XV.

[Inhoud]XV.DE VERGIFFENIS.Het wederzien van den generaal en zijne nicht was zeer treffend.De oude, zwaar beproefde soldaat was blijde het onschuldige kind in zijne armen te kunnen drukken, dat zijn eenige bloedverwant was, en als door een wonder aan de rampen, waaraan het had bloot gestaan, was ontsnapt.Langen tijd zaten zij in zoet gekeuvel verdiept, alles om zich heen vergetende, de generaal deed onderzoek naar hare levenswijze gedurende den tijd zijner gevangenschap, en het meisje ondervroeg hem over de gevaren, die hij was doorgeworsteld, en de slechte behandeling, die hij had ondergaan.»En nu, oom,” vroeg zij eindelijk, »wat is nu uw plan?”»Helaas, mijn kind,” antwoordde hij, een zucht onderdrukkende, »wij moeten onverwijld deze vreeselijke gewesten verlaten en naar Mexico terugkeeren.”Het meisje voelde zich treurig aangedaan, ofschoon zij zelve de noodzakelijkheid van een spoedigen terugkeer inzag. Maar vertrekken, washemte verlaten, dien zij liefhad! van hem te scheiden, zonder dat er eenige mogelijkheid overbleef om hem weder te zien;—scheiden! van dien man, wiens bewonderenswaardig karakter zij hoe langer hoe meer had leeren waardeeren, en die nu onmisbaar geworden was voor haar leven en voor haar geluk.[198]»Wat schort u, mijn kind? gij zijt treurig, uwe oogen zijn vol tranen,” vroeg haar oom, haar met warmte de hand drukkend.»Helaas! oom,” antwoordde zij klagend, »hoe zou ik niet treurig zijn, na alles wat er in de laatste dagen gebeurd is? mijn hart is gebroken.”»Dat is zoo; de gebeurtenissen waarvan wij de getuigen en de slachtoffers geweest zijn, zijn meer dan voldoende, om u treurig te maken; maar gij zijt nog jong, mijn kind, binnen eenigen tijd zullen deze gebeurtenissen in uw hart geen ander spoor meer achterlaten als de herinnering aan feiten, die gij, Gode zij dank! voor het vervolg niet meer zult te vreezen hebben.”»Wij vertrekken dus weldra?”»Morgen, als het kan; wat zou ik hier langer doen? de hemel zelf verklaart zich tegen mij, daar hij mij verplicht af te zien van die onderneming, wier goede uitslag het geluk van mijn ouden dag zou geweest zijn: maar God wil niet, dat ik vertroost worde; Zijn wil geschiede,” zeide hij met onderwerping.»Wat bedoelt gij, oom?” vroeg het meisje met geestdrift.»Niets, dat u heden belang kan inboezemen, mijn kind; het is beter, dat gij het niet weet, en dat ik alleen lijde; ik ben oud, ik ben er aan gewoon,” zeide hij droefgeestig.»Arme oom!”»Ik dank u voor de vriendschap, die gij voor mij koestert, mijn kind, maar laten wij van dat treurig onderwerp afstappen; spreken wij, zoo gij wilt, liever een weinig van die brave lieden, waaraan wij zooveel verplichting hebben.”»Van Edelhart?” preveldedoñaLuz blozend.»Ja,” antwoordde de generaal, »van Edelhart en van zijne moeder, die waardige vrouw, die ik nog niet heb kunnen bedanken, ten gevolge van de wond van dien armen Goedsmoeds, en aan wie gij het verschuldigd zijt, dat u hier niets ontbroken heeft.”»Zij heeft voor mij gezorgd als eene teedere moeder!”»Hoe zal ik ooit mijn schuld aan haar en aan haren edelen zoon kunnen betalen? Zij is gelukkig, in het bezit van zulk een kind; helaas! die vreugde is mij niet gegeven, ik ben alleen!” zeide de generaal, terwijl hij zijn hoofd in zijne handen liet zinken.»En ik dan,” zeide het meisje vleiend.»O, gij,” antwoordde hij, haar teeder omhelzende, »gij zijt mijne lieve dochter, maar ik heb geen zoon!”»Dat is waar!” prevelde zij peinzend.»Edelhart,” hernam de generaal, »heeft een veel te zonderling karakter, om iets van mij aan te nemen. Wat zal ik doen? Hoe zal ik mijne schuld aan hem kunnen betalen? Hoe hem de gewichtige diensten, die hij mij bewezen heeft, naar behooren vergelden?”Er volgde een oogenblik van stilte.DoñaLuz naderde den generaal, kuste hem op het voorhoofd,[199]verborg haar gelaat aan zijn schouder, en zeide met eene van aandoening bevende stem:»Oom, daar valt mij eene gedachte in!”»Spreek, mijne lieve,” antwoordde hij, »spreek onbeschroomd, het is God wellicht, die haar u ingeeft.”»Gij hebt geen zoon, aan wien gij uw naam en uw fortuin nalaten kunt, is het niet, oom?”»Helaas!” prevelde hij, »ik heb een oogenblik gemeend er een te zullen terugvinden; maar die hoop is voor altijd verdwenen; gij weet het, kindlief, ik ben alleen!”»Edelhart noch zijne moeder, zullen iets van u willen aannemen.”»Neen.”»Toch geloof ik, dat er een middel is om hen te verplichten, hen te dwingen zelfs.”»En dat middel is?” zeide hij.»Oom, daar gij het zoo betreurt geen zoon te hebben, aan wien gij uw naam kunt nalaten, waarom zoudt gij Edelhart niet als uw zoon aannemen?”De generaal zag haar aan, een hoog rood kleurde hare wangen en zij beefde van top tot teen.»O, kindlief,” zeide hij, haar teeder omhelzende, »uw plan is verrukkelijk, maar het is onuitvoerbaar; ik zou gelukkig en trotsch zijn met een zoon als Edelhart; gij zelve hebt het gezegd, zijne moeder aanbidt hem, zij zal jaloersch op hem zijn, nooit zal zij er in toestemmen om hem met een vreemde te deelen.”»Misschien!” prevelde zij.»En dan nog,” ging de generaal voort, »zelfs als zijne moeder, wat ik onmogelijk acht, uit liefde voor hem, en ten einde hem eene plaats in de maatschappij te bezorgen, mijn voorstel aannam, dan nog zelfs zou hij het weigeren; of gelooft gij, lieve, dat die man, opgevoed in de woestijn, die zijn geheele leven heeft doorgebracht in onvoorziene en aangrijpende gebeurtenissen, te midden van een verhevene natuur, er in zal toestemmen, om voor een weinig goud, dat hij veracht en voor een naam, die hem nutteloos is, af te zien van dat schoone, avontuurlijke leven, zoo vol zoete en vreeselijke aandoeningen, dat voor hem een behoefte geworden is? Neen, neen, hij zou in onze steden verkwijnen; voor een verheven karakter als het zijne, zou onze beschaving doodelijk zijn, vergeet dus dat denkbeeld, lief kind; helaas ik ben er van overtuigd, hij zou het weigeren.”»Wie weet,” zeide zij, het hoofd schuddende.»God is mijn getuige,” hernam de generaal met nadruk, »dat ik blijde zou zijn, indien het gelukte, en dat dan al mijne wenschen verhoord zouden zijn; maar waarom ons zelven met dwaze droomen misleid? hij zal het weigeren, zeg ik u! en ik ben genoodzaakt er bij te voegen, hij zal gelijk hebben, als hij het doet.”»Neem er de proef van, oom!” antwoordde zij; »zoo uw voorstel[200]verworpen wordt, zult gij aan Edelhart ten minste bewezen hebben, dat gij geen ondankbare zijt, en dat gij hem naar waarde hebt weten te schatten.”»Gij wilt het dus?” zeide de generaal, die gaarne overtuigd wilde zijn.»Ik bid er u om, oom,” zeide zij, hem omhelzende, om hare blijdschap en haar blozen te verbergen; »ik weet niet waarom, maar het schijnt mij toe, dat gij slagen zult.”»Het zij dan zoo,” prevelde de generaal met een droevigen glimlach, »verzoek Edelhart en zijne moeder om mij hier te komen bezoeken.”»Binnen vijf minuten breng ik hen bij u,” riep zij vroolijk uit.En huppelend als een gazelle, verdween het meisje en spoedde zich door de kronkelingen van de grot.Zoodra hij alleen was, verzonk de generaal in een ernstig nadenken.Eenige minuten later stondDoñaLuz met Edelhart en diens moeder voor hem.De generaal hief het hoofd op, groette de aankomenden met groote beleefdheid, en gaf aan zijne nicht een teeken om zich te verwijderen.Het meisje gehoorzaamde.Het was in dat gedeelte van de grot slechts half dag, en alle voorwerpen waren niet even sterk verlicht; door een vreemde gril gedreven, had de moeder van Edelhart haarrebozo(sluier) zoo omgedaan, dat deze haar gelaat bijna geheel en al bedekte. Hoe aandachtig hij haar ook beschouwde, het mocht den generaal niet gelukken, hare gelaatstrekken te zien.»Gij hebt ons geroepen, generaal,” zeide Edelhart luchthartig; »gij ziet, wij hebben ons gehaast, om aan uw verlangen te voldoen.”»Verplicht voor die haast, mijn vriend,” antwoordde de generaal; »ontvang eerst de uitdrukking mijner erkentenis voor de belangrijke diensten, die gij mij bewezen hebt, en wat ik tot u zeg, mijn vriend,—vergun mij u dien titel te geven,—betreft ook uwe goede en voortreffelijke moeder, voor de teedere zorg, die zij aan mijne nicht bewezen heeft.”»Generaal,” antwoordde de jager bewogen, »ik dank u voor die vriendelijke woorden, die ruimschoots opwegen tegen alles, wat gij aan mij meent verschuldigd te zijn. Door u te hulp te komen, heb ik de gelofte vervuld, die ik gedaan had, om nooit mijn naaste zonder hulp te laten; geloof mij, ik verlang geene andere belooning dan uwe achting, ik ben, voor het weinige dat ik gedaan heb, genoeg betaald door de voldoening, die ik op dit oogenblik smaak.”»Ik wilde toch zoo gaarne, vergun mij dat ik er op aandring, ik wilde toch zoo gaarne u op een andere wijze beloonen.”»Mij beloonen!” riep de vurige jongeling uit, tot over de ooren een kleur krijgende.[201]»Laat mij uitspreken,” hernam de generaal levendig; »zoo het voorstel, dat ik u daarna denk te doen, u mishaagt, welnu, dan zult gij daarop antwoorden, even openhartig als ik mij nu zal verklaren.”»Spreek, generaal, ik luister.”»Mijn vriend, mijne reis in de prairiën had een heilig doel, dat ik niet heb mogen bereiken! gij kent de oorzaak daarvan; de mannen, die mij gevolgd waren, zijn aan mijne zijde gesneuveld. Bijna alléén overgebleven, zie ik mij genoodzaakt een onderzoek op te geven, dat ware het goed afgeloopen, het geluk zou hebben uitgemaakt van de weinige levensdagen, die mij nog overblijven. God straft mij wreed. Ik heb al mijne kinderen zien sterven; een enkele bleef mij misschien nog over, maar dien heb ik, in een oogenblik van zinneloozen hoogmoed, van mij weggejaagd; thans nu ik aan den eindpaal van mijn leven gekomen ben, is mijn huis ledig, mijn haard verlaten. Ik ben alleen, helaas! zonder betrekkingen, zonder vrienden, zonder een erfgenaam, aan wien ik, niet mijn fortuin, maar mijn naam kan nalaten, dien een lange reeks van voorouders mij zonder smet of vlek heeft overgeleverd. Wilt gij bij mij de plaats innemen van dat huisgezin, dat mij ontbreekt? Edelhart, wilt gij mijn zoon zijn?”Onder het uitspreken dezer woorden was de generaal opgestaan, en had hij de hand van den jongeling gegrepen, die hij hartelijk in de zijne drukte, terwijl hem de tranen in de oogen stonden.Bij dit onverwachte aanbod was de jager blijven staan, verbaasd, bevend, niet wetende wat te moeten antwoorden.Zijne moeder wierp driftig haar sluier naar achteren, en haar gelaat vertoonende, dat van vreugde schitterde, en als het ware geheel van uitdrukking veranderd was, plaatste zij zich tusschen de beide mannen, legde hare hand op den schouder van den generaal, zag hem strak aan en zeide met eene stem die van aandoening trilde:»Eindelijk, don Ramon de Garillas, vraagt gij dan dien zoon terug, dien gij sedert twintig jaren zoo wreed aan zijn lot hebt overgelaten.”»Vrouw, wat bedoelt gij?” stotterde de generaal.»Ik bedoel, don Ramon,” hernam zij op een majestueuzen toon, »dat ikdoñaJesusita, uwe vrouw, ben, en dat Edelhart uw zoon Rafaël is, dien gij vervloekt hebt.”»O!” riep de generaal terwijl hij op zijne knieën viel, en in tranen scheen te baden: »vergeving, vergeving, mijn zoon.”»Mijn vader!” riep Edelhart, zich in zijne armen werpende, en trachtende hem op te richten, »wat doet gij?”»Mijn zoon,” zeide de grijsaard, bijna waanzinnig van vreugde en smart, »ik laat die houding niet varen, aleer gij mij vergeven hebt.”»Sta op, don Ramon,” zeidedoñaJesusita met een zachte stem; »sedert langen tijd reeds woont er in het hart der moeder en in dat van den zoon voor u geen ander gevoel dan dat van eerbied en liefde.”[202]»O,” riep de grijsaard, hen beurtelings omhelzende, »het is te veel geluk, ik verdien niet zoo gelukkig te zijn na het wreede gedrag waaraan ik mij heb schuldig gemaakt.”»Mijn vader,” antwoordde de jager op edelen toon, »aan de straf, die gij mij hebt opgelegd, heb ik het te danken, dat ik een eerlijk man geworden ben; vergeet dan het verledene, dat niet meer is dan een droom, en denk alleen aan de toekomst, die u tegenlacht.”In dit oogenblik traddoñaLuz beschroomd en verlegen te voorschijn.Zoodra hij haar bemerkte, greep de generaal haar bij de hand, bracht haar bijdoñaJesusita, en zeide:»Lieve nicht, gij kunt nu zonder schroom Edelhart beminnen, hij is thans inderdaad mijn zoon. God heeft in zijne eindelooze goedheid toegestaan, dat ik hem zou wedervinden op het oogenblik, dat ik aan zulk een geluk wanhoopte.”Het meisje slaakte een kreet van vreugde, en verborg haar gelaat verlegen in den schoot vandoñaJesusita, terwijl zij hare hand in die van Rafaël liet, die aan hare voeten nederviel en haar in vervoering kuste.[203]

[Inhoud]XV.DE VERGIFFENIS.Het wederzien van den generaal en zijne nicht was zeer treffend.De oude, zwaar beproefde soldaat was blijde het onschuldige kind in zijne armen te kunnen drukken, dat zijn eenige bloedverwant was, en als door een wonder aan de rampen, waaraan het had bloot gestaan, was ontsnapt.Langen tijd zaten zij in zoet gekeuvel verdiept, alles om zich heen vergetende, de generaal deed onderzoek naar hare levenswijze gedurende den tijd zijner gevangenschap, en het meisje ondervroeg hem over de gevaren, die hij was doorgeworsteld, en de slechte behandeling, die hij had ondergaan.»En nu, oom,” vroeg zij eindelijk, »wat is nu uw plan?”»Helaas, mijn kind,” antwoordde hij, een zucht onderdrukkende, »wij moeten onverwijld deze vreeselijke gewesten verlaten en naar Mexico terugkeeren.”Het meisje voelde zich treurig aangedaan, ofschoon zij zelve de noodzakelijkheid van een spoedigen terugkeer inzag. Maar vertrekken, washemte verlaten, dien zij liefhad! van hem te scheiden, zonder dat er eenige mogelijkheid overbleef om hem weder te zien;—scheiden! van dien man, wiens bewonderenswaardig karakter zij hoe langer hoe meer had leeren waardeeren, en die nu onmisbaar geworden was voor haar leven en voor haar geluk.[198]»Wat schort u, mijn kind? gij zijt treurig, uwe oogen zijn vol tranen,” vroeg haar oom, haar met warmte de hand drukkend.»Helaas! oom,” antwoordde zij klagend, »hoe zou ik niet treurig zijn, na alles wat er in de laatste dagen gebeurd is? mijn hart is gebroken.”»Dat is zoo; de gebeurtenissen waarvan wij de getuigen en de slachtoffers geweest zijn, zijn meer dan voldoende, om u treurig te maken; maar gij zijt nog jong, mijn kind, binnen eenigen tijd zullen deze gebeurtenissen in uw hart geen ander spoor meer achterlaten als de herinnering aan feiten, die gij, Gode zij dank! voor het vervolg niet meer zult te vreezen hebben.”»Wij vertrekken dus weldra?”»Morgen, als het kan; wat zou ik hier langer doen? de hemel zelf verklaart zich tegen mij, daar hij mij verplicht af te zien van die onderneming, wier goede uitslag het geluk van mijn ouden dag zou geweest zijn: maar God wil niet, dat ik vertroost worde; Zijn wil geschiede,” zeide hij met onderwerping.»Wat bedoelt gij, oom?” vroeg het meisje met geestdrift.»Niets, dat u heden belang kan inboezemen, mijn kind; het is beter, dat gij het niet weet, en dat ik alleen lijde; ik ben oud, ik ben er aan gewoon,” zeide hij droefgeestig.»Arme oom!”»Ik dank u voor de vriendschap, die gij voor mij koestert, mijn kind, maar laten wij van dat treurig onderwerp afstappen; spreken wij, zoo gij wilt, liever een weinig van die brave lieden, waaraan wij zooveel verplichting hebben.”»Van Edelhart?” preveldedoñaLuz blozend.»Ja,” antwoordde de generaal, »van Edelhart en van zijne moeder, die waardige vrouw, die ik nog niet heb kunnen bedanken, ten gevolge van de wond van dien armen Goedsmoeds, en aan wie gij het verschuldigd zijt, dat u hier niets ontbroken heeft.”»Zij heeft voor mij gezorgd als eene teedere moeder!”»Hoe zal ik ooit mijn schuld aan haar en aan haren edelen zoon kunnen betalen? Zij is gelukkig, in het bezit van zulk een kind; helaas! die vreugde is mij niet gegeven, ik ben alleen!” zeide de generaal, terwijl hij zijn hoofd in zijne handen liet zinken.»En ik dan,” zeide het meisje vleiend.»O, gij,” antwoordde hij, haar teeder omhelzende, »gij zijt mijne lieve dochter, maar ik heb geen zoon!”»Dat is waar!” prevelde zij peinzend.»Edelhart,” hernam de generaal, »heeft een veel te zonderling karakter, om iets van mij aan te nemen. Wat zal ik doen? Hoe zal ik mijne schuld aan hem kunnen betalen? Hoe hem de gewichtige diensten, die hij mij bewezen heeft, naar behooren vergelden?”Er volgde een oogenblik van stilte.DoñaLuz naderde den generaal, kuste hem op het voorhoofd,[199]verborg haar gelaat aan zijn schouder, en zeide met eene van aandoening bevende stem:»Oom, daar valt mij eene gedachte in!”»Spreek, mijne lieve,” antwoordde hij, »spreek onbeschroomd, het is God wellicht, die haar u ingeeft.”»Gij hebt geen zoon, aan wien gij uw naam en uw fortuin nalaten kunt, is het niet, oom?”»Helaas!” prevelde hij, »ik heb een oogenblik gemeend er een te zullen terugvinden; maar die hoop is voor altijd verdwenen; gij weet het, kindlief, ik ben alleen!”»Edelhart noch zijne moeder, zullen iets van u willen aannemen.”»Neen.”»Toch geloof ik, dat er een middel is om hen te verplichten, hen te dwingen zelfs.”»En dat middel is?” zeide hij.»Oom, daar gij het zoo betreurt geen zoon te hebben, aan wien gij uw naam kunt nalaten, waarom zoudt gij Edelhart niet als uw zoon aannemen?”De generaal zag haar aan, een hoog rood kleurde hare wangen en zij beefde van top tot teen.»O, kindlief,” zeide hij, haar teeder omhelzende, »uw plan is verrukkelijk, maar het is onuitvoerbaar; ik zou gelukkig en trotsch zijn met een zoon als Edelhart; gij zelve hebt het gezegd, zijne moeder aanbidt hem, zij zal jaloersch op hem zijn, nooit zal zij er in toestemmen om hem met een vreemde te deelen.”»Misschien!” prevelde zij.»En dan nog,” ging de generaal voort, »zelfs als zijne moeder, wat ik onmogelijk acht, uit liefde voor hem, en ten einde hem eene plaats in de maatschappij te bezorgen, mijn voorstel aannam, dan nog zelfs zou hij het weigeren; of gelooft gij, lieve, dat die man, opgevoed in de woestijn, die zijn geheele leven heeft doorgebracht in onvoorziene en aangrijpende gebeurtenissen, te midden van een verhevene natuur, er in zal toestemmen, om voor een weinig goud, dat hij veracht en voor een naam, die hem nutteloos is, af te zien van dat schoone, avontuurlijke leven, zoo vol zoete en vreeselijke aandoeningen, dat voor hem een behoefte geworden is? Neen, neen, hij zou in onze steden verkwijnen; voor een verheven karakter als het zijne, zou onze beschaving doodelijk zijn, vergeet dus dat denkbeeld, lief kind; helaas ik ben er van overtuigd, hij zou het weigeren.”»Wie weet,” zeide zij, het hoofd schuddende.»God is mijn getuige,” hernam de generaal met nadruk, »dat ik blijde zou zijn, indien het gelukte, en dat dan al mijne wenschen verhoord zouden zijn; maar waarom ons zelven met dwaze droomen misleid? hij zal het weigeren, zeg ik u! en ik ben genoodzaakt er bij te voegen, hij zal gelijk hebben, als hij het doet.”»Neem er de proef van, oom!” antwoordde zij; »zoo uw voorstel[200]verworpen wordt, zult gij aan Edelhart ten minste bewezen hebben, dat gij geen ondankbare zijt, en dat gij hem naar waarde hebt weten te schatten.”»Gij wilt het dus?” zeide de generaal, die gaarne overtuigd wilde zijn.»Ik bid er u om, oom,” zeide zij, hem omhelzende, om hare blijdschap en haar blozen te verbergen; »ik weet niet waarom, maar het schijnt mij toe, dat gij slagen zult.”»Het zij dan zoo,” prevelde de generaal met een droevigen glimlach, »verzoek Edelhart en zijne moeder om mij hier te komen bezoeken.”»Binnen vijf minuten breng ik hen bij u,” riep zij vroolijk uit.En huppelend als een gazelle, verdween het meisje en spoedde zich door de kronkelingen van de grot.Zoodra hij alleen was, verzonk de generaal in een ernstig nadenken.Eenige minuten later stondDoñaLuz met Edelhart en diens moeder voor hem.De generaal hief het hoofd op, groette de aankomenden met groote beleefdheid, en gaf aan zijne nicht een teeken om zich te verwijderen.Het meisje gehoorzaamde.Het was in dat gedeelte van de grot slechts half dag, en alle voorwerpen waren niet even sterk verlicht; door een vreemde gril gedreven, had de moeder van Edelhart haarrebozo(sluier) zoo omgedaan, dat deze haar gelaat bijna geheel en al bedekte. Hoe aandachtig hij haar ook beschouwde, het mocht den generaal niet gelukken, hare gelaatstrekken te zien.»Gij hebt ons geroepen, generaal,” zeide Edelhart luchthartig; »gij ziet, wij hebben ons gehaast, om aan uw verlangen te voldoen.”»Verplicht voor die haast, mijn vriend,” antwoordde de generaal; »ontvang eerst de uitdrukking mijner erkentenis voor de belangrijke diensten, die gij mij bewezen hebt, en wat ik tot u zeg, mijn vriend,—vergun mij u dien titel te geven,—betreft ook uwe goede en voortreffelijke moeder, voor de teedere zorg, die zij aan mijne nicht bewezen heeft.”»Generaal,” antwoordde de jager bewogen, »ik dank u voor die vriendelijke woorden, die ruimschoots opwegen tegen alles, wat gij aan mij meent verschuldigd te zijn. Door u te hulp te komen, heb ik de gelofte vervuld, die ik gedaan had, om nooit mijn naaste zonder hulp te laten; geloof mij, ik verlang geene andere belooning dan uwe achting, ik ben, voor het weinige dat ik gedaan heb, genoeg betaald door de voldoening, die ik op dit oogenblik smaak.”»Ik wilde toch zoo gaarne, vergun mij dat ik er op aandring, ik wilde toch zoo gaarne u op een andere wijze beloonen.”»Mij beloonen!” riep de vurige jongeling uit, tot over de ooren een kleur krijgende.[201]»Laat mij uitspreken,” hernam de generaal levendig; »zoo het voorstel, dat ik u daarna denk te doen, u mishaagt, welnu, dan zult gij daarop antwoorden, even openhartig als ik mij nu zal verklaren.”»Spreek, generaal, ik luister.”»Mijn vriend, mijne reis in de prairiën had een heilig doel, dat ik niet heb mogen bereiken! gij kent de oorzaak daarvan; de mannen, die mij gevolgd waren, zijn aan mijne zijde gesneuveld. Bijna alléén overgebleven, zie ik mij genoodzaakt een onderzoek op te geven, dat ware het goed afgeloopen, het geluk zou hebben uitgemaakt van de weinige levensdagen, die mij nog overblijven. God straft mij wreed. Ik heb al mijne kinderen zien sterven; een enkele bleef mij misschien nog over, maar dien heb ik, in een oogenblik van zinneloozen hoogmoed, van mij weggejaagd; thans nu ik aan den eindpaal van mijn leven gekomen ben, is mijn huis ledig, mijn haard verlaten. Ik ben alleen, helaas! zonder betrekkingen, zonder vrienden, zonder een erfgenaam, aan wien ik, niet mijn fortuin, maar mijn naam kan nalaten, dien een lange reeks van voorouders mij zonder smet of vlek heeft overgeleverd. Wilt gij bij mij de plaats innemen van dat huisgezin, dat mij ontbreekt? Edelhart, wilt gij mijn zoon zijn?”Onder het uitspreken dezer woorden was de generaal opgestaan, en had hij de hand van den jongeling gegrepen, die hij hartelijk in de zijne drukte, terwijl hem de tranen in de oogen stonden.Bij dit onverwachte aanbod was de jager blijven staan, verbaasd, bevend, niet wetende wat te moeten antwoorden.Zijne moeder wierp driftig haar sluier naar achteren, en haar gelaat vertoonende, dat van vreugde schitterde, en als het ware geheel van uitdrukking veranderd was, plaatste zij zich tusschen de beide mannen, legde hare hand op den schouder van den generaal, zag hem strak aan en zeide met eene stem die van aandoening trilde:»Eindelijk, don Ramon de Garillas, vraagt gij dan dien zoon terug, dien gij sedert twintig jaren zoo wreed aan zijn lot hebt overgelaten.”»Vrouw, wat bedoelt gij?” stotterde de generaal.»Ik bedoel, don Ramon,” hernam zij op een majestueuzen toon, »dat ikdoñaJesusita, uwe vrouw, ben, en dat Edelhart uw zoon Rafaël is, dien gij vervloekt hebt.”»O!” riep de generaal terwijl hij op zijne knieën viel, en in tranen scheen te baden: »vergeving, vergeving, mijn zoon.”»Mijn vader!” riep Edelhart, zich in zijne armen werpende, en trachtende hem op te richten, »wat doet gij?”»Mijn zoon,” zeide de grijsaard, bijna waanzinnig van vreugde en smart, »ik laat die houding niet varen, aleer gij mij vergeven hebt.”»Sta op, don Ramon,” zeidedoñaJesusita met een zachte stem; »sedert langen tijd reeds woont er in het hart der moeder en in dat van den zoon voor u geen ander gevoel dan dat van eerbied en liefde.”[202]»O,” riep de grijsaard, hen beurtelings omhelzende, »het is te veel geluk, ik verdien niet zoo gelukkig te zijn na het wreede gedrag waaraan ik mij heb schuldig gemaakt.”»Mijn vader,” antwoordde de jager op edelen toon, »aan de straf, die gij mij hebt opgelegd, heb ik het te danken, dat ik een eerlijk man geworden ben; vergeet dan het verledene, dat niet meer is dan een droom, en denk alleen aan de toekomst, die u tegenlacht.”In dit oogenblik traddoñaLuz beschroomd en verlegen te voorschijn.Zoodra hij haar bemerkte, greep de generaal haar bij de hand, bracht haar bijdoñaJesusita, en zeide:»Lieve nicht, gij kunt nu zonder schroom Edelhart beminnen, hij is thans inderdaad mijn zoon. God heeft in zijne eindelooze goedheid toegestaan, dat ik hem zou wedervinden op het oogenblik, dat ik aan zulk een geluk wanhoopte.”Het meisje slaakte een kreet van vreugde, en verborg haar gelaat verlegen in den schoot vandoñaJesusita, terwijl zij hare hand in die van Rafaël liet, die aan hare voeten nederviel en haar in vervoering kuste.[203]

[Inhoud]XV.DE VERGIFFENIS.Het wederzien van den generaal en zijne nicht was zeer treffend.De oude, zwaar beproefde soldaat was blijde het onschuldige kind in zijne armen te kunnen drukken, dat zijn eenige bloedverwant was, en als door een wonder aan de rampen, waaraan het had bloot gestaan, was ontsnapt.Langen tijd zaten zij in zoet gekeuvel verdiept, alles om zich heen vergetende, de generaal deed onderzoek naar hare levenswijze gedurende den tijd zijner gevangenschap, en het meisje ondervroeg hem over de gevaren, die hij was doorgeworsteld, en de slechte behandeling, die hij had ondergaan.»En nu, oom,” vroeg zij eindelijk, »wat is nu uw plan?”»Helaas, mijn kind,” antwoordde hij, een zucht onderdrukkende, »wij moeten onverwijld deze vreeselijke gewesten verlaten en naar Mexico terugkeeren.”Het meisje voelde zich treurig aangedaan, ofschoon zij zelve de noodzakelijkheid van een spoedigen terugkeer inzag. Maar vertrekken, washemte verlaten, dien zij liefhad! van hem te scheiden, zonder dat er eenige mogelijkheid overbleef om hem weder te zien;—scheiden! van dien man, wiens bewonderenswaardig karakter zij hoe langer hoe meer had leeren waardeeren, en die nu onmisbaar geworden was voor haar leven en voor haar geluk.[198]»Wat schort u, mijn kind? gij zijt treurig, uwe oogen zijn vol tranen,” vroeg haar oom, haar met warmte de hand drukkend.»Helaas! oom,” antwoordde zij klagend, »hoe zou ik niet treurig zijn, na alles wat er in de laatste dagen gebeurd is? mijn hart is gebroken.”»Dat is zoo; de gebeurtenissen waarvan wij de getuigen en de slachtoffers geweest zijn, zijn meer dan voldoende, om u treurig te maken; maar gij zijt nog jong, mijn kind, binnen eenigen tijd zullen deze gebeurtenissen in uw hart geen ander spoor meer achterlaten als de herinnering aan feiten, die gij, Gode zij dank! voor het vervolg niet meer zult te vreezen hebben.”»Wij vertrekken dus weldra?”»Morgen, als het kan; wat zou ik hier langer doen? de hemel zelf verklaart zich tegen mij, daar hij mij verplicht af te zien van die onderneming, wier goede uitslag het geluk van mijn ouden dag zou geweest zijn: maar God wil niet, dat ik vertroost worde; Zijn wil geschiede,” zeide hij met onderwerping.»Wat bedoelt gij, oom?” vroeg het meisje met geestdrift.»Niets, dat u heden belang kan inboezemen, mijn kind; het is beter, dat gij het niet weet, en dat ik alleen lijde; ik ben oud, ik ben er aan gewoon,” zeide hij droefgeestig.»Arme oom!”»Ik dank u voor de vriendschap, die gij voor mij koestert, mijn kind, maar laten wij van dat treurig onderwerp afstappen; spreken wij, zoo gij wilt, liever een weinig van die brave lieden, waaraan wij zooveel verplichting hebben.”»Van Edelhart?” preveldedoñaLuz blozend.»Ja,” antwoordde de generaal, »van Edelhart en van zijne moeder, die waardige vrouw, die ik nog niet heb kunnen bedanken, ten gevolge van de wond van dien armen Goedsmoeds, en aan wie gij het verschuldigd zijt, dat u hier niets ontbroken heeft.”»Zij heeft voor mij gezorgd als eene teedere moeder!”»Hoe zal ik ooit mijn schuld aan haar en aan haren edelen zoon kunnen betalen? Zij is gelukkig, in het bezit van zulk een kind; helaas! die vreugde is mij niet gegeven, ik ben alleen!” zeide de generaal, terwijl hij zijn hoofd in zijne handen liet zinken.»En ik dan,” zeide het meisje vleiend.»O, gij,” antwoordde hij, haar teeder omhelzende, »gij zijt mijne lieve dochter, maar ik heb geen zoon!”»Dat is waar!” prevelde zij peinzend.»Edelhart,” hernam de generaal, »heeft een veel te zonderling karakter, om iets van mij aan te nemen. Wat zal ik doen? Hoe zal ik mijne schuld aan hem kunnen betalen? Hoe hem de gewichtige diensten, die hij mij bewezen heeft, naar behooren vergelden?”Er volgde een oogenblik van stilte.DoñaLuz naderde den generaal, kuste hem op het voorhoofd,[199]verborg haar gelaat aan zijn schouder, en zeide met eene van aandoening bevende stem:»Oom, daar valt mij eene gedachte in!”»Spreek, mijne lieve,” antwoordde hij, »spreek onbeschroomd, het is God wellicht, die haar u ingeeft.”»Gij hebt geen zoon, aan wien gij uw naam en uw fortuin nalaten kunt, is het niet, oom?”»Helaas!” prevelde hij, »ik heb een oogenblik gemeend er een te zullen terugvinden; maar die hoop is voor altijd verdwenen; gij weet het, kindlief, ik ben alleen!”»Edelhart noch zijne moeder, zullen iets van u willen aannemen.”»Neen.”»Toch geloof ik, dat er een middel is om hen te verplichten, hen te dwingen zelfs.”»En dat middel is?” zeide hij.»Oom, daar gij het zoo betreurt geen zoon te hebben, aan wien gij uw naam kunt nalaten, waarom zoudt gij Edelhart niet als uw zoon aannemen?”De generaal zag haar aan, een hoog rood kleurde hare wangen en zij beefde van top tot teen.»O, kindlief,” zeide hij, haar teeder omhelzende, »uw plan is verrukkelijk, maar het is onuitvoerbaar; ik zou gelukkig en trotsch zijn met een zoon als Edelhart; gij zelve hebt het gezegd, zijne moeder aanbidt hem, zij zal jaloersch op hem zijn, nooit zal zij er in toestemmen om hem met een vreemde te deelen.”»Misschien!” prevelde zij.»En dan nog,” ging de generaal voort, »zelfs als zijne moeder, wat ik onmogelijk acht, uit liefde voor hem, en ten einde hem eene plaats in de maatschappij te bezorgen, mijn voorstel aannam, dan nog zelfs zou hij het weigeren; of gelooft gij, lieve, dat die man, opgevoed in de woestijn, die zijn geheele leven heeft doorgebracht in onvoorziene en aangrijpende gebeurtenissen, te midden van een verhevene natuur, er in zal toestemmen, om voor een weinig goud, dat hij veracht en voor een naam, die hem nutteloos is, af te zien van dat schoone, avontuurlijke leven, zoo vol zoete en vreeselijke aandoeningen, dat voor hem een behoefte geworden is? Neen, neen, hij zou in onze steden verkwijnen; voor een verheven karakter als het zijne, zou onze beschaving doodelijk zijn, vergeet dus dat denkbeeld, lief kind; helaas ik ben er van overtuigd, hij zou het weigeren.”»Wie weet,” zeide zij, het hoofd schuddende.»God is mijn getuige,” hernam de generaal met nadruk, »dat ik blijde zou zijn, indien het gelukte, en dat dan al mijne wenschen verhoord zouden zijn; maar waarom ons zelven met dwaze droomen misleid? hij zal het weigeren, zeg ik u! en ik ben genoodzaakt er bij te voegen, hij zal gelijk hebben, als hij het doet.”»Neem er de proef van, oom!” antwoordde zij; »zoo uw voorstel[200]verworpen wordt, zult gij aan Edelhart ten minste bewezen hebben, dat gij geen ondankbare zijt, en dat gij hem naar waarde hebt weten te schatten.”»Gij wilt het dus?” zeide de generaal, die gaarne overtuigd wilde zijn.»Ik bid er u om, oom,” zeide zij, hem omhelzende, om hare blijdschap en haar blozen te verbergen; »ik weet niet waarom, maar het schijnt mij toe, dat gij slagen zult.”»Het zij dan zoo,” prevelde de generaal met een droevigen glimlach, »verzoek Edelhart en zijne moeder om mij hier te komen bezoeken.”»Binnen vijf minuten breng ik hen bij u,” riep zij vroolijk uit.En huppelend als een gazelle, verdween het meisje en spoedde zich door de kronkelingen van de grot.Zoodra hij alleen was, verzonk de generaal in een ernstig nadenken.Eenige minuten later stondDoñaLuz met Edelhart en diens moeder voor hem.De generaal hief het hoofd op, groette de aankomenden met groote beleefdheid, en gaf aan zijne nicht een teeken om zich te verwijderen.Het meisje gehoorzaamde.Het was in dat gedeelte van de grot slechts half dag, en alle voorwerpen waren niet even sterk verlicht; door een vreemde gril gedreven, had de moeder van Edelhart haarrebozo(sluier) zoo omgedaan, dat deze haar gelaat bijna geheel en al bedekte. Hoe aandachtig hij haar ook beschouwde, het mocht den generaal niet gelukken, hare gelaatstrekken te zien.»Gij hebt ons geroepen, generaal,” zeide Edelhart luchthartig; »gij ziet, wij hebben ons gehaast, om aan uw verlangen te voldoen.”»Verplicht voor die haast, mijn vriend,” antwoordde de generaal; »ontvang eerst de uitdrukking mijner erkentenis voor de belangrijke diensten, die gij mij bewezen hebt, en wat ik tot u zeg, mijn vriend,—vergun mij u dien titel te geven,—betreft ook uwe goede en voortreffelijke moeder, voor de teedere zorg, die zij aan mijne nicht bewezen heeft.”»Generaal,” antwoordde de jager bewogen, »ik dank u voor die vriendelijke woorden, die ruimschoots opwegen tegen alles, wat gij aan mij meent verschuldigd te zijn. Door u te hulp te komen, heb ik de gelofte vervuld, die ik gedaan had, om nooit mijn naaste zonder hulp te laten; geloof mij, ik verlang geene andere belooning dan uwe achting, ik ben, voor het weinige dat ik gedaan heb, genoeg betaald door de voldoening, die ik op dit oogenblik smaak.”»Ik wilde toch zoo gaarne, vergun mij dat ik er op aandring, ik wilde toch zoo gaarne u op een andere wijze beloonen.”»Mij beloonen!” riep de vurige jongeling uit, tot over de ooren een kleur krijgende.[201]»Laat mij uitspreken,” hernam de generaal levendig; »zoo het voorstel, dat ik u daarna denk te doen, u mishaagt, welnu, dan zult gij daarop antwoorden, even openhartig als ik mij nu zal verklaren.”»Spreek, generaal, ik luister.”»Mijn vriend, mijne reis in de prairiën had een heilig doel, dat ik niet heb mogen bereiken! gij kent de oorzaak daarvan; de mannen, die mij gevolgd waren, zijn aan mijne zijde gesneuveld. Bijna alléén overgebleven, zie ik mij genoodzaakt een onderzoek op te geven, dat ware het goed afgeloopen, het geluk zou hebben uitgemaakt van de weinige levensdagen, die mij nog overblijven. God straft mij wreed. Ik heb al mijne kinderen zien sterven; een enkele bleef mij misschien nog over, maar dien heb ik, in een oogenblik van zinneloozen hoogmoed, van mij weggejaagd; thans nu ik aan den eindpaal van mijn leven gekomen ben, is mijn huis ledig, mijn haard verlaten. Ik ben alleen, helaas! zonder betrekkingen, zonder vrienden, zonder een erfgenaam, aan wien ik, niet mijn fortuin, maar mijn naam kan nalaten, dien een lange reeks van voorouders mij zonder smet of vlek heeft overgeleverd. Wilt gij bij mij de plaats innemen van dat huisgezin, dat mij ontbreekt? Edelhart, wilt gij mijn zoon zijn?”Onder het uitspreken dezer woorden was de generaal opgestaan, en had hij de hand van den jongeling gegrepen, die hij hartelijk in de zijne drukte, terwijl hem de tranen in de oogen stonden.Bij dit onverwachte aanbod was de jager blijven staan, verbaasd, bevend, niet wetende wat te moeten antwoorden.Zijne moeder wierp driftig haar sluier naar achteren, en haar gelaat vertoonende, dat van vreugde schitterde, en als het ware geheel van uitdrukking veranderd was, plaatste zij zich tusschen de beide mannen, legde hare hand op den schouder van den generaal, zag hem strak aan en zeide met eene stem die van aandoening trilde:»Eindelijk, don Ramon de Garillas, vraagt gij dan dien zoon terug, dien gij sedert twintig jaren zoo wreed aan zijn lot hebt overgelaten.”»Vrouw, wat bedoelt gij?” stotterde de generaal.»Ik bedoel, don Ramon,” hernam zij op een majestueuzen toon, »dat ikdoñaJesusita, uwe vrouw, ben, en dat Edelhart uw zoon Rafaël is, dien gij vervloekt hebt.”»O!” riep de generaal terwijl hij op zijne knieën viel, en in tranen scheen te baden: »vergeving, vergeving, mijn zoon.”»Mijn vader!” riep Edelhart, zich in zijne armen werpende, en trachtende hem op te richten, »wat doet gij?”»Mijn zoon,” zeide de grijsaard, bijna waanzinnig van vreugde en smart, »ik laat die houding niet varen, aleer gij mij vergeven hebt.”»Sta op, don Ramon,” zeidedoñaJesusita met een zachte stem; »sedert langen tijd reeds woont er in het hart der moeder en in dat van den zoon voor u geen ander gevoel dan dat van eerbied en liefde.”[202]»O,” riep de grijsaard, hen beurtelings omhelzende, »het is te veel geluk, ik verdien niet zoo gelukkig te zijn na het wreede gedrag waaraan ik mij heb schuldig gemaakt.”»Mijn vader,” antwoordde de jager op edelen toon, »aan de straf, die gij mij hebt opgelegd, heb ik het te danken, dat ik een eerlijk man geworden ben; vergeet dan het verledene, dat niet meer is dan een droom, en denk alleen aan de toekomst, die u tegenlacht.”In dit oogenblik traddoñaLuz beschroomd en verlegen te voorschijn.Zoodra hij haar bemerkte, greep de generaal haar bij de hand, bracht haar bijdoñaJesusita, en zeide:»Lieve nicht, gij kunt nu zonder schroom Edelhart beminnen, hij is thans inderdaad mijn zoon. God heeft in zijne eindelooze goedheid toegestaan, dat ik hem zou wedervinden op het oogenblik, dat ik aan zulk een geluk wanhoopte.”Het meisje slaakte een kreet van vreugde, en verborg haar gelaat verlegen in den schoot vandoñaJesusita, terwijl zij hare hand in die van Rafaël liet, die aan hare voeten nederviel en haar in vervoering kuste.[203]

XV.DE VERGIFFENIS.

Het wederzien van den generaal en zijne nicht was zeer treffend.De oude, zwaar beproefde soldaat was blijde het onschuldige kind in zijne armen te kunnen drukken, dat zijn eenige bloedverwant was, en als door een wonder aan de rampen, waaraan het had bloot gestaan, was ontsnapt.Langen tijd zaten zij in zoet gekeuvel verdiept, alles om zich heen vergetende, de generaal deed onderzoek naar hare levenswijze gedurende den tijd zijner gevangenschap, en het meisje ondervroeg hem over de gevaren, die hij was doorgeworsteld, en de slechte behandeling, die hij had ondergaan.»En nu, oom,” vroeg zij eindelijk, »wat is nu uw plan?”»Helaas, mijn kind,” antwoordde hij, een zucht onderdrukkende, »wij moeten onverwijld deze vreeselijke gewesten verlaten en naar Mexico terugkeeren.”Het meisje voelde zich treurig aangedaan, ofschoon zij zelve de noodzakelijkheid van een spoedigen terugkeer inzag. Maar vertrekken, washemte verlaten, dien zij liefhad! van hem te scheiden, zonder dat er eenige mogelijkheid overbleef om hem weder te zien;—scheiden! van dien man, wiens bewonderenswaardig karakter zij hoe langer hoe meer had leeren waardeeren, en die nu onmisbaar geworden was voor haar leven en voor haar geluk.[198]»Wat schort u, mijn kind? gij zijt treurig, uwe oogen zijn vol tranen,” vroeg haar oom, haar met warmte de hand drukkend.»Helaas! oom,” antwoordde zij klagend, »hoe zou ik niet treurig zijn, na alles wat er in de laatste dagen gebeurd is? mijn hart is gebroken.”»Dat is zoo; de gebeurtenissen waarvan wij de getuigen en de slachtoffers geweest zijn, zijn meer dan voldoende, om u treurig te maken; maar gij zijt nog jong, mijn kind, binnen eenigen tijd zullen deze gebeurtenissen in uw hart geen ander spoor meer achterlaten als de herinnering aan feiten, die gij, Gode zij dank! voor het vervolg niet meer zult te vreezen hebben.”»Wij vertrekken dus weldra?”»Morgen, als het kan; wat zou ik hier langer doen? de hemel zelf verklaart zich tegen mij, daar hij mij verplicht af te zien van die onderneming, wier goede uitslag het geluk van mijn ouden dag zou geweest zijn: maar God wil niet, dat ik vertroost worde; Zijn wil geschiede,” zeide hij met onderwerping.»Wat bedoelt gij, oom?” vroeg het meisje met geestdrift.»Niets, dat u heden belang kan inboezemen, mijn kind; het is beter, dat gij het niet weet, en dat ik alleen lijde; ik ben oud, ik ben er aan gewoon,” zeide hij droefgeestig.»Arme oom!”»Ik dank u voor de vriendschap, die gij voor mij koestert, mijn kind, maar laten wij van dat treurig onderwerp afstappen; spreken wij, zoo gij wilt, liever een weinig van die brave lieden, waaraan wij zooveel verplichting hebben.”»Van Edelhart?” preveldedoñaLuz blozend.»Ja,” antwoordde de generaal, »van Edelhart en van zijne moeder, die waardige vrouw, die ik nog niet heb kunnen bedanken, ten gevolge van de wond van dien armen Goedsmoeds, en aan wie gij het verschuldigd zijt, dat u hier niets ontbroken heeft.”»Zij heeft voor mij gezorgd als eene teedere moeder!”»Hoe zal ik ooit mijn schuld aan haar en aan haren edelen zoon kunnen betalen? Zij is gelukkig, in het bezit van zulk een kind; helaas! die vreugde is mij niet gegeven, ik ben alleen!” zeide de generaal, terwijl hij zijn hoofd in zijne handen liet zinken.»En ik dan,” zeide het meisje vleiend.»O, gij,” antwoordde hij, haar teeder omhelzende, »gij zijt mijne lieve dochter, maar ik heb geen zoon!”»Dat is waar!” prevelde zij peinzend.»Edelhart,” hernam de generaal, »heeft een veel te zonderling karakter, om iets van mij aan te nemen. Wat zal ik doen? Hoe zal ik mijne schuld aan hem kunnen betalen? Hoe hem de gewichtige diensten, die hij mij bewezen heeft, naar behooren vergelden?”Er volgde een oogenblik van stilte.DoñaLuz naderde den generaal, kuste hem op het voorhoofd,[199]verborg haar gelaat aan zijn schouder, en zeide met eene van aandoening bevende stem:»Oom, daar valt mij eene gedachte in!”»Spreek, mijne lieve,” antwoordde hij, »spreek onbeschroomd, het is God wellicht, die haar u ingeeft.”»Gij hebt geen zoon, aan wien gij uw naam en uw fortuin nalaten kunt, is het niet, oom?”»Helaas!” prevelde hij, »ik heb een oogenblik gemeend er een te zullen terugvinden; maar die hoop is voor altijd verdwenen; gij weet het, kindlief, ik ben alleen!”»Edelhart noch zijne moeder, zullen iets van u willen aannemen.”»Neen.”»Toch geloof ik, dat er een middel is om hen te verplichten, hen te dwingen zelfs.”»En dat middel is?” zeide hij.»Oom, daar gij het zoo betreurt geen zoon te hebben, aan wien gij uw naam kunt nalaten, waarom zoudt gij Edelhart niet als uw zoon aannemen?”De generaal zag haar aan, een hoog rood kleurde hare wangen en zij beefde van top tot teen.»O, kindlief,” zeide hij, haar teeder omhelzende, »uw plan is verrukkelijk, maar het is onuitvoerbaar; ik zou gelukkig en trotsch zijn met een zoon als Edelhart; gij zelve hebt het gezegd, zijne moeder aanbidt hem, zij zal jaloersch op hem zijn, nooit zal zij er in toestemmen om hem met een vreemde te deelen.”»Misschien!” prevelde zij.»En dan nog,” ging de generaal voort, »zelfs als zijne moeder, wat ik onmogelijk acht, uit liefde voor hem, en ten einde hem eene plaats in de maatschappij te bezorgen, mijn voorstel aannam, dan nog zelfs zou hij het weigeren; of gelooft gij, lieve, dat die man, opgevoed in de woestijn, die zijn geheele leven heeft doorgebracht in onvoorziene en aangrijpende gebeurtenissen, te midden van een verhevene natuur, er in zal toestemmen, om voor een weinig goud, dat hij veracht en voor een naam, die hem nutteloos is, af te zien van dat schoone, avontuurlijke leven, zoo vol zoete en vreeselijke aandoeningen, dat voor hem een behoefte geworden is? Neen, neen, hij zou in onze steden verkwijnen; voor een verheven karakter als het zijne, zou onze beschaving doodelijk zijn, vergeet dus dat denkbeeld, lief kind; helaas ik ben er van overtuigd, hij zou het weigeren.”»Wie weet,” zeide zij, het hoofd schuddende.»God is mijn getuige,” hernam de generaal met nadruk, »dat ik blijde zou zijn, indien het gelukte, en dat dan al mijne wenschen verhoord zouden zijn; maar waarom ons zelven met dwaze droomen misleid? hij zal het weigeren, zeg ik u! en ik ben genoodzaakt er bij te voegen, hij zal gelijk hebben, als hij het doet.”»Neem er de proef van, oom!” antwoordde zij; »zoo uw voorstel[200]verworpen wordt, zult gij aan Edelhart ten minste bewezen hebben, dat gij geen ondankbare zijt, en dat gij hem naar waarde hebt weten te schatten.”»Gij wilt het dus?” zeide de generaal, die gaarne overtuigd wilde zijn.»Ik bid er u om, oom,” zeide zij, hem omhelzende, om hare blijdschap en haar blozen te verbergen; »ik weet niet waarom, maar het schijnt mij toe, dat gij slagen zult.”»Het zij dan zoo,” prevelde de generaal met een droevigen glimlach, »verzoek Edelhart en zijne moeder om mij hier te komen bezoeken.”»Binnen vijf minuten breng ik hen bij u,” riep zij vroolijk uit.En huppelend als een gazelle, verdween het meisje en spoedde zich door de kronkelingen van de grot.Zoodra hij alleen was, verzonk de generaal in een ernstig nadenken.Eenige minuten later stondDoñaLuz met Edelhart en diens moeder voor hem.De generaal hief het hoofd op, groette de aankomenden met groote beleefdheid, en gaf aan zijne nicht een teeken om zich te verwijderen.Het meisje gehoorzaamde.Het was in dat gedeelte van de grot slechts half dag, en alle voorwerpen waren niet even sterk verlicht; door een vreemde gril gedreven, had de moeder van Edelhart haarrebozo(sluier) zoo omgedaan, dat deze haar gelaat bijna geheel en al bedekte. Hoe aandachtig hij haar ook beschouwde, het mocht den generaal niet gelukken, hare gelaatstrekken te zien.»Gij hebt ons geroepen, generaal,” zeide Edelhart luchthartig; »gij ziet, wij hebben ons gehaast, om aan uw verlangen te voldoen.”»Verplicht voor die haast, mijn vriend,” antwoordde de generaal; »ontvang eerst de uitdrukking mijner erkentenis voor de belangrijke diensten, die gij mij bewezen hebt, en wat ik tot u zeg, mijn vriend,—vergun mij u dien titel te geven,—betreft ook uwe goede en voortreffelijke moeder, voor de teedere zorg, die zij aan mijne nicht bewezen heeft.”»Generaal,” antwoordde de jager bewogen, »ik dank u voor die vriendelijke woorden, die ruimschoots opwegen tegen alles, wat gij aan mij meent verschuldigd te zijn. Door u te hulp te komen, heb ik de gelofte vervuld, die ik gedaan had, om nooit mijn naaste zonder hulp te laten; geloof mij, ik verlang geene andere belooning dan uwe achting, ik ben, voor het weinige dat ik gedaan heb, genoeg betaald door de voldoening, die ik op dit oogenblik smaak.”»Ik wilde toch zoo gaarne, vergun mij dat ik er op aandring, ik wilde toch zoo gaarne u op een andere wijze beloonen.”»Mij beloonen!” riep de vurige jongeling uit, tot over de ooren een kleur krijgende.[201]»Laat mij uitspreken,” hernam de generaal levendig; »zoo het voorstel, dat ik u daarna denk te doen, u mishaagt, welnu, dan zult gij daarop antwoorden, even openhartig als ik mij nu zal verklaren.”»Spreek, generaal, ik luister.”»Mijn vriend, mijne reis in de prairiën had een heilig doel, dat ik niet heb mogen bereiken! gij kent de oorzaak daarvan; de mannen, die mij gevolgd waren, zijn aan mijne zijde gesneuveld. Bijna alléén overgebleven, zie ik mij genoodzaakt een onderzoek op te geven, dat ware het goed afgeloopen, het geluk zou hebben uitgemaakt van de weinige levensdagen, die mij nog overblijven. God straft mij wreed. Ik heb al mijne kinderen zien sterven; een enkele bleef mij misschien nog over, maar dien heb ik, in een oogenblik van zinneloozen hoogmoed, van mij weggejaagd; thans nu ik aan den eindpaal van mijn leven gekomen ben, is mijn huis ledig, mijn haard verlaten. Ik ben alleen, helaas! zonder betrekkingen, zonder vrienden, zonder een erfgenaam, aan wien ik, niet mijn fortuin, maar mijn naam kan nalaten, dien een lange reeks van voorouders mij zonder smet of vlek heeft overgeleverd. Wilt gij bij mij de plaats innemen van dat huisgezin, dat mij ontbreekt? Edelhart, wilt gij mijn zoon zijn?”Onder het uitspreken dezer woorden was de generaal opgestaan, en had hij de hand van den jongeling gegrepen, die hij hartelijk in de zijne drukte, terwijl hem de tranen in de oogen stonden.Bij dit onverwachte aanbod was de jager blijven staan, verbaasd, bevend, niet wetende wat te moeten antwoorden.Zijne moeder wierp driftig haar sluier naar achteren, en haar gelaat vertoonende, dat van vreugde schitterde, en als het ware geheel van uitdrukking veranderd was, plaatste zij zich tusschen de beide mannen, legde hare hand op den schouder van den generaal, zag hem strak aan en zeide met eene stem die van aandoening trilde:»Eindelijk, don Ramon de Garillas, vraagt gij dan dien zoon terug, dien gij sedert twintig jaren zoo wreed aan zijn lot hebt overgelaten.”»Vrouw, wat bedoelt gij?” stotterde de generaal.»Ik bedoel, don Ramon,” hernam zij op een majestueuzen toon, »dat ikdoñaJesusita, uwe vrouw, ben, en dat Edelhart uw zoon Rafaël is, dien gij vervloekt hebt.”»O!” riep de generaal terwijl hij op zijne knieën viel, en in tranen scheen te baden: »vergeving, vergeving, mijn zoon.”»Mijn vader!” riep Edelhart, zich in zijne armen werpende, en trachtende hem op te richten, »wat doet gij?”»Mijn zoon,” zeide de grijsaard, bijna waanzinnig van vreugde en smart, »ik laat die houding niet varen, aleer gij mij vergeven hebt.”»Sta op, don Ramon,” zeidedoñaJesusita met een zachte stem; »sedert langen tijd reeds woont er in het hart der moeder en in dat van den zoon voor u geen ander gevoel dan dat van eerbied en liefde.”[202]»O,” riep de grijsaard, hen beurtelings omhelzende, »het is te veel geluk, ik verdien niet zoo gelukkig te zijn na het wreede gedrag waaraan ik mij heb schuldig gemaakt.”»Mijn vader,” antwoordde de jager op edelen toon, »aan de straf, die gij mij hebt opgelegd, heb ik het te danken, dat ik een eerlijk man geworden ben; vergeet dan het verledene, dat niet meer is dan een droom, en denk alleen aan de toekomst, die u tegenlacht.”In dit oogenblik traddoñaLuz beschroomd en verlegen te voorschijn.Zoodra hij haar bemerkte, greep de generaal haar bij de hand, bracht haar bijdoñaJesusita, en zeide:»Lieve nicht, gij kunt nu zonder schroom Edelhart beminnen, hij is thans inderdaad mijn zoon. God heeft in zijne eindelooze goedheid toegestaan, dat ik hem zou wedervinden op het oogenblik, dat ik aan zulk een geluk wanhoopte.”Het meisje slaakte een kreet van vreugde, en verborg haar gelaat verlegen in den schoot vandoñaJesusita, terwijl zij hare hand in die van Rafaël liet, die aan hare voeten nederviel en haar in vervoering kuste.[203]

Het wederzien van den generaal en zijne nicht was zeer treffend.

De oude, zwaar beproefde soldaat was blijde het onschuldige kind in zijne armen te kunnen drukken, dat zijn eenige bloedverwant was, en als door een wonder aan de rampen, waaraan het had bloot gestaan, was ontsnapt.

Langen tijd zaten zij in zoet gekeuvel verdiept, alles om zich heen vergetende, de generaal deed onderzoek naar hare levenswijze gedurende den tijd zijner gevangenschap, en het meisje ondervroeg hem over de gevaren, die hij was doorgeworsteld, en de slechte behandeling, die hij had ondergaan.

»En nu, oom,” vroeg zij eindelijk, »wat is nu uw plan?”

»Helaas, mijn kind,” antwoordde hij, een zucht onderdrukkende, »wij moeten onverwijld deze vreeselijke gewesten verlaten en naar Mexico terugkeeren.”

Het meisje voelde zich treurig aangedaan, ofschoon zij zelve de noodzakelijkheid van een spoedigen terugkeer inzag. Maar vertrekken, washemte verlaten, dien zij liefhad! van hem te scheiden, zonder dat er eenige mogelijkheid overbleef om hem weder te zien;—scheiden! van dien man, wiens bewonderenswaardig karakter zij hoe langer hoe meer had leeren waardeeren, en die nu onmisbaar geworden was voor haar leven en voor haar geluk.[198]

»Wat schort u, mijn kind? gij zijt treurig, uwe oogen zijn vol tranen,” vroeg haar oom, haar met warmte de hand drukkend.

»Helaas! oom,” antwoordde zij klagend, »hoe zou ik niet treurig zijn, na alles wat er in de laatste dagen gebeurd is? mijn hart is gebroken.”

»Dat is zoo; de gebeurtenissen waarvan wij de getuigen en de slachtoffers geweest zijn, zijn meer dan voldoende, om u treurig te maken; maar gij zijt nog jong, mijn kind, binnen eenigen tijd zullen deze gebeurtenissen in uw hart geen ander spoor meer achterlaten als de herinnering aan feiten, die gij, Gode zij dank! voor het vervolg niet meer zult te vreezen hebben.”

»Wij vertrekken dus weldra?”

»Morgen, als het kan; wat zou ik hier langer doen? de hemel zelf verklaart zich tegen mij, daar hij mij verplicht af te zien van die onderneming, wier goede uitslag het geluk van mijn ouden dag zou geweest zijn: maar God wil niet, dat ik vertroost worde; Zijn wil geschiede,” zeide hij met onderwerping.

»Wat bedoelt gij, oom?” vroeg het meisje met geestdrift.

»Niets, dat u heden belang kan inboezemen, mijn kind; het is beter, dat gij het niet weet, en dat ik alleen lijde; ik ben oud, ik ben er aan gewoon,” zeide hij droefgeestig.

»Arme oom!”

»Ik dank u voor de vriendschap, die gij voor mij koestert, mijn kind, maar laten wij van dat treurig onderwerp afstappen; spreken wij, zoo gij wilt, liever een weinig van die brave lieden, waaraan wij zooveel verplichting hebben.”

»Van Edelhart?” preveldedoñaLuz blozend.

»Ja,” antwoordde de generaal, »van Edelhart en van zijne moeder, die waardige vrouw, die ik nog niet heb kunnen bedanken, ten gevolge van de wond van dien armen Goedsmoeds, en aan wie gij het verschuldigd zijt, dat u hier niets ontbroken heeft.”

»Zij heeft voor mij gezorgd als eene teedere moeder!”

»Hoe zal ik ooit mijn schuld aan haar en aan haren edelen zoon kunnen betalen? Zij is gelukkig, in het bezit van zulk een kind; helaas! die vreugde is mij niet gegeven, ik ben alleen!” zeide de generaal, terwijl hij zijn hoofd in zijne handen liet zinken.

»En ik dan,” zeide het meisje vleiend.

»O, gij,” antwoordde hij, haar teeder omhelzende, »gij zijt mijne lieve dochter, maar ik heb geen zoon!”

»Dat is waar!” prevelde zij peinzend.

»Edelhart,” hernam de generaal, »heeft een veel te zonderling karakter, om iets van mij aan te nemen. Wat zal ik doen? Hoe zal ik mijne schuld aan hem kunnen betalen? Hoe hem de gewichtige diensten, die hij mij bewezen heeft, naar behooren vergelden?”

Er volgde een oogenblik van stilte.

DoñaLuz naderde den generaal, kuste hem op het voorhoofd,[199]verborg haar gelaat aan zijn schouder, en zeide met eene van aandoening bevende stem:

»Oom, daar valt mij eene gedachte in!”

»Spreek, mijne lieve,” antwoordde hij, »spreek onbeschroomd, het is God wellicht, die haar u ingeeft.”

»Gij hebt geen zoon, aan wien gij uw naam en uw fortuin nalaten kunt, is het niet, oom?”

»Helaas!” prevelde hij, »ik heb een oogenblik gemeend er een te zullen terugvinden; maar die hoop is voor altijd verdwenen; gij weet het, kindlief, ik ben alleen!”

»Edelhart noch zijne moeder, zullen iets van u willen aannemen.”

»Neen.”

»Toch geloof ik, dat er een middel is om hen te verplichten, hen te dwingen zelfs.”

»En dat middel is?” zeide hij.

»Oom, daar gij het zoo betreurt geen zoon te hebben, aan wien gij uw naam kunt nalaten, waarom zoudt gij Edelhart niet als uw zoon aannemen?”

De generaal zag haar aan, een hoog rood kleurde hare wangen en zij beefde van top tot teen.

»O, kindlief,” zeide hij, haar teeder omhelzende, »uw plan is verrukkelijk, maar het is onuitvoerbaar; ik zou gelukkig en trotsch zijn met een zoon als Edelhart; gij zelve hebt het gezegd, zijne moeder aanbidt hem, zij zal jaloersch op hem zijn, nooit zal zij er in toestemmen om hem met een vreemde te deelen.”

»Misschien!” prevelde zij.

»En dan nog,” ging de generaal voort, »zelfs als zijne moeder, wat ik onmogelijk acht, uit liefde voor hem, en ten einde hem eene plaats in de maatschappij te bezorgen, mijn voorstel aannam, dan nog zelfs zou hij het weigeren; of gelooft gij, lieve, dat die man, opgevoed in de woestijn, die zijn geheele leven heeft doorgebracht in onvoorziene en aangrijpende gebeurtenissen, te midden van een verhevene natuur, er in zal toestemmen, om voor een weinig goud, dat hij veracht en voor een naam, die hem nutteloos is, af te zien van dat schoone, avontuurlijke leven, zoo vol zoete en vreeselijke aandoeningen, dat voor hem een behoefte geworden is? Neen, neen, hij zou in onze steden verkwijnen; voor een verheven karakter als het zijne, zou onze beschaving doodelijk zijn, vergeet dus dat denkbeeld, lief kind; helaas ik ben er van overtuigd, hij zou het weigeren.”

»Wie weet,” zeide zij, het hoofd schuddende.

»God is mijn getuige,” hernam de generaal met nadruk, »dat ik blijde zou zijn, indien het gelukte, en dat dan al mijne wenschen verhoord zouden zijn; maar waarom ons zelven met dwaze droomen misleid? hij zal het weigeren, zeg ik u! en ik ben genoodzaakt er bij te voegen, hij zal gelijk hebben, als hij het doet.”

»Neem er de proef van, oom!” antwoordde zij; »zoo uw voorstel[200]verworpen wordt, zult gij aan Edelhart ten minste bewezen hebben, dat gij geen ondankbare zijt, en dat gij hem naar waarde hebt weten te schatten.”

»Gij wilt het dus?” zeide de generaal, die gaarne overtuigd wilde zijn.

»Ik bid er u om, oom,” zeide zij, hem omhelzende, om hare blijdschap en haar blozen te verbergen; »ik weet niet waarom, maar het schijnt mij toe, dat gij slagen zult.”

»Het zij dan zoo,” prevelde de generaal met een droevigen glimlach, »verzoek Edelhart en zijne moeder om mij hier te komen bezoeken.”

»Binnen vijf minuten breng ik hen bij u,” riep zij vroolijk uit.

En huppelend als een gazelle, verdween het meisje en spoedde zich door de kronkelingen van de grot.

Zoodra hij alleen was, verzonk de generaal in een ernstig nadenken.

Eenige minuten later stondDoñaLuz met Edelhart en diens moeder voor hem.

De generaal hief het hoofd op, groette de aankomenden met groote beleefdheid, en gaf aan zijne nicht een teeken om zich te verwijderen.

Het meisje gehoorzaamde.

Het was in dat gedeelte van de grot slechts half dag, en alle voorwerpen waren niet even sterk verlicht; door een vreemde gril gedreven, had de moeder van Edelhart haarrebozo(sluier) zoo omgedaan, dat deze haar gelaat bijna geheel en al bedekte. Hoe aandachtig hij haar ook beschouwde, het mocht den generaal niet gelukken, hare gelaatstrekken te zien.

»Gij hebt ons geroepen, generaal,” zeide Edelhart luchthartig; »gij ziet, wij hebben ons gehaast, om aan uw verlangen te voldoen.”

»Verplicht voor die haast, mijn vriend,” antwoordde de generaal; »ontvang eerst de uitdrukking mijner erkentenis voor de belangrijke diensten, die gij mij bewezen hebt, en wat ik tot u zeg, mijn vriend,—vergun mij u dien titel te geven,—betreft ook uwe goede en voortreffelijke moeder, voor de teedere zorg, die zij aan mijne nicht bewezen heeft.”

»Generaal,” antwoordde de jager bewogen, »ik dank u voor die vriendelijke woorden, die ruimschoots opwegen tegen alles, wat gij aan mij meent verschuldigd te zijn. Door u te hulp te komen, heb ik de gelofte vervuld, die ik gedaan had, om nooit mijn naaste zonder hulp te laten; geloof mij, ik verlang geene andere belooning dan uwe achting, ik ben, voor het weinige dat ik gedaan heb, genoeg betaald door de voldoening, die ik op dit oogenblik smaak.”

»Ik wilde toch zoo gaarne, vergun mij dat ik er op aandring, ik wilde toch zoo gaarne u op een andere wijze beloonen.”

»Mij beloonen!” riep de vurige jongeling uit, tot over de ooren een kleur krijgende.[201]

»Laat mij uitspreken,” hernam de generaal levendig; »zoo het voorstel, dat ik u daarna denk te doen, u mishaagt, welnu, dan zult gij daarop antwoorden, even openhartig als ik mij nu zal verklaren.”

»Spreek, generaal, ik luister.”

»Mijn vriend, mijne reis in de prairiën had een heilig doel, dat ik niet heb mogen bereiken! gij kent de oorzaak daarvan; de mannen, die mij gevolgd waren, zijn aan mijne zijde gesneuveld. Bijna alléén overgebleven, zie ik mij genoodzaakt een onderzoek op te geven, dat ware het goed afgeloopen, het geluk zou hebben uitgemaakt van de weinige levensdagen, die mij nog overblijven. God straft mij wreed. Ik heb al mijne kinderen zien sterven; een enkele bleef mij misschien nog over, maar dien heb ik, in een oogenblik van zinneloozen hoogmoed, van mij weggejaagd; thans nu ik aan den eindpaal van mijn leven gekomen ben, is mijn huis ledig, mijn haard verlaten. Ik ben alleen, helaas! zonder betrekkingen, zonder vrienden, zonder een erfgenaam, aan wien ik, niet mijn fortuin, maar mijn naam kan nalaten, dien een lange reeks van voorouders mij zonder smet of vlek heeft overgeleverd. Wilt gij bij mij de plaats innemen van dat huisgezin, dat mij ontbreekt? Edelhart, wilt gij mijn zoon zijn?”

Onder het uitspreken dezer woorden was de generaal opgestaan, en had hij de hand van den jongeling gegrepen, die hij hartelijk in de zijne drukte, terwijl hem de tranen in de oogen stonden.

Bij dit onverwachte aanbod was de jager blijven staan, verbaasd, bevend, niet wetende wat te moeten antwoorden.

Zijne moeder wierp driftig haar sluier naar achteren, en haar gelaat vertoonende, dat van vreugde schitterde, en als het ware geheel van uitdrukking veranderd was, plaatste zij zich tusschen de beide mannen, legde hare hand op den schouder van den generaal, zag hem strak aan en zeide met eene stem die van aandoening trilde:

»Eindelijk, don Ramon de Garillas, vraagt gij dan dien zoon terug, dien gij sedert twintig jaren zoo wreed aan zijn lot hebt overgelaten.”

»Vrouw, wat bedoelt gij?” stotterde de generaal.

»Ik bedoel, don Ramon,” hernam zij op een majestueuzen toon, »dat ikdoñaJesusita, uwe vrouw, ben, en dat Edelhart uw zoon Rafaël is, dien gij vervloekt hebt.”

»O!” riep de generaal terwijl hij op zijne knieën viel, en in tranen scheen te baden: »vergeving, vergeving, mijn zoon.”

»Mijn vader!” riep Edelhart, zich in zijne armen werpende, en trachtende hem op te richten, »wat doet gij?”

»Mijn zoon,” zeide de grijsaard, bijna waanzinnig van vreugde en smart, »ik laat die houding niet varen, aleer gij mij vergeven hebt.”

»Sta op, don Ramon,” zeidedoñaJesusita met een zachte stem; »sedert langen tijd reeds woont er in het hart der moeder en in dat van den zoon voor u geen ander gevoel dan dat van eerbied en liefde.”[202]

»O,” riep de grijsaard, hen beurtelings omhelzende, »het is te veel geluk, ik verdien niet zoo gelukkig te zijn na het wreede gedrag waaraan ik mij heb schuldig gemaakt.”

»Mijn vader,” antwoordde de jager op edelen toon, »aan de straf, die gij mij hebt opgelegd, heb ik het te danken, dat ik een eerlijk man geworden ben; vergeet dan het verledene, dat niet meer is dan een droom, en denk alleen aan de toekomst, die u tegenlacht.”

In dit oogenblik traddoñaLuz beschroomd en verlegen te voorschijn.

Zoodra hij haar bemerkte, greep de generaal haar bij de hand, bracht haar bijdoñaJesusita, en zeide:

»Lieve nicht, gij kunt nu zonder schroom Edelhart beminnen, hij is thans inderdaad mijn zoon. God heeft in zijne eindelooze goedheid toegestaan, dat ik hem zou wedervinden op het oogenblik, dat ik aan zulk een geluk wanhoopte.”

Het meisje slaakte een kreet van vreugde, en verborg haar gelaat verlegen in den schoot vandoñaJesusita, terwijl zij hare hand in die van Rafaël liet, die aan hare voeten nederviel en haar in vervoering kuste.[203]


Back to IndexNext