XII.

[Inhoud]XII.DE KRIJGSLIST.Na het zonderlinge voorstel, dat hij aan de jagers gedaan had, was de rooverhoofdman in allerijl naar zijne schuilplaats teruggekeerd.Maar hij was al te zeer aan het leven der prairiën gewoon, om niet te weten, dat verscheidene zijner vijanden van verre zijn spoor zouden volgen. Ook bracht hij om hen te misleiden alle listen in praktijk, die zijn vindingrijke geest hem aanbood, door tallooze omwegen te maken, gedurig op zijne schreden terug te keeren, en gelijk men zegt, tien schreden achteruit te loopen, om er een vóóruit te komen. Deze vele voorzorgen hadden zijn loop zeer vertraagd. Aan de oevers der rivier gekomen, wier golven den ingang der grot bespoelden, wierp hij een laatsten blik om zich heen, om zich te verzekeren dat geen onbescheiden oog zijne bewegingen gadesloeg. Alles was stil; niets wekte zijn argwaan op, hij maakte zich gereed om een vlot, dat onder[181]de struiken verscholen was, te water te brengen, toen een licht gedruisch zijne aandacht trok.De roover sidderde, greep naar een pistool, laadde het en ging moedig af op de plek, van waar het gedruisch kwam. Hij zag een man, bezig om met een kleine spade eenige kruiden en planten uit den grond te rukken. Hij glimlachte, en borg zijn pistool wederom in den gordel. Hij had den dokter herkend, die zich met hartstochtelijken ijver aan zijne lievelingstudie overgaf.Deze, van zijn kant, had hem niet opgemerkt.Na hem een oogenblik minachtend te hebben aangezien, keerde de roover hem den rug toe, tot hem eene gedachte inviel, die hem weder bewoog, den dokter te naderen; hij klopte hem thans vrij onzacht op den schouder. Bij deze ruwe aanraking richtte de dokter zich verschrikt op, en liet van angst zijne spade en al zijne planten vallen.»Hola, mijn brave,” zeide de kapitein spottend, »welk eene razernij bezielt u toch, om altijd kruiden te zoeken, op ieder uur van den dag en van den nacht.”»Hoe?” antwoordde de geleerde; »wat bedoelt gij?”»Wel, dat is eenvoudig genoeg; weet gij dan niet dat het bijna middernacht is?”»Dat is waar,” antwoordde de geleerde onnoozel, »maar de maan schijnt zoo mooi!…”»Dat gij haar voor de zon hebt aangezien!” viel de roover hem lachend in de reden; »maar,” ging hij voort, eensklaps ernstig wordende, »dat is thans de vraag niet; ik heb mij laten wijsmaken, dat gij, ofschoon half krankzinnig, een vrij goed geneesheer zijt.”»Ik heb er examen voor afgelegd, mijnheer,” antwoordde de dokter, die zich beleedigd gevoelde.»Heel goed, gij zijt de man, dien ik noodig heb.”De dokter boog zich tegen wil en dank; het was duidelijk dat het hem maar half genoegen deed.»Wat verlangt gij?” vroeg hij; »zijt gij ziek?”»Ik niet, Goddank! maar een uwer vrienden, die op dit oogenblik mijn gevangene is; gij zult dus wel zoo goed zijn mij te willen volgen.”»Maar?…” wilde de dokter hem tegenwerpen.»Geen maren; volg mij, zoo gij niet wilt dat ik u de hersens insla; voor het overige kunt gij gerust zijn, geen leed zal u overkomen; mijne lieden zullen u al den eerbied bewijzen, waarop de wetenschap aanspraak heeft.”Ofschoon alle tegenstand onmogelijk was, koos toch de weerlooze man zijne partij zoo goedschiks, dat er een oogenblik zelfs een glimlach op zijne lippen zweefde, die den roover, zoo deze het gezien had, wel tot nadenken had kunnen brengen.De kapitein liet den dokter vóór zich uitgaan, en beiden haastten zich naar de rivier.[182]Op het oogenblik, dat zij de plek verlieten, waar hun onderhoud had plaats gehad, werden de takken van een kreupelboschje zorgvuldig uiteen geschoven, er kwam een geschoren hoofd uit te voorschijn, op welks kruin slechts een enkele lange haarvlecht met een veder er in was gespaard gebleven, vervolgens een bovenlijf, en toen een geheel mensch, die als een jaguar opsprong om hem te volgen.Het was de Arendskop. Hij was nu stilzwijgend getuige van de inscheping der beide blanken, zag hen in de grot gaan, verdween toen op zijne beurt in het woud, en mompelde zachtjes:»Oah!(goed!)” in de taal der Comanchen de uitdrukking der hoogste vreugde.De dokter had enkel tot lokaas gediend om den roover te misleiden, en hem in den strik te doen vallen, die voor hem gespannen was. Had nu de dokter eene overeenkomst gesloten met den Arendskop? Dat zullen wij weldra hooren.Den volgenden morgen bij het aanbreken van den dag, liet de roover een algemeene verkenning doen in den omtrek van de grot. Er was geen spoor te zien. De kapitein wreef zich de handen; zijne onderneming was dubbel geslaagd, daar hij de grot bereikt had, zonder achtervolgd te worden.Overtuigd dat hij niets te vreezen had, wilde hij niet zooveel manschappen werkeloos bij zich houden; hij stelde derhalve zijne bende voorloopig onder bevel van Frank, een ouden afgeleefden bandiet, in wien hij volkomen vertrouwen stelde, hield zelf slechts tien man bij zich en zond de rest weg. Van hoeveel belang de zaak ook zijn mocht, die hij thans onder handen had, wilde hij toch zijne overige bezigheden niet verwaarloozen, noch het brood der luiheid schenken aan een twintigtal bandieten, die, evenals hij, niets te doen hadden, en hem ieder oogenblik een slechten trek konden spelen. Men ziet, de kapitein was niet slechts een verstandig man, maar hij kende en doorgrondde ook zijne eerbiedwaardige bondgenooten.Toen de roovers de grot verlaten hadden, gaf de kapitein aan den dokter een teeken om hem te volgen, en bracht hem bij den generaal. Na hen met zijne gewone spottende beleefdheid aan elkander te hebben voorgesteld, verwijderde de bandiet zich, en liet hen alleen. Doch alvorens hij dit deed, haalde hij een pistool uit zijn gordel, en het op de borst van den geleerde zettende, zeide hij:»Gij zijt wel is waar een halve gek, maar met dat al zoudt gij wel eenigen natuurlijken aanleg kunnen bezitten, om mij te verraden, denk er dus aan, mijn brave heer, dat ik u bij de minste dubbelzinnige beweging, die ik u zie maken, de hersenpan zal laten springen; gij zijt gewaarschuwd, doe nu wat gij zult goedvinden.”Daarop zijn pistool weder in zijn gordel stekende, ging hij lachend weg.De dokter luisterde naar deze vermaning met een benauwd gezicht, doch niet zonder dat een flauwe glimlach zijne lippen plooide; gelukkig werd dit door den kapitein niet opgemerkt.[183]De generaal zat met zijn neger Jupiter in eene zaal, die ver van den ingang verwijderd was. Zij waren daar alleen. De kapitein had het niet noodig geacht hen van nabij te bewaken. Beiden op een bed van droge bladeren gezeten, waren in diep nadenken verzonken. Bij het zien van den geleerde, werd het somber gelaat van den generaal door een vluchtigen lichtstraal van hoop verhelderd.»Gij daar, dokter?” zeide hij, hem de hand toereikende, die de ander stilzwijgend drukte; »moet ik mij over uwe tegenwoordigheid verblijden of bedroeven?”»Zijn wij alleen?” vroeg de dokter, zonder op de vraag van den generaal te antwoorden.»Ik geloof het wel,” zeide hij verwonderd; »in ieder geval is het niet moeielijk u hieromtrent zekerheid te verschaffen.”De dokter tastte naar alle zijden rond, onderzocht nauwkeurig al de hoeken, en kwam eindelijk bij de gevangenen terug.»Wij kunnen praten,” zeide hij.De geleerde was gewoonlijk zoo verdiept in zijne wetenschappelijke berekeningen, hij was van natuur zoo afgetrokken, dat de gevangenen slechts weinig vertrouwen in hem stelden.»En mijne nicht?” vroeg de generaal bezorgd.»Stel u gerust; zij is in veiligheid bij een jager, Edelhart genaamd, die den diepsten eerbied voor haar koestert.”De generaal gevoelde zich verlicht, deze goede tijding gaf hem al zijn moed terug.»O,” zeide hij, »wat doet het er nu toe, of ik gevangen ben! nu mijne nicht gered is, kan ik alles verdragen.”»Neen, neen!” zeide de dokter levendig, »gij moet, wat het ook kostte, vóór morgen van hier ontvlucht zijn.”»Waarom?”»Antwoord mij eerst.”»Ik verlang niets liever.”»Uwe wonden schijnen mij nog al licht toe: zij zijn aan het genezen.”»Inderdaad!”»Meent gij in staat te zijn om te loopen?”»O, ja!”»Ja, maar begrijp mij wel, ik bedoel om een lange reis te ondernemen?”»Nu, nu!” zeide de neger, die tot nog toe gezwegen had, »ben ik dan niet sterk genoeg, om mijn meester te dragen, als hij niet meer loopen kan?”De dokter drukte hem de hand.»Dat is waar! Ter zake dus,” zeide de dokter; »gij moet van hier.”»Goed; maar hoe?”»Ja, hoe?” zeide de geleerde, zich tegen het voorhoofd slaande;[184]»hoe? dat weet ik niet. Maar wees gerust, ik zal wel een middel vinden.”Men hoorde voetstappen naderen; de kapitein kwam te voorschijn.»Welnu,” vroeg hij, »hoe gaat het met den zieke?”»Niet al te best,” antwoordde de dokter.»Kom, kom,” hernam de roover, »dat zal zich wel schikken; bovendien, de generaal zal weldra vrij zijn, dan kan hij zich op zijn gemak laten verzorgen. Kom nu mede, dokter, ik denk dat ik u thans lang genoeg met uw vriend heb laten praten.”De dokter volgde hem zonder te antwoorden, na den generaal met een laatste gebaar tot voorzichtigheid te hebben aangespoord.De dag liep ongestoord ten einde. De gevangenen wachtten met ongeduld den nacht af; huns ondanks was hun vertrouwen in den dokter hersteld: zij hoopten. Tegen den avond keerde de waardige geleerde terug. Hij kwam op een fermen draf aanstappen, met een gelaat dat van vreugde schitterde, en met eene toorts in de hand.»Hé, dokter! wat is er dan toch?” vroeg de generaal; »gij ziet er zoo verheugd uit.”»Ik ben ook verheugd, generaal,” antwoordde hij glimlachend, »omdatik een middel gevonden heb, om u te laten ontsnappen en mijzelven ook, wel te verstaan!”»En dat middel is …”»Is reeds voor de helft ten uitvoer gebracht,” zeide hij met een klein droog lachje, dat hem eigen was, als hij zich in zijn schik gevoelde.»Wat wilt gij daarmede zeggen?”»Wel, de zaak is heel eenvoudig, maar gij zult haar nooit raden; al de bandieten slapen; wij zijn meester van de grot.”»Zou het mogelijk zijn? maar als zij eens wakker worden?”»O, wees daarvoor niet bang; zij zullen wakker worden? dat is zeker; maar niet alvorens wij ten minste zes uur verder zijn.”»Hoe dat?”»Omdat ik zelf hun een slaapdrank ingeschonken heb; dat is te zeggen, bij hun avondmaal heb ik hun een afkooksel van opium toegediend, dat hen, als looden blokken in elkaâr heeft doen zakken, zoodat zij nu als ossen liggen te ronken.”»O, dat is onverbeterlijk!” riep de generaal uit.»Is het niet?” zeide de dokter zedig; »ja, ik heb het kwaad willen herstellen, dat ik door mijne achteloosheid heb veroorzaakt! Ik ben geen soldaat, ik ben maar een arm geneesheer; ik heb vanmijnewapenen gebruik gemaakt; gij ziet dat zij soms even goed zijn als andere.”»Zij zijn honderdmaal beter! Dokter, gij zijt een aanbiddenswaardig man.”»Kom dan, maken wij voort! laat ons geen tijd verliezen.”[185]»Ja, laat ons gaan! maar wat hebt gij met den kapitein gedaan?”»De kapitein? de duivel moge weten, waar hij is. Hij heeft ons dezen namiddag verlaten, zonder iemand iets te zeggen; maar ik vermoed waar hij is, en als ik mij niet zeer bedrieg, zullen wij hem weldra zien.”»Nu, alles gaat zoo goed als het maar kan, op weg!”De drie mannen begaven zich op marsch. Ondanks al de door den dokter genomen voorzorgen, waren de generaal en de neger niet volkomen gerust. Zij kwamen aan de zaal, die den bandieten tot slaapplaats verstrekte; deze lagen hier en daar verspreid. De vluchtelingen gingen hen voorbij.Bij den ingang der grot komende, zagen zij op het oogenblik, dat zij het vlot losmaakten, om de rivier over te steken, bij het bleeke licht der maan een ander vlot, met ongeveer vijftien man beladen, langzaam op hen afkomen. De weg was hun alzoo afgesneden. Hoe zouden zij aan zulk een groot aantal vijanden weêrstand bieden?»Helaas, helaas!” zuchtte de generaal wanhopig.»O,” zeide de dokter op jammerenden toon, »het was zulk een goed plan, en het had mij zooveel moeite en arbeid gekost!”De vluchtelingen wierpen zich in eene hinderlaag van rotsen, ten einde niet opgemerkt te worden, en met kloppende harten wachtten zij het ontschepen der aankomelingen af, wier bewegingen hun hoe langer hoe meer argwaan begonnen in te boezemen.

[Inhoud]XII.DE KRIJGSLIST.Na het zonderlinge voorstel, dat hij aan de jagers gedaan had, was de rooverhoofdman in allerijl naar zijne schuilplaats teruggekeerd.Maar hij was al te zeer aan het leven der prairiën gewoon, om niet te weten, dat verscheidene zijner vijanden van verre zijn spoor zouden volgen. Ook bracht hij om hen te misleiden alle listen in praktijk, die zijn vindingrijke geest hem aanbood, door tallooze omwegen te maken, gedurig op zijne schreden terug te keeren, en gelijk men zegt, tien schreden achteruit te loopen, om er een vóóruit te komen. Deze vele voorzorgen hadden zijn loop zeer vertraagd. Aan de oevers der rivier gekomen, wier golven den ingang der grot bespoelden, wierp hij een laatsten blik om zich heen, om zich te verzekeren dat geen onbescheiden oog zijne bewegingen gadesloeg. Alles was stil; niets wekte zijn argwaan op, hij maakte zich gereed om een vlot, dat onder[181]de struiken verscholen was, te water te brengen, toen een licht gedruisch zijne aandacht trok.De roover sidderde, greep naar een pistool, laadde het en ging moedig af op de plek, van waar het gedruisch kwam. Hij zag een man, bezig om met een kleine spade eenige kruiden en planten uit den grond te rukken. Hij glimlachte, en borg zijn pistool wederom in den gordel. Hij had den dokter herkend, die zich met hartstochtelijken ijver aan zijne lievelingstudie overgaf.Deze, van zijn kant, had hem niet opgemerkt.Na hem een oogenblik minachtend te hebben aangezien, keerde de roover hem den rug toe, tot hem eene gedachte inviel, die hem weder bewoog, den dokter te naderen; hij klopte hem thans vrij onzacht op den schouder. Bij deze ruwe aanraking richtte de dokter zich verschrikt op, en liet van angst zijne spade en al zijne planten vallen.»Hola, mijn brave,” zeide de kapitein spottend, »welk eene razernij bezielt u toch, om altijd kruiden te zoeken, op ieder uur van den dag en van den nacht.”»Hoe?” antwoordde de geleerde; »wat bedoelt gij?”»Wel, dat is eenvoudig genoeg; weet gij dan niet dat het bijna middernacht is?”»Dat is waar,” antwoordde de geleerde onnoozel, »maar de maan schijnt zoo mooi!…”»Dat gij haar voor de zon hebt aangezien!” viel de roover hem lachend in de reden; »maar,” ging hij voort, eensklaps ernstig wordende, »dat is thans de vraag niet; ik heb mij laten wijsmaken, dat gij, ofschoon half krankzinnig, een vrij goed geneesheer zijt.”»Ik heb er examen voor afgelegd, mijnheer,” antwoordde de dokter, die zich beleedigd gevoelde.»Heel goed, gij zijt de man, dien ik noodig heb.”De dokter boog zich tegen wil en dank; het was duidelijk dat het hem maar half genoegen deed.»Wat verlangt gij?” vroeg hij; »zijt gij ziek?”»Ik niet, Goddank! maar een uwer vrienden, die op dit oogenblik mijn gevangene is; gij zult dus wel zoo goed zijn mij te willen volgen.”»Maar?…” wilde de dokter hem tegenwerpen.»Geen maren; volg mij, zoo gij niet wilt dat ik u de hersens insla; voor het overige kunt gij gerust zijn, geen leed zal u overkomen; mijne lieden zullen u al den eerbied bewijzen, waarop de wetenschap aanspraak heeft.”Ofschoon alle tegenstand onmogelijk was, koos toch de weerlooze man zijne partij zoo goedschiks, dat er een oogenblik zelfs een glimlach op zijne lippen zweefde, die den roover, zoo deze het gezien had, wel tot nadenken had kunnen brengen.De kapitein liet den dokter vóór zich uitgaan, en beiden haastten zich naar de rivier.[182]Op het oogenblik, dat zij de plek verlieten, waar hun onderhoud had plaats gehad, werden de takken van een kreupelboschje zorgvuldig uiteen geschoven, er kwam een geschoren hoofd uit te voorschijn, op welks kruin slechts een enkele lange haarvlecht met een veder er in was gespaard gebleven, vervolgens een bovenlijf, en toen een geheel mensch, die als een jaguar opsprong om hem te volgen.Het was de Arendskop. Hij was nu stilzwijgend getuige van de inscheping der beide blanken, zag hen in de grot gaan, verdween toen op zijne beurt in het woud, en mompelde zachtjes:»Oah!(goed!)” in de taal der Comanchen de uitdrukking der hoogste vreugde.De dokter had enkel tot lokaas gediend om den roover te misleiden, en hem in den strik te doen vallen, die voor hem gespannen was. Had nu de dokter eene overeenkomst gesloten met den Arendskop? Dat zullen wij weldra hooren.Den volgenden morgen bij het aanbreken van den dag, liet de roover een algemeene verkenning doen in den omtrek van de grot. Er was geen spoor te zien. De kapitein wreef zich de handen; zijne onderneming was dubbel geslaagd, daar hij de grot bereikt had, zonder achtervolgd te worden.Overtuigd dat hij niets te vreezen had, wilde hij niet zooveel manschappen werkeloos bij zich houden; hij stelde derhalve zijne bende voorloopig onder bevel van Frank, een ouden afgeleefden bandiet, in wien hij volkomen vertrouwen stelde, hield zelf slechts tien man bij zich en zond de rest weg. Van hoeveel belang de zaak ook zijn mocht, die hij thans onder handen had, wilde hij toch zijne overige bezigheden niet verwaarloozen, noch het brood der luiheid schenken aan een twintigtal bandieten, die, evenals hij, niets te doen hadden, en hem ieder oogenblik een slechten trek konden spelen. Men ziet, de kapitein was niet slechts een verstandig man, maar hij kende en doorgrondde ook zijne eerbiedwaardige bondgenooten.Toen de roovers de grot verlaten hadden, gaf de kapitein aan den dokter een teeken om hem te volgen, en bracht hem bij den generaal. Na hen met zijne gewone spottende beleefdheid aan elkander te hebben voorgesteld, verwijderde de bandiet zich, en liet hen alleen. Doch alvorens hij dit deed, haalde hij een pistool uit zijn gordel, en het op de borst van den geleerde zettende, zeide hij:»Gij zijt wel is waar een halve gek, maar met dat al zoudt gij wel eenigen natuurlijken aanleg kunnen bezitten, om mij te verraden, denk er dus aan, mijn brave heer, dat ik u bij de minste dubbelzinnige beweging, die ik u zie maken, de hersenpan zal laten springen; gij zijt gewaarschuwd, doe nu wat gij zult goedvinden.”Daarop zijn pistool weder in zijn gordel stekende, ging hij lachend weg.De dokter luisterde naar deze vermaning met een benauwd gezicht, doch niet zonder dat een flauwe glimlach zijne lippen plooide; gelukkig werd dit door den kapitein niet opgemerkt.[183]De generaal zat met zijn neger Jupiter in eene zaal, die ver van den ingang verwijderd was. Zij waren daar alleen. De kapitein had het niet noodig geacht hen van nabij te bewaken. Beiden op een bed van droge bladeren gezeten, waren in diep nadenken verzonken. Bij het zien van den geleerde, werd het somber gelaat van den generaal door een vluchtigen lichtstraal van hoop verhelderd.»Gij daar, dokter?” zeide hij, hem de hand toereikende, die de ander stilzwijgend drukte; »moet ik mij over uwe tegenwoordigheid verblijden of bedroeven?”»Zijn wij alleen?” vroeg de dokter, zonder op de vraag van den generaal te antwoorden.»Ik geloof het wel,” zeide hij verwonderd; »in ieder geval is het niet moeielijk u hieromtrent zekerheid te verschaffen.”De dokter tastte naar alle zijden rond, onderzocht nauwkeurig al de hoeken, en kwam eindelijk bij de gevangenen terug.»Wij kunnen praten,” zeide hij.De geleerde was gewoonlijk zoo verdiept in zijne wetenschappelijke berekeningen, hij was van natuur zoo afgetrokken, dat de gevangenen slechts weinig vertrouwen in hem stelden.»En mijne nicht?” vroeg de generaal bezorgd.»Stel u gerust; zij is in veiligheid bij een jager, Edelhart genaamd, die den diepsten eerbied voor haar koestert.”De generaal gevoelde zich verlicht, deze goede tijding gaf hem al zijn moed terug.»O,” zeide hij, »wat doet het er nu toe, of ik gevangen ben! nu mijne nicht gered is, kan ik alles verdragen.”»Neen, neen!” zeide de dokter levendig, »gij moet, wat het ook kostte, vóór morgen van hier ontvlucht zijn.”»Waarom?”»Antwoord mij eerst.”»Ik verlang niets liever.”»Uwe wonden schijnen mij nog al licht toe: zij zijn aan het genezen.”»Inderdaad!”»Meent gij in staat te zijn om te loopen?”»O, ja!”»Ja, maar begrijp mij wel, ik bedoel om een lange reis te ondernemen?”»Nu, nu!” zeide de neger, die tot nog toe gezwegen had, »ben ik dan niet sterk genoeg, om mijn meester te dragen, als hij niet meer loopen kan?”De dokter drukte hem de hand.»Dat is waar! Ter zake dus,” zeide de dokter; »gij moet van hier.”»Goed; maar hoe?”»Ja, hoe?” zeide de geleerde, zich tegen het voorhoofd slaande;[184]»hoe? dat weet ik niet. Maar wees gerust, ik zal wel een middel vinden.”Men hoorde voetstappen naderen; de kapitein kwam te voorschijn.»Welnu,” vroeg hij, »hoe gaat het met den zieke?”»Niet al te best,” antwoordde de dokter.»Kom, kom,” hernam de roover, »dat zal zich wel schikken; bovendien, de generaal zal weldra vrij zijn, dan kan hij zich op zijn gemak laten verzorgen. Kom nu mede, dokter, ik denk dat ik u thans lang genoeg met uw vriend heb laten praten.”De dokter volgde hem zonder te antwoorden, na den generaal met een laatste gebaar tot voorzichtigheid te hebben aangespoord.De dag liep ongestoord ten einde. De gevangenen wachtten met ongeduld den nacht af; huns ondanks was hun vertrouwen in den dokter hersteld: zij hoopten. Tegen den avond keerde de waardige geleerde terug. Hij kwam op een fermen draf aanstappen, met een gelaat dat van vreugde schitterde, en met eene toorts in de hand.»Hé, dokter! wat is er dan toch?” vroeg de generaal; »gij ziet er zoo verheugd uit.”»Ik ben ook verheugd, generaal,” antwoordde hij glimlachend, »omdatik een middel gevonden heb, om u te laten ontsnappen en mijzelven ook, wel te verstaan!”»En dat middel is …”»Is reeds voor de helft ten uitvoer gebracht,” zeide hij met een klein droog lachje, dat hem eigen was, als hij zich in zijn schik gevoelde.»Wat wilt gij daarmede zeggen?”»Wel, de zaak is heel eenvoudig, maar gij zult haar nooit raden; al de bandieten slapen; wij zijn meester van de grot.”»Zou het mogelijk zijn? maar als zij eens wakker worden?”»O, wees daarvoor niet bang; zij zullen wakker worden? dat is zeker; maar niet alvorens wij ten minste zes uur verder zijn.”»Hoe dat?”»Omdat ik zelf hun een slaapdrank ingeschonken heb; dat is te zeggen, bij hun avondmaal heb ik hun een afkooksel van opium toegediend, dat hen, als looden blokken in elkaâr heeft doen zakken, zoodat zij nu als ossen liggen te ronken.”»O, dat is onverbeterlijk!” riep de generaal uit.»Is het niet?” zeide de dokter zedig; »ja, ik heb het kwaad willen herstellen, dat ik door mijne achteloosheid heb veroorzaakt! Ik ben geen soldaat, ik ben maar een arm geneesheer; ik heb vanmijnewapenen gebruik gemaakt; gij ziet dat zij soms even goed zijn als andere.”»Zij zijn honderdmaal beter! Dokter, gij zijt een aanbiddenswaardig man.”»Kom dan, maken wij voort! laat ons geen tijd verliezen.”[185]»Ja, laat ons gaan! maar wat hebt gij met den kapitein gedaan?”»De kapitein? de duivel moge weten, waar hij is. Hij heeft ons dezen namiddag verlaten, zonder iemand iets te zeggen; maar ik vermoed waar hij is, en als ik mij niet zeer bedrieg, zullen wij hem weldra zien.”»Nu, alles gaat zoo goed als het maar kan, op weg!”De drie mannen begaven zich op marsch. Ondanks al de door den dokter genomen voorzorgen, waren de generaal en de neger niet volkomen gerust. Zij kwamen aan de zaal, die den bandieten tot slaapplaats verstrekte; deze lagen hier en daar verspreid. De vluchtelingen gingen hen voorbij.Bij den ingang der grot komende, zagen zij op het oogenblik, dat zij het vlot losmaakten, om de rivier over te steken, bij het bleeke licht der maan een ander vlot, met ongeveer vijftien man beladen, langzaam op hen afkomen. De weg was hun alzoo afgesneden. Hoe zouden zij aan zulk een groot aantal vijanden weêrstand bieden?»Helaas, helaas!” zuchtte de generaal wanhopig.»O,” zeide de dokter op jammerenden toon, »het was zulk een goed plan, en het had mij zooveel moeite en arbeid gekost!”De vluchtelingen wierpen zich in eene hinderlaag van rotsen, ten einde niet opgemerkt te worden, en met kloppende harten wachtten zij het ontschepen der aankomelingen af, wier bewegingen hun hoe langer hoe meer argwaan begonnen in te boezemen.

[Inhoud]XII.DE KRIJGSLIST.Na het zonderlinge voorstel, dat hij aan de jagers gedaan had, was de rooverhoofdman in allerijl naar zijne schuilplaats teruggekeerd.Maar hij was al te zeer aan het leven der prairiën gewoon, om niet te weten, dat verscheidene zijner vijanden van verre zijn spoor zouden volgen. Ook bracht hij om hen te misleiden alle listen in praktijk, die zijn vindingrijke geest hem aanbood, door tallooze omwegen te maken, gedurig op zijne schreden terug te keeren, en gelijk men zegt, tien schreden achteruit te loopen, om er een vóóruit te komen. Deze vele voorzorgen hadden zijn loop zeer vertraagd. Aan de oevers der rivier gekomen, wier golven den ingang der grot bespoelden, wierp hij een laatsten blik om zich heen, om zich te verzekeren dat geen onbescheiden oog zijne bewegingen gadesloeg. Alles was stil; niets wekte zijn argwaan op, hij maakte zich gereed om een vlot, dat onder[181]de struiken verscholen was, te water te brengen, toen een licht gedruisch zijne aandacht trok.De roover sidderde, greep naar een pistool, laadde het en ging moedig af op de plek, van waar het gedruisch kwam. Hij zag een man, bezig om met een kleine spade eenige kruiden en planten uit den grond te rukken. Hij glimlachte, en borg zijn pistool wederom in den gordel. Hij had den dokter herkend, die zich met hartstochtelijken ijver aan zijne lievelingstudie overgaf.Deze, van zijn kant, had hem niet opgemerkt.Na hem een oogenblik minachtend te hebben aangezien, keerde de roover hem den rug toe, tot hem eene gedachte inviel, die hem weder bewoog, den dokter te naderen; hij klopte hem thans vrij onzacht op den schouder. Bij deze ruwe aanraking richtte de dokter zich verschrikt op, en liet van angst zijne spade en al zijne planten vallen.»Hola, mijn brave,” zeide de kapitein spottend, »welk eene razernij bezielt u toch, om altijd kruiden te zoeken, op ieder uur van den dag en van den nacht.”»Hoe?” antwoordde de geleerde; »wat bedoelt gij?”»Wel, dat is eenvoudig genoeg; weet gij dan niet dat het bijna middernacht is?”»Dat is waar,” antwoordde de geleerde onnoozel, »maar de maan schijnt zoo mooi!…”»Dat gij haar voor de zon hebt aangezien!” viel de roover hem lachend in de reden; »maar,” ging hij voort, eensklaps ernstig wordende, »dat is thans de vraag niet; ik heb mij laten wijsmaken, dat gij, ofschoon half krankzinnig, een vrij goed geneesheer zijt.”»Ik heb er examen voor afgelegd, mijnheer,” antwoordde de dokter, die zich beleedigd gevoelde.»Heel goed, gij zijt de man, dien ik noodig heb.”De dokter boog zich tegen wil en dank; het was duidelijk dat het hem maar half genoegen deed.»Wat verlangt gij?” vroeg hij; »zijt gij ziek?”»Ik niet, Goddank! maar een uwer vrienden, die op dit oogenblik mijn gevangene is; gij zult dus wel zoo goed zijn mij te willen volgen.”»Maar?…” wilde de dokter hem tegenwerpen.»Geen maren; volg mij, zoo gij niet wilt dat ik u de hersens insla; voor het overige kunt gij gerust zijn, geen leed zal u overkomen; mijne lieden zullen u al den eerbied bewijzen, waarop de wetenschap aanspraak heeft.”Ofschoon alle tegenstand onmogelijk was, koos toch de weerlooze man zijne partij zoo goedschiks, dat er een oogenblik zelfs een glimlach op zijne lippen zweefde, die den roover, zoo deze het gezien had, wel tot nadenken had kunnen brengen.De kapitein liet den dokter vóór zich uitgaan, en beiden haastten zich naar de rivier.[182]Op het oogenblik, dat zij de plek verlieten, waar hun onderhoud had plaats gehad, werden de takken van een kreupelboschje zorgvuldig uiteen geschoven, er kwam een geschoren hoofd uit te voorschijn, op welks kruin slechts een enkele lange haarvlecht met een veder er in was gespaard gebleven, vervolgens een bovenlijf, en toen een geheel mensch, die als een jaguar opsprong om hem te volgen.Het was de Arendskop. Hij was nu stilzwijgend getuige van de inscheping der beide blanken, zag hen in de grot gaan, verdween toen op zijne beurt in het woud, en mompelde zachtjes:»Oah!(goed!)” in de taal der Comanchen de uitdrukking der hoogste vreugde.De dokter had enkel tot lokaas gediend om den roover te misleiden, en hem in den strik te doen vallen, die voor hem gespannen was. Had nu de dokter eene overeenkomst gesloten met den Arendskop? Dat zullen wij weldra hooren.Den volgenden morgen bij het aanbreken van den dag, liet de roover een algemeene verkenning doen in den omtrek van de grot. Er was geen spoor te zien. De kapitein wreef zich de handen; zijne onderneming was dubbel geslaagd, daar hij de grot bereikt had, zonder achtervolgd te worden.Overtuigd dat hij niets te vreezen had, wilde hij niet zooveel manschappen werkeloos bij zich houden; hij stelde derhalve zijne bende voorloopig onder bevel van Frank, een ouden afgeleefden bandiet, in wien hij volkomen vertrouwen stelde, hield zelf slechts tien man bij zich en zond de rest weg. Van hoeveel belang de zaak ook zijn mocht, die hij thans onder handen had, wilde hij toch zijne overige bezigheden niet verwaarloozen, noch het brood der luiheid schenken aan een twintigtal bandieten, die, evenals hij, niets te doen hadden, en hem ieder oogenblik een slechten trek konden spelen. Men ziet, de kapitein was niet slechts een verstandig man, maar hij kende en doorgrondde ook zijne eerbiedwaardige bondgenooten.Toen de roovers de grot verlaten hadden, gaf de kapitein aan den dokter een teeken om hem te volgen, en bracht hem bij den generaal. Na hen met zijne gewone spottende beleefdheid aan elkander te hebben voorgesteld, verwijderde de bandiet zich, en liet hen alleen. Doch alvorens hij dit deed, haalde hij een pistool uit zijn gordel, en het op de borst van den geleerde zettende, zeide hij:»Gij zijt wel is waar een halve gek, maar met dat al zoudt gij wel eenigen natuurlijken aanleg kunnen bezitten, om mij te verraden, denk er dus aan, mijn brave heer, dat ik u bij de minste dubbelzinnige beweging, die ik u zie maken, de hersenpan zal laten springen; gij zijt gewaarschuwd, doe nu wat gij zult goedvinden.”Daarop zijn pistool weder in zijn gordel stekende, ging hij lachend weg.De dokter luisterde naar deze vermaning met een benauwd gezicht, doch niet zonder dat een flauwe glimlach zijne lippen plooide; gelukkig werd dit door den kapitein niet opgemerkt.[183]De generaal zat met zijn neger Jupiter in eene zaal, die ver van den ingang verwijderd was. Zij waren daar alleen. De kapitein had het niet noodig geacht hen van nabij te bewaken. Beiden op een bed van droge bladeren gezeten, waren in diep nadenken verzonken. Bij het zien van den geleerde, werd het somber gelaat van den generaal door een vluchtigen lichtstraal van hoop verhelderd.»Gij daar, dokter?” zeide hij, hem de hand toereikende, die de ander stilzwijgend drukte; »moet ik mij over uwe tegenwoordigheid verblijden of bedroeven?”»Zijn wij alleen?” vroeg de dokter, zonder op de vraag van den generaal te antwoorden.»Ik geloof het wel,” zeide hij verwonderd; »in ieder geval is het niet moeielijk u hieromtrent zekerheid te verschaffen.”De dokter tastte naar alle zijden rond, onderzocht nauwkeurig al de hoeken, en kwam eindelijk bij de gevangenen terug.»Wij kunnen praten,” zeide hij.De geleerde was gewoonlijk zoo verdiept in zijne wetenschappelijke berekeningen, hij was van natuur zoo afgetrokken, dat de gevangenen slechts weinig vertrouwen in hem stelden.»En mijne nicht?” vroeg de generaal bezorgd.»Stel u gerust; zij is in veiligheid bij een jager, Edelhart genaamd, die den diepsten eerbied voor haar koestert.”De generaal gevoelde zich verlicht, deze goede tijding gaf hem al zijn moed terug.»O,” zeide hij, »wat doet het er nu toe, of ik gevangen ben! nu mijne nicht gered is, kan ik alles verdragen.”»Neen, neen!” zeide de dokter levendig, »gij moet, wat het ook kostte, vóór morgen van hier ontvlucht zijn.”»Waarom?”»Antwoord mij eerst.”»Ik verlang niets liever.”»Uwe wonden schijnen mij nog al licht toe: zij zijn aan het genezen.”»Inderdaad!”»Meent gij in staat te zijn om te loopen?”»O, ja!”»Ja, maar begrijp mij wel, ik bedoel om een lange reis te ondernemen?”»Nu, nu!” zeide de neger, die tot nog toe gezwegen had, »ben ik dan niet sterk genoeg, om mijn meester te dragen, als hij niet meer loopen kan?”De dokter drukte hem de hand.»Dat is waar! Ter zake dus,” zeide de dokter; »gij moet van hier.”»Goed; maar hoe?”»Ja, hoe?” zeide de geleerde, zich tegen het voorhoofd slaande;[184]»hoe? dat weet ik niet. Maar wees gerust, ik zal wel een middel vinden.”Men hoorde voetstappen naderen; de kapitein kwam te voorschijn.»Welnu,” vroeg hij, »hoe gaat het met den zieke?”»Niet al te best,” antwoordde de dokter.»Kom, kom,” hernam de roover, »dat zal zich wel schikken; bovendien, de generaal zal weldra vrij zijn, dan kan hij zich op zijn gemak laten verzorgen. Kom nu mede, dokter, ik denk dat ik u thans lang genoeg met uw vriend heb laten praten.”De dokter volgde hem zonder te antwoorden, na den generaal met een laatste gebaar tot voorzichtigheid te hebben aangespoord.De dag liep ongestoord ten einde. De gevangenen wachtten met ongeduld den nacht af; huns ondanks was hun vertrouwen in den dokter hersteld: zij hoopten. Tegen den avond keerde de waardige geleerde terug. Hij kwam op een fermen draf aanstappen, met een gelaat dat van vreugde schitterde, en met eene toorts in de hand.»Hé, dokter! wat is er dan toch?” vroeg de generaal; »gij ziet er zoo verheugd uit.”»Ik ben ook verheugd, generaal,” antwoordde hij glimlachend, »omdatik een middel gevonden heb, om u te laten ontsnappen en mijzelven ook, wel te verstaan!”»En dat middel is …”»Is reeds voor de helft ten uitvoer gebracht,” zeide hij met een klein droog lachje, dat hem eigen was, als hij zich in zijn schik gevoelde.»Wat wilt gij daarmede zeggen?”»Wel, de zaak is heel eenvoudig, maar gij zult haar nooit raden; al de bandieten slapen; wij zijn meester van de grot.”»Zou het mogelijk zijn? maar als zij eens wakker worden?”»O, wees daarvoor niet bang; zij zullen wakker worden? dat is zeker; maar niet alvorens wij ten minste zes uur verder zijn.”»Hoe dat?”»Omdat ik zelf hun een slaapdrank ingeschonken heb; dat is te zeggen, bij hun avondmaal heb ik hun een afkooksel van opium toegediend, dat hen, als looden blokken in elkaâr heeft doen zakken, zoodat zij nu als ossen liggen te ronken.”»O, dat is onverbeterlijk!” riep de generaal uit.»Is het niet?” zeide de dokter zedig; »ja, ik heb het kwaad willen herstellen, dat ik door mijne achteloosheid heb veroorzaakt! Ik ben geen soldaat, ik ben maar een arm geneesheer; ik heb vanmijnewapenen gebruik gemaakt; gij ziet dat zij soms even goed zijn als andere.”»Zij zijn honderdmaal beter! Dokter, gij zijt een aanbiddenswaardig man.”»Kom dan, maken wij voort! laat ons geen tijd verliezen.”[185]»Ja, laat ons gaan! maar wat hebt gij met den kapitein gedaan?”»De kapitein? de duivel moge weten, waar hij is. Hij heeft ons dezen namiddag verlaten, zonder iemand iets te zeggen; maar ik vermoed waar hij is, en als ik mij niet zeer bedrieg, zullen wij hem weldra zien.”»Nu, alles gaat zoo goed als het maar kan, op weg!”De drie mannen begaven zich op marsch. Ondanks al de door den dokter genomen voorzorgen, waren de generaal en de neger niet volkomen gerust. Zij kwamen aan de zaal, die den bandieten tot slaapplaats verstrekte; deze lagen hier en daar verspreid. De vluchtelingen gingen hen voorbij.Bij den ingang der grot komende, zagen zij op het oogenblik, dat zij het vlot losmaakten, om de rivier over te steken, bij het bleeke licht der maan een ander vlot, met ongeveer vijftien man beladen, langzaam op hen afkomen. De weg was hun alzoo afgesneden. Hoe zouden zij aan zulk een groot aantal vijanden weêrstand bieden?»Helaas, helaas!” zuchtte de generaal wanhopig.»O,” zeide de dokter op jammerenden toon, »het was zulk een goed plan, en het had mij zooveel moeite en arbeid gekost!”De vluchtelingen wierpen zich in eene hinderlaag van rotsen, ten einde niet opgemerkt te worden, en met kloppende harten wachtten zij het ontschepen der aankomelingen af, wier bewegingen hun hoe langer hoe meer argwaan begonnen in te boezemen.

XII.DE KRIJGSLIST.

Na het zonderlinge voorstel, dat hij aan de jagers gedaan had, was de rooverhoofdman in allerijl naar zijne schuilplaats teruggekeerd.Maar hij was al te zeer aan het leven der prairiën gewoon, om niet te weten, dat verscheidene zijner vijanden van verre zijn spoor zouden volgen. Ook bracht hij om hen te misleiden alle listen in praktijk, die zijn vindingrijke geest hem aanbood, door tallooze omwegen te maken, gedurig op zijne schreden terug te keeren, en gelijk men zegt, tien schreden achteruit te loopen, om er een vóóruit te komen. Deze vele voorzorgen hadden zijn loop zeer vertraagd. Aan de oevers der rivier gekomen, wier golven den ingang der grot bespoelden, wierp hij een laatsten blik om zich heen, om zich te verzekeren dat geen onbescheiden oog zijne bewegingen gadesloeg. Alles was stil; niets wekte zijn argwaan op, hij maakte zich gereed om een vlot, dat onder[181]de struiken verscholen was, te water te brengen, toen een licht gedruisch zijne aandacht trok.De roover sidderde, greep naar een pistool, laadde het en ging moedig af op de plek, van waar het gedruisch kwam. Hij zag een man, bezig om met een kleine spade eenige kruiden en planten uit den grond te rukken. Hij glimlachte, en borg zijn pistool wederom in den gordel. Hij had den dokter herkend, die zich met hartstochtelijken ijver aan zijne lievelingstudie overgaf.Deze, van zijn kant, had hem niet opgemerkt.Na hem een oogenblik minachtend te hebben aangezien, keerde de roover hem den rug toe, tot hem eene gedachte inviel, die hem weder bewoog, den dokter te naderen; hij klopte hem thans vrij onzacht op den schouder. Bij deze ruwe aanraking richtte de dokter zich verschrikt op, en liet van angst zijne spade en al zijne planten vallen.»Hola, mijn brave,” zeide de kapitein spottend, »welk eene razernij bezielt u toch, om altijd kruiden te zoeken, op ieder uur van den dag en van den nacht.”»Hoe?” antwoordde de geleerde; »wat bedoelt gij?”»Wel, dat is eenvoudig genoeg; weet gij dan niet dat het bijna middernacht is?”»Dat is waar,” antwoordde de geleerde onnoozel, »maar de maan schijnt zoo mooi!…”»Dat gij haar voor de zon hebt aangezien!” viel de roover hem lachend in de reden; »maar,” ging hij voort, eensklaps ernstig wordende, »dat is thans de vraag niet; ik heb mij laten wijsmaken, dat gij, ofschoon half krankzinnig, een vrij goed geneesheer zijt.”»Ik heb er examen voor afgelegd, mijnheer,” antwoordde de dokter, die zich beleedigd gevoelde.»Heel goed, gij zijt de man, dien ik noodig heb.”De dokter boog zich tegen wil en dank; het was duidelijk dat het hem maar half genoegen deed.»Wat verlangt gij?” vroeg hij; »zijt gij ziek?”»Ik niet, Goddank! maar een uwer vrienden, die op dit oogenblik mijn gevangene is; gij zult dus wel zoo goed zijn mij te willen volgen.”»Maar?…” wilde de dokter hem tegenwerpen.»Geen maren; volg mij, zoo gij niet wilt dat ik u de hersens insla; voor het overige kunt gij gerust zijn, geen leed zal u overkomen; mijne lieden zullen u al den eerbied bewijzen, waarop de wetenschap aanspraak heeft.”Ofschoon alle tegenstand onmogelijk was, koos toch de weerlooze man zijne partij zoo goedschiks, dat er een oogenblik zelfs een glimlach op zijne lippen zweefde, die den roover, zoo deze het gezien had, wel tot nadenken had kunnen brengen.De kapitein liet den dokter vóór zich uitgaan, en beiden haastten zich naar de rivier.[182]Op het oogenblik, dat zij de plek verlieten, waar hun onderhoud had plaats gehad, werden de takken van een kreupelboschje zorgvuldig uiteen geschoven, er kwam een geschoren hoofd uit te voorschijn, op welks kruin slechts een enkele lange haarvlecht met een veder er in was gespaard gebleven, vervolgens een bovenlijf, en toen een geheel mensch, die als een jaguar opsprong om hem te volgen.Het was de Arendskop. Hij was nu stilzwijgend getuige van de inscheping der beide blanken, zag hen in de grot gaan, verdween toen op zijne beurt in het woud, en mompelde zachtjes:»Oah!(goed!)” in de taal der Comanchen de uitdrukking der hoogste vreugde.De dokter had enkel tot lokaas gediend om den roover te misleiden, en hem in den strik te doen vallen, die voor hem gespannen was. Had nu de dokter eene overeenkomst gesloten met den Arendskop? Dat zullen wij weldra hooren.Den volgenden morgen bij het aanbreken van den dag, liet de roover een algemeene verkenning doen in den omtrek van de grot. Er was geen spoor te zien. De kapitein wreef zich de handen; zijne onderneming was dubbel geslaagd, daar hij de grot bereikt had, zonder achtervolgd te worden.Overtuigd dat hij niets te vreezen had, wilde hij niet zooveel manschappen werkeloos bij zich houden; hij stelde derhalve zijne bende voorloopig onder bevel van Frank, een ouden afgeleefden bandiet, in wien hij volkomen vertrouwen stelde, hield zelf slechts tien man bij zich en zond de rest weg. Van hoeveel belang de zaak ook zijn mocht, die hij thans onder handen had, wilde hij toch zijne overige bezigheden niet verwaarloozen, noch het brood der luiheid schenken aan een twintigtal bandieten, die, evenals hij, niets te doen hadden, en hem ieder oogenblik een slechten trek konden spelen. Men ziet, de kapitein was niet slechts een verstandig man, maar hij kende en doorgrondde ook zijne eerbiedwaardige bondgenooten.Toen de roovers de grot verlaten hadden, gaf de kapitein aan den dokter een teeken om hem te volgen, en bracht hem bij den generaal. Na hen met zijne gewone spottende beleefdheid aan elkander te hebben voorgesteld, verwijderde de bandiet zich, en liet hen alleen. Doch alvorens hij dit deed, haalde hij een pistool uit zijn gordel, en het op de borst van den geleerde zettende, zeide hij:»Gij zijt wel is waar een halve gek, maar met dat al zoudt gij wel eenigen natuurlijken aanleg kunnen bezitten, om mij te verraden, denk er dus aan, mijn brave heer, dat ik u bij de minste dubbelzinnige beweging, die ik u zie maken, de hersenpan zal laten springen; gij zijt gewaarschuwd, doe nu wat gij zult goedvinden.”Daarop zijn pistool weder in zijn gordel stekende, ging hij lachend weg.De dokter luisterde naar deze vermaning met een benauwd gezicht, doch niet zonder dat een flauwe glimlach zijne lippen plooide; gelukkig werd dit door den kapitein niet opgemerkt.[183]De generaal zat met zijn neger Jupiter in eene zaal, die ver van den ingang verwijderd was. Zij waren daar alleen. De kapitein had het niet noodig geacht hen van nabij te bewaken. Beiden op een bed van droge bladeren gezeten, waren in diep nadenken verzonken. Bij het zien van den geleerde, werd het somber gelaat van den generaal door een vluchtigen lichtstraal van hoop verhelderd.»Gij daar, dokter?” zeide hij, hem de hand toereikende, die de ander stilzwijgend drukte; »moet ik mij over uwe tegenwoordigheid verblijden of bedroeven?”»Zijn wij alleen?” vroeg de dokter, zonder op de vraag van den generaal te antwoorden.»Ik geloof het wel,” zeide hij verwonderd; »in ieder geval is het niet moeielijk u hieromtrent zekerheid te verschaffen.”De dokter tastte naar alle zijden rond, onderzocht nauwkeurig al de hoeken, en kwam eindelijk bij de gevangenen terug.»Wij kunnen praten,” zeide hij.De geleerde was gewoonlijk zoo verdiept in zijne wetenschappelijke berekeningen, hij was van natuur zoo afgetrokken, dat de gevangenen slechts weinig vertrouwen in hem stelden.»En mijne nicht?” vroeg de generaal bezorgd.»Stel u gerust; zij is in veiligheid bij een jager, Edelhart genaamd, die den diepsten eerbied voor haar koestert.”De generaal gevoelde zich verlicht, deze goede tijding gaf hem al zijn moed terug.»O,” zeide hij, »wat doet het er nu toe, of ik gevangen ben! nu mijne nicht gered is, kan ik alles verdragen.”»Neen, neen!” zeide de dokter levendig, »gij moet, wat het ook kostte, vóór morgen van hier ontvlucht zijn.”»Waarom?”»Antwoord mij eerst.”»Ik verlang niets liever.”»Uwe wonden schijnen mij nog al licht toe: zij zijn aan het genezen.”»Inderdaad!”»Meent gij in staat te zijn om te loopen?”»O, ja!”»Ja, maar begrijp mij wel, ik bedoel om een lange reis te ondernemen?”»Nu, nu!” zeide de neger, die tot nog toe gezwegen had, »ben ik dan niet sterk genoeg, om mijn meester te dragen, als hij niet meer loopen kan?”De dokter drukte hem de hand.»Dat is waar! Ter zake dus,” zeide de dokter; »gij moet van hier.”»Goed; maar hoe?”»Ja, hoe?” zeide de geleerde, zich tegen het voorhoofd slaande;[184]»hoe? dat weet ik niet. Maar wees gerust, ik zal wel een middel vinden.”Men hoorde voetstappen naderen; de kapitein kwam te voorschijn.»Welnu,” vroeg hij, »hoe gaat het met den zieke?”»Niet al te best,” antwoordde de dokter.»Kom, kom,” hernam de roover, »dat zal zich wel schikken; bovendien, de generaal zal weldra vrij zijn, dan kan hij zich op zijn gemak laten verzorgen. Kom nu mede, dokter, ik denk dat ik u thans lang genoeg met uw vriend heb laten praten.”De dokter volgde hem zonder te antwoorden, na den generaal met een laatste gebaar tot voorzichtigheid te hebben aangespoord.De dag liep ongestoord ten einde. De gevangenen wachtten met ongeduld den nacht af; huns ondanks was hun vertrouwen in den dokter hersteld: zij hoopten. Tegen den avond keerde de waardige geleerde terug. Hij kwam op een fermen draf aanstappen, met een gelaat dat van vreugde schitterde, en met eene toorts in de hand.»Hé, dokter! wat is er dan toch?” vroeg de generaal; »gij ziet er zoo verheugd uit.”»Ik ben ook verheugd, generaal,” antwoordde hij glimlachend, »omdatik een middel gevonden heb, om u te laten ontsnappen en mijzelven ook, wel te verstaan!”»En dat middel is …”»Is reeds voor de helft ten uitvoer gebracht,” zeide hij met een klein droog lachje, dat hem eigen was, als hij zich in zijn schik gevoelde.»Wat wilt gij daarmede zeggen?”»Wel, de zaak is heel eenvoudig, maar gij zult haar nooit raden; al de bandieten slapen; wij zijn meester van de grot.”»Zou het mogelijk zijn? maar als zij eens wakker worden?”»O, wees daarvoor niet bang; zij zullen wakker worden? dat is zeker; maar niet alvorens wij ten minste zes uur verder zijn.”»Hoe dat?”»Omdat ik zelf hun een slaapdrank ingeschonken heb; dat is te zeggen, bij hun avondmaal heb ik hun een afkooksel van opium toegediend, dat hen, als looden blokken in elkaâr heeft doen zakken, zoodat zij nu als ossen liggen te ronken.”»O, dat is onverbeterlijk!” riep de generaal uit.»Is het niet?” zeide de dokter zedig; »ja, ik heb het kwaad willen herstellen, dat ik door mijne achteloosheid heb veroorzaakt! Ik ben geen soldaat, ik ben maar een arm geneesheer; ik heb vanmijnewapenen gebruik gemaakt; gij ziet dat zij soms even goed zijn als andere.”»Zij zijn honderdmaal beter! Dokter, gij zijt een aanbiddenswaardig man.”»Kom dan, maken wij voort! laat ons geen tijd verliezen.”[185]»Ja, laat ons gaan! maar wat hebt gij met den kapitein gedaan?”»De kapitein? de duivel moge weten, waar hij is. Hij heeft ons dezen namiddag verlaten, zonder iemand iets te zeggen; maar ik vermoed waar hij is, en als ik mij niet zeer bedrieg, zullen wij hem weldra zien.”»Nu, alles gaat zoo goed als het maar kan, op weg!”De drie mannen begaven zich op marsch. Ondanks al de door den dokter genomen voorzorgen, waren de generaal en de neger niet volkomen gerust. Zij kwamen aan de zaal, die den bandieten tot slaapplaats verstrekte; deze lagen hier en daar verspreid. De vluchtelingen gingen hen voorbij.Bij den ingang der grot komende, zagen zij op het oogenblik, dat zij het vlot losmaakten, om de rivier over te steken, bij het bleeke licht der maan een ander vlot, met ongeveer vijftien man beladen, langzaam op hen afkomen. De weg was hun alzoo afgesneden. Hoe zouden zij aan zulk een groot aantal vijanden weêrstand bieden?»Helaas, helaas!” zuchtte de generaal wanhopig.»O,” zeide de dokter op jammerenden toon, »het was zulk een goed plan, en het had mij zooveel moeite en arbeid gekost!”De vluchtelingen wierpen zich in eene hinderlaag van rotsen, ten einde niet opgemerkt te worden, en met kloppende harten wachtten zij het ontschepen der aankomelingen af, wier bewegingen hun hoe langer hoe meer argwaan begonnen in te boezemen.

Na het zonderlinge voorstel, dat hij aan de jagers gedaan had, was de rooverhoofdman in allerijl naar zijne schuilplaats teruggekeerd.

Maar hij was al te zeer aan het leven der prairiën gewoon, om niet te weten, dat verscheidene zijner vijanden van verre zijn spoor zouden volgen. Ook bracht hij om hen te misleiden alle listen in praktijk, die zijn vindingrijke geest hem aanbood, door tallooze omwegen te maken, gedurig op zijne schreden terug te keeren, en gelijk men zegt, tien schreden achteruit te loopen, om er een vóóruit te komen. Deze vele voorzorgen hadden zijn loop zeer vertraagd. Aan de oevers der rivier gekomen, wier golven den ingang der grot bespoelden, wierp hij een laatsten blik om zich heen, om zich te verzekeren dat geen onbescheiden oog zijne bewegingen gadesloeg. Alles was stil; niets wekte zijn argwaan op, hij maakte zich gereed om een vlot, dat onder[181]de struiken verscholen was, te water te brengen, toen een licht gedruisch zijne aandacht trok.

De roover sidderde, greep naar een pistool, laadde het en ging moedig af op de plek, van waar het gedruisch kwam. Hij zag een man, bezig om met een kleine spade eenige kruiden en planten uit den grond te rukken. Hij glimlachte, en borg zijn pistool wederom in den gordel. Hij had den dokter herkend, die zich met hartstochtelijken ijver aan zijne lievelingstudie overgaf.

Deze, van zijn kant, had hem niet opgemerkt.

Na hem een oogenblik minachtend te hebben aangezien, keerde de roover hem den rug toe, tot hem eene gedachte inviel, die hem weder bewoog, den dokter te naderen; hij klopte hem thans vrij onzacht op den schouder. Bij deze ruwe aanraking richtte de dokter zich verschrikt op, en liet van angst zijne spade en al zijne planten vallen.

»Hola, mijn brave,” zeide de kapitein spottend, »welk eene razernij bezielt u toch, om altijd kruiden te zoeken, op ieder uur van den dag en van den nacht.”

»Hoe?” antwoordde de geleerde; »wat bedoelt gij?”

»Wel, dat is eenvoudig genoeg; weet gij dan niet dat het bijna middernacht is?”

»Dat is waar,” antwoordde de geleerde onnoozel, »maar de maan schijnt zoo mooi!…”

»Dat gij haar voor de zon hebt aangezien!” viel de roover hem lachend in de reden; »maar,” ging hij voort, eensklaps ernstig wordende, »dat is thans de vraag niet; ik heb mij laten wijsmaken, dat gij, ofschoon half krankzinnig, een vrij goed geneesheer zijt.”

»Ik heb er examen voor afgelegd, mijnheer,” antwoordde de dokter, die zich beleedigd gevoelde.

»Heel goed, gij zijt de man, dien ik noodig heb.”

De dokter boog zich tegen wil en dank; het was duidelijk dat het hem maar half genoegen deed.

»Wat verlangt gij?” vroeg hij; »zijt gij ziek?”

»Ik niet, Goddank! maar een uwer vrienden, die op dit oogenblik mijn gevangene is; gij zult dus wel zoo goed zijn mij te willen volgen.”

»Maar?…” wilde de dokter hem tegenwerpen.

»Geen maren; volg mij, zoo gij niet wilt dat ik u de hersens insla; voor het overige kunt gij gerust zijn, geen leed zal u overkomen; mijne lieden zullen u al den eerbied bewijzen, waarop de wetenschap aanspraak heeft.”

Ofschoon alle tegenstand onmogelijk was, koos toch de weerlooze man zijne partij zoo goedschiks, dat er een oogenblik zelfs een glimlach op zijne lippen zweefde, die den roover, zoo deze het gezien had, wel tot nadenken had kunnen brengen.

De kapitein liet den dokter vóór zich uitgaan, en beiden haastten zich naar de rivier.[182]

Op het oogenblik, dat zij de plek verlieten, waar hun onderhoud had plaats gehad, werden de takken van een kreupelboschje zorgvuldig uiteen geschoven, er kwam een geschoren hoofd uit te voorschijn, op welks kruin slechts een enkele lange haarvlecht met een veder er in was gespaard gebleven, vervolgens een bovenlijf, en toen een geheel mensch, die als een jaguar opsprong om hem te volgen.

Het was de Arendskop. Hij was nu stilzwijgend getuige van de inscheping der beide blanken, zag hen in de grot gaan, verdween toen op zijne beurt in het woud, en mompelde zachtjes:

»Oah!(goed!)” in de taal der Comanchen de uitdrukking der hoogste vreugde.

De dokter had enkel tot lokaas gediend om den roover te misleiden, en hem in den strik te doen vallen, die voor hem gespannen was. Had nu de dokter eene overeenkomst gesloten met den Arendskop? Dat zullen wij weldra hooren.

Den volgenden morgen bij het aanbreken van den dag, liet de roover een algemeene verkenning doen in den omtrek van de grot. Er was geen spoor te zien. De kapitein wreef zich de handen; zijne onderneming was dubbel geslaagd, daar hij de grot bereikt had, zonder achtervolgd te worden.

Overtuigd dat hij niets te vreezen had, wilde hij niet zooveel manschappen werkeloos bij zich houden; hij stelde derhalve zijne bende voorloopig onder bevel van Frank, een ouden afgeleefden bandiet, in wien hij volkomen vertrouwen stelde, hield zelf slechts tien man bij zich en zond de rest weg. Van hoeveel belang de zaak ook zijn mocht, die hij thans onder handen had, wilde hij toch zijne overige bezigheden niet verwaarloozen, noch het brood der luiheid schenken aan een twintigtal bandieten, die, evenals hij, niets te doen hadden, en hem ieder oogenblik een slechten trek konden spelen. Men ziet, de kapitein was niet slechts een verstandig man, maar hij kende en doorgrondde ook zijne eerbiedwaardige bondgenooten.

Toen de roovers de grot verlaten hadden, gaf de kapitein aan den dokter een teeken om hem te volgen, en bracht hem bij den generaal. Na hen met zijne gewone spottende beleefdheid aan elkander te hebben voorgesteld, verwijderde de bandiet zich, en liet hen alleen. Doch alvorens hij dit deed, haalde hij een pistool uit zijn gordel, en het op de borst van den geleerde zettende, zeide hij:

»Gij zijt wel is waar een halve gek, maar met dat al zoudt gij wel eenigen natuurlijken aanleg kunnen bezitten, om mij te verraden, denk er dus aan, mijn brave heer, dat ik u bij de minste dubbelzinnige beweging, die ik u zie maken, de hersenpan zal laten springen; gij zijt gewaarschuwd, doe nu wat gij zult goedvinden.”

Daarop zijn pistool weder in zijn gordel stekende, ging hij lachend weg.

De dokter luisterde naar deze vermaning met een benauwd gezicht, doch niet zonder dat een flauwe glimlach zijne lippen plooide; gelukkig werd dit door den kapitein niet opgemerkt.[183]

De generaal zat met zijn neger Jupiter in eene zaal, die ver van den ingang verwijderd was. Zij waren daar alleen. De kapitein had het niet noodig geacht hen van nabij te bewaken. Beiden op een bed van droge bladeren gezeten, waren in diep nadenken verzonken. Bij het zien van den geleerde, werd het somber gelaat van den generaal door een vluchtigen lichtstraal van hoop verhelderd.

»Gij daar, dokter?” zeide hij, hem de hand toereikende, die de ander stilzwijgend drukte; »moet ik mij over uwe tegenwoordigheid verblijden of bedroeven?”

»Zijn wij alleen?” vroeg de dokter, zonder op de vraag van den generaal te antwoorden.

»Ik geloof het wel,” zeide hij verwonderd; »in ieder geval is het niet moeielijk u hieromtrent zekerheid te verschaffen.”

De dokter tastte naar alle zijden rond, onderzocht nauwkeurig al de hoeken, en kwam eindelijk bij de gevangenen terug.

»Wij kunnen praten,” zeide hij.

De geleerde was gewoonlijk zoo verdiept in zijne wetenschappelijke berekeningen, hij was van natuur zoo afgetrokken, dat de gevangenen slechts weinig vertrouwen in hem stelden.

»En mijne nicht?” vroeg de generaal bezorgd.

»Stel u gerust; zij is in veiligheid bij een jager, Edelhart genaamd, die den diepsten eerbied voor haar koestert.”

De generaal gevoelde zich verlicht, deze goede tijding gaf hem al zijn moed terug.

»O,” zeide hij, »wat doet het er nu toe, of ik gevangen ben! nu mijne nicht gered is, kan ik alles verdragen.”

»Neen, neen!” zeide de dokter levendig, »gij moet, wat het ook kostte, vóór morgen van hier ontvlucht zijn.”

»Waarom?”

»Antwoord mij eerst.”

»Ik verlang niets liever.”

»Uwe wonden schijnen mij nog al licht toe: zij zijn aan het genezen.”

»Inderdaad!”

»Meent gij in staat te zijn om te loopen?”

»O, ja!”

»Ja, maar begrijp mij wel, ik bedoel om een lange reis te ondernemen?”

»Nu, nu!” zeide de neger, die tot nog toe gezwegen had, »ben ik dan niet sterk genoeg, om mijn meester te dragen, als hij niet meer loopen kan?”

De dokter drukte hem de hand.

»Dat is waar! Ter zake dus,” zeide de dokter; »gij moet van hier.”

»Goed; maar hoe?”

»Ja, hoe?” zeide de geleerde, zich tegen het voorhoofd slaande;[184]»hoe? dat weet ik niet. Maar wees gerust, ik zal wel een middel vinden.”

Men hoorde voetstappen naderen; de kapitein kwam te voorschijn.

»Welnu,” vroeg hij, »hoe gaat het met den zieke?”

»Niet al te best,” antwoordde de dokter.

»Kom, kom,” hernam de roover, »dat zal zich wel schikken; bovendien, de generaal zal weldra vrij zijn, dan kan hij zich op zijn gemak laten verzorgen. Kom nu mede, dokter, ik denk dat ik u thans lang genoeg met uw vriend heb laten praten.”

De dokter volgde hem zonder te antwoorden, na den generaal met een laatste gebaar tot voorzichtigheid te hebben aangespoord.

De dag liep ongestoord ten einde. De gevangenen wachtten met ongeduld den nacht af; huns ondanks was hun vertrouwen in den dokter hersteld: zij hoopten. Tegen den avond keerde de waardige geleerde terug. Hij kwam op een fermen draf aanstappen, met een gelaat dat van vreugde schitterde, en met eene toorts in de hand.

»Hé, dokter! wat is er dan toch?” vroeg de generaal; »gij ziet er zoo verheugd uit.”

»Ik ben ook verheugd, generaal,” antwoordde hij glimlachend, »omdatik een middel gevonden heb, om u te laten ontsnappen en mijzelven ook, wel te verstaan!”

»En dat middel is …”

»Is reeds voor de helft ten uitvoer gebracht,” zeide hij met een klein droog lachje, dat hem eigen was, als hij zich in zijn schik gevoelde.

»Wat wilt gij daarmede zeggen?”

»Wel, de zaak is heel eenvoudig, maar gij zult haar nooit raden; al de bandieten slapen; wij zijn meester van de grot.”

»Zou het mogelijk zijn? maar als zij eens wakker worden?”

»O, wees daarvoor niet bang; zij zullen wakker worden? dat is zeker; maar niet alvorens wij ten minste zes uur verder zijn.”

»Hoe dat?”

»Omdat ik zelf hun een slaapdrank ingeschonken heb; dat is te zeggen, bij hun avondmaal heb ik hun een afkooksel van opium toegediend, dat hen, als looden blokken in elkaâr heeft doen zakken, zoodat zij nu als ossen liggen te ronken.”

»O, dat is onverbeterlijk!” riep de generaal uit.

»Is het niet?” zeide de dokter zedig; »ja, ik heb het kwaad willen herstellen, dat ik door mijne achteloosheid heb veroorzaakt! Ik ben geen soldaat, ik ben maar een arm geneesheer; ik heb vanmijnewapenen gebruik gemaakt; gij ziet dat zij soms even goed zijn als andere.”

»Zij zijn honderdmaal beter! Dokter, gij zijt een aanbiddenswaardig man.”

»Kom dan, maken wij voort! laat ons geen tijd verliezen.”[185]

»Ja, laat ons gaan! maar wat hebt gij met den kapitein gedaan?”

»De kapitein? de duivel moge weten, waar hij is. Hij heeft ons dezen namiddag verlaten, zonder iemand iets te zeggen; maar ik vermoed waar hij is, en als ik mij niet zeer bedrieg, zullen wij hem weldra zien.”

»Nu, alles gaat zoo goed als het maar kan, op weg!”

De drie mannen begaven zich op marsch. Ondanks al de door den dokter genomen voorzorgen, waren de generaal en de neger niet volkomen gerust. Zij kwamen aan de zaal, die den bandieten tot slaapplaats verstrekte; deze lagen hier en daar verspreid. De vluchtelingen gingen hen voorbij.

Bij den ingang der grot komende, zagen zij op het oogenblik, dat zij het vlot losmaakten, om de rivier over te steken, bij het bleeke licht der maan een ander vlot, met ongeveer vijftien man beladen, langzaam op hen afkomen. De weg was hun alzoo afgesneden. Hoe zouden zij aan zulk een groot aantal vijanden weêrstand bieden?

»Helaas, helaas!” zuchtte de generaal wanhopig.

»O,” zeide de dokter op jammerenden toon, »het was zulk een goed plan, en het had mij zooveel moeite en arbeid gekost!”

De vluchtelingen wierpen zich in eene hinderlaag van rotsen, ten einde niet opgemerkt te worden, en met kloppende harten wachtten zij het ontschepen der aankomelingen af, wier bewegingen hun hoe langer hoe meer argwaan begonnen in te boezemen.


Back to IndexNext