XV.

[Inhoud]XV.DE BEVERS.Het meisje schoof de wilgentakken weg, en met voorover gebogen hoofd, keek zij toe.De bevers hadden niet alleen, door gemeenschappelijken ijver, den loop der rivier, maar ook dien van alle beken, die er in uitliepen, gestremd, zoodat de omliggende grond geheel in een uitgestrekt moeras was herschapen. Een enkele bever werkte op dit oogenblik aan de hoofdsluis; maar weldra kwamen er nog vijf anderen met stukken hout, kluiten en takken aandragen. Met hun allen wendden zij zich nu naar een gedeelte van den dijk, dat, gelijk het meisje zag, herstelling noodig had. Zij legden hunne vracht op het gebrokene deel neder, en dompelden zich in het water, om bijna onmiddellijk weder boven te komen, ieder met een zekere hoeveelheid slik beladen, waarvan zij zich als van kalk bedienden, om de stukken hout en takken aan elkander te verbinden, dit gemetsel duurde zoolang, totdat de breuk geheel verdwenen was. Zoodra alles gereed was, schepten de nijvere dieren een oogenblik adem; zij vervolgden elkander in den vijver, doken onder of speelden op de oppervlakte, en sloegen het water, zoo hard zij konden met hunne staarten.DoñaLuz zag dit zonderlinge schouwspel met klimmende belangstelling aan. Zij had daar wel den geheelen dag willen blijven, om naar die vreemde dieren te zien.Terwijl deze bevers zich aldus vermaakten, kwamen er twee andere leden dier maatschappij te voorschijn. Een tijdlang zagen zij diepzinnig de spelen hunner makkers aan, zonder zelfs maar den schijn aan te nemen, of zij wilden mededoen; vervolgens tegen den kant opklimmende, niet ver van de plek waar de jager en het meisje op den uitkijk zaten, zetten zij zich op hun achterste pooten, leunden met de voorsten tegen een der jonge pijnboomen, en begonnen er de schors af te knagen. Nu en dan haalden zij er een klein stukje af, en hielden het tusschen de pooten, zonder van houding te veranderen; zij knabbelden er aan ongeveer met dezelfde verdraaiingen en grimassen, waarmede een aap een nootje oppeuzelt. Het klaarblijkelijk doel der bevers was den boom door te zagen, en zij werkten er met veel ijver aan. Het was een jonge pijnboom, zoo recht als een kaars, vrij hoog, en omstreeks 18 duim diameter dik, namelijk op de plaats waar zij er aan werkten. Zonder twijfel zouden zij hem[95]binnen kort geheel hebben doorgevijld, zoo niet de generaal, ongerust geworden over het lang uitblijven zijner nicht, besloten had haar te gaan zoeken, waardoor de bevers, verschrikt door het paardengetrappel, onderdoken en plotseling verdwenen.De generaal deed zijne nicht kleine verwijten over haar langdurige afwezigheid; maar het meisje, verrukt over hetgeen zij zag, bekommerde er zich niet veel om, en deed bij zich zelve de stille gelofte, om nog eenmaal onzichtbaar getuige te zijn van den arbeid der bevers.De kleine troep richtte zich, onder de leiding van den jager, naar de rancho, waarin hij haar eene schuilplaats aanbood tegen de gloeiende stralen der zon, die juist de middaghoogte had bereikt.DoñaLuz, wier nieuwsgierigheid, door het treffende schouwspel dat zij had bijgewoond, ten hoogste was opgewekt, stelde zich schadeloos voor de ongelukkige tusschenkomst van haar oom door den Zwarten Eland te ondervragen over de gewoonten der bevers en over de wijze waarop zij gevangen worden. De jager, evenals alle menschen, die gewoonlijk alleen zijn, haalde gaarne, wanneer de gelegenheid zich daartoe aanbood, zijn schade wat het praten betrof in; hij liet zich dan ook niet lang bidden.»O, o,Señorita,” zeide hij, »de Roodhuiden zeggen, dat de bever een mensch is die niet spreekt, en zij hebben gelijk; hij is wijs, voorzichtig, dapper, ijverig en zuinig. Als de winter komt, dan wordt het heele huishouden aan ’t werk gezet, om provisie op te doen; ouden en jongen, allen werken. Dikwijls doen zij lange reizen, om de schors te vinden waarvan zij het meest houden. Zij houwen vaak vrij dikke boomen om, en nemen er de takken af, wier schors hun het meest bevalt; zij zagen die in stukken van omstreeks drie voet, brengen ze te water en laten ze naar hunne hutten drijven, om ze aldaar op te stapelen. Hunne woningen zijn netjes en gemakkelijk; na gegeten te hebben, werpen zij de stukken hout waarvan zij de schors hebben afgeknaagd, in de rivier, aan gene zijde van de sluis. Nooit staan zij aan een vreemden bever toe om zich bij hen te komen vestigen, en dikwijls vechten zij met het grootste geweld om hun grondgebied te verdedigen.”»Ik heb nooit iets dergelijks gehoord,” zeide het meisje.»O, maar dat is alles nog niet,” hernam de jager. »In de lente, wanneer zij ruien, laat het mannetje het wijfje alleen thuis en gaat hij als een groot heer een pleizierreisje maken, waarbij hij dan dikwijls groote afstanden aflegt, zich vermakende in het heldere water dat hij ontmoet, en tegen de oevers opklauterende, om de tengere stammen van jonge populieren of wilgen af te knabbelen. Maar als de zomer nadert, dan laat hij zijne levenswijze als alleenloopend gezel varen, herinnert zich zijne plichten als huisvader, keert naar zijne vrouw en naar zijn pasgeboren kroost terug, en geeft aan dit laatste onderwijs in het opdoen van winterprovisie.”[96]»Waarlijk,” zeide de generaal, »dat dier is een der merkwaardigste van geheel de schepping.”»Ja,” voegdedoñaLuz er bij, »en ik begrijp niet, hoe men er zoo koelbloedig jacht op kan maken, evenals op een schadelijk dier.”»Ach! wat wilt gij dan,Señorita?” gaf de jager wijsgeerig ten antwoord; »alle dieren zijn voor den mensch geschapen; en dit vooral, daar zijne huid zoo kostbaar is.”»Dat is waar,” zeide de generaal; »maar,”voegde hij er bij,»hoe maakt gij die jacht? alle bevers hebben niet zooveel vertrouwen als deze; er zijn er die hunne hutten met veel zorg verbergen.”»Ja,” antwoordde de Zwarte Eland, »maar de gewoonte heeft den ervaren jager een zoo vast oog gegeven, dat hij aan het minste teeken het spoor van een bever ontdekt, en al is de hut ook nog zoo zorgvuldig onder de dikke takken en onder de wilgen, die haar overschaduwen, verborgen, gebeurt het toch maar zelden, dat hij niet het juiste getal harer bewoners raadt. Hij zet dan zijn val, plaatst haar aan den oever, twee of drie duim onder de oppervlakte van het water, en maakt haar met een ketting vast aan een diep in het slijk of in het zand geboorden paal. Een klein takje wordt dan van zijne schors ontdaan en in demedicijn, gelijk wij het lokaas noemen, gedoopt; dat takje wordt zoodanig geplaatst, dat het drie of vier duim boven het water uitsteekt, terwijl het van onderen aan de opening der val is vastgehecht. De bever, die een zeer fijnen reuk heeft, wordt weldra door den geur van het lokaas aangetrokken. Zoodra hij zijn snuit naar voren brengt, om er zich meester van te maken, raakt zijn voet in de val; verschrikt duikt hij onder; de val gaat met hem mede, maar biedt aan al zijn streven om los te komen weêrstand; hij worstelt een tijd lang; maar eindelijk zinkt hij uitgeput naar omlaag, en verdrinkt. Ziedaar,Señorita, de wijze, waarop gewoonlijk de bevers gevangen worden.»Maar in de rotsbeddingen, waar het niet mogelijk is een paal in den grond te slaan, om er de val aan vast te maken, zijn wij dikwijls verplicht groote en zelfs gevaarlijke nasporingen te doen, om de gevangen bevers te vinden. Het gebeurt ook wel, als er verscheidene leden van één huisgezin gevangen genomen zijn, dat de andere wantrouwend worden. Alsdan, hoe groot ook onze listen mogen zijn, is het onmogelijk, hen in het lokaas te doen happen. Zij naderen de vallen heel voorzichtig, ontspannen de veêr met een stokje, en werpen dikwijls de vallen onderst boven, slepen ze onder een hunner sluizen, en stoppen ze weg in het slijk.”»En dan?” vroeg het meisje.»Dan,” hernam de Zwarte Eland, »schiet er maar één ding over, dat is, onze vallen op den rug te nemen, ons door de bevers overwonnen te verklaren en verder op, naar andere, minder in den krijg bedrevene te gaan zoeken. Maar zie hier mijne rancho.”De reizigers waren bij een ellendige hut gekomen, samengesteld[97]uit in elkander gevlochten takken, nauwelijks goed genoeg om hen tegen de stralen der zon te beschutten, en wat achteloosheid betreft, in alles volkomen gelijk aan die van de andere jagers der prairiën, die zich het minst van alle menschen om de gemakken des levens bekommeren. Doch hoe dan ook, de Zwarte Eland nam er hoffelijk de honneurs waar.Een tweede jager zat voor de hut, bezig met op het koken der bisonbult te letten, waarvan de Zwarte Eland aan zijne gasten melding had gemaakt. Deze man, wiens kostuum volmaakt op dat van den Zwarten Eland geleek, was te naastenbij veertig jaar; maar de vermoeienissen en de tallooze onheilen van zijn beroep hadden op zijn gelaat een netwerk van diepe rimpels gegroefd, die hem veel ouder deden schijnen dan hij werkelijk was. En inderdaad, er is ter wereld geen gevaarlijker, geen moeielijker, geen minder winstgevend beroep dan dat van pelsjager. De arme menschen worden vaak, hetzij door de Indianen, hetzij door andere jagers beroofd van al hunne met moeite bijeenvergaderde winst, gescalpeerd en vermoord, zonder dat iemand zich het hoofd breekt met de vraag, wat er van hen geworden is.»Neem plaats,señorita, en gij ook mijne heeren,” zeide de Zwarte Eland beleefd; »mijn huis, hoe arm het zijn mag, is toch groot genoeg om u allen te bergen.”De jagers namen zijn aanbod gretig aan, stegen af, en bevonden zich weldra gemakkelijk uitgestrekt op rustbedden van droge bladeren, bedekt met de huiden van bevers, elanden en bisons.Het maal, een recht jagersmaal, werd besproeid met eenigecouïs(bekers) uitmuntenden mezcal, dien de generaal altijd op zijne tochten medenam, en dien de jagers naar verdienste waardeerden.TerwijldoñaLuz, de gids en de lanceros gedurende eenige oogenblikken de gewone siësta hielden, om de grootste hitte te laten voorbijgaan, verzocht de generaal den Zwarten Eland om hem te volgen, en verliet met hem de hut. Zoodra zij zich ver genoeg verwijderd hadden, zette de generaal zich aan den voet van een ebbenhoutboom neder, en noodigde zijn gastheer uit om hetzelfde te doen, hetgeen deze dan ook onmiddellijk deed. Na een oogenblik stilte nam de generaal het woord:»Mijn vriend,” zeide hij, »sta mij eerst toe, dat ik u bedank voor uwe gulle gastvrijheid. Daarna wensch ik eenige vragen tot u te richten.”»Caballero!” antwoordde de jager met drift, »gij weet wat de Roodhuiden gewoon zijn te zeggen; doet tusschen ieder woord een trek aan uwcalumet(vredespijp), opdat geen onbedacht woord aan uw mond ontvalle.”»Gij spreekt als een verstandig man, maar wees gerust, ik ben niet van plan u vragen te doen, die betrekking hebben op uw beroep, of op iets anders, dat u persoonlijk aangaat.”[98]»Zoo ik u kan antwoorden, Caballero, zal ik niet aarzelen u te voldoen.”»Verplicht, mijn vriend, ik verwachtte niets minder van u; hoe lang woont gij al in de prairiën?”»Al tien jaar, mijnheer, en God geve dat ik er nog even zoovele mag doorbrengen.”»Dat leven bevalt u dus?”»Meer dan ik u zou kunnen zeggen.—Men moet het evenals ik, als kind begonnen zijn, er al de beproevingen van ondervonden, al het lijden van geleden, al de gevaren van doorgestaan hebben, om de bekoorlijkheden die het schenkt, de hemelsche zaligheid die het oplevert, en de onbekende genoegens waarmede het ons overlaadt, te begrijpen! O, Caballero, de schoonste en grootste stad van het oude Europa is wel klein, wel morsig en wel popperig, bij de woestijn vergeleken. Uw gebonden, geregeld en afgemeten leven is wel armzalig bij het onze! Het is hier alleen, dat de mensch ruim ademt, dat hij leeft, dat hij denkt! De overbeschaving doet hem bijna tot den rang van het dier afdalen hem niet meer instinct overlatende, dan noodig is om zijn ellendig doelwit na te jagen. In de prairie daarentegen, waar hij van aangezicht tot aangezicht tegenover God staat, breiden zijne gedachten zich uit, verruimt zich zijn gemoed, en wordt hij werkelijk, wat het hoogste wezen van hem heeft willen maken, namelijk heer der schepping.”Terwijl hij deze woorden uitsprak, was de jager geheel veranderd, zijn gelaat had een bezielde uitdrukking aangenomen, zijne oogen schoten vonken, en zijne gebaren waren de getrouwe spiegels van al wat er in hem omging.De generaal slaakte een diepen zucht, een stille traan bevochtigde zijn grijzen knevel.»Het is zoo,” zeide hij treurig, »dat leven heeft eigenaardige bekoorlijkheden voor hem die het gesmaakt heeft, en die er zich met onverbreekbare banden aan verbonden ziet. Toen gij in de prairiën kwaamt, van waar kwaamt gij toen?”»Ik kwam van Quebec, mijnheer, ik ben een Canadees.”»Ah!”Er volgde eene pauze. De generaal brak haar ten laatste weder af.»Hebt gij onder uwe makkers geen Mexicanen?” zeide hij.»Verscheidene.”»Ik zou gaarne iets van hen willen weten.”»Er is er een, die er u meer van zou kunnen zeggen, maar ongelukkig is die man op dit oogenblik niet hier.”»En hij heet?”»Edelhart.”»Edelhart!” hernam de generaal met vuur; »maar ik ken dien man, geloof ik.”[99]»Ja, gij kent hem.”»O, God, hoe jammer!”»Misschien zal het u gemakkelijker vallen hem te ontmoeten dan gij denkt, ten minste zoo gij er werkelijk belang in stelt, om hem te zien.”»Ik heb er groot belang bij.”»Wees dan maar gerust; weldra zult gij hem zien.”»Hoe dat?”»O, op een heel eenvoudige manier. Edelhart zet zijne vallen dicht bij de mijne; ik houd er tegenwoordig een wakend oog op; maar hij kan niet lang wegblijven.”»Dat geve God!” zeide de generaal aangedaan.»Zoodra hij terugkomt, zal ik hem waarschuwen, zoo gij dan uw kamp nog niet verlaten hebt.”»Weet gij dan waar mijn troep kampeert?”»Wij weten alles in de woestijn,” antwoordde de jager glimlachend.»Belooft gij het mij?”»Gij hebt mijn woord, mijnheer.”»Ik dank u.”Op dit oogenblik verlietdoñaLuz de hut, na den Zwarten Eland een teeken gegeven te hebben, dat hij zwijgen zou; de generaal haastte zich haar te volgen.De reizigers bestegen hunne paarden weder, en na de jagers voor hunne gulle ontvangst te hebben dank gezegd, namen zij den terugtocht aan naar het kamp.

[Inhoud]XV.DE BEVERS.Het meisje schoof de wilgentakken weg, en met voorover gebogen hoofd, keek zij toe.De bevers hadden niet alleen, door gemeenschappelijken ijver, den loop der rivier, maar ook dien van alle beken, die er in uitliepen, gestremd, zoodat de omliggende grond geheel in een uitgestrekt moeras was herschapen. Een enkele bever werkte op dit oogenblik aan de hoofdsluis; maar weldra kwamen er nog vijf anderen met stukken hout, kluiten en takken aandragen. Met hun allen wendden zij zich nu naar een gedeelte van den dijk, dat, gelijk het meisje zag, herstelling noodig had. Zij legden hunne vracht op het gebrokene deel neder, en dompelden zich in het water, om bijna onmiddellijk weder boven te komen, ieder met een zekere hoeveelheid slik beladen, waarvan zij zich als van kalk bedienden, om de stukken hout en takken aan elkander te verbinden, dit gemetsel duurde zoolang, totdat de breuk geheel verdwenen was. Zoodra alles gereed was, schepten de nijvere dieren een oogenblik adem; zij vervolgden elkander in den vijver, doken onder of speelden op de oppervlakte, en sloegen het water, zoo hard zij konden met hunne staarten.DoñaLuz zag dit zonderlinge schouwspel met klimmende belangstelling aan. Zij had daar wel den geheelen dag willen blijven, om naar die vreemde dieren te zien.Terwijl deze bevers zich aldus vermaakten, kwamen er twee andere leden dier maatschappij te voorschijn. Een tijdlang zagen zij diepzinnig de spelen hunner makkers aan, zonder zelfs maar den schijn aan te nemen, of zij wilden mededoen; vervolgens tegen den kant opklimmende, niet ver van de plek waar de jager en het meisje op den uitkijk zaten, zetten zij zich op hun achterste pooten, leunden met de voorsten tegen een der jonge pijnboomen, en begonnen er de schors af te knagen. Nu en dan haalden zij er een klein stukje af, en hielden het tusschen de pooten, zonder van houding te veranderen; zij knabbelden er aan ongeveer met dezelfde verdraaiingen en grimassen, waarmede een aap een nootje oppeuzelt. Het klaarblijkelijk doel der bevers was den boom door te zagen, en zij werkten er met veel ijver aan. Het was een jonge pijnboom, zoo recht als een kaars, vrij hoog, en omstreeks 18 duim diameter dik, namelijk op de plaats waar zij er aan werkten. Zonder twijfel zouden zij hem[95]binnen kort geheel hebben doorgevijld, zoo niet de generaal, ongerust geworden over het lang uitblijven zijner nicht, besloten had haar te gaan zoeken, waardoor de bevers, verschrikt door het paardengetrappel, onderdoken en plotseling verdwenen.De generaal deed zijne nicht kleine verwijten over haar langdurige afwezigheid; maar het meisje, verrukt over hetgeen zij zag, bekommerde er zich niet veel om, en deed bij zich zelve de stille gelofte, om nog eenmaal onzichtbaar getuige te zijn van den arbeid der bevers.De kleine troep richtte zich, onder de leiding van den jager, naar de rancho, waarin hij haar eene schuilplaats aanbood tegen de gloeiende stralen der zon, die juist de middaghoogte had bereikt.DoñaLuz, wier nieuwsgierigheid, door het treffende schouwspel dat zij had bijgewoond, ten hoogste was opgewekt, stelde zich schadeloos voor de ongelukkige tusschenkomst van haar oom door den Zwarten Eland te ondervragen over de gewoonten der bevers en over de wijze waarop zij gevangen worden. De jager, evenals alle menschen, die gewoonlijk alleen zijn, haalde gaarne, wanneer de gelegenheid zich daartoe aanbood, zijn schade wat het praten betrof in; hij liet zich dan ook niet lang bidden.»O, o,Señorita,” zeide hij, »de Roodhuiden zeggen, dat de bever een mensch is die niet spreekt, en zij hebben gelijk; hij is wijs, voorzichtig, dapper, ijverig en zuinig. Als de winter komt, dan wordt het heele huishouden aan ’t werk gezet, om provisie op te doen; ouden en jongen, allen werken. Dikwijls doen zij lange reizen, om de schors te vinden waarvan zij het meest houden. Zij houwen vaak vrij dikke boomen om, en nemen er de takken af, wier schors hun het meest bevalt; zij zagen die in stukken van omstreeks drie voet, brengen ze te water en laten ze naar hunne hutten drijven, om ze aldaar op te stapelen. Hunne woningen zijn netjes en gemakkelijk; na gegeten te hebben, werpen zij de stukken hout waarvan zij de schors hebben afgeknaagd, in de rivier, aan gene zijde van de sluis. Nooit staan zij aan een vreemden bever toe om zich bij hen te komen vestigen, en dikwijls vechten zij met het grootste geweld om hun grondgebied te verdedigen.”»Ik heb nooit iets dergelijks gehoord,” zeide het meisje.»O, maar dat is alles nog niet,” hernam de jager. »In de lente, wanneer zij ruien, laat het mannetje het wijfje alleen thuis en gaat hij als een groot heer een pleizierreisje maken, waarbij hij dan dikwijls groote afstanden aflegt, zich vermakende in het heldere water dat hij ontmoet, en tegen de oevers opklauterende, om de tengere stammen van jonge populieren of wilgen af te knabbelen. Maar als de zomer nadert, dan laat hij zijne levenswijze als alleenloopend gezel varen, herinnert zich zijne plichten als huisvader, keert naar zijne vrouw en naar zijn pasgeboren kroost terug, en geeft aan dit laatste onderwijs in het opdoen van winterprovisie.”[96]»Waarlijk,” zeide de generaal, »dat dier is een der merkwaardigste van geheel de schepping.”»Ja,” voegdedoñaLuz er bij, »en ik begrijp niet, hoe men er zoo koelbloedig jacht op kan maken, evenals op een schadelijk dier.”»Ach! wat wilt gij dan,Señorita?” gaf de jager wijsgeerig ten antwoord; »alle dieren zijn voor den mensch geschapen; en dit vooral, daar zijne huid zoo kostbaar is.”»Dat is waar,” zeide de generaal; »maar,”voegde hij er bij,»hoe maakt gij die jacht? alle bevers hebben niet zooveel vertrouwen als deze; er zijn er die hunne hutten met veel zorg verbergen.”»Ja,” antwoordde de Zwarte Eland, »maar de gewoonte heeft den ervaren jager een zoo vast oog gegeven, dat hij aan het minste teeken het spoor van een bever ontdekt, en al is de hut ook nog zoo zorgvuldig onder de dikke takken en onder de wilgen, die haar overschaduwen, verborgen, gebeurt het toch maar zelden, dat hij niet het juiste getal harer bewoners raadt. Hij zet dan zijn val, plaatst haar aan den oever, twee of drie duim onder de oppervlakte van het water, en maakt haar met een ketting vast aan een diep in het slijk of in het zand geboorden paal. Een klein takje wordt dan van zijne schors ontdaan en in demedicijn, gelijk wij het lokaas noemen, gedoopt; dat takje wordt zoodanig geplaatst, dat het drie of vier duim boven het water uitsteekt, terwijl het van onderen aan de opening der val is vastgehecht. De bever, die een zeer fijnen reuk heeft, wordt weldra door den geur van het lokaas aangetrokken. Zoodra hij zijn snuit naar voren brengt, om er zich meester van te maken, raakt zijn voet in de val; verschrikt duikt hij onder; de val gaat met hem mede, maar biedt aan al zijn streven om los te komen weêrstand; hij worstelt een tijd lang; maar eindelijk zinkt hij uitgeput naar omlaag, en verdrinkt. Ziedaar,Señorita, de wijze, waarop gewoonlijk de bevers gevangen worden.»Maar in de rotsbeddingen, waar het niet mogelijk is een paal in den grond te slaan, om er de val aan vast te maken, zijn wij dikwijls verplicht groote en zelfs gevaarlijke nasporingen te doen, om de gevangen bevers te vinden. Het gebeurt ook wel, als er verscheidene leden van één huisgezin gevangen genomen zijn, dat de andere wantrouwend worden. Alsdan, hoe groot ook onze listen mogen zijn, is het onmogelijk, hen in het lokaas te doen happen. Zij naderen de vallen heel voorzichtig, ontspannen de veêr met een stokje, en werpen dikwijls de vallen onderst boven, slepen ze onder een hunner sluizen, en stoppen ze weg in het slijk.”»En dan?” vroeg het meisje.»Dan,” hernam de Zwarte Eland, »schiet er maar één ding over, dat is, onze vallen op den rug te nemen, ons door de bevers overwonnen te verklaren en verder op, naar andere, minder in den krijg bedrevene te gaan zoeken. Maar zie hier mijne rancho.”De reizigers waren bij een ellendige hut gekomen, samengesteld[97]uit in elkander gevlochten takken, nauwelijks goed genoeg om hen tegen de stralen der zon te beschutten, en wat achteloosheid betreft, in alles volkomen gelijk aan die van de andere jagers der prairiën, die zich het minst van alle menschen om de gemakken des levens bekommeren. Doch hoe dan ook, de Zwarte Eland nam er hoffelijk de honneurs waar.Een tweede jager zat voor de hut, bezig met op het koken der bisonbult te letten, waarvan de Zwarte Eland aan zijne gasten melding had gemaakt. Deze man, wiens kostuum volmaakt op dat van den Zwarten Eland geleek, was te naastenbij veertig jaar; maar de vermoeienissen en de tallooze onheilen van zijn beroep hadden op zijn gelaat een netwerk van diepe rimpels gegroefd, die hem veel ouder deden schijnen dan hij werkelijk was. En inderdaad, er is ter wereld geen gevaarlijker, geen moeielijker, geen minder winstgevend beroep dan dat van pelsjager. De arme menschen worden vaak, hetzij door de Indianen, hetzij door andere jagers beroofd van al hunne met moeite bijeenvergaderde winst, gescalpeerd en vermoord, zonder dat iemand zich het hoofd breekt met de vraag, wat er van hen geworden is.»Neem plaats,señorita, en gij ook mijne heeren,” zeide de Zwarte Eland beleefd; »mijn huis, hoe arm het zijn mag, is toch groot genoeg om u allen te bergen.”De jagers namen zijn aanbod gretig aan, stegen af, en bevonden zich weldra gemakkelijk uitgestrekt op rustbedden van droge bladeren, bedekt met de huiden van bevers, elanden en bisons.Het maal, een recht jagersmaal, werd besproeid met eenigecouïs(bekers) uitmuntenden mezcal, dien de generaal altijd op zijne tochten medenam, en dien de jagers naar verdienste waardeerden.TerwijldoñaLuz, de gids en de lanceros gedurende eenige oogenblikken de gewone siësta hielden, om de grootste hitte te laten voorbijgaan, verzocht de generaal den Zwarten Eland om hem te volgen, en verliet met hem de hut. Zoodra zij zich ver genoeg verwijderd hadden, zette de generaal zich aan den voet van een ebbenhoutboom neder, en noodigde zijn gastheer uit om hetzelfde te doen, hetgeen deze dan ook onmiddellijk deed. Na een oogenblik stilte nam de generaal het woord:»Mijn vriend,” zeide hij, »sta mij eerst toe, dat ik u bedank voor uwe gulle gastvrijheid. Daarna wensch ik eenige vragen tot u te richten.”»Caballero!” antwoordde de jager met drift, »gij weet wat de Roodhuiden gewoon zijn te zeggen; doet tusschen ieder woord een trek aan uwcalumet(vredespijp), opdat geen onbedacht woord aan uw mond ontvalle.”»Gij spreekt als een verstandig man, maar wees gerust, ik ben niet van plan u vragen te doen, die betrekking hebben op uw beroep, of op iets anders, dat u persoonlijk aangaat.”[98]»Zoo ik u kan antwoorden, Caballero, zal ik niet aarzelen u te voldoen.”»Verplicht, mijn vriend, ik verwachtte niets minder van u; hoe lang woont gij al in de prairiën?”»Al tien jaar, mijnheer, en God geve dat ik er nog even zoovele mag doorbrengen.”»Dat leven bevalt u dus?”»Meer dan ik u zou kunnen zeggen.—Men moet het evenals ik, als kind begonnen zijn, er al de beproevingen van ondervonden, al het lijden van geleden, al de gevaren van doorgestaan hebben, om de bekoorlijkheden die het schenkt, de hemelsche zaligheid die het oplevert, en de onbekende genoegens waarmede het ons overlaadt, te begrijpen! O, Caballero, de schoonste en grootste stad van het oude Europa is wel klein, wel morsig en wel popperig, bij de woestijn vergeleken. Uw gebonden, geregeld en afgemeten leven is wel armzalig bij het onze! Het is hier alleen, dat de mensch ruim ademt, dat hij leeft, dat hij denkt! De overbeschaving doet hem bijna tot den rang van het dier afdalen hem niet meer instinct overlatende, dan noodig is om zijn ellendig doelwit na te jagen. In de prairie daarentegen, waar hij van aangezicht tot aangezicht tegenover God staat, breiden zijne gedachten zich uit, verruimt zich zijn gemoed, en wordt hij werkelijk, wat het hoogste wezen van hem heeft willen maken, namelijk heer der schepping.”Terwijl hij deze woorden uitsprak, was de jager geheel veranderd, zijn gelaat had een bezielde uitdrukking aangenomen, zijne oogen schoten vonken, en zijne gebaren waren de getrouwe spiegels van al wat er in hem omging.De generaal slaakte een diepen zucht, een stille traan bevochtigde zijn grijzen knevel.»Het is zoo,” zeide hij treurig, »dat leven heeft eigenaardige bekoorlijkheden voor hem die het gesmaakt heeft, en die er zich met onverbreekbare banden aan verbonden ziet. Toen gij in de prairiën kwaamt, van waar kwaamt gij toen?”»Ik kwam van Quebec, mijnheer, ik ben een Canadees.”»Ah!”Er volgde eene pauze. De generaal brak haar ten laatste weder af.»Hebt gij onder uwe makkers geen Mexicanen?” zeide hij.»Verscheidene.”»Ik zou gaarne iets van hen willen weten.”»Er is er een, die er u meer van zou kunnen zeggen, maar ongelukkig is die man op dit oogenblik niet hier.”»En hij heet?”»Edelhart.”»Edelhart!” hernam de generaal met vuur; »maar ik ken dien man, geloof ik.”[99]»Ja, gij kent hem.”»O, God, hoe jammer!”»Misschien zal het u gemakkelijker vallen hem te ontmoeten dan gij denkt, ten minste zoo gij er werkelijk belang in stelt, om hem te zien.”»Ik heb er groot belang bij.”»Wees dan maar gerust; weldra zult gij hem zien.”»Hoe dat?”»O, op een heel eenvoudige manier. Edelhart zet zijne vallen dicht bij de mijne; ik houd er tegenwoordig een wakend oog op; maar hij kan niet lang wegblijven.”»Dat geve God!” zeide de generaal aangedaan.»Zoodra hij terugkomt, zal ik hem waarschuwen, zoo gij dan uw kamp nog niet verlaten hebt.”»Weet gij dan waar mijn troep kampeert?”»Wij weten alles in de woestijn,” antwoordde de jager glimlachend.»Belooft gij het mij?”»Gij hebt mijn woord, mijnheer.”»Ik dank u.”Op dit oogenblik verlietdoñaLuz de hut, na den Zwarten Eland een teeken gegeven te hebben, dat hij zwijgen zou; de generaal haastte zich haar te volgen.De reizigers bestegen hunne paarden weder, en na de jagers voor hunne gulle ontvangst te hebben dank gezegd, namen zij den terugtocht aan naar het kamp.

[Inhoud]XV.DE BEVERS.Het meisje schoof de wilgentakken weg, en met voorover gebogen hoofd, keek zij toe.De bevers hadden niet alleen, door gemeenschappelijken ijver, den loop der rivier, maar ook dien van alle beken, die er in uitliepen, gestremd, zoodat de omliggende grond geheel in een uitgestrekt moeras was herschapen. Een enkele bever werkte op dit oogenblik aan de hoofdsluis; maar weldra kwamen er nog vijf anderen met stukken hout, kluiten en takken aandragen. Met hun allen wendden zij zich nu naar een gedeelte van den dijk, dat, gelijk het meisje zag, herstelling noodig had. Zij legden hunne vracht op het gebrokene deel neder, en dompelden zich in het water, om bijna onmiddellijk weder boven te komen, ieder met een zekere hoeveelheid slik beladen, waarvan zij zich als van kalk bedienden, om de stukken hout en takken aan elkander te verbinden, dit gemetsel duurde zoolang, totdat de breuk geheel verdwenen was. Zoodra alles gereed was, schepten de nijvere dieren een oogenblik adem; zij vervolgden elkander in den vijver, doken onder of speelden op de oppervlakte, en sloegen het water, zoo hard zij konden met hunne staarten.DoñaLuz zag dit zonderlinge schouwspel met klimmende belangstelling aan. Zij had daar wel den geheelen dag willen blijven, om naar die vreemde dieren te zien.Terwijl deze bevers zich aldus vermaakten, kwamen er twee andere leden dier maatschappij te voorschijn. Een tijdlang zagen zij diepzinnig de spelen hunner makkers aan, zonder zelfs maar den schijn aan te nemen, of zij wilden mededoen; vervolgens tegen den kant opklimmende, niet ver van de plek waar de jager en het meisje op den uitkijk zaten, zetten zij zich op hun achterste pooten, leunden met de voorsten tegen een der jonge pijnboomen, en begonnen er de schors af te knagen. Nu en dan haalden zij er een klein stukje af, en hielden het tusschen de pooten, zonder van houding te veranderen; zij knabbelden er aan ongeveer met dezelfde verdraaiingen en grimassen, waarmede een aap een nootje oppeuzelt. Het klaarblijkelijk doel der bevers was den boom door te zagen, en zij werkten er met veel ijver aan. Het was een jonge pijnboom, zoo recht als een kaars, vrij hoog, en omstreeks 18 duim diameter dik, namelijk op de plaats waar zij er aan werkten. Zonder twijfel zouden zij hem[95]binnen kort geheel hebben doorgevijld, zoo niet de generaal, ongerust geworden over het lang uitblijven zijner nicht, besloten had haar te gaan zoeken, waardoor de bevers, verschrikt door het paardengetrappel, onderdoken en plotseling verdwenen.De generaal deed zijne nicht kleine verwijten over haar langdurige afwezigheid; maar het meisje, verrukt over hetgeen zij zag, bekommerde er zich niet veel om, en deed bij zich zelve de stille gelofte, om nog eenmaal onzichtbaar getuige te zijn van den arbeid der bevers.De kleine troep richtte zich, onder de leiding van den jager, naar de rancho, waarin hij haar eene schuilplaats aanbood tegen de gloeiende stralen der zon, die juist de middaghoogte had bereikt.DoñaLuz, wier nieuwsgierigheid, door het treffende schouwspel dat zij had bijgewoond, ten hoogste was opgewekt, stelde zich schadeloos voor de ongelukkige tusschenkomst van haar oom door den Zwarten Eland te ondervragen over de gewoonten der bevers en over de wijze waarop zij gevangen worden. De jager, evenals alle menschen, die gewoonlijk alleen zijn, haalde gaarne, wanneer de gelegenheid zich daartoe aanbood, zijn schade wat het praten betrof in; hij liet zich dan ook niet lang bidden.»O, o,Señorita,” zeide hij, »de Roodhuiden zeggen, dat de bever een mensch is die niet spreekt, en zij hebben gelijk; hij is wijs, voorzichtig, dapper, ijverig en zuinig. Als de winter komt, dan wordt het heele huishouden aan ’t werk gezet, om provisie op te doen; ouden en jongen, allen werken. Dikwijls doen zij lange reizen, om de schors te vinden waarvan zij het meest houden. Zij houwen vaak vrij dikke boomen om, en nemen er de takken af, wier schors hun het meest bevalt; zij zagen die in stukken van omstreeks drie voet, brengen ze te water en laten ze naar hunne hutten drijven, om ze aldaar op te stapelen. Hunne woningen zijn netjes en gemakkelijk; na gegeten te hebben, werpen zij de stukken hout waarvan zij de schors hebben afgeknaagd, in de rivier, aan gene zijde van de sluis. Nooit staan zij aan een vreemden bever toe om zich bij hen te komen vestigen, en dikwijls vechten zij met het grootste geweld om hun grondgebied te verdedigen.”»Ik heb nooit iets dergelijks gehoord,” zeide het meisje.»O, maar dat is alles nog niet,” hernam de jager. »In de lente, wanneer zij ruien, laat het mannetje het wijfje alleen thuis en gaat hij als een groot heer een pleizierreisje maken, waarbij hij dan dikwijls groote afstanden aflegt, zich vermakende in het heldere water dat hij ontmoet, en tegen de oevers opklauterende, om de tengere stammen van jonge populieren of wilgen af te knabbelen. Maar als de zomer nadert, dan laat hij zijne levenswijze als alleenloopend gezel varen, herinnert zich zijne plichten als huisvader, keert naar zijne vrouw en naar zijn pasgeboren kroost terug, en geeft aan dit laatste onderwijs in het opdoen van winterprovisie.”[96]»Waarlijk,” zeide de generaal, »dat dier is een der merkwaardigste van geheel de schepping.”»Ja,” voegdedoñaLuz er bij, »en ik begrijp niet, hoe men er zoo koelbloedig jacht op kan maken, evenals op een schadelijk dier.”»Ach! wat wilt gij dan,Señorita?” gaf de jager wijsgeerig ten antwoord; »alle dieren zijn voor den mensch geschapen; en dit vooral, daar zijne huid zoo kostbaar is.”»Dat is waar,” zeide de generaal; »maar,”voegde hij er bij,»hoe maakt gij die jacht? alle bevers hebben niet zooveel vertrouwen als deze; er zijn er die hunne hutten met veel zorg verbergen.”»Ja,” antwoordde de Zwarte Eland, »maar de gewoonte heeft den ervaren jager een zoo vast oog gegeven, dat hij aan het minste teeken het spoor van een bever ontdekt, en al is de hut ook nog zoo zorgvuldig onder de dikke takken en onder de wilgen, die haar overschaduwen, verborgen, gebeurt het toch maar zelden, dat hij niet het juiste getal harer bewoners raadt. Hij zet dan zijn val, plaatst haar aan den oever, twee of drie duim onder de oppervlakte van het water, en maakt haar met een ketting vast aan een diep in het slijk of in het zand geboorden paal. Een klein takje wordt dan van zijne schors ontdaan en in demedicijn, gelijk wij het lokaas noemen, gedoopt; dat takje wordt zoodanig geplaatst, dat het drie of vier duim boven het water uitsteekt, terwijl het van onderen aan de opening der val is vastgehecht. De bever, die een zeer fijnen reuk heeft, wordt weldra door den geur van het lokaas aangetrokken. Zoodra hij zijn snuit naar voren brengt, om er zich meester van te maken, raakt zijn voet in de val; verschrikt duikt hij onder; de val gaat met hem mede, maar biedt aan al zijn streven om los te komen weêrstand; hij worstelt een tijd lang; maar eindelijk zinkt hij uitgeput naar omlaag, en verdrinkt. Ziedaar,Señorita, de wijze, waarop gewoonlijk de bevers gevangen worden.»Maar in de rotsbeddingen, waar het niet mogelijk is een paal in den grond te slaan, om er de val aan vast te maken, zijn wij dikwijls verplicht groote en zelfs gevaarlijke nasporingen te doen, om de gevangen bevers te vinden. Het gebeurt ook wel, als er verscheidene leden van één huisgezin gevangen genomen zijn, dat de andere wantrouwend worden. Alsdan, hoe groot ook onze listen mogen zijn, is het onmogelijk, hen in het lokaas te doen happen. Zij naderen de vallen heel voorzichtig, ontspannen de veêr met een stokje, en werpen dikwijls de vallen onderst boven, slepen ze onder een hunner sluizen, en stoppen ze weg in het slijk.”»En dan?” vroeg het meisje.»Dan,” hernam de Zwarte Eland, »schiet er maar één ding over, dat is, onze vallen op den rug te nemen, ons door de bevers overwonnen te verklaren en verder op, naar andere, minder in den krijg bedrevene te gaan zoeken. Maar zie hier mijne rancho.”De reizigers waren bij een ellendige hut gekomen, samengesteld[97]uit in elkander gevlochten takken, nauwelijks goed genoeg om hen tegen de stralen der zon te beschutten, en wat achteloosheid betreft, in alles volkomen gelijk aan die van de andere jagers der prairiën, die zich het minst van alle menschen om de gemakken des levens bekommeren. Doch hoe dan ook, de Zwarte Eland nam er hoffelijk de honneurs waar.Een tweede jager zat voor de hut, bezig met op het koken der bisonbult te letten, waarvan de Zwarte Eland aan zijne gasten melding had gemaakt. Deze man, wiens kostuum volmaakt op dat van den Zwarten Eland geleek, was te naastenbij veertig jaar; maar de vermoeienissen en de tallooze onheilen van zijn beroep hadden op zijn gelaat een netwerk van diepe rimpels gegroefd, die hem veel ouder deden schijnen dan hij werkelijk was. En inderdaad, er is ter wereld geen gevaarlijker, geen moeielijker, geen minder winstgevend beroep dan dat van pelsjager. De arme menschen worden vaak, hetzij door de Indianen, hetzij door andere jagers beroofd van al hunne met moeite bijeenvergaderde winst, gescalpeerd en vermoord, zonder dat iemand zich het hoofd breekt met de vraag, wat er van hen geworden is.»Neem plaats,señorita, en gij ook mijne heeren,” zeide de Zwarte Eland beleefd; »mijn huis, hoe arm het zijn mag, is toch groot genoeg om u allen te bergen.”De jagers namen zijn aanbod gretig aan, stegen af, en bevonden zich weldra gemakkelijk uitgestrekt op rustbedden van droge bladeren, bedekt met de huiden van bevers, elanden en bisons.Het maal, een recht jagersmaal, werd besproeid met eenigecouïs(bekers) uitmuntenden mezcal, dien de generaal altijd op zijne tochten medenam, en dien de jagers naar verdienste waardeerden.TerwijldoñaLuz, de gids en de lanceros gedurende eenige oogenblikken de gewone siësta hielden, om de grootste hitte te laten voorbijgaan, verzocht de generaal den Zwarten Eland om hem te volgen, en verliet met hem de hut. Zoodra zij zich ver genoeg verwijderd hadden, zette de generaal zich aan den voet van een ebbenhoutboom neder, en noodigde zijn gastheer uit om hetzelfde te doen, hetgeen deze dan ook onmiddellijk deed. Na een oogenblik stilte nam de generaal het woord:»Mijn vriend,” zeide hij, »sta mij eerst toe, dat ik u bedank voor uwe gulle gastvrijheid. Daarna wensch ik eenige vragen tot u te richten.”»Caballero!” antwoordde de jager met drift, »gij weet wat de Roodhuiden gewoon zijn te zeggen; doet tusschen ieder woord een trek aan uwcalumet(vredespijp), opdat geen onbedacht woord aan uw mond ontvalle.”»Gij spreekt als een verstandig man, maar wees gerust, ik ben niet van plan u vragen te doen, die betrekking hebben op uw beroep, of op iets anders, dat u persoonlijk aangaat.”[98]»Zoo ik u kan antwoorden, Caballero, zal ik niet aarzelen u te voldoen.”»Verplicht, mijn vriend, ik verwachtte niets minder van u; hoe lang woont gij al in de prairiën?”»Al tien jaar, mijnheer, en God geve dat ik er nog even zoovele mag doorbrengen.”»Dat leven bevalt u dus?”»Meer dan ik u zou kunnen zeggen.—Men moet het evenals ik, als kind begonnen zijn, er al de beproevingen van ondervonden, al het lijden van geleden, al de gevaren van doorgestaan hebben, om de bekoorlijkheden die het schenkt, de hemelsche zaligheid die het oplevert, en de onbekende genoegens waarmede het ons overlaadt, te begrijpen! O, Caballero, de schoonste en grootste stad van het oude Europa is wel klein, wel morsig en wel popperig, bij de woestijn vergeleken. Uw gebonden, geregeld en afgemeten leven is wel armzalig bij het onze! Het is hier alleen, dat de mensch ruim ademt, dat hij leeft, dat hij denkt! De overbeschaving doet hem bijna tot den rang van het dier afdalen hem niet meer instinct overlatende, dan noodig is om zijn ellendig doelwit na te jagen. In de prairie daarentegen, waar hij van aangezicht tot aangezicht tegenover God staat, breiden zijne gedachten zich uit, verruimt zich zijn gemoed, en wordt hij werkelijk, wat het hoogste wezen van hem heeft willen maken, namelijk heer der schepping.”Terwijl hij deze woorden uitsprak, was de jager geheel veranderd, zijn gelaat had een bezielde uitdrukking aangenomen, zijne oogen schoten vonken, en zijne gebaren waren de getrouwe spiegels van al wat er in hem omging.De generaal slaakte een diepen zucht, een stille traan bevochtigde zijn grijzen knevel.»Het is zoo,” zeide hij treurig, »dat leven heeft eigenaardige bekoorlijkheden voor hem die het gesmaakt heeft, en die er zich met onverbreekbare banden aan verbonden ziet. Toen gij in de prairiën kwaamt, van waar kwaamt gij toen?”»Ik kwam van Quebec, mijnheer, ik ben een Canadees.”»Ah!”Er volgde eene pauze. De generaal brak haar ten laatste weder af.»Hebt gij onder uwe makkers geen Mexicanen?” zeide hij.»Verscheidene.”»Ik zou gaarne iets van hen willen weten.”»Er is er een, die er u meer van zou kunnen zeggen, maar ongelukkig is die man op dit oogenblik niet hier.”»En hij heet?”»Edelhart.”»Edelhart!” hernam de generaal met vuur; »maar ik ken dien man, geloof ik.”[99]»Ja, gij kent hem.”»O, God, hoe jammer!”»Misschien zal het u gemakkelijker vallen hem te ontmoeten dan gij denkt, ten minste zoo gij er werkelijk belang in stelt, om hem te zien.”»Ik heb er groot belang bij.”»Wees dan maar gerust; weldra zult gij hem zien.”»Hoe dat?”»O, op een heel eenvoudige manier. Edelhart zet zijne vallen dicht bij de mijne; ik houd er tegenwoordig een wakend oog op; maar hij kan niet lang wegblijven.”»Dat geve God!” zeide de generaal aangedaan.»Zoodra hij terugkomt, zal ik hem waarschuwen, zoo gij dan uw kamp nog niet verlaten hebt.”»Weet gij dan waar mijn troep kampeert?”»Wij weten alles in de woestijn,” antwoordde de jager glimlachend.»Belooft gij het mij?”»Gij hebt mijn woord, mijnheer.”»Ik dank u.”Op dit oogenblik verlietdoñaLuz de hut, na den Zwarten Eland een teeken gegeven te hebben, dat hij zwijgen zou; de generaal haastte zich haar te volgen.De reizigers bestegen hunne paarden weder, en na de jagers voor hunne gulle ontvangst te hebben dank gezegd, namen zij den terugtocht aan naar het kamp.

XV.DE BEVERS.

Het meisje schoof de wilgentakken weg, en met voorover gebogen hoofd, keek zij toe.De bevers hadden niet alleen, door gemeenschappelijken ijver, den loop der rivier, maar ook dien van alle beken, die er in uitliepen, gestremd, zoodat de omliggende grond geheel in een uitgestrekt moeras was herschapen. Een enkele bever werkte op dit oogenblik aan de hoofdsluis; maar weldra kwamen er nog vijf anderen met stukken hout, kluiten en takken aandragen. Met hun allen wendden zij zich nu naar een gedeelte van den dijk, dat, gelijk het meisje zag, herstelling noodig had. Zij legden hunne vracht op het gebrokene deel neder, en dompelden zich in het water, om bijna onmiddellijk weder boven te komen, ieder met een zekere hoeveelheid slik beladen, waarvan zij zich als van kalk bedienden, om de stukken hout en takken aan elkander te verbinden, dit gemetsel duurde zoolang, totdat de breuk geheel verdwenen was. Zoodra alles gereed was, schepten de nijvere dieren een oogenblik adem; zij vervolgden elkander in den vijver, doken onder of speelden op de oppervlakte, en sloegen het water, zoo hard zij konden met hunne staarten.DoñaLuz zag dit zonderlinge schouwspel met klimmende belangstelling aan. Zij had daar wel den geheelen dag willen blijven, om naar die vreemde dieren te zien.Terwijl deze bevers zich aldus vermaakten, kwamen er twee andere leden dier maatschappij te voorschijn. Een tijdlang zagen zij diepzinnig de spelen hunner makkers aan, zonder zelfs maar den schijn aan te nemen, of zij wilden mededoen; vervolgens tegen den kant opklimmende, niet ver van de plek waar de jager en het meisje op den uitkijk zaten, zetten zij zich op hun achterste pooten, leunden met de voorsten tegen een der jonge pijnboomen, en begonnen er de schors af te knagen. Nu en dan haalden zij er een klein stukje af, en hielden het tusschen de pooten, zonder van houding te veranderen; zij knabbelden er aan ongeveer met dezelfde verdraaiingen en grimassen, waarmede een aap een nootje oppeuzelt. Het klaarblijkelijk doel der bevers was den boom door te zagen, en zij werkten er met veel ijver aan. Het was een jonge pijnboom, zoo recht als een kaars, vrij hoog, en omstreeks 18 duim diameter dik, namelijk op de plaats waar zij er aan werkten. Zonder twijfel zouden zij hem[95]binnen kort geheel hebben doorgevijld, zoo niet de generaal, ongerust geworden over het lang uitblijven zijner nicht, besloten had haar te gaan zoeken, waardoor de bevers, verschrikt door het paardengetrappel, onderdoken en plotseling verdwenen.De generaal deed zijne nicht kleine verwijten over haar langdurige afwezigheid; maar het meisje, verrukt over hetgeen zij zag, bekommerde er zich niet veel om, en deed bij zich zelve de stille gelofte, om nog eenmaal onzichtbaar getuige te zijn van den arbeid der bevers.De kleine troep richtte zich, onder de leiding van den jager, naar de rancho, waarin hij haar eene schuilplaats aanbood tegen de gloeiende stralen der zon, die juist de middaghoogte had bereikt.DoñaLuz, wier nieuwsgierigheid, door het treffende schouwspel dat zij had bijgewoond, ten hoogste was opgewekt, stelde zich schadeloos voor de ongelukkige tusschenkomst van haar oom door den Zwarten Eland te ondervragen over de gewoonten der bevers en over de wijze waarop zij gevangen worden. De jager, evenals alle menschen, die gewoonlijk alleen zijn, haalde gaarne, wanneer de gelegenheid zich daartoe aanbood, zijn schade wat het praten betrof in; hij liet zich dan ook niet lang bidden.»O, o,Señorita,” zeide hij, »de Roodhuiden zeggen, dat de bever een mensch is die niet spreekt, en zij hebben gelijk; hij is wijs, voorzichtig, dapper, ijverig en zuinig. Als de winter komt, dan wordt het heele huishouden aan ’t werk gezet, om provisie op te doen; ouden en jongen, allen werken. Dikwijls doen zij lange reizen, om de schors te vinden waarvan zij het meest houden. Zij houwen vaak vrij dikke boomen om, en nemen er de takken af, wier schors hun het meest bevalt; zij zagen die in stukken van omstreeks drie voet, brengen ze te water en laten ze naar hunne hutten drijven, om ze aldaar op te stapelen. Hunne woningen zijn netjes en gemakkelijk; na gegeten te hebben, werpen zij de stukken hout waarvan zij de schors hebben afgeknaagd, in de rivier, aan gene zijde van de sluis. Nooit staan zij aan een vreemden bever toe om zich bij hen te komen vestigen, en dikwijls vechten zij met het grootste geweld om hun grondgebied te verdedigen.”»Ik heb nooit iets dergelijks gehoord,” zeide het meisje.»O, maar dat is alles nog niet,” hernam de jager. »In de lente, wanneer zij ruien, laat het mannetje het wijfje alleen thuis en gaat hij als een groot heer een pleizierreisje maken, waarbij hij dan dikwijls groote afstanden aflegt, zich vermakende in het heldere water dat hij ontmoet, en tegen de oevers opklauterende, om de tengere stammen van jonge populieren of wilgen af te knabbelen. Maar als de zomer nadert, dan laat hij zijne levenswijze als alleenloopend gezel varen, herinnert zich zijne plichten als huisvader, keert naar zijne vrouw en naar zijn pasgeboren kroost terug, en geeft aan dit laatste onderwijs in het opdoen van winterprovisie.”[96]»Waarlijk,” zeide de generaal, »dat dier is een der merkwaardigste van geheel de schepping.”»Ja,” voegdedoñaLuz er bij, »en ik begrijp niet, hoe men er zoo koelbloedig jacht op kan maken, evenals op een schadelijk dier.”»Ach! wat wilt gij dan,Señorita?” gaf de jager wijsgeerig ten antwoord; »alle dieren zijn voor den mensch geschapen; en dit vooral, daar zijne huid zoo kostbaar is.”»Dat is waar,” zeide de generaal; »maar,”voegde hij er bij,»hoe maakt gij die jacht? alle bevers hebben niet zooveel vertrouwen als deze; er zijn er die hunne hutten met veel zorg verbergen.”»Ja,” antwoordde de Zwarte Eland, »maar de gewoonte heeft den ervaren jager een zoo vast oog gegeven, dat hij aan het minste teeken het spoor van een bever ontdekt, en al is de hut ook nog zoo zorgvuldig onder de dikke takken en onder de wilgen, die haar overschaduwen, verborgen, gebeurt het toch maar zelden, dat hij niet het juiste getal harer bewoners raadt. Hij zet dan zijn val, plaatst haar aan den oever, twee of drie duim onder de oppervlakte van het water, en maakt haar met een ketting vast aan een diep in het slijk of in het zand geboorden paal. Een klein takje wordt dan van zijne schors ontdaan en in demedicijn, gelijk wij het lokaas noemen, gedoopt; dat takje wordt zoodanig geplaatst, dat het drie of vier duim boven het water uitsteekt, terwijl het van onderen aan de opening der val is vastgehecht. De bever, die een zeer fijnen reuk heeft, wordt weldra door den geur van het lokaas aangetrokken. Zoodra hij zijn snuit naar voren brengt, om er zich meester van te maken, raakt zijn voet in de val; verschrikt duikt hij onder; de val gaat met hem mede, maar biedt aan al zijn streven om los te komen weêrstand; hij worstelt een tijd lang; maar eindelijk zinkt hij uitgeput naar omlaag, en verdrinkt. Ziedaar,Señorita, de wijze, waarop gewoonlijk de bevers gevangen worden.»Maar in de rotsbeddingen, waar het niet mogelijk is een paal in den grond te slaan, om er de val aan vast te maken, zijn wij dikwijls verplicht groote en zelfs gevaarlijke nasporingen te doen, om de gevangen bevers te vinden. Het gebeurt ook wel, als er verscheidene leden van één huisgezin gevangen genomen zijn, dat de andere wantrouwend worden. Alsdan, hoe groot ook onze listen mogen zijn, is het onmogelijk, hen in het lokaas te doen happen. Zij naderen de vallen heel voorzichtig, ontspannen de veêr met een stokje, en werpen dikwijls de vallen onderst boven, slepen ze onder een hunner sluizen, en stoppen ze weg in het slijk.”»En dan?” vroeg het meisje.»Dan,” hernam de Zwarte Eland, »schiet er maar één ding over, dat is, onze vallen op den rug te nemen, ons door de bevers overwonnen te verklaren en verder op, naar andere, minder in den krijg bedrevene te gaan zoeken. Maar zie hier mijne rancho.”De reizigers waren bij een ellendige hut gekomen, samengesteld[97]uit in elkander gevlochten takken, nauwelijks goed genoeg om hen tegen de stralen der zon te beschutten, en wat achteloosheid betreft, in alles volkomen gelijk aan die van de andere jagers der prairiën, die zich het minst van alle menschen om de gemakken des levens bekommeren. Doch hoe dan ook, de Zwarte Eland nam er hoffelijk de honneurs waar.Een tweede jager zat voor de hut, bezig met op het koken der bisonbult te letten, waarvan de Zwarte Eland aan zijne gasten melding had gemaakt. Deze man, wiens kostuum volmaakt op dat van den Zwarten Eland geleek, was te naastenbij veertig jaar; maar de vermoeienissen en de tallooze onheilen van zijn beroep hadden op zijn gelaat een netwerk van diepe rimpels gegroefd, die hem veel ouder deden schijnen dan hij werkelijk was. En inderdaad, er is ter wereld geen gevaarlijker, geen moeielijker, geen minder winstgevend beroep dan dat van pelsjager. De arme menschen worden vaak, hetzij door de Indianen, hetzij door andere jagers beroofd van al hunne met moeite bijeenvergaderde winst, gescalpeerd en vermoord, zonder dat iemand zich het hoofd breekt met de vraag, wat er van hen geworden is.»Neem plaats,señorita, en gij ook mijne heeren,” zeide de Zwarte Eland beleefd; »mijn huis, hoe arm het zijn mag, is toch groot genoeg om u allen te bergen.”De jagers namen zijn aanbod gretig aan, stegen af, en bevonden zich weldra gemakkelijk uitgestrekt op rustbedden van droge bladeren, bedekt met de huiden van bevers, elanden en bisons.Het maal, een recht jagersmaal, werd besproeid met eenigecouïs(bekers) uitmuntenden mezcal, dien de generaal altijd op zijne tochten medenam, en dien de jagers naar verdienste waardeerden.TerwijldoñaLuz, de gids en de lanceros gedurende eenige oogenblikken de gewone siësta hielden, om de grootste hitte te laten voorbijgaan, verzocht de generaal den Zwarten Eland om hem te volgen, en verliet met hem de hut. Zoodra zij zich ver genoeg verwijderd hadden, zette de generaal zich aan den voet van een ebbenhoutboom neder, en noodigde zijn gastheer uit om hetzelfde te doen, hetgeen deze dan ook onmiddellijk deed. Na een oogenblik stilte nam de generaal het woord:»Mijn vriend,” zeide hij, »sta mij eerst toe, dat ik u bedank voor uwe gulle gastvrijheid. Daarna wensch ik eenige vragen tot u te richten.”»Caballero!” antwoordde de jager met drift, »gij weet wat de Roodhuiden gewoon zijn te zeggen; doet tusschen ieder woord een trek aan uwcalumet(vredespijp), opdat geen onbedacht woord aan uw mond ontvalle.”»Gij spreekt als een verstandig man, maar wees gerust, ik ben niet van plan u vragen te doen, die betrekking hebben op uw beroep, of op iets anders, dat u persoonlijk aangaat.”[98]»Zoo ik u kan antwoorden, Caballero, zal ik niet aarzelen u te voldoen.”»Verplicht, mijn vriend, ik verwachtte niets minder van u; hoe lang woont gij al in de prairiën?”»Al tien jaar, mijnheer, en God geve dat ik er nog even zoovele mag doorbrengen.”»Dat leven bevalt u dus?”»Meer dan ik u zou kunnen zeggen.—Men moet het evenals ik, als kind begonnen zijn, er al de beproevingen van ondervonden, al het lijden van geleden, al de gevaren van doorgestaan hebben, om de bekoorlijkheden die het schenkt, de hemelsche zaligheid die het oplevert, en de onbekende genoegens waarmede het ons overlaadt, te begrijpen! O, Caballero, de schoonste en grootste stad van het oude Europa is wel klein, wel morsig en wel popperig, bij de woestijn vergeleken. Uw gebonden, geregeld en afgemeten leven is wel armzalig bij het onze! Het is hier alleen, dat de mensch ruim ademt, dat hij leeft, dat hij denkt! De overbeschaving doet hem bijna tot den rang van het dier afdalen hem niet meer instinct overlatende, dan noodig is om zijn ellendig doelwit na te jagen. In de prairie daarentegen, waar hij van aangezicht tot aangezicht tegenover God staat, breiden zijne gedachten zich uit, verruimt zich zijn gemoed, en wordt hij werkelijk, wat het hoogste wezen van hem heeft willen maken, namelijk heer der schepping.”Terwijl hij deze woorden uitsprak, was de jager geheel veranderd, zijn gelaat had een bezielde uitdrukking aangenomen, zijne oogen schoten vonken, en zijne gebaren waren de getrouwe spiegels van al wat er in hem omging.De generaal slaakte een diepen zucht, een stille traan bevochtigde zijn grijzen knevel.»Het is zoo,” zeide hij treurig, »dat leven heeft eigenaardige bekoorlijkheden voor hem die het gesmaakt heeft, en die er zich met onverbreekbare banden aan verbonden ziet. Toen gij in de prairiën kwaamt, van waar kwaamt gij toen?”»Ik kwam van Quebec, mijnheer, ik ben een Canadees.”»Ah!”Er volgde eene pauze. De generaal brak haar ten laatste weder af.»Hebt gij onder uwe makkers geen Mexicanen?” zeide hij.»Verscheidene.”»Ik zou gaarne iets van hen willen weten.”»Er is er een, die er u meer van zou kunnen zeggen, maar ongelukkig is die man op dit oogenblik niet hier.”»En hij heet?”»Edelhart.”»Edelhart!” hernam de generaal met vuur; »maar ik ken dien man, geloof ik.”[99]»Ja, gij kent hem.”»O, God, hoe jammer!”»Misschien zal het u gemakkelijker vallen hem te ontmoeten dan gij denkt, ten minste zoo gij er werkelijk belang in stelt, om hem te zien.”»Ik heb er groot belang bij.”»Wees dan maar gerust; weldra zult gij hem zien.”»Hoe dat?”»O, op een heel eenvoudige manier. Edelhart zet zijne vallen dicht bij de mijne; ik houd er tegenwoordig een wakend oog op; maar hij kan niet lang wegblijven.”»Dat geve God!” zeide de generaal aangedaan.»Zoodra hij terugkomt, zal ik hem waarschuwen, zoo gij dan uw kamp nog niet verlaten hebt.”»Weet gij dan waar mijn troep kampeert?”»Wij weten alles in de woestijn,” antwoordde de jager glimlachend.»Belooft gij het mij?”»Gij hebt mijn woord, mijnheer.”»Ik dank u.”Op dit oogenblik verlietdoñaLuz de hut, na den Zwarten Eland een teeken gegeven te hebben, dat hij zwijgen zou; de generaal haastte zich haar te volgen.De reizigers bestegen hunne paarden weder, en na de jagers voor hunne gulle ontvangst te hebben dank gezegd, namen zij den terugtocht aan naar het kamp.

Het meisje schoof de wilgentakken weg, en met voorover gebogen hoofd, keek zij toe.

De bevers hadden niet alleen, door gemeenschappelijken ijver, den loop der rivier, maar ook dien van alle beken, die er in uitliepen, gestremd, zoodat de omliggende grond geheel in een uitgestrekt moeras was herschapen. Een enkele bever werkte op dit oogenblik aan de hoofdsluis; maar weldra kwamen er nog vijf anderen met stukken hout, kluiten en takken aandragen. Met hun allen wendden zij zich nu naar een gedeelte van den dijk, dat, gelijk het meisje zag, herstelling noodig had. Zij legden hunne vracht op het gebrokene deel neder, en dompelden zich in het water, om bijna onmiddellijk weder boven te komen, ieder met een zekere hoeveelheid slik beladen, waarvan zij zich als van kalk bedienden, om de stukken hout en takken aan elkander te verbinden, dit gemetsel duurde zoolang, totdat de breuk geheel verdwenen was. Zoodra alles gereed was, schepten de nijvere dieren een oogenblik adem; zij vervolgden elkander in den vijver, doken onder of speelden op de oppervlakte, en sloegen het water, zoo hard zij konden met hunne staarten.

DoñaLuz zag dit zonderlinge schouwspel met klimmende belangstelling aan. Zij had daar wel den geheelen dag willen blijven, om naar die vreemde dieren te zien.

Terwijl deze bevers zich aldus vermaakten, kwamen er twee andere leden dier maatschappij te voorschijn. Een tijdlang zagen zij diepzinnig de spelen hunner makkers aan, zonder zelfs maar den schijn aan te nemen, of zij wilden mededoen; vervolgens tegen den kant opklimmende, niet ver van de plek waar de jager en het meisje op den uitkijk zaten, zetten zij zich op hun achterste pooten, leunden met de voorsten tegen een der jonge pijnboomen, en begonnen er de schors af te knagen. Nu en dan haalden zij er een klein stukje af, en hielden het tusschen de pooten, zonder van houding te veranderen; zij knabbelden er aan ongeveer met dezelfde verdraaiingen en grimassen, waarmede een aap een nootje oppeuzelt. Het klaarblijkelijk doel der bevers was den boom door te zagen, en zij werkten er met veel ijver aan. Het was een jonge pijnboom, zoo recht als een kaars, vrij hoog, en omstreeks 18 duim diameter dik, namelijk op de plaats waar zij er aan werkten. Zonder twijfel zouden zij hem[95]binnen kort geheel hebben doorgevijld, zoo niet de generaal, ongerust geworden over het lang uitblijven zijner nicht, besloten had haar te gaan zoeken, waardoor de bevers, verschrikt door het paardengetrappel, onderdoken en plotseling verdwenen.

De generaal deed zijne nicht kleine verwijten over haar langdurige afwezigheid; maar het meisje, verrukt over hetgeen zij zag, bekommerde er zich niet veel om, en deed bij zich zelve de stille gelofte, om nog eenmaal onzichtbaar getuige te zijn van den arbeid der bevers.

De kleine troep richtte zich, onder de leiding van den jager, naar de rancho, waarin hij haar eene schuilplaats aanbood tegen de gloeiende stralen der zon, die juist de middaghoogte had bereikt.

DoñaLuz, wier nieuwsgierigheid, door het treffende schouwspel dat zij had bijgewoond, ten hoogste was opgewekt, stelde zich schadeloos voor de ongelukkige tusschenkomst van haar oom door den Zwarten Eland te ondervragen over de gewoonten der bevers en over de wijze waarop zij gevangen worden. De jager, evenals alle menschen, die gewoonlijk alleen zijn, haalde gaarne, wanneer de gelegenheid zich daartoe aanbood, zijn schade wat het praten betrof in; hij liet zich dan ook niet lang bidden.

»O, o,Señorita,” zeide hij, »de Roodhuiden zeggen, dat de bever een mensch is die niet spreekt, en zij hebben gelijk; hij is wijs, voorzichtig, dapper, ijverig en zuinig. Als de winter komt, dan wordt het heele huishouden aan ’t werk gezet, om provisie op te doen; ouden en jongen, allen werken. Dikwijls doen zij lange reizen, om de schors te vinden waarvan zij het meest houden. Zij houwen vaak vrij dikke boomen om, en nemen er de takken af, wier schors hun het meest bevalt; zij zagen die in stukken van omstreeks drie voet, brengen ze te water en laten ze naar hunne hutten drijven, om ze aldaar op te stapelen. Hunne woningen zijn netjes en gemakkelijk; na gegeten te hebben, werpen zij de stukken hout waarvan zij de schors hebben afgeknaagd, in de rivier, aan gene zijde van de sluis. Nooit staan zij aan een vreemden bever toe om zich bij hen te komen vestigen, en dikwijls vechten zij met het grootste geweld om hun grondgebied te verdedigen.”

»Ik heb nooit iets dergelijks gehoord,” zeide het meisje.

»O, maar dat is alles nog niet,” hernam de jager. »In de lente, wanneer zij ruien, laat het mannetje het wijfje alleen thuis en gaat hij als een groot heer een pleizierreisje maken, waarbij hij dan dikwijls groote afstanden aflegt, zich vermakende in het heldere water dat hij ontmoet, en tegen de oevers opklauterende, om de tengere stammen van jonge populieren of wilgen af te knabbelen. Maar als de zomer nadert, dan laat hij zijne levenswijze als alleenloopend gezel varen, herinnert zich zijne plichten als huisvader, keert naar zijne vrouw en naar zijn pasgeboren kroost terug, en geeft aan dit laatste onderwijs in het opdoen van winterprovisie.”[96]

»Waarlijk,” zeide de generaal, »dat dier is een der merkwaardigste van geheel de schepping.”

»Ja,” voegdedoñaLuz er bij, »en ik begrijp niet, hoe men er zoo koelbloedig jacht op kan maken, evenals op een schadelijk dier.”

»Ach! wat wilt gij dan,Señorita?” gaf de jager wijsgeerig ten antwoord; »alle dieren zijn voor den mensch geschapen; en dit vooral, daar zijne huid zoo kostbaar is.”

»Dat is waar,” zeide de generaal; »maar,”voegde hij er bij,»hoe maakt gij die jacht? alle bevers hebben niet zooveel vertrouwen als deze; er zijn er die hunne hutten met veel zorg verbergen.”

»Ja,” antwoordde de Zwarte Eland, »maar de gewoonte heeft den ervaren jager een zoo vast oog gegeven, dat hij aan het minste teeken het spoor van een bever ontdekt, en al is de hut ook nog zoo zorgvuldig onder de dikke takken en onder de wilgen, die haar overschaduwen, verborgen, gebeurt het toch maar zelden, dat hij niet het juiste getal harer bewoners raadt. Hij zet dan zijn val, plaatst haar aan den oever, twee of drie duim onder de oppervlakte van het water, en maakt haar met een ketting vast aan een diep in het slijk of in het zand geboorden paal. Een klein takje wordt dan van zijne schors ontdaan en in demedicijn, gelijk wij het lokaas noemen, gedoopt; dat takje wordt zoodanig geplaatst, dat het drie of vier duim boven het water uitsteekt, terwijl het van onderen aan de opening der val is vastgehecht. De bever, die een zeer fijnen reuk heeft, wordt weldra door den geur van het lokaas aangetrokken. Zoodra hij zijn snuit naar voren brengt, om er zich meester van te maken, raakt zijn voet in de val; verschrikt duikt hij onder; de val gaat met hem mede, maar biedt aan al zijn streven om los te komen weêrstand; hij worstelt een tijd lang; maar eindelijk zinkt hij uitgeput naar omlaag, en verdrinkt. Ziedaar,Señorita, de wijze, waarop gewoonlijk de bevers gevangen worden.

»Maar in de rotsbeddingen, waar het niet mogelijk is een paal in den grond te slaan, om er de val aan vast te maken, zijn wij dikwijls verplicht groote en zelfs gevaarlijke nasporingen te doen, om de gevangen bevers te vinden. Het gebeurt ook wel, als er verscheidene leden van één huisgezin gevangen genomen zijn, dat de andere wantrouwend worden. Alsdan, hoe groot ook onze listen mogen zijn, is het onmogelijk, hen in het lokaas te doen happen. Zij naderen de vallen heel voorzichtig, ontspannen de veêr met een stokje, en werpen dikwijls de vallen onderst boven, slepen ze onder een hunner sluizen, en stoppen ze weg in het slijk.”

»En dan?” vroeg het meisje.

»Dan,” hernam de Zwarte Eland, »schiet er maar één ding over, dat is, onze vallen op den rug te nemen, ons door de bevers overwonnen te verklaren en verder op, naar andere, minder in den krijg bedrevene te gaan zoeken. Maar zie hier mijne rancho.”

De reizigers waren bij een ellendige hut gekomen, samengesteld[97]uit in elkander gevlochten takken, nauwelijks goed genoeg om hen tegen de stralen der zon te beschutten, en wat achteloosheid betreft, in alles volkomen gelijk aan die van de andere jagers der prairiën, die zich het minst van alle menschen om de gemakken des levens bekommeren. Doch hoe dan ook, de Zwarte Eland nam er hoffelijk de honneurs waar.

Een tweede jager zat voor de hut, bezig met op het koken der bisonbult te letten, waarvan de Zwarte Eland aan zijne gasten melding had gemaakt. Deze man, wiens kostuum volmaakt op dat van den Zwarten Eland geleek, was te naastenbij veertig jaar; maar de vermoeienissen en de tallooze onheilen van zijn beroep hadden op zijn gelaat een netwerk van diepe rimpels gegroefd, die hem veel ouder deden schijnen dan hij werkelijk was. En inderdaad, er is ter wereld geen gevaarlijker, geen moeielijker, geen minder winstgevend beroep dan dat van pelsjager. De arme menschen worden vaak, hetzij door de Indianen, hetzij door andere jagers beroofd van al hunne met moeite bijeenvergaderde winst, gescalpeerd en vermoord, zonder dat iemand zich het hoofd breekt met de vraag, wat er van hen geworden is.

»Neem plaats,señorita, en gij ook mijne heeren,” zeide de Zwarte Eland beleefd; »mijn huis, hoe arm het zijn mag, is toch groot genoeg om u allen te bergen.”

De jagers namen zijn aanbod gretig aan, stegen af, en bevonden zich weldra gemakkelijk uitgestrekt op rustbedden van droge bladeren, bedekt met de huiden van bevers, elanden en bisons.

Het maal, een recht jagersmaal, werd besproeid met eenigecouïs(bekers) uitmuntenden mezcal, dien de generaal altijd op zijne tochten medenam, en dien de jagers naar verdienste waardeerden.

TerwijldoñaLuz, de gids en de lanceros gedurende eenige oogenblikken de gewone siësta hielden, om de grootste hitte te laten voorbijgaan, verzocht de generaal den Zwarten Eland om hem te volgen, en verliet met hem de hut. Zoodra zij zich ver genoeg verwijderd hadden, zette de generaal zich aan den voet van een ebbenhoutboom neder, en noodigde zijn gastheer uit om hetzelfde te doen, hetgeen deze dan ook onmiddellijk deed. Na een oogenblik stilte nam de generaal het woord:

»Mijn vriend,” zeide hij, »sta mij eerst toe, dat ik u bedank voor uwe gulle gastvrijheid. Daarna wensch ik eenige vragen tot u te richten.”

»Caballero!” antwoordde de jager met drift, »gij weet wat de Roodhuiden gewoon zijn te zeggen; doet tusschen ieder woord een trek aan uwcalumet(vredespijp), opdat geen onbedacht woord aan uw mond ontvalle.”

»Gij spreekt als een verstandig man, maar wees gerust, ik ben niet van plan u vragen te doen, die betrekking hebben op uw beroep, of op iets anders, dat u persoonlijk aangaat.”[98]

»Zoo ik u kan antwoorden, Caballero, zal ik niet aarzelen u te voldoen.”

»Verplicht, mijn vriend, ik verwachtte niets minder van u; hoe lang woont gij al in de prairiën?”

»Al tien jaar, mijnheer, en God geve dat ik er nog even zoovele mag doorbrengen.”

»Dat leven bevalt u dus?”

»Meer dan ik u zou kunnen zeggen.—Men moet het evenals ik, als kind begonnen zijn, er al de beproevingen van ondervonden, al het lijden van geleden, al de gevaren van doorgestaan hebben, om de bekoorlijkheden die het schenkt, de hemelsche zaligheid die het oplevert, en de onbekende genoegens waarmede het ons overlaadt, te begrijpen! O, Caballero, de schoonste en grootste stad van het oude Europa is wel klein, wel morsig en wel popperig, bij de woestijn vergeleken. Uw gebonden, geregeld en afgemeten leven is wel armzalig bij het onze! Het is hier alleen, dat de mensch ruim ademt, dat hij leeft, dat hij denkt! De overbeschaving doet hem bijna tot den rang van het dier afdalen hem niet meer instinct overlatende, dan noodig is om zijn ellendig doelwit na te jagen. In de prairie daarentegen, waar hij van aangezicht tot aangezicht tegenover God staat, breiden zijne gedachten zich uit, verruimt zich zijn gemoed, en wordt hij werkelijk, wat het hoogste wezen van hem heeft willen maken, namelijk heer der schepping.”

Terwijl hij deze woorden uitsprak, was de jager geheel veranderd, zijn gelaat had een bezielde uitdrukking aangenomen, zijne oogen schoten vonken, en zijne gebaren waren de getrouwe spiegels van al wat er in hem omging.

De generaal slaakte een diepen zucht, een stille traan bevochtigde zijn grijzen knevel.

»Het is zoo,” zeide hij treurig, »dat leven heeft eigenaardige bekoorlijkheden voor hem die het gesmaakt heeft, en die er zich met onverbreekbare banden aan verbonden ziet. Toen gij in de prairiën kwaamt, van waar kwaamt gij toen?”

»Ik kwam van Quebec, mijnheer, ik ben een Canadees.”

»Ah!”

Er volgde eene pauze. De generaal brak haar ten laatste weder af.

»Hebt gij onder uwe makkers geen Mexicanen?” zeide hij.

»Verscheidene.”

»Ik zou gaarne iets van hen willen weten.”

»Er is er een, die er u meer van zou kunnen zeggen, maar ongelukkig is die man op dit oogenblik niet hier.”

»En hij heet?”

»Edelhart.”

»Edelhart!” hernam de generaal met vuur; »maar ik ken dien man, geloof ik.”[99]

»Ja, gij kent hem.”

»O, God, hoe jammer!”

»Misschien zal het u gemakkelijker vallen hem te ontmoeten dan gij denkt, ten minste zoo gij er werkelijk belang in stelt, om hem te zien.”

»Ik heb er groot belang bij.”

»Wees dan maar gerust; weldra zult gij hem zien.”

»Hoe dat?”

»O, op een heel eenvoudige manier. Edelhart zet zijne vallen dicht bij de mijne; ik houd er tegenwoordig een wakend oog op; maar hij kan niet lang wegblijven.”

»Dat geve God!” zeide de generaal aangedaan.

»Zoodra hij terugkomt, zal ik hem waarschuwen, zoo gij dan uw kamp nog niet verlaten hebt.”

»Weet gij dan waar mijn troep kampeert?”

»Wij weten alles in de woestijn,” antwoordde de jager glimlachend.

»Belooft gij het mij?”

»Gij hebt mijn woord, mijnheer.”

»Ik dank u.”

Op dit oogenblik verlietdoñaLuz de hut, na den Zwarten Eland een teeken gegeven te hebben, dat hij zwijgen zou; de generaal haastte zich haar te volgen.

De reizigers bestegen hunne paarden weder, en na de jagers voor hunne gulle ontvangst te hebben dank gezegd, namen zij den terugtocht aan naar het kamp.


Back to IndexNext