[Inhoud]XIII.DE BIJENJACHT.Nauwelijks verspreidde de zon haar eerste stralen, toen de generaal, wiens paard gezadeld stond, de rieten hut verliet, die hem tot slaapkamer diende, en zich gereed maakte om te vertrekken. Juist[84]toen hij den voet in den stijgbeugel zette, werd het gordijn der tent door een kleine hand opgelicht, en kwamdoñaLuz te voorschijn.»Zoo, zoo! reeds op?” zeide de generaal lachend: »des te beter, mijn kind, dan kan ik u nog omhelzen eer ik wegga; dat zal mij misschien geluk aanbrengen.”»Gij moogt zoo niet weggaan, oom,” antwoordde zij, hem haar voorhoofd voorhoudende, waarop hij een kus drukte.»Waarom niet, juffertje?” vroeg hij.»Omdat ik iets voor u heb klaar gemaakt, dat gij eerst nog gebruiken moet; dat zult gij mij niet weigeren, niet waar, beste oom?” zeide zij met dien eigenaardigen glimlach van bedorven kinderen, die het hart eens grijsaards verkwikt.»Neen, zeker niet, lief kind, tenzij het ontbijt, dat gij mij zoo welwillend aanbiedt, zich niet lang late wachten, want ik heb haast.”»Ik vraag maar een uitstel van enkele minuten,” antwoordde zij, de tent wederom binnentredende.»Ga uw gang,” zeide hij, haar volgende.Het meisje klapte van vreugde in hare handen!In een oogwenk was het ontbijt gereed; en de generaal zette zich met zijne nicht aan tafel. Terwijl zij haar oom bediende, en zorg droeg, dat hem niets ontbrak, zag het meisje hem met zulk een verlegen blik aan, dat het den ouden soldaat weldra in het oog viel.»Kom,” zeide hij, »gij hebt mij iets te vragen, Lucita; spreek, gij weet wel, dat ik u niets kan weigeren.”»Dat is zoo, oom; maar nu ben ik toch bang, dat ik u niet gemakkelijk zal kunnen overhalen.”»Nu, nu!” zeide de generaal vroolijk, »is het dan zulk een zaak van gewicht?”»Integendeel, oom; maar toch ben ik bang dat gij uwe toestemming niet geven zult.”»Nu spreek, mijn kind, spreek zonder vrees; als gij gezegd hebt zal ik antwoorden.”»Welnu,” zeide het meisje, rood wordende, »ik moet u bekennen, dat het leven in het kamp niets aangenaams voor mij heeft.”»Dat begrijp ik, kindlief, maar wat kan ik er aan doen?”»Alles.”»Hoe dat?”»Maar, oom, als gij maar hier waart, zou het niets zijn, dan had ik u bij mij.”»Het is heel lief, wat gij daar zegt, maar gij weet, dat ik iederen morgen uitga, en dat ik niet.…”»Daar zit juist de knoop.”»Ja.”»Maar, als gij wilt, zou hij gemakkelijk door te hakken zijn.”»Denkt gij dat?”[85]»Ik weet het zeker.”»Ik zie het niet in. Het is mij onmogelijk om bij u te blijven.”»O, maar het kan wel op een andere wijze gevonden worden.”»Neen, neen.”»Ja, oom, er is een heel eenvoudig middel.”»En welk is dan dat middel, mijn poesje?”»Zal oompje niet knorren?”»Stoutert, knor ik ooit op u?”»Och neen, gij zijt zoo goed!”»Nu, laat eens zien, wat wilt gij?”»Dat middel, dat ik bedoel, oom, is …”»Nu, is.…?”»Mij iederen morgen met u mede te nemen.”»Ach! ach!” zeide de generaal de wenkbrauwen fronsende, »welk een vraag doet gij mij daar, lief kind!”»Een heel eenvoudige vraag, dunkt mij, oom.”De generaal antwoordde niet, hij dacht na. Het meisje volgde angstig op zijn gelaat het vluchtig spoor zijner gedachten. Na eenige oogenblikken hief hij het hoofd op, en prevelde:»Inderdaad, het zal misschien nog het beste zijn;” en een blik slaande op het meisje, zeide hij: »Gij zoudt dus gaarne met mij medegaan?”»Ja, oom, zeer gaarne,” antwoordde zij.»Nu maak u dan maar klaar, voortaan zult gij mij op mijne uitstapjes vergezellen.”Het meisje sprong verheugd op, omhelsde haar oom met warmte en gaf bevel om haar paard te zadelen. Een kwartier later verlietendoñaLuz en haar oom, voorafgegaan door den Babbelaar en gevolgd door twee lanceros de tent, en verdwenen in het bosch.»Welken kant wilt gij heden uit, generaal?” vroeg de gids.»Breng mij naar de hutten dier pelsjagers, waarvan gij mij gisteren gesproken hebt.”De gids boog, ten teeken van gehoorzaamheid. De kleine troep ging langzaam en moeielijk voort langs een nauwelijks gebaand voetpad, waar met iedere schrede de paarden in de lianen verward raakten, of zich stootten tegen de boven den grond uitstekende boomwortels.DoñaLuz was gelukkig. Misschien zou zij op die tochtjes Edelhart ontmoeten.De Babbelaar, die vooruit liep, liet eensklaps een schreeuw hooren.»Wel,” zeide de generaal, »wat gebeurt er dan voor buitengewoons, dat gij u verwaardigt den mond te openen?”»Bijen, uwe Excellentie!”»Hoe, bijen? zijn hier bijen?”»Ja, doch eerst sedert kort.”»Hoe, eerst sedert kort?”»Ja, gij weet dat de bijen door de blanken in Amerika gebracht zijn.”[86]»Ja. Maar hoe komt het, dat wij ze hier ontmoeten?”»O, dat is heel eenvoudig; de bijen zijn de voorloopers der blanken; naarmate de blanken dieper in Amerika indringen, gaan de bijen hun voor, om hun den weg te banen, en de plekken aan te wijzen, die ter ontginning geschikt zijn. Hare verschijning in een onbewoonde landstreek is altijd de voorbode van een kolonie pionniers of squatters.”»Dat is vreemd,” prevelde de generaal, »en zijt gij zeker van wat gij daar zegt?”»O, heel zeker, uwe Excellentie! Wat ik u daar zeg is aan al de Indianen bekend; zij vergissen er zich nooit in; naarmate de bijen voortrukken, gaan zij achteruit.”»Dat is inderdaad zonderling.”»De honing zal wel goed zijn,” zeidedoñaLuz.»Uitmuntend,Señorita, en zoo gij ze proeven wilt, niets is gemakkelijker dan ze meester te worden.”»Ga uw gang,” zeide de generaal.De gids, die voor weinige oogenblikken op de struiken eenig aas voor de bijen had nedergelegd, welke zijn scherpe blik in grooten getale tusschen de bladeren had zien vliegen, gaf aan allen, die hem volgden, een teeken om stil te staan.De bijen hadden zich werkelijk op het aas nedergezet, en onderzochten het van alle kanten; toen zij genoeg voorraad hadden opgedaan, verhieven zij zich hoog in de lucht, en vervolgens vlogen zij met de snelheid van een vogel in een rechte lijn voort.De gids ging aandachtig de door haar gekozen richting na en een teeken gevende aan den generaal, volgde hij met den geheelen troep haar spoor, zich een weg banende door de in elkander geweven takken, en zonder zijne oogen van den hemel af te wenden. Op deze wijze verloren zij de beladene bijen niet uit het oog, en na een uur gaans zagen zij, hoe zij bij haar geïmproviseerde korf in de holte van een dooden ebbenhoutboom aanlandden, een oogenblik er omheen fladderden, en eindelijk naar binnen gingen door een gat, dat zich tachtig voet boven den grond bevond. Toen waarschuwde de gids zijne reisgezellen om zich op eerbiedigen afstand te houden, ten einde niet door den boom verpletterd te worden, en beschut te zijn tegen de wraak zijner bewoners; hij greep zijn bijl, en begon er dapper op los te hakken. De bijen schenen volstrekt niet bang te zijn voor de slagen van de bijl, zij bleven in en uitgaan, en zetten onbezorgd haar arbeid voort. Een hevig gekraak zelfs, de voorbode van den naderenden val des booms, stoorde haar niet in die vlijt. Eindelijk viel de boom, met een vreeselijk gedreun, en opende zich over zijne geheele lengte, zoodat de met zooveel zorg bijeenverzamelde schatten der kleine maatschappij zichtbaar werden. De gids greep onmiddellijk een bosje hooi, dat hij had gereed gemaakt, en stak het in brand om tegen de bijen beveiligd[87]te zijn. Maar zij vielen niemand aan, zij poogden zich niet te wreken. De arme dieren waren geheel verslagen, zij gonsden en vlogen in alle richtingen voort, zonder aan iets anders te denken, dan aan de mogelijke oorzaak van dit onheil. Ondertusschen begonnen de gids en de lanceros ijverig met lepels en sabels de honigraten te voorschijn te halen en in lederen zakken te bergen. Sommigen waren donkerbruin en van ouden datum, anderen helder blank; de honig in de cellen was bijna doorschijnend.Terwijl men zich haastte om zich van de beste honigraten meester te maken, kwamen van alle kanten tallooze zwermen bijen aanvliegen, die zich in de cellen der gebrokene raten dompelden en groote ladingen mede namen; de overige bewoners van den korf zagen ondertusschen treurig en somber het plunderen van hunne woning aan, zonder zelfs eene poging aan te wenden, om ook maar het minste te redden. De verslagenheid der bijen, die op het oogenblik van het onheil afwezig waren, en nu de een, dan de ander, met hare lading aankwamen, is onmogelijk te beschrijven: zij beschreven cirkels in de lucht, rondom de plek, waar de boom gestaan had, verwonderd die thans ledig te vinden; eindelijk schenen zij hare ramp te beseffen, en verzamelden zij zich groepsgewijze op een verdorden tak van een naburigen boom, als om van daar de puinhoopen van haar rijk in oogenschouw te nemen en over de verwoesting daarvan te klagen.DoñaLuz was haars ondanks bewogen over het verdriet van die arme dieren.»Ach,” zeide zij, »het spijt mij dat ik naar honig verlangd heb; mijne gulzigheid is voor vele wezens de oorzaak van een groot ongeluk.”»Laat ons gaan,” zeide de generaal glimlachend, »en hun deze weinige raten laten behouden.”»O,” zeide de gids, de schouders ophalend, »weldra zullen zij door het wild gedierte zijn weggehaald.”»Hoe, door het wild gedierte? door welk wild gedierte?” vroeg de generaal.»Door deracoons, door deopossumsen vooral door de beren.”»Door de beren?” zeidedoñaLuz.»O,Señorita,” hernam de gids, »dat zijn de slimste dieren om een bijenboom te ontdekken, en er hun voordeel mede te doen.”»Zij houden dus van honig?” vroeg het meisje nieuwsgierig.»Zij zijn er dol op,Señorita,” antwoordde de gids, die los begon te worden; »verbeeld u, zij zijn zoo gulzig, dat zij weken lang aan een boom knagen, totdat zij een gat hebben gemaakt, groot genoeg om er hunne pooten door te steken, en dan nemen zij de honig en de bijen mede, zonder zich de moeite te geven van te kiezen.”»Laat ons nu,” zeide de generaal, »onze reis hervatten en ons naar de pelsjagers begeven.”[88]»O, wij zullen er weldra zijn, uwe Excellentie,” antwoordde de gids; »wij zijn nog maar weinige schreden van de groote Canadasche rivier verwijderd, aan welker oevers zich de pelsjagers gevestigd hebben.”De kleine troep hervatte zijn tocht. De bijenjacht had onwillekeurig een treurigen indruk bij het meisje achtergelaten; die arme kleine dieren, zoo onschuldig en ijverig, om een loutere gril aangevallen en verjaagd, wekten haar medelijden en nadenken op. Haar oom werd dit gewaar.»Lief kind,” zeide hij, »wat gaat er in u om? gij zijt niet meer zoo vroolijk, als toen wij vertrokken. Vanwaar die plotselinge verandering?”»Och, oom, maak u daarover niet ongerust, ik ben evenals alle jonge meisjes een beetje dwaas en grillig, die bijenjacht waarvan ik mij zooveel genoegen voorstelde, heeft mij onwillekeurig tot treurigheid gestemd.”»Gelukkig kind!” prevelde de generaal, »dat nog om zulk een nietige oorzaak bedroefd kan worden; God geve, mijne lieve, dat gij nog lang zoo blijven moogt, en dat nooit grootere en diepere smarten u treffen.”»Beste oom, zal ik bij u niet altijd gelukkig zijn?”»Helaas! mijn kind, wie weet of het Gods wil is, dat ik nog lang bij u zal blijven?”»Zeg dat niet, oom, ik hoop dat wij nog lange jaren te zamen zullen doorbrengen.”De generaal antwoordde slechts met een zucht.»Oom,” hernam het meisje, na een oogenblik zwijgens: »vindt gij niet, dat het gezicht der grootsche en verheven natuur om ons heen iets aangrijpends heeft, dat de gedachte veredelt, de ziel verheft en den mensen beter maakt? Wat moeten zij, die in die onbegrensde, eenzame wildernis leven, gelukkig zijn!”De generaal zag haar verwonderd aan.»Van waar komen u die gedachten, lief kind?” zeide hij.»Ik weet het niet, oom,” antwoordde zij verlegen; »ik ben maar een dom meisje, dat tot nu toe stil en vreedzaam naast u heb voortgeleefd; maar er zijn oogenblikken, waarin het mij toeschijnt, dat ik gelukkig zou wezen, indien ik in die uitgestrekte woestijnen leven mocht.”De generaal, verrast, en inwendig verrukt over de onschuldige openhartigheid van zijne nicht, maakte zich gereed om haar te antwoorden, toen de gids eensklaps nader bij kwam, een teeken gaf om de stilte te bewaren, en met een stem, zacht als een ademtocht, zeide:»Een mensch!.…”... en met een stem, zacht als een ademtogt, zeide: „Een mensch!....” bladz. 88.… en met een stem, zacht als een ademtogt, zeide: „Een mensch!.…” bladz. 88.[89]
[Inhoud]XIII.DE BIJENJACHT.Nauwelijks verspreidde de zon haar eerste stralen, toen de generaal, wiens paard gezadeld stond, de rieten hut verliet, die hem tot slaapkamer diende, en zich gereed maakte om te vertrekken. Juist[84]toen hij den voet in den stijgbeugel zette, werd het gordijn der tent door een kleine hand opgelicht, en kwamdoñaLuz te voorschijn.»Zoo, zoo! reeds op?” zeide de generaal lachend: »des te beter, mijn kind, dan kan ik u nog omhelzen eer ik wegga; dat zal mij misschien geluk aanbrengen.”»Gij moogt zoo niet weggaan, oom,” antwoordde zij, hem haar voorhoofd voorhoudende, waarop hij een kus drukte.»Waarom niet, juffertje?” vroeg hij.»Omdat ik iets voor u heb klaar gemaakt, dat gij eerst nog gebruiken moet; dat zult gij mij niet weigeren, niet waar, beste oom?” zeide zij met dien eigenaardigen glimlach van bedorven kinderen, die het hart eens grijsaards verkwikt.»Neen, zeker niet, lief kind, tenzij het ontbijt, dat gij mij zoo welwillend aanbiedt, zich niet lang late wachten, want ik heb haast.”»Ik vraag maar een uitstel van enkele minuten,” antwoordde zij, de tent wederom binnentredende.»Ga uw gang,” zeide hij, haar volgende.Het meisje klapte van vreugde in hare handen!In een oogwenk was het ontbijt gereed; en de generaal zette zich met zijne nicht aan tafel. Terwijl zij haar oom bediende, en zorg droeg, dat hem niets ontbrak, zag het meisje hem met zulk een verlegen blik aan, dat het den ouden soldaat weldra in het oog viel.»Kom,” zeide hij, »gij hebt mij iets te vragen, Lucita; spreek, gij weet wel, dat ik u niets kan weigeren.”»Dat is zoo, oom; maar nu ben ik toch bang, dat ik u niet gemakkelijk zal kunnen overhalen.”»Nu, nu!” zeide de generaal vroolijk, »is het dan zulk een zaak van gewicht?”»Integendeel, oom; maar toch ben ik bang dat gij uwe toestemming niet geven zult.”»Nu spreek, mijn kind, spreek zonder vrees; als gij gezegd hebt zal ik antwoorden.”»Welnu,” zeide het meisje, rood wordende, »ik moet u bekennen, dat het leven in het kamp niets aangenaams voor mij heeft.”»Dat begrijp ik, kindlief, maar wat kan ik er aan doen?”»Alles.”»Hoe dat?”»Maar, oom, als gij maar hier waart, zou het niets zijn, dan had ik u bij mij.”»Het is heel lief, wat gij daar zegt, maar gij weet, dat ik iederen morgen uitga, en dat ik niet.…”»Daar zit juist de knoop.”»Ja.”»Maar, als gij wilt, zou hij gemakkelijk door te hakken zijn.”»Denkt gij dat?”[85]»Ik weet het zeker.”»Ik zie het niet in. Het is mij onmogelijk om bij u te blijven.”»O, maar het kan wel op een andere wijze gevonden worden.”»Neen, neen.”»Ja, oom, er is een heel eenvoudig middel.”»En welk is dan dat middel, mijn poesje?”»Zal oompje niet knorren?”»Stoutert, knor ik ooit op u?”»Och neen, gij zijt zoo goed!”»Nu, laat eens zien, wat wilt gij?”»Dat middel, dat ik bedoel, oom, is …”»Nu, is.…?”»Mij iederen morgen met u mede te nemen.”»Ach! ach!” zeide de generaal de wenkbrauwen fronsende, »welk een vraag doet gij mij daar, lief kind!”»Een heel eenvoudige vraag, dunkt mij, oom.”De generaal antwoordde niet, hij dacht na. Het meisje volgde angstig op zijn gelaat het vluchtig spoor zijner gedachten. Na eenige oogenblikken hief hij het hoofd op, en prevelde:»Inderdaad, het zal misschien nog het beste zijn;” en een blik slaande op het meisje, zeide hij: »Gij zoudt dus gaarne met mij medegaan?”»Ja, oom, zeer gaarne,” antwoordde zij.»Nu maak u dan maar klaar, voortaan zult gij mij op mijne uitstapjes vergezellen.”Het meisje sprong verheugd op, omhelsde haar oom met warmte en gaf bevel om haar paard te zadelen. Een kwartier later verlietendoñaLuz en haar oom, voorafgegaan door den Babbelaar en gevolgd door twee lanceros de tent, en verdwenen in het bosch.»Welken kant wilt gij heden uit, generaal?” vroeg de gids.»Breng mij naar de hutten dier pelsjagers, waarvan gij mij gisteren gesproken hebt.”De gids boog, ten teeken van gehoorzaamheid. De kleine troep ging langzaam en moeielijk voort langs een nauwelijks gebaand voetpad, waar met iedere schrede de paarden in de lianen verward raakten, of zich stootten tegen de boven den grond uitstekende boomwortels.DoñaLuz was gelukkig. Misschien zou zij op die tochtjes Edelhart ontmoeten.De Babbelaar, die vooruit liep, liet eensklaps een schreeuw hooren.»Wel,” zeide de generaal, »wat gebeurt er dan voor buitengewoons, dat gij u verwaardigt den mond te openen?”»Bijen, uwe Excellentie!”»Hoe, bijen? zijn hier bijen?”»Ja, doch eerst sedert kort.”»Hoe, eerst sedert kort?”»Ja, gij weet dat de bijen door de blanken in Amerika gebracht zijn.”[86]»Ja. Maar hoe komt het, dat wij ze hier ontmoeten?”»O, dat is heel eenvoudig; de bijen zijn de voorloopers der blanken; naarmate de blanken dieper in Amerika indringen, gaan de bijen hun voor, om hun den weg te banen, en de plekken aan te wijzen, die ter ontginning geschikt zijn. Hare verschijning in een onbewoonde landstreek is altijd de voorbode van een kolonie pionniers of squatters.”»Dat is vreemd,” prevelde de generaal, »en zijt gij zeker van wat gij daar zegt?”»O, heel zeker, uwe Excellentie! Wat ik u daar zeg is aan al de Indianen bekend; zij vergissen er zich nooit in; naarmate de bijen voortrukken, gaan zij achteruit.”»Dat is inderdaad zonderling.”»De honing zal wel goed zijn,” zeidedoñaLuz.»Uitmuntend,Señorita, en zoo gij ze proeven wilt, niets is gemakkelijker dan ze meester te worden.”»Ga uw gang,” zeide de generaal.De gids, die voor weinige oogenblikken op de struiken eenig aas voor de bijen had nedergelegd, welke zijn scherpe blik in grooten getale tusschen de bladeren had zien vliegen, gaf aan allen, die hem volgden, een teeken om stil te staan.De bijen hadden zich werkelijk op het aas nedergezet, en onderzochten het van alle kanten; toen zij genoeg voorraad hadden opgedaan, verhieven zij zich hoog in de lucht, en vervolgens vlogen zij met de snelheid van een vogel in een rechte lijn voort.De gids ging aandachtig de door haar gekozen richting na en een teeken gevende aan den generaal, volgde hij met den geheelen troep haar spoor, zich een weg banende door de in elkander geweven takken, en zonder zijne oogen van den hemel af te wenden. Op deze wijze verloren zij de beladene bijen niet uit het oog, en na een uur gaans zagen zij, hoe zij bij haar geïmproviseerde korf in de holte van een dooden ebbenhoutboom aanlandden, een oogenblik er omheen fladderden, en eindelijk naar binnen gingen door een gat, dat zich tachtig voet boven den grond bevond. Toen waarschuwde de gids zijne reisgezellen om zich op eerbiedigen afstand te houden, ten einde niet door den boom verpletterd te worden, en beschut te zijn tegen de wraak zijner bewoners; hij greep zijn bijl, en begon er dapper op los te hakken. De bijen schenen volstrekt niet bang te zijn voor de slagen van de bijl, zij bleven in en uitgaan, en zetten onbezorgd haar arbeid voort. Een hevig gekraak zelfs, de voorbode van den naderenden val des booms, stoorde haar niet in die vlijt. Eindelijk viel de boom, met een vreeselijk gedreun, en opende zich over zijne geheele lengte, zoodat de met zooveel zorg bijeenverzamelde schatten der kleine maatschappij zichtbaar werden. De gids greep onmiddellijk een bosje hooi, dat hij had gereed gemaakt, en stak het in brand om tegen de bijen beveiligd[87]te zijn. Maar zij vielen niemand aan, zij poogden zich niet te wreken. De arme dieren waren geheel verslagen, zij gonsden en vlogen in alle richtingen voort, zonder aan iets anders te denken, dan aan de mogelijke oorzaak van dit onheil. Ondertusschen begonnen de gids en de lanceros ijverig met lepels en sabels de honigraten te voorschijn te halen en in lederen zakken te bergen. Sommigen waren donkerbruin en van ouden datum, anderen helder blank; de honig in de cellen was bijna doorschijnend.Terwijl men zich haastte om zich van de beste honigraten meester te maken, kwamen van alle kanten tallooze zwermen bijen aanvliegen, die zich in de cellen der gebrokene raten dompelden en groote ladingen mede namen; de overige bewoners van den korf zagen ondertusschen treurig en somber het plunderen van hunne woning aan, zonder zelfs eene poging aan te wenden, om ook maar het minste te redden. De verslagenheid der bijen, die op het oogenblik van het onheil afwezig waren, en nu de een, dan de ander, met hare lading aankwamen, is onmogelijk te beschrijven: zij beschreven cirkels in de lucht, rondom de plek, waar de boom gestaan had, verwonderd die thans ledig te vinden; eindelijk schenen zij hare ramp te beseffen, en verzamelden zij zich groepsgewijze op een verdorden tak van een naburigen boom, als om van daar de puinhoopen van haar rijk in oogenschouw te nemen en over de verwoesting daarvan te klagen.DoñaLuz was haars ondanks bewogen over het verdriet van die arme dieren.»Ach,” zeide zij, »het spijt mij dat ik naar honig verlangd heb; mijne gulzigheid is voor vele wezens de oorzaak van een groot ongeluk.”»Laat ons gaan,” zeide de generaal glimlachend, »en hun deze weinige raten laten behouden.”»O,” zeide de gids, de schouders ophalend, »weldra zullen zij door het wild gedierte zijn weggehaald.”»Hoe, door het wild gedierte? door welk wild gedierte?” vroeg de generaal.»Door deracoons, door deopossumsen vooral door de beren.”»Door de beren?” zeidedoñaLuz.»O,Señorita,” hernam de gids, »dat zijn de slimste dieren om een bijenboom te ontdekken, en er hun voordeel mede te doen.”»Zij houden dus van honig?” vroeg het meisje nieuwsgierig.»Zij zijn er dol op,Señorita,” antwoordde de gids, die los begon te worden; »verbeeld u, zij zijn zoo gulzig, dat zij weken lang aan een boom knagen, totdat zij een gat hebben gemaakt, groot genoeg om er hunne pooten door te steken, en dan nemen zij de honig en de bijen mede, zonder zich de moeite te geven van te kiezen.”»Laat ons nu,” zeide de generaal, »onze reis hervatten en ons naar de pelsjagers begeven.”[88]»O, wij zullen er weldra zijn, uwe Excellentie,” antwoordde de gids; »wij zijn nog maar weinige schreden van de groote Canadasche rivier verwijderd, aan welker oevers zich de pelsjagers gevestigd hebben.”De kleine troep hervatte zijn tocht. De bijenjacht had onwillekeurig een treurigen indruk bij het meisje achtergelaten; die arme kleine dieren, zoo onschuldig en ijverig, om een loutere gril aangevallen en verjaagd, wekten haar medelijden en nadenken op. Haar oom werd dit gewaar.»Lief kind,” zeide hij, »wat gaat er in u om? gij zijt niet meer zoo vroolijk, als toen wij vertrokken. Vanwaar die plotselinge verandering?”»Och, oom, maak u daarover niet ongerust, ik ben evenals alle jonge meisjes een beetje dwaas en grillig, die bijenjacht waarvan ik mij zooveel genoegen voorstelde, heeft mij onwillekeurig tot treurigheid gestemd.”»Gelukkig kind!” prevelde de generaal, »dat nog om zulk een nietige oorzaak bedroefd kan worden; God geve, mijne lieve, dat gij nog lang zoo blijven moogt, en dat nooit grootere en diepere smarten u treffen.”»Beste oom, zal ik bij u niet altijd gelukkig zijn?”»Helaas! mijn kind, wie weet of het Gods wil is, dat ik nog lang bij u zal blijven?”»Zeg dat niet, oom, ik hoop dat wij nog lange jaren te zamen zullen doorbrengen.”De generaal antwoordde slechts met een zucht.»Oom,” hernam het meisje, na een oogenblik zwijgens: »vindt gij niet, dat het gezicht der grootsche en verheven natuur om ons heen iets aangrijpends heeft, dat de gedachte veredelt, de ziel verheft en den mensen beter maakt? Wat moeten zij, die in die onbegrensde, eenzame wildernis leven, gelukkig zijn!”De generaal zag haar verwonderd aan.»Van waar komen u die gedachten, lief kind?” zeide hij.»Ik weet het niet, oom,” antwoordde zij verlegen; »ik ben maar een dom meisje, dat tot nu toe stil en vreedzaam naast u heb voortgeleefd; maar er zijn oogenblikken, waarin het mij toeschijnt, dat ik gelukkig zou wezen, indien ik in die uitgestrekte woestijnen leven mocht.”De generaal, verrast, en inwendig verrukt over de onschuldige openhartigheid van zijne nicht, maakte zich gereed om haar te antwoorden, toen de gids eensklaps nader bij kwam, een teeken gaf om de stilte te bewaren, en met een stem, zacht als een ademtocht, zeide:»Een mensch!.…”... en met een stem, zacht als een ademtogt, zeide: „Een mensch!....” bladz. 88.… en met een stem, zacht als een ademtogt, zeide: „Een mensch!.…” bladz. 88.[89]
[Inhoud]XIII.DE BIJENJACHT.Nauwelijks verspreidde de zon haar eerste stralen, toen de generaal, wiens paard gezadeld stond, de rieten hut verliet, die hem tot slaapkamer diende, en zich gereed maakte om te vertrekken. Juist[84]toen hij den voet in den stijgbeugel zette, werd het gordijn der tent door een kleine hand opgelicht, en kwamdoñaLuz te voorschijn.»Zoo, zoo! reeds op?” zeide de generaal lachend: »des te beter, mijn kind, dan kan ik u nog omhelzen eer ik wegga; dat zal mij misschien geluk aanbrengen.”»Gij moogt zoo niet weggaan, oom,” antwoordde zij, hem haar voorhoofd voorhoudende, waarop hij een kus drukte.»Waarom niet, juffertje?” vroeg hij.»Omdat ik iets voor u heb klaar gemaakt, dat gij eerst nog gebruiken moet; dat zult gij mij niet weigeren, niet waar, beste oom?” zeide zij met dien eigenaardigen glimlach van bedorven kinderen, die het hart eens grijsaards verkwikt.»Neen, zeker niet, lief kind, tenzij het ontbijt, dat gij mij zoo welwillend aanbiedt, zich niet lang late wachten, want ik heb haast.”»Ik vraag maar een uitstel van enkele minuten,” antwoordde zij, de tent wederom binnentredende.»Ga uw gang,” zeide hij, haar volgende.Het meisje klapte van vreugde in hare handen!In een oogwenk was het ontbijt gereed; en de generaal zette zich met zijne nicht aan tafel. Terwijl zij haar oom bediende, en zorg droeg, dat hem niets ontbrak, zag het meisje hem met zulk een verlegen blik aan, dat het den ouden soldaat weldra in het oog viel.»Kom,” zeide hij, »gij hebt mij iets te vragen, Lucita; spreek, gij weet wel, dat ik u niets kan weigeren.”»Dat is zoo, oom; maar nu ben ik toch bang, dat ik u niet gemakkelijk zal kunnen overhalen.”»Nu, nu!” zeide de generaal vroolijk, »is het dan zulk een zaak van gewicht?”»Integendeel, oom; maar toch ben ik bang dat gij uwe toestemming niet geven zult.”»Nu spreek, mijn kind, spreek zonder vrees; als gij gezegd hebt zal ik antwoorden.”»Welnu,” zeide het meisje, rood wordende, »ik moet u bekennen, dat het leven in het kamp niets aangenaams voor mij heeft.”»Dat begrijp ik, kindlief, maar wat kan ik er aan doen?”»Alles.”»Hoe dat?”»Maar, oom, als gij maar hier waart, zou het niets zijn, dan had ik u bij mij.”»Het is heel lief, wat gij daar zegt, maar gij weet, dat ik iederen morgen uitga, en dat ik niet.…”»Daar zit juist de knoop.”»Ja.”»Maar, als gij wilt, zou hij gemakkelijk door te hakken zijn.”»Denkt gij dat?”[85]»Ik weet het zeker.”»Ik zie het niet in. Het is mij onmogelijk om bij u te blijven.”»O, maar het kan wel op een andere wijze gevonden worden.”»Neen, neen.”»Ja, oom, er is een heel eenvoudig middel.”»En welk is dan dat middel, mijn poesje?”»Zal oompje niet knorren?”»Stoutert, knor ik ooit op u?”»Och neen, gij zijt zoo goed!”»Nu, laat eens zien, wat wilt gij?”»Dat middel, dat ik bedoel, oom, is …”»Nu, is.…?”»Mij iederen morgen met u mede te nemen.”»Ach! ach!” zeide de generaal de wenkbrauwen fronsende, »welk een vraag doet gij mij daar, lief kind!”»Een heel eenvoudige vraag, dunkt mij, oom.”De generaal antwoordde niet, hij dacht na. Het meisje volgde angstig op zijn gelaat het vluchtig spoor zijner gedachten. Na eenige oogenblikken hief hij het hoofd op, en prevelde:»Inderdaad, het zal misschien nog het beste zijn;” en een blik slaande op het meisje, zeide hij: »Gij zoudt dus gaarne met mij medegaan?”»Ja, oom, zeer gaarne,” antwoordde zij.»Nu maak u dan maar klaar, voortaan zult gij mij op mijne uitstapjes vergezellen.”Het meisje sprong verheugd op, omhelsde haar oom met warmte en gaf bevel om haar paard te zadelen. Een kwartier later verlietendoñaLuz en haar oom, voorafgegaan door den Babbelaar en gevolgd door twee lanceros de tent, en verdwenen in het bosch.»Welken kant wilt gij heden uit, generaal?” vroeg de gids.»Breng mij naar de hutten dier pelsjagers, waarvan gij mij gisteren gesproken hebt.”De gids boog, ten teeken van gehoorzaamheid. De kleine troep ging langzaam en moeielijk voort langs een nauwelijks gebaand voetpad, waar met iedere schrede de paarden in de lianen verward raakten, of zich stootten tegen de boven den grond uitstekende boomwortels.DoñaLuz was gelukkig. Misschien zou zij op die tochtjes Edelhart ontmoeten.De Babbelaar, die vooruit liep, liet eensklaps een schreeuw hooren.»Wel,” zeide de generaal, »wat gebeurt er dan voor buitengewoons, dat gij u verwaardigt den mond te openen?”»Bijen, uwe Excellentie!”»Hoe, bijen? zijn hier bijen?”»Ja, doch eerst sedert kort.”»Hoe, eerst sedert kort?”»Ja, gij weet dat de bijen door de blanken in Amerika gebracht zijn.”[86]»Ja. Maar hoe komt het, dat wij ze hier ontmoeten?”»O, dat is heel eenvoudig; de bijen zijn de voorloopers der blanken; naarmate de blanken dieper in Amerika indringen, gaan de bijen hun voor, om hun den weg te banen, en de plekken aan te wijzen, die ter ontginning geschikt zijn. Hare verschijning in een onbewoonde landstreek is altijd de voorbode van een kolonie pionniers of squatters.”»Dat is vreemd,” prevelde de generaal, »en zijt gij zeker van wat gij daar zegt?”»O, heel zeker, uwe Excellentie! Wat ik u daar zeg is aan al de Indianen bekend; zij vergissen er zich nooit in; naarmate de bijen voortrukken, gaan zij achteruit.”»Dat is inderdaad zonderling.”»De honing zal wel goed zijn,” zeidedoñaLuz.»Uitmuntend,Señorita, en zoo gij ze proeven wilt, niets is gemakkelijker dan ze meester te worden.”»Ga uw gang,” zeide de generaal.De gids, die voor weinige oogenblikken op de struiken eenig aas voor de bijen had nedergelegd, welke zijn scherpe blik in grooten getale tusschen de bladeren had zien vliegen, gaf aan allen, die hem volgden, een teeken om stil te staan.De bijen hadden zich werkelijk op het aas nedergezet, en onderzochten het van alle kanten; toen zij genoeg voorraad hadden opgedaan, verhieven zij zich hoog in de lucht, en vervolgens vlogen zij met de snelheid van een vogel in een rechte lijn voort.De gids ging aandachtig de door haar gekozen richting na en een teeken gevende aan den generaal, volgde hij met den geheelen troep haar spoor, zich een weg banende door de in elkander geweven takken, en zonder zijne oogen van den hemel af te wenden. Op deze wijze verloren zij de beladene bijen niet uit het oog, en na een uur gaans zagen zij, hoe zij bij haar geïmproviseerde korf in de holte van een dooden ebbenhoutboom aanlandden, een oogenblik er omheen fladderden, en eindelijk naar binnen gingen door een gat, dat zich tachtig voet boven den grond bevond. Toen waarschuwde de gids zijne reisgezellen om zich op eerbiedigen afstand te houden, ten einde niet door den boom verpletterd te worden, en beschut te zijn tegen de wraak zijner bewoners; hij greep zijn bijl, en begon er dapper op los te hakken. De bijen schenen volstrekt niet bang te zijn voor de slagen van de bijl, zij bleven in en uitgaan, en zetten onbezorgd haar arbeid voort. Een hevig gekraak zelfs, de voorbode van den naderenden val des booms, stoorde haar niet in die vlijt. Eindelijk viel de boom, met een vreeselijk gedreun, en opende zich over zijne geheele lengte, zoodat de met zooveel zorg bijeenverzamelde schatten der kleine maatschappij zichtbaar werden. De gids greep onmiddellijk een bosje hooi, dat hij had gereed gemaakt, en stak het in brand om tegen de bijen beveiligd[87]te zijn. Maar zij vielen niemand aan, zij poogden zich niet te wreken. De arme dieren waren geheel verslagen, zij gonsden en vlogen in alle richtingen voort, zonder aan iets anders te denken, dan aan de mogelijke oorzaak van dit onheil. Ondertusschen begonnen de gids en de lanceros ijverig met lepels en sabels de honigraten te voorschijn te halen en in lederen zakken te bergen. Sommigen waren donkerbruin en van ouden datum, anderen helder blank; de honig in de cellen was bijna doorschijnend.Terwijl men zich haastte om zich van de beste honigraten meester te maken, kwamen van alle kanten tallooze zwermen bijen aanvliegen, die zich in de cellen der gebrokene raten dompelden en groote ladingen mede namen; de overige bewoners van den korf zagen ondertusschen treurig en somber het plunderen van hunne woning aan, zonder zelfs eene poging aan te wenden, om ook maar het minste te redden. De verslagenheid der bijen, die op het oogenblik van het onheil afwezig waren, en nu de een, dan de ander, met hare lading aankwamen, is onmogelijk te beschrijven: zij beschreven cirkels in de lucht, rondom de plek, waar de boom gestaan had, verwonderd die thans ledig te vinden; eindelijk schenen zij hare ramp te beseffen, en verzamelden zij zich groepsgewijze op een verdorden tak van een naburigen boom, als om van daar de puinhoopen van haar rijk in oogenschouw te nemen en over de verwoesting daarvan te klagen.DoñaLuz was haars ondanks bewogen over het verdriet van die arme dieren.»Ach,” zeide zij, »het spijt mij dat ik naar honig verlangd heb; mijne gulzigheid is voor vele wezens de oorzaak van een groot ongeluk.”»Laat ons gaan,” zeide de generaal glimlachend, »en hun deze weinige raten laten behouden.”»O,” zeide de gids, de schouders ophalend, »weldra zullen zij door het wild gedierte zijn weggehaald.”»Hoe, door het wild gedierte? door welk wild gedierte?” vroeg de generaal.»Door deracoons, door deopossumsen vooral door de beren.”»Door de beren?” zeidedoñaLuz.»O,Señorita,” hernam de gids, »dat zijn de slimste dieren om een bijenboom te ontdekken, en er hun voordeel mede te doen.”»Zij houden dus van honig?” vroeg het meisje nieuwsgierig.»Zij zijn er dol op,Señorita,” antwoordde de gids, die los begon te worden; »verbeeld u, zij zijn zoo gulzig, dat zij weken lang aan een boom knagen, totdat zij een gat hebben gemaakt, groot genoeg om er hunne pooten door te steken, en dan nemen zij de honig en de bijen mede, zonder zich de moeite te geven van te kiezen.”»Laat ons nu,” zeide de generaal, »onze reis hervatten en ons naar de pelsjagers begeven.”[88]»O, wij zullen er weldra zijn, uwe Excellentie,” antwoordde de gids; »wij zijn nog maar weinige schreden van de groote Canadasche rivier verwijderd, aan welker oevers zich de pelsjagers gevestigd hebben.”De kleine troep hervatte zijn tocht. De bijenjacht had onwillekeurig een treurigen indruk bij het meisje achtergelaten; die arme kleine dieren, zoo onschuldig en ijverig, om een loutere gril aangevallen en verjaagd, wekten haar medelijden en nadenken op. Haar oom werd dit gewaar.»Lief kind,” zeide hij, »wat gaat er in u om? gij zijt niet meer zoo vroolijk, als toen wij vertrokken. Vanwaar die plotselinge verandering?”»Och, oom, maak u daarover niet ongerust, ik ben evenals alle jonge meisjes een beetje dwaas en grillig, die bijenjacht waarvan ik mij zooveel genoegen voorstelde, heeft mij onwillekeurig tot treurigheid gestemd.”»Gelukkig kind!” prevelde de generaal, »dat nog om zulk een nietige oorzaak bedroefd kan worden; God geve, mijne lieve, dat gij nog lang zoo blijven moogt, en dat nooit grootere en diepere smarten u treffen.”»Beste oom, zal ik bij u niet altijd gelukkig zijn?”»Helaas! mijn kind, wie weet of het Gods wil is, dat ik nog lang bij u zal blijven?”»Zeg dat niet, oom, ik hoop dat wij nog lange jaren te zamen zullen doorbrengen.”De generaal antwoordde slechts met een zucht.»Oom,” hernam het meisje, na een oogenblik zwijgens: »vindt gij niet, dat het gezicht der grootsche en verheven natuur om ons heen iets aangrijpends heeft, dat de gedachte veredelt, de ziel verheft en den mensen beter maakt? Wat moeten zij, die in die onbegrensde, eenzame wildernis leven, gelukkig zijn!”De generaal zag haar verwonderd aan.»Van waar komen u die gedachten, lief kind?” zeide hij.»Ik weet het niet, oom,” antwoordde zij verlegen; »ik ben maar een dom meisje, dat tot nu toe stil en vreedzaam naast u heb voortgeleefd; maar er zijn oogenblikken, waarin het mij toeschijnt, dat ik gelukkig zou wezen, indien ik in die uitgestrekte woestijnen leven mocht.”De generaal, verrast, en inwendig verrukt over de onschuldige openhartigheid van zijne nicht, maakte zich gereed om haar te antwoorden, toen de gids eensklaps nader bij kwam, een teeken gaf om de stilte te bewaren, en met een stem, zacht als een ademtocht, zeide:»Een mensch!.…”... en met een stem, zacht als een ademtogt, zeide: „Een mensch!....” bladz. 88.… en met een stem, zacht als een ademtogt, zeide: „Een mensch!.…” bladz. 88.[89]
XIII.DE BIJENJACHT.
Nauwelijks verspreidde de zon haar eerste stralen, toen de generaal, wiens paard gezadeld stond, de rieten hut verliet, die hem tot slaapkamer diende, en zich gereed maakte om te vertrekken. Juist[84]toen hij den voet in den stijgbeugel zette, werd het gordijn der tent door een kleine hand opgelicht, en kwamdoñaLuz te voorschijn.»Zoo, zoo! reeds op?” zeide de generaal lachend: »des te beter, mijn kind, dan kan ik u nog omhelzen eer ik wegga; dat zal mij misschien geluk aanbrengen.”»Gij moogt zoo niet weggaan, oom,” antwoordde zij, hem haar voorhoofd voorhoudende, waarop hij een kus drukte.»Waarom niet, juffertje?” vroeg hij.»Omdat ik iets voor u heb klaar gemaakt, dat gij eerst nog gebruiken moet; dat zult gij mij niet weigeren, niet waar, beste oom?” zeide zij met dien eigenaardigen glimlach van bedorven kinderen, die het hart eens grijsaards verkwikt.»Neen, zeker niet, lief kind, tenzij het ontbijt, dat gij mij zoo welwillend aanbiedt, zich niet lang late wachten, want ik heb haast.”»Ik vraag maar een uitstel van enkele minuten,” antwoordde zij, de tent wederom binnentredende.»Ga uw gang,” zeide hij, haar volgende.Het meisje klapte van vreugde in hare handen!In een oogwenk was het ontbijt gereed; en de generaal zette zich met zijne nicht aan tafel. Terwijl zij haar oom bediende, en zorg droeg, dat hem niets ontbrak, zag het meisje hem met zulk een verlegen blik aan, dat het den ouden soldaat weldra in het oog viel.»Kom,” zeide hij, »gij hebt mij iets te vragen, Lucita; spreek, gij weet wel, dat ik u niets kan weigeren.”»Dat is zoo, oom; maar nu ben ik toch bang, dat ik u niet gemakkelijk zal kunnen overhalen.”»Nu, nu!” zeide de generaal vroolijk, »is het dan zulk een zaak van gewicht?”»Integendeel, oom; maar toch ben ik bang dat gij uwe toestemming niet geven zult.”»Nu spreek, mijn kind, spreek zonder vrees; als gij gezegd hebt zal ik antwoorden.”»Welnu,” zeide het meisje, rood wordende, »ik moet u bekennen, dat het leven in het kamp niets aangenaams voor mij heeft.”»Dat begrijp ik, kindlief, maar wat kan ik er aan doen?”»Alles.”»Hoe dat?”»Maar, oom, als gij maar hier waart, zou het niets zijn, dan had ik u bij mij.”»Het is heel lief, wat gij daar zegt, maar gij weet, dat ik iederen morgen uitga, en dat ik niet.…”»Daar zit juist de knoop.”»Ja.”»Maar, als gij wilt, zou hij gemakkelijk door te hakken zijn.”»Denkt gij dat?”[85]»Ik weet het zeker.”»Ik zie het niet in. Het is mij onmogelijk om bij u te blijven.”»O, maar het kan wel op een andere wijze gevonden worden.”»Neen, neen.”»Ja, oom, er is een heel eenvoudig middel.”»En welk is dan dat middel, mijn poesje?”»Zal oompje niet knorren?”»Stoutert, knor ik ooit op u?”»Och neen, gij zijt zoo goed!”»Nu, laat eens zien, wat wilt gij?”»Dat middel, dat ik bedoel, oom, is …”»Nu, is.…?”»Mij iederen morgen met u mede te nemen.”»Ach! ach!” zeide de generaal de wenkbrauwen fronsende, »welk een vraag doet gij mij daar, lief kind!”»Een heel eenvoudige vraag, dunkt mij, oom.”De generaal antwoordde niet, hij dacht na. Het meisje volgde angstig op zijn gelaat het vluchtig spoor zijner gedachten. Na eenige oogenblikken hief hij het hoofd op, en prevelde:»Inderdaad, het zal misschien nog het beste zijn;” en een blik slaande op het meisje, zeide hij: »Gij zoudt dus gaarne met mij medegaan?”»Ja, oom, zeer gaarne,” antwoordde zij.»Nu maak u dan maar klaar, voortaan zult gij mij op mijne uitstapjes vergezellen.”Het meisje sprong verheugd op, omhelsde haar oom met warmte en gaf bevel om haar paard te zadelen. Een kwartier later verlietendoñaLuz en haar oom, voorafgegaan door den Babbelaar en gevolgd door twee lanceros de tent, en verdwenen in het bosch.»Welken kant wilt gij heden uit, generaal?” vroeg de gids.»Breng mij naar de hutten dier pelsjagers, waarvan gij mij gisteren gesproken hebt.”De gids boog, ten teeken van gehoorzaamheid. De kleine troep ging langzaam en moeielijk voort langs een nauwelijks gebaand voetpad, waar met iedere schrede de paarden in de lianen verward raakten, of zich stootten tegen de boven den grond uitstekende boomwortels.DoñaLuz was gelukkig. Misschien zou zij op die tochtjes Edelhart ontmoeten.De Babbelaar, die vooruit liep, liet eensklaps een schreeuw hooren.»Wel,” zeide de generaal, »wat gebeurt er dan voor buitengewoons, dat gij u verwaardigt den mond te openen?”»Bijen, uwe Excellentie!”»Hoe, bijen? zijn hier bijen?”»Ja, doch eerst sedert kort.”»Hoe, eerst sedert kort?”»Ja, gij weet dat de bijen door de blanken in Amerika gebracht zijn.”[86]»Ja. Maar hoe komt het, dat wij ze hier ontmoeten?”»O, dat is heel eenvoudig; de bijen zijn de voorloopers der blanken; naarmate de blanken dieper in Amerika indringen, gaan de bijen hun voor, om hun den weg te banen, en de plekken aan te wijzen, die ter ontginning geschikt zijn. Hare verschijning in een onbewoonde landstreek is altijd de voorbode van een kolonie pionniers of squatters.”»Dat is vreemd,” prevelde de generaal, »en zijt gij zeker van wat gij daar zegt?”»O, heel zeker, uwe Excellentie! Wat ik u daar zeg is aan al de Indianen bekend; zij vergissen er zich nooit in; naarmate de bijen voortrukken, gaan zij achteruit.”»Dat is inderdaad zonderling.”»De honing zal wel goed zijn,” zeidedoñaLuz.»Uitmuntend,Señorita, en zoo gij ze proeven wilt, niets is gemakkelijker dan ze meester te worden.”»Ga uw gang,” zeide de generaal.De gids, die voor weinige oogenblikken op de struiken eenig aas voor de bijen had nedergelegd, welke zijn scherpe blik in grooten getale tusschen de bladeren had zien vliegen, gaf aan allen, die hem volgden, een teeken om stil te staan.De bijen hadden zich werkelijk op het aas nedergezet, en onderzochten het van alle kanten; toen zij genoeg voorraad hadden opgedaan, verhieven zij zich hoog in de lucht, en vervolgens vlogen zij met de snelheid van een vogel in een rechte lijn voort.De gids ging aandachtig de door haar gekozen richting na en een teeken gevende aan den generaal, volgde hij met den geheelen troep haar spoor, zich een weg banende door de in elkander geweven takken, en zonder zijne oogen van den hemel af te wenden. Op deze wijze verloren zij de beladene bijen niet uit het oog, en na een uur gaans zagen zij, hoe zij bij haar geïmproviseerde korf in de holte van een dooden ebbenhoutboom aanlandden, een oogenblik er omheen fladderden, en eindelijk naar binnen gingen door een gat, dat zich tachtig voet boven den grond bevond. Toen waarschuwde de gids zijne reisgezellen om zich op eerbiedigen afstand te houden, ten einde niet door den boom verpletterd te worden, en beschut te zijn tegen de wraak zijner bewoners; hij greep zijn bijl, en begon er dapper op los te hakken. De bijen schenen volstrekt niet bang te zijn voor de slagen van de bijl, zij bleven in en uitgaan, en zetten onbezorgd haar arbeid voort. Een hevig gekraak zelfs, de voorbode van den naderenden val des booms, stoorde haar niet in die vlijt. Eindelijk viel de boom, met een vreeselijk gedreun, en opende zich over zijne geheele lengte, zoodat de met zooveel zorg bijeenverzamelde schatten der kleine maatschappij zichtbaar werden. De gids greep onmiddellijk een bosje hooi, dat hij had gereed gemaakt, en stak het in brand om tegen de bijen beveiligd[87]te zijn. Maar zij vielen niemand aan, zij poogden zich niet te wreken. De arme dieren waren geheel verslagen, zij gonsden en vlogen in alle richtingen voort, zonder aan iets anders te denken, dan aan de mogelijke oorzaak van dit onheil. Ondertusschen begonnen de gids en de lanceros ijverig met lepels en sabels de honigraten te voorschijn te halen en in lederen zakken te bergen. Sommigen waren donkerbruin en van ouden datum, anderen helder blank; de honig in de cellen was bijna doorschijnend.Terwijl men zich haastte om zich van de beste honigraten meester te maken, kwamen van alle kanten tallooze zwermen bijen aanvliegen, die zich in de cellen der gebrokene raten dompelden en groote ladingen mede namen; de overige bewoners van den korf zagen ondertusschen treurig en somber het plunderen van hunne woning aan, zonder zelfs eene poging aan te wenden, om ook maar het minste te redden. De verslagenheid der bijen, die op het oogenblik van het onheil afwezig waren, en nu de een, dan de ander, met hare lading aankwamen, is onmogelijk te beschrijven: zij beschreven cirkels in de lucht, rondom de plek, waar de boom gestaan had, verwonderd die thans ledig te vinden; eindelijk schenen zij hare ramp te beseffen, en verzamelden zij zich groepsgewijze op een verdorden tak van een naburigen boom, als om van daar de puinhoopen van haar rijk in oogenschouw te nemen en over de verwoesting daarvan te klagen.DoñaLuz was haars ondanks bewogen over het verdriet van die arme dieren.»Ach,” zeide zij, »het spijt mij dat ik naar honig verlangd heb; mijne gulzigheid is voor vele wezens de oorzaak van een groot ongeluk.”»Laat ons gaan,” zeide de generaal glimlachend, »en hun deze weinige raten laten behouden.”»O,” zeide de gids, de schouders ophalend, »weldra zullen zij door het wild gedierte zijn weggehaald.”»Hoe, door het wild gedierte? door welk wild gedierte?” vroeg de generaal.»Door deracoons, door deopossumsen vooral door de beren.”»Door de beren?” zeidedoñaLuz.»O,Señorita,” hernam de gids, »dat zijn de slimste dieren om een bijenboom te ontdekken, en er hun voordeel mede te doen.”»Zij houden dus van honig?” vroeg het meisje nieuwsgierig.»Zij zijn er dol op,Señorita,” antwoordde de gids, die los begon te worden; »verbeeld u, zij zijn zoo gulzig, dat zij weken lang aan een boom knagen, totdat zij een gat hebben gemaakt, groot genoeg om er hunne pooten door te steken, en dan nemen zij de honig en de bijen mede, zonder zich de moeite te geven van te kiezen.”»Laat ons nu,” zeide de generaal, »onze reis hervatten en ons naar de pelsjagers begeven.”[88]»O, wij zullen er weldra zijn, uwe Excellentie,” antwoordde de gids; »wij zijn nog maar weinige schreden van de groote Canadasche rivier verwijderd, aan welker oevers zich de pelsjagers gevestigd hebben.”De kleine troep hervatte zijn tocht. De bijenjacht had onwillekeurig een treurigen indruk bij het meisje achtergelaten; die arme kleine dieren, zoo onschuldig en ijverig, om een loutere gril aangevallen en verjaagd, wekten haar medelijden en nadenken op. Haar oom werd dit gewaar.»Lief kind,” zeide hij, »wat gaat er in u om? gij zijt niet meer zoo vroolijk, als toen wij vertrokken. Vanwaar die plotselinge verandering?”»Och, oom, maak u daarover niet ongerust, ik ben evenals alle jonge meisjes een beetje dwaas en grillig, die bijenjacht waarvan ik mij zooveel genoegen voorstelde, heeft mij onwillekeurig tot treurigheid gestemd.”»Gelukkig kind!” prevelde de generaal, »dat nog om zulk een nietige oorzaak bedroefd kan worden; God geve, mijne lieve, dat gij nog lang zoo blijven moogt, en dat nooit grootere en diepere smarten u treffen.”»Beste oom, zal ik bij u niet altijd gelukkig zijn?”»Helaas! mijn kind, wie weet of het Gods wil is, dat ik nog lang bij u zal blijven?”»Zeg dat niet, oom, ik hoop dat wij nog lange jaren te zamen zullen doorbrengen.”De generaal antwoordde slechts met een zucht.»Oom,” hernam het meisje, na een oogenblik zwijgens: »vindt gij niet, dat het gezicht der grootsche en verheven natuur om ons heen iets aangrijpends heeft, dat de gedachte veredelt, de ziel verheft en den mensen beter maakt? Wat moeten zij, die in die onbegrensde, eenzame wildernis leven, gelukkig zijn!”De generaal zag haar verwonderd aan.»Van waar komen u die gedachten, lief kind?” zeide hij.»Ik weet het niet, oom,” antwoordde zij verlegen; »ik ben maar een dom meisje, dat tot nu toe stil en vreedzaam naast u heb voortgeleefd; maar er zijn oogenblikken, waarin het mij toeschijnt, dat ik gelukkig zou wezen, indien ik in die uitgestrekte woestijnen leven mocht.”De generaal, verrast, en inwendig verrukt over de onschuldige openhartigheid van zijne nicht, maakte zich gereed om haar te antwoorden, toen de gids eensklaps nader bij kwam, een teeken gaf om de stilte te bewaren, en met een stem, zacht als een ademtocht, zeide:»Een mensch!.…”... en met een stem, zacht als een ademtogt, zeide: „Een mensch!....” bladz. 88.… en met een stem, zacht als een ademtogt, zeide: „Een mensch!.…” bladz. 88.[89]
Nauwelijks verspreidde de zon haar eerste stralen, toen de generaal, wiens paard gezadeld stond, de rieten hut verliet, die hem tot slaapkamer diende, en zich gereed maakte om te vertrekken. Juist[84]toen hij den voet in den stijgbeugel zette, werd het gordijn der tent door een kleine hand opgelicht, en kwamdoñaLuz te voorschijn.
»Zoo, zoo! reeds op?” zeide de generaal lachend: »des te beter, mijn kind, dan kan ik u nog omhelzen eer ik wegga; dat zal mij misschien geluk aanbrengen.”
»Gij moogt zoo niet weggaan, oom,” antwoordde zij, hem haar voorhoofd voorhoudende, waarop hij een kus drukte.
»Waarom niet, juffertje?” vroeg hij.
»Omdat ik iets voor u heb klaar gemaakt, dat gij eerst nog gebruiken moet; dat zult gij mij niet weigeren, niet waar, beste oom?” zeide zij met dien eigenaardigen glimlach van bedorven kinderen, die het hart eens grijsaards verkwikt.
»Neen, zeker niet, lief kind, tenzij het ontbijt, dat gij mij zoo welwillend aanbiedt, zich niet lang late wachten, want ik heb haast.”
»Ik vraag maar een uitstel van enkele minuten,” antwoordde zij, de tent wederom binnentredende.
»Ga uw gang,” zeide hij, haar volgende.
Het meisje klapte van vreugde in hare handen!
In een oogwenk was het ontbijt gereed; en de generaal zette zich met zijne nicht aan tafel. Terwijl zij haar oom bediende, en zorg droeg, dat hem niets ontbrak, zag het meisje hem met zulk een verlegen blik aan, dat het den ouden soldaat weldra in het oog viel.
»Kom,” zeide hij, »gij hebt mij iets te vragen, Lucita; spreek, gij weet wel, dat ik u niets kan weigeren.”
»Dat is zoo, oom; maar nu ben ik toch bang, dat ik u niet gemakkelijk zal kunnen overhalen.”
»Nu, nu!” zeide de generaal vroolijk, »is het dan zulk een zaak van gewicht?”
»Integendeel, oom; maar toch ben ik bang dat gij uwe toestemming niet geven zult.”
»Nu spreek, mijn kind, spreek zonder vrees; als gij gezegd hebt zal ik antwoorden.”
»Welnu,” zeide het meisje, rood wordende, »ik moet u bekennen, dat het leven in het kamp niets aangenaams voor mij heeft.”
»Dat begrijp ik, kindlief, maar wat kan ik er aan doen?”
»Alles.”
»Hoe dat?”
»Maar, oom, als gij maar hier waart, zou het niets zijn, dan had ik u bij mij.”
»Het is heel lief, wat gij daar zegt, maar gij weet, dat ik iederen morgen uitga, en dat ik niet.…”
»Daar zit juist de knoop.”
»Ja.”
»Maar, als gij wilt, zou hij gemakkelijk door te hakken zijn.”
»Denkt gij dat?”[85]
»Ik weet het zeker.”
»Ik zie het niet in. Het is mij onmogelijk om bij u te blijven.”
»O, maar het kan wel op een andere wijze gevonden worden.”
»Neen, neen.”
»Ja, oom, er is een heel eenvoudig middel.”
»En welk is dan dat middel, mijn poesje?”
»Zal oompje niet knorren?”
»Stoutert, knor ik ooit op u?”
»Och neen, gij zijt zoo goed!”
»Nu, laat eens zien, wat wilt gij?”
»Dat middel, dat ik bedoel, oom, is …”
»Nu, is.…?”
»Mij iederen morgen met u mede te nemen.”
»Ach! ach!” zeide de generaal de wenkbrauwen fronsende, »welk een vraag doet gij mij daar, lief kind!”
»Een heel eenvoudige vraag, dunkt mij, oom.”
De generaal antwoordde niet, hij dacht na. Het meisje volgde angstig op zijn gelaat het vluchtig spoor zijner gedachten. Na eenige oogenblikken hief hij het hoofd op, en prevelde:
»Inderdaad, het zal misschien nog het beste zijn;” en een blik slaande op het meisje, zeide hij: »Gij zoudt dus gaarne met mij medegaan?”
»Ja, oom, zeer gaarne,” antwoordde zij.
»Nu maak u dan maar klaar, voortaan zult gij mij op mijne uitstapjes vergezellen.”
Het meisje sprong verheugd op, omhelsde haar oom met warmte en gaf bevel om haar paard te zadelen. Een kwartier later verlietendoñaLuz en haar oom, voorafgegaan door den Babbelaar en gevolgd door twee lanceros de tent, en verdwenen in het bosch.
»Welken kant wilt gij heden uit, generaal?” vroeg de gids.
»Breng mij naar de hutten dier pelsjagers, waarvan gij mij gisteren gesproken hebt.”
De gids boog, ten teeken van gehoorzaamheid. De kleine troep ging langzaam en moeielijk voort langs een nauwelijks gebaand voetpad, waar met iedere schrede de paarden in de lianen verward raakten, of zich stootten tegen de boven den grond uitstekende boomwortels.DoñaLuz was gelukkig. Misschien zou zij op die tochtjes Edelhart ontmoeten.
De Babbelaar, die vooruit liep, liet eensklaps een schreeuw hooren.
»Wel,” zeide de generaal, »wat gebeurt er dan voor buitengewoons, dat gij u verwaardigt den mond te openen?”
»Bijen, uwe Excellentie!”
»Hoe, bijen? zijn hier bijen?”
»Ja, doch eerst sedert kort.”
»Hoe, eerst sedert kort?”
»Ja, gij weet dat de bijen door de blanken in Amerika gebracht zijn.”[86]
»Ja. Maar hoe komt het, dat wij ze hier ontmoeten?”
»O, dat is heel eenvoudig; de bijen zijn de voorloopers der blanken; naarmate de blanken dieper in Amerika indringen, gaan de bijen hun voor, om hun den weg te banen, en de plekken aan te wijzen, die ter ontginning geschikt zijn. Hare verschijning in een onbewoonde landstreek is altijd de voorbode van een kolonie pionniers of squatters.”
»Dat is vreemd,” prevelde de generaal, »en zijt gij zeker van wat gij daar zegt?”
»O, heel zeker, uwe Excellentie! Wat ik u daar zeg is aan al de Indianen bekend; zij vergissen er zich nooit in; naarmate de bijen voortrukken, gaan zij achteruit.”
»Dat is inderdaad zonderling.”
»De honing zal wel goed zijn,” zeidedoñaLuz.
»Uitmuntend,Señorita, en zoo gij ze proeven wilt, niets is gemakkelijker dan ze meester te worden.”
»Ga uw gang,” zeide de generaal.
De gids, die voor weinige oogenblikken op de struiken eenig aas voor de bijen had nedergelegd, welke zijn scherpe blik in grooten getale tusschen de bladeren had zien vliegen, gaf aan allen, die hem volgden, een teeken om stil te staan.
De bijen hadden zich werkelijk op het aas nedergezet, en onderzochten het van alle kanten; toen zij genoeg voorraad hadden opgedaan, verhieven zij zich hoog in de lucht, en vervolgens vlogen zij met de snelheid van een vogel in een rechte lijn voort.
De gids ging aandachtig de door haar gekozen richting na en een teeken gevende aan den generaal, volgde hij met den geheelen troep haar spoor, zich een weg banende door de in elkander geweven takken, en zonder zijne oogen van den hemel af te wenden. Op deze wijze verloren zij de beladene bijen niet uit het oog, en na een uur gaans zagen zij, hoe zij bij haar geïmproviseerde korf in de holte van een dooden ebbenhoutboom aanlandden, een oogenblik er omheen fladderden, en eindelijk naar binnen gingen door een gat, dat zich tachtig voet boven den grond bevond. Toen waarschuwde de gids zijne reisgezellen om zich op eerbiedigen afstand te houden, ten einde niet door den boom verpletterd te worden, en beschut te zijn tegen de wraak zijner bewoners; hij greep zijn bijl, en begon er dapper op los te hakken. De bijen schenen volstrekt niet bang te zijn voor de slagen van de bijl, zij bleven in en uitgaan, en zetten onbezorgd haar arbeid voort. Een hevig gekraak zelfs, de voorbode van den naderenden val des booms, stoorde haar niet in die vlijt. Eindelijk viel de boom, met een vreeselijk gedreun, en opende zich over zijne geheele lengte, zoodat de met zooveel zorg bijeenverzamelde schatten der kleine maatschappij zichtbaar werden. De gids greep onmiddellijk een bosje hooi, dat hij had gereed gemaakt, en stak het in brand om tegen de bijen beveiligd[87]te zijn. Maar zij vielen niemand aan, zij poogden zich niet te wreken. De arme dieren waren geheel verslagen, zij gonsden en vlogen in alle richtingen voort, zonder aan iets anders te denken, dan aan de mogelijke oorzaak van dit onheil. Ondertusschen begonnen de gids en de lanceros ijverig met lepels en sabels de honigraten te voorschijn te halen en in lederen zakken te bergen. Sommigen waren donkerbruin en van ouden datum, anderen helder blank; de honig in de cellen was bijna doorschijnend.
Terwijl men zich haastte om zich van de beste honigraten meester te maken, kwamen van alle kanten tallooze zwermen bijen aanvliegen, die zich in de cellen der gebrokene raten dompelden en groote ladingen mede namen; de overige bewoners van den korf zagen ondertusschen treurig en somber het plunderen van hunne woning aan, zonder zelfs eene poging aan te wenden, om ook maar het minste te redden. De verslagenheid der bijen, die op het oogenblik van het onheil afwezig waren, en nu de een, dan de ander, met hare lading aankwamen, is onmogelijk te beschrijven: zij beschreven cirkels in de lucht, rondom de plek, waar de boom gestaan had, verwonderd die thans ledig te vinden; eindelijk schenen zij hare ramp te beseffen, en verzamelden zij zich groepsgewijze op een verdorden tak van een naburigen boom, als om van daar de puinhoopen van haar rijk in oogenschouw te nemen en over de verwoesting daarvan te klagen.
DoñaLuz was haars ondanks bewogen over het verdriet van die arme dieren.
»Ach,” zeide zij, »het spijt mij dat ik naar honig verlangd heb; mijne gulzigheid is voor vele wezens de oorzaak van een groot ongeluk.”
»Laat ons gaan,” zeide de generaal glimlachend, »en hun deze weinige raten laten behouden.”
»O,” zeide de gids, de schouders ophalend, »weldra zullen zij door het wild gedierte zijn weggehaald.”
»Hoe, door het wild gedierte? door welk wild gedierte?” vroeg de generaal.
»Door deracoons, door deopossumsen vooral door de beren.”
»Door de beren?” zeidedoñaLuz.
»O,Señorita,” hernam de gids, »dat zijn de slimste dieren om een bijenboom te ontdekken, en er hun voordeel mede te doen.”
»Zij houden dus van honig?” vroeg het meisje nieuwsgierig.
»Zij zijn er dol op,Señorita,” antwoordde de gids, die los begon te worden; »verbeeld u, zij zijn zoo gulzig, dat zij weken lang aan een boom knagen, totdat zij een gat hebben gemaakt, groot genoeg om er hunne pooten door te steken, en dan nemen zij de honig en de bijen mede, zonder zich de moeite te geven van te kiezen.”
»Laat ons nu,” zeide de generaal, »onze reis hervatten en ons naar de pelsjagers begeven.”[88]
»O, wij zullen er weldra zijn, uwe Excellentie,” antwoordde de gids; »wij zijn nog maar weinige schreden van de groote Canadasche rivier verwijderd, aan welker oevers zich de pelsjagers gevestigd hebben.”
De kleine troep hervatte zijn tocht. De bijenjacht had onwillekeurig een treurigen indruk bij het meisje achtergelaten; die arme kleine dieren, zoo onschuldig en ijverig, om een loutere gril aangevallen en verjaagd, wekten haar medelijden en nadenken op. Haar oom werd dit gewaar.
»Lief kind,” zeide hij, »wat gaat er in u om? gij zijt niet meer zoo vroolijk, als toen wij vertrokken. Vanwaar die plotselinge verandering?”
»Och, oom, maak u daarover niet ongerust, ik ben evenals alle jonge meisjes een beetje dwaas en grillig, die bijenjacht waarvan ik mij zooveel genoegen voorstelde, heeft mij onwillekeurig tot treurigheid gestemd.”
»Gelukkig kind!” prevelde de generaal, »dat nog om zulk een nietige oorzaak bedroefd kan worden; God geve, mijne lieve, dat gij nog lang zoo blijven moogt, en dat nooit grootere en diepere smarten u treffen.”
»Beste oom, zal ik bij u niet altijd gelukkig zijn?”
»Helaas! mijn kind, wie weet of het Gods wil is, dat ik nog lang bij u zal blijven?”
»Zeg dat niet, oom, ik hoop dat wij nog lange jaren te zamen zullen doorbrengen.”
De generaal antwoordde slechts met een zucht.
»Oom,” hernam het meisje, na een oogenblik zwijgens: »vindt gij niet, dat het gezicht der grootsche en verheven natuur om ons heen iets aangrijpends heeft, dat de gedachte veredelt, de ziel verheft en den mensen beter maakt? Wat moeten zij, die in die onbegrensde, eenzame wildernis leven, gelukkig zijn!”
De generaal zag haar verwonderd aan.
»Van waar komen u die gedachten, lief kind?” zeide hij.
»Ik weet het niet, oom,” antwoordde zij verlegen; »ik ben maar een dom meisje, dat tot nu toe stil en vreedzaam naast u heb voortgeleefd; maar er zijn oogenblikken, waarin het mij toeschijnt, dat ik gelukkig zou wezen, indien ik in die uitgestrekte woestijnen leven mocht.”
De generaal, verrast, en inwendig verrukt over de onschuldige openhartigheid van zijne nicht, maakte zich gereed om haar te antwoorden, toen de gids eensklaps nader bij kwam, een teeken gaf om de stilte te bewaren, en met een stem, zacht als een ademtocht, zeide:
»Een mensch!.…”
... en met een stem, zacht als een ademtogt, zeide: „Een mensch!....” bladz. 88.… en met een stem, zacht als een ademtogt, zeide: „Een mensch!.…” bladz. 88.
… en met een stem, zacht als een ademtogt, zeide: „Een mensch!.…” bladz. 88.
[89]