geest het aandenken van die rij van gebeurtenissen, waaraan de jager zoo onverwacht deelgenomen had; en waaraan hij, door zijn onbedwingbaren moed en tegenwoordigheid van geest, eene zoo gelukkige wending had gegeven. Het onverhoedsch vertrek van den jager, zijne minachting voor de eenvoudigste dankbetuigingen en zijne schijnbare onverschilligheid voor hen, wie hij het leven had gered, dit alles had het meisje gehinderd; zij was zeer geërgerd over deze, hetzij wezenlijke, hetzij gemaakte koelheid. Ook zag zij voortdurend naar middelen uit, om hem over zijne onverschilligheid berouw te doen gevoelen, zoo het toeval hem ten tweeden male in hare nabijheid mocht brengen.Ieder weet, dat er, al schijnt het bij den eersten oogopslag ongerijmd, van haat, of ook maar van nieuwsgierigheid, tot liefde slechts eene schrede ligt.DoñaLuz deed die schrede, zonder dat zij het wist.DoñaLuz was, zooals wij gezegd hebben, in een klooster opgevoed, over welks drempel de verleiding der wereld het niet waagde den voet te zetten. Hare jeugd was kalm en ongestoord voorbijgegaan onder die vrome of liever bijgeloovige praktijken, die in Mexico den grondslag der godsdienst uitmaken. Toen haar oom haar uit het klooster haalde, om haar mede te nemen op zijne voorgenomen reis door de prairiën, kende het meisje de meest eenvoudige behoeften des levens niet, en wist zij evenveel van het bestaan der wereld, waarin zij zich plotseling bewegen zou, als een blindgeborene van den schitterenden glans der zonnestralen. Deze onwetendheid, die zeer dienstig was voor de plannen van haar oom, was voor het meisje een steen des aanstoots, over welken zij ieder oogenblik struikelen zou.[81]Maar door de zorgen, waarmede de generaal haar omringde, waren de weinige weken, die aan hun vertrek van Mexico voorafgingen, voorbijgegaan, zonder aan het meisje al te veel verdriet te veroorzaken. Wij moeten hier echter eene wel schijnbaar nietige omstandigheid vermelden, maar die toch in den geest vandoñaLuz al te diepe sporen naliet, dan dat wij haar zouden mogen vergeten.De generaal was ijverig bezig met de lieden bijeen te verzamelen, die hij voor zijne onderneming noodig had; hij was dus verplicht om zijne nicht meer aan haar lot over te laten, dan hij wel zou gewild hebben. Daar hij echter vreesde, dat het meisje, als zij alléén met eene oude vrouw in het paleis, dat hij in decalle de los Platerosbewoonde, achterbleef, zich zou vervelen, zond hij haar des avonds dikwijls naar een zijner bloedverwanten, waar zij meestal een uitgelezen gezelschap vond, en bij wie zij haar tijd veel aangenamer kon doorbrengen.Doch, eens, toen het gezelschap grooter geweest was dan gewoonlijk, was men ook veel later dan gewoonlijk uit elkander gegaan.Toen de oude klok van het kloosterde la Mercedelf ure sloeg, keerdendoñaLuz en de oude vrouw, die haar steeds ten dienste stond, onder geleide van een fakkeldrager, naar huis. Zij hadden nog maar weinige schreden af te leggen, toen er eensklaps terwijl zij den hoek dercalle San-Augustinomsloegen, waardoor zij in decalle de los Plateroszouden komen, vier of vijf gemeene kerels als uit den grond schenen op te rijzen, en de beide vrouwen omsingelden, na met een vuistslag de fakkel, die haar den weg wees, te hebben uitgebluscht. Den schrik te beschrijven, die het meisje bij deze onverwachte verschijning overviel, zou onmogelijk zijn; zonder zelfs de kracht te hebben om te schreeuwen, viel zij voor de bandieten op de knieën. De oude vrouw daarentegen maakte met haar geschreeuw een vervaarlijk leven.De mexicaansche bandieten, allen geslepen kerels, hadden de oude vrouw spoedig tot zwijgen gebracht, door haar met haarrebozo(sluier) den mond te stoppen; vervolgens gingen zij, met al de kalmte die zulke waardige lieden in de uitoefening van hun ambt weten te bewaren, verzekerd als zij zijn van de toegevendheid der justitie, waaraan zij van hun kant meestal een deel van den buit afstaan, tot het plunderen van hunne slachtoffers over. Dit werk duurde niet lang, want niet alleen dachten de vrouwen er niet aan om tegenstand te bieden, maar ontdeden zij zich zelfs eigenhandig van hare sieraden, die de bandieten, grijnzend van genoegen, in den zak staken. Doch toen zij hiermede goed aan den gang waren, schitterde er plotseling een flambouw boven hunne hoofden, en rolden twee der bandieten vloekend en razend op den grond. Zij, die overeind bleven staan, woedend over dezen onverwachten aanval, wilden hunne kameraden wreken, en wierpen zich met geweld op den onwelkomen gast. Deze, zonder zich door hun aantal te laten vervaren,[82]deed een stap achteruit, zette zich schrap, en maakte zich gereed hen naar behooren te ontvangen. Bij toeval viel het licht der maan even op zijn gelaat. De bandieten traden verschrikt terug en borgen hunne macheten.»Ha ha!” zeide de onbekende met een verachtelijken glimlach, terwijl hij hen naderde; »gij herkent mij, niet waar? Bij God, ik ben boos, ik heb u juist een les willen geven. Brengt men zoo mijne bevelen ten uitvoer?”De bandieten bleven sprakeloos staan.»Komt,” ging de onbekende voort, »maakt uw zakken leêg, rekels, en geeft aan deze dames alles terug, wat gij haar ontnomen hebt.”Zonder aarzelen haalden de roovers de rebozo weder uit den mond der oude vrouw, en gaven zij den rijken buit, dien zij gemeend hadden zich toe te eigenen, terug.DoñaLuz kon hare verbazing niet bedwingen; zij zag met de uiterste verwondering een vreemden man zulk een groot gezag uitoefenen over onbeschaamde bandieten.»Is dat wel alles?” vroeg hij aan het meisje; »ontbreekt u niets meer,Señora?”»Niets, mijnheer,” antwoordde zij meer dood dan levend, zonder zelfs te weten wat zij zeide.»Komt,” ging de onbekende voort, »gaat nu weg, schelmen, ik zal de dames begeleiden.”De bandieten lieten het zich geen tweemaal zeggen; zij verdwenen als een vlucht raven, hunne gewonden met zich voerende.Zoodra hij met de beide vrouwen alleen was, wendde de onbekende zich totdoñaLuz.»Vergun mij,Señorita, u mijn arm aan te bieden,” zeide hij met de meest mogelijke beleefdheid; »de schrik, dien gij ondervonden hebt, maakt u het loopen moeielijk.”Werktuigelijk en zonder te antwoorden, legde het meisje haar arm in dien, welke haar werd aangeboden. Aan het paleis gekomen, klopte de onbekende aan de deur, en vervolgens zijn hoed afnemende, zeide hij:»Señorita, ik ben verheugd, dat het toeval mij in de gelegenheid heeft gebracht om u een kleine dienst te bewijzen … ik zal de eer hebben u nog eens weder te zien. Reeds langen tijd volg ik in het donker uwe schreden. God, die mij de gunst verleende van eenmaal met u te spreken, zal mij die ook ten tweeden male toestaan; daarvan ben ik overtuigd, hoewel gij binnen weinige dagen eene lange reis ondernemen gaat. Vergun mij dus, u niet een »vaarwel” toe te roepen, maar een »tot weêrziens”!”En na een diepe buiging voor het meisje, verwijderde hij zich.Veertien dagen na dit zonderlinge avontuur, dat zij beter gevonden had aan haar oom niet mede te deelen, verlietdoñaLuz[83]Mexico, zonder den onbekende te hebben wedergezien. Doch den dag voor haar vertrek had zij in hare slaapkamer op haar bidstoeltje een gevouwen papier gevonden. Hierop waren met een fraaie hand deze weinige woorden geschreven:»Gij vertrekt,DoñaLuz; denk er om, dat ik u een »tot weêrziens” heb toegeroepen.”Uw redder van la calle de Plateros.”Langen tijd had dit voorval den geest van het meisje bezig gehouden; een oogenblik zelfs had zij gemeend, dat Edelhart en haar onbekende redder een en dezelfde persoon waren, maar deze veronderstelling was weldra weder geweken. Wat toch zou dit waarschijnlijk hebben gemaakt? Met welk doel zou Edelhart, na haar gered te hebben, zich dan zoo snel hebben verwijderd? Daarvoor kon immers geen reden bestaan.Maar naarmate het avontuur van Mexico uit haar gedachte week, werd de plaats daarin aan Edelhart toegestaan, grooter. Zij zou den jager hebben willen zien, met hem hebben willen spreken. Waarom? Dat wist zij zelve niet; om hem te zien, om zijne stem te hooren, om zich aan zijn aanblik te verzadigen; nergens anders om. Alle meisjes zijn zoo.Maar hoe zou zij hem wederzien? Dáár verhief zich voor het arme kind eene onmogelijkheid, die haar moedeloos het hoofd deed buigen.En toch, een zeker iets op den bodem haars harten, misschien wel die geheimvolle stem, die bij het ontwaken der liefde tot de meisjes spreekt, zeide haar, dat weldra haar verlangen in vervulling zou overgaan. Zij hoopte. Waarop? op een onvoorzien toeval, misschien wel op een vreeselijk gevaar, dat hen bij elkander zou brengen. De ware liefde twijfelt soms, zij wanhoopt nooit.Vier dagen na de oprichting van het kamp op den heuvel, toen zij des avonds hare tent binnen trad, glimlachte het meisje inwendig op het zien van haren oom, die zich in gedachten verzonken, gereed maakte, om zich aan de rust over te geven.DoñaLuz had eindelijk een middel gevonden, om Edelhart op te zoeken.
De generaal had een zoo diep stilzwijgen bewaard over de oorzaken die hem eene reis in de prairiën, ten westen der Vereenigde Staten, hadden doen ondernemen, dat zij die hem vergezelden, er slechts naar hadden kunnen raden. Verscheidene malen reeds had op zijn bevel en zonder eenige blijkbare oorzaak, de karavaan in volslagen woeste streken gekampeerd, om aldaar acht, ja zelfs veertien dagen te blijven, zonder dat er eenige beweegreden voor dit oponthoud scheen te bestaan. Gedurende zulk een rusttijd ging de generaal iederen morgen met een der gidsen uit, om niet voor den avond terug te komen. Wat deed hij gedurende die lange uren zijner afwezigheid? Waartoe die nasporingen, van welke hij nooit terugkeerde, zonder dat een zwaardere wolk van droefgeestigheid zijn voorhoofd overdekte? Niemand wist het.
Gedurende die uitstapjes leiddedoñaLuz, alleen te midden van de ruwe personen die haar omringden, een vrij eentonig leven. Zij bracht hare dagen droevig door, gezeten voor hare tent, of in gezelschap van kapitein Aguilar of den dikken doctor, kleine rijtoertjes makende in den omtrek van het kamp.
Ook ditmaal gebeurde hetzelfde, wat bij ieder halt plaats had. Het meisje door haar oom verlaten, en ook door den doctor, die met altijd klimmenden ijver bezig was zijne zonderlinge plant te zoeken, en met dat doel elken morgen het kamp verliet, had geen ander gezelschap dan dat van Aguilar. Maar kapitein Aguilar, wij moeten het bekennen, was, ofschoon jong, beleefd, en vrij verstandig, een niet zeer onderhoudend gezelschap voordoñaLuz. Als gehard soldaat, met leeuwenmoed begaafd, vol van liefde voor den generaal, aan wien hij alles te danken had, was de kapitein buitengewoon gehecht aan de nicht van zijn overste; hij was uiterst bezorgd[80]voor hare veiligheid, maar ten eenenmale onbekend met de middelen om haar den tijd te korten, met die kleine beleefdheden en aangename gesprekken, waarin de jonge dames zooveel behagen scheppen.
Ditmaal echter verveeldedoñaLuz zich niet. Sedert dien vreeselijken nacht van den brand, toen Edelhart, evenals een dier fabelachtige helden, wier geschiedenis en ongeloofelijke daden zij zoo vaak gelezen had, plotseling verscheen, om haar en allen die met haar waren te redden, was er in het hart van het meisje een nieuw gevoel ontstaan, waarvan zij zich nog geen rekenschap wist te geven, en dat van dag tot dag sterker werd, om zich eindelijk geheel van haar meester te maken. Het beeld van den jager kwam haar gedurig voor den geest, met dien schitterenden gloriekrans om het hoofd, dien onverzettelijke wilskracht schenkt aan den man, die geen gevaren ontziet, en de natuur dwingt zijne meerderheid te erkennen. Haar geheugen, even onbewimpeld als dat van alle meisjes, die zich nog in het ongestoord bezit van onschuld en reinheid verheugen, schilderde haar met nauwkeurige getrouwheid tot zelfs de minste bijzonderheden dier grootsche heldendaden voor. In één woord, zij verlevendigde in haren geest het aandenken van die rij van gebeurtenissen, waaraan de jager zoo onverwacht deelgenomen had; en waaraan hij, door zijn onbedwingbaren moed en tegenwoordigheid van geest, eene zoo gelukkige wending had gegeven. Het onverhoedsch vertrek van den jager, zijne minachting voor de eenvoudigste dankbetuigingen en zijne schijnbare onverschilligheid voor hen, wie hij het leven had gered, dit alles had het meisje gehinderd; zij was zeer geërgerd over deze, hetzij wezenlijke, hetzij gemaakte koelheid. Ook zag zij voortdurend naar middelen uit, om hem over zijne onverschilligheid berouw te doen gevoelen, zoo het toeval hem ten tweeden male in hare nabijheid mocht brengen.
Ieder weet, dat er, al schijnt het bij den eersten oogopslag ongerijmd, van haat, of ook maar van nieuwsgierigheid, tot liefde slechts eene schrede ligt.DoñaLuz deed die schrede, zonder dat zij het wist.
DoñaLuz was, zooals wij gezegd hebben, in een klooster opgevoed, over welks drempel de verleiding der wereld het niet waagde den voet te zetten. Hare jeugd was kalm en ongestoord voorbijgegaan onder die vrome of liever bijgeloovige praktijken, die in Mexico den grondslag der godsdienst uitmaken. Toen haar oom haar uit het klooster haalde, om haar mede te nemen op zijne voorgenomen reis door de prairiën, kende het meisje de meest eenvoudige behoeften des levens niet, en wist zij evenveel van het bestaan der wereld, waarin zij zich plotseling bewegen zou, als een blindgeborene van den schitterenden glans der zonnestralen. Deze onwetendheid, die zeer dienstig was voor de plannen van haar oom, was voor het meisje een steen des aanstoots, over welken zij ieder oogenblik struikelen zou.[81]
Maar door de zorgen, waarmede de generaal haar omringde, waren de weinige weken, die aan hun vertrek van Mexico voorafgingen, voorbijgegaan, zonder aan het meisje al te veel verdriet te veroorzaken. Wij moeten hier echter eene wel schijnbaar nietige omstandigheid vermelden, maar die toch in den geest vandoñaLuz al te diepe sporen naliet, dan dat wij haar zouden mogen vergeten.
De generaal was ijverig bezig met de lieden bijeen te verzamelen, die hij voor zijne onderneming noodig had; hij was dus verplicht om zijne nicht meer aan haar lot over te laten, dan hij wel zou gewild hebben. Daar hij echter vreesde, dat het meisje, als zij alléén met eene oude vrouw in het paleis, dat hij in decalle de los Platerosbewoonde, achterbleef, zich zou vervelen, zond hij haar des avonds dikwijls naar een zijner bloedverwanten, waar zij meestal een uitgelezen gezelschap vond, en bij wie zij haar tijd veel aangenamer kon doorbrengen.
Doch, eens, toen het gezelschap grooter geweest was dan gewoonlijk, was men ook veel later dan gewoonlijk uit elkander gegaan.
Toen de oude klok van het kloosterde la Mercedelf ure sloeg, keerdendoñaLuz en de oude vrouw, die haar steeds ten dienste stond, onder geleide van een fakkeldrager, naar huis. Zij hadden nog maar weinige schreden af te leggen, toen er eensklaps terwijl zij den hoek dercalle San-Augustinomsloegen, waardoor zij in decalle de los Plateroszouden komen, vier of vijf gemeene kerels als uit den grond schenen op te rijzen, en de beide vrouwen omsingelden, na met een vuistslag de fakkel, die haar den weg wees, te hebben uitgebluscht. Den schrik te beschrijven, die het meisje bij deze onverwachte verschijning overviel, zou onmogelijk zijn; zonder zelfs de kracht te hebben om te schreeuwen, viel zij voor de bandieten op de knieën. De oude vrouw daarentegen maakte met haar geschreeuw een vervaarlijk leven.
De mexicaansche bandieten, allen geslepen kerels, hadden de oude vrouw spoedig tot zwijgen gebracht, door haar met haarrebozo(sluier) den mond te stoppen; vervolgens gingen zij, met al de kalmte die zulke waardige lieden in de uitoefening van hun ambt weten te bewaren, verzekerd als zij zijn van de toegevendheid der justitie, waaraan zij van hun kant meestal een deel van den buit afstaan, tot het plunderen van hunne slachtoffers over. Dit werk duurde niet lang, want niet alleen dachten de vrouwen er niet aan om tegenstand te bieden, maar ontdeden zij zich zelfs eigenhandig van hare sieraden, die de bandieten, grijnzend van genoegen, in den zak staken. Doch toen zij hiermede goed aan den gang waren, schitterde er plotseling een flambouw boven hunne hoofden, en rolden twee der bandieten vloekend en razend op den grond. Zij, die overeind bleven staan, woedend over dezen onverwachten aanval, wilden hunne kameraden wreken, en wierpen zich met geweld op den onwelkomen gast. Deze, zonder zich door hun aantal te laten vervaren,[82]deed een stap achteruit, zette zich schrap, en maakte zich gereed hen naar behooren te ontvangen. Bij toeval viel het licht der maan even op zijn gelaat. De bandieten traden verschrikt terug en borgen hunne macheten.
»Ha ha!” zeide de onbekende met een verachtelijken glimlach, terwijl hij hen naderde; »gij herkent mij, niet waar? Bij God, ik ben boos, ik heb u juist een les willen geven. Brengt men zoo mijne bevelen ten uitvoer?”
De bandieten bleven sprakeloos staan.
»Komt,” ging de onbekende voort, »maakt uw zakken leêg, rekels, en geeft aan deze dames alles terug, wat gij haar ontnomen hebt.”
Zonder aarzelen haalden de roovers de rebozo weder uit den mond der oude vrouw, en gaven zij den rijken buit, dien zij gemeend hadden zich toe te eigenen, terug.
DoñaLuz kon hare verbazing niet bedwingen; zij zag met de uiterste verwondering een vreemden man zulk een groot gezag uitoefenen over onbeschaamde bandieten.
»Is dat wel alles?” vroeg hij aan het meisje; »ontbreekt u niets meer,Señora?”
»Niets, mijnheer,” antwoordde zij meer dood dan levend, zonder zelfs te weten wat zij zeide.
»Komt,” ging de onbekende voort, »gaat nu weg, schelmen, ik zal de dames begeleiden.”
De bandieten lieten het zich geen tweemaal zeggen; zij verdwenen als een vlucht raven, hunne gewonden met zich voerende.
Zoodra hij met de beide vrouwen alleen was, wendde de onbekende zich totdoñaLuz.
»Vergun mij,Señorita, u mijn arm aan te bieden,” zeide hij met de meest mogelijke beleefdheid; »de schrik, dien gij ondervonden hebt, maakt u het loopen moeielijk.”
Werktuigelijk en zonder te antwoorden, legde het meisje haar arm in dien, welke haar werd aangeboden. Aan het paleis gekomen, klopte de onbekende aan de deur, en vervolgens zijn hoed afnemende, zeide hij:
»Señorita, ik ben verheugd, dat het toeval mij in de gelegenheid heeft gebracht om u een kleine dienst te bewijzen … ik zal de eer hebben u nog eens weder te zien. Reeds langen tijd volg ik in het donker uwe schreden. God, die mij de gunst verleende van eenmaal met u te spreken, zal mij die ook ten tweeden male toestaan; daarvan ben ik overtuigd, hoewel gij binnen weinige dagen eene lange reis ondernemen gaat. Vergun mij dus, u niet een »vaarwel” toe te roepen, maar een »tot weêrziens”!”
En na een diepe buiging voor het meisje, verwijderde hij zich.
Veertien dagen na dit zonderlinge avontuur, dat zij beter gevonden had aan haar oom niet mede te deelen, verlietdoñaLuz[83]Mexico, zonder den onbekende te hebben wedergezien. Doch den dag voor haar vertrek had zij in hare slaapkamer op haar bidstoeltje een gevouwen papier gevonden. Hierop waren met een fraaie hand deze weinige woorden geschreven:
»Gij vertrekt,DoñaLuz; denk er om, dat ik u een »tot weêrziens” heb toegeroepen.”Uw redder van la calle de Plateros.”
»Gij vertrekt,DoñaLuz; denk er om, dat ik u een »tot weêrziens” heb toegeroepen.”
Uw redder van la calle de Plateros.”
Langen tijd had dit voorval den geest van het meisje bezig gehouden; een oogenblik zelfs had zij gemeend, dat Edelhart en haar onbekende redder een en dezelfde persoon waren, maar deze veronderstelling was weldra weder geweken. Wat toch zou dit waarschijnlijk hebben gemaakt? Met welk doel zou Edelhart, na haar gered te hebben, zich dan zoo snel hebben verwijderd? Daarvoor kon immers geen reden bestaan.
Maar naarmate het avontuur van Mexico uit haar gedachte week, werd de plaats daarin aan Edelhart toegestaan, grooter. Zij zou den jager hebben willen zien, met hem hebben willen spreken. Waarom? Dat wist zij zelve niet; om hem te zien, om zijne stem te hooren, om zich aan zijn aanblik te verzadigen; nergens anders om. Alle meisjes zijn zoo.
Maar hoe zou zij hem wederzien? Dáár verhief zich voor het arme kind eene onmogelijkheid, die haar moedeloos het hoofd deed buigen.
En toch, een zeker iets op den bodem haars harten, misschien wel die geheimvolle stem, die bij het ontwaken der liefde tot de meisjes spreekt, zeide haar, dat weldra haar verlangen in vervulling zou overgaan. Zij hoopte. Waarop? op een onvoorzien toeval, misschien wel op een vreeselijk gevaar, dat hen bij elkander zou brengen. De ware liefde twijfelt soms, zij wanhoopt nooit.
Vier dagen na de oprichting van het kamp op den heuvel, toen zij des avonds hare tent binnen trad, glimlachte het meisje inwendig op het zien van haren oom, die zich in gedachten verzonken, gereed maakte, om zich aan de rust over te geven.
DoñaLuz had eindelijk een middel gevonden, om Edelhart op te zoeken.