XIV.

[Inhoud]XIV.DE STRAF.De generaal en zijne twee lotgenooten waren niet lang in het onzekere gebleven. Het vlot was na lang aarzelen eindelijk aan land gekomen, en vijftien mannen wierpen zich met geveld geweer, onder het aanheffen van een luid geschreeuw in de grot. De vluchtelingen liepen verheugd op hen toe. Zij hadden aan het hoofd der aankomelingen Edelhart, het opperhoofd der Comanchen en den Zwarten Eland herkend.Zie hier, hoe het zich had toegedragen. Zoodra de dokter met den kapitein de grot binnengetreden was, had de Arendskop, overtuigd, dat hij de schuilplaats der roovers ontdekt had, zich wederom bij zijne vrienden gevoegd, om hun den goeden uitslag van zijne[191]krijgslist mede te deelen. Goedsmoeds werd naar Edelhart afgezonden, die zich dan ook haastte om te komen; allen besloten eenstemmig om de bandieten in hun hol aan te vallen, terwijl andere benden van jagers en Roodhuiden, in de prairie verspreid en in de rotsen verborgen, de toegangen der grot zouden bewaken en de roovers beletten om te ontsnappen. Wij hebben den afloop dezer onderneming gezien.Na het eerste oogenblik gansch en al aan de vreugde en aan de blijdschap gewijd te hebben, waarschuwde de generaal zijne bevrijders, dat een tiental bandieten nog in de grot lag te slapen, onder den invloed van den opium, dien de moedige dokter hun had toegediend. De roovers werden stevig gekneveld en medegenomen; vervolgens riep men de verschillende benden bijeen, en keerde men in allerijl naar het kamp terug.Groot was de verrassing van den kapitein bij den uitroep van Edelhart, maar deze verrassing ging over in schrik, toen hij den generaal, dien hijzoo welbewaakt dacht, zag te voorschijn komen. Hij begreep, dat al zijne maatregelen verijdeld, al zijne listen vruchteloos gemaakt waren, en dat hij ditmaal onherstelbaar verloren was.Het bloed steeg hem naar het hoofd, zijne oogen schoten bliksems, en zich tot Edelhart wendende, zeide hij met eene heesche stem:»Niet slecht! maar, bij God, alles is nog niet gedaan tusschen ons; ik zal mij wreken!”Hij maakte eene beweging, om zijn paard naar voren te brengen. Maar Edelhart greep het vastberaden bij den toom.»Wij hebben nog niet afgerekend,” zeide hij.De roover zag hem een oogenblik met vlammende oogen aan, terwijl hij met geweld zijn paard aanspoorde, ten einde den jager te dwingen het los te laten.»Wat wilt gij dan nog meer?” zeide hij.Edelhart bleef met ijzeren vuist het paard vasthouden, dat woedend schuimbekte.»Gij zijt veroordeeld,” antwoordde hij; »men gaat de wet der prairiën op u toepassen.”De roover liet een vreeselijk gebrul hooren, en zijne pistolen uit den gordel rukkende, riep hij:»Wee hem, die mij aanraakt! Laat mij door!”»Neen,” antwoordde de jager koelbloedig, »gij zijt in goede handen, vriendje; heden zult gij het niet ontkomen.”»Naar den duivel dan!” riep de roover uit, een zijner pistolen op Edelhart richtende.Maar snel als een gedachte wierp Goedsmoeds, die angstig al zijne bewegingen volgde, zich vóór zijn vriend met eene vlugheid, die de ernst van het oogenblik nog vertienvoudigde.Het schot ging af. De kogel trof den Canadees, die in zijn bloed badend nederviel.[192]»Een!” schreeuwde de roover met een woesten lach.»Twee!” brulde de Arendskop, en met een sprong als van een tijger zat hij boven op het paard van den roover.Eer de kapitein eene beweging maken kon, om zich te verdedigen, greep de Indiaan hem met de linkerhand bij zijn lange haren, en trok met kracht zijn hoofd achterover.»Vervloekt!” riep de roover, die zich te vergeefs van zijn vijand trachtte te ontslaan.Toen gebeurde er iets, dat al de omstanders rillen deed. Het paard, door Edelhart losgelaten, woedend over de ontvangene schokken en over het dubbel gewicht, dat hem was opgelegd, schoot, dol van toorn, vooruit, in zijne toomlooze vaart alles verbrijzelend en omverwerpend, wat hem den doorgang belette. Maar altijd sleepte hij, op zijn rug vastgeklemd, de beide mannen mede, die worstelend elkander trachtten te dooden, en, als twee slangen kronkelend, elkander dreigden te verstikken.De Arendskop had, gelijk wij zeiden, het hoofd van den roover achterover getrokken; hij zette hem de knie in de lenden, liet zijn afgrijselijken oorlogskreet hooren, en zwaaide met eene geduchte beweging zijn mes om het voorhoofd van zijn vijand.»Dood mij dan! ellendeling,” schreeuwde de roover, en met een forsche beweging, richtte hij zijne linkerhand, die nog met een pistool gewapend was, op, maar de kogel verloor zich in de ruimte.De hoofdman der Comanchen zag den kapitein strak aan.»Gij zijt een lafaard!” zeide hij met verachting, »en eenoude vrouw, die bang is voor den dood!”En terwijl hij den bandiet met zijn knie naar omlaag drukte, duwde hij hem het mes in den schedel. De kapitein slaakte een hartverscheurenden kreet, die zich vermengde met het gebrul en gejuich van den hoofdman. Het paard liep tegen een boom, en viel: de beide vijanden rolden op den grond. Slechts één van hen stond weder op.Dat was de Comanchen-hoofdman, die de bloedige scalp van den roover rondzwaaide.Dat was de Comanchen-hoofdman die de bloedige scalp van den roover rondzwaaide, blz. 192.Dat was de Comanchen-hoofdman die de bloedigescalpvan den roover rondzwaaide, blz. 192.Ouaktehno was echter nog niet dood.Dol van woede en toorn, verblind door het bloed, dat hem van het hoofd stroomde, stond hij op en wierp zich op zijn tegenpartij, die op zulk een aanval niet was voorbereid. Met de armen om elkander geslagen, trachtten zij elkander omver te werpen en de messen, waarmede zij gewapend waren, elkander in het lijf te stooten. Er sprongen verscheidene jagers toe, om hen te scheiden. Toen zij aankwamen, was alles gedaan. De kapitein lag op den grond, terwijl het mes van den Arendskop tot aan het heft in zijn hart was doorgedrongen.De roovers door de jagers en Indianen, die hen omringden, in bedwang gehouden, zagen van allen tegenstand af. Toen hij zijn kapitein had zien vallen, verklaarde Frank uit aller naam, dat zij zich[193]overgaven. Op een teeken, door Edelhart gegeven, wierpen zij de wapens weg, en werden zij gekneveld.Goedsmoeds, de dappere Canadees, wiens zelfopoffering zijn vriend het leven had gered, had een ernstige wond ontvangen, maar die gelukkig niet doodelijk was. Men had zich gehaast hem op te nemen en hem naar de grot te brengen, waar de moeder van den jager hem verbond.De Arendskop naderde Edelhart, die peinzend en somber tegen een boom aanleunde.»De hoofden zijn om het vuur van den raad vereenigd,” zeide hij; »zij wachten naar mijn broeder.”»Ik volg mijn broeder,” antwoordde de jager.Toen de beide mannen de hut binnentraden, waren al de hoofden reeds bijeen; onder hen bevonden zich de generaal, de Zwarte Eland, en eenige andere pelsjagers.De calumet werd door den pijpdrager midden in den kring gebracht: hij maakte een eerbiedige buiging naar de vier hoeken des hemels, en bood beurtelings aan iederen hoofdman het lange roer aan.Toen de calumet rondgegaan was wierp de pijpdrager de asch in het vuur, en verwijderde zich, eenige geheimzinnige woorden prevelend.Toen stond de Zon op, groette de leden van den raad, en zeide:»Hoofden en krijgslieden, luistert naar de woorden, die mijne borst blaast, en die de Meester des levens in mijn hart gelegd heeft. Wat denkt gij te doen met de twintig gevangenen die in uwe handen zijn? Zult gij hen loslaten, opdat zij hun leven van roof en moord voortzetten? opdat zij uwe vrouwen wegnemen, uwe paarden stelen, en uwe broeders dooden? Zult gij hen voeren naar de steenen dorpen van de groote blanke mannen van het Westen? De weg is lang, met gevaren bezaaid, door bergen en snelle stroomen afgewisseld; de gevangenen kunnen u gedurende deze reis ontvluchten, u in uwen slaap overvallen en u dooden. En dan, gij weet het, krijgslieden, aan de steenen dorpen aangekomen, zullen de lange messen hen loslaten; er is geen recht voor de roode mannen. Neen, krijgslieden, de meester des levens, die eindelijk deze woeste mannen in onze macht heeft overgeleverd, wil, dat zij sterven. Hij heeft aan hunne misdaden paal en perk gesteld. Als wij een jaguar of een grijzen beer op onzen weg ontmoeten, dan dooden wij hem; deze mannen zijn wreedaardiger dan de jaguars en de grijze beeren; zij zijn rekenschap verschuldigd van het door hen vergoten bloed: oog om oog, tand om tand. Dat zij dan aan den martelpaal gebonden worden. Ik werp eenturbô(halssnoer) van roode wampums in den raad. Heb ik wel gesproken, machtige mannen?”Na deze woorden ging de hoofdman wederom zitten. Er volgde een oogenblik van plechtige stilte. Het was duidelijk, dat al de omstanders het met hem eens waren.Edelhart wachtte eenige oogenblikken: hij zag dat niemand zich[194]gereed maakte, om op de rede van de Zon te antwoorden, toen stond hij op en nam het woord:»Hoofden en krijgslieden der Comanchen, en gij, blanke jagers, mijne broeders,” zeide hij met eene zachte en treurige stem, »de woorden van den eerwaardigen sachem zijn billijk; ongelukkig vordert de veiligheid der prairiën den dood der gevangenen. Dit uiterste is vreeselijk, maar wij zijn verplicht er ons aan te onderwerpen, zoo wij in vrede de vruchten van onzen ruwen arbeid plukken willen. Maar zoo wij ons al genoodzaakt zien, om de onveranderlijke wet der woestijn toe te passen, zoo laten we niet als barbaren te werk gaan, straffen wij omdat het moet, maar straffen wij als edele menschen, niet als wreedaards. Toonen wij aan deze bandieten, dat wij gerechtigheid uitoefenen, dat, zoo wij hen dooden, wij het niet doen om ons zelven, maar om de geheele maatschappij te wreken. Bovendien, hun hoofdman, de schuldigste onder hen, is gevallen onder de slagen van den Arendskop; laten wij edelmoedig zijn, zonder op te houden rechtvaardig te wezen. Laten wij aan hen de keuze van hunnen dood over. Geen nuttelooze foltering. De Meester des levens zal ons toelachen, hij zal tevreden zijn over zijne roode kinderen, en hun een goede jacht geven. Ik heb gezegd: heb ik wel gesproken, machtige mannen?”1De leden van den raad hadden aandachtig naar de woorden van den jongeling geluisterd. De opperhoofden hadden welwillend geglimlacht om de edele gevoelens die hij uitdrukte, want allen, Indianen zoowel als jagers, beminden en eerbiedigden hem.De Arendskop stond op.»Mijn broeder Edelhart heeft goed gesproken,” zeide hij; »zijne jaren zijn weinig in getal, maar zijne wijsheid is groot. Wij zijn blijde eene gelegenheid gevonden te hebben, om hem onze vriendschap te bewijzen; wij zullen die met geestdrift aangrijpen. Wij zullen doen, wat hij verlangt.”»Ik dank u,” antwoordde Edelhart aangedaan, »ik dank u, mijne broeders; de natie der Comanchen is eene groote en edele natie; ik heb haar lief; ik ben blijde door haar te zijn aangenomen.”De raad werd opgeheven; de hoofden verlieten de hut.De gevangenen, in een groep bijeen geplaatst, werden streng bewaakt door eene afdeeling krijgslieden.De roeper riep al de leden van den stam en de in het kamp verstrooide jagers te zamen.Toen allen vereenigd waren, nam de Arendskop het woord, en zich tot de roovers wendende, zeide hij:»Honden van bleekmuilen! de raad der hoofden van de machtige natie der Comanchen, wier uitgestrekte jachtgronden een groot deel[195]der aarde bedekken, heeft over uw lot beslist. Doel uw best om, na als wilde beesten geleefd te hebben, nu niet te sterven als oude en vreesachtige vrouwen; weest dapper, misschien zal dan de Meester des levens medelijden met u hebben en u na uwen dood opnemen in deeskennane, die heerlijke woonplaats, waar in de eeuwigheid de dapperen mogen jagen, die hier den dood in het aangezicht hebben gezien.”»Wij zijn gereed,” antwoordde Frank koelbloedig, »bind ons aan den paal, bedenk de gruwelijkste folteringen, gij zult ons niet zien verbleeken.”»Onze broeder Edelhart,” ging de hoofdman voort, »is voor u tusschen beiden getreden. Gij zult niet aan den paal gebonden worden, de hoofden laten aan u de keuze van uwen dood.”Toen openbaarde zich de karaktertrek der blanken, die langen tijd in de prairie gewoond en eindelijk de gewoonten hunner voorouders verzaakt hebben, om die der Indianen over te nemen.Het voorstel, door den Arendskop gedaan, prikkelde den hoogmoed der roovers.»Met welk recht,” riep Frank, »treedt Edelhart voor ons tusschen beide? Denkt hij dan, dat wij geen mannen zijn? dat folteringen in staat zullen zijn om ons ook maar éen angstkreet of ééne ons onwaardige klacht te ontrukken? Neen, neen! men brenge ons naar den martelpaal; welke pijn gij ons ook moogt aandoen, zij zal nooit zoo wreed zijn als die, welke wij aan de krijgslieden van uwe natie zouden doen ondergaan, als zij ons in handen vielen!”Bij deze hooghartige woorden voelden de Indianen hun toorn opwekken, terwijl de roovers vreugde- en zegekreten deden hooren.»Honden! Konijnen!” riepen zij, »de Comanchen zijnoude vrouwen, wij zullen hun rokken aandoen.”Edelhart trad naar voren. De stilte werd hersteld.»Gij hebt de woorden van den hoofdman verkeerd begrepen,” zeide hij; »als wij u de keuze van uwen dood laten, dan doen wij dat niet om u te beleedigen; het is een eerbewijs, dat men u geeft; hier is mijn dolk, men zal u losmaken, hij ga van hand tot hand, en hij doorbore achtereenvolgens uw aller borst! De man, die vrij, zonder aarzelen, zich met één slag doodt, is dapperder dan hij, die, aan den martelpaal gebonden en de pijn niet kunnende verdragen, zijn beul uitscheldt, ten einde des te eerder den genadeslag te ontvangen.”Met ontzaggelijke toejuiching werden deze woorden van den jager beantwoord.De roovers zagen elkander een oogenblik besluiteloos aan, maar toen, als op een gegeven kommando, maakten zij het teeken des kruises, en riepen als één man:»Wij nemen uw aanbod aan!”Die gansche menigte, een oogenblik te voren zoo bewegelijk en[196]druk, werd stil en kalm, onder den indruk van het vreeselijk treurspel, dat voor haar zou worden gespeeld.»Maakt de gevangenen los,” beval Edelhart.Dit bevel werd onmiddellijk ten uitvoer gebracht.»Uw dolk!” zeide Frank.De jager gaf hem dien.»Ik dank u en vaarwel,” zeide de roover met een vaste stem, en zijne kleederen openende, stak hij zich den dolk langzaam en glimlachend, als wilde hij den dood proeven, tot aan het heft in de borst.Een bleeke loodkleur overdekte zijn gelaat, zijne oogen rolden in hunne kassen, hij zag verward om zich heen, waggelde als een dronken mensch en tuimelde op den grond. Hij was dood.»Nu ik!” zeide de roover, die naast hem stond, en hem den dolk nog rookend uit de wonde rukkend, doorboorde hij er zich het hart mede.Hij viel op het lijk van den eerste.Na hem kwam een ander, toen weêr een ander, en zoo vervolgens; geen hunner aarzelde, geen hunner toonde eenige zwakheid; allen vielen glimlachend en dankten Edelhart voor den dood, dien zij aan hem verplicht waren.De omstanders waren als versteend over dit vreeselijk schouwspel; dronken als het ware door den reuk van het bloed, stonden zij daar met gloeiende blikken, en met hijgende borst, zonder hunne oogen van het afschuwelijk tooneel te kunnen afwenden.Weldra bleef er nog slechts één roover overig, deze staarde een oogenblik naar den lijkenstapel die voor hem lag, trok toen den dolk uit de borst van zijn voorganger, en zeide met een glimlach:»Men is wel gelukkig, als men in zulk een goed gezelschap mag sterven; maar, waar duivel gaat men heen na den dood? Foei! wat ben ik dom, weldra zal ik het immers weten?”En snel als eene gedachte had hij zich doorboord.Hij viel dood neder.Deze vreeselijke slachting had geen kwartier uurs geduurd!2Geen der roovers had tweemaal gestooten; allen hadden zich met één slag gedood.»Aan mij dien dolk!” zeide de Arendskop, terwijl hij hem rookend uit het lillende lijk van den laatsten bandiet te voorschijn haalde, »het is een goed wapen voor een krijgsman,” en hij hechtte hem koelbloedig aan zijn gordel, na hem in het gras te hebben afgewischt.De lijken der roovers werden gescalpeerd en buiten het kamp gebracht.Men liet ze liggen voor de gieren en valken, wien zij een overvloedig[197]voedsel verschaften, en die, door den reuk van het bloed aangetrokken, reeds boven hen ronddwarrelden, onder het uitstooten van akelige vreugdekreten.De geduchte bende van kapitein Ouaktehno was vernietigd.Ongelukkig waren er nog anderen in de prairiën.Na de terdoodbrenging traden de Indianen zorgeloos hunne hutten wederom binnen; voor hen was het slechts een van die tooneelen geweest, waaraan zij sedert langen tijd gewoon waren, en die het vermogen niet meer bezaten om hun zenuwgestel te vermurwen.De jagers integendeel, ondanks het ruwe leven, dat zij leidden, en niettegenstaande ook zij zeer gewoon zijn om het bloed van anderen te zien storten of zelven het te vergieten, verstrooiden zich, bedrukt en met beklemde harten over deze afschuwelijke slachting.Edelhart en de generaal begaven zich naar de grot.De dames, die zich steeds in het onderaardsch gewelf bevonden, wisten niets van het vreeselijk tooneel, dat er had plaats gehad, noch van het bloedig zoenoffer, dat zooeven aan de gerechtigheid der prairiën was gebracht.1Met deze formule eindigt elke redevoering bij de Indianen.↑2Dit geheele tooneel is geschiedkundig; de schrijver heeft een dergelijkestrafoefeninginApacheriabijgewoond.↑

[Inhoud]XIV.DE STRAF.De generaal en zijne twee lotgenooten waren niet lang in het onzekere gebleven. Het vlot was na lang aarzelen eindelijk aan land gekomen, en vijftien mannen wierpen zich met geveld geweer, onder het aanheffen van een luid geschreeuw in de grot. De vluchtelingen liepen verheugd op hen toe. Zij hadden aan het hoofd der aankomelingen Edelhart, het opperhoofd der Comanchen en den Zwarten Eland herkend.Zie hier, hoe het zich had toegedragen. Zoodra de dokter met den kapitein de grot binnengetreden was, had de Arendskop, overtuigd, dat hij de schuilplaats der roovers ontdekt had, zich wederom bij zijne vrienden gevoegd, om hun den goeden uitslag van zijne[191]krijgslist mede te deelen. Goedsmoeds werd naar Edelhart afgezonden, die zich dan ook haastte om te komen; allen besloten eenstemmig om de bandieten in hun hol aan te vallen, terwijl andere benden van jagers en Roodhuiden, in de prairie verspreid en in de rotsen verborgen, de toegangen der grot zouden bewaken en de roovers beletten om te ontsnappen. Wij hebben den afloop dezer onderneming gezien.Na het eerste oogenblik gansch en al aan de vreugde en aan de blijdschap gewijd te hebben, waarschuwde de generaal zijne bevrijders, dat een tiental bandieten nog in de grot lag te slapen, onder den invloed van den opium, dien de moedige dokter hun had toegediend. De roovers werden stevig gekneveld en medegenomen; vervolgens riep men de verschillende benden bijeen, en keerde men in allerijl naar het kamp terug.Groot was de verrassing van den kapitein bij den uitroep van Edelhart, maar deze verrassing ging over in schrik, toen hij den generaal, dien hijzoo welbewaakt dacht, zag te voorschijn komen. Hij begreep, dat al zijne maatregelen verijdeld, al zijne listen vruchteloos gemaakt waren, en dat hij ditmaal onherstelbaar verloren was.Het bloed steeg hem naar het hoofd, zijne oogen schoten bliksems, en zich tot Edelhart wendende, zeide hij met eene heesche stem:»Niet slecht! maar, bij God, alles is nog niet gedaan tusschen ons; ik zal mij wreken!”Hij maakte eene beweging, om zijn paard naar voren te brengen. Maar Edelhart greep het vastberaden bij den toom.»Wij hebben nog niet afgerekend,” zeide hij.De roover zag hem een oogenblik met vlammende oogen aan, terwijl hij met geweld zijn paard aanspoorde, ten einde den jager te dwingen het los te laten.»Wat wilt gij dan nog meer?” zeide hij.Edelhart bleef met ijzeren vuist het paard vasthouden, dat woedend schuimbekte.»Gij zijt veroordeeld,” antwoordde hij; »men gaat de wet der prairiën op u toepassen.”De roover liet een vreeselijk gebrul hooren, en zijne pistolen uit den gordel rukkende, riep hij:»Wee hem, die mij aanraakt! Laat mij door!”»Neen,” antwoordde de jager koelbloedig, »gij zijt in goede handen, vriendje; heden zult gij het niet ontkomen.”»Naar den duivel dan!” riep de roover uit, een zijner pistolen op Edelhart richtende.Maar snel als een gedachte wierp Goedsmoeds, die angstig al zijne bewegingen volgde, zich vóór zijn vriend met eene vlugheid, die de ernst van het oogenblik nog vertienvoudigde.Het schot ging af. De kogel trof den Canadees, die in zijn bloed badend nederviel.[192]»Een!” schreeuwde de roover met een woesten lach.»Twee!” brulde de Arendskop, en met een sprong als van een tijger zat hij boven op het paard van den roover.Eer de kapitein eene beweging maken kon, om zich te verdedigen, greep de Indiaan hem met de linkerhand bij zijn lange haren, en trok met kracht zijn hoofd achterover.»Vervloekt!” riep de roover, die zich te vergeefs van zijn vijand trachtte te ontslaan.Toen gebeurde er iets, dat al de omstanders rillen deed. Het paard, door Edelhart losgelaten, woedend over de ontvangene schokken en over het dubbel gewicht, dat hem was opgelegd, schoot, dol van toorn, vooruit, in zijne toomlooze vaart alles verbrijzelend en omverwerpend, wat hem den doorgang belette. Maar altijd sleepte hij, op zijn rug vastgeklemd, de beide mannen mede, die worstelend elkander trachtten te dooden, en, als twee slangen kronkelend, elkander dreigden te verstikken.De Arendskop had, gelijk wij zeiden, het hoofd van den roover achterover getrokken; hij zette hem de knie in de lenden, liet zijn afgrijselijken oorlogskreet hooren, en zwaaide met eene geduchte beweging zijn mes om het voorhoofd van zijn vijand.»Dood mij dan! ellendeling,” schreeuwde de roover, en met een forsche beweging, richtte hij zijne linkerhand, die nog met een pistool gewapend was, op, maar de kogel verloor zich in de ruimte.De hoofdman der Comanchen zag den kapitein strak aan.»Gij zijt een lafaard!” zeide hij met verachting, »en eenoude vrouw, die bang is voor den dood!”En terwijl hij den bandiet met zijn knie naar omlaag drukte, duwde hij hem het mes in den schedel. De kapitein slaakte een hartverscheurenden kreet, die zich vermengde met het gebrul en gejuich van den hoofdman. Het paard liep tegen een boom, en viel: de beide vijanden rolden op den grond. Slechts één van hen stond weder op.Dat was de Comanchen-hoofdman, die de bloedige scalp van den roover rondzwaaide.Dat was de Comanchen-hoofdman die de bloedige scalp van den roover rondzwaaide, blz. 192.Dat was de Comanchen-hoofdman die de bloedigescalpvan den roover rondzwaaide, blz. 192.Ouaktehno was echter nog niet dood.Dol van woede en toorn, verblind door het bloed, dat hem van het hoofd stroomde, stond hij op en wierp zich op zijn tegenpartij, die op zulk een aanval niet was voorbereid. Met de armen om elkander geslagen, trachtten zij elkander omver te werpen en de messen, waarmede zij gewapend waren, elkander in het lijf te stooten. Er sprongen verscheidene jagers toe, om hen te scheiden. Toen zij aankwamen, was alles gedaan. De kapitein lag op den grond, terwijl het mes van den Arendskop tot aan het heft in zijn hart was doorgedrongen.De roovers door de jagers en Indianen, die hen omringden, in bedwang gehouden, zagen van allen tegenstand af. Toen hij zijn kapitein had zien vallen, verklaarde Frank uit aller naam, dat zij zich[193]overgaven. Op een teeken, door Edelhart gegeven, wierpen zij de wapens weg, en werden zij gekneveld.Goedsmoeds, de dappere Canadees, wiens zelfopoffering zijn vriend het leven had gered, had een ernstige wond ontvangen, maar die gelukkig niet doodelijk was. Men had zich gehaast hem op te nemen en hem naar de grot te brengen, waar de moeder van den jager hem verbond.De Arendskop naderde Edelhart, die peinzend en somber tegen een boom aanleunde.»De hoofden zijn om het vuur van den raad vereenigd,” zeide hij; »zij wachten naar mijn broeder.”»Ik volg mijn broeder,” antwoordde de jager.Toen de beide mannen de hut binnentraden, waren al de hoofden reeds bijeen; onder hen bevonden zich de generaal, de Zwarte Eland, en eenige andere pelsjagers.De calumet werd door den pijpdrager midden in den kring gebracht: hij maakte een eerbiedige buiging naar de vier hoeken des hemels, en bood beurtelings aan iederen hoofdman het lange roer aan.Toen de calumet rondgegaan was wierp de pijpdrager de asch in het vuur, en verwijderde zich, eenige geheimzinnige woorden prevelend.Toen stond de Zon op, groette de leden van den raad, en zeide:»Hoofden en krijgslieden, luistert naar de woorden, die mijne borst blaast, en die de Meester des levens in mijn hart gelegd heeft. Wat denkt gij te doen met de twintig gevangenen die in uwe handen zijn? Zult gij hen loslaten, opdat zij hun leven van roof en moord voortzetten? opdat zij uwe vrouwen wegnemen, uwe paarden stelen, en uwe broeders dooden? Zult gij hen voeren naar de steenen dorpen van de groote blanke mannen van het Westen? De weg is lang, met gevaren bezaaid, door bergen en snelle stroomen afgewisseld; de gevangenen kunnen u gedurende deze reis ontvluchten, u in uwen slaap overvallen en u dooden. En dan, gij weet het, krijgslieden, aan de steenen dorpen aangekomen, zullen de lange messen hen loslaten; er is geen recht voor de roode mannen. Neen, krijgslieden, de meester des levens, die eindelijk deze woeste mannen in onze macht heeft overgeleverd, wil, dat zij sterven. Hij heeft aan hunne misdaden paal en perk gesteld. Als wij een jaguar of een grijzen beer op onzen weg ontmoeten, dan dooden wij hem; deze mannen zijn wreedaardiger dan de jaguars en de grijze beeren; zij zijn rekenschap verschuldigd van het door hen vergoten bloed: oog om oog, tand om tand. Dat zij dan aan den martelpaal gebonden worden. Ik werp eenturbô(halssnoer) van roode wampums in den raad. Heb ik wel gesproken, machtige mannen?”Na deze woorden ging de hoofdman wederom zitten. Er volgde een oogenblik van plechtige stilte. Het was duidelijk, dat al de omstanders het met hem eens waren.Edelhart wachtte eenige oogenblikken: hij zag dat niemand zich[194]gereed maakte, om op de rede van de Zon te antwoorden, toen stond hij op en nam het woord:»Hoofden en krijgslieden der Comanchen, en gij, blanke jagers, mijne broeders,” zeide hij met eene zachte en treurige stem, »de woorden van den eerwaardigen sachem zijn billijk; ongelukkig vordert de veiligheid der prairiën den dood der gevangenen. Dit uiterste is vreeselijk, maar wij zijn verplicht er ons aan te onderwerpen, zoo wij in vrede de vruchten van onzen ruwen arbeid plukken willen. Maar zoo wij ons al genoodzaakt zien, om de onveranderlijke wet der woestijn toe te passen, zoo laten we niet als barbaren te werk gaan, straffen wij omdat het moet, maar straffen wij als edele menschen, niet als wreedaards. Toonen wij aan deze bandieten, dat wij gerechtigheid uitoefenen, dat, zoo wij hen dooden, wij het niet doen om ons zelven, maar om de geheele maatschappij te wreken. Bovendien, hun hoofdman, de schuldigste onder hen, is gevallen onder de slagen van den Arendskop; laten wij edelmoedig zijn, zonder op te houden rechtvaardig te wezen. Laten wij aan hen de keuze van hunnen dood over. Geen nuttelooze foltering. De Meester des levens zal ons toelachen, hij zal tevreden zijn over zijne roode kinderen, en hun een goede jacht geven. Ik heb gezegd: heb ik wel gesproken, machtige mannen?”1De leden van den raad hadden aandachtig naar de woorden van den jongeling geluisterd. De opperhoofden hadden welwillend geglimlacht om de edele gevoelens die hij uitdrukte, want allen, Indianen zoowel als jagers, beminden en eerbiedigden hem.De Arendskop stond op.»Mijn broeder Edelhart heeft goed gesproken,” zeide hij; »zijne jaren zijn weinig in getal, maar zijne wijsheid is groot. Wij zijn blijde eene gelegenheid gevonden te hebben, om hem onze vriendschap te bewijzen; wij zullen die met geestdrift aangrijpen. Wij zullen doen, wat hij verlangt.”»Ik dank u,” antwoordde Edelhart aangedaan, »ik dank u, mijne broeders; de natie der Comanchen is eene groote en edele natie; ik heb haar lief; ik ben blijde door haar te zijn aangenomen.”De raad werd opgeheven; de hoofden verlieten de hut.De gevangenen, in een groep bijeen geplaatst, werden streng bewaakt door eene afdeeling krijgslieden.De roeper riep al de leden van den stam en de in het kamp verstrooide jagers te zamen.Toen allen vereenigd waren, nam de Arendskop het woord, en zich tot de roovers wendende, zeide hij:»Honden van bleekmuilen! de raad der hoofden van de machtige natie der Comanchen, wier uitgestrekte jachtgronden een groot deel[195]der aarde bedekken, heeft over uw lot beslist. Doel uw best om, na als wilde beesten geleefd te hebben, nu niet te sterven als oude en vreesachtige vrouwen; weest dapper, misschien zal dan de Meester des levens medelijden met u hebben en u na uwen dood opnemen in deeskennane, die heerlijke woonplaats, waar in de eeuwigheid de dapperen mogen jagen, die hier den dood in het aangezicht hebben gezien.”»Wij zijn gereed,” antwoordde Frank koelbloedig, »bind ons aan den paal, bedenk de gruwelijkste folteringen, gij zult ons niet zien verbleeken.”»Onze broeder Edelhart,” ging de hoofdman voort, »is voor u tusschen beiden getreden. Gij zult niet aan den paal gebonden worden, de hoofden laten aan u de keuze van uwen dood.”Toen openbaarde zich de karaktertrek der blanken, die langen tijd in de prairie gewoond en eindelijk de gewoonten hunner voorouders verzaakt hebben, om die der Indianen over te nemen.Het voorstel, door den Arendskop gedaan, prikkelde den hoogmoed der roovers.»Met welk recht,” riep Frank, »treedt Edelhart voor ons tusschen beide? Denkt hij dan, dat wij geen mannen zijn? dat folteringen in staat zullen zijn om ons ook maar éen angstkreet of ééne ons onwaardige klacht te ontrukken? Neen, neen! men brenge ons naar den martelpaal; welke pijn gij ons ook moogt aandoen, zij zal nooit zoo wreed zijn als die, welke wij aan de krijgslieden van uwe natie zouden doen ondergaan, als zij ons in handen vielen!”Bij deze hooghartige woorden voelden de Indianen hun toorn opwekken, terwijl de roovers vreugde- en zegekreten deden hooren.»Honden! Konijnen!” riepen zij, »de Comanchen zijnoude vrouwen, wij zullen hun rokken aandoen.”Edelhart trad naar voren. De stilte werd hersteld.»Gij hebt de woorden van den hoofdman verkeerd begrepen,” zeide hij; »als wij u de keuze van uwen dood laten, dan doen wij dat niet om u te beleedigen; het is een eerbewijs, dat men u geeft; hier is mijn dolk, men zal u losmaken, hij ga van hand tot hand, en hij doorbore achtereenvolgens uw aller borst! De man, die vrij, zonder aarzelen, zich met één slag doodt, is dapperder dan hij, die, aan den martelpaal gebonden en de pijn niet kunnende verdragen, zijn beul uitscheldt, ten einde des te eerder den genadeslag te ontvangen.”Met ontzaggelijke toejuiching werden deze woorden van den jager beantwoord.De roovers zagen elkander een oogenblik besluiteloos aan, maar toen, als op een gegeven kommando, maakten zij het teeken des kruises, en riepen als één man:»Wij nemen uw aanbod aan!”Die gansche menigte, een oogenblik te voren zoo bewegelijk en[196]druk, werd stil en kalm, onder den indruk van het vreeselijk treurspel, dat voor haar zou worden gespeeld.»Maakt de gevangenen los,” beval Edelhart.Dit bevel werd onmiddellijk ten uitvoer gebracht.»Uw dolk!” zeide Frank.De jager gaf hem dien.»Ik dank u en vaarwel,” zeide de roover met een vaste stem, en zijne kleederen openende, stak hij zich den dolk langzaam en glimlachend, als wilde hij den dood proeven, tot aan het heft in de borst.Een bleeke loodkleur overdekte zijn gelaat, zijne oogen rolden in hunne kassen, hij zag verward om zich heen, waggelde als een dronken mensch en tuimelde op den grond. Hij was dood.»Nu ik!” zeide de roover, die naast hem stond, en hem den dolk nog rookend uit de wonde rukkend, doorboorde hij er zich het hart mede.Hij viel op het lijk van den eerste.Na hem kwam een ander, toen weêr een ander, en zoo vervolgens; geen hunner aarzelde, geen hunner toonde eenige zwakheid; allen vielen glimlachend en dankten Edelhart voor den dood, dien zij aan hem verplicht waren.De omstanders waren als versteend over dit vreeselijk schouwspel; dronken als het ware door den reuk van het bloed, stonden zij daar met gloeiende blikken, en met hijgende borst, zonder hunne oogen van het afschuwelijk tooneel te kunnen afwenden.Weldra bleef er nog slechts één roover overig, deze staarde een oogenblik naar den lijkenstapel die voor hem lag, trok toen den dolk uit de borst van zijn voorganger, en zeide met een glimlach:»Men is wel gelukkig, als men in zulk een goed gezelschap mag sterven; maar, waar duivel gaat men heen na den dood? Foei! wat ben ik dom, weldra zal ik het immers weten?”En snel als eene gedachte had hij zich doorboord.Hij viel dood neder.Deze vreeselijke slachting had geen kwartier uurs geduurd!2Geen der roovers had tweemaal gestooten; allen hadden zich met één slag gedood.»Aan mij dien dolk!” zeide de Arendskop, terwijl hij hem rookend uit het lillende lijk van den laatsten bandiet te voorschijn haalde, »het is een goed wapen voor een krijgsman,” en hij hechtte hem koelbloedig aan zijn gordel, na hem in het gras te hebben afgewischt.De lijken der roovers werden gescalpeerd en buiten het kamp gebracht.Men liet ze liggen voor de gieren en valken, wien zij een overvloedig[197]voedsel verschaften, en die, door den reuk van het bloed aangetrokken, reeds boven hen ronddwarrelden, onder het uitstooten van akelige vreugdekreten.De geduchte bende van kapitein Ouaktehno was vernietigd.Ongelukkig waren er nog anderen in de prairiën.Na de terdoodbrenging traden de Indianen zorgeloos hunne hutten wederom binnen; voor hen was het slechts een van die tooneelen geweest, waaraan zij sedert langen tijd gewoon waren, en die het vermogen niet meer bezaten om hun zenuwgestel te vermurwen.De jagers integendeel, ondanks het ruwe leven, dat zij leidden, en niettegenstaande ook zij zeer gewoon zijn om het bloed van anderen te zien storten of zelven het te vergieten, verstrooiden zich, bedrukt en met beklemde harten over deze afschuwelijke slachting.Edelhart en de generaal begaven zich naar de grot.De dames, die zich steeds in het onderaardsch gewelf bevonden, wisten niets van het vreeselijk tooneel, dat er had plaats gehad, noch van het bloedig zoenoffer, dat zooeven aan de gerechtigheid der prairiën was gebracht.1Met deze formule eindigt elke redevoering bij de Indianen.↑2Dit geheele tooneel is geschiedkundig; de schrijver heeft een dergelijkestrafoefeninginApacheriabijgewoond.↑

[Inhoud]XIV.DE STRAF.De generaal en zijne twee lotgenooten waren niet lang in het onzekere gebleven. Het vlot was na lang aarzelen eindelijk aan land gekomen, en vijftien mannen wierpen zich met geveld geweer, onder het aanheffen van een luid geschreeuw in de grot. De vluchtelingen liepen verheugd op hen toe. Zij hadden aan het hoofd der aankomelingen Edelhart, het opperhoofd der Comanchen en den Zwarten Eland herkend.Zie hier, hoe het zich had toegedragen. Zoodra de dokter met den kapitein de grot binnengetreden was, had de Arendskop, overtuigd, dat hij de schuilplaats der roovers ontdekt had, zich wederom bij zijne vrienden gevoegd, om hun den goeden uitslag van zijne[191]krijgslist mede te deelen. Goedsmoeds werd naar Edelhart afgezonden, die zich dan ook haastte om te komen; allen besloten eenstemmig om de bandieten in hun hol aan te vallen, terwijl andere benden van jagers en Roodhuiden, in de prairie verspreid en in de rotsen verborgen, de toegangen der grot zouden bewaken en de roovers beletten om te ontsnappen. Wij hebben den afloop dezer onderneming gezien.Na het eerste oogenblik gansch en al aan de vreugde en aan de blijdschap gewijd te hebben, waarschuwde de generaal zijne bevrijders, dat een tiental bandieten nog in de grot lag te slapen, onder den invloed van den opium, dien de moedige dokter hun had toegediend. De roovers werden stevig gekneveld en medegenomen; vervolgens riep men de verschillende benden bijeen, en keerde men in allerijl naar het kamp terug.Groot was de verrassing van den kapitein bij den uitroep van Edelhart, maar deze verrassing ging over in schrik, toen hij den generaal, dien hijzoo welbewaakt dacht, zag te voorschijn komen. Hij begreep, dat al zijne maatregelen verijdeld, al zijne listen vruchteloos gemaakt waren, en dat hij ditmaal onherstelbaar verloren was.Het bloed steeg hem naar het hoofd, zijne oogen schoten bliksems, en zich tot Edelhart wendende, zeide hij met eene heesche stem:»Niet slecht! maar, bij God, alles is nog niet gedaan tusschen ons; ik zal mij wreken!”Hij maakte eene beweging, om zijn paard naar voren te brengen. Maar Edelhart greep het vastberaden bij den toom.»Wij hebben nog niet afgerekend,” zeide hij.De roover zag hem een oogenblik met vlammende oogen aan, terwijl hij met geweld zijn paard aanspoorde, ten einde den jager te dwingen het los te laten.»Wat wilt gij dan nog meer?” zeide hij.Edelhart bleef met ijzeren vuist het paard vasthouden, dat woedend schuimbekte.»Gij zijt veroordeeld,” antwoordde hij; »men gaat de wet der prairiën op u toepassen.”De roover liet een vreeselijk gebrul hooren, en zijne pistolen uit den gordel rukkende, riep hij:»Wee hem, die mij aanraakt! Laat mij door!”»Neen,” antwoordde de jager koelbloedig, »gij zijt in goede handen, vriendje; heden zult gij het niet ontkomen.”»Naar den duivel dan!” riep de roover uit, een zijner pistolen op Edelhart richtende.Maar snel als een gedachte wierp Goedsmoeds, die angstig al zijne bewegingen volgde, zich vóór zijn vriend met eene vlugheid, die de ernst van het oogenblik nog vertienvoudigde.Het schot ging af. De kogel trof den Canadees, die in zijn bloed badend nederviel.[192]»Een!” schreeuwde de roover met een woesten lach.»Twee!” brulde de Arendskop, en met een sprong als van een tijger zat hij boven op het paard van den roover.Eer de kapitein eene beweging maken kon, om zich te verdedigen, greep de Indiaan hem met de linkerhand bij zijn lange haren, en trok met kracht zijn hoofd achterover.»Vervloekt!” riep de roover, die zich te vergeefs van zijn vijand trachtte te ontslaan.Toen gebeurde er iets, dat al de omstanders rillen deed. Het paard, door Edelhart losgelaten, woedend over de ontvangene schokken en over het dubbel gewicht, dat hem was opgelegd, schoot, dol van toorn, vooruit, in zijne toomlooze vaart alles verbrijzelend en omverwerpend, wat hem den doorgang belette. Maar altijd sleepte hij, op zijn rug vastgeklemd, de beide mannen mede, die worstelend elkander trachtten te dooden, en, als twee slangen kronkelend, elkander dreigden te verstikken.De Arendskop had, gelijk wij zeiden, het hoofd van den roover achterover getrokken; hij zette hem de knie in de lenden, liet zijn afgrijselijken oorlogskreet hooren, en zwaaide met eene geduchte beweging zijn mes om het voorhoofd van zijn vijand.»Dood mij dan! ellendeling,” schreeuwde de roover, en met een forsche beweging, richtte hij zijne linkerhand, die nog met een pistool gewapend was, op, maar de kogel verloor zich in de ruimte.De hoofdman der Comanchen zag den kapitein strak aan.»Gij zijt een lafaard!” zeide hij met verachting, »en eenoude vrouw, die bang is voor den dood!”En terwijl hij den bandiet met zijn knie naar omlaag drukte, duwde hij hem het mes in den schedel. De kapitein slaakte een hartverscheurenden kreet, die zich vermengde met het gebrul en gejuich van den hoofdman. Het paard liep tegen een boom, en viel: de beide vijanden rolden op den grond. Slechts één van hen stond weder op.Dat was de Comanchen-hoofdman, die de bloedige scalp van den roover rondzwaaide.Dat was de Comanchen-hoofdman die de bloedige scalp van den roover rondzwaaide, blz. 192.Dat was de Comanchen-hoofdman die de bloedigescalpvan den roover rondzwaaide, blz. 192.Ouaktehno was echter nog niet dood.Dol van woede en toorn, verblind door het bloed, dat hem van het hoofd stroomde, stond hij op en wierp zich op zijn tegenpartij, die op zulk een aanval niet was voorbereid. Met de armen om elkander geslagen, trachtten zij elkander omver te werpen en de messen, waarmede zij gewapend waren, elkander in het lijf te stooten. Er sprongen verscheidene jagers toe, om hen te scheiden. Toen zij aankwamen, was alles gedaan. De kapitein lag op den grond, terwijl het mes van den Arendskop tot aan het heft in zijn hart was doorgedrongen.De roovers door de jagers en Indianen, die hen omringden, in bedwang gehouden, zagen van allen tegenstand af. Toen hij zijn kapitein had zien vallen, verklaarde Frank uit aller naam, dat zij zich[193]overgaven. Op een teeken, door Edelhart gegeven, wierpen zij de wapens weg, en werden zij gekneveld.Goedsmoeds, de dappere Canadees, wiens zelfopoffering zijn vriend het leven had gered, had een ernstige wond ontvangen, maar die gelukkig niet doodelijk was. Men had zich gehaast hem op te nemen en hem naar de grot te brengen, waar de moeder van den jager hem verbond.De Arendskop naderde Edelhart, die peinzend en somber tegen een boom aanleunde.»De hoofden zijn om het vuur van den raad vereenigd,” zeide hij; »zij wachten naar mijn broeder.”»Ik volg mijn broeder,” antwoordde de jager.Toen de beide mannen de hut binnentraden, waren al de hoofden reeds bijeen; onder hen bevonden zich de generaal, de Zwarte Eland, en eenige andere pelsjagers.De calumet werd door den pijpdrager midden in den kring gebracht: hij maakte een eerbiedige buiging naar de vier hoeken des hemels, en bood beurtelings aan iederen hoofdman het lange roer aan.Toen de calumet rondgegaan was wierp de pijpdrager de asch in het vuur, en verwijderde zich, eenige geheimzinnige woorden prevelend.Toen stond de Zon op, groette de leden van den raad, en zeide:»Hoofden en krijgslieden, luistert naar de woorden, die mijne borst blaast, en die de Meester des levens in mijn hart gelegd heeft. Wat denkt gij te doen met de twintig gevangenen die in uwe handen zijn? Zult gij hen loslaten, opdat zij hun leven van roof en moord voortzetten? opdat zij uwe vrouwen wegnemen, uwe paarden stelen, en uwe broeders dooden? Zult gij hen voeren naar de steenen dorpen van de groote blanke mannen van het Westen? De weg is lang, met gevaren bezaaid, door bergen en snelle stroomen afgewisseld; de gevangenen kunnen u gedurende deze reis ontvluchten, u in uwen slaap overvallen en u dooden. En dan, gij weet het, krijgslieden, aan de steenen dorpen aangekomen, zullen de lange messen hen loslaten; er is geen recht voor de roode mannen. Neen, krijgslieden, de meester des levens, die eindelijk deze woeste mannen in onze macht heeft overgeleverd, wil, dat zij sterven. Hij heeft aan hunne misdaden paal en perk gesteld. Als wij een jaguar of een grijzen beer op onzen weg ontmoeten, dan dooden wij hem; deze mannen zijn wreedaardiger dan de jaguars en de grijze beeren; zij zijn rekenschap verschuldigd van het door hen vergoten bloed: oog om oog, tand om tand. Dat zij dan aan den martelpaal gebonden worden. Ik werp eenturbô(halssnoer) van roode wampums in den raad. Heb ik wel gesproken, machtige mannen?”Na deze woorden ging de hoofdman wederom zitten. Er volgde een oogenblik van plechtige stilte. Het was duidelijk, dat al de omstanders het met hem eens waren.Edelhart wachtte eenige oogenblikken: hij zag dat niemand zich[194]gereed maakte, om op de rede van de Zon te antwoorden, toen stond hij op en nam het woord:»Hoofden en krijgslieden der Comanchen, en gij, blanke jagers, mijne broeders,” zeide hij met eene zachte en treurige stem, »de woorden van den eerwaardigen sachem zijn billijk; ongelukkig vordert de veiligheid der prairiën den dood der gevangenen. Dit uiterste is vreeselijk, maar wij zijn verplicht er ons aan te onderwerpen, zoo wij in vrede de vruchten van onzen ruwen arbeid plukken willen. Maar zoo wij ons al genoodzaakt zien, om de onveranderlijke wet der woestijn toe te passen, zoo laten we niet als barbaren te werk gaan, straffen wij omdat het moet, maar straffen wij als edele menschen, niet als wreedaards. Toonen wij aan deze bandieten, dat wij gerechtigheid uitoefenen, dat, zoo wij hen dooden, wij het niet doen om ons zelven, maar om de geheele maatschappij te wreken. Bovendien, hun hoofdman, de schuldigste onder hen, is gevallen onder de slagen van den Arendskop; laten wij edelmoedig zijn, zonder op te houden rechtvaardig te wezen. Laten wij aan hen de keuze van hunnen dood over. Geen nuttelooze foltering. De Meester des levens zal ons toelachen, hij zal tevreden zijn over zijne roode kinderen, en hun een goede jacht geven. Ik heb gezegd: heb ik wel gesproken, machtige mannen?”1De leden van den raad hadden aandachtig naar de woorden van den jongeling geluisterd. De opperhoofden hadden welwillend geglimlacht om de edele gevoelens die hij uitdrukte, want allen, Indianen zoowel als jagers, beminden en eerbiedigden hem.De Arendskop stond op.»Mijn broeder Edelhart heeft goed gesproken,” zeide hij; »zijne jaren zijn weinig in getal, maar zijne wijsheid is groot. Wij zijn blijde eene gelegenheid gevonden te hebben, om hem onze vriendschap te bewijzen; wij zullen die met geestdrift aangrijpen. Wij zullen doen, wat hij verlangt.”»Ik dank u,” antwoordde Edelhart aangedaan, »ik dank u, mijne broeders; de natie der Comanchen is eene groote en edele natie; ik heb haar lief; ik ben blijde door haar te zijn aangenomen.”De raad werd opgeheven; de hoofden verlieten de hut.De gevangenen, in een groep bijeen geplaatst, werden streng bewaakt door eene afdeeling krijgslieden.De roeper riep al de leden van den stam en de in het kamp verstrooide jagers te zamen.Toen allen vereenigd waren, nam de Arendskop het woord, en zich tot de roovers wendende, zeide hij:»Honden van bleekmuilen! de raad der hoofden van de machtige natie der Comanchen, wier uitgestrekte jachtgronden een groot deel[195]der aarde bedekken, heeft over uw lot beslist. Doel uw best om, na als wilde beesten geleefd te hebben, nu niet te sterven als oude en vreesachtige vrouwen; weest dapper, misschien zal dan de Meester des levens medelijden met u hebben en u na uwen dood opnemen in deeskennane, die heerlijke woonplaats, waar in de eeuwigheid de dapperen mogen jagen, die hier den dood in het aangezicht hebben gezien.”»Wij zijn gereed,” antwoordde Frank koelbloedig, »bind ons aan den paal, bedenk de gruwelijkste folteringen, gij zult ons niet zien verbleeken.”»Onze broeder Edelhart,” ging de hoofdman voort, »is voor u tusschen beiden getreden. Gij zult niet aan den paal gebonden worden, de hoofden laten aan u de keuze van uwen dood.”Toen openbaarde zich de karaktertrek der blanken, die langen tijd in de prairie gewoond en eindelijk de gewoonten hunner voorouders verzaakt hebben, om die der Indianen over te nemen.Het voorstel, door den Arendskop gedaan, prikkelde den hoogmoed der roovers.»Met welk recht,” riep Frank, »treedt Edelhart voor ons tusschen beide? Denkt hij dan, dat wij geen mannen zijn? dat folteringen in staat zullen zijn om ons ook maar éen angstkreet of ééne ons onwaardige klacht te ontrukken? Neen, neen! men brenge ons naar den martelpaal; welke pijn gij ons ook moogt aandoen, zij zal nooit zoo wreed zijn als die, welke wij aan de krijgslieden van uwe natie zouden doen ondergaan, als zij ons in handen vielen!”Bij deze hooghartige woorden voelden de Indianen hun toorn opwekken, terwijl de roovers vreugde- en zegekreten deden hooren.»Honden! Konijnen!” riepen zij, »de Comanchen zijnoude vrouwen, wij zullen hun rokken aandoen.”Edelhart trad naar voren. De stilte werd hersteld.»Gij hebt de woorden van den hoofdman verkeerd begrepen,” zeide hij; »als wij u de keuze van uwen dood laten, dan doen wij dat niet om u te beleedigen; het is een eerbewijs, dat men u geeft; hier is mijn dolk, men zal u losmaken, hij ga van hand tot hand, en hij doorbore achtereenvolgens uw aller borst! De man, die vrij, zonder aarzelen, zich met één slag doodt, is dapperder dan hij, die, aan den martelpaal gebonden en de pijn niet kunnende verdragen, zijn beul uitscheldt, ten einde des te eerder den genadeslag te ontvangen.”Met ontzaggelijke toejuiching werden deze woorden van den jager beantwoord.De roovers zagen elkander een oogenblik besluiteloos aan, maar toen, als op een gegeven kommando, maakten zij het teeken des kruises, en riepen als één man:»Wij nemen uw aanbod aan!”Die gansche menigte, een oogenblik te voren zoo bewegelijk en[196]druk, werd stil en kalm, onder den indruk van het vreeselijk treurspel, dat voor haar zou worden gespeeld.»Maakt de gevangenen los,” beval Edelhart.Dit bevel werd onmiddellijk ten uitvoer gebracht.»Uw dolk!” zeide Frank.De jager gaf hem dien.»Ik dank u en vaarwel,” zeide de roover met een vaste stem, en zijne kleederen openende, stak hij zich den dolk langzaam en glimlachend, als wilde hij den dood proeven, tot aan het heft in de borst.Een bleeke loodkleur overdekte zijn gelaat, zijne oogen rolden in hunne kassen, hij zag verward om zich heen, waggelde als een dronken mensch en tuimelde op den grond. Hij was dood.»Nu ik!” zeide de roover, die naast hem stond, en hem den dolk nog rookend uit de wonde rukkend, doorboorde hij er zich het hart mede.Hij viel op het lijk van den eerste.Na hem kwam een ander, toen weêr een ander, en zoo vervolgens; geen hunner aarzelde, geen hunner toonde eenige zwakheid; allen vielen glimlachend en dankten Edelhart voor den dood, dien zij aan hem verplicht waren.De omstanders waren als versteend over dit vreeselijk schouwspel; dronken als het ware door den reuk van het bloed, stonden zij daar met gloeiende blikken, en met hijgende borst, zonder hunne oogen van het afschuwelijk tooneel te kunnen afwenden.Weldra bleef er nog slechts één roover overig, deze staarde een oogenblik naar den lijkenstapel die voor hem lag, trok toen den dolk uit de borst van zijn voorganger, en zeide met een glimlach:»Men is wel gelukkig, als men in zulk een goed gezelschap mag sterven; maar, waar duivel gaat men heen na den dood? Foei! wat ben ik dom, weldra zal ik het immers weten?”En snel als eene gedachte had hij zich doorboord.Hij viel dood neder.Deze vreeselijke slachting had geen kwartier uurs geduurd!2Geen der roovers had tweemaal gestooten; allen hadden zich met één slag gedood.»Aan mij dien dolk!” zeide de Arendskop, terwijl hij hem rookend uit het lillende lijk van den laatsten bandiet te voorschijn haalde, »het is een goed wapen voor een krijgsman,” en hij hechtte hem koelbloedig aan zijn gordel, na hem in het gras te hebben afgewischt.De lijken der roovers werden gescalpeerd en buiten het kamp gebracht.Men liet ze liggen voor de gieren en valken, wien zij een overvloedig[197]voedsel verschaften, en die, door den reuk van het bloed aangetrokken, reeds boven hen ronddwarrelden, onder het uitstooten van akelige vreugdekreten.De geduchte bende van kapitein Ouaktehno was vernietigd.Ongelukkig waren er nog anderen in de prairiën.Na de terdoodbrenging traden de Indianen zorgeloos hunne hutten wederom binnen; voor hen was het slechts een van die tooneelen geweest, waaraan zij sedert langen tijd gewoon waren, en die het vermogen niet meer bezaten om hun zenuwgestel te vermurwen.De jagers integendeel, ondanks het ruwe leven, dat zij leidden, en niettegenstaande ook zij zeer gewoon zijn om het bloed van anderen te zien storten of zelven het te vergieten, verstrooiden zich, bedrukt en met beklemde harten over deze afschuwelijke slachting.Edelhart en de generaal begaven zich naar de grot.De dames, die zich steeds in het onderaardsch gewelf bevonden, wisten niets van het vreeselijk tooneel, dat er had plaats gehad, noch van het bloedig zoenoffer, dat zooeven aan de gerechtigheid der prairiën was gebracht.1Met deze formule eindigt elke redevoering bij de Indianen.↑2Dit geheele tooneel is geschiedkundig; de schrijver heeft een dergelijkestrafoefeninginApacheriabijgewoond.↑

XIV.DE STRAF.

De generaal en zijne twee lotgenooten waren niet lang in het onzekere gebleven. Het vlot was na lang aarzelen eindelijk aan land gekomen, en vijftien mannen wierpen zich met geveld geweer, onder het aanheffen van een luid geschreeuw in de grot. De vluchtelingen liepen verheugd op hen toe. Zij hadden aan het hoofd der aankomelingen Edelhart, het opperhoofd der Comanchen en den Zwarten Eland herkend.Zie hier, hoe het zich had toegedragen. Zoodra de dokter met den kapitein de grot binnengetreden was, had de Arendskop, overtuigd, dat hij de schuilplaats der roovers ontdekt had, zich wederom bij zijne vrienden gevoegd, om hun den goeden uitslag van zijne[191]krijgslist mede te deelen. Goedsmoeds werd naar Edelhart afgezonden, die zich dan ook haastte om te komen; allen besloten eenstemmig om de bandieten in hun hol aan te vallen, terwijl andere benden van jagers en Roodhuiden, in de prairie verspreid en in de rotsen verborgen, de toegangen der grot zouden bewaken en de roovers beletten om te ontsnappen. Wij hebben den afloop dezer onderneming gezien.Na het eerste oogenblik gansch en al aan de vreugde en aan de blijdschap gewijd te hebben, waarschuwde de generaal zijne bevrijders, dat een tiental bandieten nog in de grot lag te slapen, onder den invloed van den opium, dien de moedige dokter hun had toegediend. De roovers werden stevig gekneveld en medegenomen; vervolgens riep men de verschillende benden bijeen, en keerde men in allerijl naar het kamp terug.Groot was de verrassing van den kapitein bij den uitroep van Edelhart, maar deze verrassing ging over in schrik, toen hij den generaal, dien hijzoo welbewaakt dacht, zag te voorschijn komen. Hij begreep, dat al zijne maatregelen verijdeld, al zijne listen vruchteloos gemaakt waren, en dat hij ditmaal onherstelbaar verloren was.Het bloed steeg hem naar het hoofd, zijne oogen schoten bliksems, en zich tot Edelhart wendende, zeide hij met eene heesche stem:»Niet slecht! maar, bij God, alles is nog niet gedaan tusschen ons; ik zal mij wreken!”Hij maakte eene beweging, om zijn paard naar voren te brengen. Maar Edelhart greep het vastberaden bij den toom.»Wij hebben nog niet afgerekend,” zeide hij.De roover zag hem een oogenblik met vlammende oogen aan, terwijl hij met geweld zijn paard aanspoorde, ten einde den jager te dwingen het los te laten.»Wat wilt gij dan nog meer?” zeide hij.Edelhart bleef met ijzeren vuist het paard vasthouden, dat woedend schuimbekte.»Gij zijt veroordeeld,” antwoordde hij; »men gaat de wet der prairiën op u toepassen.”De roover liet een vreeselijk gebrul hooren, en zijne pistolen uit den gordel rukkende, riep hij:»Wee hem, die mij aanraakt! Laat mij door!”»Neen,” antwoordde de jager koelbloedig, »gij zijt in goede handen, vriendje; heden zult gij het niet ontkomen.”»Naar den duivel dan!” riep de roover uit, een zijner pistolen op Edelhart richtende.Maar snel als een gedachte wierp Goedsmoeds, die angstig al zijne bewegingen volgde, zich vóór zijn vriend met eene vlugheid, die de ernst van het oogenblik nog vertienvoudigde.Het schot ging af. De kogel trof den Canadees, die in zijn bloed badend nederviel.[192]»Een!” schreeuwde de roover met een woesten lach.»Twee!” brulde de Arendskop, en met een sprong als van een tijger zat hij boven op het paard van den roover.Eer de kapitein eene beweging maken kon, om zich te verdedigen, greep de Indiaan hem met de linkerhand bij zijn lange haren, en trok met kracht zijn hoofd achterover.»Vervloekt!” riep de roover, die zich te vergeefs van zijn vijand trachtte te ontslaan.Toen gebeurde er iets, dat al de omstanders rillen deed. Het paard, door Edelhart losgelaten, woedend over de ontvangene schokken en over het dubbel gewicht, dat hem was opgelegd, schoot, dol van toorn, vooruit, in zijne toomlooze vaart alles verbrijzelend en omverwerpend, wat hem den doorgang belette. Maar altijd sleepte hij, op zijn rug vastgeklemd, de beide mannen mede, die worstelend elkander trachtten te dooden, en, als twee slangen kronkelend, elkander dreigden te verstikken.De Arendskop had, gelijk wij zeiden, het hoofd van den roover achterover getrokken; hij zette hem de knie in de lenden, liet zijn afgrijselijken oorlogskreet hooren, en zwaaide met eene geduchte beweging zijn mes om het voorhoofd van zijn vijand.»Dood mij dan! ellendeling,” schreeuwde de roover, en met een forsche beweging, richtte hij zijne linkerhand, die nog met een pistool gewapend was, op, maar de kogel verloor zich in de ruimte.De hoofdman der Comanchen zag den kapitein strak aan.»Gij zijt een lafaard!” zeide hij met verachting, »en eenoude vrouw, die bang is voor den dood!”En terwijl hij den bandiet met zijn knie naar omlaag drukte, duwde hij hem het mes in den schedel. De kapitein slaakte een hartverscheurenden kreet, die zich vermengde met het gebrul en gejuich van den hoofdman. Het paard liep tegen een boom, en viel: de beide vijanden rolden op den grond. Slechts één van hen stond weder op.Dat was de Comanchen-hoofdman, die de bloedige scalp van den roover rondzwaaide.Dat was de Comanchen-hoofdman die de bloedige scalp van den roover rondzwaaide, blz. 192.Dat was de Comanchen-hoofdman die de bloedigescalpvan den roover rondzwaaide, blz. 192.Ouaktehno was echter nog niet dood.Dol van woede en toorn, verblind door het bloed, dat hem van het hoofd stroomde, stond hij op en wierp zich op zijn tegenpartij, die op zulk een aanval niet was voorbereid. Met de armen om elkander geslagen, trachtten zij elkander omver te werpen en de messen, waarmede zij gewapend waren, elkander in het lijf te stooten. Er sprongen verscheidene jagers toe, om hen te scheiden. Toen zij aankwamen, was alles gedaan. De kapitein lag op den grond, terwijl het mes van den Arendskop tot aan het heft in zijn hart was doorgedrongen.De roovers door de jagers en Indianen, die hen omringden, in bedwang gehouden, zagen van allen tegenstand af. Toen hij zijn kapitein had zien vallen, verklaarde Frank uit aller naam, dat zij zich[193]overgaven. Op een teeken, door Edelhart gegeven, wierpen zij de wapens weg, en werden zij gekneveld.Goedsmoeds, de dappere Canadees, wiens zelfopoffering zijn vriend het leven had gered, had een ernstige wond ontvangen, maar die gelukkig niet doodelijk was. Men had zich gehaast hem op te nemen en hem naar de grot te brengen, waar de moeder van den jager hem verbond.De Arendskop naderde Edelhart, die peinzend en somber tegen een boom aanleunde.»De hoofden zijn om het vuur van den raad vereenigd,” zeide hij; »zij wachten naar mijn broeder.”»Ik volg mijn broeder,” antwoordde de jager.Toen de beide mannen de hut binnentraden, waren al de hoofden reeds bijeen; onder hen bevonden zich de generaal, de Zwarte Eland, en eenige andere pelsjagers.De calumet werd door den pijpdrager midden in den kring gebracht: hij maakte een eerbiedige buiging naar de vier hoeken des hemels, en bood beurtelings aan iederen hoofdman het lange roer aan.Toen de calumet rondgegaan was wierp de pijpdrager de asch in het vuur, en verwijderde zich, eenige geheimzinnige woorden prevelend.Toen stond de Zon op, groette de leden van den raad, en zeide:»Hoofden en krijgslieden, luistert naar de woorden, die mijne borst blaast, en die de Meester des levens in mijn hart gelegd heeft. Wat denkt gij te doen met de twintig gevangenen die in uwe handen zijn? Zult gij hen loslaten, opdat zij hun leven van roof en moord voortzetten? opdat zij uwe vrouwen wegnemen, uwe paarden stelen, en uwe broeders dooden? Zult gij hen voeren naar de steenen dorpen van de groote blanke mannen van het Westen? De weg is lang, met gevaren bezaaid, door bergen en snelle stroomen afgewisseld; de gevangenen kunnen u gedurende deze reis ontvluchten, u in uwen slaap overvallen en u dooden. En dan, gij weet het, krijgslieden, aan de steenen dorpen aangekomen, zullen de lange messen hen loslaten; er is geen recht voor de roode mannen. Neen, krijgslieden, de meester des levens, die eindelijk deze woeste mannen in onze macht heeft overgeleverd, wil, dat zij sterven. Hij heeft aan hunne misdaden paal en perk gesteld. Als wij een jaguar of een grijzen beer op onzen weg ontmoeten, dan dooden wij hem; deze mannen zijn wreedaardiger dan de jaguars en de grijze beeren; zij zijn rekenschap verschuldigd van het door hen vergoten bloed: oog om oog, tand om tand. Dat zij dan aan den martelpaal gebonden worden. Ik werp eenturbô(halssnoer) van roode wampums in den raad. Heb ik wel gesproken, machtige mannen?”Na deze woorden ging de hoofdman wederom zitten. Er volgde een oogenblik van plechtige stilte. Het was duidelijk, dat al de omstanders het met hem eens waren.Edelhart wachtte eenige oogenblikken: hij zag dat niemand zich[194]gereed maakte, om op de rede van de Zon te antwoorden, toen stond hij op en nam het woord:»Hoofden en krijgslieden der Comanchen, en gij, blanke jagers, mijne broeders,” zeide hij met eene zachte en treurige stem, »de woorden van den eerwaardigen sachem zijn billijk; ongelukkig vordert de veiligheid der prairiën den dood der gevangenen. Dit uiterste is vreeselijk, maar wij zijn verplicht er ons aan te onderwerpen, zoo wij in vrede de vruchten van onzen ruwen arbeid plukken willen. Maar zoo wij ons al genoodzaakt zien, om de onveranderlijke wet der woestijn toe te passen, zoo laten we niet als barbaren te werk gaan, straffen wij omdat het moet, maar straffen wij als edele menschen, niet als wreedaards. Toonen wij aan deze bandieten, dat wij gerechtigheid uitoefenen, dat, zoo wij hen dooden, wij het niet doen om ons zelven, maar om de geheele maatschappij te wreken. Bovendien, hun hoofdman, de schuldigste onder hen, is gevallen onder de slagen van den Arendskop; laten wij edelmoedig zijn, zonder op te houden rechtvaardig te wezen. Laten wij aan hen de keuze van hunnen dood over. Geen nuttelooze foltering. De Meester des levens zal ons toelachen, hij zal tevreden zijn over zijne roode kinderen, en hun een goede jacht geven. Ik heb gezegd: heb ik wel gesproken, machtige mannen?”1De leden van den raad hadden aandachtig naar de woorden van den jongeling geluisterd. De opperhoofden hadden welwillend geglimlacht om de edele gevoelens die hij uitdrukte, want allen, Indianen zoowel als jagers, beminden en eerbiedigden hem.De Arendskop stond op.»Mijn broeder Edelhart heeft goed gesproken,” zeide hij; »zijne jaren zijn weinig in getal, maar zijne wijsheid is groot. Wij zijn blijde eene gelegenheid gevonden te hebben, om hem onze vriendschap te bewijzen; wij zullen die met geestdrift aangrijpen. Wij zullen doen, wat hij verlangt.”»Ik dank u,” antwoordde Edelhart aangedaan, »ik dank u, mijne broeders; de natie der Comanchen is eene groote en edele natie; ik heb haar lief; ik ben blijde door haar te zijn aangenomen.”De raad werd opgeheven; de hoofden verlieten de hut.De gevangenen, in een groep bijeen geplaatst, werden streng bewaakt door eene afdeeling krijgslieden.De roeper riep al de leden van den stam en de in het kamp verstrooide jagers te zamen.Toen allen vereenigd waren, nam de Arendskop het woord, en zich tot de roovers wendende, zeide hij:»Honden van bleekmuilen! de raad der hoofden van de machtige natie der Comanchen, wier uitgestrekte jachtgronden een groot deel[195]der aarde bedekken, heeft over uw lot beslist. Doel uw best om, na als wilde beesten geleefd te hebben, nu niet te sterven als oude en vreesachtige vrouwen; weest dapper, misschien zal dan de Meester des levens medelijden met u hebben en u na uwen dood opnemen in deeskennane, die heerlijke woonplaats, waar in de eeuwigheid de dapperen mogen jagen, die hier den dood in het aangezicht hebben gezien.”»Wij zijn gereed,” antwoordde Frank koelbloedig, »bind ons aan den paal, bedenk de gruwelijkste folteringen, gij zult ons niet zien verbleeken.”»Onze broeder Edelhart,” ging de hoofdman voort, »is voor u tusschen beiden getreden. Gij zult niet aan den paal gebonden worden, de hoofden laten aan u de keuze van uwen dood.”Toen openbaarde zich de karaktertrek der blanken, die langen tijd in de prairie gewoond en eindelijk de gewoonten hunner voorouders verzaakt hebben, om die der Indianen over te nemen.Het voorstel, door den Arendskop gedaan, prikkelde den hoogmoed der roovers.»Met welk recht,” riep Frank, »treedt Edelhart voor ons tusschen beide? Denkt hij dan, dat wij geen mannen zijn? dat folteringen in staat zullen zijn om ons ook maar éen angstkreet of ééne ons onwaardige klacht te ontrukken? Neen, neen! men brenge ons naar den martelpaal; welke pijn gij ons ook moogt aandoen, zij zal nooit zoo wreed zijn als die, welke wij aan de krijgslieden van uwe natie zouden doen ondergaan, als zij ons in handen vielen!”Bij deze hooghartige woorden voelden de Indianen hun toorn opwekken, terwijl de roovers vreugde- en zegekreten deden hooren.»Honden! Konijnen!” riepen zij, »de Comanchen zijnoude vrouwen, wij zullen hun rokken aandoen.”Edelhart trad naar voren. De stilte werd hersteld.»Gij hebt de woorden van den hoofdman verkeerd begrepen,” zeide hij; »als wij u de keuze van uwen dood laten, dan doen wij dat niet om u te beleedigen; het is een eerbewijs, dat men u geeft; hier is mijn dolk, men zal u losmaken, hij ga van hand tot hand, en hij doorbore achtereenvolgens uw aller borst! De man, die vrij, zonder aarzelen, zich met één slag doodt, is dapperder dan hij, die, aan den martelpaal gebonden en de pijn niet kunnende verdragen, zijn beul uitscheldt, ten einde des te eerder den genadeslag te ontvangen.”Met ontzaggelijke toejuiching werden deze woorden van den jager beantwoord.De roovers zagen elkander een oogenblik besluiteloos aan, maar toen, als op een gegeven kommando, maakten zij het teeken des kruises, en riepen als één man:»Wij nemen uw aanbod aan!”Die gansche menigte, een oogenblik te voren zoo bewegelijk en[196]druk, werd stil en kalm, onder den indruk van het vreeselijk treurspel, dat voor haar zou worden gespeeld.»Maakt de gevangenen los,” beval Edelhart.Dit bevel werd onmiddellijk ten uitvoer gebracht.»Uw dolk!” zeide Frank.De jager gaf hem dien.»Ik dank u en vaarwel,” zeide de roover met een vaste stem, en zijne kleederen openende, stak hij zich den dolk langzaam en glimlachend, als wilde hij den dood proeven, tot aan het heft in de borst.Een bleeke loodkleur overdekte zijn gelaat, zijne oogen rolden in hunne kassen, hij zag verward om zich heen, waggelde als een dronken mensch en tuimelde op den grond. Hij was dood.»Nu ik!” zeide de roover, die naast hem stond, en hem den dolk nog rookend uit de wonde rukkend, doorboorde hij er zich het hart mede.Hij viel op het lijk van den eerste.Na hem kwam een ander, toen weêr een ander, en zoo vervolgens; geen hunner aarzelde, geen hunner toonde eenige zwakheid; allen vielen glimlachend en dankten Edelhart voor den dood, dien zij aan hem verplicht waren.De omstanders waren als versteend over dit vreeselijk schouwspel; dronken als het ware door den reuk van het bloed, stonden zij daar met gloeiende blikken, en met hijgende borst, zonder hunne oogen van het afschuwelijk tooneel te kunnen afwenden.Weldra bleef er nog slechts één roover overig, deze staarde een oogenblik naar den lijkenstapel die voor hem lag, trok toen den dolk uit de borst van zijn voorganger, en zeide met een glimlach:»Men is wel gelukkig, als men in zulk een goed gezelschap mag sterven; maar, waar duivel gaat men heen na den dood? Foei! wat ben ik dom, weldra zal ik het immers weten?”En snel als eene gedachte had hij zich doorboord.Hij viel dood neder.Deze vreeselijke slachting had geen kwartier uurs geduurd!2Geen der roovers had tweemaal gestooten; allen hadden zich met één slag gedood.»Aan mij dien dolk!” zeide de Arendskop, terwijl hij hem rookend uit het lillende lijk van den laatsten bandiet te voorschijn haalde, »het is een goed wapen voor een krijgsman,” en hij hechtte hem koelbloedig aan zijn gordel, na hem in het gras te hebben afgewischt.De lijken der roovers werden gescalpeerd en buiten het kamp gebracht.Men liet ze liggen voor de gieren en valken, wien zij een overvloedig[197]voedsel verschaften, en die, door den reuk van het bloed aangetrokken, reeds boven hen ronddwarrelden, onder het uitstooten van akelige vreugdekreten.De geduchte bende van kapitein Ouaktehno was vernietigd.Ongelukkig waren er nog anderen in de prairiën.Na de terdoodbrenging traden de Indianen zorgeloos hunne hutten wederom binnen; voor hen was het slechts een van die tooneelen geweest, waaraan zij sedert langen tijd gewoon waren, en die het vermogen niet meer bezaten om hun zenuwgestel te vermurwen.De jagers integendeel, ondanks het ruwe leven, dat zij leidden, en niettegenstaande ook zij zeer gewoon zijn om het bloed van anderen te zien storten of zelven het te vergieten, verstrooiden zich, bedrukt en met beklemde harten over deze afschuwelijke slachting.Edelhart en de generaal begaven zich naar de grot.De dames, die zich steeds in het onderaardsch gewelf bevonden, wisten niets van het vreeselijk tooneel, dat er had plaats gehad, noch van het bloedig zoenoffer, dat zooeven aan de gerechtigheid der prairiën was gebracht.

De generaal en zijne twee lotgenooten waren niet lang in het onzekere gebleven. Het vlot was na lang aarzelen eindelijk aan land gekomen, en vijftien mannen wierpen zich met geveld geweer, onder het aanheffen van een luid geschreeuw in de grot. De vluchtelingen liepen verheugd op hen toe. Zij hadden aan het hoofd der aankomelingen Edelhart, het opperhoofd der Comanchen en den Zwarten Eland herkend.

Zie hier, hoe het zich had toegedragen. Zoodra de dokter met den kapitein de grot binnengetreden was, had de Arendskop, overtuigd, dat hij de schuilplaats der roovers ontdekt had, zich wederom bij zijne vrienden gevoegd, om hun den goeden uitslag van zijne[191]krijgslist mede te deelen. Goedsmoeds werd naar Edelhart afgezonden, die zich dan ook haastte om te komen; allen besloten eenstemmig om de bandieten in hun hol aan te vallen, terwijl andere benden van jagers en Roodhuiden, in de prairie verspreid en in de rotsen verborgen, de toegangen der grot zouden bewaken en de roovers beletten om te ontsnappen. Wij hebben den afloop dezer onderneming gezien.

Na het eerste oogenblik gansch en al aan de vreugde en aan de blijdschap gewijd te hebben, waarschuwde de generaal zijne bevrijders, dat een tiental bandieten nog in de grot lag te slapen, onder den invloed van den opium, dien de moedige dokter hun had toegediend. De roovers werden stevig gekneveld en medegenomen; vervolgens riep men de verschillende benden bijeen, en keerde men in allerijl naar het kamp terug.

Groot was de verrassing van den kapitein bij den uitroep van Edelhart, maar deze verrassing ging over in schrik, toen hij den generaal, dien hijzoo welbewaakt dacht, zag te voorschijn komen. Hij begreep, dat al zijne maatregelen verijdeld, al zijne listen vruchteloos gemaakt waren, en dat hij ditmaal onherstelbaar verloren was.

Het bloed steeg hem naar het hoofd, zijne oogen schoten bliksems, en zich tot Edelhart wendende, zeide hij met eene heesche stem:

»Niet slecht! maar, bij God, alles is nog niet gedaan tusschen ons; ik zal mij wreken!”

Hij maakte eene beweging, om zijn paard naar voren te brengen. Maar Edelhart greep het vastberaden bij den toom.

»Wij hebben nog niet afgerekend,” zeide hij.

De roover zag hem een oogenblik met vlammende oogen aan, terwijl hij met geweld zijn paard aanspoorde, ten einde den jager te dwingen het los te laten.

»Wat wilt gij dan nog meer?” zeide hij.

Edelhart bleef met ijzeren vuist het paard vasthouden, dat woedend schuimbekte.

»Gij zijt veroordeeld,” antwoordde hij; »men gaat de wet der prairiën op u toepassen.”

De roover liet een vreeselijk gebrul hooren, en zijne pistolen uit den gordel rukkende, riep hij:

»Wee hem, die mij aanraakt! Laat mij door!”

»Neen,” antwoordde de jager koelbloedig, »gij zijt in goede handen, vriendje; heden zult gij het niet ontkomen.”

»Naar den duivel dan!” riep de roover uit, een zijner pistolen op Edelhart richtende.

Maar snel als een gedachte wierp Goedsmoeds, die angstig al zijne bewegingen volgde, zich vóór zijn vriend met eene vlugheid, die de ernst van het oogenblik nog vertienvoudigde.

Het schot ging af. De kogel trof den Canadees, die in zijn bloed badend nederviel.[192]

»Een!” schreeuwde de roover met een woesten lach.

»Twee!” brulde de Arendskop, en met een sprong als van een tijger zat hij boven op het paard van den roover.

Eer de kapitein eene beweging maken kon, om zich te verdedigen, greep de Indiaan hem met de linkerhand bij zijn lange haren, en trok met kracht zijn hoofd achterover.

»Vervloekt!” riep de roover, die zich te vergeefs van zijn vijand trachtte te ontslaan.

Toen gebeurde er iets, dat al de omstanders rillen deed. Het paard, door Edelhart losgelaten, woedend over de ontvangene schokken en over het dubbel gewicht, dat hem was opgelegd, schoot, dol van toorn, vooruit, in zijne toomlooze vaart alles verbrijzelend en omverwerpend, wat hem den doorgang belette. Maar altijd sleepte hij, op zijn rug vastgeklemd, de beide mannen mede, die worstelend elkander trachtten te dooden, en, als twee slangen kronkelend, elkander dreigden te verstikken.

De Arendskop had, gelijk wij zeiden, het hoofd van den roover achterover getrokken; hij zette hem de knie in de lenden, liet zijn afgrijselijken oorlogskreet hooren, en zwaaide met eene geduchte beweging zijn mes om het voorhoofd van zijn vijand.

»Dood mij dan! ellendeling,” schreeuwde de roover, en met een forsche beweging, richtte hij zijne linkerhand, die nog met een pistool gewapend was, op, maar de kogel verloor zich in de ruimte.

De hoofdman der Comanchen zag den kapitein strak aan.

»Gij zijt een lafaard!” zeide hij met verachting, »en eenoude vrouw, die bang is voor den dood!”

En terwijl hij den bandiet met zijn knie naar omlaag drukte, duwde hij hem het mes in den schedel. De kapitein slaakte een hartverscheurenden kreet, die zich vermengde met het gebrul en gejuich van den hoofdman. Het paard liep tegen een boom, en viel: de beide vijanden rolden op den grond. Slechts één van hen stond weder op.

Dat was de Comanchen-hoofdman, die de bloedige scalp van den roover rondzwaaide.

Dat was de Comanchen-hoofdman die de bloedige scalp van den roover rondzwaaide, blz. 192.Dat was de Comanchen-hoofdman die de bloedigescalpvan den roover rondzwaaide, blz. 192.

Dat was de Comanchen-hoofdman die de bloedigescalpvan den roover rondzwaaide, blz. 192.

Ouaktehno was echter nog niet dood.Dol van woede en toorn, verblind door het bloed, dat hem van het hoofd stroomde, stond hij op en wierp zich op zijn tegenpartij, die op zulk een aanval niet was voorbereid. Met de armen om elkander geslagen, trachtten zij elkander omver te werpen en de messen, waarmede zij gewapend waren, elkander in het lijf te stooten. Er sprongen verscheidene jagers toe, om hen te scheiden. Toen zij aankwamen, was alles gedaan. De kapitein lag op den grond, terwijl het mes van den Arendskop tot aan het heft in zijn hart was doorgedrongen.

De roovers door de jagers en Indianen, die hen omringden, in bedwang gehouden, zagen van allen tegenstand af. Toen hij zijn kapitein had zien vallen, verklaarde Frank uit aller naam, dat zij zich[193]overgaven. Op een teeken, door Edelhart gegeven, wierpen zij de wapens weg, en werden zij gekneveld.

Goedsmoeds, de dappere Canadees, wiens zelfopoffering zijn vriend het leven had gered, had een ernstige wond ontvangen, maar die gelukkig niet doodelijk was. Men had zich gehaast hem op te nemen en hem naar de grot te brengen, waar de moeder van den jager hem verbond.

De Arendskop naderde Edelhart, die peinzend en somber tegen een boom aanleunde.

»De hoofden zijn om het vuur van den raad vereenigd,” zeide hij; »zij wachten naar mijn broeder.”

»Ik volg mijn broeder,” antwoordde de jager.

Toen de beide mannen de hut binnentraden, waren al de hoofden reeds bijeen; onder hen bevonden zich de generaal, de Zwarte Eland, en eenige andere pelsjagers.

De calumet werd door den pijpdrager midden in den kring gebracht: hij maakte een eerbiedige buiging naar de vier hoeken des hemels, en bood beurtelings aan iederen hoofdman het lange roer aan.

Toen de calumet rondgegaan was wierp de pijpdrager de asch in het vuur, en verwijderde zich, eenige geheimzinnige woorden prevelend.

Toen stond de Zon op, groette de leden van den raad, en zeide:

»Hoofden en krijgslieden, luistert naar de woorden, die mijne borst blaast, en die de Meester des levens in mijn hart gelegd heeft. Wat denkt gij te doen met de twintig gevangenen die in uwe handen zijn? Zult gij hen loslaten, opdat zij hun leven van roof en moord voortzetten? opdat zij uwe vrouwen wegnemen, uwe paarden stelen, en uwe broeders dooden? Zult gij hen voeren naar de steenen dorpen van de groote blanke mannen van het Westen? De weg is lang, met gevaren bezaaid, door bergen en snelle stroomen afgewisseld; de gevangenen kunnen u gedurende deze reis ontvluchten, u in uwen slaap overvallen en u dooden. En dan, gij weet het, krijgslieden, aan de steenen dorpen aangekomen, zullen de lange messen hen loslaten; er is geen recht voor de roode mannen. Neen, krijgslieden, de meester des levens, die eindelijk deze woeste mannen in onze macht heeft overgeleverd, wil, dat zij sterven. Hij heeft aan hunne misdaden paal en perk gesteld. Als wij een jaguar of een grijzen beer op onzen weg ontmoeten, dan dooden wij hem; deze mannen zijn wreedaardiger dan de jaguars en de grijze beeren; zij zijn rekenschap verschuldigd van het door hen vergoten bloed: oog om oog, tand om tand. Dat zij dan aan den martelpaal gebonden worden. Ik werp eenturbô(halssnoer) van roode wampums in den raad. Heb ik wel gesproken, machtige mannen?”

Na deze woorden ging de hoofdman wederom zitten. Er volgde een oogenblik van plechtige stilte. Het was duidelijk, dat al de omstanders het met hem eens waren.

Edelhart wachtte eenige oogenblikken: hij zag dat niemand zich[194]gereed maakte, om op de rede van de Zon te antwoorden, toen stond hij op en nam het woord:

»Hoofden en krijgslieden der Comanchen, en gij, blanke jagers, mijne broeders,” zeide hij met eene zachte en treurige stem, »de woorden van den eerwaardigen sachem zijn billijk; ongelukkig vordert de veiligheid der prairiën den dood der gevangenen. Dit uiterste is vreeselijk, maar wij zijn verplicht er ons aan te onderwerpen, zoo wij in vrede de vruchten van onzen ruwen arbeid plukken willen. Maar zoo wij ons al genoodzaakt zien, om de onveranderlijke wet der woestijn toe te passen, zoo laten we niet als barbaren te werk gaan, straffen wij omdat het moet, maar straffen wij als edele menschen, niet als wreedaards. Toonen wij aan deze bandieten, dat wij gerechtigheid uitoefenen, dat, zoo wij hen dooden, wij het niet doen om ons zelven, maar om de geheele maatschappij te wreken. Bovendien, hun hoofdman, de schuldigste onder hen, is gevallen onder de slagen van den Arendskop; laten wij edelmoedig zijn, zonder op te houden rechtvaardig te wezen. Laten wij aan hen de keuze van hunnen dood over. Geen nuttelooze foltering. De Meester des levens zal ons toelachen, hij zal tevreden zijn over zijne roode kinderen, en hun een goede jacht geven. Ik heb gezegd: heb ik wel gesproken, machtige mannen?”1

De leden van den raad hadden aandachtig naar de woorden van den jongeling geluisterd. De opperhoofden hadden welwillend geglimlacht om de edele gevoelens die hij uitdrukte, want allen, Indianen zoowel als jagers, beminden en eerbiedigden hem.

De Arendskop stond op.

»Mijn broeder Edelhart heeft goed gesproken,” zeide hij; »zijne jaren zijn weinig in getal, maar zijne wijsheid is groot. Wij zijn blijde eene gelegenheid gevonden te hebben, om hem onze vriendschap te bewijzen; wij zullen die met geestdrift aangrijpen. Wij zullen doen, wat hij verlangt.”

»Ik dank u,” antwoordde Edelhart aangedaan, »ik dank u, mijne broeders; de natie der Comanchen is eene groote en edele natie; ik heb haar lief; ik ben blijde door haar te zijn aangenomen.”

De raad werd opgeheven; de hoofden verlieten de hut.

De gevangenen, in een groep bijeen geplaatst, werden streng bewaakt door eene afdeeling krijgslieden.

De roeper riep al de leden van den stam en de in het kamp verstrooide jagers te zamen.

Toen allen vereenigd waren, nam de Arendskop het woord, en zich tot de roovers wendende, zeide hij:

»Honden van bleekmuilen! de raad der hoofden van de machtige natie der Comanchen, wier uitgestrekte jachtgronden een groot deel[195]der aarde bedekken, heeft over uw lot beslist. Doel uw best om, na als wilde beesten geleefd te hebben, nu niet te sterven als oude en vreesachtige vrouwen; weest dapper, misschien zal dan de Meester des levens medelijden met u hebben en u na uwen dood opnemen in deeskennane, die heerlijke woonplaats, waar in de eeuwigheid de dapperen mogen jagen, die hier den dood in het aangezicht hebben gezien.”

»Wij zijn gereed,” antwoordde Frank koelbloedig, »bind ons aan den paal, bedenk de gruwelijkste folteringen, gij zult ons niet zien verbleeken.”

»Onze broeder Edelhart,” ging de hoofdman voort, »is voor u tusschen beiden getreden. Gij zult niet aan den paal gebonden worden, de hoofden laten aan u de keuze van uwen dood.”

Toen openbaarde zich de karaktertrek der blanken, die langen tijd in de prairie gewoond en eindelijk de gewoonten hunner voorouders verzaakt hebben, om die der Indianen over te nemen.

Het voorstel, door den Arendskop gedaan, prikkelde den hoogmoed der roovers.

»Met welk recht,” riep Frank, »treedt Edelhart voor ons tusschen beide? Denkt hij dan, dat wij geen mannen zijn? dat folteringen in staat zullen zijn om ons ook maar éen angstkreet of ééne ons onwaardige klacht te ontrukken? Neen, neen! men brenge ons naar den martelpaal; welke pijn gij ons ook moogt aandoen, zij zal nooit zoo wreed zijn als die, welke wij aan de krijgslieden van uwe natie zouden doen ondergaan, als zij ons in handen vielen!”

Bij deze hooghartige woorden voelden de Indianen hun toorn opwekken, terwijl de roovers vreugde- en zegekreten deden hooren.

»Honden! Konijnen!” riepen zij, »de Comanchen zijnoude vrouwen, wij zullen hun rokken aandoen.”

Edelhart trad naar voren. De stilte werd hersteld.

»Gij hebt de woorden van den hoofdman verkeerd begrepen,” zeide hij; »als wij u de keuze van uwen dood laten, dan doen wij dat niet om u te beleedigen; het is een eerbewijs, dat men u geeft; hier is mijn dolk, men zal u losmaken, hij ga van hand tot hand, en hij doorbore achtereenvolgens uw aller borst! De man, die vrij, zonder aarzelen, zich met één slag doodt, is dapperder dan hij, die, aan den martelpaal gebonden en de pijn niet kunnende verdragen, zijn beul uitscheldt, ten einde des te eerder den genadeslag te ontvangen.”

Met ontzaggelijke toejuiching werden deze woorden van den jager beantwoord.

De roovers zagen elkander een oogenblik besluiteloos aan, maar toen, als op een gegeven kommando, maakten zij het teeken des kruises, en riepen als één man:

»Wij nemen uw aanbod aan!”

Die gansche menigte, een oogenblik te voren zoo bewegelijk en[196]druk, werd stil en kalm, onder den indruk van het vreeselijk treurspel, dat voor haar zou worden gespeeld.

»Maakt de gevangenen los,” beval Edelhart.

Dit bevel werd onmiddellijk ten uitvoer gebracht.

»Uw dolk!” zeide Frank.

De jager gaf hem dien.

»Ik dank u en vaarwel,” zeide de roover met een vaste stem, en zijne kleederen openende, stak hij zich den dolk langzaam en glimlachend, als wilde hij den dood proeven, tot aan het heft in de borst.

Een bleeke loodkleur overdekte zijn gelaat, zijne oogen rolden in hunne kassen, hij zag verward om zich heen, waggelde als een dronken mensch en tuimelde op den grond. Hij was dood.

»Nu ik!” zeide de roover, die naast hem stond, en hem den dolk nog rookend uit de wonde rukkend, doorboorde hij er zich het hart mede.

Hij viel op het lijk van den eerste.

Na hem kwam een ander, toen weêr een ander, en zoo vervolgens; geen hunner aarzelde, geen hunner toonde eenige zwakheid; allen vielen glimlachend en dankten Edelhart voor den dood, dien zij aan hem verplicht waren.

De omstanders waren als versteend over dit vreeselijk schouwspel; dronken als het ware door den reuk van het bloed, stonden zij daar met gloeiende blikken, en met hijgende borst, zonder hunne oogen van het afschuwelijk tooneel te kunnen afwenden.

Weldra bleef er nog slechts één roover overig, deze staarde een oogenblik naar den lijkenstapel die voor hem lag, trok toen den dolk uit de borst van zijn voorganger, en zeide met een glimlach:

»Men is wel gelukkig, als men in zulk een goed gezelschap mag sterven; maar, waar duivel gaat men heen na den dood? Foei! wat ben ik dom, weldra zal ik het immers weten?”

En snel als eene gedachte had hij zich doorboord.

Hij viel dood neder.

Deze vreeselijke slachting had geen kwartier uurs geduurd!2

Geen der roovers had tweemaal gestooten; allen hadden zich met één slag gedood.

»Aan mij dien dolk!” zeide de Arendskop, terwijl hij hem rookend uit het lillende lijk van den laatsten bandiet te voorschijn haalde, »het is een goed wapen voor een krijgsman,” en hij hechtte hem koelbloedig aan zijn gordel, na hem in het gras te hebben afgewischt.

De lijken der roovers werden gescalpeerd en buiten het kamp gebracht.

Men liet ze liggen voor de gieren en valken, wien zij een overvloedig[197]voedsel verschaften, en die, door den reuk van het bloed aangetrokken, reeds boven hen ronddwarrelden, onder het uitstooten van akelige vreugdekreten.

De geduchte bende van kapitein Ouaktehno was vernietigd.

Ongelukkig waren er nog anderen in de prairiën.

Na de terdoodbrenging traden de Indianen zorgeloos hunne hutten wederom binnen; voor hen was het slechts een van die tooneelen geweest, waaraan zij sedert langen tijd gewoon waren, en die het vermogen niet meer bezaten om hun zenuwgestel te vermurwen.

De jagers integendeel, ondanks het ruwe leven, dat zij leidden, en niettegenstaande ook zij zeer gewoon zijn om het bloed van anderen te zien storten of zelven het te vergieten, verstrooiden zich, bedrukt en met beklemde harten over deze afschuwelijke slachting.

Edelhart en de generaal begaven zich naar de grot.

De dames, die zich steeds in het onderaardsch gewelf bevonden, wisten niets van het vreeselijk tooneel, dat er had plaats gehad, noch van het bloedig zoenoffer, dat zooeven aan de gerechtigheid der prairiën was gebracht.

1Met deze formule eindigt elke redevoering bij de Indianen.↑2Dit geheele tooneel is geschiedkundig; de schrijver heeft een dergelijkestrafoefeninginApacheriabijgewoond.↑

1Met deze formule eindigt elke redevoering bij de Indianen.↑2Dit geheele tooneel is geschiedkundig; de schrijver heeft een dergelijkestrafoefeninginApacheriabijgewoond.↑

1Met deze formule eindigt elke redevoering bij de Indianen.↑

1Met deze formule eindigt elke redevoering bij de Indianen.↑

2Dit geheele tooneel is geschiedkundig; de schrijver heeft een dergelijkestrafoefeninginApacheriabijgewoond.↑

2Dit geheele tooneel is geschiedkundig; de schrijver heeft een dergelijkestrafoefeninginApacheriabijgewoond.↑


Back to IndexNext