XIII.

[Inhoud]XIII.DE WET DER PRAIRIËN.Vóór den ingang van de door Edelhart bewoonde grot was een vrij groote ruimte, waar men het gras, de planten en de boomen had uitgeroeid, en die thans prijkte met honderd vijftig à twee honderd hutten. De geheele stam der Comanchen lag op deze plaats gekampeerd.Tusschen de pelsjagers en de jagers en krijgslieden der Roodhuiden heerschte de beste verstandhouding.In het midden van dit eensklaps verrezene dorp, waar de hutten van verschillend gekleurde bisonhuiden met zekere gelijkmatigheid waren gerangschikt, stond eene tent, die, grooter dan de anderen en met scalpen op lange staken bekroond, tot raadstent diende.Er heerschte eene groote levendigheid in het dorp. De Indiaansche krijgslieden hadden zich beschilderd en ten strijde toegerust, alsof zij weldra een gevecht te gemoet zagen. De jagers hadden hunne schoonste[186]kleederen aangetrokken en hunne wapens met de meeste zorg schoon gemaakt, alsof zij ze weldra zouden noodig hebben. De paarden waren, geheel opgetuigd, aan de omheining vastgebonden, zoodat zij terstond konden bereden worden. Men zag de Roodhuiden en de jagers angstig heen en weder loopen. Op geregelde afstanden, iets dat onder de Indianen volstrekt ongewoon is, waren schildwachten geplaatst, om de aankomst van iederen vreemdeling te verwittigen. In één woord, alles deed vermoeden, dat er toebereidselen werden gemaakt tot een dier plechtigheden, die in de prairie te huis behooren.Maar, wat vreemd was, Edelhart, de Arendskop, en de Zwarte Eland waren afwezig.Goedsmoeds hield een wakend oog over de toebereidselen, die men bezig was te maken, nu en dan eenige woorden wisselende met het oude opperhoofd der Comanchen,Eshis,—de Zon.—Maar beider gelaat was ernstig, en hun voorhoofd gespannen; zij schenen aan een levendigen angst ten prooi te zijn. Het was de dag dien de rooverkapitein bepaald had voor de uitlevering vandoñaLuz. Zou de kapitein durven komen? of was zijn voorstel slechts eene bedreiging, om hun vrees aan te jagen? Zij, die den roover kenden, en de meesten kenden hem, want bijna allen hadden van zijne strooptochten te lijden gehad, dachten het eerste.Die man, en het was de eenige goede hoedanigheid welke men hem toekende, was begaafd met den moed van een leeuw, en met een wil als van ijzer. Als hij eens iets gezegd had, deed hij het ook vast en zeker. En daarbij, wat had hij te vreezen, als hij nog eens onder zijne vijanden kwam? had hij den generaal niet in zijne macht? den generaal, die met zijn leven voor het zijne instond? men wist, dat hij niet zou aarzelen dezen voor zijne eigene veiligheid op te offeren.Het was ongeveer acht ure in den morgen; de zon spreidde in schitterenden glans hare gloeiende stralen uit over het tafereel, dat wij getracht hebben te beschrijven.DoñaLuz kwam uit de grot, leunende op den arm van Edelharts moeder en gevolgd door Nô Eusébio. De beide vrouwen zagen er treurig en bleek uit; hare roode oogen toonden, dat zij geweend hadden. Zoodra hij haar bemerkte, liep Goedsmoeds naar haar toe, en groette haar.»Is mijn zoon nog niet terug?” vroeg de oude dame met een onrustigen blik.»Nog niet,” antwoordde de jager; »maar stel u gerust, mevrouw, hij kan niet lang meer uitblijven.”»Goede God! ik weet niet waarom, maar het schijnt mij toe, dat hij door eenig noodlottig toeval teruggehouden wordt.”»Neen, mevrouw, dan zou ik het weten; toen ik hem dezen nacht verliet om u gerust te stellen, en de bevelen, die hij mij gegeven heeft, ten uitvoer te brengen, bevond hij zich in een uitmuntenden toestand; dus, geloof mij, wees gerust, en wanhoop niet.”[187]»Helaas!” prevelde de arme vrouw, »ik leef gedurende twintig jaar in een voortdurende spanning; elken avond ben ik in vrees, dat ik mijn zoon den volgenden dag niet weder zal zien; o, mijn God, zult gij dan geen medelijden met mij hebben?”»Herstel u, mevrouw,” zeidedoñaLuz met aandoening, haar zachtjes omhelzende; »o! ik gevoel het hier, als Edelhart op dit oogenblik gevaar loopt, dan is het om mijn oom te redden; o mijn God,” voegde zij er met warmte bij, »geef dat het hem gelukken mag!”»Weldra, dames, zal alles zich ophelderen; verlaat u hierin op mij; gij weet, dat ik u niet zou willen misleiden.”»Ja,” zeide de oude dame, »gij zijt goed, gij hebt mijn zoon lief, en gij zoudt niet hier zijn, als er eenig gevaar voor hem bestond.”»Gij beoordeelt mij goed, mevrouw; ik dank u daarvoor; ik kan u thans nog niets zeggen, maar ik bid u een weinig geduld te hebben; het zij u genoeg te weten, dat hij bezig is, om deseñoragelukkig te maken.”»O ja,” zeide de moeder; »hij is altijd even goed, altijd vol zelfopoffering?”»Men heeft hem ook Edelhart genoemd,” prevelde het meisje blozend.»Geen naam werd ooit beter verdiend, mevrouw,” zeide de jager met overtuiging; »men moet lang met hem geleefd hebben, en hem kennen, gelijk ik hem ken, om hem goed te waardeeren.”»Ik ben u op mijne beurt dankbaar, voor hetgeen gij van mijn zoon zegt, Goedsmoeds,” antwoordde de oude dame, terwijl zij de harde hand van den jager drukte.»Ik zeg niet meer dan de waarheid, mevrouw; ik ben rechtvaardig, ziedaar alles. O, het zou beter toegaan in de prairiën, als al de jagers hem geleken.”»Goede God, de tijd gaat voorbij; zal hij dan nooit komen?” mompelde zij, terwijl zij met koortsachtig ongeduld om zich heen zag.»Weldra, mevrouw.”»Ik wil de eerste zijn om hem te zien en te groeten, als hij komt.”»Ongelukkig is dat onmogelijk.”»Waarom?”»Uw zoon heeft mij belast u en deseñorate smeeken dat gij in de grot zult blijven; hij wilde niet, dat gij tegenwoordig zoudt zijn, bij hetgeen hier zal plaats hebben.”»Maar,” zeidedoñaLuz angstig, »hoe weet ik dan, of mijn oom gered is?”»Wees gerust,señorita, gij zult niet lang in de onzekerheid blijven; maar ik bid u, blijf niet langer hier; ga naar binnen, ga naar binnen!”»Misschien zal het beter zijn,” merkte de oude dame aan; »laat ons gehoorzamen, liefste,” voegde zij er glimlachend bij; »laten wij naar binnen gaan, wijl mijn zoon het verlangt.”DoñaLuz volgde haar zonder tegenstand te bieden, maar niet[188]zonder nu en dan een blik achter zich te werpen, in de hoop dat zij haren beminde zou zien.»Hoe gelukkig moet het zijn, eene moeder te hebben!” mompelde Goedsmoeds, terwijl hij een zucht onderdrukte, en met de oogen de beide vrouwen volgde, die in de schaduw der grot verdween.Eensklaps lieten de Indiaansche schildwachten een alarmkreet hooren, die onmiddellijk herhaald werd door den man, die voor de raadstent op post stond. Op dit teeken stonden de hoofden der Comanchen op, en verlieten de hut, waarin zij vereenigd waren. De jagers en de Indiaansche krijgslieden grepen naar de wapenen, schaarden zich aan beide zijden van de grot en wachtten. Een stofwolk rolde met groote snelheid naar het kamp. De wolk scheurde weldra van een, en deed een troep ruiters zichtbaar worden, die in volle vaart kwamen aanrennen. Deze ruiters droegen voor het grootste gedeelte het kostuum der Mexicaanschegambusinos(goudzoekers). Aan hun hoofd reed, op een prachtig gitzwart paard gezeten, een man, dien allen terstond herkenden. Het was kapitein Ouaktehno, die stoutmoedig aan het hoofd zijner bende de uitvoering kwam vragen van den hatelijken ruil, dien hij drie dagen geleden had voorgesteld.Als in de prairiën twee benden elkander ontmoeten, of als krijgslieden of jagers een dorp bezoeken, zijn zij meestal gewoon een soort vanfantasiauit te voeren, door zich in lange rijen op elkander te werpen, onder het aanheffen van een luid geschreeuw en het afschieten van geweren.Ditmaal gebeurde er niets van dat alles.De Comanchen en jagers bleven roerloos en zwijgend staan, en wachtten bedaard de aankomst der roovers af. De droge en koele ontvangst verwonderde den kapitein niet; hoewel zijne wenkbrauwen zich fronsten, veinsde hij toch er niets van te merken, en trad moedig aan het hoofd zijner bende het dorp binnen. Toen zij voor de raadstent gekomen waren en zich vlak voor de opperhoofden bevonden, bleven de twintig ruiters plotseling staan; als waren zij op eens in bronzen standbeelden veranderd. Deze stoute beweging werd met zulk eene groote behendigheid ten uitvoer gebracht, dat de jagers, die veel verstand van rijden hadden, slechts met moeite een kreet van verrassing onderdrukten.Nauwelijks hadden de roovers halt gehouden, of de rijen der jagers en krijgslieden, rechts en links van de hut geplaatst, openden zich als een waaier en sloten zich achter hen. Door deze snel uitgevoerde beweging zagen de twintig roovers zich eensklaps door een kring van meer dan vijfhonderd sterk gewapende mannen omsingeld. De kapitein werd ongerust, het berouwde hem bijna gekomen te zijn; maar hij overwon deze onwillekeurige aandoening, glimlachte met minachting, en hield zich overtuigd dat hij geen gevaar te duchten had.[189]Hij groette de voor hem geplaatste opperhoofden, en zich tot Goedsmoeds wendende, vroeg hij op vasten toon:»Waar is het meisje?”»Ik weet niet wat gij bedoelt,” antwoordde de jager; »ik geloof niet dat er hier een meisje is, waarop gij eenig recht hebt.”»Wat beteekent dat, en wat gaat er hier om?” mompelde de kapitein, een wantrouwenden blik om zich heen werpende. »Is Edelhart het bezoek vergeten, dat ik hem voor drie dagen gebracht heb?”»Edelhart vergeet nooit iets,” zeide Goedsmoeds, »maar met hem hebt gij nu niets te maken; hoe hebt gij de vermetelheid gehad, om u aan het hoofd van een bende struikroovers onder ons te vertoonen?”»Aha,” zeide de kapitein spottend, »ik zie gij wilt mij niet antwoorden; wat de bedreiging aangaat, welke in het laatste gedeelte van uw volzin vervat is, daar bekommer ik mij zeer weinig om.”»Gij hebt ongelijk, mijnheer, want daar gij de onvoorzichtigheid begaan hebt om u zelven in onze handen te stellen, zullen wij toch niet zoo dom zijn, om u te laten ontsnappen, daar kan ik u de verzekering van geven.”»Zoo, zoo!” zeide de roover; »maar welk spel spelen wij dan?”»Dat zult gij hooren, mijnheer.”»Ik wacht,” antwoordde de roover, een onderzoekenden blik om zich heen werpende.»In deze woestijnen, waar alle menschelijke wetten zwijgen,” hernam de jager met een trillende stem, »mag de wet van God alleen gelden; die wet luidt, zooals gij weet: oog om oog, tand om tand.”»Wat meer?” zeide de roover droog weg.»Sedert tien jaren,” vervolgde Goedsmoeds bedaard, »zijt gíj, aan het hoofd van eene bende die recht noch wet kent, de schrik der prairiën geweest, en hebt gij zonder onderscheid blanken en Roodhuiden geplunderd en gedood; want gij weet van geen wet of geen vaderland; roof en diefstal zijn uwe eenigste wet; reizigers, bevervangers, jagers, gambusinos of Indianen, gij verschoont niemand, als gij door moord en doodslag een weinig goud kunt meester worden; het is nauwelijks eenige dagen geleden, dat gij een kamp van vreedzame Mexicaansche reizigers bij verrassing genomen, en hen allen zonder genade hebt omgebracht. Hieraan moet een einde gemaakt worden, en dat einde is nu gekomen. Wij allen, Indianen en jagers, wij zijn hier vereenigd om u te veroordeelen en de onveranderlijke wet der prairiën op u toe te passen.”»Oog om oog, tand om tand,” schreeuwden de omstanders, hunne wapenen schuddende.»Gij bedriegt u zeer, mijne heeren,” antwoordde de roover kalm, »als gij meent, dat ik ongehinderd mijn hals aan het mes zal aanbieden, gelijk een kalf, dat men ter slachtbank leidt; ik had een[190]voorgevoel van hetgeen er gebeuren zou, ziedaar waarom ik een zoo goed geleide heb. Ik heb twintig wakkere mannen bij mij, die zich zullen weten te verdedigen; gij hebt ons nog niet in uwe macht.”»Zie om u heen, en gij zult weten wat u te doen staat.”De roover sloeg de oogen achter zich; vijfhonderd geweren waren op zijne bende gericht.Eene rilling voer hem door de leden; eene doodelijke bleekheid overdekte zijn gelaat; de roover begreep, dat hij in een gevaarlijken toestand verkeerde, maar na even te hebben nagedacht, herkreeg hij al zijne koelbloedigheid, en zich tot den jager wendende, antwoordde hij spottend:»Kom kom, waartoe die bedreigingen, die mij toch niet kunnen bang maken? gij weet zeer goed, dat ik voor uwe lagen beveiligd ben. Gij hebt wèl gezegd, dat ik voor eenige dagen Mexicaansche reizigers aangevallen heb, maar gij weet ook, dat de voornaamste dier reizigers in mijne handen gevallen is. Waagt het, één haar van mijn hoofd te krenken, en de generaal, de oom van dat meisje, dat gij te vergeefs aan mijne macht ontrukken wilt, zal onmiddellijk met zijn leven den mij aangedanen hoon betalen. Gelooft mij toch, mijne heeren, zoekt mij niet langer te verschrikken, geeft mij goedschiks haar, die ik van u opeisch, of ik zweer u bij God, dat de generaal binnen een uur zal hebben opgehouden te leven!”Eensklaps kwam er een man uit de menigte te voorschijn, die zich voor den roover plaatste.»Gij vergist u,” voegde hij hem toe, »de generaal is vrij.”Die man was Edelhart.Eene rilling van vreugde doorliep de rijen der jagers, een rilling van schrik die der roovers.

[Inhoud]XIII.DE WET DER PRAIRIËN.Vóór den ingang van de door Edelhart bewoonde grot was een vrij groote ruimte, waar men het gras, de planten en de boomen had uitgeroeid, en die thans prijkte met honderd vijftig à twee honderd hutten. De geheele stam der Comanchen lag op deze plaats gekampeerd.Tusschen de pelsjagers en de jagers en krijgslieden der Roodhuiden heerschte de beste verstandhouding.In het midden van dit eensklaps verrezene dorp, waar de hutten van verschillend gekleurde bisonhuiden met zekere gelijkmatigheid waren gerangschikt, stond eene tent, die, grooter dan de anderen en met scalpen op lange staken bekroond, tot raadstent diende.Er heerschte eene groote levendigheid in het dorp. De Indiaansche krijgslieden hadden zich beschilderd en ten strijde toegerust, alsof zij weldra een gevecht te gemoet zagen. De jagers hadden hunne schoonste[186]kleederen aangetrokken en hunne wapens met de meeste zorg schoon gemaakt, alsof zij ze weldra zouden noodig hebben. De paarden waren, geheel opgetuigd, aan de omheining vastgebonden, zoodat zij terstond konden bereden worden. Men zag de Roodhuiden en de jagers angstig heen en weder loopen. Op geregelde afstanden, iets dat onder de Indianen volstrekt ongewoon is, waren schildwachten geplaatst, om de aankomst van iederen vreemdeling te verwittigen. In één woord, alles deed vermoeden, dat er toebereidselen werden gemaakt tot een dier plechtigheden, die in de prairie te huis behooren.Maar, wat vreemd was, Edelhart, de Arendskop, en de Zwarte Eland waren afwezig.Goedsmoeds hield een wakend oog over de toebereidselen, die men bezig was te maken, nu en dan eenige woorden wisselende met het oude opperhoofd der Comanchen,Eshis,—de Zon.—Maar beider gelaat was ernstig, en hun voorhoofd gespannen; zij schenen aan een levendigen angst ten prooi te zijn. Het was de dag dien de rooverkapitein bepaald had voor de uitlevering vandoñaLuz. Zou de kapitein durven komen? of was zijn voorstel slechts eene bedreiging, om hun vrees aan te jagen? Zij, die den roover kenden, en de meesten kenden hem, want bijna allen hadden van zijne strooptochten te lijden gehad, dachten het eerste.Die man, en het was de eenige goede hoedanigheid welke men hem toekende, was begaafd met den moed van een leeuw, en met een wil als van ijzer. Als hij eens iets gezegd had, deed hij het ook vast en zeker. En daarbij, wat had hij te vreezen, als hij nog eens onder zijne vijanden kwam? had hij den generaal niet in zijne macht? den generaal, die met zijn leven voor het zijne instond? men wist, dat hij niet zou aarzelen dezen voor zijne eigene veiligheid op te offeren.Het was ongeveer acht ure in den morgen; de zon spreidde in schitterenden glans hare gloeiende stralen uit over het tafereel, dat wij getracht hebben te beschrijven.DoñaLuz kwam uit de grot, leunende op den arm van Edelharts moeder en gevolgd door Nô Eusébio. De beide vrouwen zagen er treurig en bleek uit; hare roode oogen toonden, dat zij geweend hadden. Zoodra hij haar bemerkte, liep Goedsmoeds naar haar toe, en groette haar.»Is mijn zoon nog niet terug?” vroeg de oude dame met een onrustigen blik.»Nog niet,” antwoordde de jager; »maar stel u gerust, mevrouw, hij kan niet lang meer uitblijven.”»Goede God! ik weet niet waarom, maar het schijnt mij toe, dat hij door eenig noodlottig toeval teruggehouden wordt.”»Neen, mevrouw, dan zou ik het weten; toen ik hem dezen nacht verliet om u gerust te stellen, en de bevelen, die hij mij gegeven heeft, ten uitvoer te brengen, bevond hij zich in een uitmuntenden toestand; dus, geloof mij, wees gerust, en wanhoop niet.”[187]»Helaas!” prevelde de arme vrouw, »ik leef gedurende twintig jaar in een voortdurende spanning; elken avond ben ik in vrees, dat ik mijn zoon den volgenden dag niet weder zal zien; o, mijn God, zult gij dan geen medelijden met mij hebben?”»Herstel u, mevrouw,” zeidedoñaLuz met aandoening, haar zachtjes omhelzende; »o! ik gevoel het hier, als Edelhart op dit oogenblik gevaar loopt, dan is het om mijn oom te redden; o mijn God,” voegde zij er met warmte bij, »geef dat het hem gelukken mag!”»Weldra, dames, zal alles zich ophelderen; verlaat u hierin op mij; gij weet, dat ik u niet zou willen misleiden.”»Ja,” zeide de oude dame, »gij zijt goed, gij hebt mijn zoon lief, en gij zoudt niet hier zijn, als er eenig gevaar voor hem bestond.”»Gij beoordeelt mij goed, mevrouw; ik dank u daarvoor; ik kan u thans nog niets zeggen, maar ik bid u een weinig geduld te hebben; het zij u genoeg te weten, dat hij bezig is, om deseñoragelukkig te maken.”»O ja,” zeide de moeder; »hij is altijd even goed, altijd vol zelfopoffering?”»Men heeft hem ook Edelhart genoemd,” prevelde het meisje blozend.»Geen naam werd ooit beter verdiend, mevrouw,” zeide de jager met overtuiging; »men moet lang met hem geleefd hebben, en hem kennen, gelijk ik hem ken, om hem goed te waardeeren.”»Ik ben u op mijne beurt dankbaar, voor hetgeen gij van mijn zoon zegt, Goedsmoeds,” antwoordde de oude dame, terwijl zij de harde hand van den jager drukte.»Ik zeg niet meer dan de waarheid, mevrouw; ik ben rechtvaardig, ziedaar alles. O, het zou beter toegaan in de prairiën, als al de jagers hem geleken.”»Goede God, de tijd gaat voorbij; zal hij dan nooit komen?” mompelde zij, terwijl zij met koortsachtig ongeduld om zich heen zag.»Weldra, mevrouw.”»Ik wil de eerste zijn om hem te zien en te groeten, als hij komt.”»Ongelukkig is dat onmogelijk.”»Waarom?”»Uw zoon heeft mij belast u en deseñorate smeeken dat gij in de grot zult blijven; hij wilde niet, dat gij tegenwoordig zoudt zijn, bij hetgeen hier zal plaats hebben.”»Maar,” zeidedoñaLuz angstig, »hoe weet ik dan, of mijn oom gered is?”»Wees gerust,señorita, gij zult niet lang in de onzekerheid blijven; maar ik bid u, blijf niet langer hier; ga naar binnen, ga naar binnen!”»Misschien zal het beter zijn,” merkte de oude dame aan; »laat ons gehoorzamen, liefste,” voegde zij er glimlachend bij; »laten wij naar binnen gaan, wijl mijn zoon het verlangt.”DoñaLuz volgde haar zonder tegenstand te bieden, maar niet[188]zonder nu en dan een blik achter zich te werpen, in de hoop dat zij haren beminde zou zien.»Hoe gelukkig moet het zijn, eene moeder te hebben!” mompelde Goedsmoeds, terwijl hij een zucht onderdrukte, en met de oogen de beide vrouwen volgde, die in de schaduw der grot verdween.Eensklaps lieten de Indiaansche schildwachten een alarmkreet hooren, die onmiddellijk herhaald werd door den man, die voor de raadstent op post stond. Op dit teeken stonden de hoofden der Comanchen op, en verlieten de hut, waarin zij vereenigd waren. De jagers en de Indiaansche krijgslieden grepen naar de wapenen, schaarden zich aan beide zijden van de grot en wachtten. Een stofwolk rolde met groote snelheid naar het kamp. De wolk scheurde weldra van een, en deed een troep ruiters zichtbaar worden, die in volle vaart kwamen aanrennen. Deze ruiters droegen voor het grootste gedeelte het kostuum der Mexicaanschegambusinos(goudzoekers). Aan hun hoofd reed, op een prachtig gitzwart paard gezeten, een man, dien allen terstond herkenden. Het was kapitein Ouaktehno, die stoutmoedig aan het hoofd zijner bende de uitvoering kwam vragen van den hatelijken ruil, dien hij drie dagen geleden had voorgesteld.Als in de prairiën twee benden elkander ontmoeten, of als krijgslieden of jagers een dorp bezoeken, zijn zij meestal gewoon een soort vanfantasiauit te voeren, door zich in lange rijen op elkander te werpen, onder het aanheffen van een luid geschreeuw en het afschieten van geweren.Ditmaal gebeurde er niets van dat alles.De Comanchen en jagers bleven roerloos en zwijgend staan, en wachtten bedaard de aankomst der roovers af. De droge en koele ontvangst verwonderde den kapitein niet; hoewel zijne wenkbrauwen zich fronsten, veinsde hij toch er niets van te merken, en trad moedig aan het hoofd zijner bende het dorp binnen. Toen zij voor de raadstent gekomen waren en zich vlak voor de opperhoofden bevonden, bleven de twintig ruiters plotseling staan; als waren zij op eens in bronzen standbeelden veranderd. Deze stoute beweging werd met zulk eene groote behendigheid ten uitvoer gebracht, dat de jagers, die veel verstand van rijden hadden, slechts met moeite een kreet van verrassing onderdrukten.Nauwelijks hadden de roovers halt gehouden, of de rijen der jagers en krijgslieden, rechts en links van de hut geplaatst, openden zich als een waaier en sloten zich achter hen. Door deze snel uitgevoerde beweging zagen de twintig roovers zich eensklaps door een kring van meer dan vijfhonderd sterk gewapende mannen omsingeld. De kapitein werd ongerust, het berouwde hem bijna gekomen te zijn; maar hij overwon deze onwillekeurige aandoening, glimlachte met minachting, en hield zich overtuigd dat hij geen gevaar te duchten had.[189]Hij groette de voor hem geplaatste opperhoofden, en zich tot Goedsmoeds wendende, vroeg hij op vasten toon:»Waar is het meisje?”»Ik weet niet wat gij bedoelt,” antwoordde de jager; »ik geloof niet dat er hier een meisje is, waarop gij eenig recht hebt.”»Wat beteekent dat, en wat gaat er hier om?” mompelde de kapitein, een wantrouwenden blik om zich heen werpende. »Is Edelhart het bezoek vergeten, dat ik hem voor drie dagen gebracht heb?”»Edelhart vergeet nooit iets,” zeide Goedsmoeds, »maar met hem hebt gij nu niets te maken; hoe hebt gij de vermetelheid gehad, om u aan het hoofd van een bende struikroovers onder ons te vertoonen?”»Aha,” zeide de kapitein spottend, »ik zie gij wilt mij niet antwoorden; wat de bedreiging aangaat, welke in het laatste gedeelte van uw volzin vervat is, daar bekommer ik mij zeer weinig om.”»Gij hebt ongelijk, mijnheer, want daar gij de onvoorzichtigheid begaan hebt om u zelven in onze handen te stellen, zullen wij toch niet zoo dom zijn, om u te laten ontsnappen, daar kan ik u de verzekering van geven.”»Zoo, zoo!” zeide de roover; »maar welk spel spelen wij dan?”»Dat zult gij hooren, mijnheer.”»Ik wacht,” antwoordde de roover, een onderzoekenden blik om zich heen werpende.»In deze woestijnen, waar alle menschelijke wetten zwijgen,” hernam de jager met een trillende stem, »mag de wet van God alleen gelden; die wet luidt, zooals gij weet: oog om oog, tand om tand.”»Wat meer?” zeide de roover droog weg.»Sedert tien jaren,” vervolgde Goedsmoeds bedaard, »zijt gíj, aan het hoofd van eene bende die recht noch wet kent, de schrik der prairiën geweest, en hebt gij zonder onderscheid blanken en Roodhuiden geplunderd en gedood; want gij weet van geen wet of geen vaderland; roof en diefstal zijn uwe eenigste wet; reizigers, bevervangers, jagers, gambusinos of Indianen, gij verschoont niemand, als gij door moord en doodslag een weinig goud kunt meester worden; het is nauwelijks eenige dagen geleden, dat gij een kamp van vreedzame Mexicaansche reizigers bij verrassing genomen, en hen allen zonder genade hebt omgebracht. Hieraan moet een einde gemaakt worden, en dat einde is nu gekomen. Wij allen, Indianen en jagers, wij zijn hier vereenigd om u te veroordeelen en de onveranderlijke wet der prairiën op u toe te passen.”»Oog om oog, tand om tand,” schreeuwden de omstanders, hunne wapenen schuddende.»Gij bedriegt u zeer, mijne heeren,” antwoordde de roover kalm, »als gij meent, dat ik ongehinderd mijn hals aan het mes zal aanbieden, gelijk een kalf, dat men ter slachtbank leidt; ik had een[190]voorgevoel van hetgeen er gebeuren zou, ziedaar waarom ik een zoo goed geleide heb. Ik heb twintig wakkere mannen bij mij, die zich zullen weten te verdedigen; gij hebt ons nog niet in uwe macht.”»Zie om u heen, en gij zult weten wat u te doen staat.”De roover sloeg de oogen achter zich; vijfhonderd geweren waren op zijne bende gericht.Eene rilling voer hem door de leden; eene doodelijke bleekheid overdekte zijn gelaat; de roover begreep, dat hij in een gevaarlijken toestand verkeerde, maar na even te hebben nagedacht, herkreeg hij al zijne koelbloedigheid, en zich tot den jager wendende, antwoordde hij spottend:»Kom kom, waartoe die bedreigingen, die mij toch niet kunnen bang maken? gij weet zeer goed, dat ik voor uwe lagen beveiligd ben. Gij hebt wèl gezegd, dat ik voor eenige dagen Mexicaansche reizigers aangevallen heb, maar gij weet ook, dat de voornaamste dier reizigers in mijne handen gevallen is. Waagt het, één haar van mijn hoofd te krenken, en de generaal, de oom van dat meisje, dat gij te vergeefs aan mijne macht ontrukken wilt, zal onmiddellijk met zijn leven den mij aangedanen hoon betalen. Gelooft mij toch, mijne heeren, zoekt mij niet langer te verschrikken, geeft mij goedschiks haar, die ik van u opeisch, of ik zweer u bij God, dat de generaal binnen een uur zal hebben opgehouden te leven!”Eensklaps kwam er een man uit de menigte te voorschijn, die zich voor den roover plaatste.»Gij vergist u,” voegde hij hem toe, »de generaal is vrij.”Die man was Edelhart.Eene rilling van vreugde doorliep de rijen der jagers, een rilling van schrik die der roovers.

[Inhoud]XIII.DE WET DER PRAIRIËN.Vóór den ingang van de door Edelhart bewoonde grot was een vrij groote ruimte, waar men het gras, de planten en de boomen had uitgeroeid, en die thans prijkte met honderd vijftig à twee honderd hutten. De geheele stam der Comanchen lag op deze plaats gekampeerd.Tusschen de pelsjagers en de jagers en krijgslieden der Roodhuiden heerschte de beste verstandhouding.In het midden van dit eensklaps verrezene dorp, waar de hutten van verschillend gekleurde bisonhuiden met zekere gelijkmatigheid waren gerangschikt, stond eene tent, die, grooter dan de anderen en met scalpen op lange staken bekroond, tot raadstent diende.Er heerschte eene groote levendigheid in het dorp. De Indiaansche krijgslieden hadden zich beschilderd en ten strijde toegerust, alsof zij weldra een gevecht te gemoet zagen. De jagers hadden hunne schoonste[186]kleederen aangetrokken en hunne wapens met de meeste zorg schoon gemaakt, alsof zij ze weldra zouden noodig hebben. De paarden waren, geheel opgetuigd, aan de omheining vastgebonden, zoodat zij terstond konden bereden worden. Men zag de Roodhuiden en de jagers angstig heen en weder loopen. Op geregelde afstanden, iets dat onder de Indianen volstrekt ongewoon is, waren schildwachten geplaatst, om de aankomst van iederen vreemdeling te verwittigen. In één woord, alles deed vermoeden, dat er toebereidselen werden gemaakt tot een dier plechtigheden, die in de prairie te huis behooren.Maar, wat vreemd was, Edelhart, de Arendskop, en de Zwarte Eland waren afwezig.Goedsmoeds hield een wakend oog over de toebereidselen, die men bezig was te maken, nu en dan eenige woorden wisselende met het oude opperhoofd der Comanchen,Eshis,—de Zon.—Maar beider gelaat was ernstig, en hun voorhoofd gespannen; zij schenen aan een levendigen angst ten prooi te zijn. Het was de dag dien de rooverkapitein bepaald had voor de uitlevering vandoñaLuz. Zou de kapitein durven komen? of was zijn voorstel slechts eene bedreiging, om hun vrees aan te jagen? Zij, die den roover kenden, en de meesten kenden hem, want bijna allen hadden van zijne strooptochten te lijden gehad, dachten het eerste.Die man, en het was de eenige goede hoedanigheid welke men hem toekende, was begaafd met den moed van een leeuw, en met een wil als van ijzer. Als hij eens iets gezegd had, deed hij het ook vast en zeker. En daarbij, wat had hij te vreezen, als hij nog eens onder zijne vijanden kwam? had hij den generaal niet in zijne macht? den generaal, die met zijn leven voor het zijne instond? men wist, dat hij niet zou aarzelen dezen voor zijne eigene veiligheid op te offeren.Het was ongeveer acht ure in den morgen; de zon spreidde in schitterenden glans hare gloeiende stralen uit over het tafereel, dat wij getracht hebben te beschrijven.DoñaLuz kwam uit de grot, leunende op den arm van Edelharts moeder en gevolgd door Nô Eusébio. De beide vrouwen zagen er treurig en bleek uit; hare roode oogen toonden, dat zij geweend hadden. Zoodra hij haar bemerkte, liep Goedsmoeds naar haar toe, en groette haar.»Is mijn zoon nog niet terug?” vroeg de oude dame met een onrustigen blik.»Nog niet,” antwoordde de jager; »maar stel u gerust, mevrouw, hij kan niet lang meer uitblijven.”»Goede God! ik weet niet waarom, maar het schijnt mij toe, dat hij door eenig noodlottig toeval teruggehouden wordt.”»Neen, mevrouw, dan zou ik het weten; toen ik hem dezen nacht verliet om u gerust te stellen, en de bevelen, die hij mij gegeven heeft, ten uitvoer te brengen, bevond hij zich in een uitmuntenden toestand; dus, geloof mij, wees gerust, en wanhoop niet.”[187]»Helaas!” prevelde de arme vrouw, »ik leef gedurende twintig jaar in een voortdurende spanning; elken avond ben ik in vrees, dat ik mijn zoon den volgenden dag niet weder zal zien; o, mijn God, zult gij dan geen medelijden met mij hebben?”»Herstel u, mevrouw,” zeidedoñaLuz met aandoening, haar zachtjes omhelzende; »o! ik gevoel het hier, als Edelhart op dit oogenblik gevaar loopt, dan is het om mijn oom te redden; o mijn God,” voegde zij er met warmte bij, »geef dat het hem gelukken mag!”»Weldra, dames, zal alles zich ophelderen; verlaat u hierin op mij; gij weet, dat ik u niet zou willen misleiden.”»Ja,” zeide de oude dame, »gij zijt goed, gij hebt mijn zoon lief, en gij zoudt niet hier zijn, als er eenig gevaar voor hem bestond.”»Gij beoordeelt mij goed, mevrouw; ik dank u daarvoor; ik kan u thans nog niets zeggen, maar ik bid u een weinig geduld te hebben; het zij u genoeg te weten, dat hij bezig is, om deseñoragelukkig te maken.”»O ja,” zeide de moeder; »hij is altijd even goed, altijd vol zelfopoffering?”»Men heeft hem ook Edelhart genoemd,” prevelde het meisje blozend.»Geen naam werd ooit beter verdiend, mevrouw,” zeide de jager met overtuiging; »men moet lang met hem geleefd hebben, en hem kennen, gelijk ik hem ken, om hem goed te waardeeren.”»Ik ben u op mijne beurt dankbaar, voor hetgeen gij van mijn zoon zegt, Goedsmoeds,” antwoordde de oude dame, terwijl zij de harde hand van den jager drukte.»Ik zeg niet meer dan de waarheid, mevrouw; ik ben rechtvaardig, ziedaar alles. O, het zou beter toegaan in de prairiën, als al de jagers hem geleken.”»Goede God, de tijd gaat voorbij; zal hij dan nooit komen?” mompelde zij, terwijl zij met koortsachtig ongeduld om zich heen zag.»Weldra, mevrouw.”»Ik wil de eerste zijn om hem te zien en te groeten, als hij komt.”»Ongelukkig is dat onmogelijk.”»Waarom?”»Uw zoon heeft mij belast u en deseñorate smeeken dat gij in de grot zult blijven; hij wilde niet, dat gij tegenwoordig zoudt zijn, bij hetgeen hier zal plaats hebben.”»Maar,” zeidedoñaLuz angstig, »hoe weet ik dan, of mijn oom gered is?”»Wees gerust,señorita, gij zult niet lang in de onzekerheid blijven; maar ik bid u, blijf niet langer hier; ga naar binnen, ga naar binnen!”»Misschien zal het beter zijn,” merkte de oude dame aan; »laat ons gehoorzamen, liefste,” voegde zij er glimlachend bij; »laten wij naar binnen gaan, wijl mijn zoon het verlangt.”DoñaLuz volgde haar zonder tegenstand te bieden, maar niet[188]zonder nu en dan een blik achter zich te werpen, in de hoop dat zij haren beminde zou zien.»Hoe gelukkig moet het zijn, eene moeder te hebben!” mompelde Goedsmoeds, terwijl hij een zucht onderdrukte, en met de oogen de beide vrouwen volgde, die in de schaduw der grot verdween.Eensklaps lieten de Indiaansche schildwachten een alarmkreet hooren, die onmiddellijk herhaald werd door den man, die voor de raadstent op post stond. Op dit teeken stonden de hoofden der Comanchen op, en verlieten de hut, waarin zij vereenigd waren. De jagers en de Indiaansche krijgslieden grepen naar de wapenen, schaarden zich aan beide zijden van de grot en wachtten. Een stofwolk rolde met groote snelheid naar het kamp. De wolk scheurde weldra van een, en deed een troep ruiters zichtbaar worden, die in volle vaart kwamen aanrennen. Deze ruiters droegen voor het grootste gedeelte het kostuum der Mexicaanschegambusinos(goudzoekers). Aan hun hoofd reed, op een prachtig gitzwart paard gezeten, een man, dien allen terstond herkenden. Het was kapitein Ouaktehno, die stoutmoedig aan het hoofd zijner bende de uitvoering kwam vragen van den hatelijken ruil, dien hij drie dagen geleden had voorgesteld.Als in de prairiën twee benden elkander ontmoeten, of als krijgslieden of jagers een dorp bezoeken, zijn zij meestal gewoon een soort vanfantasiauit te voeren, door zich in lange rijen op elkander te werpen, onder het aanheffen van een luid geschreeuw en het afschieten van geweren.Ditmaal gebeurde er niets van dat alles.De Comanchen en jagers bleven roerloos en zwijgend staan, en wachtten bedaard de aankomst der roovers af. De droge en koele ontvangst verwonderde den kapitein niet; hoewel zijne wenkbrauwen zich fronsten, veinsde hij toch er niets van te merken, en trad moedig aan het hoofd zijner bende het dorp binnen. Toen zij voor de raadstent gekomen waren en zich vlak voor de opperhoofden bevonden, bleven de twintig ruiters plotseling staan; als waren zij op eens in bronzen standbeelden veranderd. Deze stoute beweging werd met zulk eene groote behendigheid ten uitvoer gebracht, dat de jagers, die veel verstand van rijden hadden, slechts met moeite een kreet van verrassing onderdrukten.Nauwelijks hadden de roovers halt gehouden, of de rijen der jagers en krijgslieden, rechts en links van de hut geplaatst, openden zich als een waaier en sloten zich achter hen. Door deze snel uitgevoerde beweging zagen de twintig roovers zich eensklaps door een kring van meer dan vijfhonderd sterk gewapende mannen omsingeld. De kapitein werd ongerust, het berouwde hem bijna gekomen te zijn; maar hij overwon deze onwillekeurige aandoening, glimlachte met minachting, en hield zich overtuigd dat hij geen gevaar te duchten had.[189]Hij groette de voor hem geplaatste opperhoofden, en zich tot Goedsmoeds wendende, vroeg hij op vasten toon:»Waar is het meisje?”»Ik weet niet wat gij bedoelt,” antwoordde de jager; »ik geloof niet dat er hier een meisje is, waarop gij eenig recht hebt.”»Wat beteekent dat, en wat gaat er hier om?” mompelde de kapitein, een wantrouwenden blik om zich heen werpende. »Is Edelhart het bezoek vergeten, dat ik hem voor drie dagen gebracht heb?”»Edelhart vergeet nooit iets,” zeide Goedsmoeds, »maar met hem hebt gij nu niets te maken; hoe hebt gij de vermetelheid gehad, om u aan het hoofd van een bende struikroovers onder ons te vertoonen?”»Aha,” zeide de kapitein spottend, »ik zie gij wilt mij niet antwoorden; wat de bedreiging aangaat, welke in het laatste gedeelte van uw volzin vervat is, daar bekommer ik mij zeer weinig om.”»Gij hebt ongelijk, mijnheer, want daar gij de onvoorzichtigheid begaan hebt om u zelven in onze handen te stellen, zullen wij toch niet zoo dom zijn, om u te laten ontsnappen, daar kan ik u de verzekering van geven.”»Zoo, zoo!” zeide de roover; »maar welk spel spelen wij dan?”»Dat zult gij hooren, mijnheer.”»Ik wacht,” antwoordde de roover, een onderzoekenden blik om zich heen werpende.»In deze woestijnen, waar alle menschelijke wetten zwijgen,” hernam de jager met een trillende stem, »mag de wet van God alleen gelden; die wet luidt, zooals gij weet: oog om oog, tand om tand.”»Wat meer?” zeide de roover droog weg.»Sedert tien jaren,” vervolgde Goedsmoeds bedaard, »zijt gíj, aan het hoofd van eene bende die recht noch wet kent, de schrik der prairiën geweest, en hebt gij zonder onderscheid blanken en Roodhuiden geplunderd en gedood; want gij weet van geen wet of geen vaderland; roof en diefstal zijn uwe eenigste wet; reizigers, bevervangers, jagers, gambusinos of Indianen, gij verschoont niemand, als gij door moord en doodslag een weinig goud kunt meester worden; het is nauwelijks eenige dagen geleden, dat gij een kamp van vreedzame Mexicaansche reizigers bij verrassing genomen, en hen allen zonder genade hebt omgebracht. Hieraan moet een einde gemaakt worden, en dat einde is nu gekomen. Wij allen, Indianen en jagers, wij zijn hier vereenigd om u te veroordeelen en de onveranderlijke wet der prairiën op u toe te passen.”»Oog om oog, tand om tand,” schreeuwden de omstanders, hunne wapenen schuddende.»Gij bedriegt u zeer, mijne heeren,” antwoordde de roover kalm, »als gij meent, dat ik ongehinderd mijn hals aan het mes zal aanbieden, gelijk een kalf, dat men ter slachtbank leidt; ik had een[190]voorgevoel van hetgeen er gebeuren zou, ziedaar waarom ik een zoo goed geleide heb. Ik heb twintig wakkere mannen bij mij, die zich zullen weten te verdedigen; gij hebt ons nog niet in uwe macht.”»Zie om u heen, en gij zult weten wat u te doen staat.”De roover sloeg de oogen achter zich; vijfhonderd geweren waren op zijne bende gericht.Eene rilling voer hem door de leden; eene doodelijke bleekheid overdekte zijn gelaat; de roover begreep, dat hij in een gevaarlijken toestand verkeerde, maar na even te hebben nagedacht, herkreeg hij al zijne koelbloedigheid, en zich tot den jager wendende, antwoordde hij spottend:»Kom kom, waartoe die bedreigingen, die mij toch niet kunnen bang maken? gij weet zeer goed, dat ik voor uwe lagen beveiligd ben. Gij hebt wèl gezegd, dat ik voor eenige dagen Mexicaansche reizigers aangevallen heb, maar gij weet ook, dat de voornaamste dier reizigers in mijne handen gevallen is. Waagt het, één haar van mijn hoofd te krenken, en de generaal, de oom van dat meisje, dat gij te vergeefs aan mijne macht ontrukken wilt, zal onmiddellijk met zijn leven den mij aangedanen hoon betalen. Gelooft mij toch, mijne heeren, zoekt mij niet langer te verschrikken, geeft mij goedschiks haar, die ik van u opeisch, of ik zweer u bij God, dat de generaal binnen een uur zal hebben opgehouden te leven!”Eensklaps kwam er een man uit de menigte te voorschijn, die zich voor den roover plaatste.»Gij vergist u,” voegde hij hem toe, »de generaal is vrij.”Die man was Edelhart.Eene rilling van vreugde doorliep de rijen der jagers, een rilling van schrik die der roovers.

XIII.DE WET DER PRAIRIËN.

Vóór den ingang van de door Edelhart bewoonde grot was een vrij groote ruimte, waar men het gras, de planten en de boomen had uitgeroeid, en die thans prijkte met honderd vijftig à twee honderd hutten. De geheele stam der Comanchen lag op deze plaats gekampeerd.Tusschen de pelsjagers en de jagers en krijgslieden der Roodhuiden heerschte de beste verstandhouding.In het midden van dit eensklaps verrezene dorp, waar de hutten van verschillend gekleurde bisonhuiden met zekere gelijkmatigheid waren gerangschikt, stond eene tent, die, grooter dan de anderen en met scalpen op lange staken bekroond, tot raadstent diende.Er heerschte eene groote levendigheid in het dorp. De Indiaansche krijgslieden hadden zich beschilderd en ten strijde toegerust, alsof zij weldra een gevecht te gemoet zagen. De jagers hadden hunne schoonste[186]kleederen aangetrokken en hunne wapens met de meeste zorg schoon gemaakt, alsof zij ze weldra zouden noodig hebben. De paarden waren, geheel opgetuigd, aan de omheining vastgebonden, zoodat zij terstond konden bereden worden. Men zag de Roodhuiden en de jagers angstig heen en weder loopen. Op geregelde afstanden, iets dat onder de Indianen volstrekt ongewoon is, waren schildwachten geplaatst, om de aankomst van iederen vreemdeling te verwittigen. In één woord, alles deed vermoeden, dat er toebereidselen werden gemaakt tot een dier plechtigheden, die in de prairie te huis behooren.Maar, wat vreemd was, Edelhart, de Arendskop, en de Zwarte Eland waren afwezig.Goedsmoeds hield een wakend oog over de toebereidselen, die men bezig was te maken, nu en dan eenige woorden wisselende met het oude opperhoofd der Comanchen,Eshis,—de Zon.—Maar beider gelaat was ernstig, en hun voorhoofd gespannen; zij schenen aan een levendigen angst ten prooi te zijn. Het was de dag dien de rooverkapitein bepaald had voor de uitlevering vandoñaLuz. Zou de kapitein durven komen? of was zijn voorstel slechts eene bedreiging, om hun vrees aan te jagen? Zij, die den roover kenden, en de meesten kenden hem, want bijna allen hadden van zijne strooptochten te lijden gehad, dachten het eerste.Die man, en het was de eenige goede hoedanigheid welke men hem toekende, was begaafd met den moed van een leeuw, en met een wil als van ijzer. Als hij eens iets gezegd had, deed hij het ook vast en zeker. En daarbij, wat had hij te vreezen, als hij nog eens onder zijne vijanden kwam? had hij den generaal niet in zijne macht? den generaal, die met zijn leven voor het zijne instond? men wist, dat hij niet zou aarzelen dezen voor zijne eigene veiligheid op te offeren.Het was ongeveer acht ure in den morgen; de zon spreidde in schitterenden glans hare gloeiende stralen uit over het tafereel, dat wij getracht hebben te beschrijven.DoñaLuz kwam uit de grot, leunende op den arm van Edelharts moeder en gevolgd door Nô Eusébio. De beide vrouwen zagen er treurig en bleek uit; hare roode oogen toonden, dat zij geweend hadden. Zoodra hij haar bemerkte, liep Goedsmoeds naar haar toe, en groette haar.»Is mijn zoon nog niet terug?” vroeg de oude dame met een onrustigen blik.»Nog niet,” antwoordde de jager; »maar stel u gerust, mevrouw, hij kan niet lang meer uitblijven.”»Goede God! ik weet niet waarom, maar het schijnt mij toe, dat hij door eenig noodlottig toeval teruggehouden wordt.”»Neen, mevrouw, dan zou ik het weten; toen ik hem dezen nacht verliet om u gerust te stellen, en de bevelen, die hij mij gegeven heeft, ten uitvoer te brengen, bevond hij zich in een uitmuntenden toestand; dus, geloof mij, wees gerust, en wanhoop niet.”[187]»Helaas!” prevelde de arme vrouw, »ik leef gedurende twintig jaar in een voortdurende spanning; elken avond ben ik in vrees, dat ik mijn zoon den volgenden dag niet weder zal zien; o, mijn God, zult gij dan geen medelijden met mij hebben?”»Herstel u, mevrouw,” zeidedoñaLuz met aandoening, haar zachtjes omhelzende; »o! ik gevoel het hier, als Edelhart op dit oogenblik gevaar loopt, dan is het om mijn oom te redden; o mijn God,” voegde zij er met warmte bij, »geef dat het hem gelukken mag!”»Weldra, dames, zal alles zich ophelderen; verlaat u hierin op mij; gij weet, dat ik u niet zou willen misleiden.”»Ja,” zeide de oude dame, »gij zijt goed, gij hebt mijn zoon lief, en gij zoudt niet hier zijn, als er eenig gevaar voor hem bestond.”»Gij beoordeelt mij goed, mevrouw; ik dank u daarvoor; ik kan u thans nog niets zeggen, maar ik bid u een weinig geduld te hebben; het zij u genoeg te weten, dat hij bezig is, om deseñoragelukkig te maken.”»O ja,” zeide de moeder; »hij is altijd even goed, altijd vol zelfopoffering?”»Men heeft hem ook Edelhart genoemd,” prevelde het meisje blozend.»Geen naam werd ooit beter verdiend, mevrouw,” zeide de jager met overtuiging; »men moet lang met hem geleefd hebben, en hem kennen, gelijk ik hem ken, om hem goed te waardeeren.”»Ik ben u op mijne beurt dankbaar, voor hetgeen gij van mijn zoon zegt, Goedsmoeds,” antwoordde de oude dame, terwijl zij de harde hand van den jager drukte.»Ik zeg niet meer dan de waarheid, mevrouw; ik ben rechtvaardig, ziedaar alles. O, het zou beter toegaan in de prairiën, als al de jagers hem geleken.”»Goede God, de tijd gaat voorbij; zal hij dan nooit komen?” mompelde zij, terwijl zij met koortsachtig ongeduld om zich heen zag.»Weldra, mevrouw.”»Ik wil de eerste zijn om hem te zien en te groeten, als hij komt.”»Ongelukkig is dat onmogelijk.”»Waarom?”»Uw zoon heeft mij belast u en deseñorate smeeken dat gij in de grot zult blijven; hij wilde niet, dat gij tegenwoordig zoudt zijn, bij hetgeen hier zal plaats hebben.”»Maar,” zeidedoñaLuz angstig, »hoe weet ik dan, of mijn oom gered is?”»Wees gerust,señorita, gij zult niet lang in de onzekerheid blijven; maar ik bid u, blijf niet langer hier; ga naar binnen, ga naar binnen!”»Misschien zal het beter zijn,” merkte de oude dame aan; »laat ons gehoorzamen, liefste,” voegde zij er glimlachend bij; »laten wij naar binnen gaan, wijl mijn zoon het verlangt.”DoñaLuz volgde haar zonder tegenstand te bieden, maar niet[188]zonder nu en dan een blik achter zich te werpen, in de hoop dat zij haren beminde zou zien.»Hoe gelukkig moet het zijn, eene moeder te hebben!” mompelde Goedsmoeds, terwijl hij een zucht onderdrukte, en met de oogen de beide vrouwen volgde, die in de schaduw der grot verdween.Eensklaps lieten de Indiaansche schildwachten een alarmkreet hooren, die onmiddellijk herhaald werd door den man, die voor de raadstent op post stond. Op dit teeken stonden de hoofden der Comanchen op, en verlieten de hut, waarin zij vereenigd waren. De jagers en de Indiaansche krijgslieden grepen naar de wapenen, schaarden zich aan beide zijden van de grot en wachtten. Een stofwolk rolde met groote snelheid naar het kamp. De wolk scheurde weldra van een, en deed een troep ruiters zichtbaar worden, die in volle vaart kwamen aanrennen. Deze ruiters droegen voor het grootste gedeelte het kostuum der Mexicaanschegambusinos(goudzoekers). Aan hun hoofd reed, op een prachtig gitzwart paard gezeten, een man, dien allen terstond herkenden. Het was kapitein Ouaktehno, die stoutmoedig aan het hoofd zijner bende de uitvoering kwam vragen van den hatelijken ruil, dien hij drie dagen geleden had voorgesteld.Als in de prairiën twee benden elkander ontmoeten, of als krijgslieden of jagers een dorp bezoeken, zijn zij meestal gewoon een soort vanfantasiauit te voeren, door zich in lange rijen op elkander te werpen, onder het aanheffen van een luid geschreeuw en het afschieten van geweren.Ditmaal gebeurde er niets van dat alles.De Comanchen en jagers bleven roerloos en zwijgend staan, en wachtten bedaard de aankomst der roovers af. De droge en koele ontvangst verwonderde den kapitein niet; hoewel zijne wenkbrauwen zich fronsten, veinsde hij toch er niets van te merken, en trad moedig aan het hoofd zijner bende het dorp binnen. Toen zij voor de raadstent gekomen waren en zich vlak voor de opperhoofden bevonden, bleven de twintig ruiters plotseling staan; als waren zij op eens in bronzen standbeelden veranderd. Deze stoute beweging werd met zulk eene groote behendigheid ten uitvoer gebracht, dat de jagers, die veel verstand van rijden hadden, slechts met moeite een kreet van verrassing onderdrukten.Nauwelijks hadden de roovers halt gehouden, of de rijen der jagers en krijgslieden, rechts en links van de hut geplaatst, openden zich als een waaier en sloten zich achter hen. Door deze snel uitgevoerde beweging zagen de twintig roovers zich eensklaps door een kring van meer dan vijfhonderd sterk gewapende mannen omsingeld. De kapitein werd ongerust, het berouwde hem bijna gekomen te zijn; maar hij overwon deze onwillekeurige aandoening, glimlachte met minachting, en hield zich overtuigd dat hij geen gevaar te duchten had.[189]Hij groette de voor hem geplaatste opperhoofden, en zich tot Goedsmoeds wendende, vroeg hij op vasten toon:»Waar is het meisje?”»Ik weet niet wat gij bedoelt,” antwoordde de jager; »ik geloof niet dat er hier een meisje is, waarop gij eenig recht hebt.”»Wat beteekent dat, en wat gaat er hier om?” mompelde de kapitein, een wantrouwenden blik om zich heen werpende. »Is Edelhart het bezoek vergeten, dat ik hem voor drie dagen gebracht heb?”»Edelhart vergeet nooit iets,” zeide Goedsmoeds, »maar met hem hebt gij nu niets te maken; hoe hebt gij de vermetelheid gehad, om u aan het hoofd van een bende struikroovers onder ons te vertoonen?”»Aha,” zeide de kapitein spottend, »ik zie gij wilt mij niet antwoorden; wat de bedreiging aangaat, welke in het laatste gedeelte van uw volzin vervat is, daar bekommer ik mij zeer weinig om.”»Gij hebt ongelijk, mijnheer, want daar gij de onvoorzichtigheid begaan hebt om u zelven in onze handen te stellen, zullen wij toch niet zoo dom zijn, om u te laten ontsnappen, daar kan ik u de verzekering van geven.”»Zoo, zoo!” zeide de roover; »maar welk spel spelen wij dan?”»Dat zult gij hooren, mijnheer.”»Ik wacht,” antwoordde de roover, een onderzoekenden blik om zich heen werpende.»In deze woestijnen, waar alle menschelijke wetten zwijgen,” hernam de jager met een trillende stem, »mag de wet van God alleen gelden; die wet luidt, zooals gij weet: oog om oog, tand om tand.”»Wat meer?” zeide de roover droog weg.»Sedert tien jaren,” vervolgde Goedsmoeds bedaard, »zijt gíj, aan het hoofd van eene bende die recht noch wet kent, de schrik der prairiën geweest, en hebt gij zonder onderscheid blanken en Roodhuiden geplunderd en gedood; want gij weet van geen wet of geen vaderland; roof en diefstal zijn uwe eenigste wet; reizigers, bevervangers, jagers, gambusinos of Indianen, gij verschoont niemand, als gij door moord en doodslag een weinig goud kunt meester worden; het is nauwelijks eenige dagen geleden, dat gij een kamp van vreedzame Mexicaansche reizigers bij verrassing genomen, en hen allen zonder genade hebt omgebracht. Hieraan moet een einde gemaakt worden, en dat einde is nu gekomen. Wij allen, Indianen en jagers, wij zijn hier vereenigd om u te veroordeelen en de onveranderlijke wet der prairiën op u toe te passen.”»Oog om oog, tand om tand,” schreeuwden de omstanders, hunne wapenen schuddende.»Gij bedriegt u zeer, mijne heeren,” antwoordde de roover kalm, »als gij meent, dat ik ongehinderd mijn hals aan het mes zal aanbieden, gelijk een kalf, dat men ter slachtbank leidt; ik had een[190]voorgevoel van hetgeen er gebeuren zou, ziedaar waarom ik een zoo goed geleide heb. Ik heb twintig wakkere mannen bij mij, die zich zullen weten te verdedigen; gij hebt ons nog niet in uwe macht.”»Zie om u heen, en gij zult weten wat u te doen staat.”De roover sloeg de oogen achter zich; vijfhonderd geweren waren op zijne bende gericht.Eene rilling voer hem door de leden; eene doodelijke bleekheid overdekte zijn gelaat; de roover begreep, dat hij in een gevaarlijken toestand verkeerde, maar na even te hebben nagedacht, herkreeg hij al zijne koelbloedigheid, en zich tot den jager wendende, antwoordde hij spottend:»Kom kom, waartoe die bedreigingen, die mij toch niet kunnen bang maken? gij weet zeer goed, dat ik voor uwe lagen beveiligd ben. Gij hebt wèl gezegd, dat ik voor eenige dagen Mexicaansche reizigers aangevallen heb, maar gij weet ook, dat de voornaamste dier reizigers in mijne handen gevallen is. Waagt het, één haar van mijn hoofd te krenken, en de generaal, de oom van dat meisje, dat gij te vergeefs aan mijne macht ontrukken wilt, zal onmiddellijk met zijn leven den mij aangedanen hoon betalen. Gelooft mij toch, mijne heeren, zoekt mij niet langer te verschrikken, geeft mij goedschiks haar, die ik van u opeisch, of ik zweer u bij God, dat de generaal binnen een uur zal hebben opgehouden te leven!”Eensklaps kwam er een man uit de menigte te voorschijn, die zich voor den roover plaatste.»Gij vergist u,” voegde hij hem toe, »de generaal is vrij.”Die man was Edelhart.Eene rilling van vreugde doorliep de rijen der jagers, een rilling van schrik die der roovers.

Vóór den ingang van de door Edelhart bewoonde grot was een vrij groote ruimte, waar men het gras, de planten en de boomen had uitgeroeid, en die thans prijkte met honderd vijftig à twee honderd hutten. De geheele stam der Comanchen lag op deze plaats gekampeerd.

Tusschen de pelsjagers en de jagers en krijgslieden der Roodhuiden heerschte de beste verstandhouding.

In het midden van dit eensklaps verrezene dorp, waar de hutten van verschillend gekleurde bisonhuiden met zekere gelijkmatigheid waren gerangschikt, stond eene tent, die, grooter dan de anderen en met scalpen op lange staken bekroond, tot raadstent diende.

Er heerschte eene groote levendigheid in het dorp. De Indiaansche krijgslieden hadden zich beschilderd en ten strijde toegerust, alsof zij weldra een gevecht te gemoet zagen. De jagers hadden hunne schoonste[186]kleederen aangetrokken en hunne wapens met de meeste zorg schoon gemaakt, alsof zij ze weldra zouden noodig hebben. De paarden waren, geheel opgetuigd, aan de omheining vastgebonden, zoodat zij terstond konden bereden worden. Men zag de Roodhuiden en de jagers angstig heen en weder loopen. Op geregelde afstanden, iets dat onder de Indianen volstrekt ongewoon is, waren schildwachten geplaatst, om de aankomst van iederen vreemdeling te verwittigen. In één woord, alles deed vermoeden, dat er toebereidselen werden gemaakt tot een dier plechtigheden, die in de prairie te huis behooren.

Maar, wat vreemd was, Edelhart, de Arendskop, en de Zwarte Eland waren afwezig.

Goedsmoeds hield een wakend oog over de toebereidselen, die men bezig was te maken, nu en dan eenige woorden wisselende met het oude opperhoofd der Comanchen,Eshis,—de Zon.—Maar beider gelaat was ernstig, en hun voorhoofd gespannen; zij schenen aan een levendigen angst ten prooi te zijn. Het was de dag dien de rooverkapitein bepaald had voor de uitlevering vandoñaLuz. Zou de kapitein durven komen? of was zijn voorstel slechts eene bedreiging, om hun vrees aan te jagen? Zij, die den roover kenden, en de meesten kenden hem, want bijna allen hadden van zijne strooptochten te lijden gehad, dachten het eerste.

Die man, en het was de eenige goede hoedanigheid welke men hem toekende, was begaafd met den moed van een leeuw, en met een wil als van ijzer. Als hij eens iets gezegd had, deed hij het ook vast en zeker. En daarbij, wat had hij te vreezen, als hij nog eens onder zijne vijanden kwam? had hij den generaal niet in zijne macht? den generaal, die met zijn leven voor het zijne instond? men wist, dat hij niet zou aarzelen dezen voor zijne eigene veiligheid op te offeren.

Het was ongeveer acht ure in den morgen; de zon spreidde in schitterenden glans hare gloeiende stralen uit over het tafereel, dat wij getracht hebben te beschrijven.DoñaLuz kwam uit de grot, leunende op den arm van Edelharts moeder en gevolgd door Nô Eusébio. De beide vrouwen zagen er treurig en bleek uit; hare roode oogen toonden, dat zij geweend hadden. Zoodra hij haar bemerkte, liep Goedsmoeds naar haar toe, en groette haar.

»Is mijn zoon nog niet terug?” vroeg de oude dame met een onrustigen blik.

»Nog niet,” antwoordde de jager; »maar stel u gerust, mevrouw, hij kan niet lang meer uitblijven.”

»Goede God! ik weet niet waarom, maar het schijnt mij toe, dat hij door eenig noodlottig toeval teruggehouden wordt.”

»Neen, mevrouw, dan zou ik het weten; toen ik hem dezen nacht verliet om u gerust te stellen, en de bevelen, die hij mij gegeven heeft, ten uitvoer te brengen, bevond hij zich in een uitmuntenden toestand; dus, geloof mij, wees gerust, en wanhoop niet.”[187]

»Helaas!” prevelde de arme vrouw, »ik leef gedurende twintig jaar in een voortdurende spanning; elken avond ben ik in vrees, dat ik mijn zoon den volgenden dag niet weder zal zien; o, mijn God, zult gij dan geen medelijden met mij hebben?”

»Herstel u, mevrouw,” zeidedoñaLuz met aandoening, haar zachtjes omhelzende; »o! ik gevoel het hier, als Edelhart op dit oogenblik gevaar loopt, dan is het om mijn oom te redden; o mijn God,” voegde zij er met warmte bij, »geef dat het hem gelukken mag!”

»Weldra, dames, zal alles zich ophelderen; verlaat u hierin op mij; gij weet, dat ik u niet zou willen misleiden.”

»Ja,” zeide de oude dame, »gij zijt goed, gij hebt mijn zoon lief, en gij zoudt niet hier zijn, als er eenig gevaar voor hem bestond.”

»Gij beoordeelt mij goed, mevrouw; ik dank u daarvoor; ik kan u thans nog niets zeggen, maar ik bid u een weinig geduld te hebben; het zij u genoeg te weten, dat hij bezig is, om deseñoragelukkig te maken.”

»O ja,” zeide de moeder; »hij is altijd even goed, altijd vol zelfopoffering?”

»Men heeft hem ook Edelhart genoemd,” prevelde het meisje blozend.

»Geen naam werd ooit beter verdiend, mevrouw,” zeide de jager met overtuiging; »men moet lang met hem geleefd hebben, en hem kennen, gelijk ik hem ken, om hem goed te waardeeren.”

»Ik ben u op mijne beurt dankbaar, voor hetgeen gij van mijn zoon zegt, Goedsmoeds,” antwoordde de oude dame, terwijl zij de harde hand van den jager drukte.

»Ik zeg niet meer dan de waarheid, mevrouw; ik ben rechtvaardig, ziedaar alles. O, het zou beter toegaan in de prairiën, als al de jagers hem geleken.”

»Goede God, de tijd gaat voorbij; zal hij dan nooit komen?” mompelde zij, terwijl zij met koortsachtig ongeduld om zich heen zag.

»Weldra, mevrouw.”

»Ik wil de eerste zijn om hem te zien en te groeten, als hij komt.”

»Ongelukkig is dat onmogelijk.”

»Waarom?”

»Uw zoon heeft mij belast u en deseñorate smeeken dat gij in de grot zult blijven; hij wilde niet, dat gij tegenwoordig zoudt zijn, bij hetgeen hier zal plaats hebben.”

»Maar,” zeidedoñaLuz angstig, »hoe weet ik dan, of mijn oom gered is?”

»Wees gerust,señorita, gij zult niet lang in de onzekerheid blijven; maar ik bid u, blijf niet langer hier; ga naar binnen, ga naar binnen!”

»Misschien zal het beter zijn,” merkte de oude dame aan; »laat ons gehoorzamen, liefste,” voegde zij er glimlachend bij; »laten wij naar binnen gaan, wijl mijn zoon het verlangt.”

DoñaLuz volgde haar zonder tegenstand te bieden, maar niet[188]zonder nu en dan een blik achter zich te werpen, in de hoop dat zij haren beminde zou zien.

»Hoe gelukkig moet het zijn, eene moeder te hebben!” mompelde Goedsmoeds, terwijl hij een zucht onderdrukte, en met de oogen de beide vrouwen volgde, die in de schaduw der grot verdween.

Eensklaps lieten de Indiaansche schildwachten een alarmkreet hooren, die onmiddellijk herhaald werd door den man, die voor de raadstent op post stond. Op dit teeken stonden de hoofden der Comanchen op, en verlieten de hut, waarin zij vereenigd waren. De jagers en de Indiaansche krijgslieden grepen naar de wapenen, schaarden zich aan beide zijden van de grot en wachtten. Een stofwolk rolde met groote snelheid naar het kamp. De wolk scheurde weldra van een, en deed een troep ruiters zichtbaar worden, die in volle vaart kwamen aanrennen. Deze ruiters droegen voor het grootste gedeelte het kostuum der Mexicaanschegambusinos(goudzoekers). Aan hun hoofd reed, op een prachtig gitzwart paard gezeten, een man, dien allen terstond herkenden. Het was kapitein Ouaktehno, die stoutmoedig aan het hoofd zijner bende de uitvoering kwam vragen van den hatelijken ruil, dien hij drie dagen geleden had voorgesteld.

Als in de prairiën twee benden elkander ontmoeten, of als krijgslieden of jagers een dorp bezoeken, zijn zij meestal gewoon een soort vanfantasiauit te voeren, door zich in lange rijen op elkander te werpen, onder het aanheffen van een luid geschreeuw en het afschieten van geweren.

Ditmaal gebeurde er niets van dat alles.

De Comanchen en jagers bleven roerloos en zwijgend staan, en wachtten bedaard de aankomst der roovers af. De droge en koele ontvangst verwonderde den kapitein niet; hoewel zijne wenkbrauwen zich fronsten, veinsde hij toch er niets van te merken, en trad moedig aan het hoofd zijner bende het dorp binnen. Toen zij voor de raadstent gekomen waren en zich vlak voor de opperhoofden bevonden, bleven de twintig ruiters plotseling staan; als waren zij op eens in bronzen standbeelden veranderd. Deze stoute beweging werd met zulk eene groote behendigheid ten uitvoer gebracht, dat de jagers, die veel verstand van rijden hadden, slechts met moeite een kreet van verrassing onderdrukten.

Nauwelijks hadden de roovers halt gehouden, of de rijen der jagers en krijgslieden, rechts en links van de hut geplaatst, openden zich als een waaier en sloten zich achter hen. Door deze snel uitgevoerde beweging zagen de twintig roovers zich eensklaps door een kring van meer dan vijfhonderd sterk gewapende mannen omsingeld. De kapitein werd ongerust, het berouwde hem bijna gekomen te zijn; maar hij overwon deze onwillekeurige aandoening, glimlachte met minachting, en hield zich overtuigd dat hij geen gevaar te duchten had.[189]

Hij groette de voor hem geplaatste opperhoofden, en zich tot Goedsmoeds wendende, vroeg hij op vasten toon:

»Waar is het meisje?”

»Ik weet niet wat gij bedoelt,” antwoordde de jager; »ik geloof niet dat er hier een meisje is, waarop gij eenig recht hebt.”

»Wat beteekent dat, en wat gaat er hier om?” mompelde de kapitein, een wantrouwenden blik om zich heen werpende. »Is Edelhart het bezoek vergeten, dat ik hem voor drie dagen gebracht heb?”

»Edelhart vergeet nooit iets,” zeide Goedsmoeds, »maar met hem hebt gij nu niets te maken; hoe hebt gij de vermetelheid gehad, om u aan het hoofd van een bende struikroovers onder ons te vertoonen?”

»Aha,” zeide de kapitein spottend, »ik zie gij wilt mij niet antwoorden; wat de bedreiging aangaat, welke in het laatste gedeelte van uw volzin vervat is, daar bekommer ik mij zeer weinig om.”

»Gij hebt ongelijk, mijnheer, want daar gij de onvoorzichtigheid begaan hebt om u zelven in onze handen te stellen, zullen wij toch niet zoo dom zijn, om u te laten ontsnappen, daar kan ik u de verzekering van geven.”

»Zoo, zoo!” zeide de roover; »maar welk spel spelen wij dan?”

»Dat zult gij hooren, mijnheer.”

»Ik wacht,” antwoordde de roover, een onderzoekenden blik om zich heen werpende.

»In deze woestijnen, waar alle menschelijke wetten zwijgen,” hernam de jager met een trillende stem, »mag de wet van God alleen gelden; die wet luidt, zooals gij weet: oog om oog, tand om tand.”

»Wat meer?” zeide de roover droog weg.

»Sedert tien jaren,” vervolgde Goedsmoeds bedaard, »zijt gíj, aan het hoofd van eene bende die recht noch wet kent, de schrik der prairiën geweest, en hebt gij zonder onderscheid blanken en Roodhuiden geplunderd en gedood; want gij weet van geen wet of geen vaderland; roof en diefstal zijn uwe eenigste wet; reizigers, bevervangers, jagers, gambusinos of Indianen, gij verschoont niemand, als gij door moord en doodslag een weinig goud kunt meester worden; het is nauwelijks eenige dagen geleden, dat gij een kamp van vreedzame Mexicaansche reizigers bij verrassing genomen, en hen allen zonder genade hebt omgebracht. Hieraan moet een einde gemaakt worden, en dat einde is nu gekomen. Wij allen, Indianen en jagers, wij zijn hier vereenigd om u te veroordeelen en de onveranderlijke wet der prairiën op u toe te passen.”

»Oog om oog, tand om tand,” schreeuwden de omstanders, hunne wapenen schuddende.

»Gij bedriegt u zeer, mijne heeren,” antwoordde de roover kalm, »als gij meent, dat ik ongehinderd mijn hals aan het mes zal aanbieden, gelijk een kalf, dat men ter slachtbank leidt; ik had een[190]voorgevoel van hetgeen er gebeuren zou, ziedaar waarom ik een zoo goed geleide heb. Ik heb twintig wakkere mannen bij mij, die zich zullen weten te verdedigen; gij hebt ons nog niet in uwe macht.”

»Zie om u heen, en gij zult weten wat u te doen staat.”

De roover sloeg de oogen achter zich; vijfhonderd geweren waren op zijne bende gericht.

Eene rilling voer hem door de leden; eene doodelijke bleekheid overdekte zijn gelaat; de roover begreep, dat hij in een gevaarlijken toestand verkeerde, maar na even te hebben nagedacht, herkreeg hij al zijne koelbloedigheid, en zich tot den jager wendende, antwoordde hij spottend:

»Kom kom, waartoe die bedreigingen, die mij toch niet kunnen bang maken? gij weet zeer goed, dat ik voor uwe lagen beveiligd ben. Gij hebt wèl gezegd, dat ik voor eenige dagen Mexicaansche reizigers aangevallen heb, maar gij weet ook, dat de voornaamste dier reizigers in mijne handen gevallen is. Waagt het, één haar van mijn hoofd te krenken, en de generaal, de oom van dat meisje, dat gij te vergeefs aan mijne macht ontrukken wilt, zal onmiddellijk met zijn leven den mij aangedanen hoon betalen. Gelooft mij toch, mijne heeren, zoekt mij niet langer te verschrikken, geeft mij goedschiks haar, die ik van u opeisch, of ik zweer u bij God, dat de generaal binnen een uur zal hebben opgehouden te leven!”

Eensklaps kwam er een man uit de menigte te voorschijn, die zich voor den roover plaatste.

»Gij vergist u,” voegde hij hem toe, »de generaal is vrij.”

Die man was Edelhart.

Eene rilling van vreugde doorliep de rijen der jagers, een rilling van schrik die der roovers.


Back to IndexNext