XX.

[Inhoud]XX.DE MARTELING.Zoodra de scalpdans ophield, schaarden de voornaamste krijgslieden zich met de wapenen in de hand voor den paal, terwijl de vrouwen, vooral de meer bejaarde, zich op de veroordeelde wierpen, haar uitscholden, haar schopten, haar de haren uit het hoofd trokken, haar sloegen, terwijl zij niet alleen geen den minsten tegenstand bood, maar zich zelfs niet poogde te onttrekken aan de gruwelijke mishandelingen, die men haar deed ondergaan. De ongelukkige vrouw verlangde slechts één ding, namelijk dat er met de terdoodbrenging een begin zou worden gemaakt. Zij had met koortsachtig ongeduld de bewegingen van den scalpdans gevolgd, zoozeer vreesde zij dat haar geliefde zoon zou verschijnen om zich tusschen haar en hare beulen te plaatsen. Evenals de oude martelaars, beschuldigde zij uit grond van haar hart de Indianen, dat zij in doellooze plechtigheden een kostbaren tijd lieten verloren gaan: zoo zij er de kracht toe gehad had, zou zij hen over hunne langzaamheid, en over de aarzeling, die zij schenen aan den dag te leggen, om haar op te offeren, hebben berispt en uitgelachen. De waarheid was deze, dat de Comanchen, huns ondanks en niettegenstaande de straf hun billijk toescheen, een tegenzin hadden in het martelen van een weerlooze vrouw, die reeds op jaren was, en hun noch middellijk noch onmiddellijk ooit eenig leed had berokkend.De Arendskop zelf, in weerwil van zijn bitteren haat, ondervond een heimelijk verwijt over de misdaad, die hij beging; en wel verre van de laatste toebereidselen te verhaasten, maakte hij ze met een traagheid en tegenzin, die hij onmogelijk te boven kon komen.Voor dappere mannen, die gewoon zijn de grootste gevaren te trotseeren, is het altijd een onteerende daad, een zwak schepsel te martelen, die geen ander middel heeft om zich te verdedigen dan[121]hare tranen. Zoo het een man ware geweest, zou men eenstemmig besloten hebben om hem terstond aan den martelpaal te binden.De Indiaansche gevangenen lachen om alle folteringen; zij beleedigen hunne beulen, en in hunne doodsliederen, verwijten zij aan hunne overwinnaars hunne lafheid, hun gebrek aan ondervinding, hunne onbekwaamheid om hunne slachtoffers te pijnigen; zij sommen hunne eigen heldenfeiten op, berekenen het aantal vijanden, die zij hebben gescalpeerd alvorens zelven te vallen, wekken eindelijk door hunne spotternijen en hunne minachtende houding den toorn hunner beulen op, en rechtvaardigen in zekere mate hunne wreedheid.Maar een zwakke vrouw, die zich zonder aarzelen aan haar lot overgeeft, die zich als een lam ter slachtbank laat voeren, welk belang kan zulk eene terdoodbrenging aanbieden?Men kan daarvan geen roem verwachten, maar integendeel slechts eene algemeene afkeuring.De Comanchen begrepen dit, van daar hun tegenzin en hun talmen. Doch er moest een eind aan komen.De Arendskop naderde de gevangene, en haar bevrijdende van de harpijen, die haar kwelden, zeide hij op somberen toon:»Vrouw, ik heb mijn woord gehouden; uw zoon is niet gekomen, gij moet sterven.”»Goddank!” zeide zij met een gebrokene stem, zich tegen een boomstam aanleunende, om niet te vallen.De hoofdman zag haar aan, zonder haar te begrijpen.„Vreest gij den dood niet?” vroeg hij haar, bladz. 121.„Vreest gij den dood niet?”vroeg hij haar, bladz. 121.»Vreest gij den dood niet?” vroeg hij haar.»Neen,” hernam zij, op hem een blik slaande, zacht als die van een engel, »hij zal mij welkom zijn; mijn leven is één lange doodstrijd geweest, de dood is een weldaad voor mij.”»Maar uw zoon dan?”»Mijn zoon zal leven, als ik sterf; gij hebt het gezworen bij de beenderen uwer vaderen.”»Ik heb het gezworen.”»Laat mij dan sterven.”»Zijn de vrouwen uwer natie dan gelijk aan de Indiaanschesquaws, die den dood zonder beven onder de oogen zien?” riep de hoofdman verbaasd.»Ja,” antwoordde zij aangedaan; »alle moeders verachten dien wanneer het het welzijn harer kinderen geldt.”»Luister,” zeide de Indiaan, zijns ondanks door medelijden bewogen, »ik ook, ik heb eene moeder, die ik liefheb, zoo gij het verlangt, zal ik uw dood uitstellen tot zonsondergang.”»Waarom?” antwoordde zij met verschrikkelijken eenvoud; »neen, krijgsman, zoo mijne smart u wezenlijk treft, dan is er maar ééne gunst, die ik van u vraag.”»Spreek,” zeide hij levendig.»Laat mij terstond sterven.”[122]»Maar zoo uw zoon dan eens kwam?”»Wat maakt dat? gij verlangt een offer, niet waar? Welnu, dat offer staat voor u, gij kunt het naar uw genoegen martelen. Waarom geaarzeld? laat mij sterven, zeg ik u.”»Aan uw verlangen zal voldaan worden,” zeide de Comanch treurig; »vrouw, maak u gereed.”Zij boog het hoofd voorover op de borst, en wachtte. Op eenen wenk van den Arendskop, grepen twee krijgslieden de gevangene aan en bonden haar aan den paal vast.Toen nam het messenspel een aanvang; zie hier, waarin het bestaat: ieder krijgsman neemt zijn scalpeermes met den duim en wijsvinger van de rechterhand, en werpt het naar het slachtoffer op zulk eene wijs dat het slechts lichte kwetsuren veroorzaakt.De Indianen, als zij iemand ter dood brengen, trachten de marteling zoo lang mogelijk te rekken; zij geven hun vijand den genadeslag niet, alvorens zij hem het leven langzaam, en als het ware lid voor lid hebben ontnomen.De Indianen wierpen hunne messen met zulk eene bewonderenswaardige behendigheid, dat allen de ongelukkige raakten, zonder dat één haar ernstig wondde; maar toch stroomde haar bloed; zij had de oogen gesloten, en geheel in zich zelve gekeerd, bad zij met warmte om den laatsten doodelijken slag.De mannen, wien haar lichaam tot een mikpunt strekte, verhitten zich langzamerhand; welgevallen in het ongewone schouwspel en zucht om hunne behendigheid te toonen hadden weldra in hun hart het medelijden verdrongen, dat zij in het eerst gevoelden. Zij gaven luidkeels hunne toejuiching te kennen, en moedigden elkander lachend aan. In één woord, het bloed, evenals altijd, ook bij de beschaafde volkeren, maakte hen dronken; hunne eigenliefde was in het spel, ieder zocht zijn voorganger te overtreffen, elke andere beschouwing werd vergeten.Toen allen hunne messen geworpen hadden, kwamen de behendigste schutters van den stam, en wapenden zich met geweren.Ditmaal was er een vaste blik noodig, want een slecht gerichte kogel kon aan de pijniging op eens een einde maken, en aan de omstanders het verleidelijk schouwspel ontrooven waarvan zij zich zooveel genoegen voorstelden.Bij ieder schot gaf het arme schepsel, geheel voorover gebogen, geen ander teeken van leven als een zenuwachtige trilling door haar gansche lichaam.»Laat ons er een eind aan maken,” zeide de Arendskop, wiens hart zijns ondanks week werd door zooveel moed en zooveel zelfverloochening. »De krijgslieden der Comanchen zijn geene jaguars, die vrouw heeft genoeg geleden, laat zij sterven en laat het uit zijn.”Eenig gemompel liet zich hooren onder de squaws en onder de[123]kinderen, die het meest belust waren op de foltering der gevangene. Maar de krijgslieden waren het met het opperhoofd eens; die doodstraf, zonder de beleedigingen waarop het slachtoffer gewoonlijk zijne beulen onthaalt, had voor hen geene aantrekkelijkheid, en bovendien schaamden zij zich inwendig, dat zij zich zoo bloeddorstig aanstelden tegenover eene vrouw.Men schold dus aan de ongelukkige eenige folteringen kwijt—de splinters onder de nagels, de brandende zwavelstokken tusschen de vingers, het honigmasker op het gelaat, en nog andere, te veel om op te noemen, en men maakte den brandstapel gereed, waarop zij verbrand zou worden.Maar alvorens men tot dit laatste bedrijf van het bloedige treurspel overging, maakte men de arme vrouw los; gedurende eenige oogenblikken liet men haar adem scheppen, en zich herstellen van de vreeselijke aandoeningen, waaraan zij ten prooi was geweest.De ongelukkige zakte bewusteloos inéén.De Arendskop naderde haar.»Mijne moeder is kordaat,” zeide hij; »vele krijgslieden zouden zooveel lijden niet met zooveel standvastigheid hebben doorgestaan.”Een flauwe glimlach teekende zich op hare lippen.»Ik heb een zoon,” antwoordde zij met een onuitsprekelijk zachten blik, »het is voor hem dat ik lijd.”»Een krijgsman, die zulk eene moeder heeft, is wel gelukkig.”»Waarom zoudt gij mijnen dood uitstellen? Het is wreed aldus te handelen; krijgslieden mogen geen vrouwen kwellen.”»Mijne moeder heeft gelijk, hare folteringen zijn geëindigd.”»Zal ik dan eindelijk sterven?” vroeg zij met een verruimd hart.»Ja, men maakt den brandstapel gereed.”Haars ondanks voer der arme vrouw eene huivering door al de leden, bij het hooren van dit vreeselijk bericht.»Mij verbranden!” riep zij verschrikt uit, »waarom mij verbranden?”»Dat is het gebruik.”Zij liet haar hoofd in hare handen vallen, maar weldra herstelde zij zich, en een bezielden blik ten hemel slaande, prevelde zij met volkomen onderwerping:»Uw wil, o God, geschiede!”»Gevoelt mijne moeder zich sterk genoeg, om aan den folterpaal te worden vastgebonden!” vroeg het opperhoofd met medelijden.»Ja,” zeide zij, zich krachtig opheffende.De Arendskop kon een kreet van bewondering niet weerhouden. De Indianen beschouwen moed als de eerste deugd.»Kom,” zeide hij.De gevangene volgde hem met vasten tred; zij had al hare kracht herkregen; eindelijk zou zij sterven.Het opperhoofd geleidde haar naar den folterpaal, waaraan zij ten tweeden male werd vastgebonden; vóór haar stapelde men de bossen[124]groen hout op elkander, en op een gegeven teeken van den Arendskop stak men ze aan.Het vuur had eerst veel moeite om door te breken, door de vochtigheid van het hout, dat een dikken rook ontwikkelde; doch na eenige seconden barstte de vlam uit, verspreidde zich langzamerhand, en verkreeg binnen weinige minuten een groote uitgebreidheid.De ongelukkige vrouw kon een kreet van schrik niet bedwingen.Op hetzelfde oogenblik kwam midden in het kamp een ruiter in volle vaart aanrennen; met één sprong was hij op den grond, en eer men het hem beletten kon, verstrooide hij het hout van den brandstapel, en sneed de banden van het slachtoffer door.»O, waarom zijt gij gekomen?” mompelde de arme moeder, in zijne armen vallende.»Moeder! vergeef mij!” riep Edelhart in wanhoop uit; »mijn God! wat hebt gij veel moeten lijden!”»Ga, ga, Rafaël!” herhaalde zij, hem met liefkoozingen overladende; »laat mij in uwe plaats sterven, moet niet een moeder haar leven overhebben voor haar kind?”»O, spreek zoo niet, moeder, gij zoudt mij krankzinnig maken,” zeide hij, haar in zijne armen knellende.Maar de verwarring, door de plotselinge verschijning van Edelhart verwekt, was spoedig voorbij; de Indiaansche krijgslieden hadden die bedaardheid herkregen, die hen onder alles kenmerkt.De Arendskop naderde den jager.»Mijn broeder is welkom,” zeide hij; »ik wachtte hem niet meer.”»Hier ben ik; het was mij onmogelijk eerder te komen; mijne moeder is vrij, denk ik.”»Zij is vrij.”»Kan zij gaan, waar zij wil?”»Waar zij wil.”»Neen,” riep de gevangene, zich kloekmoedig tegenover het opperhoofd plaatsende, »het is te laat; ik ben het, die sterven moet; mijn zoon heeft het recht niet, om mijne plaats in te nemen.”»Moeder, wat zegt gij?…”»Ik zeg wat billijk is, Rafaël,” hernam zij levendig; »het uur, waarop gij komen moest, is voorbij; gij hebt het recht niet om hier te zijn, en mijnen dood te verhinderen; verwijder u, verwijder u, Rafaël, ik smeek er u om; laat mij sterven om u te redden,” voegde zij er bij, in tranen smeltend en zich in zijne armen werpende.»Moeder,” antwoordde Edelhart, haar met liefkoozingen overladende, »uwe liefde voor mij verblindt u; ik mag zulk eene misdaad niet laten geschieden; neen, neen, ik alleen moet hier blijven!”»Mijn God, mijn God!” zeide de arme vrouw snikkend; »hij wil mij niet begrijpen!… Ik zou zoo gelukkig zijn, als ik mocht sterven, om hem te redden!”[125]Overweldigd door al te sterke aandoeningen, viel de moeder bewusteloos in de armen van haar zoon.Edelhart drukte een langen en teederen kus op haar voorhoofd, en haar aan Nô Eusébio overgevende, die eenige minuten te voren ook was aangekomen, zeide hij op doffen toon:»Ga! arme moeder; moogt gij gelukkig zijn, zoo het geluk voor u nog bestaan kan, zonder uw kind.”De oude dienaar zuchtte, drukte met warmte de hand van Edelhart, en zijne meesteres voor zich op den zadel plaatsende, wendde hij den teugel en verliet langzaam het kamp, zonder dat iemand zich daartegen verzette.Edelhart volgde zijne moeder met het oog, zoolang hij kon; vervolgens, toen zij verdwenen was, en de hoefslag van het paard niet meer gehoord werd, slaakte hij een doffen kreet, en streek zich met de hand over het voorhoofd, terwijl hij prevelde:»Alles is gedaan! o God, waak over haar!”Toen zich tot de Indiaansche hoofden keerende, die hem stilzwijgend met eerbied en bewondering aanstaarden, zeide hij met een krachtige stem en vlammenden blik:»Comanchen, gij zijt allen lafaards! mannen, die een hart bezitten, martelen geen vrouw!”De Arendskop glimlachte.»Wij zullen zien,” zeide hij spottend, »of de bleeke jager zoo dapper is, als hij voorgeeft.”»Ik zal ten minste als een man weten te sterven!” antwoordde hij trotsch.»De moeder van den jager is vrij.”»Ja. Welnu, wat wilt gij van mij?”»Een gevangene heeft geen wapenen.”»Dat is billijk,” zeide hij met een verachtelijken lach; »ik zal u de mijne geven!”»Nog niet, als het u belieft, beste vriend,” riep eensklaps een spottende stem.Goedsmoeds kwam te voorschijn.De jager had voor zich op den zadelboog een kind van vier of vijf jaar, en een jonge, vrij schoone, Indiaansche vrouw, was stevig aan den staart van zijn paard vastgebonden.»Mijn kind, mijne vrouw!” riep de Arendskop eensklaps verschrikt uit.»Ja,” hernam de jager spottend, »uw vrouw en uw kind, die ik krijgsgevangen gemaakt heb; ha, ha, dat is een fraaie trek van mij, is het niet?”Met één sprong, op een wenk van zijn vriend, had Edelhart zich van de vrouw meester gemaakt, die van angst klappertandde, en bevreesde blikken om zich heen wierp.»Nu,” hernam Goedsmoeds met een onheilspellenden glimlach,[126]»laat ons nu eens praten; ik geloof dat ik de kansen gelijk gemaakt heb, hé?”En hij zette den mond van zijn pistool op het voorhoofd van het schuldelooze schepsel, dat op het voelen van het koude ijzer, akelig begon te gillen.»O!” riep de Arendskop wanhopig, »mijn zoon! geef mij mijn zoon terug!”»En uwe vrouw, vergeet gij die?” antwoordde Goedsmoeds, spottend de schouders ophalende.»Welke zijn uwe voorwaarden?” vroeg Edelhart.[127]

[Inhoud]XX.DE MARTELING.Zoodra de scalpdans ophield, schaarden de voornaamste krijgslieden zich met de wapenen in de hand voor den paal, terwijl de vrouwen, vooral de meer bejaarde, zich op de veroordeelde wierpen, haar uitscholden, haar schopten, haar de haren uit het hoofd trokken, haar sloegen, terwijl zij niet alleen geen den minsten tegenstand bood, maar zich zelfs niet poogde te onttrekken aan de gruwelijke mishandelingen, die men haar deed ondergaan. De ongelukkige vrouw verlangde slechts één ding, namelijk dat er met de terdoodbrenging een begin zou worden gemaakt. Zij had met koortsachtig ongeduld de bewegingen van den scalpdans gevolgd, zoozeer vreesde zij dat haar geliefde zoon zou verschijnen om zich tusschen haar en hare beulen te plaatsen. Evenals de oude martelaars, beschuldigde zij uit grond van haar hart de Indianen, dat zij in doellooze plechtigheden een kostbaren tijd lieten verloren gaan: zoo zij er de kracht toe gehad had, zou zij hen over hunne langzaamheid, en over de aarzeling, die zij schenen aan den dag te leggen, om haar op te offeren, hebben berispt en uitgelachen. De waarheid was deze, dat de Comanchen, huns ondanks en niettegenstaande de straf hun billijk toescheen, een tegenzin hadden in het martelen van een weerlooze vrouw, die reeds op jaren was, en hun noch middellijk noch onmiddellijk ooit eenig leed had berokkend.De Arendskop zelf, in weerwil van zijn bitteren haat, ondervond een heimelijk verwijt over de misdaad, die hij beging; en wel verre van de laatste toebereidselen te verhaasten, maakte hij ze met een traagheid en tegenzin, die hij onmogelijk te boven kon komen.Voor dappere mannen, die gewoon zijn de grootste gevaren te trotseeren, is het altijd een onteerende daad, een zwak schepsel te martelen, die geen ander middel heeft om zich te verdedigen dan[121]hare tranen. Zoo het een man ware geweest, zou men eenstemmig besloten hebben om hem terstond aan den martelpaal te binden.De Indiaansche gevangenen lachen om alle folteringen; zij beleedigen hunne beulen, en in hunne doodsliederen, verwijten zij aan hunne overwinnaars hunne lafheid, hun gebrek aan ondervinding, hunne onbekwaamheid om hunne slachtoffers te pijnigen; zij sommen hunne eigen heldenfeiten op, berekenen het aantal vijanden, die zij hebben gescalpeerd alvorens zelven te vallen, wekken eindelijk door hunne spotternijen en hunne minachtende houding den toorn hunner beulen op, en rechtvaardigen in zekere mate hunne wreedheid.Maar een zwakke vrouw, die zich zonder aarzelen aan haar lot overgeeft, die zich als een lam ter slachtbank laat voeren, welk belang kan zulk eene terdoodbrenging aanbieden?Men kan daarvan geen roem verwachten, maar integendeel slechts eene algemeene afkeuring.De Comanchen begrepen dit, van daar hun tegenzin en hun talmen. Doch er moest een eind aan komen.De Arendskop naderde de gevangene, en haar bevrijdende van de harpijen, die haar kwelden, zeide hij op somberen toon:»Vrouw, ik heb mijn woord gehouden; uw zoon is niet gekomen, gij moet sterven.”»Goddank!” zeide zij met een gebrokene stem, zich tegen een boomstam aanleunende, om niet te vallen.De hoofdman zag haar aan, zonder haar te begrijpen.„Vreest gij den dood niet?” vroeg hij haar, bladz. 121.„Vreest gij den dood niet?”vroeg hij haar, bladz. 121.»Vreest gij den dood niet?” vroeg hij haar.»Neen,” hernam zij, op hem een blik slaande, zacht als die van een engel, »hij zal mij welkom zijn; mijn leven is één lange doodstrijd geweest, de dood is een weldaad voor mij.”»Maar uw zoon dan?”»Mijn zoon zal leven, als ik sterf; gij hebt het gezworen bij de beenderen uwer vaderen.”»Ik heb het gezworen.”»Laat mij dan sterven.”»Zijn de vrouwen uwer natie dan gelijk aan de Indiaanschesquaws, die den dood zonder beven onder de oogen zien?” riep de hoofdman verbaasd.»Ja,” antwoordde zij aangedaan; »alle moeders verachten dien wanneer het het welzijn harer kinderen geldt.”»Luister,” zeide de Indiaan, zijns ondanks door medelijden bewogen, »ik ook, ik heb eene moeder, die ik liefheb, zoo gij het verlangt, zal ik uw dood uitstellen tot zonsondergang.”»Waarom?” antwoordde zij met verschrikkelijken eenvoud; »neen, krijgsman, zoo mijne smart u wezenlijk treft, dan is er maar ééne gunst, die ik van u vraag.”»Spreek,” zeide hij levendig.»Laat mij terstond sterven.”[122]»Maar zoo uw zoon dan eens kwam?”»Wat maakt dat? gij verlangt een offer, niet waar? Welnu, dat offer staat voor u, gij kunt het naar uw genoegen martelen. Waarom geaarzeld? laat mij sterven, zeg ik u.”»Aan uw verlangen zal voldaan worden,” zeide de Comanch treurig; »vrouw, maak u gereed.”Zij boog het hoofd voorover op de borst, en wachtte. Op eenen wenk van den Arendskop, grepen twee krijgslieden de gevangene aan en bonden haar aan den paal vast.Toen nam het messenspel een aanvang; zie hier, waarin het bestaat: ieder krijgsman neemt zijn scalpeermes met den duim en wijsvinger van de rechterhand, en werpt het naar het slachtoffer op zulk eene wijs dat het slechts lichte kwetsuren veroorzaakt.De Indianen, als zij iemand ter dood brengen, trachten de marteling zoo lang mogelijk te rekken; zij geven hun vijand den genadeslag niet, alvorens zij hem het leven langzaam, en als het ware lid voor lid hebben ontnomen.De Indianen wierpen hunne messen met zulk eene bewonderenswaardige behendigheid, dat allen de ongelukkige raakten, zonder dat één haar ernstig wondde; maar toch stroomde haar bloed; zij had de oogen gesloten, en geheel in zich zelve gekeerd, bad zij met warmte om den laatsten doodelijken slag.De mannen, wien haar lichaam tot een mikpunt strekte, verhitten zich langzamerhand; welgevallen in het ongewone schouwspel en zucht om hunne behendigheid te toonen hadden weldra in hun hart het medelijden verdrongen, dat zij in het eerst gevoelden. Zij gaven luidkeels hunne toejuiching te kennen, en moedigden elkander lachend aan. In één woord, het bloed, evenals altijd, ook bij de beschaafde volkeren, maakte hen dronken; hunne eigenliefde was in het spel, ieder zocht zijn voorganger te overtreffen, elke andere beschouwing werd vergeten.Toen allen hunne messen geworpen hadden, kwamen de behendigste schutters van den stam, en wapenden zich met geweren.Ditmaal was er een vaste blik noodig, want een slecht gerichte kogel kon aan de pijniging op eens een einde maken, en aan de omstanders het verleidelijk schouwspel ontrooven waarvan zij zich zooveel genoegen voorstelden.Bij ieder schot gaf het arme schepsel, geheel voorover gebogen, geen ander teeken van leven als een zenuwachtige trilling door haar gansche lichaam.»Laat ons er een eind aan maken,” zeide de Arendskop, wiens hart zijns ondanks week werd door zooveel moed en zooveel zelfverloochening. »De krijgslieden der Comanchen zijn geene jaguars, die vrouw heeft genoeg geleden, laat zij sterven en laat het uit zijn.”Eenig gemompel liet zich hooren onder de squaws en onder de[123]kinderen, die het meest belust waren op de foltering der gevangene. Maar de krijgslieden waren het met het opperhoofd eens; die doodstraf, zonder de beleedigingen waarop het slachtoffer gewoonlijk zijne beulen onthaalt, had voor hen geene aantrekkelijkheid, en bovendien schaamden zij zich inwendig, dat zij zich zoo bloeddorstig aanstelden tegenover eene vrouw.Men schold dus aan de ongelukkige eenige folteringen kwijt—de splinters onder de nagels, de brandende zwavelstokken tusschen de vingers, het honigmasker op het gelaat, en nog andere, te veel om op te noemen, en men maakte den brandstapel gereed, waarop zij verbrand zou worden.Maar alvorens men tot dit laatste bedrijf van het bloedige treurspel overging, maakte men de arme vrouw los; gedurende eenige oogenblikken liet men haar adem scheppen, en zich herstellen van de vreeselijke aandoeningen, waaraan zij ten prooi was geweest.De ongelukkige zakte bewusteloos inéén.De Arendskop naderde haar.»Mijne moeder is kordaat,” zeide hij; »vele krijgslieden zouden zooveel lijden niet met zooveel standvastigheid hebben doorgestaan.”Een flauwe glimlach teekende zich op hare lippen.»Ik heb een zoon,” antwoordde zij met een onuitsprekelijk zachten blik, »het is voor hem dat ik lijd.”»Een krijgsman, die zulk eene moeder heeft, is wel gelukkig.”»Waarom zoudt gij mijnen dood uitstellen? Het is wreed aldus te handelen; krijgslieden mogen geen vrouwen kwellen.”»Mijne moeder heeft gelijk, hare folteringen zijn geëindigd.”»Zal ik dan eindelijk sterven?” vroeg zij met een verruimd hart.»Ja, men maakt den brandstapel gereed.”Haars ondanks voer der arme vrouw eene huivering door al de leden, bij het hooren van dit vreeselijk bericht.»Mij verbranden!” riep zij verschrikt uit, »waarom mij verbranden?”»Dat is het gebruik.”Zij liet haar hoofd in hare handen vallen, maar weldra herstelde zij zich, en een bezielden blik ten hemel slaande, prevelde zij met volkomen onderwerping:»Uw wil, o God, geschiede!”»Gevoelt mijne moeder zich sterk genoeg, om aan den folterpaal te worden vastgebonden!” vroeg het opperhoofd met medelijden.»Ja,” zeide zij, zich krachtig opheffende.De Arendskop kon een kreet van bewondering niet weerhouden. De Indianen beschouwen moed als de eerste deugd.»Kom,” zeide hij.De gevangene volgde hem met vasten tred; zij had al hare kracht herkregen; eindelijk zou zij sterven.Het opperhoofd geleidde haar naar den folterpaal, waaraan zij ten tweeden male werd vastgebonden; vóór haar stapelde men de bossen[124]groen hout op elkander, en op een gegeven teeken van den Arendskop stak men ze aan.Het vuur had eerst veel moeite om door te breken, door de vochtigheid van het hout, dat een dikken rook ontwikkelde; doch na eenige seconden barstte de vlam uit, verspreidde zich langzamerhand, en verkreeg binnen weinige minuten een groote uitgebreidheid.De ongelukkige vrouw kon een kreet van schrik niet bedwingen.Op hetzelfde oogenblik kwam midden in het kamp een ruiter in volle vaart aanrennen; met één sprong was hij op den grond, en eer men het hem beletten kon, verstrooide hij het hout van den brandstapel, en sneed de banden van het slachtoffer door.»O, waarom zijt gij gekomen?” mompelde de arme moeder, in zijne armen vallende.»Moeder! vergeef mij!” riep Edelhart in wanhoop uit; »mijn God! wat hebt gij veel moeten lijden!”»Ga, ga, Rafaël!” herhaalde zij, hem met liefkoozingen overladende; »laat mij in uwe plaats sterven, moet niet een moeder haar leven overhebben voor haar kind?”»O, spreek zoo niet, moeder, gij zoudt mij krankzinnig maken,” zeide hij, haar in zijne armen knellende.Maar de verwarring, door de plotselinge verschijning van Edelhart verwekt, was spoedig voorbij; de Indiaansche krijgslieden hadden die bedaardheid herkregen, die hen onder alles kenmerkt.De Arendskop naderde den jager.»Mijn broeder is welkom,” zeide hij; »ik wachtte hem niet meer.”»Hier ben ik; het was mij onmogelijk eerder te komen; mijne moeder is vrij, denk ik.”»Zij is vrij.”»Kan zij gaan, waar zij wil?”»Waar zij wil.”»Neen,” riep de gevangene, zich kloekmoedig tegenover het opperhoofd plaatsende, »het is te laat; ik ben het, die sterven moet; mijn zoon heeft het recht niet, om mijne plaats in te nemen.”»Moeder, wat zegt gij?…”»Ik zeg wat billijk is, Rafaël,” hernam zij levendig; »het uur, waarop gij komen moest, is voorbij; gij hebt het recht niet om hier te zijn, en mijnen dood te verhinderen; verwijder u, verwijder u, Rafaël, ik smeek er u om; laat mij sterven om u te redden,” voegde zij er bij, in tranen smeltend en zich in zijne armen werpende.»Moeder,” antwoordde Edelhart, haar met liefkoozingen overladende, »uwe liefde voor mij verblindt u; ik mag zulk eene misdaad niet laten geschieden; neen, neen, ik alleen moet hier blijven!”»Mijn God, mijn God!” zeide de arme vrouw snikkend; »hij wil mij niet begrijpen!… Ik zou zoo gelukkig zijn, als ik mocht sterven, om hem te redden!”[125]Overweldigd door al te sterke aandoeningen, viel de moeder bewusteloos in de armen van haar zoon.Edelhart drukte een langen en teederen kus op haar voorhoofd, en haar aan Nô Eusébio overgevende, die eenige minuten te voren ook was aangekomen, zeide hij op doffen toon:»Ga! arme moeder; moogt gij gelukkig zijn, zoo het geluk voor u nog bestaan kan, zonder uw kind.”De oude dienaar zuchtte, drukte met warmte de hand van Edelhart, en zijne meesteres voor zich op den zadel plaatsende, wendde hij den teugel en verliet langzaam het kamp, zonder dat iemand zich daartegen verzette.Edelhart volgde zijne moeder met het oog, zoolang hij kon; vervolgens, toen zij verdwenen was, en de hoefslag van het paard niet meer gehoord werd, slaakte hij een doffen kreet, en streek zich met de hand over het voorhoofd, terwijl hij prevelde:»Alles is gedaan! o God, waak over haar!”Toen zich tot de Indiaansche hoofden keerende, die hem stilzwijgend met eerbied en bewondering aanstaarden, zeide hij met een krachtige stem en vlammenden blik:»Comanchen, gij zijt allen lafaards! mannen, die een hart bezitten, martelen geen vrouw!”De Arendskop glimlachte.»Wij zullen zien,” zeide hij spottend, »of de bleeke jager zoo dapper is, als hij voorgeeft.”»Ik zal ten minste als een man weten te sterven!” antwoordde hij trotsch.»De moeder van den jager is vrij.”»Ja. Welnu, wat wilt gij van mij?”»Een gevangene heeft geen wapenen.”»Dat is billijk,” zeide hij met een verachtelijken lach; »ik zal u de mijne geven!”»Nog niet, als het u belieft, beste vriend,” riep eensklaps een spottende stem.Goedsmoeds kwam te voorschijn.De jager had voor zich op den zadelboog een kind van vier of vijf jaar, en een jonge, vrij schoone, Indiaansche vrouw, was stevig aan den staart van zijn paard vastgebonden.»Mijn kind, mijne vrouw!” riep de Arendskop eensklaps verschrikt uit.»Ja,” hernam de jager spottend, »uw vrouw en uw kind, die ik krijgsgevangen gemaakt heb; ha, ha, dat is een fraaie trek van mij, is het niet?”Met één sprong, op een wenk van zijn vriend, had Edelhart zich van de vrouw meester gemaakt, die van angst klappertandde, en bevreesde blikken om zich heen wierp.»Nu,” hernam Goedsmoeds met een onheilspellenden glimlach,[126]»laat ons nu eens praten; ik geloof dat ik de kansen gelijk gemaakt heb, hé?”En hij zette den mond van zijn pistool op het voorhoofd van het schuldelooze schepsel, dat op het voelen van het koude ijzer, akelig begon te gillen.»O!” riep de Arendskop wanhopig, »mijn zoon! geef mij mijn zoon terug!”»En uwe vrouw, vergeet gij die?” antwoordde Goedsmoeds, spottend de schouders ophalende.»Welke zijn uwe voorwaarden?” vroeg Edelhart.[127]

[Inhoud]XX.DE MARTELING.Zoodra de scalpdans ophield, schaarden de voornaamste krijgslieden zich met de wapenen in de hand voor den paal, terwijl de vrouwen, vooral de meer bejaarde, zich op de veroordeelde wierpen, haar uitscholden, haar schopten, haar de haren uit het hoofd trokken, haar sloegen, terwijl zij niet alleen geen den minsten tegenstand bood, maar zich zelfs niet poogde te onttrekken aan de gruwelijke mishandelingen, die men haar deed ondergaan. De ongelukkige vrouw verlangde slechts één ding, namelijk dat er met de terdoodbrenging een begin zou worden gemaakt. Zij had met koortsachtig ongeduld de bewegingen van den scalpdans gevolgd, zoozeer vreesde zij dat haar geliefde zoon zou verschijnen om zich tusschen haar en hare beulen te plaatsen. Evenals de oude martelaars, beschuldigde zij uit grond van haar hart de Indianen, dat zij in doellooze plechtigheden een kostbaren tijd lieten verloren gaan: zoo zij er de kracht toe gehad had, zou zij hen over hunne langzaamheid, en over de aarzeling, die zij schenen aan den dag te leggen, om haar op te offeren, hebben berispt en uitgelachen. De waarheid was deze, dat de Comanchen, huns ondanks en niettegenstaande de straf hun billijk toescheen, een tegenzin hadden in het martelen van een weerlooze vrouw, die reeds op jaren was, en hun noch middellijk noch onmiddellijk ooit eenig leed had berokkend.De Arendskop zelf, in weerwil van zijn bitteren haat, ondervond een heimelijk verwijt over de misdaad, die hij beging; en wel verre van de laatste toebereidselen te verhaasten, maakte hij ze met een traagheid en tegenzin, die hij onmogelijk te boven kon komen.Voor dappere mannen, die gewoon zijn de grootste gevaren te trotseeren, is het altijd een onteerende daad, een zwak schepsel te martelen, die geen ander middel heeft om zich te verdedigen dan[121]hare tranen. Zoo het een man ware geweest, zou men eenstemmig besloten hebben om hem terstond aan den martelpaal te binden.De Indiaansche gevangenen lachen om alle folteringen; zij beleedigen hunne beulen, en in hunne doodsliederen, verwijten zij aan hunne overwinnaars hunne lafheid, hun gebrek aan ondervinding, hunne onbekwaamheid om hunne slachtoffers te pijnigen; zij sommen hunne eigen heldenfeiten op, berekenen het aantal vijanden, die zij hebben gescalpeerd alvorens zelven te vallen, wekken eindelijk door hunne spotternijen en hunne minachtende houding den toorn hunner beulen op, en rechtvaardigen in zekere mate hunne wreedheid.Maar een zwakke vrouw, die zich zonder aarzelen aan haar lot overgeeft, die zich als een lam ter slachtbank laat voeren, welk belang kan zulk eene terdoodbrenging aanbieden?Men kan daarvan geen roem verwachten, maar integendeel slechts eene algemeene afkeuring.De Comanchen begrepen dit, van daar hun tegenzin en hun talmen. Doch er moest een eind aan komen.De Arendskop naderde de gevangene, en haar bevrijdende van de harpijen, die haar kwelden, zeide hij op somberen toon:»Vrouw, ik heb mijn woord gehouden; uw zoon is niet gekomen, gij moet sterven.”»Goddank!” zeide zij met een gebrokene stem, zich tegen een boomstam aanleunende, om niet te vallen.De hoofdman zag haar aan, zonder haar te begrijpen.„Vreest gij den dood niet?” vroeg hij haar, bladz. 121.„Vreest gij den dood niet?”vroeg hij haar, bladz. 121.»Vreest gij den dood niet?” vroeg hij haar.»Neen,” hernam zij, op hem een blik slaande, zacht als die van een engel, »hij zal mij welkom zijn; mijn leven is één lange doodstrijd geweest, de dood is een weldaad voor mij.”»Maar uw zoon dan?”»Mijn zoon zal leven, als ik sterf; gij hebt het gezworen bij de beenderen uwer vaderen.”»Ik heb het gezworen.”»Laat mij dan sterven.”»Zijn de vrouwen uwer natie dan gelijk aan de Indiaanschesquaws, die den dood zonder beven onder de oogen zien?” riep de hoofdman verbaasd.»Ja,” antwoordde zij aangedaan; »alle moeders verachten dien wanneer het het welzijn harer kinderen geldt.”»Luister,” zeide de Indiaan, zijns ondanks door medelijden bewogen, »ik ook, ik heb eene moeder, die ik liefheb, zoo gij het verlangt, zal ik uw dood uitstellen tot zonsondergang.”»Waarom?” antwoordde zij met verschrikkelijken eenvoud; »neen, krijgsman, zoo mijne smart u wezenlijk treft, dan is er maar ééne gunst, die ik van u vraag.”»Spreek,” zeide hij levendig.»Laat mij terstond sterven.”[122]»Maar zoo uw zoon dan eens kwam?”»Wat maakt dat? gij verlangt een offer, niet waar? Welnu, dat offer staat voor u, gij kunt het naar uw genoegen martelen. Waarom geaarzeld? laat mij sterven, zeg ik u.”»Aan uw verlangen zal voldaan worden,” zeide de Comanch treurig; »vrouw, maak u gereed.”Zij boog het hoofd voorover op de borst, en wachtte. Op eenen wenk van den Arendskop, grepen twee krijgslieden de gevangene aan en bonden haar aan den paal vast.Toen nam het messenspel een aanvang; zie hier, waarin het bestaat: ieder krijgsman neemt zijn scalpeermes met den duim en wijsvinger van de rechterhand, en werpt het naar het slachtoffer op zulk eene wijs dat het slechts lichte kwetsuren veroorzaakt.De Indianen, als zij iemand ter dood brengen, trachten de marteling zoo lang mogelijk te rekken; zij geven hun vijand den genadeslag niet, alvorens zij hem het leven langzaam, en als het ware lid voor lid hebben ontnomen.De Indianen wierpen hunne messen met zulk eene bewonderenswaardige behendigheid, dat allen de ongelukkige raakten, zonder dat één haar ernstig wondde; maar toch stroomde haar bloed; zij had de oogen gesloten, en geheel in zich zelve gekeerd, bad zij met warmte om den laatsten doodelijken slag.De mannen, wien haar lichaam tot een mikpunt strekte, verhitten zich langzamerhand; welgevallen in het ongewone schouwspel en zucht om hunne behendigheid te toonen hadden weldra in hun hart het medelijden verdrongen, dat zij in het eerst gevoelden. Zij gaven luidkeels hunne toejuiching te kennen, en moedigden elkander lachend aan. In één woord, het bloed, evenals altijd, ook bij de beschaafde volkeren, maakte hen dronken; hunne eigenliefde was in het spel, ieder zocht zijn voorganger te overtreffen, elke andere beschouwing werd vergeten.Toen allen hunne messen geworpen hadden, kwamen de behendigste schutters van den stam, en wapenden zich met geweren.Ditmaal was er een vaste blik noodig, want een slecht gerichte kogel kon aan de pijniging op eens een einde maken, en aan de omstanders het verleidelijk schouwspel ontrooven waarvan zij zich zooveel genoegen voorstelden.Bij ieder schot gaf het arme schepsel, geheel voorover gebogen, geen ander teeken van leven als een zenuwachtige trilling door haar gansche lichaam.»Laat ons er een eind aan maken,” zeide de Arendskop, wiens hart zijns ondanks week werd door zooveel moed en zooveel zelfverloochening. »De krijgslieden der Comanchen zijn geene jaguars, die vrouw heeft genoeg geleden, laat zij sterven en laat het uit zijn.”Eenig gemompel liet zich hooren onder de squaws en onder de[123]kinderen, die het meest belust waren op de foltering der gevangene. Maar de krijgslieden waren het met het opperhoofd eens; die doodstraf, zonder de beleedigingen waarop het slachtoffer gewoonlijk zijne beulen onthaalt, had voor hen geene aantrekkelijkheid, en bovendien schaamden zij zich inwendig, dat zij zich zoo bloeddorstig aanstelden tegenover eene vrouw.Men schold dus aan de ongelukkige eenige folteringen kwijt—de splinters onder de nagels, de brandende zwavelstokken tusschen de vingers, het honigmasker op het gelaat, en nog andere, te veel om op te noemen, en men maakte den brandstapel gereed, waarop zij verbrand zou worden.Maar alvorens men tot dit laatste bedrijf van het bloedige treurspel overging, maakte men de arme vrouw los; gedurende eenige oogenblikken liet men haar adem scheppen, en zich herstellen van de vreeselijke aandoeningen, waaraan zij ten prooi was geweest.De ongelukkige zakte bewusteloos inéén.De Arendskop naderde haar.»Mijne moeder is kordaat,” zeide hij; »vele krijgslieden zouden zooveel lijden niet met zooveel standvastigheid hebben doorgestaan.”Een flauwe glimlach teekende zich op hare lippen.»Ik heb een zoon,” antwoordde zij met een onuitsprekelijk zachten blik, »het is voor hem dat ik lijd.”»Een krijgsman, die zulk eene moeder heeft, is wel gelukkig.”»Waarom zoudt gij mijnen dood uitstellen? Het is wreed aldus te handelen; krijgslieden mogen geen vrouwen kwellen.”»Mijne moeder heeft gelijk, hare folteringen zijn geëindigd.”»Zal ik dan eindelijk sterven?” vroeg zij met een verruimd hart.»Ja, men maakt den brandstapel gereed.”Haars ondanks voer der arme vrouw eene huivering door al de leden, bij het hooren van dit vreeselijk bericht.»Mij verbranden!” riep zij verschrikt uit, »waarom mij verbranden?”»Dat is het gebruik.”Zij liet haar hoofd in hare handen vallen, maar weldra herstelde zij zich, en een bezielden blik ten hemel slaande, prevelde zij met volkomen onderwerping:»Uw wil, o God, geschiede!”»Gevoelt mijne moeder zich sterk genoeg, om aan den folterpaal te worden vastgebonden!” vroeg het opperhoofd met medelijden.»Ja,” zeide zij, zich krachtig opheffende.De Arendskop kon een kreet van bewondering niet weerhouden. De Indianen beschouwen moed als de eerste deugd.»Kom,” zeide hij.De gevangene volgde hem met vasten tred; zij had al hare kracht herkregen; eindelijk zou zij sterven.Het opperhoofd geleidde haar naar den folterpaal, waaraan zij ten tweeden male werd vastgebonden; vóór haar stapelde men de bossen[124]groen hout op elkander, en op een gegeven teeken van den Arendskop stak men ze aan.Het vuur had eerst veel moeite om door te breken, door de vochtigheid van het hout, dat een dikken rook ontwikkelde; doch na eenige seconden barstte de vlam uit, verspreidde zich langzamerhand, en verkreeg binnen weinige minuten een groote uitgebreidheid.De ongelukkige vrouw kon een kreet van schrik niet bedwingen.Op hetzelfde oogenblik kwam midden in het kamp een ruiter in volle vaart aanrennen; met één sprong was hij op den grond, en eer men het hem beletten kon, verstrooide hij het hout van den brandstapel, en sneed de banden van het slachtoffer door.»O, waarom zijt gij gekomen?” mompelde de arme moeder, in zijne armen vallende.»Moeder! vergeef mij!” riep Edelhart in wanhoop uit; »mijn God! wat hebt gij veel moeten lijden!”»Ga, ga, Rafaël!” herhaalde zij, hem met liefkoozingen overladende; »laat mij in uwe plaats sterven, moet niet een moeder haar leven overhebben voor haar kind?”»O, spreek zoo niet, moeder, gij zoudt mij krankzinnig maken,” zeide hij, haar in zijne armen knellende.Maar de verwarring, door de plotselinge verschijning van Edelhart verwekt, was spoedig voorbij; de Indiaansche krijgslieden hadden die bedaardheid herkregen, die hen onder alles kenmerkt.De Arendskop naderde den jager.»Mijn broeder is welkom,” zeide hij; »ik wachtte hem niet meer.”»Hier ben ik; het was mij onmogelijk eerder te komen; mijne moeder is vrij, denk ik.”»Zij is vrij.”»Kan zij gaan, waar zij wil?”»Waar zij wil.”»Neen,” riep de gevangene, zich kloekmoedig tegenover het opperhoofd plaatsende, »het is te laat; ik ben het, die sterven moet; mijn zoon heeft het recht niet, om mijne plaats in te nemen.”»Moeder, wat zegt gij?…”»Ik zeg wat billijk is, Rafaël,” hernam zij levendig; »het uur, waarop gij komen moest, is voorbij; gij hebt het recht niet om hier te zijn, en mijnen dood te verhinderen; verwijder u, verwijder u, Rafaël, ik smeek er u om; laat mij sterven om u te redden,” voegde zij er bij, in tranen smeltend en zich in zijne armen werpende.»Moeder,” antwoordde Edelhart, haar met liefkoozingen overladende, »uwe liefde voor mij verblindt u; ik mag zulk eene misdaad niet laten geschieden; neen, neen, ik alleen moet hier blijven!”»Mijn God, mijn God!” zeide de arme vrouw snikkend; »hij wil mij niet begrijpen!… Ik zou zoo gelukkig zijn, als ik mocht sterven, om hem te redden!”[125]Overweldigd door al te sterke aandoeningen, viel de moeder bewusteloos in de armen van haar zoon.Edelhart drukte een langen en teederen kus op haar voorhoofd, en haar aan Nô Eusébio overgevende, die eenige minuten te voren ook was aangekomen, zeide hij op doffen toon:»Ga! arme moeder; moogt gij gelukkig zijn, zoo het geluk voor u nog bestaan kan, zonder uw kind.”De oude dienaar zuchtte, drukte met warmte de hand van Edelhart, en zijne meesteres voor zich op den zadel plaatsende, wendde hij den teugel en verliet langzaam het kamp, zonder dat iemand zich daartegen verzette.Edelhart volgde zijne moeder met het oog, zoolang hij kon; vervolgens, toen zij verdwenen was, en de hoefslag van het paard niet meer gehoord werd, slaakte hij een doffen kreet, en streek zich met de hand over het voorhoofd, terwijl hij prevelde:»Alles is gedaan! o God, waak over haar!”Toen zich tot de Indiaansche hoofden keerende, die hem stilzwijgend met eerbied en bewondering aanstaarden, zeide hij met een krachtige stem en vlammenden blik:»Comanchen, gij zijt allen lafaards! mannen, die een hart bezitten, martelen geen vrouw!”De Arendskop glimlachte.»Wij zullen zien,” zeide hij spottend, »of de bleeke jager zoo dapper is, als hij voorgeeft.”»Ik zal ten minste als een man weten te sterven!” antwoordde hij trotsch.»De moeder van den jager is vrij.”»Ja. Welnu, wat wilt gij van mij?”»Een gevangene heeft geen wapenen.”»Dat is billijk,” zeide hij met een verachtelijken lach; »ik zal u de mijne geven!”»Nog niet, als het u belieft, beste vriend,” riep eensklaps een spottende stem.Goedsmoeds kwam te voorschijn.De jager had voor zich op den zadelboog een kind van vier of vijf jaar, en een jonge, vrij schoone, Indiaansche vrouw, was stevig aan den staart van zijn paard vastgebonden.»Mijn kind, mijne vrouw!” riep de Arendskop eensklaps verschrikt uit.»Ja,” hernam de jager spottend, »uw vrouw en uw kind, die ik krijgsgevangen gemaakt heb; ha, ha, dat is een fraaie trek van mij, is het niet?”Met één sprong, op een wenk van zijn vriend, had Edelhart zich van de vrouw meester gemaakt, die van angst klappertandde, en bevreesde blikken om zich heen wierp.»Nu,” hernam Goedsmoeds met een onheilspellenden glimlach,[126]»laat ons nu eens praten; ik geloof dat ik de kansen gelijk gemaakt heb, hé?”En hij zette den mond van zijn pistool op het voorhoofd van het schuldelooze schepsel, dat op het voelen van het koude ijzer, akelig begon te gillen.»O!” riep de Arendskop wanhopig, »mijn zoon! geef mij mijn zoon terug!”»En uwe vrouw, vergeet gij die?” antwoordde Goedsmoeds, spottend de schouders ophalende.»Welke zijn uwe voorwaarden?” vroeg Edelhart.[127]

XX.DE MARTELING.

Zoodra de scalpdans ophield, schaarden de voornaamste krijgslieden zich met de wapenen in de hand voor den paal, terwijl de vrouwen, vooral de meer bejaarde, zich op de veroordeelde wierpen, haar uitscholden, haar schopten, haar de haren uit het hoofd trokken, haar sloegen, terwijl zij niet alleen geen den minsten tegenstand bood, maar zich zelfs niet poogde te onttrekken aan de gruwelijke mishandelingen, die men haar deed ondergaan. De ongelukkige vrouw verlangde slechts één ding, namelijk dat er met de terdoodbrenging een begin zou worden gemaakt. Zij had met koortsachtig ongeduld de bewegingen van den scalpdans gevolgd, zoozeer vreesde zij dat haar geliefde zoon zou verschijnen om zich tusschen haar en hare beulen te plaatsen. Evenals de oude martelaars, beschuldigde zij uit grond van haar hart de Indianen, dat zij in doellooze plechtigheden een kostbaren tijd lieten verloren gaan: zoo zij er de kracht toe gehad had, zou zij hen over hunne langzaamheid, en over de aarzeling, die zij schenen aan den dag te leggen, om haar op te offeren, hebben berispt en uitgelachen. De waarheid was deze, dat de Comanchen, huns ondanks en niettegenstaande de straf hun billijk toescheen, een tegenzin hadden in het martelen van een weerlooze vrouw, die reeds op jaren was, en hun noch middellijk noch onmiddellijk ooit eenig leed had berokkend.De Arendskop zelf, in weerwil van zijn bitteren haat, ondervond een heimelijk verwijt over de misdaad, die hij beging; en wel verre van de laatste toebereidselen te verhaasten, maakte hij ze met een traagheid en tegenzin, die hij onmogelijk te boven kon komen.Voor dappere mannen, die gewoon zijn de grootste gevaren te trotseeren, is het altijd een onteerende daad, een zwak schepsel te martelen, die geen ander middel heeft om zich te verdedigen dan[121]hare tranen. Zoo het een man ware geweest, zou men eenstemmig besloten hebben om hem terstond aan den martelpaal te binden.De Indiaansche gevangenen lachen om alle folteringen; zij beleedigen hunne beulen, en in hunne doodsliederen, verwijten zij aan hunne overwinnaars hunne lafheid, hun gebrek aan ondervinding, hunne onbekwaamheid om hunne slachtoffers te pijnigen; zij sommen hunne eigen heldenfeiten op, berekenen het aantal vijanden, die zij hebben gescalpeerd alvorens zelven te vallen, wekken eindelijk door hunne spotternijen en hunne minachtende houding den toorn hunner beulen op, en rechtvaardigen in zekere mate hunne wreedheid.Maar een zwakke vrouw, die zich zonder aarzelen aan haar lot overgeeft, die zich als een lam ter slachtbank laat voeren, welk belang kan zulk eene terdoodbrenging aanbieden?Men kan daarvan geen roem verwachten, maar integendeel slechts eene algemeene afkeuring.De Comanchen begrepen dit, van daar hun tegenzin en hun talmen. Doch er moest een eind aan komen.De Arendskop naderde de gevangene, en haar bevrijdende van de harpijen, die haar kwelden, zeide hij op somberen toon:»Vrouw, ik heb mijn woord gehouden; uw zoon is niet gekomen, gij moet sterven.”»Goddank!” zeide zij met een gebrokene stem, zich tegen een boomstam aanleunende, om niet te vallen.De hoofdman zag haar aan, zonder haar te begrijpen.„Vreest gij den dood niet?” vroeg hij haar, bladz. 121.„Vreest gij den dood niet?”vroeg hij haar, bladz. 121.»Vreest gij den dood niet?” vroeg hij haar.»Neen,” hernam zij, op hem een blik slaande, zacht als die van een engel, »hij zal mij welkom zijn; mijn leven is één lange doodstrijd geweest, de dood is een weldaad voor mij.”»Maar uw zoon dan?”»Mijn zoon zal leven, als ik sterf; gij hebt het gezworen bij de beenderen uwer vaderen.”»Ik heb het gezworen.”»Laat mij dan sterven.”»Zijn de vrouwen uwer natie dan gelijk aan de Indiaanschesquaws, die den dood zonder beven onder de oogen zien?” riep de hoofdman verbaasd.»Ja,” antwoordde zij aangedaan; »alle moeders verachten dien wanneer het het welzijn harer kinderen geldt.”»Luister,” zeide de Indiaan, zijns ondanks door medelijden bewogen, »ik ook, ik heb eene moeder, die ik liefheb, zoo gij het verlangt, zal ik uw dood uitstellen tot zonsondergang.”»Waarom?” antwoordde zij met verschrikkelijken eenvoud; »neen, krijgsman, zoo mijne smart u wezenlijk treft, dan is er maar ééne gunst, die ik van u vraag.”»Spreek,” zeide hij levendig.»Laat mij terstond sterven.”[122]»Maar zoo uw zoon dan eens kwam?”»Wat maakt dat? gij verlangt een offer, niet waar? Welnu, dat offer staat voor u, gij kunt het naar uw genoegen martelen. Waarom geaarzeld? laat mij sterven, zeg ik u.”»Aan uw verlangen zal voldaan worden,” zeide de Comanch treurig; »vrouw, maak u gereed.”Zij boog het hoofd voorover op de borst, en wachtte. Op eenen wenk van den Arendskop, grepen twee krijgslieden de gevangene aan en bonden haar aan den paal vast.Toen nam het messenspel een aanvang; zie hier, waarin het bestaat: ieder krijgsman neemt zijn scalpeermes met den duim en wijsvinger van de rechterhand, en werpt het naar het slachtoffer op zulk eene wijs dat het slechts lichte kwetsuren veroorzaakt.De Indianen, als zij iemand ter dood brengen, trachten de marteling zoo lang mogelijk te rekken; zij geven hun vijand den genadeslag niet, alvorens zij hem het leven langzaam, en als het ware lid voor lid hebben ontnomen.De Indianen wierpen hunne messen met zulk eene bewonderenswaardige behendigheid, dat allen de ongelukkige raakten, zonder dat één haar ernstig wondde; maar toch stroomde haar bloed; zij had de oogen gesloten, en geheel in zich zelve gekeerd, bad zij met warmte om den laatsten doodelijken slag.De mannen, wien haar lichaam tot een mikpunt strekte, verhitten zich langzamerhand; welgevallen in het ongewone schouwspel en zucht om hunne behendigheid te toonen hadden weldra in hun hart het medelijden verdrongen, dat zij in het eerst gevoelden. Zij gaven luidkeels hunne toejuiching te kennen, en moedigden elkander lachend aan. In één woord, het bloed, evenals altijd, ook bij de beschaafde volkeren, maakte hen dronken; hunne eigenliefde was in het spel, ieder zocht zijn voorganger te overtreffen, elke andere beschouwing werd vergeten.Toen allen hunne messen geworpen hadden, kwamen de behendigste schutters van den stam, en wapenden zich met geweren.Ditmaal was er een vaste blik noodig, want een slecht gerichte kogel kon aan de pijniging op eens een einde maken, en aan de omstanders het verleidelijk schouwspel ontrooven waarvan zij zich zooveel genoegen voorstelden.Bij ieder schot gaf het arme schepsel, geheel voorover gebogen, geen ander teeken van leven als een zenuwachtige trilling door haar gansche lichaam.»Laat ons er een eind aan maken,” zeide de Arendskop, wiens hart zijns ondanks week werd door zooveel moed en zooveel zelfverloochening. »De krijgslieden der Comanchen zijn geene jaguars, die vrouw heeft genoeg geleden, laat zij sterven en laat het uit zijn.”Eenig gemompel liet zich hooren onder de squaws en onder de[123]kinderen, die het meest belust waren op de foltering der gevangene. Maar de krijgslieden waren het met het opperhoofd eens; die doodstraf, zonder de beleedigingen waarop het slachtoffer gewoonlijk zijne beulen onthaalt, had voor hen geene aantrekkelijkheid, en bovendien schaamden zij zich inwendig, dat zij zich zoo bloeddorstig aanstelden tegenover eene vrouw.Men schold dus aan de ongelukkige eenige folteringen kwijt—de splinters onder de nagels, de brandende zwavelstokken tusschen de vingers, het honigmasker op het gelaat, en nog andere, te veel om op te noemen, en men maakte den brandstapel gereed, waarop zij verbrand zou worden.Maar alvorens men tot dit laatste bedrijf van het bloedige treurspel overging, maakte men de arme vrouw los; gedurende eenige oogenblikken liet men haar adem scheppen, en zich herstellen van de vreeselijke aandoeningen, waaraan zij ten prooi was geweest.De ongelukkige zakte bewusteloos inéén.De Arendskop naderde haar.»Mijne moeder is kordaat,” zeide hij; »vele krijgslieden zouden zooveel lijden niet met zooveel standvastigheid hebben doorgestaan.”Een flauwe glimlach teekende zich op hare lippen.»Ik heb een zoon,” antwoordde zij met een onuitsprekelijk zachten blik, »het is voor hem dat ik lijd.”»Een krijgsman, die zulk eene moeder heeft, is wel gelukkig.”»Waarom zoudt gij mijnen dood uitstellen? Het is wreed aldus te handelen; krijgslieden mogen geen vrouwen kwellen.”»Mijne moeder heeft gelijk, hare folteringen zijn geëindigd.”»Zal ik dan eindelijk sterven?” vroeg zij met een verruimd hart.»Ja, men maakt den brandstapel gereed.”Haars ondanks voer der arme vrouw eene huivering door al de leden, bij het hooren van dit vreeselijk bericht.»Mij verbranden!” riep zij verschrikt uit, »waarom mij verbranden?”»Dat is het gebruik.”Zij liet haar hoofd in hare handen vallen, maar weldra herstelde zij zich, en een bezielden blik ten hemel slaande, prevelde zij met volkomen onderwerping:»Uw wil, o God, geschiede!”»Gevoelt mijne moeder zich sterk genoeg, om aan den folterpaal te worden vastgebonden!” vroeg het opperhoofd met medelijden.»Ja,” zeide zij, zich krachtig opheffende.De Arendskop kon een kreet van bewondering niet weerhouden. De Indianen beschouwen moed als de eerste deugd.»Kom,” zeide hij.De gevangene volgde hem met vasten tred; zij had al hare kracht herkregen; eindelijk zou zij sterven.Het opperhoofd geleidde haar naar den folterpaal, waaraan zij ten tweeden male werd vastgebonden; vóór haar stapelde men de bossen[124]groen hout op elkander, en op een gegeven teeken van den Arendskop stak men ze aan.Het vuur had eerst veel moeite om door te breken, door de vochtigheid van het hout, dat een dikken rook ontwikkelde; doch na eenige seconden barstte de vlam uit, verspreidde zich langzamerhand, en verkreeg binnen weinige minuten een groote uitgebreidheid.De ongelukkige vrouw kon een kreet van schrik niet bedwingen.Op hetzelfde oogenblik kwam midden in het kamp een ruiter in volle vaart aanrennen; met één sprong was hij op den grond, en eer men het hem beletten kon, verstrooide hij het hout van den brandstapel, en sneed de banden van het slachtoffer door.»O, waarom zijt gij gekomen?” mompelde de arme moeder, in zijne armen vallende.»Moeder! vergeef mij!” riep Edelhart in wanhoop uit; »mijn God! wat hebt gij veel moeten lijden!”»Ga, ga, Rafaël!” herhaalde zij, hem met liefkoozingen overladende; »laat mij in uwe plaats sterven, moet niet een moeder haar leven overhebben voor haar kind?”»O, spreek zoo niet, moeder, gij zoudt mij krankzinnig maken,” zeide hij, haar in zijne armen knellende.Maar de verwarring, door de plotselinge verschijning van Edelhart verwekt, was spoedig voorbij; de Indiaansche krijgslieden hadden die bedaardheid herkregen, die hen onder alles kenmerkt.De Arendskop naderde den jager.»Mijn broeder is welkom,” zeide hij; »ik wachtte hem niet meer.”»Hier ben ik; het was mij onmogelijk eerder te komen; mijne moeder is vrij, denk ik.”»Zij is vrij.”»Kan zij gaan, waar zij wil?”»Waar zij wil.”»Neen,” riep de gevangene, zich kloekmoedig tegenover het opperhoofd plaatsende, »het is te laat; ik ben het, die sterven moet; mijn zoon heeft het recht niet, om mijne plaats in te nemen.”»Moeder, wat zegt gij?…”»Ik zeg wat billijk is, Rafaël,” hernam zij levendig; »het uur, waarop gij komen moest, is voorbij; gij hebt het recht niet om hier te zijn, en mijnen dood te verhinderen; verwijder u, verwijder u, Rafaël, ik smeek er u om; laat mij sterven om u te redden,” voegde zij er bij, in tranen smeltend en zich in zijne armen werpende.»Moeder,” antwoordde Edelhart, haar met liefkoozingen overladende, »uwe liefde voor mij verblindt u; ik mag zulk eene misdaad niet laten geschieden; neen, neen, ik alleen moet hier blijven!”»Mijn God, mijn God!” zeide de arme vrouw snikkend; »hij wil mij niet begrijpen!… Ik zou zoo gelukkig zijn, als ik mocht sterven, om hem te redden!”[125]Overweldigd door al te sterke aandoeningen, viel de moeder bewusteloos in de armen van haar zoon.Edelhart drukte een langen en teederen kus op haar voorhoofd, en haar aan Nô Eusébio overgevende, die eenige minuten te voren ook was aangekomen, zeide hij op doffen toon:»Ga! arme moeder; moogt gij gelukkig zijn, zoo het geluk voor u nog bestaan kan, zonder uw kind.”De oude dienaar zuchtte, drukte met warmte de hand van Edelhart, en zijne meesteres voor zich op den zadel plaatsende, wendde hij den teugel en verliet langzaam het kamp, zonder dat iemand zich daartegen verzette.Edelhart volgde zijne moeder met het oog, zoolang hij kon; vervolgens, toen zij verdwenen was, en de hoefslag van het paard niet meer gehoord werd, slaakte hij een doffen kreet, en streek zich met de hand over het voorhoofd, terwijl hij prevelde:»Alles is gedaan! o God, waak over haar!”Toen zich tot de Indiaansche hoofden keerende, die hem stilzwijgend met eerbied en bewondering aanstaarden, zeide hij met een krachtige stem en vlammenden blik:»Comanchen, gij zijt allen lafaards! mannen, die een hart bezitten, martelen geen vrouw!”De Arendskop glimlachte.»Wij zullen zien,” zeide hij spottend, »of de bleeke jager zoo dapper is, als hij voorgeeft.”»Ik zal ten minste als een man weten te sterven!” antwoordde hij trotsch.»De moeder van den jager is vrij.”»Ja. Welnu, wat wilt gij van mij?”»Een gevangene heeft geen wapenen.”»Dat is billijk,” zeide hij met een verachtelijken lach; »ik zal u de mijne geven!”»Nog niet, als het u belieft, beste vriend,” riep eensklaps een spottende stem.Goedsmoeds kwam te voorschijn.De jager had voor zich op den zadelboog een kind van vier of vijf jaar, en een jonge, vrij schoone, Indiaansche vrouw, was stevig aan den staart van zijn paard vastgebonden.»Mijn kind, mijne vrouw!” riep de Arendskop eensklaps verschrikt uit.»Ja,” hernam de jager spottend, »uw vrouw en uw kind, die ik krijgsgevangen gemaakt heb; ha, ha, dat is een fraaie trek van mij, is het niet?”Met één sprong, op een wenk van zijn vriend, had Edelhart zich van de vrouw meester gemaakt, die van angst klappertandde, en bevreesde blikken om zich heen wierp.»Nu,” hernam Goedsmoeds met een onheilspellenden glimlach,[126]»laat ons nu eens praten; ik geloof dat ik de kansen gelijk gemaakt heb, hé?”En hij zette den mond van zijn pistool op het voorhoofd van het schuldelooze schepsel, dat op het voelen van het koude ijzer, akelig begon te gillen.»O!” riep de Arendskop wanhopig, »mijn zoon! geef mij mijn zoon terug!”»En uwe vrouw, vergeet gij die?” antwoordde Goedsmoeds, spottend de schouders ophalende.»Welke zijn uwe voorwaarden?” vroeg Edelhart.[127]

Zoodra de scalpdans ophield, schaarden de voornaamste krijgslieden zich met de wapenen in de hand voor den paal, terwijl de vrouwen, vooral de meer bejaarde, zich op de veroordeelde wierpen, haar uitscholden, haar schopten, haar de haren uit het hoofd trokken, haar sloegen, terwijl zij niet alleen geen den minsten tegenstand bood, maar zich zelfs niet poogde te onttrekken aan de gruwelijke mishandelingen, die men haar deed ondergaan. De ongelukkige vrouw verlangde slechts één ding, namelijk dat er met de terdoodbrenging een begin zou worden gemaakt. Zij had met koortsachtig ongeduld de bewegingen van den scalpdans gevolgd, zoozeer vreesde zij dat haar geliefde zoon zou verschijnen om zich tusschen haar en hare beulen te plaatsen. Evenals de oude martelaars, beschuldigde zij uit grond van haar hart de Indianen, dat zij in doellooze plechtigheden een kostbaren tijd lieten verloren gaan: zoo zij er de kracht toe gehad had, zou zij hen over hunne langzaamheid, en over de aarzeling, die zij schenen aan den dag te leggen, om haar op te offeren, hebben berispt en uitgelachen. De waarheid was deze, dat de Comanchen, huns ondanks en niettegenstaande de straf hun billijk toescheen, een tegenzin hadden in het martelen van een weerlooze vrouw, die reeds op jaren was, en hun noch middellijk noch onmiddellijk ooit eenig leed had berokkend.

De Arendskop zelf, in weerwil van zijn bitteren haat, ondervond een heimelijk verwijt over de misdaad, die hij beging; en wel verre van de laatste toebereidselen te verhaasten, maakte hij ze met een traagheid en tegenzin, die hij onmogelijk te boven kon komen.

Voor dappere mannen, die gewoon zijn de grootste gevaren te trotseeren, is het altijd een onteerende daad, een zwak schepsel te martelen, die geen ander middel heeft om zich te verdedigen dan[121]hare tranen. Zoo het een man ware geweest, zou men eenstemmig besloten hebben om hem terstond aan den martelpaal te binden.

De Indiaansche gevangenen lachen om alle folteringen; zij beleedigen hunne beulen, en in hunne doodsliederen, verwijten zij aan hunne overwinnaars hunne lafheid, hun gebrek aan ondervinding, hunne onbekwaamheid om hunne slachtoffers te pijnigen; zij sommen hunne eigen heldenfeiten op, berekenen het aantal vijanden, die zij hebben gescalpeerd alvorens zelven te vallen, wekken eindelijk door hunne spotternijen en hunne minachtende houding den toorn hunner beulen op, en rechtvaardigen in zekere mate hunne wreedheid.

Maar een zwakke vrouw, die zich zonder aarzelen aan haar lot overgeeft, die zich als een lam ter slachtbank laat voeren, welk belang kan zulk eene terdoodbrenging aanbieden?

Men kan daarvan geen roem verwachten, maar integendeel slechts eene algemeene afkeuring.

De Comanchen begrepen dit, van daar hun tegenzin en hun talmen. Doch er moest een eind aan komen.

De Arendskop naderde de gevangene, en haar bevrijdende van de harpijen, die haar kwelden, zeide hij op somberen toon:

»Vrouw, ik heb mijn woord gehouden; uw zoon is niet gekomen, gij moet sterven.”

»Goddank!” zeide zij met een gebrokene stem, zich tegen een boomstam aanleunende, om niet te vallen.

De hoofdman zag haar aan, zonder haar te begrijpen.

„Vreest gij den dood niet?” vroeg hij haar, bladz. 121.„Vreest gij den dood niet?”vroeg hij haar, bladz. 121.

„Vreest gij den dood niet?”vroeg hij haar, bladz. 121.

»Vreest gij den dood niet?” vroeg hij haar.

»Neen,” hernam zij, op hem een blik slaande, zacht als die van een engel, »hij zal mij welkom zijn; mijn leven is één lange doodstrijd geweest, de dood is een weldaad voor mij.”

»Maar uw zoon dan?”

»Mijn zoon zal leven, als ik sterf; gij hebt het gezworen bij de beenderen uwer vaderen.”

»Ik heb het gezworen.”

»Laat mij dan sterven.”

»Zijn de vrouwen uwer natie dan gelijk aan de Indiaanschesquaws, die den dood zonder beven onder de oogen zien?” riep de hoofdman verbaasd.

»Ja,” antwoordde zij aangedaan; »alle moeders verachten dien wanneer het het welzijn harer kinderen geldt.”

»Luister,” zeide de Indiaan, zijns ondanks door medelijden bewogen, »ik ook, ik heb eene moeder, die ik liefheb, zoo gij het verlangt, zal ik uw dood uitstellen tot zonsondergang.”

»Waarom?” antwoordde zij met verschrikkelijken eenvoud; »neen, krijgsman, zoo mijne smart u wezenlijk treft, dan is er maar ééne gunst, die ik van u vraag.”

»Spreek,” zeide hij levendig.

»Laat mij terstond sterven.”[122]

»Maar zoo uw zoon dan eens kwam?”

»Wat maakt dat? gij verlangt een offer, niet waar? Welnu, dat offer staat voor u, gij kunt het naar uw genoegen martelen. Waarom geaarzeld? laat mij sterven, zeg ik u.”

»Aan uw verlangen zal voldaan worden,” zeide de Comanch treurig; »vrouw, maak u gereed.”

Zij boog het hoofd voorover op de borst, en wachtte. Op eenen wenk van den Arendskop, grepen twee krijgslieden de gevangene aan en bonden haar aan den paal vast.

Toen nam het messenspel een aanvang; zie hier, waarin het bestaat: ieder krijgsman neemt zijn scalpeermes met den duim en wijsvinger van de rechterhand, en werpt het naar het slachtoffer op zulk eene wijs dat het slechts lichte kwetsuren veroorzaakt.

De Indianen, als zij iemand ter dood brengen, trachten de marteling zoo lang mogelijk te rekken; zij geven hun vijand den genadeslag niet, alvorens zij hem het leven langzaam, en als het ware lid voor lid hebben ontnomen.

De Indianen wierpen hunne messen met zulk eene bewonderenswaardige behendigheid, dat allen de ongelukkige raakten, zonder dat één haar ernstig wondde; maar toch stroomde haar bloed; zij had de oogen gesloten, en geheel in zich zelve gekeerd, bad zij met warmte om den laatsten doodelijken slag.

De mannen, wien haar lichaam tot een mikpunt strekte, verhitten zich langzamerhand; welgevallen in het ongewone schouwspel en zucht om hunne behendigheid te toonen hadden weldra in hun hart het medelijden verdrongen, dat zij in het eerst gevoelden. Zij gaven luidkeels hunne toejuiching te kennen, en moedigden elkander lachend aan. In één woord, het bloed, evenals altijd, ook bij de beschaafde volkeren, maakte hen dronken; hunne eigenliefde was in het spel, ieder zocht zijn voorganger te overtreffen, elke andere beschouwing werd vergeten.

Toen allen hunne messen geworpen hadden, kwamen de behendigste schutters van den stam, en wapenden zich met geweren.

Ditmaal was er een vaste blik noodig, want een slecht gerichte kogel kon aan de pijniging op eens een einde maken, en aan de omstanders het verleidelijk schouwspel ontrooven waarvan zij zich zooveel genoegen voorstelden.

Bij ieder schot gaf het arme schepsel, geheel voorover gebogen, geen ander teeken van leven als een zenuwachtige trilling door haar gansche lichaam.

»Laat ons er een eind aan maken,” zeide de Arendskop, wiens hart zijns ondanks week werd door zooveel moed en zooveel zelfverloochening. »De krijgslieden der Comanchen zijn geene jaguars, die vrouw heeft genoeg geleden, laat zij sterven en laat het uit zijn.”

Eenig gemompel liet zich hooren onder de squaws en onder de[123]kinderen, die het meest belust waren op de foltering der gevangene. Maar de krijgslieden waren het met het opperhoofd eens; die doodstraf, zonder de beleedigingen waarop het slachtoffer gewoonlijk zijne beulen onthaalt, had voor hen geene aantrekkelijkheid, en bovendien schaamden zij zich inwendig, dat zij zich zoo bloeddorstig aanstelden tegenover eene vrouw.

Men schold dus aan de ongelukkige eenige folteringen kwijt—de splinters onder de nagels, de brandende zwavelstokken tusschen de vingers, het honigmasker op het gelaat, en nog andere, te veel om op te noemen, en men maakte den brandstapel gereed, waarop zij verbrand zou worden.

Maar alvorens men tot dit laatste bedrijf van het bloedige treurspel overging, maakte men de arme vrouw los; gedurende eenige oogenblikken liet men haar adem scheppen, en zich herstellen van de vreeselijke aandoeningen, waaraan zij ten prooi was geweest.

De ongelukkige zakte bewusteloos inéén.

De Arendskop naderde haar.

»Mijne moeder is kordaat,” zeide hij; »vele krijgslieden zouden zooveel lijden niet met zooveel standvastigheid hebben doorgestaan.”

Een flauwe glimlach teekende zich op hare lippen.

»Ik heb een zoon,” antwoordde zij met een onuitsprekelijk zachten blik, »het is voor hem dat ik lijd.”

»Een krijgsman, die zulk eene moeder heeft, is wel gelukkig.”

»Waarom zoudt gij mijnen dood uitstellen? Het is wreed aldus te handelen; krijgslieden mogen geen vrouwen kwellen.”

»Mijne moeder heeft gelijk, hare folteringen zijn geëindigd.”

»Zal ik dan eindelijk sterven?” vroeg zij met een verruimd hart.

»Ja, men maakt den brandstapel gereed.”

Haars ondanks voer der arme vrouw eene huivering door al de leden, bij het hooren van dit vreeselijk bericht.

»Mij verbranden!” riep zij verschrikt uit, »waarom mij verbranden?”

»Dat is het gebruik.”

Zij liet haar hoofd in hare handen vallen, maar weldra herstelde zij zich, en een bezielden blik ten hemel slaande, prevelde zij met volkomen onderwerping:

»Uw wil, o God, geschiede!”

»Gevoelt mijne moeder zich sterk genoeg, om aan den folterpaal te worden vastgebonden!” vroeg het opperhoofd met medelijden.

»Ja,” zeide zij, zich krachtig opheffende.

De Arendskop kon een kreet van bewondering niet weerhouden. De Indianen beschouwen moed als de eerste deugd.

»Kom,” zeide hij.

De gevangene volgde hem met vasten tred; zij had al hare kracht herkregen; eindelijk zou zij sterven.

Het opperhoofd geleidde haar naar den folterpaal, waaraan zij ten tweeden male werd vastgebonden; vóór haar stapelde men de bossen[124]groen hout op elkander, en op een gegeven teeken van den Arendskop stak men ze aan.

Het vuur had eerst veel moeite om door te breken, door de vochtigheid van het hout, dat een dikken rook ontwikkelde; doch na eenige seconden barstte de vlam uit, verspreidde zich langzamerhand, en verkreeg binnen weinige minuten een groote uitgebreidheid.

De ongelukkige vrouw kon een kreet van schrik niet bedwingen.

Op hetzelfde oogenblik kwam midden in het kamp een ruiter in volle vaart aanrennen; met één sprong was hij op den grond, en eer men het hem beletten kon, verstrooide hij het hout van den brandstapel, en sneed de banden van het slachtoffer door.

»O, waarom zijt gij gekomen?” mompelde de arme moeder, in zijne armen vallende.

»Moeder! vergeef mij!” riep Edelhart in wanhoop uit; »mijn God! wat hebt gij veel moeten lijden!”

»Ga, ga, Rafaël!” herhaalde zij, hem met liefkoozingen overladende; »laat mij in uwe plaats sterven, moet niet een moeder haar leven overhebben voor haar kind?”

»O, spreek zoo niet, moeder, gij zoudt mij krankzinnig maken,” zeide hij, haar in zijne armen knellende.

Maar de verwarring, door de plotselinge verschijning van Edelhart verwekt, was spoedig voorbij; de Indiaansche krijgslieden hadden die bedaardheid herkregen, die hen onder alles kenmerkt.

De Arendskop naderde den jager.

»Mijn broeder is welkom,” zeide hij; »ik wachtte hem niet meer.”

»Hier ben ik; het was mij onmogelijk eerder te komen; mijne moeder is vrij, denk ik.”

»Zij is vrij.”

»Kan zij gaan, waar zij wil?”

»Waar zij wil.”

»Neen,” riep de gevangene, zich kloekmoedig tegenover het opperhoofd plaatsende, »het is te laat; ik ben het, die sterven moet; mijn zoon heeft het recht niet, om mijne plaats in te nemen.”

»Moeder, wat zegt gij?…”

»Ik zeg wat billijk is, Rafaël,” hernam zij levendig; »het uur, waarop gij komen moest, is voorbij; gij hebt het recht niet om hier te zijn, en mijnen dood te verhinderen; verwijder u, verwijder u, Rafaël, ik smeek er u om; laat mij sterven om u te redden,” voegde zij er bij, in tranen smeltend en zich in zijne armen werpende.

»Moeder,” antwoordde Edelhart, haar met liefkoozingen overladende, »uwe liefde voor mij verblindt u; ik mag zulk eene misdaad niet laten geschieden; neen, neen, ik alleen moet hier blijven!”

»Mijn God, mijn God!” zeide de arme vrouw snikkend; »hij wil mij niet begrijpen!… Ik zou zoo gelukkig zijn, als ik mocht sterven, om hem te redden!”[125]

Overweldigd door al te sterke aandoeningen, viel de moeder bewusteloos in de armen van haar zoon.

Edelhart drukte een langen en teederen kus op haar voorhoofd, en haar aan Nô Eusébio overgevende, die eenige minuten te voren ook was aangekomen, zeide hij op doffen toon:

»Ga! arme moeder; moogt gij gelukkig zijn, zoo het geluk voor u nog bestaan kan, zonder uw kind.”

De oude dienaar zuchtte, drukte met warmte de hand van Edelhart, en zijne meesteres voor zich op den zadel plaatsende, wendde hij den teugel en verliet langzaam het kamp, zonder dat iemand zich daartegen verzette.

Edelhart volgde zijne moeder met het oog, zoolang hij kon; vervolgens, toen zij verdwenen was, en de hoefslag van het paard niet meer gehoord werd, slaakte hij een doffen kreet, en streek zich met de hand over het voorhoofd, terwijl hij prevelde:

»Alles is gedaan! o God, waak over haar!”

Toen zich tot de Indiaansche hoofden keerende, die hem stilzwijgend met eerbied en bewondering aanstaarden, zeide hij met een krachtige stem en vlammenden blik:

»Comanchen, gij zijt allen lafaards! mannen, die een hart bezitten, martelen geen vrouw!”

De Arendskop glimlachte.

»Wij zullen zien,” zeide hij spottend, »of de bleeke jager zoo dapper is, als hij voorgeeft.”

»Ik zal ten minste als een man weten te sterven!” antwoordde hij trotsch.

»De moeder van den jager is vrij.”

»Ja. Welnu, wat wilt gij van mij?”

»Een gevangene heeft geen wapenen.”

»Dat is billijk,” zeide hij met een verachtelijken lach; »ik zal u de mijne geven!”

»Nog niet, als het u belieft, beste vriend,” riep eensklaps een spottende stem.

Goedsmoeds kwam te voorschijn.

De jager had voor zich op den zadelboog een kind van vier of vijf jaar, en een jonge, vrij schoone, Indiaansche vrouw, was stevig aan den staart van zijn paard vastgebonden.

»Mijn kind, mijne vrouw!” riep de Arendskop eensklaps verschrikt uit.

»Ja,” hernam de jager spottend, »uw vrouw en uw kind, die ik krijgsgevangen gemaakt heb; ha, ha, dat is een fraaie trek van mij, is het niet?”

Met één sprong, op een wenk van zijn vriend, had Edelhart zich van de vrouw meester gemaakt, die van angst klappertandde, en bevreesde blikken om zich heen wierp.

»Nu,” hernam Goedsmoeds met een onheilspellenden glimlach,[126]»laat ons nu eens praten; ik geloof dat ik de kansen gelijk gemaakt heb, hé?”

En hij zette den mond van zijn pistool op het voorhoofd van het schuldelooze schepsel, dat op het voelen van het koude ijzer, akelig begon te gillen.

»O!” riep de Arendskop wanhopig, »mijn zoon! geef mij mijn zoon terug!”

»En uwe vrouw, vergeet gij die?” antwoordde Goedsmoeds, spottend de schouders ophalende.

»Welke zijn uwe voorwaarden?” vroeg Edelhart.[127]


Back to IndexNext