[Inhoud]XIV.DE ZWARTE ELAND.Allen bleven staan. Het woord »mensch” beteekent in de woestijn bijna altijd een vijand. De mensch is in de woestijn nog meer gevreesd door zijns gelijken, dan het bloeddorstigste wilde dier. Een mensch, dat is een mededinger, een opgedrongen aandeelhouder, die volgens het recht van den sterkste met den eersten bezitter komt deelen, en hem dikwijls, om niet te zeggen altijd, de vrucht van zijn ondankbaren arbeid poogt te ontstelen. De blanken, Indianen, of mestiezen, als zij elkander in de prairie ontmoeten, groeten elkaâr dan ook altijd met loerenden blik, gespitste ooren, en den vinger op den trekker van hun geweer.Op het hooren van dat woord: een mensch! maakten zich de generaal en de lanceros terstond gereed, om een aanval te kunnen afwachten; zij laadden hunne geweren, en verscholen zich, zoo goed zij konden, achter de struiken. Vijftig passen voor hen uit bevond zich een persoon, die, met beide handen op den loop van een lang geweer rustende, hen opmerkzaam gadesloeg. Het was een lang, forsch gebouwd man, met krachtige trekken, en een vrijen en vasten blik. Zijn lang haar was netjes gevlochten en met ottervellen en verschillend gekleurde linten versierd. Een lederen jachtkiel viel hem tot op de knieën, slobkousen van eene zonderlinge snede, met koorden, franjes en tallooze knoopjes opgetuigd, omgaven zijne beenen; zijn schoeisel bestond uit een paar prachtige mocksens met valsche paarlen geborduurd. Een scharlaken kleed bedekte zijne schouders, en was om zijne heupen gebonden door middel van een gordel, waarin zich twee pistolen, een mes en een indiaansche pijp bevonden. Zijn karabijn was met vermiljoen bestreken en met kleine koperen spijkertjes gemonteerd. Niet ver van hem verwijderd graasde zijn paard, dat evenals hij zelf, op de zonderlingste wijze uitgedost en hier en daar met vermiljoen besmeerd was; het hoofdstel, de teugels en de broek waren met valsche paarlen en kokardes versierd; de kop, de manen en de staart prijkten met tallooze arendsvederen, die golvend op en neder wuifden.Op het gezicht van dezen man, kon de generaal een kreet van verrassing niet weêrhouden.»Tot welken indiaanschen stam behoort die man?” vroeg hij aan den gids.»Tot geene,” antwoordde deze.»Hoe, tot geene?”»Neen, het is een blanke pelsjager.”»Aldus gekleed?”De gids haalde de schouders op.[90]»Wij zijn in de prairiën,” zeide hij.»Dat is waar,” mompelde de generaal.De persoon ondertusschen, dien wij boven beschreven hebben, scheen het aarzelen van den kleinen troep vóór hem moede te worden, en willende weten waaraan hij zich te houden had, nam hij stoutmoedig het woord.»Hei! heidaar!” riep hij in ’t Engelsch, »wie duivel zijt gij, en wat komt gij hier zoeken?”»Caramba!” antwoordde de generaal, zijn geweer naar achteren werpende, en aan zijne reisgenooten bevelende om evenzoo te doen, »wij zijn reizigers, die een langen tocht achter den rug hebben; de zon is heet, wij vragen uwe toestemming om eenige oogenblikken in uwerancho(hut) uit te rusten.”Deze woorden werden in het Spaansch gesproken; de Pelsjager antwoordde in dezelfde taal:»Nadert onbevreesd;de Zwarte Elandis een goede kerel, als men hem niet tracht te verbitteren; gij zult het weinige dat ik bezit, met mij deelen, en het moge u wel bekomen.”Op het hooren van dien naam kon de gids een beweging van schrik niet weerhouden; hij wilde zelfs iets zeggen, maar had er den tijd niet toe, want de jager, zijn geweer over den schouder leggende, en zich met één sprong in den zadel werpende, was den Mexicanen reeds genaderd.»Mijne rancho is niet ver van hier,” zeide hij tot den generaal; »als deseñoritaeen goed toebereiden bisonbult niet versmaadt, dan kan ik haar die galanterie bewijzen.”»Ik dank u, Caballero,” antwoordde het meisje glimlachend; »ik betuig u, dat ik voor het oogenblik meer behoefte heb aan rust dan aan iets anders.”»Alles op zijn tijd,” zeide de jager deftig, »vergun mij, gedurende eenige oogenblikken, uw gids af te lossen.”»Wij geven ons aan uw geleide over,” zeide de generaal; »ga, wij volgen.”»Voorwaarts dan,” hernam de pelsjager, zich aan het hoofd van den troep plaatsende. Terwijl hij dit zeide, vielen zijne oogen toevallig op den gids; zijne wenkbrauwen fronsten zich: »Hm!” mompelde hij tusschen de tanden, »wat beteekent dat? wij zullen zien.” En zonder zich schijnbaar meer om dien man te bekommeren, zonder zelfs te toonen dat hij hem herkende, gaf hij het teeken tot vertrek.Na eenigen tijd stilzwijgend langs een vrij breede beek te zijn voortgegaan, maakte de jager op eens een hoek, en ging hij op nieuw het bosch in.»Ik vraag u vergeving,” zeide hij, »voor den omweg, dien ik u laat maken; maar er is hier een bevervijver, en ik ben bang hen te zullen verschrikken.”[91]»O,” riep het meisje uit, »hoe gelukkig zou ik zijn, indien ik die nijvere dieren eens mocht zien arbeiden!”De jager bleef staan.»Niets is gemakkelijker,Señorita,” zeide hij, »zoo gij mij volgen wilt, terwijl uwe reisgenooten hier blijven wachten zal ik er u brengen.”»Ja, ja!” antwoorddedoñaLuz levendig; maar, zich eensklaps bezinnende, hervatte zij: »O, vergeving oom!”De generaal wierp een blik op den jager.»Ga, mijn kind, wij zullen u hier wachten,” zeide hij.»Dank u, oom,” zeide het meisje verheugd, en van haar paard springende.»Ik sta u borg voor haar,” zeide de jager, »vrees niets.”»Ik vrees niets, ik vertrouw haar u toe, mijn vriend,” antwoordde de generaal.»Verplicht!” en een teeken gevende aandoñaLuz, verdween de Zwarte Eland met haar te midden van de struiken en boomen.Toen zij op zekeren afstand gekomen waren, bleef de jager staan. Na aan alle kanten geluisterd en gekeken te hebben, wendde hij zich tot het meisje, legde haar zachtjes zijne hand op den schouder, en zeide: »Luister.”DoñaLuz bleef ongerust en bevend staan. De jager bemerkte haar angst.»Vrees niet,” hernam hij, »ik ben een eerlijk man: gij zijt hier in deze woestijn, met mij alleen, even veilig, alsof gij u in de kathedraal van Mexico, aan den voet van het altaar bevondt.”Het meisje wierp steelsgewijze een blik op den jager: ondanks zijn zonderling kostuum had zijn gelaat zulk een openhartige uitdrukking, en was zijn oog zoo helder en zacht op haar gevestigd, dat zij volkomen gerust gesteld werd.»Spreek,” zeide zij.»Gij behoort,” hernam de jager, »want ik herken u nu, tot dien troep vreemdelingen, die sedert eenige dagen de prairie in alle richtingen doorkruist, is het niet waar?”»Ja.”»Onder u bevindt zich een halve gek met een blauwen bril en een blonde pruik, en die zich, waarom weet ik niet, vermaakt met het bijeenzamelen van planten en steenen, in plaats van, gelijk een braaf jager past, bevers te verschalken en herten te schieten.”»Ik ken den man van wien gij spreekt, hij maakt werkelijk een deel van onzen troep uit, het is een zeer geleerde doctor.”»Dat weet ik, hij heeft het mij gezegd; hij komt dikwijls hierheen, wij zijn goede vrienden; door middel van een poeder, dat hij mij heeft doen innemen, heeft hij mij volkomen verlost van eene koorts, die mij sinds twee maanden kwelde, en waarvan ik mij vergeefs poogde te ontslaan.”[92]»Zooveel te beter; ik ben blijde over dien goeden uitslag.”»Ik zou wel iets voor u willen doen, om die dienst terug te betalen.”»Verplicht, mijn vriend, maar ik weet niet waarmede gij mij van dienst zoudt kunnen zijn, behalve mij de bevers te laten zien.”De jager schudde het hoofd.»Misschien met iets anders, en wellicht eer dan gij denkt,” zeide hij. »Luister goed,Señorita, ik ben maar een arm man, maar hier in de woestijn weten wij veel, dat God ons openbaart, omdat wij van aangezicht tot aangezicht met Hem verkeeren; ik wil u een goeden raad geven: de man die u tot gids dient, is een volleerde schurk; hij staat als zoodanig in de prairiën van het Westen bekend; ik moet mij zeer vergissen of hij zal u in een strik doen vallen; er is hier geen gebrek aan slechte menschen, met wie hij zich kan verstaan om u ongelukkig te maken, of ten minste om u uit te plunderen.”»Zijt gij zeker van hetgeen gij zegt?” riep het meisje, verschrikt over die woorden, die zoo zonderling overeenkwamen met hetgeen Edelhart haar gezegd had.»Ik ben er even zeker van als van iets anders, dat men bezweren kan zonder afdoende bewijzen te hebben; ik ben verplicht u te zeggen, dat, na hetgeen vroeger met den Babbelaar gebeurd is, men voor hem op zijne hoede moet wezen; geloof mij, zoo hij u nog niet verraden heeft, zal het toch niet lang meer duren of hij doet het.”»Groote God, ik zal mijn oom waarschuwen!”»Wacht u daarvoor, gij zoudt daarmede alles op het spel zetten; de lieden, met welke uw gids zich verstaat, of zich spoedig verstaan zal, zijn talrijk en onverschrokken, en weten alles wat er in de prairie omgaat.”»Wat moeten wij dan doen?” vroeg het meisje angstig.»Niets. Wachten, en zonder er den schijn van aan te nemen, zorgvuldig al de gangen van uw gids bespieden.”»Maar.…”»Gij begrijpt wel,” viel de jager in, »dat, zoo ik u aanraad den Babbelaar te wantrouwen, ik dat niet doe, om u, als de nood aan den man is, in den steek te laten.”»Ik geloof u.”»Welnu, zie hier wat gij doen moet; zoodra gij zekerheid hebben zult, dat uw gids u verraadt, zult gij dien gekken ouden doctor tot mij zenden; gij kunt op hem vertrouwen, niet waar.”»Volkomen.”»Goed. Dan zult gij, zooals ik gezegd heb, hem tot mij zenden, met den last, om alleen deze woorden uit te spreken:Zwarte Eland!De Zwarte Eland, ben ik.”»Dat weet ik, gij hebt het ons gezegd.”»Best. Hij moet dan zeggen:Zwarte Eland, het uur is geslagen. Niets anders. Gij kunt dit immers wel onthouden?”[93]»Heel goed. Alleen begrijp ik niet recht, in welk opzicht ons dit nuttig zal kunnen zijn.”De jager glimlachte geheimzinnig.»Hm!” zeide hij na een oogenblik zwijgens, »die weinige woorden zullen in twee uur tijds vijftig der vastberadenste mannen uit de prairie om u scharen. Mannen, die op een teeken van hun opperhoofd zich zullen laten dooden om u uit de handen uwer overweldigers te rukken, wanneer, hetgeen ik voorzie, gebeuren zal.”Er volgde een oogenblik stilte,doñaLuz mijmerde. De jager hernam glimlachend:»Verwonder u niet over de levendige belangstelling, die ik u betoon, een man, die mij geheel door zijn invloed beheerscht, heeft mij laten zweren, dat ik, terwijl hij om dringende redenen voor eenigen tijd afwezig moest zijn, in zijne plaats voor u waken zou.”»Wat bedoelt gij?” vroeg zij nieuwsgierig, »en wie is die man?”»Die man is een jager; die het bevel voert over al de blanke pelsjagers der prairiën; wetende, dat gij den Babbelaar tot gids hebt, heeft hij vermoed, dat die mesties plan had u in een hinderlaag te lokken.”»Maar de naam van dien man?” riep zij op angstigen toon.»Is Edelhart. Zult gij nu vertrouwen in mij stellen?”»Ik dank u, mijn vriend, ik dank u,” antwoordde het meisje in verwarring; »ik zal nooit uwe aanbeveling vergeten en als het oogenblik van gevaar daar is, zal ik niet aarzelen u aan uwe belofte te herinneren.”»En gij zult wél doen,Señorita, omdat het de eenige kans van behoud is, die u dan zal overschieten. Kom, gij hebt mij begrepen, alles is in orde, houd ons gesprek voor u; maar bovenal, wacht u voor den schijn alsof gij u met mij verstaan hebt; die duivel van een mesties is slim als een bever, zoo hij den minsten argwaan koesterde, zou hij u als een adder door de vingers glijden.”»Wees gerust, ik zal zwijgen.”»Laat ons nu onzen tocht naar den bevervijver voortzetten. Edelhart waakt over u.”»Hij heeft ons reeds eenmaal het leven gered, laatst bij den brand der prairie,” zeide zij levendig.»Ha, ha!” prevelde de jager, een vreemden blik op haar vestigende, »de zaken staan goed;” vervolgens voegde hij er hardop bij: »Vrees niet,Señorita; zoo gij stipt den raad, dien ik u gegeven heb, opvolgt, zal u in de prairie niets overkomen, aan welke schelmerijen gij ook moogt zijn blootgesteld.”»O,” riep zij uit, »als het uur van gevaar slaat, zal ik niet aarzelen tot u te komen, dat zweer ik u!”»Dat is dan afgesproken,” zeide de Zwarte Eland glimlachend; »laat ons nu de bevers gaan zien.” Zij hervatten hunnen tocht, en na eenige oogenblikken kwamen zij aan den rand van het woud.[94]Daar bleef de jager staan, gaf aan het meisje een teeken, dat zij zich niet verroeren zou, en zich tot haar wendende, zeide hij: »Ziehier.”
[Inhoud]XIV.DE ZWARTE ELAND.Allen bleven staan. Het woord »mensch” beteekent in de woestijn bijna altijd een vijand. De mensch is in de woestijn nog meer gevreesd door zijns gelijken, dan het bloeddorstigste wilde dier. Een mensch, dat is een mededinger, een opgedrongen aandeelhouder, die volgens het recht van den sterkste met den eersten bezitter komt deelen, en hem dikwijls, om niet te zeggen altijd, de vrucht van zijn ondankbaren arbeid poogt te ontstelen. De blanken, Indianen, of mestiezen, als zij elkander in de prairie ontmoeten, groeten elkaâr dan ook altijd met loerenden blik, gespitste ooren, en den vinger op den trekker van hun geweer.Op het hooren van dat woord: een mensch! maakten zich de generaal en de lanceros terstond gereed, om een aanval te kunnen afwachten; zij laadden hunne geweren, en verscholen zich, zoo goed zij konden, achter de struiken. Vijftig passen voor hen uit bevond zich een persoon, die, met beide handen op den loop van een lang geweer rustende, hen opmerkzaam gadesloeg. Het was een lang, forsch gebouwd man, met krachtige trekken, en een vrijen en vasten blik. Zijn lang haar was netjes gevlochten en met ottervellen en verschillend gekleurde linten versierd. Een lederen jachtkiel viel hem tot op de knieën, slobkousen van eene zonderlinge snede, met koorden, franjes en tallooze knoopjes opgetuigd, omgaven zijne beenen; zijn schoeisel bestond uit een paar prachtige mocksens met valsche paarlen geborduurd. Een scharlaken kleed bedekte zijne schouders, en was om zijne heupen gebonden door middel van een gordel, waarin zich twee pistolen, een mes en een indiaansche pijp bevonden. Zijn karabijn was met vermiljoen bestreken en met kleine koperen spijkertjes gemonteerd. Niet ver van hem verwijderd graasde zijn paard, dat evenals hij zelf, op de zonderlingste wijze uitgedost en hier en daar met vermiljoen besmeerd was; het hoofdstel, de teugels en de broek waren met valsche paarlen en kokardes versierd; de kop, de manen en de staart prijkten met tallooze arendsvederen, die golvend op en neder wuifden.Op het gezicht van dezen man, kon de generaal een kreet van verrassing niet weêrhouden.»Tot welken indiaanschen stam behoort die man?” vroeg hij aan den gids.»Tot geene,” antwoordde deze.»Hoe, tot geene?”»Neen, het is een blanke pelsjager.”»Aldus gekleed?”De gids haalde de schouders op.[90]»Wij zijn in de prairiën,” zeide hij.»Dat is waar,” mompelde de generaal.De persoon ondertusschen, dien wij boven beschreven hebben, scheen het aarzelen van den kleinen troep vóór hem moede te worden, en willende weten waaraan hij zich te houden had, nam hij stoutmoedig het woord.»Hei! heidaar!” riep hij in ’t Engelsch, »wie duivel zijt gij, en wat komt gij hier zoeken?”»Caramba!” antwoordde de generaal, zijn geweer naar achteren werpende, en aan zijne reisgenooten bevelende om evenzoo te doen, »wij zijn reizigers, die een langen tocht achter den rug hebben; de zon is heet, wij vragen uwe toestemming om eenige oogenblikken in uwerancho(hut) uit te rusten.”Deze woorden werden in het Spaansch gesproken; de Pelsjager antwoordde in dezelfde taal:»Nadert onbevreesd;de Zwarte Elandis een goede kerel, als men hem niet tracht te verbitteren; gij zult het weinige dat ik bezit, met mij deelen, en het moge u wel bekomen.”Op het hooren van dien naam kon de gids een beweging van schrik niet weerhouden; hij wilde zelfs iets zeggen, maar had er den tijd niet toe, want de jager, zijn geweer over den schouder leggende, en zich met één sprong in den zadel werpende, was den Mexicanen reeds genaderd.»Mijne rancho is niet ver van hier,” zeide hij tot den generaal; »als deseñoritaeen goed toebereiden bisonbult niet versmaadt, dan kan ik haar die galanterie bewijzen.”»Ik dank u, Caballero,” antwoordde het meisje glimlachend; »ik betuig u, dat ik voor het oogenblik meer behoefte heb aan rust dan aan iets anders.”»Alles op zijn tijd,” zeide de jager deftig, »vergun mij, gedurende eenige oogenblikken, uw gids af te lossen.”»Wij geven ons aan uw geleide over,” zeide de generaal; »ga, wij volgen.”»Voorwaarts dan,” hernam de pelsjager, zich aan het hoofd van den troep plaatsende. Terwijl hij dit zeide, vielen zijne oogen toevallig op den gids; zijne wenkbrauwen fronsten zich: »Hm!” mompelde hij tusschen de tanden, »wat beteekent dat? wij zullen zien.” En zonder zich schijnbaar meer om dien man te bekommeren, zonder zelfs te toonen dat hij hem herkende, gaf hij het teeken tot vertrek.Na eenigen tijd stilzwijgend langs een vrij breede beek te zijn voortgegaan, maakte de jager op eens een hoek, en ging hij op nieuw het bosch in.»Ik vraag u vergeving,” zeide hij, »voor den omweg, dien ik u laat maken; maar er is hier een bevervijver, en ik ben bang hen te zullen verschrikken.”[91]»O,” riep het meisje uit, »hoe gelukkig zou ik zijn, indien ik die nijvere dieren eens mocht zien arbeiden!”De jager bleef staan.»Niets is gemakkelijker,Señorita,” zeide hij, »zoo gij mij volgen wilt, terwijl uwe reisgenooten hier blijven wachten zal ik er u brengen.”»Ja, ja!” antwoorddedoñaLuz levendig; maar, zich eensklaps bezinnende, hervatte zij: »O, vergeving oom!”De generaal wierp een blik op den jager.»Ga, mijn kind, wij zullen u hier wachten,” zeide hij.»Dank u, oom,” zeide het meisje verheugd, en van haar paard springende.»Ik sta u borg voor haar,” zeide de jager, »vrees niets.”»Ik vrees niets, ik vertrouw haar u toe, mijn vriend,” antwoordde de generaal.»Verplicht!” en een teeken gevende aandoñaLuz, verdween de Zwarte Eland met haar te midden van de struiken en boomen.Toen zij op zekeren afstand gekomen waren, bleef de jager staan. Na aan alle kanten geluisterd en gekeken te hebben, wendde hij zich tot het meisje, legde haar zachtjes zijne hand op den schouder, en zeide: »Luister.”DoñaLuz bleef ongerust en bevend staan. De jager bemerkte haar angst.»Vrees niet,” hernam hij, »ik ben een eerlijk man: gij zijt hier in deze woestijn, met mij alleen, even veilig, alsof gij u in de kathedraal van Mexico, aan den voet van het altaar bevondt.”Het meisje wierp steelsgewijze een blik op den jager: ondanks zijn zonderling kostuum had zijn gelaat zulk een openhartige uitdrukking, en was zijn oog zoo helder en zacht op haar gevestigd, dat zij volkomen gerust gesteld werd.»Spreek,” zeide zij.»Gij behoort,” hernam de jager, »want ik herken u nu, tot dien troep vreemdelingen, die sedert eenige dagen de prairie in alle richtingen doorkruist, is het niet waar?”»Ja.”»Onder u bevindt zich een halve gek met een blauwen bril en een blonde pruik, en die zich, waarom weet ik niet, vermaakt met het bijeenzamelen van planten en steenen, in plaats van, gelijk een braaf jager past, bevers te verschalken en herten te schieten.”»Ik ken den man van wien gij spreekt, hij maakt werkelijk een deel van onzen troep uit, het is een zeer geleerde doctor.”»Dat weet ik, hij heeft het mij gezegd; hij komt dikwijls hierheen, wij zijn goede vrienden; door middel van een poeder, dat hij mij heeft doen innemen, heeft hij mij volkomen verlost van eene koorts, die mij sinds twee maanden kwelde, en waarvan ik mij vergeefs poogde te ontslaan.”[92]»Zooveel te beter; ik ben blijde over dien goeden uitslag.”»Ik zou wel iets voor u willen doen, om die dienst terug te betalen.”»Verplicht, mijn vriend, maar ik weet niet waarmede gij mij van dienst zoudt kunnen zijn, behalve mij de bevers te laten zien.”De jager schudde het hoofd.»Misschien met iets anders, en wellicht eer dan gij denkt,” zeide hij. »Luister goed,Señorita, ik ben maar een arm man, maar hier in de woestijn weten wij veel, dat God ons openbaart, omdat wij van aangezicht tot aangezicht met Hem verkeeren; ik wil u een goeden raad geven: de man die u tot gids dient, is een volleerde schurk; hij staat als zoodanig in de prairiën van het Westen bekend; ik moet mij zeer vergissen of hij zal u in een strik doen vallen; er is hier geen gebrek aan slechte menschen, met wie hij zich kan verstaan om u ongelukkig te maken, of ten minste om u uit te plunderen.”»Zijt gij zeker van hetgeen gij zegt?” riep het meisje, verschrikt over die woorden, die zoo zonderling overeenkwamen met hetgeen Edelhart haar gezegd had.»Ik ben er even zeker van als van iets anders, dat men bezweren kan zonder afdoende bewijzen te hebben; ik ben verplicht u te zeggen, dat, na hetgeen vroeger met den Babbelaar gebeurd is, men voor hem op zijne hoede moet wezen; geloof mij, zoo hij u nog niet verraden heeft, zal het toch niet lang meer duren of hij doet het.”»Groote God, ik zal mijn oom waarschuwen!”»Wacht u daarvoor, gij zoudt daarmede alles op het spel zetten; de lieden, met welke uw gids zich verstaat, of zich spoedig verstaan zal, zijn talrijk en onverschrokken, en weten alles wat er in de prairie omgaat.”»Wat moeten wij dan doen?” vroeg het meisje angstig.»Niets. Wachten, en zonder er den schijn van aan te nemen, zorgvuldig al de gangen van uw gids bespieden.”»Maar.…”»Gij begrijpt wel,” viel de jager in, »dat, zoo ik u aanraad den Babbelaar te wantrouwen, ik dat niet doe, om u, als de nood aan den man is, in den steek te laten.”»Ik geloof u.”»Welnu, zie hier wat gij doen moet; zoodra gij zekerheid hebben zult, dat uw gids u verraadt, zult gij dien gekken ouden doctor tot mij zenden; gij kunt op hem vertrouwen, niet waar.”»Volkomen.”»Goed. Dan zult gij, zooals ik gezegd heb, hem tot mij zenden, met den last, om alleen deze woorden uit te spreken:Zwarte Eland!De Zwarte Eland, ben ik.”»Dat weet ik, gij hebt het ons gezegd.”»Best. Hij moet dan zeggen:Zwarte Eland, het uur is geslagen. Niets anders. Gij kunt dit immers wel onthouden?”[93]»Heel goed. Alleen begrijp ik niet recht, in welk opzicht ons dit nuttig zal kunnen zijn.”De jager glimlachte geheimzinnig.»Hm!” zeide hij na een oogenblik zwijgens, »die weinige woorden zullen in twee uur tijds vijftig der vastberadenste mannen uit de prairie om u scharen. Mannen, die op een teeken van hun opperhoofd zich zullen laten dooden om u uit de handen uwer overweldigers te rukken, wanneer, hetgeen ik voorzie, gebeuren zal.”Er volgde een oogenblik stilte,doñaLuz mijmerde. De jager hernam glimlachend:»Verwonder u niet over de levendige belangstelling, die ik u betoon, een man, die mij geheel door zijn invloed beheerscht, heeft mij laten zweren, dat ik, terwijl hij om dringende redenen voor eenigen tijd afwezig moest zijn, in zijne plaats voor u waken zou.”»Wat bedoelt gij?” vroeg zij nieuwsgierig, »en wie is die man?”»Die man is een jager; die het bevel voert over al de blanke pelsjagers der prairiën; wetende, dat gij den Babbelaar tot gids hebt, heeft hij vermoed, dat die mesties plan had u in een hinderlaag te lokken.”»Maar de naam van dien man?” riep zij op angstigen toon.»Is Edelhart. Zult gij nu vertrouwen in mij stellen?”»Ik dank u, mijn vriend, ik dank u,” antwoordde het meisje in verwarring; »ik zal nooit uwe aanbeveling vergeten en als het oogenblik van gevaar daar is, zal ik niet aarzelen u aan uwe belofte te herinneren.”»En gij zult wél doen,Señorita, omdat het de eenige kans van behoud is, die u dan zal overschieten. Kom, gij hebt mij begrepen, alles is in orde, houd ons gesprek voor u; maar bovenal, wacht u voor den schijn alsof gij u met mij verstaan hebt; die duivel van een mesties is slim als een bever, zoo hij den minsten argwaan koesterde, zou hij u als een adder door de vingers glijden.”»Wees gerust, ik zal zwijgen.”»Laat ons nu onzen tocht naar den bevervijver voortzetten. Edelhart waakt over u.”»Hij heeft ons reeds eenmaal het leven gered, laatst bij den brand der prairie,” zeide zij levendig.»Ha, ha!” prevelde de jager, een vreemden blik op haar vestigende, »de zaken staan goed;” vervolgens voegde hij er hardop bij: »Vrees niet,Señorita; zoo gij stipt den raad, dien ik u gegeven heb, opvolgt, zal u in de prairie niets overkomen, aan welke schelmerijen gij ook moogt zijn blootgesteld.”»O,” riep zij uit, »als het uur van gevaar slaat, zal ik niet aarzelen tot u te komen, dat zweer ik u!”»Dat is dan afgesproken,” zeide de Zwarte Eland glimlachend; »laat ons nu de bevers gaan zien.” Zij hervatten hunnen tocht, en na eenige oogenblikken kwamen zij aan den rand van het woud.[94]Daar bleef de jager staan, gaf aan het meisje een teeken, dat zij zich niet verroeren zou, en zich tot haar wendende, zeide hij: »Ziehier.”
[Inhoud]XIV.DE ZWARTE ELAND.Allen bleven staan. Het woord »mensch” beteekent in de woestijn bijna altijd een vijand. De mensch is in de woestijn nog meer gevreesd door zijns gelijken, dan het bloeddorstigste wilde dier. Een mensch, dat is een mededinger, een opgedrongen aandeelhouder, die volgens het recht van den sterkste met den eersten bezitter komt deelen, en hem dikwijls, om niet te zeggen altijd, de vrucht van zijn ondankbaren arbeid poogt te ontstelen. De blanken, Indianen, of mestiezen, als zij elkander in de prairie ontmoeten, groeten elkaâr dan ook altijd met loerenden blik, gespitste ooren, en den vinger op den trekker van hun geweer.Op het hooren van dat woord: een mensch! maakten zich de generaal en de lanceros terstond gereed, om een aanval te kunnen afwachten; zij laadden hunne geweren, en verscholen zich, zoo goed zij konden, achter de struiken. Vijftig passen voor hen uit bevond zich een persoon, die, met beide handen op den loop van een lang geweer rustende, hen opmerkzaam gadesloeg. Het was een lang, forsch gebouwd man, met krachtige trekken, en een vrijen en vasten blik. Zijn lang haar was netjes gevlochten en met ottervellen en verschillend gekleurde linten versierd. Een lederen jachtkiel viel hem tot op de knieën, slobkousen van eene zonderlinge snede, met koorden, franjes en tallooze knoopjes opgetuigd, omgaven zijne beenen; zijn schoeisel bestond uit een paar prachtige mocksens met valsche paarlen geborduurd. Een scharlaken kleed bedekte zijne schouders, en was om zijne heupen gebonden door middel van een gordel, waarin zich twee pistolen, een mes en een indiaansche pijp bevonden. Zijn karabijn was met vermiljoen bestreken en met kleine koperen spijkertjes gemonteerd. Niet ver van hem verwijderd graasde zijn paard, dat evenals hij zelf, op de zonderlingste wijze uitgedost en hier en daar met vermiljoen besmeerd was; het hoofdstel, de teugels en de broek waren met valsche paarlen en kokardes versierd; de kop, de manen en de staart prijkten met tallooze arendsvederen, die golvend op en neder wuifden.Op het gezicht van dezen man, kon de generaal een kreet van verrassing niet weêrhouden.»Tot welken indiaanschen stam behoort die man?” vroeg hij aan den gids.»Tot geene,” antwoordde deze.»Hoe, tot geene?”»Neen, het is een blanke pelsjager.”»Aldus gekleed?”De gids haalde de schouders op.[90]»Wij zijn in de prairiën,” zeide hij.»Dat is waar,” mompelde de generaal.De persoon ondertusschen, dien wij boven beschreven hebben, scheen het aarzelen van den kleinen troep vóór hem moede te worden, en willende weten waaraan hij zich te houden had, nam hij stoutmoedig het woord.»Hei! heidaar!” riep hij in ’t Engelsch, »wie duivel zijt gij, en wat komt gij hier zoeken?”»Caramba!” antwoordde de generaal, zijn geweer naar achteren werpende, en aan zijne reisgenooten bevelende om evenzoo te doen, »wij zijn reizigers, die een langen tocht achter den rug hebben; de zon is heet, wij vragen uwe toestemming om eenige oogenblikken in uwerancho(hut) uit te rusten.”Deze woorden werden in het Spaansch gesproken; de Pelsjager antwoordde in dezelfde taal:»Nadert onbevreesd;de Zwarte Elandis een goede kerel, als men hem niet tracht te verbitteren; gij zult het weinige dat ik bezit, met mij deelen, en het moge u wel bekomen.”Op het hooren van dien naam kon de gids een beweging van schrik niet weerhouden; hij wilde zelfs iets zeggen, maar had er den tijd niet toe, want de jager, zijn geweer over den schouder leggende, en zich met één sprong in den zadel werpende, was den Mexicanen reeds genaderd.»Mijne rancho is niet ver van hier,” zeide hij tot den generaal; »als deseñoritaeen goed toebereiden bisonbult niet versmaadt, dan kan ik haar die galanterie bewijzen.”»Ik dank u, Caballero,” antwoordde het meisje glimlachend; »ik betuig u, dat ik voor het oogenblik meer behoefte heb aan rust dan aan iets anders.”»Alles op zijn tijd,” zeide de jager deftig, »vergun mij, gedurende eenige oogenblikken, uw gids af te lossen.”»Wij geven ons aan uw geleide over,” zeide de generaal; »ga, wij volgen.”»Voorwaarts dan,” hernam de pelsjager, zich aan het hoofd van den troep plaatsende. Terwijl hij dit zeide, vielen zijne oogen toevallig op den gids; zijne wenkbrauwen fronsten zich: »Hm!” mompelde hij tusschen de tanden, »wat beteekent dat? wij zullen zien.” En zonder zich schijnbaar meer om dien man te bekommeren, zonder zelfs te toonen dat hij hem herkende, gaf hij het teeken tot vertrek.Na eenigen tijd stilzwijgend langs een vrij breede beek te zijn voortgegaan, maakte de jager op eens een hoek, en ging hij op nieuw het bosch in.»Ik vraag u vergeving,” zeide hij, »voor den omweg, dien ik u laat maken; maar er is hier een bevervijver, en ik ben bang hen te zullen verschrikken.”[91]»O,” riep het meisje uit, »hoe gelukkig zou ik zijn, indien ik die nijvere dieren eens mocht zien arbeiden!”De jager bleef staan.»Niets is gemakkelijker,Señorita,” zeide hij, »zoo gij mij volgen wilt, terwijl uwe reisgenooten hier blijven wachten zal ik er u brengen.”»Ja, ja!” antwoorddedoñaLuz levendig; maar, zich eensklaps bezinnende, hervatte zij: »O, vergeving oom!”De generaal wierp een blik op den jager.»Ga, mijn kind, wij zullen u hier wachten,” zeide hij.»Dank u, oom,” zeide het meisje verheugd, en van haar paard springende.»Ik sta u borg voor haar,” zeide de jager, »vrees niets.”»Ik vrees niets, ik vertrouw haar u toe, mijn vriend,” antwoordde de generaal.»Verplicht!” en een teeken gevende aandoñaLuz, verdween de Zwarte Eland met haar te midden van de struiken en boomen.Toen zij op zekeren afstand gekomen waren, bleef de jager staan. Na aan alle kanten geluisterd en gekeken te hebben, wendde hij zich tot het meisje, legde haar zachtjes zijne hand op den schouder, en zeide: »Luister.”DoñaLuz bleef ongerust en bevend staan. De jager bemerkte haar angst.»Vrees niet,” hernam hij, »ik ben een eerlijk man: gij zijt hier in deze woestijn, met mij alleen, even veilig, alsof gij u in de kathedraal van Mexico, aan den voet van het altaar bevondt.”Het meisje wierp steelsgewijze een blik op den jager: ondanks zijn zonderling kostuum had zijn gelaat zulk een openhartige uitdrukking, en was zijn oog zoo helder en zacht op haar gevestigd, dat zij volkomen gerust gesteld werd.»Spreek,” zeide zij.»Gij behoort,” hernam de jager, »want ik herken u nu, tot dien troep vreemdelingen, die sedert eenige dagen de prairie in alle richtingen doorkruist, is het niet waar?”»Ja.”»Onder u bevindt zich een halve gek met een blauwen bril en een blonde pruik, en die zich, waarom weet ik niet, vermaakt met het bijeenzamelen van planten en steenen, in plaats van, gelijk een braaf jager past, bevers te verschalken en herten te schieten.”»Ik ken den man van wien gij spreekt, hij maakt werkelijk een deel van onzen troep uit, het is een zeer geleerde doctor.”»Dat weet ik, hij heeft het mij gezegd; hij komt dikwijls hierheen, wij zijn goede vrienden; door middel van een poeder, dat hij mij heeft doen innemen, heeft hij mij volkomen verlost van eene koorts, die mij sinds twee maanden kwelde, en waarvan ik mij vergeefs poogde te ontslaan.”[92]»Zooveel te beter; ik ben blijde over dien goeden uitslag.”»Ik zou wel iets voor u willen doen, om die dienst terug te betalen.”»Verplicht, mijn vriend, maar ik weet niet waarmede gij mij van dienst zoudt kunnen zijn, behalve mij de bevers te laten zien.”De jager schudde het hoofd.»Misschien met iets anders, en wellicht eer dan gij denkt,” zeide hij. »Luister goed,Señorita, ik ben maar een arm man, maar hier in de woestijn weten wij veel, dat God ons openbaart, omdat wij van aangezicht tot aangezicht met Hem verkeeren; ik wil u een goeden raad geven: de man die u tot gids dient, is een volleerde schurk; hij staat als zoodanig in de prairiën van het Westen bekend; ik moet mij zeer vergissen of hij zal u in een strik doen vallen; er is hier geen gebrek aan slechte menschen, met wie hij zich kan verstaan om u ongelukkig te maken, of ten minste om u uit te plunderen.”»Zijt gij zeker van hetgeen gij zegt?” riep het meisje, verschrikt over die woorden, die zoo zonderling overeenkwamen met hetgeen Edelhart haar gezegd had.»Ik ben er even zeker van als van iets anders, dat men bezweren kan zonder afdoende bewijzen te hebben; ik ben verplicht u te zeggen, dat, na hetgeen vroeger met den Babbelaar gebeurd is, men voor hem op zijne hoede moet wezen; geloof mij, zoo hij u nog niet verraden heeft, zal het toch niet lang meer duren of hij doet het.”»Groote God, ik zal mijn oom waarschuwen!”»Wacht u daarvoor, gij zoudt daarmede alles op het spel zetten; de lieden, met welke uw gids zich verstaat, of zich spoedig verstaan zal, zijn talrijk en onverschrokken, en weten alles wat er in de prairie omgaat.”»Wat moeten wij dan doen?” vroeg het meisje angstig.»Niets. Wachten, en zonder er den schijn van aan te nemen, zorgvuldig al de gangen van uw gids bespieden.”»Maar.…”»Gij begrijpt wel,” viel de jager in, »dat, zoo ik u aanraad den Babbelaar te wantrouwen, ik dat niet doe, om u, als de nood aan den man is, in den steek te laten.”»Ik geloof u.”»Welnu, zie hier wat gij doen moet; zoodra gij zekerheid hebben zult, dat uw gids u verraadt, zult gij dien gekken ouden doctor tot mij zenden; gij kunt op hem vertrouwen, niet waar.”»Volkomen.”»Goed. Dan zult gij, zooals ik gezegd heb, hem tot mij zenden, met den last, om alleen deze woorden uit te spreken:Zwarte Eland!De Zwarte Eland, ben ik.”»Dat weet ik, gij hebt het ons gezegd.”»Best. Hij moet dan zeggen:Zwarte Eland, het uur is geslagen. Niets anders. Gij kunt dit immers wel onthouden?”[93]»Heel goed. Alleen begrijp ik niet recht, in welk opzicht ons dit nuttig zal kunnen zijn.”De jager glimlachte geheimzinnig.»Hm!” zeide hij na een oogenblik zwijgens, »die weinige woorden zullen in twee uur tijds vijftig der vastberadenste mannen uit de prairie om u scharen. Mannen, die op een teeken van hun opperhoofd zich zullen laten dooden om u uit de handen uwer overweldigers te rukken, wanneer, hetgeen ik voorzie, gebeuren zal.”Er volgde een oogenblik stilte,doñaLuz mijmerde. De jager hernam glimlachend:»Verwonder u niet over de levendige belangstelling, die ik u betoon, een man, die mij geheel door zijn invloed beheerscht, heeft mij laten zweren, dat ik, terwijl hij om dringende redenen voor eenigen tijd afwezig moest zijn, in zijne plaats voor u waken zou.”»Wat bedoelt gij?” vroeg zij nieuwsgierig, »en wie is die man?”»Die man is een jager; die het bevel voert over al de blanke pelsjagers der prairiën; wetende, dat gij den Babbelaar tot gids hebt, heeft hij vermoed, dat die mesties plan had u in een hinderlaag te lokken.”»Maar de naam van dien man?” riep zij op angstigen toon.»Is Edelhart. Zult gij nu vertrouwen in mij stellen?”»Ik dank u, mijn vriend, ik dank u,” antwoordde het meisje in verwarring; »ik zal nooit uwe aanbeveling vergeten en als het oogenblik van gevaar daar is, zal ik niet aarzelen u aan uwe belofte te herinneren.”»En gij zult wél doen,Señorita, omdat het de eenige kans van behoud is, die u dan zal overschieten. Kom, gij hebt mij begrepen, alles is in orde, houd ons gesprek voor u; maar bovenal, wacht u voor den schijn alsof gij u met mij verstaan hebt; die duivel van een mesties is slim als een bever, zoo hij den minsten argwaan koesterde, zou hij u als een adder door de vingers glijden.”»Wees gerust, ik zal zwijgen.”»Laat ons nu onzen tocht naar den bevervijver voortzetten. Edelhart waakt over u.”»Hij heeft ons reeds eenmaal het leven gered, laatst bij den brand der prairie,” zeide zij levendig.»Ha, ha!” prevelde de jager, een vreemden blik op haar vestigende, »de zaken staan goed;” vervolgens voegde hij er hardop bij: »Vrees niet,Señorita; zoo gij stipt den raad, dien ik u gegeven heb, opvolgt, zal u in de prairie niets overkomen, aan welke schelmerijen gij ook moogt zijn blootgesteld.”»O,” riep zij uit, »als het uur van gevaar slaat, zal ik niet aarzelen tot u te komen, dat zweer ik u!”»Dat is dan afgesproken,” zeide de Zwarte Eland glimlachend; »laat ons nu de bevers gaan zien.” Zij hervatten hunnen tocht, en na eenige oogenblikken kwamen zij aan den rand van het woud.[94]Daar bleef de jager staan, gaf aan het meisje een teeken, dat zij zich niet verroeren zou, en zich tot haar wendende, zeide hij: »Ziehier.”
XIV.DE ZWARTE ELAND.
Allen bleven staan. Het woord »mensch” beteekent in de woestijn bijna altijd een vijand. De mensch is in de woestijn nog meer gevreesd door zijns gelijken, dan het bloeddorstigste wilde dier. Een mensch, dat is een mededinger, een opgedrongen aandeelhouder, die volgens het recht van den sterkste met den eersten bezitter komt deelen, en hem dikwijls, om niet te zeggen altijd, de vrucht van zijn ondankbaren arbeid poogt te ontstelen. De blanken, Indianen, of mestiezen, als zij elkander in de prairie ontmoeten, groeten elkaâr dan ook altijd met loerenden blik, gespitste ooren, en den vinger op den trekker van hun geweer.Op het hooren van dat woord: een mensch! maakten zich de generaal en de lanceros terstond gereed, om een aanval te kunnen afwachten; zij laadden hunne geweren, en verscholen zich, zoo goed zij konden, achter de struiken. Vijftig passen voor hen uit bevond zich een persoon, die, met beide handen op den loop van een lang geweer rustende, hen opmerkzaam gadesloeg. Het was een lang, forsch gebouwd man, met krachtige trekken, en een vrijen en vasten blik. Zijn lang haar was netjes gevlochten en met ottervellen en verschillend gekleurde linten versierd. Een lederen jachtkiel viel hem tot op de knieën, slobkousen van eene zonderlinge snede, met koorden, franjes en tallooze knoopjes opgetuigd, omgaven zijne beenen; zijn schoeisel bestond uit een paar prachtige mocksens met valsche paarlen geborduurd. Een scharlaken kleed bedekte zijne schouders, en was om zijne heupen gebonden door middel van een gordel, waarin zich twee pistolen, een mes en een indiaansche pijp bevonden. Zijn karabijn was met vermiljoen bestreken en met kleine koperen spijkertjes gemonteerd. Niet ver van hem verwijderd graasde zijn paard, dat evenals hij zelf, op de zonderlingste wijze uitgedost en hier en daar met vermiljoen besmeerd was; het hoofdstel, de teugels en de broek waren met valsche paarlen en kokardes versierd; de kop, de manen en de staart prijkten met tallooze arendsvederen, die golvend op en neder wuifden.Op het gezicht van dezen man, kon de generaal een kreet van verrassing niet weêrhouden.»Tot welken indiaanschen stam behoort die man?” vroeg hij aan den gids.»Tot geene,” antwoordde deze.»Hoe, tot geene?”»Neen, het is een blanke pelsjager.”»Aldus gekleed?”De gids haalde de schouders op.[90]»Wij zijn in de prairiën,” zeide hij.»Dat is waar,” mompelde de generaal.De persoon ondertusschen, dien wij boven beschreven hebben, scheen het aarzelen van den kleinen troep vóór hem moede te worden, en willende weten waaraan hij zich te houden had, nam hij stoutmoedig het woord.»Hei! heidaar!” riep hij in ’t Engelsch, »wie duivel zijt gij, en wat komt gij hier zoeken?”»Caramba!” antwoordde de generaal, zijn geweer naar achteren werpende, en aan zijne reisgenooten bevelende om evenzoo te doen, »wij zijn reizigers, die een langen tocht achter den rug hebben; de zon is heet, wij vragen uwe toestemming om eenige oogenblikken in uwerancho(hut) uit te rusten.”Deze woorden werden in het Spaansch gesproken; de Pelsjager antwoordde in dezelfde taal:»Nadert onbevreesd;de Zwarte Elandis een goede kerel, als men hem niet tracht te verbitteren; gij zult het weinige dat ik bezit, met mij deelen, en het moge u wel bekomen.”Op het hooren van dien naam kon de gids een beweging van schrik niet weerhouden; hij wilde zelfs iets zeggen, maar had er den tijd niet toe, want de jager, zijn geweer over den schouder leggende, en zich met één sprong in den zadel werpende, was den Mexicanen reeds genaderd.»Mijne rancho is niet ver van hier,” zeide hij tot den generaal; »als deseñoritaeen goed toebereiden bisonbult niet versmaadt, dan kan ik haar die galanterie bewijzen.”»Ik dank u, Caballero,” antwoordde het meisje glimlachend; »ik betuig u, dat ik voor het oogenblik meer behoefte heb aan rust dan aan iets anders.”»Alles op zijn tijd,” zeide de jager deftig, »vergun mij, gedurende eenige oogenblikken, uw gids af te lossen.”»Wij geven ons aan uw geleide over,” zeide de generaal; »ga, wij volgen.”»Voorwaarts dan,” hernam de pelsjager, zich aan het hoofd van den troep plaatsende. Terwijl hij dit zeide, vielen zijne oogen toevallig op den gids; zijne wenkbrauwen fronsten zich: »Hm!” mompelde hij tusschen de tanden, »wat beteekent dat? wij zullen zien.” En zonder zich schijnbaar meer om dien man te bekommeren, zonder zelfs te toonen dat hij hem herkende, gaf hij het teeken tot vertrek.Na eenigen tijd stilzwijgend langs een vrij breede beek te zijn voortgegaan, maakte de jager op eens een hoek, en ging hij op nieuw het bosch in.»Ik vraag u vergeving,” zeide hij, »voor den omweg, dien ik u laat maken; maar er is hier een bevervijver, en ik ben bang hen te zullen verschrikken.”[91]»O,” riep het meisje uit, »hoe gelukkig zou ik zijn, indien ik die nijvere dieren eens mocht zien arbeiden!”De jager bleef staan.»Niets is gemakkelijker,Señorita,” zeide hij, »zoo gij mij volgen wilt, terwijl uwe reisgenooten hier blijven wachten zal ik er u brengen.”»Ja, ja!” antwoorddedoñaLuz levendig; maar, zich eensklaps bezinnende, hervatte zij: »O, vergeving oom!”De generaal wierp een blik op den jager.»Ga, mijn kind, wij zullen u hier wachten,” zeide hij.»Dank u, oom,” zeide het meisje verheugd, en van haar paard springende.»Ik sta u borg voor haar,” zeide de jager, »vrees niets.”»Ik vrees niets, ik vertrouw haar u toe, mijn vriend,” antwoordde de generaal.»Verplicht!” en een teeken gevende aandoñaLuz, verdween de Zwarte Eland met haar te midden van de struiken en boomen.Toen zij op zekeren afstand gekomen waren, bleef de jager staan. Na aan alle kanten geluisterd en gekeken te hebben, wendde hij zich tot het meisje, legde haar zachtjes zijne hand op den schouder, en zeide: »Luister.”DoñaLuz bleef ongerust en bevend staan. De jager bemerkte haar angst.»Vrees niet,” hernam hij, »ik ben een eerlijk man: gij zijt hier in deze woestijn, met mij alleen, even veilig, alsof gij u in de kathedraal van Mexico, aan den voet van het altaar bevondt.”Het meisje wierp steelsgewijze een blik op den jager: ondanks zijn zonderling kostuum had zijn gelaat zulk een openhartige uitdrukking, en was zijn oog zoo helder en zacht op haar gevestigd, dat zij volkomen gerust gesteld werd.»Spreek,” zeide zij.»Gij behoort,” hernam de jager, »want ik herken u nu, tot dien troep vreemdelingen, die sedert eenige dagen de prairie in alle richtingen doorkruist, is het niet waar?”»Ja.”»Onder u bevindt zich een halve gek met een blauwen bril en een blonde pruik, en die zich, waarom weet ik niet, vermaakt met het bijeenzamelen van planten en steenen, in plaats van, gelijk een braaf jager past, bevers te verschalken en herten te schieten.”»Ik ken den man van wien gij spreekt, hij maakt werkelijk een deel van onzen troep uit, het is een zeer geleerde doctor.”»Dat weet ik, hij heeft het mij gezegd; hij komt dikwijls hierheen, wij zijn goede vrienden; door middel van een poeder, dat hij mij heeft doen innemen, heeft hij mij volkomen verlost van eene koorts, die mij sinds twee maanden kwelde, en waarvan ik mij vergeefs poogde te ontslaan.”[92]»Zooveel te beter; ik ben blijde over dien goeden uitslag.”»Ik zou wel iets voor u willen doen, om die dienst terug te betalen.”»Verplicht, mijn vriend, maar ik weet niet waarmede gij mij van dienst zoudt kunnen zijn, behalve mij de bevers te laten zien.”De jager schudde het hoofd.»Misschien met iets anders, en wellicht eer dan gij denkt,” zeide hij. »Luister goed,Señorita, ik ben maar een arm man, maar hier in de woestijn weten wij veel, dat God ons openbaart, omdat wij van aangezicht tot aangezicht met Hem verkeeren; ik wil u een goeden raad geven: de man die u tot gids dient, is een volleerde schurk; hij staat als zoodanig in de prairiën van het Westen bekend; ik moet mij zeer vergissen of hij zal u in een strik doen vallen; er is hier geen gebrek aan slechte menschen, met wie hij zich kan verstaan om u ongelukkig te maken, of ten minste om u uit te plunderen.”»Zijt gij zeker van hetgeen gij zegt?” riep het meisje, verschrikt over die woorden, die zoo zonderling overeenkwamen met hetgeen Edelhart haar gezegd had.»Ik ben er even zeker van als van iets anders, dat men bezweren kan zonder afdoende bewijzen te hebben; ik ben verplicht u te zeggen, dat, na hetgeen vroeger met den Babbelaar gebeurd is, men voor hem op zijne hoede moet wezen; geloof mij, zoo hij u nog niet verraden heeft, zal het toch niet lang meer duren of hij doet het.”»Groote God, ik zal mijn oom waarschuwen!”»Wacht u daarvoor, gij zoudt daarmede alles op het spel zetten; de lieden, met welke uw gids zich verstaat, of zich spoedig verstaan zal, zijn talrijk en onverschrokken, en weten alles wat er in de prairie omgaat.”»Wat moeten wij dan doen?” vroeg het meisje angstig.»Niets. Wachten, en zonder er den schijn van aan te nemen, zorgvuldig al de gangen van uw gids bespieden.”»Maar.…”»Gij begrijpt wel,” viel de jager in, »dat, zoo ik u aanraad den Babbelaar te wantrouwen, ik dat niet doe, om u, als de nood aan den man is, in den steek te laten.”»Ik geloof u.”»Welnu, zie hier wat gij doen moet; zoodra gij zekerheid hebben zult, dat uw gids u verraadt, zult gij dien gekken ouden doctor tot mij zenden; gij kunt op hem vertrouwen, niet waar.”»Volkomen.”»Goed. Dan zult gij, zooals ik gezegd heb, hem tot mij zenden, met den last, om alleen deze woorden uit te spreken:Zwarte Eland!De Zwarte Eland, ben ik.”»Dat weet ik, gij hebt het ons gezegd.”»Best. Hij moet dan zeggen:Zwarte Eland, het uur is geslagen. Niets anders. Gij kunt dit immers wel onthouden?”[93]»Heel goed. Alleen begrijp ik niet recht, in welk opzicht ons dit nuttig zal kunnen zijn.”De jager glimlachte geheimzinnig.»Hm!” zeide hij na een oogenblik zwijgens, »die weinige woorden zullen in twee uur tijds vijftig der vastberadenste mannen uit de prairie om u scharen. Mannen, die op een teeken van hun opperhoofd zich zullen laten dooden om u uit de handen uwer overweldigers te rukken, wanneer, hetgeen ik voorzie, gebeuren zal.”Er volgde een oogenblik stilte,doñaLuz mijmerde. De jager hernam glimlachend:»Verwonder u niet over de levendige belangstelling, die ik u betoon, een man, die mij geheel door zijn invloed beheerscht, heeft mij laten zweren, dat ik, terwijl hij om dringende redenen voor eenigen tijd afwezig moest zijn, in zijne plaats voor u waken zou.”»Wat bedoelt gij?” vroeg zij nieuwsgierig, »en wie is die man?”»Die man is een jager; die het bevel voert over al de blanke pelsjagers der prairiën; wetende, dat gij den Babbelaar tot gids hebt, heeft hij vermoed, dat die mesties plan had u in een hinderlaag te lokken.”»Maar de naam van dien man?” riep zij op angstigen toon.»Is Edelhart. Zult gij nu vertrouwen in mij stellen?”»Ik dank u, mijn vriend, ik dank u,” antwoordde het meisje in verwarring; »ik zal nooit uwe aanbeveling vergeten en als het oogenblik van gevaar daar is, zal ik niet aarzelen u aan uwe belofte te herinneren.”»En gij zult wél doen,Señorita, omdat het de eenige kans van behoud is, die u dan zal overschieten. Kom, gij hebt mij begrepen, alles is in orde, houd ons gesprek voor u; maar bovenal, wacht u voor den schijn alsof gij u met mij verstaan hebt; die duivel van een mesties is slim als een bever, zoo hij den minsten argwaan koesterde, zou hij u als een adder door de vingers glijden.”»Wees gerust, ik zal zwijgen.”»Laat ons nu onzen tocht naar den bevervijver voortzetten. Edelhart waakt over u.”»Hij heeft ons reeds eenmaal het leven gered, laatst bij den brand der prairie,” zeide zij levendig.»Ha, ha!” prevelde de jager, een vreemden blik op haar vestigende, »de zaken staan goed;” vervolgens voegde hij er hardop bij: »Vrees niet,Señorita; zoo gij stipt den raad, dien ik u gegeven heb, opvolgt, zal u in de prairie niets overkomen, aan welke schelmerijen gij ook moogt zijn blootgesteld.”»O,” riep zij uit, »als het uur van gevaar slaat, zal ik niet aarzelen tot u te komen, dat zweer ik u!”»Dat is dan afgesproken,” zeide de Zwarte Eland glimlachend; »laat ons nu de bevers gaan zien.” Zij hervatten hunnen tocht, en na eenige oogenblikken kwamen zij aan den rand van het woud.[94]Daar bleef de jager staan, gaf aan het meisje een teeken, dat zij zich niet verroeren zou, en zich tot haar wendende, zeide hij: »Ziehier.”
Allen bleven staan. Het woord »mensch” beteekent in de woestijn bijna altijd een vijand. De mensch is in de woestijn nog meer gevreesd door zijns gelijken, dan het bloeddorstigste wilde dier. Een mensch, dat is een mededinger, een opgedrongen aandeelhouder, die volgens het recht van den sterkste met den eersten bezitter komt deelen, en hem dikwijls, om niet te zeggen altijd, de vrucht van zijn ondankbaren arbeid poogt te ontstelen. De blanken, Indianen, of mestiezen, als zij elkander in de prairie ontmoeten, groeten elkaâr dan ook altijd met loerenden blik, gespitste ooren, en den vinger op den trekker van hun geweer.
Op het hooren van dat woord: een mensch! maakten zich de generaal en de lanceros terstond gereed, om een aanval te kunnen afwachten; zij laadden hunne geweren, en verscholen zich, zoo goed zij konden, achter de struiken. Vijftig passen voor hen uit bevond zich een persoon, die, met beide handen op den loop van een lang geweer rustende, hen opmerkzaam gadesloeg. Het was een lang, forsch gebouwd man, met krachtige trekken, en een vrijen en vasten blik. Zijn lang haar was netjes gevlochten en met ottervellen en verschillend gekleurde linten versierd. Een lederen jachtkiel viel hem tot op de knieën, slobkousen van eene zonderlinge snede, met koorden, franjes en tallooze knoopjes opgetuigd, omgaven zijne beenen; zijn schoeisel bestond uit een paar prachtige mocksens met valsche paarlen geborduurd. Een scharlaken kleed bedekte zijne schouders, en was om zijne heupen gebonden door middel van een gordel, waarin zich twee pistolen, een mes en een indiaansche pijp bevonden. Zijn karabijn was met vermiljoen bestreken en met kleine koperen spijkertjes gemonteerd. Niet ver van hem verwijderd graasde zijn paard, dat evenals hij zelf, op de zonderlingste wijze uitgedost en hier en daar met vermiljoen besmeerd was; het hoofdstel, de teugels en de broek waren met valsche paarlen en kokardes versierd; de kop, de manen en de staart prijkten met tallooze arendsvederen, die golvend op en neder wuifden.
Op het gezicht van dezen man, kon de generaal een kreet van verrassing niet weêrhouden.
»Tot welken indiaanschen stam behoort die man?” vroeg hij aan den gids.
»Tot geene,” antwoordde deze.
»Hoe, tot geene?”
»Neen, het is een blanke pelsjager.”
»Aldus gekleed?”
De gids haalde de schouders op.[90]
»Wij zijn in de prairiën,” zeide hij.
»Dat is waar,” mompelde de generaal.
De persoon ondertusschen, dien wij boven beschreven hebben, scheen het aarzelen van den kleinen troep vóór hem moede te worden, en willende weten waaraan hij zich te houden had, nam hij stoutmoedig het woord.
»Hei! heidaar!” riep hij in ’t Engelsch, »wie duivel zijt gij, en wat komt gij hier zoeken?”
»Caramba!” antwoordde de generaal, zijn geweer naar achteren werpende, en aan zijne reisgenooten bevelende om evenzoo te doen, »wij zijn reizigers, die een langen tocht achter den rug hebben; de zon is heet, wij vragen uwe toestemming om eenige oogenblikken in uwerancho(hut) uit te rusten.”
Deze woorden werden in het Spaansch gesproken; de Pelsjager antwoordde in dezelfde taal:
»Nadert onbevreesd;de Zwarte Elandis een goede kerel, als men hem niet tracht te verbitteren; gij zult het weinige dat ik bezit, met mij deelen, en het moge u wel bekomen.”
Op het hooren van dien naam kon de gids een beweging van schrik niet weerhouden; hij wilde zelfs iets zeggen, maar had er den tijd niet toe, want de jager, zijn geweer over den schouder leggende, en zich met één sprong in den zadel werpende, was den Mexicanen reeds genaderd.
»Mijne rancho is niet ver van hier,” zeide hij tot den generaal; »als deseñoritaeen goed toebereiden bisonbult niet versmaadt, dan kan ik haar die galanterie bewijzen.”
»Ik dank u, Caballero,” antwoordde het meisje glimlachend; »ik betuig u, dat ik voor het oogenblik meer behoefte heb aan rust dan aan iets anders.”
»Alles op zijn tijd,” zeide de jager deftig, »vergun mij, gedurende eenige oogenblikken, uw gids af te lossen.”
»Wij geven ons aan uw geleide over,” zeide de generaal; »ga, wij volgen.”
»Voorwaarts dan,” hernam de pelsjager, zich aan het hoofd van den troep plaatsende. Terwijl hij dit zeide, vielen zijne oogen toevallig op den gids; zijne wenkbrauwen fronsten zich: »Hm!” mompelde hij tusschen de tanden, »wat beteekent dat? wij zullen zien.” En zonder zich schijnbaar meer om dien man te bekommeren, zonder zelfs te toonen dat hij hem herkende, gaf hij het teeken tot vertrek.
Na eenigen tijd stilzwijgend langs een vrij breede beek te zijn voortgegaan, maakte de jager op eens een hoek, en ging hij op nieuw het bosch in.
»Ik vraag u vergeving,” zeide hij, »voor den omweg, dien ik u laat maken; maar er is hier een bevervijver, en ik ben bang hen te zullen verschrikken.”[91]
»O,” riep het meisje uit, »hoe gelukkig zou ik zijn, indien ik die nijvere dieren eens mocht zien arbeiden!”
De jager bleef staan.
»Niets is gemakkelijker,Señorita,” zeide hij, »zoo gij mij volgen wilt, terwijl uwe reisgenooten hier blijven wachten zal ik er u brengen.”
»Ja, ja!” antwoorddedoñaLuz levendig; maar, zich eensklaps bezinnende, hervatte zij: »O, vergeving oom!”
De generaal wierp een blik op den jager.
»Ga, mijn kind, wij zullen u hier wachten,” zeide hij.
»Dank u, oom,” zeide het meisje verheugd, en van haar paard springende.
»Ik sta u borg voor haar,” zeide de jager, »vrees niets.”
»Ik vrees niets, ik vertrouw haar u toe, mijn vriend,” antwoordde de generaal.
»Verplicht!” en een teeken gevende aandoñaLuz, verdween de Zwarte Eland met haar te midden van de struiken en boomen.
Toen zij op zekeren afstand gekomen waren, bleef de jager staan. Na aan alle kanten geluisterd en gekeken te hebben, wendde hij zich tot het meisje, legde haar zachtjes zijne hand op den schouder, en zeide: »Luister.”
DoñaLuz bleef ongerust en bevend staan. De jager bemerkte haar angst.
»Vrees niet,” hernam hij, »ik ben een eerlijk man: gij zijt hier in deze woestijn, met mij alleen, even veilig, alsof gij u in de kathedraal van Mexico, aan den voet van het altaar bevondt.”
Het meisje wierp steelsgewijze een blik op den jager: ondanks zijn zonderling kostuum had zijn gelaat zulk een openhartige uitdrukking, en was zijn oog zoo helder en zacht op haar gevestigd, dat zij volkomen gerust gesteld werd.
»Spreek,” zeide zij.
»Gij behoort,” hernam de jager, »want ik herken u nu, tot dien troep vreemdelingen, die sedert eenige dagen de prairie in alle richtingen doorkruist, is het niet waar?”
»Ja.”
»Onder u bevindt zich een halve gek met een blauwen bril en een blonde pruik, en die zich, waarom weet ik niet, vermaakt met het bijeenzamelen van planten en steenen, in plaats van, gelijk een braaf jager past, bevers te verschalken en herten te schieten.”
»Ik ken den man van wien gij spreekt, hij maakt werkelijk een deel van onzen troep uit, het is een zeer geleerde doctor.”
»Dat weet ik, hij heeft het mij gezegd; hij komt dikwijls hierheen, wij zijn goede vrienden; door middel van een poeder, dat hij mij heeft doen innemen, heeft hij mij volkomen verlost van eene koorts, die mij sinds twee maanden kwelde, en waarvan ik mij vergeefs poogde te ontslaan.”[92]
»Zooveel te beter; ik ben blijde over dien goeden uitslag.”
»Ik zou wel iets voor u willen doen, om die dienst terug te betalen.”
»Verplicht, mijn vriend, maar ik weet niet waarmede gij mij van dienst zoudt kunnen zijn, behalve mij de bevers te laten zien.”
De jager schudde het hoofd.
»Misschien met iets anders, en wellicht eer dan gij denkt,” zeide hij. »Luister goed,Señorita, ik ben maar een arm man, maar hier in de woestijn weten wij veel, dat God ons openbaart, omdat wij van aangezicht tot aangezicht met Hem verkeeren; ik wil u een goeden raad geven: de man die u tot gids dient, is een volleerde schurk; hij staat als zoodanig in de prairiën van het Westen bekend; ik moet mij zeer vergissen of hij zal u in een strik doen vallen; er is hier geen gebrek aan slechte menschen, met wie hij zich kan verstaan om u ongelukkig te maken, of ten minste om u uit te plunderen.”
»Zijt gij zeker van hetgeen gij zegt?” riep het meisje, verschrikt over die woorden, die zoo zonderling overeenkwamen met hetgeen Edelhart haar gezegd had.
»Ik ben er even zeker van als van iets anders, dat men bezweren kan zonder afdoende bewijzen te hebben; ik ben verplicht u te zeggen, dat, na hetgeen vroeger met den Babbelaar gebeurd is, men voor hem op zijne hoede moet wezen; geloof mij, zoo hij u nog niet verraden heeft, zal het toch niet lang meer duren of hij doet het.”
»Groote God, ik zal mijn oom waarschuwen!”
»Wacht u daarvoor, gij zoudt daarmede alles op het spel zetten; de lieden, met welke uw gids zich verstaat, of zich spoedig verstaan zal, zijn talrijk en onverschrokken, en weten alles wat er in de prairie omgaat.”
»Wat moeten wij dan doen?” vroeg het meisje angstig.
»Niets. Wachten, en zonder er den schijn van aan te nemen, zorgvuldig al de gangen van uw gids bespieden.”
»Maar.…”
»Gij begrijpt wel,” viel de jager in, »dat, zoo ik u aanraad den Babbelaar te wantrouwen, ik dat niet doe, om u, als de nood aan den man is, in den steek te laten.”
»Ik geloof u.”
»Welnu, zie hier wat gij doen moet; zoodra gij zekerheid hebben zult, dat uw gids u verraadt, zult gij dien gekken ouden doctor tot mij zenden; gij kunt op hem vertrouwen, niet waar.”
»Volkomen.”
»Goed. Dan zult gij, zooals ik gezegd heb, hem tot mij zenden, met den last, om alleen deze woorden uit te spreken:Zwarte Eland!De Zwarte Eland, ben ik.”
»Dat weet ik, gij hebt het ons gezegd.”
»Best. Hij moet dan zeggen:Zwarte Eland, het uur is geslagen. Niets anders. Gij kunt dit immers wel onthouden?”[93]
»Heel goed. Alleen begrijp ik niet recht, in welk opzicht ons dit nuttig zal kunnen zijn.”
De jager glimlachte geheimzinnig.
»Hm!” zeide hij na een oogenblik zwijgens, »die weinige woorden zullen in twee uur tijds vijftig der vastberadenste mannen uit de prairie om u scharen. Mannen, die op een teeken van hun opperhoofd zich zullen laten dooden om u uit de handen uwer overweldigers te rukken, wanneer, hetgeen ik voorzie, gebeuren zal.”
Er volgde een oogenblik stilte,doñaLuz mijmerde. De jager hernam glimlachend:
»Verwonder u niet over de levendige belangstelling, die ik u betoon, een man, die mij geheel door zijn invloed beheerscht, heeft mij laten zweren, dat ik, terwijl hij om dringende redenen voor eenigen tijd afwezig moest zijn, in zijne plaats voor u waken zou.”
»Wat bedoelt gij?” vroeg zij nieuwsgierig, »en wie is die man?”
»Die man is een jager; die het bevel voert over al de blanke pelsjagers der prairiën; wetende, dat gij den Babbelaar tot gids hebt, heeft hij vermoed, dat die mesties plan had u in een hinderlaag te lokken.”
»Maar de naam van dien man?” riep zij op angstigen toon.
»Is Edelhart. Zult gij nu vertrouwen in mij stellen?”
»Ik dank u, mijn vriend, ik dank u,” antwoordde het meisje in verwarring; »ik zal nooit uwe aanbeveling vergeten en als het oogenblik van gevaar daar is, zal ik niet aarzelen u aan uwe belofte te herinneren.”
»En gij zult wél doen,Señorita, omdat het de eenige kans van behoud is, die u dan zal overschieten. Kom, gij hebt mij begrepen, alles is in orde, houd ons gesprek voor u; maar bovenal, wacht u voor den schijn alsof gij u met mij verstaan hebt; die duivel van een mesties is slim als een bever, zoo hij den minsten argwaan koesterde, zou hij u als een adder door de vingers glijden.”
»Wees gerust, ik zal zwijgen.”
»Laat ons nu onzen tocht naar den bevervijver voortzetten. Edelhart waakt over u.”
»Hij heeft ons reeds eenmaal het leven gered, laatst bij den brand der prairie,” zeide zij levendig.
»Ha, ha!” prevelde de jager, een vreemden blik op haar vestigende, »de zaken staan goed;” vervolgens voegde hij er hardop bij: »Vrees niet,Señorita; zoo gij stipt den raad, dien ik u gegeven heb, opvolgt, zal u in de prairie niets overkomen, aan welke schelmerijen gij ook moogt zijn blootgesteld.”
»O,” riep zij uit, »als het uur van gevaar slaat, zal ik niet aarzelen tot u te komen, dat zweer ik u!”
»Dat is dan afgesproken,” zeide de Zwarte Eland glimlachend; »laat ons nu de bevers gaan zien.” Zij hervatten hunnen tocht, en na eenige oogenblikken kwamen zij aan den rand van het woud.[94]Daar bleef de jager staan, gaf aan het meisje een teeken, dat zij zich niet verroeren zou, en zich tot haar wendende, zeide hij: »Ziehier.”