XIX.

[Inhoud]XIX.DE RAAD DER OPPERHOOFDEN.Niettegenstaande het onstuimig gesprek dat hij met Nô Eusébio gevoerd had, ging de Arendskop toch voort met zijne gevangene zoo zacht mogelijk te behandelen, en zich met eene kieschheid jegens haar te gedragen, die men geenszins verwachten zou van menschen, welke, volgens onze meening, zonder eenige geldige reden onder den naam vanWildenbekend staan. In het algemeen toch verdient de wijze waarop de Indianen met hunne gevangenen omgaan, eer geprezen dan gelaakt te worden, daar zij, wel verre van hen zonder oorzaak te martelen en te kwellen, gelijk velen het elkander hebben nagezegd, hun veeleer de grootst mogelijke beleefdheid bewijzen, en in zeker opzicht medelijden hebben met hun ongeluk.In de omstandigheden, waarvan wij spreken, was het besluit van den Arendskop, ten opzichte van Edelharts moeder, slechts eene uitzondering, waarvan de oorzaak moet worden toegeschreven aan den doodelijken haat, dien het Indiaansche opperhoofd den jager toedroeg.De scheiding der twee gevangenen was pijnlijk en hartverscheurend; de oude dienaar vertrok wanhopig om den jager te zoeken,[116]terwijl de arme moeder met een gebroken hart de Comanchen volgde.Den volgenden dag kwam de Arendskop op de door de opperhoofden der natie vastgestelde plaats; de geheele stam was bijeen.Niets is zonderlinger en schilderachtiger dan het gezicht van een Indiaansch kamp. Als de Roodhuiden op een jacht- of krijgsonderneming uit zijn, richten zij op de plaats, waar zij halt houden, tenten op van bisonvellen, die over kruiselings in den grond gestoken palen zijn uitgespannen, deze tenten, waarvan de vloer met aardkluiten overdekt is, hebben alleen van boven eene opening, om den rook door te laten, en zonder welke zij onbewoonbaar zouden zijn.Het kamp had een levendig aanzien; de vrouwen kwamen en gingen, beladen met hout en vleesch, of gezeten op door honden getrokken sleden, die al haar rijkdommen bevatten; de krijgslieden zaten in de open lucht rondom de vuren te rooken en te praten. Het was echter gemakkelijk te raden dat er iets ongewoons werd voorbereid; want ondanks het vroege uur—de zon was nog nauwelijks opgegaan—waren de voornaamste hoofden in deraadstentbijeen, om aldaar, gelijk de ernstige uitdrukking van hun gelaat te kennen gaf, een gewichtige zaak te bespreken.Het was de laatste dag van uitstel door den Arendskop aan Nô Eusébio toegestaan. De Indiaansche krijgsman aan zijn haat getrouw en geen lust hebbende zijn wraak uit te stellen, had de hoofden bijeengeroepen om hunne goedkeuring te erlangen voor de uitvoering van zijn afschuwelijk plan.Wij herhalen het hier, opdat men er zich niet in vergisse, de Indianen begaan geen wreedheden, louter voor hun genoegen. De noodzakelijkheid is hunne eerste wet; nooit geven zij bevel tot de marteling en terdoodbrenging van een gevangene, allerminst wanneer deze eene vrouw is, dan wanneer het belang der natie het eischt.Zoodra de hoofden om het vuur van de raadstent bijeen gezeten waren, trad de pijpdrager in den kring, met een aangestoken calumet, boog zich, onder het prevelen van een gebedje, naar alle vier de hemelstreken, en bood de calumet aan het oudste opperhoofd aan, maar zóó dat hij het roer in de hand hield.Toen de hoofden een voor een gerookt hadden, stootte de pijpdragerde asch van de calumet in het vuur, en zeide:»Hoofden van den grooten Comanchenstam, mogeNatosh(God) u wijsheid geven, en moge het besluit, dat gij nemen gaat, met de eischen der rechtvaardigheid overeenstemmen.”Daarna maakte hij een eerbiedige buiging en verwijderde zich.Er volgde een oogenblik stilte; ieder overpeinsde de zoo uitgesprokene woorden.Eindelijk stond de oudste op. Het was een eerwaardige grijsaard, wiens lichaam met tallooze lidteekenen was bezaaid, en die onder de zijnen een grooten naam van wijsheid bezat. Hij heetteEshis—de zon.[117]»Mijn zoon de Arendskop,” zeide hij, »heeft een belangrijke mededeeling te doen aan den raad der hoofden: hij spreke derhalve, onze ooren zijn geopend; de Arendskop is een krijgsman, even wijs als dapper; zijne woorden zullen met eerbied door ons worden aangehoord.”»Ik dank u,” antwoordde de krijgsman; »mijn vader is de wijsheid zelve. Natosh heeft niets voor hem verborgen.”De hoofden bogen.De Arendskop ging voort:»De bleekmuilen, onze eeuwige vijanden, vervolgen en kwellen ons voortdurend, ons noodzakende een voor een onze beste jachtgronden te verlaten, en gelijk bloode hinden in het diepste der bosschen de wijk te nemen; velen hunner wagen het tot in de prairiën te komen, die ons tot schuilplaats dienen, de bevers te strikken en op de elands en bisons te jagen, die ons eigendom zijn. Deze menschen zonder trouw, het uitvaagsel van hun volk, bestelen en vermoorden ons, als zij het straffeloos doen kunnen. Is het billijk dat wij hunne rooverijen uitstaan, zonder ons zelfs te beklagen? Zullen wij ons laten worgen als vreesachtigeashahas, zonder zelfs een poging aan te wenden om ons te wreken? Zegt de wet der prairiën niet: oog om oog, tand om tand? laat mijn vader antwoorden, laten mijne broeders zeggen, of dat billijk is?”»De wraak is geoorloofd,” zeide de Zon; »zij is het onweêrsprekelijk recht van den zwakke en onderdrukte, maar zij moet geëvenredigd zijn aan de ontvangen beleediging.”»Goed! mijn vader heeft als een wijs man gesproken; wat denken mijne broeders er van?”»De Zon kan niet liegen; al wat hij zegt is goed,” antwoordden de hoofden.»Heeft mijn broeder zich over iemand te beklagen?” vroeg de grijsaard.»Ja,” hernam de Arendskop, »ik ben beleedigd door een blanken jager; verscheidene malen heeft hij een aanval gedaan op mijn kamp; hij heeft in eene hinderlaag verscheidene mijner jonge lieden gedood; ik zelf ben, gelijk gij zien kunt, door hem gekwetst; de wond is nog niet eens gesloten; die man, in één woord, is de wreedste vijand der Comanchen, die hij als wilde dieren vervolgt en opjaagt, om zich te verlustigen in hunne martelingen en naar hunne stervenskreten te luisteren.”Bij deze woorden, op een wegslependen toon uitgesproken, slaakte de gansche vergadering een diepen zucht van verkropten toorn. De listige hoofdman, begrijpende dat hij zijne zaak gewonnen had, ging voort zonder in het minst de vreugde te laten blijken, die hem bezielde.»Ik zou,” zeide hij, »zoo het mij alleen gegolden had, die beleedigingen, hoe zwaar zij ook mogen zijn, hebben kunnen vergeven,[118]maar het geldt hier een algemeenen vijand, een man die aan de natie den ondergang gezworen heeft; en daarom, hoe pijnlijk het mij ook vallen moge, mag ik niet aarzelen om hem te treffen in wat hem het dierbaarste is. Zijne moeder is in mijne handen, ik heb geaarzeld haar op te offeren, ik heb mij niet door mijn haat willen laten beheerschen, ik heb rechtvaardig willen zijn, en toen het mij gemakkelijk viel deze vrouw te dooden, heb ik liever willen wachten tot gij zelven, eerwaardige hoofden van onzen stam, mij er bevel toe gaaft. Ik heb meer gedaan, omdat het mij tegen de borst stuit nutteloos bloed te vergieten en een onschuldige voor den schuldige te straffen; ik heb aan die vrouw vier dagen uitstel gegund, om aan haar zoon de gelegenheid te schenken haar te redden, door zich te komen aanbieden, om in hare plaats de marteling te ondergaan. Een door mij gevangen genomen blanke is uitgegaan om hem te zoeken; maar die man heeft het hart van een konijn, die slechts moed bezit om weerlooze vijanden te vermoorden; hij is niet gekomen, hij zal niet komen!.… Dezen morgen, bij het opgaan der zon, is de tijd, tot uitstel gegund, verstreken. Waar is die man? hij is niet verschenen!.… Wat zeggen mijne broeders? is mijn gedrag billijk, moet ik berispt worden, of wel, zal die vrouw aan den martelpaal gebonden worden, opdat de verschrikte bleeke dieven erkennen, dat de Comanchen geduchte krijgslieden zijn, die geen hoon ongestraft laten? Ik heb gezegd. Heb ik goed gesproken, mannen?”Na afloop van dit lange pleidooi ging de Arendskop weêr zitten, en de armen kruisende, wachtte hij met gebogen hoofd de beslissing der hoofden af.Er volgde een vrij langdurig stilzwijgen; eindelijk stond de Zon op.»Mijn broeder heeft goed gesproken,” zeide hij; »zijne woorden zijn als van een man, die zich niet door hartstocht laat overheerschen; al wat hij zegt is billijk; de blanken, onze woeste vijanden leggen het op ons verderf toe; hoe pijnlijk de straf dier vrouw ons moge vallen, zij is noodzakelijk.”»Zij is noodzakelijk,” herhaalden de hoofden, het hoofd buigende.»Komt,” hernam de Zon, »maakt de noodige toebereidselen; geeft aan die terdoodbrenging het aanzien van een zoenoffer en niet van eene wraak; ieder moet overtuigd worden, dat de Comanchen niet voor hun genoegen de vrouwen martelen, maar dat zij de schuldigen weten te straffen; ik heb gezegd.”De hoofden stonden op, en na den grijsaard eerbiedig gegroet te hebben, verwijderden zij zich.De Arendskop was geslaagd; hij zou zich wreken, zonder de verantwoordelijkheid op zich te nemen van eene daad, waarvan hij al het afschuwelijke had doorzien, maar die hij aan de hoofden zijner natie had weten voor te stellen onder een schijn van billijkheid, waarover hij zich inwendig bekommerde.—Men haastte zich de noodige toebereidselen tot de strafoefening te maken.[119]De vrouwen sneden dunne spaanders van esschenhout, om de veroordeelde die onder de nagels te steken, anderen maakten van de takken der vlierboomen een soort van lange zwavelstokken, terwijl de jongsten in het woud bossen groen hout gingen zoeken ten einde haar langzaam te verbranden en door den rook te doen stikken.Ondertusschen hadden de mannen den tot martelpaal bestemden boom geheel van zijne schors ontdaan, en vervolgens met elandsvet, vermengd met rooden oker, besmeerd; aan zijn voet hadden zij het hout van den brandstapel opeengehoopt, en daarna had de wichelaar den boom door middel van eenige geheimzinnige woorden bezworen, ten einde dien voor het bestemde doel geschikt te maken.Toen deze toebereidselen gemaakt waren, werd de gevangene aan den voet van den paal gebracht, en zonder nog vastgebonden te worden, genoodzaakt om zich op den brandstapel neder te zetten; daarna begon de scalpdans.De ongelukkige vrouw was oogenschijnlijk zeer kalm; zij had besloten haar leven ten offer te brengen; niets van hetgeen er om haar heen voorviel was meer in staat haar te ontroeren. Hare van koorts brandende en met tranen gevulde oogen dwaalden doelloos over die menigte, die haar als een hoop wilde dieren brullend omsingelde. Haar geest bleef echter even waakzaam en even helder als in hare schoonste dagen. De arme moeder had ééne vrees, die haar het hart verscheurde, meer dan de duizend martelingen, die de Indianen haar deden ondergaan; zij vreesde, dat haar zoon, gewaarschuwd omtrent het vreeselijk lot dat haar bedreigde, zich aan zijne woeste vijanden zou komen uitleveren, om haar te redden.Het minste gerucht opvangende, meende zij telkens de stappen van haar zoon te vernemen, die haar ieder oogenblik kon te hulp snellen; haar hart klopte van angst. Zij bad God uit het diepst van hare ziel, dat zij mocht sterven in plaats van haar geliefd kind.De scalpdans werd met woede voortgezet. Een menigte groote, schoone, prachtig uitgedoschte krijgslieden, met zwart gemaakte aangezichten, zwaaiden bij paren om den paal heen, aangevoerd door zeven met trommels enchicikoueesgewapende muzikanten, die zich met rood en zwart hadden besmeerd en vederen van nachtuilen op het hoofd droegen. De krijgslieden hadden met vederen en roodlaken versierde geweren en knodsen in de hand, waarmede zij al dansend den grond aanraakten. Zij vormden een grooten halven kring om den paal; de andere helft van den cirkel bestond uit dansende vrouwen.De Arendskop, die de krijgers aanvoerde, droeg een langen stok, aan het bovenste uiteinde waarvan een scalp hing te wiegelen, overschaduwd door de uitgespreide vleugelen van een opgezette ekster; een weinig lager hing nog een scalp, de huid van een losch, en eenige vederen.Toen men aldus eenigen tijd gedanst had, plaatsten zich de muzikanten[120]aan weêrszijden der veroordeelde, en maakten een oorverdoovend geraas door te gelijkertijd te zingen, en zoo hard zij konden, te trommelen en de chicikouees te schudden.Deze dans duurde vrij lang en ging vergezeld met een afschuwelijk gebrul, dat wel in staat was om de ongelukkige, aan wie zij aldus een voorsmaak gaven van de vreeselijke martelingen, die haar wachtten, van schrik krankzinnig te maken.Eindelijk raakte de Arendskop de veroordeelde met zijn stok even aan, op dit teeken hield het geraas eensklaps op, de rijen werden verbroken, ieder greep naar de wapenen.De doodstraf nam een aanvang.

[Inhoud]XIX.DE RAAD DER OPPERHOOFDEN.Niettegenstaande het onstuimig gesprek dat hij met Nô Eusébio gevoerd had, ging de Arendskop toch voort met zijne gevangene zoo zacht mogelijk te behandelen, en zich met eene kieschheid jegens haar te gedragen, die men geenszins verwachten zou van menschen, welke, volgens onze meening, zonder eenige geldige reden onder den naam vanWildenbekend staan. In het algemeen toch verdient de wijze waarop de Indianen met hunne gevangenen omgaan, eer geprezen dan gelaakt te worden, daar zij, wel verre van hen zonder oorzaak te martelen en te kwellen, gelijk velen het elkander hebben nagezegd, hun veeleer de grootst mogelijke beleefdheid bewijzen, en in zeker opzicht medelijden hebben met hun ongeluk.In de omstandigheden, waarvan wij spreken, was het besluit van den Arendskop, ten opzichte van Edelharts moeder, slechts eene uitzondering, waarvan de oorzaak moet worden toegeschreven aan den doodelijken haat, dien het Indiaansche opperhoofd den jager toedroeg.De scheiding der twee gevangenen was pijnlijk en hartverscheurend; de oude dienaar vertrok wanhopig om den jager te zoeken,[116]terwijl de arme moeder met een gebroken hart de Comanchen volgde.Den volgenden dag kwam de Arendskop op de door de opperhoofden der natie vastgestelde plaats; de geheele stam was bijeen.Niets is zonderlinger en schilderachtiger dan het gezicht van een Indiaansch kamp. Als de Roodhuiden op een jacht- of krijgsonderneming uit zijn, richten zij op de plaats, waar zij halt houden, tenten op van bisonvellen, die over kruiselings in den grond gestoken palen zijn uitgespannen, deze tenten, waarvan de vloer met aardkluiten overdekt is, hebben alleen van boven eene opening, om den rook door te laten, en zonder welke zij onbewoonbaar zouden zijn.Het kamp had een levendig aanzien; de vrouwen kwamen en gingen, beladen met hout en vleesch, of gezeten op door honden getrokken sleden, die al haar rijkdommen bevatten; de krijgslieden zaten in de open lucht rondom de vuren te rooken en te praten. Het was echter gemakkelijk te raden dat er iets ongewoons werd voorbereid; want ondanks het vroege uur—de zon was nog nauwelijks opgegaan—waren de voornaamste hoofden in deraadstentbijeen, om aldaar, gelijk de ernstige uitdrukking van hun gelaat te kennen gaf, een gewichtige zaak te bespreken.Het was de laatste dag van uitstel door den Arendskop aan Nô Eusébio toegestaan. De Indiaansche krijgsman aan zijn haat getrouw en geen lust hebbende zijn wraak uit te stellen, had de hoofden bijeengeroepen om hunne goedkeuring te erlangen voor de uitvoering van zijn afschuwelijk plan.Wij herhalen het hier, opdat men er zich niet in vergisse, de Indianen begaan geen wreedheden, louter voor hun genoegen. De noodzakelijkheid is hunne eerste wet; nooit geven zij bevel tot de marteling en terdoodbrenging van een gevangene, allerminst wanneer deze eene vrouw is, dan wanneer het belang der natie het eischt.Zoodra de hoofden om het vuur van de raadstent bijeen gezeten waren, trad de pijpdrager in den kring, met een aangestoken calumet, boog zich, onder het prevelen van een gebedje, naar alle vier de hemelstreken, en bood de calumet aan het oudste opperhoofd aan, maar zóó dat hij het roer in de hand hield.Toen de hoofden een voor een gerookt hadden, stootte de pijpdragerde asch van de calumet in het vuur, en zeide:»Hoofden van den grooten Comanchenstam, mogeNatosh(God) u wijsheid geven, en moge het besluit, dat gij nemen gaat, met de eischen der rechtvaardigheid overeenstemmen.”Daarna maakte hij een eerbiedige buiging en verwijderde zich.Er volgde een oogenblik stilte; ieder overpeinsde de zoo uitgesprokene woorden.Eindelijk stond de oudste op. Het was een eerwaardige grijsaard, wiens lichaam met tallooze lidteekenen was bezaaid, en die onder de zijnen een grooten naam van wijsheid bezat. Hij heetteEshis—de zon.[117]»Mijn zoon de Arendskop,” zeide hij, »heeft een belangrijke mededeeling te doen aan den raad der hoofden: hij spreke derhalve, onze ooren zijn geopend; de Arendskop is een krijgsman, even wijs als dapper; zijne woorden zullen met eerbied door ons worden aangehoord.”»Ik dank u,” antwoordde de krijgsman; »mijn vader is de wijsheid zelve. Natosh heeft niets voor hem verborgen.”De hoofden bogen.De Arendskop ging voort:»De bleekmuilen, onze eeuwige vijanden, vervolgen en kwellen ons voortdurend, ons noodzakende een voor een onze beste jachtgronden te verlaten, en gelijk bloode hinden in het diepste der bosschen de wijk te nemen; velen hunner wagen het tot in de prairiën te komen, die ons tot schuilplaats dienen, de bevers te strikken en op de elands en bisons te jagen, die ons eigendom zijn. Deze menschen zonder trouw, het uitvaagsel van hun volk, bestelen en vermoorden ons, als zij het straffeloos doen kunnen. Is het billijk dat wij hunne rooverijen uitstaan, zonder ons zelfs te beklagen? Zullen wij ons laten worgen als vreesachtigeashahas, zonder zelfs een poging aan te wenden om ons te wreken? Zegt de wet der prairiën niet: oog om oog, tand om tand? laat mijn vader antwoorden, laten mijne broeders zeggen, of dat billijk is?”»De wraak is geoorloofd,” zeide de Zon; »zij is het onweêrsprekelijk recht van den zwakke en onderdrukte, maar zij moet geëvenredigd zijn aan de ontvangen beleediging.”»Goed! mijn vader heeft als een wijs man gesproken; wat denken mijne broeders er van?”»De Zon kan niet liegen; al wat hij zegt is goed,” antwoordden de hoofden.»Heeft mijn broeder zich over iemand te beklagen?” vroeg de grijsaard.»Ja,” hernam de Arendskop, »ik ben beleedigd door een blanken jager; verscheidene malen heeft hij een aanval gedaan op mijn kamp; hij heeft in eene hinderlaag verscheidene mijner jonge lieden gedood; ik zelf ben, gelijk gij zien kunt, door hem gekwetst; de wond is nog niet eens gesloten; die man, in één woord, is de wreedste vijand der Comanchen, die hij als wilde dieren vervolgt en opjaagt, om zich te verlustigen in hunne martelingen en naar hunne stervenskreten te luisteren.”Bij deze woorden, op een wegslependen toon uitgesproken, slaakte de gansche vergadering een diepen zucht van verkropten toorn. De listige hoofdman, begrijpende dat hij zijne zaak gewonnen had, ging voort zonder in het minst de vreugde te laten blijken, die hem bezielde.»Ik zou,” zeide hij, »zoo het mij alleen gegolden had, die beleedigingen, hoe zwaar zij ook mogen zijn, hebben kunnen vergeven,[118]maar het geldt hier een algemeenen vijand, een man die aan de natie den ondergang gezworen heeft; en daarom, hoe pijnlijk het mij ook vallen moge, mag ik niet aarzelen om hem te treffen in wat hem het dierbaarste is. Zijne moeder is in mijne handen, ik heb geaarzeld haar op te offeren, ik heb mij niet door mijn haat willen laten beheerschen, ik heb rechtvaardig willen zijn, en toen het mij gemakkelijk viel deze vrouw te dooden, heb ik liever willen wachten tot gij zelven, eerwaardige hoofden van onzen stam, mij er bevel toe gaaft. Ik heb meer gedaan, omdat het mij tegen de borst stuit nutteloos bloed te vergieten en een onschuldige voor den schuldige te straffen; ik heb aan die vrouw vier dagen uitstel gegund, om aan haar zoon de gelegenheid te schenken haar te redden, door zich te komen aanbieden, om in hare plaats de marteling te ondergaan. Een door mij gevangen genomen blanke is uitgegaan om hem te zoeken; maar die man heeft het hart van een konijn, die slechts moed bezit om weerlooze vijanden te vermoorden; hij is niet gekomen, hij zal niet komen!.… Dezen morgen, bij het opgaan der zon, is de tijd, tot uitstel gegund, verstreken. Waar is die man? hij is niet verschenen!.… Wat zeggen mijne broeders? is mijn gedrag billijk, moet ik berispt worden, of wel, zal die vrouw aan den martelpaal gebonden worden, opdat de verschrikte bleeke dieven erkennen, dat de Comanchen geduchte krijgslieden zijn, die geen hoon ongestraft laten? Ik heb gezegd. Heb ik goed gesproken, mannen?”Na afloop van dit lange pleidooi ging de Arendskop weêr zitten, en de armen kruisende, wachtte hij met gebogen hoofd de beslissing der hoofden af.Er volgde een vrij langdurig stilzwijgen; eindelijk stond de Zon op.»Mijn broeder heeft goed gesproken,” zeide hij; »zijne woorden zijn als van een man, die zich niet door hartstocht laat overheerschen; al wat hij zegt is billijk; de blanken, onze woeste vijanden leggen het op ons verderf toe; hoe pijnlijk de straf dier vrouw ons moge vallen, zij is noodzakelijk.”»Zij is noodzakelijk,” herhaalden de hoofden, het hoofd buigende.»Komt,” hernam de Zon, »maakt de noodige toebereidselen; geeft aan die terdoodbrenging het aanzien van een zoenoffer en niet van eene wraak; ieder moet overtuigd worden, dat de Comanchen niet voor hun genoegen de vrouwen martelen, maar dat zij de schuldigen weten te straffen; ik heb gezegd.”De hoofden stonden op, en na den grijsaard eerbiedig gegroet te hebben, verwijderden zij zich.De Arendskop was geslaagd; hij zou zich wreken, zonder de verantwoordelijkheid op zich te nemen van eene daad, waarvan hij al het afschuwelijke had doorzien, maar die hij aan de hoofden zijner natie had weten voor te stellen onder een schijn van billijkheid, waarover hij zich inwendig bekommerde.—Men haastte zich de noodige toebereidselen tot de strafoefening te maken.[119]De vrouwen sneden dunne spaanders van esschenhout, om de veroordeelde die onder de nagels te steken, anderen maakten van de takken der vlierboomen een soort van lange zwavelstokken, terwijl de jongsten in het woud bossen groen hout gingen zoeken ten einde haar langzaam te verbranden en door den rook te doen stikken.Ondertusschen hadden de mannen den tot martelpaal bestemden boom geheel van zijne schors ontdaan, en vervolgens met elandsvet, vermengd met rooden oker, besmeerd; aan zijn voet hadden zij het hout van den brandstapel opeengehoopt, en daarna had de wichelaar den boom door middel van eenige geheimzinnige woorden bezworen, ten einde dien voor het bestemde doel geschikt te maken.Toen deze toebereidselen gemaakt waren, werd de gevangene aan den voet van den paal gebracht, en zonder nog vastgebonden te worden, genoodzaakt om zich op den brandstapel neder te zetten; daarna begon de scalpdans.De ongelukkige vrouw was oogenschijnlijk zeer kalm; zij had besloten haar leven ten offer te brengen; niets van hetgeen er om haar heen voorviel was meer in staat haar te ontroeren. Hare van koorts brandende en met tranen gevulde oogen dwaalden doelloos over die menigte, die haar als een hoop wilde dieren brullend omsingelde. Haar geest bleef echter even waakzaam en even helder als in hare schoonste dagen. De arme moeder had ééne vrees, die haar het hart verscheurde, meer dan de duizend martelingen, die de Indianen haar deden ondergaan; zij vreesde, dat haar zoon, gewaarschuwd omtrent het vreeselijk lot dat haar bedreigde, zich aan zijne woeste vijanden zou komen uitleveren, om haar te redden.Het minste gerucht opvangende, meende zij telkens de stappen van haar zoon te vernemen, die haar ieder oogenblik kon te hulp snellen; haar hart klopte van angst. Zij bad God uit het diepst van hare ziel, dat zij mocht sterven in plaats van haar geliefd kind.De scalpdans werd met woede voortgezet. Een menigte groote, schoone, prachtig uitgedoschte krijgslieden, met zwart gemaakte aangezichten, zwaaiden bij paren om den paal heen, aangevoerd door zeven met trommels enchicikoueesgewapende muzikanten, die zich met rood en zwart hadden besmeerd en vederen van nachtuilen op het hoofd droegen. De krijgslieden hadden met vederen en roodlaken versierde geweren en knodsen in de hand, waarmede zij al dansend den grond aanraakten. Zij vormden een grooten halven kring om den paal; de andere helft van den cirkel bestond uit dansende vrouwen.De Arendskop, die de krijgers aanvoerde, droeg een langen stok, aan het bovenste uiteinde waarvan een scalp hing te wiegelen, overschaduwd door de uitgespreide vleugelen van een opgezette ekster; een weinig lager hing nog een scalp, de huid van een losch, en eenige vederen.Toen men aldus eenigen tijd gedanst had, plaatsten zich de muzikanten[120]aan weêrszijden der veroordeelde, en maakten een oorverdoovend geraas door te gelijkertijd te zingen, en zoo hard zij konden, te trommelen en de chicikouees te schudden.Deze dans duurde vrij lang en ging vergezeld met een afschuwelijk gebrul, dat wel in staat was om de ongelukkige, aan wie zij aldus een voorsmaak gaven van de vreeselijke martelingen, die haar wachtten, van schrik krankzinnig te maken.Eindelijk raakte de Arendskop de veroordeelde met zijn stok even aan, op dit teeken hield het geraas eensklaps op, de rijen werden verbroken, ieder greep naar de wapenen.De doodstraf nam een aanvang.

[Inhoud]XIX.DE RAAD DER OPPERHOOFDEN.Niettegenstaande het onstuimig gesprek dat hij met Nô Eusébio gevoerd had, ging de Arendskop toch voort met zijne gevangene zoo zacht mogelijk te behandelen, en zich met eene kieschheid jegens haar te gedragen, die men geenszins verwachten zou van menschen, welke, volgens onze meening, zonder eenige geldige reden onder den naam vanWildenbekend staan. In het algemeen toch verdient de wijze waarop de Indianen met hunne gevangenen omgaan, eer geprezen dan gelaakt te worden, daar zij, wel verre van hen zonder oorzaak te martelen en te kwellen, gelijk velen het elkander hebben nagezegd, hun veeleer de grootst mogelijke beleefdheid bewijzen, en in zeker opzicht medelijden hebben met hun ongeluk.In de omstandigheden, waarvan wij spreken, was het besluit van den Arendskop, ten opzichte van Edelharts moeder, slechts eene uitzondering, waarvan de oorzaak moet worden toegeschreven aan den doodelijken haat, dien het Indiaansche opperhoofd den jager toedroeg.De scheiding der twee gevangenen was pijnlijk en hartverscheurend; de oude dienaar vertrok wanhopig om den jager te zoeken,[116]terwijl de arme moeder met een gebroken hart de Comanchen volgde.Den volgenden dag kwam de Arendskop op de door de opperhoofden der natie vastgestelde plaats; de geheele stam was bijeen.Niets is zonderlinger en schilderachtiger dan het gezicht van een Indiaansch kamp. Als de Roodhuiden op een jacht- of krijgsonderneming uit zijn, richten zij op de plaats, waar zij halt houden, tenten op van bisonvellen, die over kruiselings in den grond gestoken palen zijn uitgespannen, deze tenten, waarvan de vloer met aardkluiten overdekt is, hebben alleen van boven eene opening, om den rook door te laten, en zonder welke zij onbewoonbaar zouden zijn.Het kamp had een levendig aanzien; de vrouwen kwamen en gingen, beladen met hout en vleesch, of gezeten op door honden getrokken sleden, die al haar rijkdommen bevatten; de krijgslieden zaten in de open lucht rondom de vuren te rooken en te praten. Het was echter gemakkelijk te raden dat er iets ongewoons werd voorbereid; want ondanks het vroege uur—de zon was nog nauwelijks opgegaan—waren de voornaamste hoofden in deraadstentbijeen, om aldaar, gelijk de ernstige uitdrukking van hun gelaat te kennen gaf, een gewichtige zaak te bespreken.Het was de laatste dag van uitstel door den Arendskop aan Nô Eusébio toegestaan. De Indiaansche krijgsman aan zijn haat getrouw en geen lust hebbende zijn wraak uit te stellen, had de hoofden bijeengeroepen om hunne goedkeuring te erlangen voor de uitvoering van zijn afschuwelijk plan.Wij herhalen het hier, opdat men er zich niet in vergisse, de Indianen begaan geen wreedheden, louter voor hun genoegen. De noodzakelijkheid is hunne eerste wet; nooit geven zij bevel tot de marteling en terdoodbrenging van een gevangene, allerminst wanneer deze eene vrouw is, dan wanneer het belang der natie het eischt.Zoodra de hoofden om het vuur van de raadstent bijeen gezeten waren, trad de pijpdrager in den kring, met een aangestoken calumet, boog zich, onder het prevelen van een gebedje, naar alle vier de hemelstreken, en bood de calumet aan het oudste opperhoofd aan, maar zóó dat hij het roer in de hand hield.Toen de hoofden een voor een gerookt hadden, stootte de pijpdragerde asch van de calumet in het vuur, en zeide:»Hoofden van den grooten Comanchenstam, mogeNatosh(God) u wijsheid geven, en moge het besluit, dat gij nemen gaat, met de eischen der rechtvaardigheid overeenstemmen.”Daarna maakte hij een eerbiedige buiging en verwijderde zich.Er volgde een oogenblik stilte; ieder overpeinsde de zoo uitgesprokene woorden.Eindelijk stond de oudste op. Het was een eerwaardige grijsaard, wiens lichaam met tallooze lidteekenen was bezaaid, en die onder de zijnen een grooten naam van wijsheid bezat. Hij heetteEshis—de zon.[117]»Mijn zoon de Arendskop,” zeide hij, »heeft een belangrijke mededeeling te doen aan den raad der hoofden: hij spreke derhalve, onze ooren zijn geopend; de Arendskop is een krijgsman, even wijs als dapper; zijne woorden zullen met eerbied door ons worden aangehoord.”»Ik dank u,” antwoordde de krijgsman; »mijn vader is de wijsheid zelve. Natosh heeft niets voor hem verborgen.”De hoofden bogen.De Arendskop ging voort:»De bleekmuilen, onze eeuwige vijanden, vervolgen en kwellen ons voortdurend, ons noodzakende een voor een onze beste jachtgronden te verlaten, en gelijk bloode hinden in het diepste der bosschen de wijk te nemen; velen hunner wagen het tot in de prairiën te komen, die ons tot schuilplaats dienen, de bevers te strikken en op de elands en bisons te jagen, die ons eigendom zijn. Deze menschen zonder trouw, het uitvaagsel van hun volk, bestelen en vermoorden ons, als zij het straffeloos doen kunnen. Is het billijk dat wij hunne rooverijen uitstaan, zonder ons zelfs te beklagen? Zullen wij ons laten worgen als vreesachtigeashahas, zonder zelfs een poging aan te wenden om ons te wreken? Zegt de wet der prairiën niet: oog om oog, tand om tand? laat mijn vader antwoorden, laten mijne broeders zeggen, of dat billijk is?”»De wraak is geoorloofd,” zeide de Zon; »zij is het onweêrsprekelijk recht van den zwakke en onderdrukte, maar zij moet geëvenredigd zijn aan de ontvangen beleediging.”»Goed! mijn vader heeft als een wijs man gesproken; wat denken mijne broeders er van?”»De Zon kan niet liegen; al wat hij zegt is goed,” antwoordden de hoofden.»Heeft mijn broeder zich over iemand te beklagen?” vroeg de grijsaard.»Ja,” hernam de Arendskop, »ik ben beleedigd door een blanken jager; verscheidene malen heeft hij een aanval gedaan op mijn kamp; hij heeft in eene hinderlaag verscheidene mijner jonge lieden gedood; ik zelf ben, gelijk gij zien kunt, door hem gekwetst; de wond is nog niet eens gesloten; die man, in één woord, is de wreedste vijand der Comanchen, die hij als wilde dieren vervolgt en opjaagt, om zich te verlustigen in hunne martelingen en naar hunne stervenskreten te luisteren.”Bij deze woorden, op een wegslependen toon uitgesproken, slaakte de gansche vergadering een diepen zucht van verkropten toorn. De listige hoofdman, begrijpende dat hij zijne zaak gewonnen had, ging voort zonder in het minst de vreugde te laten blijken, die hem bezielde.»Ik zou,” zeide hij, »zoo het mij alleen gegolden had, die beleedigingen, hoe zwaar zij ook mogen zijn, hebben kunnen vergeven,[118]maar het geldt hier een algemeenen vijand, een man die aan de natie den ondergang gezworen heeft; en daarom, hoe pijnlijk het mij ook vallen moge, mag ik niet aarzelen om hem te treffen in wat hem het dierbaarste is. Zijne moeder is in mijne handen, ik heb geaarzeld haar op te offeren, ik heb mij niet door mijn haat willen laten beheerschen, ik heb rechtvaardig willen zijn, en toen het mij gemakkelijk viel deze vrouw te dooden, heb ik liever willen wachten tot gij zelven, eerwaardige hoofden van onzen stam, mij er bevel toe gaaft. Ik heb meer gedaan, omdat het mij tegen de borst stuit nutteloos bloed te vergieten en een onschuldige voor den schuldige te straffen; ik heb aan die vrouw vier dagen uitstel gegund, om aan haar zoon de gelegenheid te schenken haar te redden, door zich te komen aanbieden, om in hare plaats de marteling te ondergaan. Een door mij gevangen genomen blanke is uitgegaan om hem te zoeken; maar die man heeft het hart van een konijn, die slechts moed bezit om weerlooze vijanden te vermoorden; hij is niet gekomen, hij zal niet komen!.… Dezen morgen, bij het opgaan der zon, is de tijd, tot uitstel gegund, verstreken. Waar is die man? hij is niet verschenen!.… Wat zeggen mijne broeders? is mijn gedrag billijk, moet ik berispt worden, of wel, zal die vrouw aan den martelpaal gebonden worden, opdat de verschrikte bleeke dieven erkennen, dat de Comanchen geduchte krijgslieden zijn, die geen hoon ongestraft laten? Ik heb gezegd. Heb ik goed gesproken, mannen?”Na afloop van dit lange pleidooi ging de Arendskop weêr zitten, en de armen kruisende, wachtte hij met gebogen hoofd de beslissing der hoofden af.Er volgde een vrij langdurig stilzwijgen; eindelijk stond de Zon op.»Mijn broeder heeft goed gesproken,” zeide hij; »zijne woorden zijn als van een man, die zich niet door hartstocht laat overheerschen; al wat hij zegt is billijk; de blanken, onze woeste vijanden leggen het op ons verderf toe; hoe pijnlijk de straf dier vrouw ons moge vallen, zij is noodzakelijk.”»Zij is noodzakelijk,” herhaalden de hoofden, het hoofd buigende.»Komt,” hernam de Zon, »maakt de noodige toebereidselen; geeft aan die terdoodbrenging het aanzien van een zoenoffer en niet van eene wraak; ieder moet overtuigd worden, dat de Comanchen niet voor hun genoegen de vrouwen martelen, maar dat zij de schuldigen weten te straffen; ik heb gezegd.”De hoofden stonden op, en na den grijsaard eerbiedig gegroet te hebben, verwijderden zij zich.De Arendskop was geslaagd; hij zou zich wreken, zonder de verantwoordelijkheid op zich te nemen van eene daad, waarvan hij al het afschuwelijke had doorzien, maar die hij aan de hoofden zijner natie had weten voor te stellen onder een schijn van billijkheid, waarover hij zich inwendig bekommerde.—Men haastte zich de noodige toebereidselen tot de strafoefening te maken.[119]De vrouwen sneden dunne spaanders van esschenhout, om de veroordeelde die onder de nagels te steken, anderen maakten van de takken der vlierboomen een soort van lange zwavelstokken, terwijl de jongsten in het woud bossen groen hout gingen zoeken ten einde haar langzaam te verbranden en door den rook te doen stikken.Ondertusschen hadden de mannen den tot martelpaal bestemden boom geheel van zijne schors ontdaan, en vervolgens met elandsvet, vermengd met rooden oker, besmeerd; aan zijn voet hadden zij het hout van den brandstapel opeengehoopt, en daarna had de wichelaar den boom door middel van eenige geheimzinnige woorden bezworen, ten einde dien voor het bestemde doel geschikt te maken.Toen deze toebereidselen gemaakt waren, werd de gevangene aan den voet van den paal gebracht, en zonder nog vastgebonden te worden, genoodzaakt om zich op den brandstapel neder te zetten; daarna begon de scalpdans.De ongelukkige vrouw was oogenschijnlijk zeer kalm; zij had besloten haar leven ten offer te brengen; niets van hetgeen er om haar heen voorviel was meer in staat haar te ontroeren. Hare van koorts brandende en met tranen gevulde oogen dwaalden doelloos over die menigte, die haar als een hoop wilde dieren brullend omsingelde. Haar geest bleef echter even waakzaam en even helder als in hare schoonste dagen. De arme moeder had ééne vrees, die haar het hart verscheurde, meer dan de duizend martelingen, die de Indianen haar deden ondergaan; zij vreesde, dat haar zoon, gewaarschuwd omtrent het vreeselijk lot dat haar bedreigde, zich aan zijne woeste vijanden zou komen uitleveren, om haar te redden.Het minste gerucht opvangende, meende zij telkens de stappen van haar zoon te vernemen, die haar ieder oogenblik kon te hulp snellen; haar hart klopte van angst. Zij bad God uit het diepst van hare ziel, dat zij mocht sterven in plaats van haar geliefd kind.De scalpdans werd met woede voortgezet. Een menigte groote, schoone, prachtig uitgedoschte krijgslieden, met zwart gemaakte aangezichten, zwaaiden bij paren om den paal heen, aangevoerd door zeven met trommels enchicikoueesgewapende muzikanten, die zich met rood en zwart hadden besmeerd en vederen van nachtuilen op het hoofd droegen. De krijgslieden hadden met vederen en roodlaken versierde geweren en knodsen in de hand, waarmede zij al dansend den grond aanraakten. Zij vormden een grooten halven kring om den paal; de andere helft van den cirkel bestond uit dansende vrouwen.De Arendskop, die de krijgers aanvoerde, droeg een langen stok, aan het bovenste uiteinde waarvan een scalp hing te wiegelen, overschaduwd door de uitgespreide vleugelen van een opgezette ekster; een weinig lager hing nog een scalp, de huid van een losch, en eenige vederen.Toen men aldus eenigen tijd gedanst had, plaatsten zich de muzikanten[120]aan weêrszijden der veroordeelde, en maakten een oorverdoovend geraas door te gelijkertijd te zingen, en zoo hard zij konden, te trommelen en de chicikouees te schudden.Deze dans duurde vrij lang en ging vergezeld met een afschuwelijk gebrul, dat wel in staat was om de ongelukkige, aan wie zij aldus een voorsmaak gaven van de vreeselijke martelingen, die haar wachtten, van schrik krankzinnig te maken.Eindelijk raakte de Arendskop de veroordeelde met zijn stok even aan, op dit teeken hield het geraas eensklaps op, de rijen werden verbroken, ieder greep naar de wapenen.De doodstraf nam een aanvang.

XIX.DE RAAD DER OPPERHOOFDEN.

Niettegenstaande het onstuimig gesprek dat hij met Nô Eusébio gevoerd had, ging de Arendskop toch voort met zijne gevangene zoo zacht mogelijk te behandelen, en zich met eene kieschheid jegens haar te gedragen, die men geenszins verwachten zou van menschen, welke, volgens onze meening, zonder eenige geldige reden onder den naam vanWildenbekend staan. In het algemeen toch verdient de wijze waarop de Indianen met hunne gevangenen omgaan, eer geprezen dan gelaakt te worden, daar zij, wel verre van hen zonder oorzaak te martelen en te kwellen, gelijk velen het elkander hebben nagezegd, hun veeleer de grootst mogelijke beleefdheid bewijzen, en in zeker opzicht medelijden hebben met hun ongeluk.In de omstandigheden, waarvan wij spreken, was het besluit van den Arendskop, ten opzichte van Edelharts moeder, slechts eene uitzondering, waarvan de oorzaak moet worden toegeschreven aan den doodelijken haat, dien het Indiaansche opperhoofd den jager toedroeg.De scheiding der twee gevangenen was pijnlijk en hartverscheurend; de oude dienaar vertrok wanhopig om den jager te zoeken,[116]terwijl de arme moeder met een gebroken hart de Comanchen volgde.Den volgenden dag kwam de Arendskop op de door de opperhoofden der natie vastgestelde plaats; de geheele stam was bijeen.Niets is zonderlinger en schilderachtiger dan het gezicht van een Indiaansch kamp. Als de Roodhuiden op een jacht- of krijgsonderneming uit zijn, richten zij op de plaats, waar zij halt houden, tenten op van bisonvellen, die over kruiselings in den grond gestoken palen zijn uitgespannen, deze tenten, waarvan de vloer met aardkluiten overdekt is, hebben alleen van boven eene opening, om den rook door te laten, en zonder welke zij onbewoonbaar zouden zijn.Het kamp had een levendig aanzien; de vrouwen kwamen en gingen, beladen met hout en vleesch, of gezeten op door honden getrokken sleden, die al haar rijkdommen bevatten; de krijgslieden zaten in de open lucht rondom de vuren te rooken en te praten. Het was echter gemakkelijk te raden dat er iets ongewoons werd voorbereid; want ondanks het vroege uur—de zon was nog nauwelijks opgegaan—waren de voornaamste hoofden in deraadstentbijeen, om aldaar, gelijk de ernstige uitdrukking van hun gelaat te kennen gaf, een gewichtige zaak te bespreken.Het was de laatste dag van uitstel door den Arendskop aan Nô Eusébio toegestaan. De Indiaansche krijgsman aan zijn haat getrouw en geen lust hebbende zijn wraak uit te stellen, had de hoofden bijeengeroepen om hunne goedkeuring te erlangen voor de uitvoering van zijn afschuwelijk plan.Wij herhalen het hier, opdat men er zich niet in vergisse, de Indianen begaan geen wreedheden, louter voor hun genoegen. De noodzakelijkheid is hunne eerste wet; nooit geven zij bevel tot de marteling en terdoodbrenging van een gevangene, allerminst wanneer deze eene vrouw is, dan wanneer het belang der natie het eischt.Zoodra de hoofden om het vuur van de raadstent bijeen gezeten waren, trad de pijpdrager in den kring, met een aangestoken calumet, boog zich, onder het prevelen van een gebedje, naar alle vier de hemelstreken, en bood de calumet aan het oudste opperhoofd aan, maar zóó dat hij het roer in de hand hield.Toen de hoofden een voor een gerookt hadden, stootte de pijpdragerde asch van de calumet in het vuur, en zeide:»Hoofden van den grooten Comanchenstam, mogeNatosh(God) u wijsheid geven, en moge het besluit, dat gij nemen gaat, met de eischen der rechtvaardigheid overeenstemmen.”Daarna maakte hij een eerbiedige buiging en verwijderde zich.Er volgde een oogenblik stilte; ieder overpeinsde de zoo uitgesprokene woorden.Eindelijk stond de oudste op. Het was een eerwaardige grijsaard, wiens lichaam met tallooze lidteekenen was bezaaid, en die onder de zijnen een grooten naam van wijsheid bezat. Hij heetteEshis—de zon.[117]»Mijn zoon de Arendskop,” zeide hij, »heeft een belangrijke mededeeling te doen aan den raad der hoofden: hij spreke derhalve, onze ooren zijn geopend; de Arendskop is een krijgsman, even wijs als dapper; zijne woorden zullen met eerbied door ons worden aangehoord.”»Ik dank u,” antwoordde de krijgsman; »mijn vader is de wijsheid zelve. Natosh heeft niets voor hem verborgen.”De hoofden bogen.De Arendskop ging voort:»De bleekmuilen, onze eeuwige vijanden, vervolgen en kwellen ons voortdurend, ons noodzakende een voor een onze beste jachtgronden te verlaten, en gelijk bloode hinden in het diepste der bosschen de wijk te nemen; velen hunner wagen het tot in de prairiën te komen, die ons tot schuilplaats dienen, de bevers te strikken en op de elands en bisons te jagen, die ons eigendom zijn. Deze menschen zonder trouw, het uitvaagsel van hun volk, bestelen en vermoorden ons, als zij het straffeloos doen kunnen. Is het billijk dat wij hunne rooverijen uitstaan, zonder ons zelfs te beklagen? Zullen wij ons laten worgen als vreesachtigeashahas, zonder zelfs een poging aan te wenden om ons te wreken? Zegt de wet der prairiën niet: oog om oog, tand om tand? laat mijn vader antwoorden, laten mijne broeders zeggen, of dat billijk is?”»De wraak is geoorloofd,” zeide de Zon; »zij is het onweêrsprekelijk recht van den zwakke en onderdrukte, maar zij moet geëvenredigd zijn aan de ontvangen beleediging.”»Goed! mijn vader heeft als een wijs man gesproken; wat denken mijne broeders er van?”»De Zon kan niet liegen; al wat hij zegt is goed,” antwoordden de hoofden.»Heeft mijn broeder zich over iemand te beklagen?” vroeg de grijsaard.»Ja,” hernam de Arendskop, »ik ben beleedigd door een blanken jager; verscheidene malen heeft hij een aanval gedaan op mijn kamp; hij heeft in eene hinderlaag verscheidene mijner jonge lieden gedood; ik zelf ben, gelijk gij zien kunt, door hem gekwetst; de wond is nog niet eens gesloten; die man, in één woord, is de wreedste vijand der Comanchen, die hij als wilde dieren vervolgt en opjaagt, om zich te verlustigen in hunne martelingen en naar hunne stervenskreten te luisteren.”Bij deze woorden, op een wegslependen toon uitgesproken, slaakte de gansche vergadering een diepen zucht van verkropten toorn. De listige hoofdman, begrijpende dat hij zijne zaak gewonnen had, ging voort zonder in het minst de vreugde te laten blijken, die hem bezielde.»Ik zou,” zeide hij, »zoo het mij alleen gegolden had, die beleedigingen, hoe zwaar zij ook mogen zijn, hebben kunnen vergeven,[118]maar het geldt hier een algemeenen vijand, een man die aan de natie den ondergang gezworen heeft; en daarom, hoe pijnlijk het mij ook vallen moge, mag ik niet aarzelen om hem te treffen in wat hem het dierbaarste is. Zijne moeder is in mijne handen, ik heb geaarzeld haar op te offeren, ik heb mij niet door mijn haat willen laten beheerschen, ik heb rechtvaardig willen zijn, en toen het mij gemakkelijk viel deze vrouw te dooden, heb ik liever willen wachten tot gij zelven, eerwaardige hoofden van onzen stam, mij er bevel toe gaaft. Ik heb meer gedaan, omdat het mij tegen de borst stuit nutteloos bloed te vergieten en een onschuldige voor den schuldige te straffen; ik heb aan die vrouw vier dagen uitstel gegund, om aan haar zoon de gelegenheid te schenken haar te redden, door zich te komen aanbieden, om in hare plaats de marteling te ondergaan. Een door mij gevangen genomen blanke is uitgegaan om hem te zoeken; maar die man heeft het hart van een konijn, die slechts moed bezit om weerlooze vijanden te vermoorden; hij is niet gekomen, hij zal niet komen!.… Dezen morgen, bij het opgaan der zon, is de tijd, tot uitstel gegund, verstreken. Waar is die man? hij is niet verschenen!.… Wat zeggen mijne broeders? is mijn gedrag billijk, moet ik berispt worden, of wel, zal die vrouw aan den martelpaal gebonden worden, opdat de verschrikte bleeke dieven erkennen, dat de Comanchen geduchte krijgslieden zijn, die geen hoon ongestraft laten? Ik heb gezegd. Heb ik goed gesproken, mannen?”Na afloop van dit lange pleidooi ging de Arendskop weêr zitten, en de armen kruisende, wachtte hij met gebogen hoofd de beslissing der hoofden af.Er volgde een vrij langdurig stilzwijgen; eindelijk stond de Zon op.»Mijn broeder heeft goed gesproken,” zeide hij; »zijne woorden zijn als van een man, die zich niet door hartstocht laat overheerschen; al wat hij zegt is billijk; de blanken, onze woeste vijanden leggen het op ons verderf toe; hoe pijnlijk de straf dier vrouw ons moge vallen, zij is noodzakelijk.”»Zij is noodzakelijk,” herhaalden de hoofden, het hoofd buigende.»Komt,” hernam de Zon, »maakt de noodige toebereidselen; geeft aan die terdoodbrenging het aanzien van een zoenoffer en niet van eene wraak; ieder moet overtuigd worden, dat de Comanchen niet voor hun genoegen de vrouwen martelen, maar dat zij de schuldigen weten te straffen; ik heb gezegd.”De hoofden stonden op, en na den grijsaard eerbiedig gegroet te hebben, verwijderden zij zich.De Arendskop was geslaagd; hij zou zich wreken, zonder de verantwoordelijkheid op zich te nemen van eene daad, waarvan hij al het afschuwelijke had doorzien, maar die hij aan de hoofden zijner natie had weten voor te stellen onder een schijn van billijkheid, waarover hij zich inwendig bekommerde.—Men haastte zich de noodige toebereidselen tot de strafoefening te maken.[119]De vrouwen sneden dunne spaanders van esschenhout, om de veroordeelde die onder de nagels te steken, anderen maakten van de takken der vlierboomen een soort van lange zwavelstokken, terwijl de jongsten in het woud bossen groen hout gingen zoeken ten einde haar langzaam te verbranden en door den rook te doen stikken.Ondertusschen hadden de mannen den tot martelpaal bestemden boom geheel van zijne schors ontdaan, en vervolgens met elandsvet, vermengd met rooden oker, besmeerd; aan zijn voet hadden zij het hout van den brandstapel opeengehoopt, en daarna had de wichelaar den boom door middel van eenige geheimzinnige woorden bezworen, ten einde dien voor het bestemde doel geschikt te maken.Toen deze toebereidselen gemaakt waren, werd de gevangene aan den voet van den paal gebracht, en zonder nog vastgebonden te worden, genoodzaakt om zich op den brandstapel neder te zetten; daarna begon de scalpdans.De ongelukkige vrouw was oogenschijnlijk zeer kalm; zij had besloten haar leven ten offer te brengen; niets van hetgeen er om haar heen voorviel was meer in staat haar te ontroeren. Hare van koorts brandende en met tranen gevulde oogen dwaalden doelloos over die menigte, die haar als een hoop wilde dieren brullend omsingelde. Haar geest bleef echter even waakzaam en even helder als in hare schoonste dagen. De arme moeder had ééne vrees, die haar het hart verscheurde, meer dan de duizend martelingen, die de Indianen haar deden ondergaan; zij vreesde, dat haar zoon, gewaarschuwd omtrent het vreeselijk lot dat haar bedreigde, zich aan zijne woeste vijanden zou komen uitleveren, om haar te redden.Het minste gerucht opvangende, meende zij telkens de stappen van haar zoon te vernemen, die haar ieder oogenblik kon te hulp snellen; haar hart klopte van angst. Zij bad God uit het diepst van hare ziel, dat zij mocht sterven in plaats van haar geliefd kind.De scalpdans werd met woede voortgezet. Een menigte groote, schoone, prachtig uitgedoschte krijgslieden, met zwart gemaakte aangezichten, zwaaiden bij paren om den paal heen, aangevoerd door zeven met trommels enchicikoueesgewapende muzikanten, die zich met rood en zwart hadden besmeerd en vederen van nachtuilen op het hoofd droegen. De krijgslieden hadden met vederen en roodlaken versierde geweren en knodsen in de hand, waarmede zij al dansend den grond aanraakten. Zij vormden een grooten halven kring om den paal; de andere helft van den cirkel bestond uit dansende vrouwen.De Arendskop, die de krijgers aanvoerde, droeg een langen stok, aan het bovenste uiteinde waarvan een scalp hing te wiegelen, overschaduwd door de uitgespreide vleugelen van een opgezette ekster; een weinig lager hing nog een scalp, de huid van een losch, en eenige vederen.Toen men aldus eenigen tijd gedanst had, plaatsten zich de muzikanten[120]aan weêrszijden der veroordeelde, en maakten een oorverdoovend geraas door te gelijkertijd te zingen, en zoo hard zij konden, te trommelen en de chicikouees te schudden.Deze dans duurde vrij lang en ging vergezeld met een afschuwelijk gebrul, dat wel in staat was om de ongelukkige, aan wie zij aldus een voorsmaak gaven van de vreeselijke martelingen, die haar wachtten, van schrik krankzinnig te maken.Eindelijk raakte de Arendskop de veroordeelde met zijn stok even aan, op dit teeken hield het geraas eensklaps op, de rijen werden verbroken, ieder greep naar de wapenen.De doodstraf nam een aanvang.

Niettegenstaande het onstuimig gesprek dat hij met Nô Eusébio gevoerd had, ging de Arendskop toch voort met zijne gevangene zoo zacht mogelijk te behandelen, en zich met eene kieschheid jegens haar te gedragen, die men geenszins verwachten zou van menschen, welke, volgens onze meening, zonder eenige geldige reden onder den naam vanWildenbekend staan. In het algemeen toch verdient de wijze waarop de Indianen met hunne gevangenen omgaan, eer geprezen dan gelaakt te worden, daar zij, wel verre van hen zonder oorzaak te martelen en te kwellen, gelijk velen het elkander hebben nagezegd, hun veeleer de grootst mogelijke beleefdheid bewijzen, en in zeker opzicht medelijden hebben met hun ongeluk.

In de omstandigheden, waarvan wij spreken, was het besluit van den Arendskop, ten opzichte van Edelharts moeder, slechts eene uitzondering, waarvan de oorzaak moet worden toegeschreven aan den doodelijken haat, dien het Indiaansche opperhoofd den jager toedroeg.

De scheiding der twee gevangenen was pijnlijk en hartverscheurend; de oude dienaar vertrok wanhopig om den jager te zoeken,[116]terwijl de arme moeder met een gebroken hart de Comanchen volgde.

Den volgenden dag kwam de Arendskop op de door de opperhoofden der natie vastgestelde plaats; de geheele stam was bijeen.

Niets is zonderlinger en schilderachtiger dan het gezicht van een Indiaansch kamp. Als de Roodhuiden op een jacht- of krijgsonderneming uit zijn, richten zij op de plaats, waar zij halt houden, tenten op van bisonvellen, die over kruiselings in den grond gestoken palen zijn uitgespannen, deze tenten, waarvan de vloer met aardkluiten overdekt is, hebben alleen van boven eene opening, om den rook door te laten, en zonder welke zij onbewoonbaar zouden zijn.

Het kamp had een levendig aanzien; de vrouwen kwamen en gingen, beladen met hout en vleesch, of gezeten op door honden getrokken sleden, die al haar rijkdommen bevatten; de krijgslieden zaten in de open lucht rondom de vuren te rooken en te praten. Het was echter gemakkelijk te raden dat er iets ongewoons werd voorbereid; want ondanks het vroege uur—de zon was nog nauwelijks opgegaan—waren de voornaamste hoofden in deraadstentbijeen, om aldaar, gelijk de ernstige uitdrukking van hun gelaat te kennen gaf, een gewichtige zaak te bespreken.

Het was de laatste dag van uitstel door den Arendskop aan Nô Eusébio toegestaan. De Indiaansche krijgsman aan zijn haat getrouw en geen lust hebbende zijn wraak uit te stellen, had de hoofden bijeengeroepen om hunne goedkeuring te erlangen voor de uitvoering van zijn afschuwelijk plan.

Wij herhalen het hier, opdat men er zich niet in vergisse, de Indianen begaan geen wreedheden, louter voor hun genoegen. De noodzakelijkheid is hunne eerste wet; nooit geven zij bevel tot de marteling en terdoodbrenging van een gevangene, allerminst wanneer deze eene vrouw is, dan wanneer het belang der natie het eischt.

Zoodra de hoofden om het vuur van de raadstent bijeen gezeten waren, trad de pijpdrager in den kring, met een aangestoken calumet, boog zich, onder het prevelen van een gebedje, naar alle vier de hemelstreken, en bood de calumet aan het oudste opperhoofd aan, maar zóó dat hij het roer in de hand hield.

Toen de hoofden een voor een gerookt hadden, stootte de pijpdragerde asch van de calumet in het vuur, en zeide:

»Hoofden van den grooten Comanchenstam, mogeNatosh(God) u wijsheid geven, en moge het besluit, dat gij nemen gaat, met de eischen der rechtvaardigheid overeenstemmen.”

Daarna maakte hij een eerbiedige buiging en verwijderde zich.

Er volgde een oogenblik stilte; ieder overpeinsde de zoo uitgesprokene woorden.

Eindelijk stond de oudste op. Het was een eerwaardige grijsaard, wiens lichaam met tallooze lidteekenen was bezaaid, en die onder de zijnen een grooten naam van wijsheid bezat. Hij heetteEshis—de zon.[117]

»Mijn zoon de Arendskop,” zeide hij, »heeft een belangrijke mededeeling te doen aan den raad der hoofden: hij spreke derhalve, onze ooren zijn geopend; de Arendskop is een krijgsman, even wijs als dapper; zijne woorden zullen met eerbied door ons worden aangehoord.”

»Ik dank u,” antwoordde de krijgsman; »mijn vader is de wijsheid zelve. Natosh heeft niets voor hem verborgen.”

De hoofden bogen.

De Arendskop ging voort:

»De bleekmuilen, onze eeuwige vijanden, vervolgen en kwellen ons voortdurend, ons noodzakende een voor een onze beste jachtgronden te verlaten, en gelijk bloode hinden in het diepste der bosschen de wijk te nemen; velen hunner wagen het tot in de prairiën te komen, die ons tot schuilplaats dienen, de bevers te strikken en op de elands en bisons te jagen, die ons eigendom zijn. Deze menschen zonder trouw, het uitvaagsel van hun volk, bestelen en vermoorden ons, als zij het straffeloos doen kunnen. Is het billijk dat wij hunne rooverijen uitstaan, zonder ons zelfs te beklagen? Zullen wij ons laten worgen als vreesachtigeashahas, zonder zelfs een poging aan te wenden om ons te wreken? Zegt de wet der prairiën niet: oog om oog, tand om tand? laat mijn vader antwoorden, laten mijne broeders zeggen, of dat billijk is?”

»De wraak is geoorloofd,” zeide de Zon; »zij is het onweêrsprekelijk recht van den zwakke en onderdrukte, maar zij moet geëvenredigd zijn aan de ontvangen beleediging.”

»Goed! mijn vader heeft als een wijs man gesproken; wat denken mijne broeders er van?”

»De Zon kan niet liegen; al wat hij zegt is goed,” antwoordden de hoofden.

»Heeft mijn broeder zich over iemand te beklagen?” vroeg de grijsaard.

»Ja,” hernam de Arendskop, »ik ben beleedigd door een blanken jager; verscheidene malen heeft hij een aanval gedaan op mijn kamp; hij heeft in eene hinderlaag verscheidene mijner jonge lieden gedood; ik zelf ben, gelijk gij zien kunt, door hem gekwetst; de wond is nog niet eens gesloten; die man, in één woord, is de wreedste vijand der Comanchen, die hij als wilde dieren vervolgt en opjaagt, om zich te verlustigen in hunne martelingen en naar hunne stervenskreten te luisteren.”

Bij deze woorden, op een wegslependen toon uitgesproken, slaakte de gansche vergadering een diepen zucht van verkropten toorn. De listige hoofdman, begrijpende dat hij zijne zaak gewonnen had, ging voort zonder in het minst de vreugde te laten blijken, die hem bezielde.

»Ik zou,” zeide hij, »zoo het mij alleen gegolden had, die beleedigingen, hoe zwaar zij ook mogen zijn, hebben kunnen vergeven,[118]maar het geldt hier een algemeenen vijand, een man die aan de natie den ondergang gezworen heeft; en daarom, hoe pijnlijk het mij ook vallen moge, mag ik niet aarzelen om hem te treffen in wat hem het dierbaarste is. Zijne moeder is in mijne handen, ik heb geaarzeld haar op te offeren, ik heb mij niet door mijn haat willen laten beheerschen, ik heb rechtvaardig willen zijn, en toen het mij gemakkelijk viel deze vrouw te dooden, heb ik liever willen wachten tot gij zelven, eerwaardige hoofden van onzen stam, mij er bevel toe gaaft. Ik heb meer gedaan, omdat het mij tegen de borst stuit nutteloos bloed te vergieten en een onschuldige voor den schuldige te straffen; ik heb aan die vrouw vier dagen uitstel gegund, om aan haar zoon de gelegenheid te schenken haar te redden, door zich te komen aanbieden, om in hare plaats de marteling te ondergaan. Een door mij gevangen genomen blanke is uitgegaan om hem te zoeken; maar die man heeft het hart van een konijn, die slechts moed bezit om weerlooze vijanden te vermoorden; hij is niet gekomen, hij zal niet komen!.… Dezen morgen, bij het opgaan der zon, is de tijd, tot uitstel gegund, verstreken. Waar is die man? hij is niet verschenen!.… Wat zeggen mijne broeders? is mijn gedrag billijk, moet ik berispt worden, of wel, zal die vrouw aan den martelpaal gebonden worden, opdat de verschrikte bleeke dieven erkennen, dat de Comanchen geduchte krijgslieden zijn, die geen hoon ongestraft laten? Ik heb gezegd. Heb ik goed gesproken, mannen?”

Na afloop van dit lange pleidooi ging de Arendskop weêr zitten, en de armen kruisende, wachtte hij met gebogen hoofd de beslissing der hoofden af.

Er volgde een vrij langdurig stilzwijgen; eindelijk stond de Zon op.

»Mijn broeder heeft goed gesproken,” zeide hij; »zijne woorden zijn als van een man, die zich niet door hartstocht laat overheerschen; al wat hij zegt is billijk; de blanken, onze woeste vijanden leggen het op ons verderf toe; hoe pijnlijk de straf dier vrouw ons moge vallen, zij is noodzakelijk.”

»Zij is noodzakelijk,” herhaalden de hoofden, het hoofd buigende.

»Komt,” hernam de Zon, »maakt de noodige toebereidselen; geeft aan die terdoodbrenging het aanzien van een zoenoffer en niet van eene wraak; ieder moet overtuigd worden, dat de Comanchen niet voor hun genoegen de vrouwen martelen, maar dat zij de schuldigen weten te straffen; ik heb gezegd.”

De hoofden stonden op, en na den grijsaard eerbiedig gegroet te hebben, verwijderden zij zich.

De Arendskop was geslaagd; hij zou zich wreken, zonder de verantwoordelijkheid op zich te nemen van eene daad, waarvan hij al het afschuwelijke had doorzien, maar die hij aan de hoofden zijner natie had weten voor te stellen onder een schijn van billijkheid, waarover hij zich inwendig bekommerde.—Men haastte zich de noodige toebereidselen tot de strafoefening te maken.[119]

De vrouwen sneden dunne spaanders van esschenhout, om de veroordeelde die onder de nagels te steken, anderen maakten van de takken der vlierboomen een soort van lange zwavelstokken, terwijl de jongsten in het woud bossen groen hout gingen zoeken ten einde haar langzaam te verbranden en door den rook te doen stikken.

Ondertusschen hadden de mannen den tot martelpaal bestemden boom geheel van zijne schors ontdaan, en vervolgens met elandsvet, vermengd met rooden oker, besmeerd; aan zijn voet hadden zij het hout van den brandstapel opeengehoopt, en daarna had de wichelaar den boom door middel van eenige geheimzinnige woorden bezworen, ten einde dien voor het bestemde doel geschikt te maken.

Toen deze toebereidselen gemaakt waren, werd de gevangene aan den voet van den paal gebracht, en zonder nog vastgebonden te worden, genoodzaakt om zich op den brandstapel neder te zetten; daarna begon de scalpdans.

De ongelukkige vrouw was oogenschijnlijk zeer kalm; zij had besloten haar leven ten offer te brengen; niets van hetgeen er om haar heen voorviel was meer in staat haar te ontroeren. Hare van koorts brandende en met tranen gevulde oogen dwaalden doelloos over die menigte, die haar als een hoop wilde dieren brullend omsingelde. Haar geest bleef echter even waakzaam en even helder als in hare schoonste dagen. De arme moeder had ééne vrees, die haar het hart verscheurde, meer dan de duizend martelingen, die de Indianen haar deden ondergaan; zij vreesde, dat haar zoon, gewaarschuwd omtrent het vreeselijk lot dat haar bedreigde, zich aan zijne woeste vijanden zou komen uitleveren, om haar te redden.

Het minste gerucht opvangende, meende zij telkens de stappen van haar zoon te vernemen, die haar ieder oogenblik kon te hulp snellen; haar hart klopte van angst. Zij bad God uit het diepst van hare ziel, dat zij mocht sterven in plaats van haar geliefd kind.

De scalpdans werd met woede voortgezet. Een menigte groote, schoone, prachtig uitgedoschte krijgslieden, met zwart gemaakte aangezichten, zwaaiden bij paren om den paal heen, aangevoerd door zeven met trommels enchicikoueesgewapende muzikanten, die zich met rood en zwart hadden besmeerd en vederen van nachtuilen op het hoofd droegen. De krijgslieden hadden met vederen en roodlaken versierde geweren en knodsen in de hand, waarmede zij al dansend den grond aanraakten. Zij vormden een grooten halven kring om den paal; de andere helft van den cirkel bestond uit dansende vrouwen.

De Arendskop, die de krijgers aanvoerde, droeg een langen stok, aan het bovenste uiteinde waarvan een scalp hing te wiegelen, overschaduwd door de uitgespreide vleugelen van een opgezette ekster; een weinig lager hing nog een scalp, de huid van een losch, en eenige vederen.

Toen men aldus eenigen tijd gedanst had, plaatsten zich de muzikanten[120]aan weêrszijden der veroordeelde, en maakten een oorverdoovend geraas door te gelijkertijd te zingen, en zoo hard zij konden, te trommelen en de chicikouees te schudden.

Deze dans duurde vrij lang en ging vergezeld met een afschuwelijk gebrul, dat wel in staat was om de ongelukkige, aan wie zij aldus een voorsmaak gaven van de vreeselijke martelingen, die haar wachtten, van schrik krankzinnig te maken.

Eindelijk raakte de Arendskop de veroordeelde met zijn stok even aan, op dit teeken hield het geraas eensklaps op, de rijen werden verbroken, ieder greep naar de wapenen.

De doodstraf nam een aanvang.


Back to IndexNext