[Inhoud]XI.DE GEVANGENE.Toen de Roodhuiden en de jagers het kamp der Mexicanen veroverd hadden, hadden de roovers, volgens den last van hunnen hoofdman, zich in alle richtingen verstrooid, om des te gemakkelijker aan de nasporingen hunner vijanden te ontkomen.De kapitein en de vier mannen, die den generaal en zijn neger droegen, waren langs de helling der rotsen naar beneden gegaan, op gevaar af van duizendmaal verbrijzeld te worden en in de diepte te storten, die aan hunne voeten gaapte. Op zekeren afstand gekomen, en gerust gesteld door de stilte, die om hen heen heerschte, en meer nog door de ongehoorde moeielijkheden, die zij overwonnen hadden, om de plaats te bereiken, waar zij zich bevonden, bleven zij stilstaan, om adem te scheppen. Een dikke duisternis omgaf hen, boven hunne hoofden zagen zij, op een ontzaglijke hoogte, evenals zoovele sterren de fakkels glinsteren van de jagers, die hen vervolgden, maar die het niet waagden denzelfden weg te gaan, langs welken zij gekomen waren.»’t Gaat goed,” zeide de kapitein; »komt, kinderen, wij kunnen nu eenige oogenblikken uitrusten. Wij hebben voor het tegenwoordige niets te vreezen; legt uwe gevangenen hier neder, en dat twee uwer de omstreken gaan verkennen.”Zijne bevelen werden ten uitvoer gebracht; eenige minuten later kwamen de beide bandieten zeggen, dat zij een hol hadden ontdekt, dat hun voorloopig tot schuilplaats kon verstrekken.»Duivels!” zeide de kapitein, »laat ons daar heen gaan;” en zelf het voorbeeld gevende, stond hij op, en verwijderde zich, gevolgd door de anderen.Zij kwamen weldra aan eene grot, die vrij ruim scheen te zijn, en die maar weinige voeten lager was dan de plaats, waar zij zich in ’t eerst hadden nedergezet.Toen zij zich hier in veiligheid gesteld hadden, was het de eerste zorg van den kapitein om den ingang er van met behulp van een deken geheel dicht te sluiten, hetgeen niet moeielijk viel, daar de ingang vrij nauw was, zoodat de bandieten hadden moeten bukken, om er in te komen.»Daar,” zeide de kapitein, »zijn wij nu thuis; hier behoeven wij niet bang te zijn, dat een onbescheiden oog ons bespieden zal.” En een vuursteen uit zijn zak halende, stak hij eene toorts van kaarshout aan, die hij tot dat einde de voorzichtigheid gehad had van mede te nemen. Zoodra zij de voorwerpen om hen heen konden onderscheiden, slaakten de bandieten een kreet van vreugde. Wat in de duisternis slechts een eenvoudig hol scheen te zijn, was een[177]natuurlijke onderaardsche grot, gelijk er in deze gewesten velen voorkomen.»Wel zoo!” zeide de kapitein, »laat ons eens zien waar wij zijn; blijft daar, gij allen, houdt een waakzaam oog over de gevangenen, ik ga ons nieuw grondgebied verkennen.”Na een tweede toorts aangestoken te hebben, onderzocht hij de grot. Met een zachte helling liep zij onder den berg door; de wanden waren overal vrij hoog, en de ruimte daartusschen meestal breed genoeg om ruime zalen te vormen. Door onzichtbare spleten moest zij van buiten versche lucht ontvangen, want het licht brandde zonder moeite, en de kapitein haalde er zeer gemakkelijk adem. Hoe verder hij voortging, des te frisscher werd de lucht, hetgeen hem deed gissen, dat hij zich nabij een anderen uitgang bevond. Zoo liep hij reeds twintig minuten, toen eene windvlaag, die hem in het aangezicht sloeg, zijn toorts deed opflikkeren.»Hm!” mompelde hij, »ziedaar een uitgang; laat ons voorzichtig zijn; ik zal het licht uitdoen, men kan nooit weten, wat men daar buiten tegenkomt.”Hij trapte zijne toorts uit, en bleef eenige oogenblikken stil staan, om aan zijne oogen den tijd te geven zich aan de duisternis te gewennen. Hij was een voorzichtig man, en zijn vak van bandietenhoofdman volkomen meester; zoo het plan, dat hij gevormd had, om het kamp aan te vallen, schipbreuk geleden had, was dit slechts het gevolg van een samenloop van omstandigheden, die hij onmogelijk had kunnen voorzien. Toen dan ook de eerste booze bui over de ontvangen nederlaag was overgewaaid had hij terstond zijne partij gekozen, terwijl hij zich het genoegen voorbehield, om zich bij de eerste gelegenheid de beste te wreken. De fortuin scheen hem overigens op nieuw toe te lachen, daar zij hem, juist toen hij er de meeste behoefte aan had, een bijna ondoordringbare schuilplaats aanbood.Blijde en vol hoop wachtte hij dus tot zijne oogen zich aan de duisternis hadden gewend, en hem vergunden de voorwerpen te onderscheiden, om te weten of hij werkelijk een uitgang zou vinden, die hem meester zou maken van eene bijna onoverwinnelijke sterkte.Hij bedroog zich niet in zijne verwachting. Zoodra de vlam opgehouden had hem te verblinden, bemerkte hij op vrij grooten afstand vóór zich uit een flauw schijnsel. Hij liep moedig voort; na eenige minuten kwam hij aan den zoo zeer begeerden uitgang.Deze uitgang bevond zich bij den oever eener kleine rivier, waarvan het water onder het gewelf der grot dood liep, zoodat de bandieten slechts te water behoefden te gaan om haar te ontruimen, zonder eenig spoor achter te laten, en alzoo elke nasporing vruchteloos konden maken.De kapitein kende de prairiën van het Westen, waarin hij sedert bijna tien jaren zijn eerloos en winstgevend beroep uitoefende, te[178]goed, om zich niet gemakkelijk te oriënteren, en binnen een oogenblik te weten, waar hij zich bevond. Hij zag dat deze rivier vrij ver verwijderd was van het kamp der Mexicanen, welke afstand nog vergroot werd door hare tallooze kronkelingen. Hij slaakte een kreet van zelfvoldoening, en toen hij goed wist waar hij zich bevond, en niet meer vreesde ontdekt te zullen worden, stak hij zijn toorts weder aan, en keerde langs denzelfden weg, dien hij gekomen was, terug.Zijne makkers waren in slaap gevallen, met uitzondering van één, die de gevangenen bewaakte. De kapitein wekte hen.»Komt,” zeide hij, »het is nu geen tijd van slapen; wij hebben wel wat anders te doen.” De bandieten stonden met weêrzin op, wreven de oogen uit, en gaapten alsof zij zich de kakebeenen wilden verrekken.De kapitein liet hen eerst de opening, die hun toegang verleend had, zorgvuldig dichtstoppen, en gaf toen bevel, dat zij met de gevangenen, wier beenen men had losgemaakt, opdat zij zouden kunnen loopen, hem onmiddellijk volgen zouden.Zij hielden halt in een der vele zalen, die de kapitein op zijn weg ontmoet had; een hunner werd op post gesteld, om de gevangenen, die hier achtergelaten werden, te bewaken; de anderen drongen met den kapitein verder in de grot door.»Gij ziet,” zeide hij tot hen, terwijl hij hun den uitgang wees, »dat ons onheil toch ergens goed voor was, daar het ons toevallig eene wijkplaats heeft doen vinden, waar niemand ons zal komen zoeken. Gij, Frank, moet terstond naar de vereenigingsplaats, die ik aan uwe kameraden had aangewezen; breng hen hierheen, zoowel als diegenen der onzen, die aan den tocht geen deel genomen hebben. Wat u betreft, Antonio, gij moet ons levensmiddelen verschaffen; gij kunt wel te zamen gaan. Ik behoef u niet te zeggen, dat ik uwe terugkomst met ongeduld afwacht.”De beide bandieten wierpen zich zonder spreken in de rivier en waren spoedig verdwenen.Toen zich tot den overblijvende wendende, zeide hij:»Wat ons betreft, Gonzalez, laten wij wat hout bijeenrapen, om vuur aan te leggen, en bladeren om bedden van te maken; kom, aan ’t werk, aan ’t werk!”Een uur later flikkerde er een helder vuur in de grot en sliepen de bandieten, op hunne mollige bedden van drooge bladeren een gerusten slaap. Met zonsopgang kwam het overige gedeelte der bende aan. Zij waren nog dertig in getal! De kapitein voelde zijn hart zwellen, toen hij zag over welk eene rijke verzameling van schurken hij nog te beschikken had. Met hen wanhoopte hij niet zijne zaken in orde te zullen brengen, en weldra eene schitterende wraak te nemen!Na een overvloedig ontbijt van wildbraad met mezcal, dacht de[179]kapitein er eindelijk aan, om zich eens met zijne gevangenen te gaan bemoeien. Hij begaf zich naar de zaal, die hun tot gevangenis diende.Sedert hij den bandieten in handen gevallen was, had de generaal het stilzwijgen bewaard, en was hij oogenschijnlijk ongevoelig gebleven voor de slechte behandeling, waaraan hij bloot stond. De wonden, die hij ontvangen had, waren geheel verwaarloosd; zij waren ontstoken, en deden hem ontzettend veel pijn, maar hij liet geen klacht hooren. Een knagend verdriet verteerde hem, zoolang hij gevangen was; hij zag voor altijd het plan, dat hem in de prairiën gebracht had, in duigen gevallen, zonder hoop om het ooit ten uitvoer te zullen kunnen brengen. Het eenige dat hem eene lichte vertroosting aanbood, was de zekerheid, dat het zijne nicht gelukt was om te ontsnappen. Maar wat was er van haar geworden in deze wildernis, waar men slechts wilde dieren tegenkomt, en Indianen, die nog woester zijn dan wilde dieren? Hoe zou een meisje, dat aan alle gemakken des levens gewoon was, de wisselingen kunnen doorstaan van een leven vol van ontberingen? Dit denkbeeld verdubbelde zijn lijden.De kapitein was verschrikt over den toestand, waarin hij hem vond.»Kom, generaal,” zeide hij, »schep moed, voor den duivel! De kansen verkeeren vaak, daar weet ik van meê te praten.Caraï, men moet niet wanhopen, niemand kan weten, wat de dag van morgen voor hem heeft weggelegd! Geef mij uw woord van eer, dat gij niet zult pogen te ontsnappen, en ik maak oogenblikkelijk uwe banden los.”»Dat woord kan ik u niet geven,” antwoordde de generaal, »ik zou een valschen eed doen, ik zweer u integendeel, dat ik al het mogelijke in het werk zal stellen om te ontkomen.”»Bravo! goed geantwoord,” zeide de roover lachend; »in uwe plaats zou ik hetzelfde zeggen; maar ik geloof dat het u op dit oogenblik, met den besten wil van de wereld, onmogelijk zou zijn, om een stap te doen; daarom, ondanks al wat gij zegt, zal ik u en uwen bediende de vrijheid geven, gij moogt er mede doen, wat gij wilt.”En hij sneed de touwen door, waarmede de armen van den generaal gebonden waren; vervolgens bewees hij dezelfde dienst aan den neger Jupiter.Deze, zoodra hij zich vrij gevoelde, begon te springen en te lachen, en vertoonde twee rijen groote schitterende tanden.»Kom, houd u stil, vagebond,” zeide de roover; »gij moet hier bedaard zijn, als gij niet wilt dat ik u een kogel door den kop jaag.”»Ik zal niet weggaan zonder mijn meester,” antwoordde Jupiter, een paar groote oogen opzettende.»Akkoord, zwarte nikker!” hernam de roover; »dat blijft afgesproken; die zelfverloochening doet u eer aan.”En zich weder tot den generaal wendende, bette de kapitein diens wonden met koud water, en verbond hem met de meeste zorg; vervolgens aan de gevangenen spijzen voorgezet hebbende, aan welke de neger alleen de noodige eer bewees, verwijderde hij zich omstreeks[180]den middag, en verzamelde de voornaamsten der bende om zich heen.»Caballeros!” zeide hij, »wij kunnen het niet ontkennen; wij hebben de eerste partij verloren: de gevangenen, die wij hebben veroverd, kunnen onmogelijk onze kosten goed maken; wij mogen niet in een nederlaag berusten, die ons onteert en belachelijk maakt. Ik ga een tweeden aanval ondernemen; zoo mij die niet gelukt, zal het slecht met mij afloopen; houdt een waakzaam oog over de gevangenen, terwijl ik afwezig ben. Let vooral op hetgeen ik u nu ga zeggen: zoo ik morgen te middernacht niet heelhuids onder u ben weêrgekeerd, morgen om vijftien minuten over twaalven, schiet dan de beide gevangenen zonder genade dood; gij hebt mij begrepen, niet waar? zonder genade.”»Wees gerust, kapitein,” antwoordde Frank in aller naam, »gij kunt gaan, uwe bevelen zullen worden ten uitvoer gebracht.”»Daar reken ik op; maar schiet hen vooral geen minuut vroeger of later dood.”»Precies op het uur.”»Dat is afgesproken; nu, vaart wel; wordt niet al te ongeduldig, als gij mij niet spoedig terugziet.”En de kapitein verliet de grot, om zich naar Edelhart te begeven.Wij hebben reeds gezien wat de bandiet bij den jager was gaan doen.
[Inhoud]XI.DE GEVANGENE.Toen de Roodhuiden en de jagers het kamp der Mexicanen veroverd hadden, hadden de roovers, volgens den last van hunnen hoofdman, zich in alle richtingen verstrooid, om des te gemakkelijker aan de nasporingen hunner vijanden te ontkomen.De kapitein en de vier mannen, die den generaal en zijn neger droegen, waren langs de helling der rotsen naar beneden gegaan, op gevaar af van duizendmaal verbrijzeld te worden en in de diepte te storten, die aan hunne voeten gaapte. Op zekeren afstand gekomen, en gerust gesteld door de stilte, die om hen heen heerschte, en meer nog door de ongehoorde moeielijkheden, die zij overwonnen hadden, om de plaats te bereiken, waar zij zich bevonden, bleven zij stilstaan, om adem te scheppen. Een dikke duisternis omgaf hen, boven hunne hoofden zagen zij, op een ontzaglijke hoogte, evenals zoovele sterren de fakkels glinsteren van de jagers, die hen vervolgden, maar die het niet waagden denzelfden weg te gaan, langs welken zij gekomen waren.»’t Gaat goed,” zeide de kapitein; »komt, kinderen, wij kunnen nu eenige oogenblikken uitrusten. Wij hebben voor het tegenwoordige niets te vreezen; legt uwe gevangenen hier neder, en dat twee uwer de omstreken gaan verkennen.”Zijne bevelen werden ten uitvoer gebracht; eenige minuten later kwamen de beide bandieten zeggen, dat zij een hol hadden ontdekt, dat hun voorloopig tot schuilplaats kon verstrekken.»Duivels!” zeide de kapitein, »laat ons daar heen gaan;” en zelf het voorbeeld gevende, stond hij op, en verwijderde zich, gevolgd door de anderen.Zij kwamen weldra aan eene grot, die vrij ruim scheen te zijn, en die maar weinige voeten lager was dan de plaats, waar zij zich in ’t eerst hadden nedergezet.Toen zij zich hier in veiligheid gesteld hadden, was het de eerste zorg van den kapitein om den ingang er van met behulp van een deken geheel dicht te sluiten, hetgeen niet moeielijk viel, daar de ingang vrij nauw was, zoodat de bandieten hadden moeten bukken, om er in te komen.»Daar,” zeide de kapitein, »zijn wij nu thuis; hier behoeven wij niet bang te zijn, dat een onbescheiden oog ons bespieden zal.” En een vuursteen uit zijn zak halende, stak hij eene toorts van kaarshout aan, die hij tot dat einde de voorzichtigheid gehad had van mede te nemen. Zoodra zij de voorwerpen om hen heen konden onderscheiden, slaakten de bandieten een kreet van vreugde. Wat in de duisternis slechts een eenvoudig hol scheen te zijn, was een[177]natuurlijke onderaardsche grot, gelijk er in deze gewesten velen voorkomen.»Wel zoo!” zeide de kapitein, »laat ons eens zien waar wij zijn; blijft daar, gij allen, houdt een waakzaam oog over de gevangenen, ik ga ons nieuw grondgebied verkennen.”Na een tweede toorts aangestoken te hebben, onderzocht hij de grot. Met een zachte helling liep zij onder den berg door; de wanden waren overal vrij hoog, en de ruimte daartusschen meestal breed genoeg om ruime zalen te vormen. Door onzichtbare spleten moest zij van buiten versche lucht ontvangen, want het licht brandde zonder moeite, en de kapitein haalde er zeer gemakkelijk adem. Hoe verder hij voortging, des te frisscher werd de lucht, hetgeen hem deed gissen, dat hij zich nabij een anderen uitgang bevond. Zoo liep hij reeds twintig minuten, toen eene windvlaag, die hem in het aangezicht sloeg, zijn toorts deed opflikkeren.»Hm!” mompelde hij, »ziedaar een uitgang; laat ons voorzichtig zijn; ik zal het licht uitdoen, men kan nooit weten, wat men daar buiten tegenkomt.”Hij trapte zijne toorts uit, en bleef eenige oogenblikken stil staan, om aan zijne oogen den tijd te geven zich aan de duisternis te gewennen. Hij was een voorzichtig man, en zijn vak van bandietenhoofdman volkomen meester; zoo het plan, dat hij gevormd had, om het kamp aan te vallen, schipbreuk geleden had, was dit slechts het gevolg van een samenloop van omstandigheden, die hij onmogelijk had kunnen voorzien. Toen dan ook de eerste booze bui over de ontvangen nederlaag was overgewaaid had hij terstond zijne partij gekozen, terwijl hij zich het genoegen voorbehield, om zich bij de eerste gelegenheid de beste te wreken. De fortuin scheen hem overigens op nieuw toe te lachen, daar zij hem, juist toen hij er de meeste behoefte aan had, een bijna ondoordringbare schuilplaats aanbood.Blijde en vol hoop wachtte hij dus tot zijne oogen zich aan de duisternis hadden gewend, en hem vergunden de voorwerpen te onderscheiden, om te weten of hij werkelijk een uitgang zou vinden, die hem meester zou maken van eene bijna onoverwinnelijke sterkte.Hij bedroog zich niet in zijne verwachting. Zoodra de vlam opgehouden had hem te verblinden, bemerkte hij op vrij grooten afstand vóór zich uit een flauw schijnsel. Hij liep moedig voort; na eenige minuten kwam hij aan den zoo zeer begeerden uitgang.Deze uitgang bevond zich bij den oever eener kleine rivier, waarvan het water onder het gewelf der grot dood liep, zoodat de bandieten slechts te water behoefden te gaan om haar te ontruimen, zonder eenig spoor achter te laten, en alzoo elke nasporing vruchteloos konden maken.De kapitein kende de prairiën van het Westen, waarin hij sedert bijna tien jaren zijn eerloos en winstgevend beroep uitoefende, te[178]goed, om zich niet gemakkelijk te oriënteren, en binnen een oogenblik te weten, waar hij zich bevond. Hij zag dat deze rivier vrij ver verwijderd was van het kamp der Mexicanen, welke afstand nog vergroot werd door hare tallooze kronkelingen. Hij slaakte een kreet van zelfvoldoening, en toen hij goed wist waar hij zich bevond, en niet meer vreesde ontdekt te zullen worden, stak hij zijn toorts weder aan, en keerde langs denzelfden weg, dien hij gekomen was, terug.Zijne makkers waren in slaap gevallen, met uitzondering van één, die de gevangenen bewaakte. De kapitein wekte hen.»Komt,” zeide hij, »het is nu geen tijd van slapen; wij hebben wel wat anders te doen.” De bandieten stonden met weêrzin op, wreven de oogen uit, en gaapten alsof zij zich de kakebeenen wilden verrekken.De kapitein liet hen eerst de opening, die hun toegang verleend had, zorgvuldig dichtstoppen, en gaf toen bevel, dat zij met de gevangenen, wier beenen men had losgemaakt, opdat zij zouden kunnen loopen, hem onmiddellijk volgen zouden.Zij hielden halt in een der vele zalen, die de kapitein op zijn weg ontmoet had; een hunner werd op post gesteld, om de gevangenen, die hier achtergelaten werden, te bewaken; de anderen drongen met den kapitein verder in de grot door.»Gij ziet,” zeide hij tot hen, terwijl hij hun den uitgang wees, »dat ons onheil toch ergens goed voor was, daar het ons toevallig eene wijkplaats heeft doen vinden, waar niemand ons zal komen zoeken. Gij, Frank, moet terstond naar de vereenigingsplaats, die ik aan uwe kameraden had aangewezen; breng hen hierheen, zoowel als diegenen der onzen, die aan den tocht geen deel genomen hebben. Wat u betreft, Antonio, gij moet ons levensmiddelen verschaffen; gij kunt wel te zamen gaan. Ik behoef u niet te zeggen, dat ik uwe terugkomst met ongeduld afwacht.”De beide bandieten wierpen zich zonder spreken in de rivier en waren spoedig verdwenen.Toen zich tot den overblijvende wendende, zeide hij:»Wat ons betreft, Gonzalez, laten wij wat hout bijeenrapen, om vuur aan te leggen, en bladeren om bedden van te maken; kom, aan ’t werk, aan ’t werk!”Een uur later flikkerde er een helder vuur in de grot en sliepen de bandieten, op hunne mollige bedden van drooge bladeren een gerusten slaap. Met zonsopgang kwam het overige gedeelte der bende aan. Zij waren nog dertig in getal! De kapitein voelde zijn hart zwellen, toen hij zag over welk eene rijke verzameling van schurken hij nog te beschikken had. Met hen wanhoopte hij niet zijne zaken in orde te zullen brengen, en weldra eene schitterende wraak te nemen!Na een overvloedig ontbijt van wildbraad met mezcal, dacht de[179]kapitein er eindelijk aan, om zich eens met zijne gevangenen te gaan bemoeien. Hij begaf zich naar de zaal, die hun tot gevangenis diende.Sedert hij den bandieten in handen gevallen was, had de generaal het stilzwijgen bewaard, en was hij oogenschijnlijk ongevoelig gebleven voor de slechte behandeling, waaraan hij bloot stond. De wonden, die hij ontvangen had, waren geheel verwaarloosd; zij waren ontstoken, en deden hem ontzettend veel pijn, maar hij liet geen klacht hooren. Een knagend verdriet verteerde hem, zoolang hij gevangen was; hij zag voor altijd het plan, dat hem in de prairiën gebracht had, in duigen gevallen, zonder hoop om het ooit ten uitvoer te zullen kunnen brengen. Het eenige dat hem eene lichte vertroosting aanbood, was de zekerheid, dat het zijne nicht gelukt was om te ontsnappen. Maar wat was er van haar geworden in deze wildernis, waar men slechts wilde dieren tegenkomt, en Indianen, die nog woester zijn dan wilde dieren? Hoe zou een meisje, dat aan alle gemakken des levens gewoon was, de wisselingen kunnen doorstaan van een leven vol van ontberingen? Dit denkbeeld verdubbelde zijn lijden.De kapitein was verschrikt over den toestand, waarin hij hem vond.»Kom, generaal,” zeide hij, »schep moed, voor den duivel! De kansen verkeeren vaak, daar weet ik van meê te praten.Caraï, men moet niet wanhopen, niemand kan weten, wat de dag van morgen voor hem heeft weggelegd! Geef mij uw woord van eer, dat gij niet zult pogen te ontsnappen, en ik maak oogenblikkelijk uwe banden los.”»Dat woord kan ik u niet geven,” antwoordde de generaal, »ik zou een valschen eed doen, ik zweer u integendeel, dat ik al het mogelijke in het werk zal stellen om te ontkomen.”»Bravo! goed geantwoord,” zeide de roover lachend; »in uwe plaats zou ik hetzelfde zeggen; maar ik geloof dat het u op dit oogenblik, met den besten wil van de wereld, onmogelijk zou zijn, om een stap te doen; daarom, ondanks al wat gij zegt, zal ik u en uwen bediende de vrijheid geven, gij moogt er mede doen, wat gij wilt.”En hij sneed de touwen door, waarmede de armen van den generaal gebonden waren; vervolgens bewees hij dezelfde dienst aan den neger Jupiter.Deze, zoodra hij zich vrij gevoelde, begon te springen en te lachen, en vertoonde twee rijen groote schitterende tanden.»Kom, houd u stil, vagebond,” zeide de roover; »gij moet hier bedaard zijn, als gij niet wilt dat ik u een kogel door den kop jaag.”»Ik zal niet weggaan zonder mijn meester,” antwoordde Jupiter, een paar groote oogen opzettende.»Akkoord, zwarte nikker!” hernam de roover; »dat blijft afgesproken; die zelfverloochening doet u eer aan.”En zich weder tot den generaal wendende, bette de kapitein diens wonden met koud water, en verbond hem met de meeste zorg; vervolgens aan de gevangenen spijzen voorgezet hebbende, aan welke de neger alleen de noodige eer bewees, verwijderde hij zich omstreeks[180]den middag, en verzamelde de voornaamsten der bende om zich heen.»Caballeros!” zeide hij, »wij kunnen het niet ontkennen; wij hebben de eerste partij verloren: de gevangenen, die wij hebben veroverd, kunnen onmogelijk onze kosten goed maken; wij mogen niet in een nederlaag berusten, die ons onteert en belachelijk maakt. Ik ga een tweeden aanval ondernemen; zoo mij die niet gelukt, zal het slecht met mij afloopen; houdt een waakzaam oog over de gevangenen, terwijl ik afwezig ben. Let vooral op hetgeen ik u nu ga zeggen: zoo ik morgen te middernacht niet heelhuids onder u ben weêrgekeerd, morgen om vijftien minuten over twaalven, schiet dan de beide gevangenen zonder genade dood; gij hebt mij begrepen, niet waar? zonder genade.”»Wees gerust, kapitein,” antwoordde Frank in aller naam, »gij kunt gaan, uwe bevelen zullen worden ten uitvoer gebracht.”»Daar reken ik op; maar schiet hen vooral geen minuut vroeger of later dood.”»Precies op het uur.”»Dat is afgesproken; nu, vaart wel; wordt niet al te ongeduldig, als gij mij niet spoedig terugziet.”En de kapitein verliet de grot, om zich naar Edelhart te begeven.Wij hebben reeds gezien wat de bandiet bij den jager was gaan doen.
[Inhoud]XI.DE GEVANGENE.Toen de Roodhuiden en de jagers het kamp der Mexicanen veroverd hadden, hadden de roovers, volgens den last van hunnen hoofdman, zich in alle richtingen verstrooid, om des te gemakkelijker aan de nasporingen hunner vijanden te ontkomen.De kapitein en de vier mannen, die den generaal en zijn neger droegen, waren langs de helling der rotsen naar beneden gegaan, op gevaar af van duizendmaal verbrijzeld te worden en in de diepte te storten, die aan hunne voeten gaapte. Op zekeren afstand gekomen, en gerust gesteld door de stilte, die om hen heen heerschte, en meer nog door de ongehoorde moeielijkheden, die zij overwonnen hadden, om de plaats te bereiken, waar zij zich bevonden, bleven zij stilstaan, om adem te scheppen. Een dikke duisternis omgaf hen, boven hunne hoofden zagen zij, op een ontzaglijke hoogte, evenals zoovele sterren de fakkels glinsteren van de jagers, die hen vervolgden, maar die het niet waagden denzelfden weg te gaan, langs welken zij gekomen waren.»’t Gaat goed,” zeide de kapitein; »komt, kinderen, wij kunnen nu eenige oogenblikken uitrusten. Wij hebben voor het tegenwoordige niets te vreezen; legt uwe gevangenen hier neder, en dat twee uwer de omstreken gaan verkennen.”Zijne bevelen werden ten uitvoer gebracht; eenige minuten later kwamen de beide bandieten zeggen, dat zij een hol hadden ontdekt, dat hun voorloopig tot schuilplaats kon verstrekken.»Duivels!” zeide de kapitein, »laat ons daar heen gaan;” en zelf het voorbeeld gevende, stond hij op, en verwijderde zich, gevolgd door de anderen.Zij kwamen weldra aan eene grot, die vrij ruim scheen te zijn, en die maar weinige voeten lager was dan de plaats, waar zij zich in ’t eerst hadden nedergezet.Toen zij zich hier in veiligheid gesteld hadden, was het de eerste zorg van den kapitein om den ingang er van met behulp van een deken geheel dicht te sluiten, hetgeen niet moeielijk viel, daar de ingang vrij nauw was, zoodat de bandieten hadden moeten bukken, om er in te komen.»Daar,” zeide de kapitein, »zijn wij nu thuis; hier behoeven wij niet bang te zijn, dat een onbescheiden oog ons bespieden zal.” En een vuursteen uit zijn zak halende, stak hij eene toorts van kaarshout aan, die hij tot dat einde de voorzichtigheid gehad had van mede te nemen. Zoodra zij de voorwerpen om hen heen konden onderscheiden, slaakten de bandieten een kreet van vreugde. Wat in de duisternis slechts een eenvoudig hol scheen te zijn, was een[177]natuurlijke onderaardsche grot, gelijk er in deze gewesten velen voorkomen.»Wel zoo!” zeide de kapitein, »laat ons eens zien waar wij zijn; blijft daar, gij allen, houdt een waakzaam oog over de gevangenen, ik ga ons nieuw grondgebied verkennen.”Na een tweede toorts aangestoken te hebben, onderzocht hij de grot. Met een zachte helling liep zij onder den berg door; de wanden waren overal vrij hoog, en de ruimte daartusschen meestal breed genoeg om ruime zalen te vormen. Door onzichtbare spleten moest zij van buiten versche lucht ontvangen, want het licht brandde zonder moeite, en de kapitein haalde er zeer gemakkelijk adem. Hoe verder hij voortging, des te frisscher werd de lucht, hetgeen hem deed gissen, dat hij zich nabij een anderen uitgang bevond. Zoo liep hij reeds twintig minuten, toen eene windvlaag, die hem in het aangezicht sloeg, zijn toorts deed opflikkeren.»Hm!” mompelde hij, »ziedaar een uitgang; laat ons voorzichtig zijn; ik zal het licht uitdoen, men kan nooit weten, wat men daar buiten tegenkomt.”Hij trapte zijne toorts uit, en bleef eenige oogenblikken stil staan, om aan zijne oogen den tijd te geven zich aan de duisternis te gewennen. Hij was een voorzichtig man, en zijn vak van bandietenhoofdman volkomen meester; zoo het plan, dat hij gevormd had, om het kamp aan te vallen, schipbreuk geleden had, was dit slechts het gevolg van een samenloop van omstandigheden, die hij onmogelijk had kunnen voorzien. Toen dan ook de eerste booze bui over de ontvangen nederlaag was overgewaaid had hij terstond zijne partij gekozen, terwijl hij zich het genoegen voorbehield, om zich bij de eerste gelegenheid de beste te wreken. De fortuin scheen hem overigens op nieuw toe te lachen, daar zij hem, juist toen hij er de meeste behoefte aan had, een bijna ondoordringbare schuilplaats aanbood.Blijde en vol hoop wachtte hij dus tot zijne oogen zich aan de duisternis hadden gewend, en hem vergunden de voorwerpen te onderscheiden, om te weten of hij werkelijk een uitgang zou vinden, die hem meester zou maken van eene bijna onoverwinnelijke sterkte.Hij bedroog zich niet in zijne verwachting. Zoodra de vlam opgehouden had hem te verblinden, bemerkte hij op vrij grooten afstand vóór zich uit een flauw schijnsel. Hij liep moedig voort; na eenige minuten kwam hij aan den zoo zeer begeerden uitgang.Deze uitgang bevond zich bij den oever eener kleine rivier, waarvan het water onder het gewelf der grot dood liep, zoodat de bandieten slechts te water behoefden te gaan om haar te ontruimen, zonder eenig spoor achter te laten, en alzoo elke nasporing vruchteloos konden maken.De kapitein kende de prairiën van het Westen, waarin hij sedert bijna tien jaren zijn eerloos en winstgevend beroep uitoefende, te[178]goed, om zich niet gemakkelijk te oriënteren, en binnen een oogenblik te weten, waar hij zich bevond. Hij zag dat deze rivier vrij ver verwijderd was van het kamp der Mexicanen, welke afstand nog vergroot werd door hare tallooze kronkelingen. Hij slaakte een kreet van zelfvoldoening, en toen hij goed wist waar hij zich bevond, en niet meer vreesde ontdekt te zullen worden, stak hij zijn toorts weder aan, en keerde langs denzelfden weg, dien hij gekomen was, terug.Zijne makkers waren in slaap gevallen, met uitzondering van één, die de gevangenen bewaakte. De kapitein wekte hen.»Komt,” zeide hij, »het is nu geen tijd van slapen; wij hebben wel wat anders te doen.” De bandieten stonden met weêrzin op, wreven de oogen uit, en gaapten alsof zij zich de kakebeenen wilden verrekken.De kapitein liet hen eerst de opening, die hun toegang verleend had, zorgvuldig dichtstoppen, en gaf toen bevel, dat zij met de gevangenen, wier beenen men had losgemaakt, opdat zij zouden kunnen loopen, hem onmiddellijk volgen zouden.Zij hielden halt in een der vele zalen, die de kapitein op zijn weg ontmoet had; een hunner werd op post gesteld, om de gevangenen, die hier achtergelaten werden, te bewaken; de anderen drongen met den kapitein verder in de grot door.»Gij ziet,” zeide hij tot hen, terwijl hij hun den uitgang wees, »dat ons onheil toch ergens goed voor was, daar het ons toevallig eene wijkplaats heeft doen vinden, waar niemand ons zal komen zoeken. Gij, Frank, moet terstond naar de vereenigingsplaats, die ik aan uwe kameraden had aangewezen; breng hen hierheen, zoowel als diegenen der onzen, die aan den tocht geen deel genomen hebben. Wat u betreft, Antonio, gij moet ons levensmiddelen verschaffen; gij kunt wel te zamen gaan. Ik behoef u niet te zeggen, dat ik uwe terugkomst met ongeduld afwacht.”De beide bandieten wierpen zich zonder spreken in de rivier en waren spoedig verdwenen.Toen zich tot den overblijvende wendende, zeide hij:»Wat ons betreft, Gonzalez, laten wij wat hout bijeenrapen, om vuur aan te leggen, en bladeren om bedden van te maken; kom, aan ’t werk, aan ’t werk!”Een uur later flikkerde er een helder vuur in de grot en sliepen de bandieten, op hunne mollige bedden van drooge bladeren een gerusten slaap. Met zonsopgang kwam het overige gedeelte der bende aan. Zij waren nog dertig in getal! De kapitein voelde zijn hart zwellen, toen hij zag over welk eene rijke verzameling van schurken hij nog te beschikken had. Met hen wanhoopte hij niet zijne zaken in orde te zullen brengen, en weldra eene schitterende wraak te nemen!Na een overvloedig ontbijt van wildbraad met mezcal, dacht de[179]kapitein er eindelijk aan, om zich eens met zijne gevangenen te gaan bemoeien. Hij begaf zich naar de zaal, die hun tot gevangenis diende.Sedert hij den bandieten in handen gevallen was, had de generaal het stilzwijgen bewaard, en was hij oogenschijnlijk ongevoelig gebleven voor de slechte behandeling, waaraan hij bloot stond. De wonden, die hij ontvangen had, waren geheel verwaarloosd; zij waren ontstoken, en deden hem ontzettend veel pijn, maar hij liet geen klacht hooren. Een knagend verdriet verteerde hem, zoolang hij gevangen was; hij zag voor altijd het plan, dat hem in de prairiën gebracht had, in duigen gevallen, zonder hoop om het ooit ten uitvoer te zullen kunnen brengen. Het eenige dat hem eene lichte vertroosting aanbood, was de zekerheid, dat het zijne nicht gelukt was om te ontsnappen. Maar wat was er van haar geworden in deze wildernis, waar men slechts wilde dieren tegenkomt, en Indianen, die nog woester zijn dan wilde dieren? Hoe zou een meisje, dat aan alle gemakken des levens gewoon was, de wisselingen kunnen doorstaan van een leven vol van ontberingen? Dit denkbeeld verdubbelde zijn lijden.De kapitein was verschrikt over den toestand, waarin hij hem vond.»Kom, generaal,” zeide hij, »schep moed, voor den duivel! De kansen verkeeren vaak, daar weet ik van meê te praten.Caraï, men moet niet wanhopen, niemand kan weten, wat de dag van morgen voor hem heeft weggelegd! Geef mij uw woord van eer, dat gij niet zult pogen te ontsnappen, en ik maak oogenblikkelijk uwe banden los.”»Dat woord kan ik u niet geven,” antwoordde de generaal, »ik zou een valschen eed doen, ik zweer u integendeel, dat ik al het mogelijke in het werk zal stellen om te ontkomen.”»Bravo! goed geantwoord,” zeide de roover lachend; »in uwe plaats zou ik hetzelfde zeggen; maar ik geloof dat het u op dit oogenblik, met den besten wil van de wereld, onmogelijk zou zijn, om een stap te doen; daarom, ondanks al wat gij zegt, zal ik u en uwen bediende de vrijheid geven, gij moogt er mede doen, wat gij wilt.”En hij sneed de touwen door, waarmede de armen van den generaal gebonden waren; vervolgens bewees hij dezelfde dienst aan den neger Jupiter.Deze, zoodra hij zich vrij gevoelde, begon te springen en te lachen, en vertoonde twee rijen groote schitterende tanden.»Kom, houd u stil, vagebond,” zeide de roover; »gij moet hier bedaard zijn, als gij niet wilt dat ik u een kogel door den kop jaag.”»Ik zal niet weggaan zonder mijn meester,” antwoordde Jupiter, een paar groote oogen opzettende.»Akkoord, zwarte nikker!” hernam de roover; »dat blijft afgesproken; die zelfverloochening doet u eer aan.”En zich weder tot den generaal wendende, bette de kapitein diens wonden met koud water, en verbond hem met de meeste zorg; vervolgens aan de gevangenen spijzen voorgezet hebbende, aan welke de neger alleen de noodige eer bewees, verwijderde hij zich omstreeks[180]den middag, en verzamelde de voornaamsten der bende om zich heen.»Caballeros!” zeide hij, »wij kunnen het niet ontkennen; wij hebben de eerste partij verloren: de gevangenen, die wij hebben veroverd, kunnen onmogelijk onze kosten goed maken; wij mogen niet in een nederlaag berusten, die ons onteert en belachelijk maakt. Ik ga een tweeden aanval ondernemen; zoo mij die niet gelukt, zal het slecht met mij afloopen; houdt een waakzaam oog over de gevangenen, terwijl ik afwezig ben. Let vooral op hetgeen ik u nu ga zeggen: zoo ik morgen te middernacht niet heelhuids onder u ben weêrgekeerd, morgen om vijftien minuten over twaalven, schiet dan de beide gevangenen zonder genade dood; gij hebt mij begrepen, niet waar? zonder genade.”»Wees gerust, kapitein,” antwoordde Frank in aller naam, »gij kunt gaan, uwe bevelen zullen worden ten uitvoer gebracht.”»Daar reken ik op; maar schiet hen vooral geen minuut vroeger of later dood.”»Precies op het uur.”»Dat is afgesproken; nu, vaart wel; wordt niet al te ongeduldig, als gij mij niet spoedig terugziet.”En de kapitein verliet de grot, om zich naar Edelhart te begeven.Wij hebben reeds gezien wat de bandiet bij den jager was gaan doen.
XI.DE GEVANGENE.
Toen de Roodhuiden en de jagers het kamp der Mexicanen veroverd hadden, hadden de roovers, volgens den last van hunnen hoofdman, zich in alle richtingen verstrooid, om des te gemakkelijker aan de nasporingen hunner vijanden te ontkomen.De kapitein en de vier mannen, die den generaal en zijn neger droegen, waren langs de helling der rotsen naar beneden gegaan, op gevaar af van duizendmaal verbrijzeld te worden en in de diepte te storten, die aan hunne voeten gaapte. Op zekeren afstand gekomen, en gerust gesteld door de stilte, die om hen heen heerschte, en meer nog door de ongehoorde moeielijkheden, die zij overwonnen hadden, om de plaats te bereiken, waar zij zich bevonden, bleven zij stilstaan, om adem te scheppen. Een dikke duisternis omgaf hen, boven hunne hoofden zagen zij, op een ontzaglijke hoogte, evenals zoovele sterren de fakkels glinsteren van de jagers, die hen vervolgden, maar die het niet waagden denzelfden weg te gaan, langs welken zij gekomen waren.»’t Gaat goed,” zeide de kapitein; »komt, kinderen, wij kunnen nu eenige oogenblikken uitrusten. Wij hebben voor het tegenwoordige niets te vreezen; legt uwe gevangenen hier neder, en dat twee uwer de omstreken gaan verkennen.”Zijne bevelen werden ten uitvoer gebracht; eenige minuten later kwamen de beide bandieten zeggen, dat zij een hol hadden ontdekt, dat hun voorloopig tot schuilplaats kon verstrekken.»Duivels!” zeide de kapitein, »laat ons daar heen gaan;” en zelf het voorbeeld gevende, stond hij op, en verwijderde zich, gevolgd door de anderen.Zij kwamen weldra aan eene grot, die vrij ruim scheen te zijn, en die maar weinige voeten lager was dan de plaats, waar zij zich in ’t eerst hadden nedergezet.Toen zij zich hier in veiligheid gesteld hadden, was het de eerste zorg van den kapitein om den ingang er van met behulp van een deken geheel dicht te sluiten, hetgeen niet moeielijk viel, daar de ingang vrij nauw was, zoodat de bandieten hadden moeten bukken, om er in te komen.»Daar,” zeide de kapitein, »zijn wij nu thuis; hier behoeven wij niet bang te zijn, dat een onbescheiden oog ons bespieden zal.” En een vuursteen uit zijn zak halende, stak hij eene toorts van kaarshout aan, die hij tot dat einde de voorzichtigheid gehad had van mede te nemen. Zoodra zij de voorwerpen om hen heen konden onderscheiden, slaakten de bandieten een kreet van vreugde. Wat in de duisternis slechts een eenvoudig hol scheen te zijn, was een[177]natuurlijke onderaardsche grot, gelijk er in deze gewesten velen voorkomen.»Wel zoo!” zeide de kapitein, »laat ons eens zien waar wij zijn; blijft daar, gij allen, houdt een waakzaam oog over de gevangenen, ik ga ons nieuw grondgebied verkennen.”Na een tweede toorts aangestoken te hebben, onderzocht hij de grot. Met een zachte helling liep zij onder den berg door; de wanden waren overal vrij hoog, en de ruimte daartusschen meestal breed genoeg om ruime zalen te vormen. Door onzichtbare spleten moest zij van buiten versche lucht ontvangen, want het licht brandde zonder moeite, en de kapitein haalde er zeer gemakkelijk adem. Hoe verder hij voortging, des te frisscher werd de lucht, hetgeen hem deed gissen, dat hij zich nabij een anderen uitgang bevond. Zoo liep hij reeds twintig minuten, toen eene windvlaag, die hem in het aangezicht sloeg, zijn toorts deed opflikkeren.»Hm!” mompelde hij, »ziedaar een uitgang; laat ons voorzichtig zijn; ik zal het licht uitdoen, men kan nooit weten, wat men daar buiten tegenkomt.”Hij trapte zijne toorts uit, en bleef eenige oogenblikken stil staan, om aan zijne oogen den tijd te geven zich aan de duisternis te gewennen. Hij was een voorzichtig man, en zijn vak van bandietenhoofdman volkomen meester; zoo het plan, dat hij gevormd had, om het kamp aan te vallen, schipbreuk geleden had, was dit slechts het gevolg van een samenloop van omstandigheden, die hij onmogelijk had kunnen voorzien. Toen dan ook de eerste booze bui over de ontvangen nederlaag was overgewaaid had hij terstond zijne partij gekozen, terwijl hij zich het genoegen voorbehield, om zich bij de eerste gelegenheid de beste te wreken. De fortuin scheen hem overigens op nieuw toe te lachen, daar zij hem, juist toen hij er de meeste behoefte aan had, een bijna ondoordringbare schuilplaats aanbood.Blijde en vol hoop wachtte hij dus tot zijne oogen zich aan de duisternis hadden gewend, en hem vergunden de voorwerpen te onderscheiden, om te weten of hij werkelijk een uitgang zou vinden, die hem meester zou maken van eene bijna onoverwinnelijke sterkte.Hij bedroog zich niet in zijne verwachting. Zoodra de vlam opgehouden had hem te verblinden, bemerkte hij op vrij grooten afstand vóór zich uit een flauw schijnsel. Hij liep moedig voort; na eenige minuten kwam hij aan den zoo zeer begeerden uitgang.Deze uitgang bevond zich bij den oever eener kleine rivier, waarvan het water onder het gewelf der grot dood liep, zoodat de bandieten slechts te water behoefden te gaan om haar te ontruimen, zonder eenig spoor achter te laten, en alzoo elke nasporing vruchteloos konden maken.De kapitein kende de prairiën van het Westen, waarin hij sedert bijna tien jaren zijn eerloos en winstgevend beroep uitoefende, te[178]goed, om zich niet gemakkelijk te oriënteren, en binnen een oogenblik te weten, waar hij zich bevond. Hij zag dat deze rivier vrij ver verwijderd was van het kamp der Mexicanen, welke afstand nog vergroot werd door hare tallooze kronkelingen. Hij slaakte een kreet van zelfvoldoening, en toen hij goed wist waar hij zich bevond, en niet meer vreesde ontdekt te zullen worden, stak hij zijn toorts weder aan, en keerde langs denzelfden weg, dien hij gekomen was, terug.Zijne makkers waren in slaap gevallen, met uitzondering van één, die de gevangenen bewaakte. De kapitein wekte hen.»Komt,” zeide hij, »het is nu geen tijd van slapen; wij hebben wel wat anders te doen.” De bandieten stonden met weêrzin op, wreven de oogen uit, en gaapten alsof zij zich de kakebeenen wilden verrekken.De kapitein liet hen eerst de opening, die hun toegang verleend had, zorgvuldig dichtstoppen, en gaf toen bevel, dat zij met de gevangenen, wier beenen men had losgemaakt, opdat zij zouden kunnen loopen, hem onmiddellijk volgen zouden.Zij hielden halt in een der vele zalen, die de kapitein op zijn weg ontmoet had; een hunner werd op post gesteld, om de gevangenen, die hier achtergelaten werden, te bewaken; de anderen drongen met den kapitein verder in de grot door.»Gij ziet,” zeide hij tot hen, terwijl hij hun den uitgang wees, »dat ons onheil toch ergens goed voor was, daar het ons toevallig eene wijkplaats heeft doen vinden, waar niemand ons zal komen zoeken. Gij, Frank, moet terstond naar de vereenigingsplaats, die ik aan uwe kameraden had aangewezen; breng hen hierheen, zoowel als diegenen der onzen, die aan den tocht geen deel genomen hebben. Wat u betreft, Antonio, gij moet ons levensmiddelen verschaffen; gij kunt wel te zamen gaan. Ik behoef u niet te zeggen, dat ik uwe terugkomst met ongeduld afwacht.”De beide bandieten wierpen zich zonder spreken in de rivier en waren spoedig verdwenen.Toen zich tot den overblijvende wendende, zeide hij:»Wat ons betreft, Gonzalez, laten wij wat hout bijeenrapen, om vuur aan te leggen, en bladeren om bedden van te maken; kom, aan ’t werk, aan ’t werk!”Een uur later flikkerde er een helder vuur in de grot en sliepen de bandieten, op hunne mollige bedden van drooge bladeren een gerusten slaap. Met zonsopgang kwam het overige gedeelte der bende aan. Zij waren nog dertig in getal! De kapitein voelde zijn hart zwellen, toen hij zag over welk eene rijke verzameling van schurken hij nog te beschikken had. Met hen wanhoopte hij niet zijne zaken in orde te zullen brengen, en weldra eene schitterende wraak te nemen!Na een overvloedig ontbijt van wildbraad met mezcal, dacht de[179]kapitein er eindelijk aan, om zich eens met zijne gevangenen te gaan bemoeien. Hij begaf zich naar de zaal, die hun tot gevangenis diende.Sedert hij den bandieten in handen gevallen was, had de generaal het stilzwijgen bewaard, en was hij oogenschijnlijk ongevoelig gebleven voor de slechte behandeling, waaraan hij bloot stond. De wonden, die hij ontvangen had, waren geheel verwaarloosd; zij waren ontstoken, en deden hem ontzettend veel pijn, maar hij liet geen klacht hooren. Een knagend verdriet verteerde hem, zoolang hij gevangen was; hij zag voor altijd het plan, dat hem in de prairiën gebracht had, in duigen gevallen, zonder hoop om het ooit ten uitvoer te zullen kunnen brengen. Het eenige dat hem eene lichte vertroosting aanbood, was de zekerheid, dat het zijne nicht gelukt was om te ontsnappen. Maar wat was er van haar geworden in deze wildernis, waar men slechts wilde dieren tegenkomt, en Indianen, die nog woester zijn dan wilde dieren? Hoe zou een meisje, dat aan alle gemakken des levens gewoon was, de wisselingen kunnen doorstaan van een leven vol van ontberingen? Dit denkbeeld verdubbelde zijn lijden.De kapitein was verschrikt over den toestand, waarin hij hem vond.»Kom, generaal,” zeide hij, »schep moed, voor den duivel! De kansen verkeeren vaak, daar weet ik van meê te praten.Caraï, men moet niet wanhopen, niemand kan weten, wat de dag van morgen voor hem heeft weggelegd! Geef mij uw woord van eer, dat gij niet zult pogen te ontsnappen, en ik maak oogenblikkelijk uwe banden los.”»Dat woord kan ik u niet geven,” antwoordde de generaal, »ik zou een valschen eed doen, ik zweer u integendeel, dat ik al het mogelijke in het werk zal stellen om te ontkomen.”»Bravo! goed geantwoord,” zeide de roover lachend; »in uwe plaats zou ik hetzelfde zeggen; maar ik geloof dat het u op dit oogenblik, met den besten wil van de wereld, onmogelijk zou zijn, om een stap te doen; daarom, ondanks al wat gij zegt, zal ik u en uwen bediende de vrijheid geven, gij moogt er mede doen, wat gij wilt.”En hij sneed de touwen door, waarmede de armen van den generaal gebonden waren; vervolgens bewees hij dezelfde dienst aan den neger Jupiter.Deze, zoodra hij zich vrij gevoelde, begon te springen en te lachen, en vertoonde twee rijen groote schitterende tanden.»Kom, houd u stil, vagebond,” zeide de roover; »gij moet hier bedaard zijn, als gij niet wilt dat ik u een kogel door den kop jaag.”»Ik zal niet weggaan zonder mijn meester,” antwoordde Jupiter, een paar groote oogen opzettende.»Akkoord, zwarte nikker!” hernam de roover; »dat blijft afgesproken; die zelfverloochening doet u eer aan.”En zich weder tot den generaal wendende, bette de kapitein diens wonden met koud water, en verbond hem met de meeste zorg; vervolgens aan de gevangenen spijzen voorgezet hebbende, aan welke de neger alleen de noodige eer bewees, verwijderde hij zich omstreeks[180]den middag, en verzamelde de voornaamsten der bende om zich heen.»Caballeros!” zeide hij, »wij kunnen het niet ontkennen; wij hebben de eerste partij verloren: de gevangenen, die wij hebben veroverd, kunnen onmogelijk onze kosten goed maken; wij mogen niet in een nederlaag berusten, die ons onteert en belachelijk maakt. Ik ga een tweeden aanval ondernemen; zoo mij die niet gelukt, zal het slecht met mij afloopen; houdt een waakzaam oog over de gevangenen, terwijl ik afwezig ben. Let vooral op hetgeen ik u nu ga zeggen: zoo ik morgen te middernacht niet heelhuids onder u ben weêrgekeerd, morgen om vijftien minuten over twaalven, schiet dan de beide gevangenen zonder genade dood; gij hebt mij begrepen, niet waar? zonder genade.”»Wees gerust, kapitein,” antwoordde Frank in aller naam, »gij kunt gaan, uwe bevelen zullen worden ten uitvoer gebracht.”»Daar reken ik op; maar schiet hen vooral geen minuut vroeger of later dood.”»Precies op het uur.”»Dat is afgesproken; nu, vaart wel; wordt niet al te ongeduldig, als gij mij niet spoedig terugziet.”En de kapitein verliet de grot, om zich naar Edelhart te begeven.Wij hebben reeds gezien wat de bandiet bij den jager was gaan doen.
Toen de Roodhuiden en de jagers het kamp der Mexicanen veroverd hadden, hadden de roovers, volgens den last van hunnen hoofdman, zich in alle richtingen verstrooid, om des te gemakkelijker aan de nasporingen hunner vijanden te ontkomen.
De kapitein en de vier mannen, die den generaal en zijn neger droegen, waren langs de helling der rotsen naar beneden gegaan, op gevaar af van duizendmaal verbrijzeld te worden en in de diepte te storten, die aan hunne voeten gaapte. Op zekeren afstand gekomen, en gerust gesteld door de stilte, die om hen heen heerschte, en meer nog door de ongehoorde moeielijkheden, die zij overwonnen hadden, om de plaats te bereiken, waar zij zich bevonden, bleven zij stilstaan, om adem te scheppen. Een dikke duisternis omgaf hen, boven hunne hoofden zagen zij, op een ontzaglijke hoogte, evenals zoovele sterren de fakkels glinsteren van de jagers, die hen vervolgden, maar die het niet waagden denzelfden weg te gaan, langs welken zij gekomen waren.
»’t Gaat goed,” zeide de kapitein; »komt, kinderen, wij kunnen nu eenige oogenblikken uitrusten. Wij hebben voor het tegenwoordige niets te vreezen; legt uwe gevangenen hier neder, en dat twee uwer de omstreken gaan verkennen.”
Zijne bevelen werden ten uitvoer gebracht; eenige minuten later kwamen de beide bandieten zeggen, dat zij een hol hadden ontdekt, dat hun voorloopig tot schuilplaats kon verstrekken.
»Duivels!” zeide de kapitein, »laat ons daar heen gaan;” en zelf het voorbeeld gevende, stond hij op, en verwijderde zich, gevolgd door de anderen.
Zij kwamen weldra aan eene grot, die vrij ruim scheen te zijn, en die maar weinige voeten lager was dan de plaats, waar zij zich in ’t eerst hadden nedergezet.
Toen zij zich hier in veiligheid gesteld hadden, was het de eerste zorg van den kapitein om den ingang er van met behulp van een deken geheel dicht te sluiten, hetgeen niet moeielijk viel, daar de ingang vrij nauw was, zoodat de bandieten hadden moeten bukken, om er in te komen.
»Daar,” zeide de kapitein, »zijn wij nu thuis; hier behoeven wij niet bang te zijn, dat een onbescheiden oog ons bespieden zal.” En een vuursteen uit zijn zak halende, stak hij eene toorts van kaarshout aan, die hij tot dat einde de voorzichtigheid gehad had van mede te nemen. Zoodra zij de voorwerpen om hen heen konden onderscheiden, slaakten de bandieten een kreet van vreugde. Wat in de duisternis slechts een eenvoudig hol scheen te zijn, was een[177]natuurlijke onderaardsche grot, gelijk er in deze gewesten velen voorkomen.
»Wel zoo!” zeide de kapitein, »laat ons eens zien waar wij zijn; blijft daar, gij allen, houdt een waakzaam oog over de gevangenen, ik ga ons nieuw grondgebied verkennen.”
Na een tweede toorts aangestoken te hebben, onderzocht hij de grot. Met een zachte helling liep zij onder den berg door; de wanden waren overal vrij hoog, en de ruimte daartusschen meestal breed genoeg om ruime zalen te vormen. Door onzichtbare spleten moest zij van buiten versche lucht ontvangen, want het licht brandde zonder moeite, en de kapitein haalde er zeer gemakkelijk adem. Hoe verder hij voortging, des te frisscher werd de lucht, hetgeen hem deed gissen, dat hij zich nabij een anderen uitgang bevond. Zoo liep hij reeds twintig minuten, toen eene windvlaag, die hem in het aangezicht sloeg, zijn toorts deed opflikkeren.
»Hm!” mompelde hij, »ziedaar een uitgang; laat ons voorzichtig zijn; ik zal het licht uitdoen, men kan nooit weten, wat men daar buiten tegenkomt.”
Hij trapte zijne toorts uit, en bleef eenige oogenblikken stil staan, om aan zijne oogen den tijd te geven zich aan de duisternis te gewennen. Hij was een voorzichtig man, en zijn vak van bandietenhoofdman volkomen meester; zoo het plan, dat hij gevormd had, om het kamp aan te vallen, schipbreuk geleden had, was dit slechts het gevolg van een samenloop van omstandigheden, die hij onmogelijk had kunnen voorzien. Toen dan ook de eerste booze bui over de ontvangen nederlaag was overgewaaid had hij terstond zijne partij gekozen, terwijl hij zich het genoegen voorbehield, om zich bij de eerste gelegenheid de beste te wreken. De fortuin scheen hem overigens op nieuw toe te lachen, daar zij hem, juist toen hij er de meeste behoefte aan had, een bijna ondoordringbare schuilplaats aanbood.
Blijde en vol hoop wachtte hij dus tot zijne oogen zich aan de duisternis hadden gewend, en hem vergunden de voorwerpen te onderscheiden, om te weten of hij werkelijk een uitgang zou vinden, die hem meester zou maken van eene bijna onoverwinnelijke sterkte.
Hij bedroog zich niet in zijne verwachting. Zoodra de vlam opgehouden had hem te verblinden, bemerkte hij op vrij grooten afstand vóór zich uit een flauw schijnsel. Hij liep moedig voort; na eenige minuten kwam hij aan den zoo zeer begeerden uitgang.
Deze uitgang bevond zich bij den oever eener kleine rivier, waarvan het water onder het gewelf der grot dood liep, zoodat de bandieten slechts te water behoefden te gaan om haar te ontruimen, zonder eenig spoor achter te laten, en alzoo elke nasporing vruchteloos konden maken.
De kapitein kende de prairiën van het Westen, waarin hij sedert bijna tien jaren zijn eerloos en winstgevend beroep uitoefende, te[178]goed, om zich niet gemakkelijk te oriënteren, en binnen een oogenblik te weten, waar hij zich bevond. Hij zag dat deze rivier vrij ver verwijderd was van het kamp der Mexicanen, welke afstand nog vergroot werd door hare tallooze kronkelingen. Hij slaakte een kreet van zelfvoldoening, en toen hij goed wist waar hij zich bevond, en niet meer vreesde ontdekt te zullen worden, stak hij zijn toorts weder aan, en keerde langs denzelfden weg, dien hij gekomen was, terug.
Zijne makkers waren in slaap gevallen, met uitzondering van één, die de gevangenen bewaakte. De kapitein wekte hen.
»Komt,” zeide hij, »het is nu geen tijd van slapen; wij hebben wel wat anders te doen.” De bandieten stonden met weêrzin op, wreven de oogen uit, en gaapten alsof zij zich de kakebeenen wilden verrekken.
De kapitein liet hen eerst de opening, die hun toegang verleend had, zorgvuldig dichtstoppen, en gaf toen bevel, dat zij met de gevangenen, wier beenen men had losgemaakt, opdat zij zouden kunnen loopen, hem onmiddellijk volgen zouden.
Zij hielden halt in een der vele zalen, die de kapitein op zijn weg ontmoet had; een hunner werd op post gesteld, om de gevangenen, die hier achtergelaten werden, te bewaken; de anderen drongen met den kapitein verder in de grot door.
»Gij ziet,” zeide hij tot hen, terwijl hij hun den uitgang wees, »dat ons onheil toch ergens goed voor was, daar het ons toevallig eene wijkplaats heeft doen vinden, waar niemand ons zal komen zoeken. Gij, Frank, moet terstond naar de vereenigingsplaats, die ik aan uwe kameraden had aangewezen; breng hen hierheen, zoowel als diegenen der onzen, die aan den tocht geen deel genomen hebben. Wat u betreft, Antonio, gij moet ons levensmiddelen verschaffen; gij kunt wel te zamen gaan. Ik behoef u niet te zeggen, dat ik uwe terugkomst met ongeduld afwacht.”
De beide bandieten wierpen zich zonder spreken in de rivier en waren spoedig verdwenen.
Toen zich tot den overblijvende wendende, zeide hij:
»Wat ons betreft, Gonzalez, laten wij wat hout bijeenrapen, om vuur aan te leggen, en bladeren om bedden van te maken; kom, aan ’t werk, aan ’t werk!”
Een uur later flikkerde er een helder vuur in de grot en sliepen de bandieten, op hunne mollige bedden van drooge bladeren een gerusten slaap. Met zonsopgang kwam het overige gedeelte der bende aan. Zij waren nog dertig in getal! De kapitein voelde zijn hart zwellen, toen hij zag over welk eene rijke verzameling van schurken hij nog te beschikken had. Met hen wanhoopte hij niet zijne zaken in orde te zullen brengen, en weldra eene schitterende wraak te nemen!
Na een overvloedig ontbijt van wildbraad met mezcal, dacht de[179]kapitein er eindelijk aan, om zich eens met zijne gevangenen te gaan bemoeien. Hij begaf zich naar de zaal, die hun tot gevangenis diende.
Sedert hij den bandieten in handen gevallen was, had de generaal het stilzwijgen bewaard, en was hij oogenschijnlijk ongevoelig gebleven voor de slechte behandeling, waaraan hij bloot stond. De wonden, die hij ontvangen had, waren geheel verwaarloosd; zij waren ontstoken, en deden hem ontzettend veel pijn, maar hij liet geen klacht hooren. Een knagend verdriet verteerde hem, zoolang hij gevangen was; hij zag voor altijd het plan, dat hem in de prairiën gebracht had, in duigen gevallen, zonder hoop om het ooit ten uitvoer te zullen kunnen brengen. Het eenige dat hem eene lichte vertroosting aanbood, was de zekerheid, dat het zijne nicht gelukt was om te ontsnappen. Maar wat was er van haar geworden in deze wildernis, waar men slechts wilde dieren tegenkomt, en Indianen, die nog woester zijn dan wilde dieren? Hoe zou een meisje, dat aan alle gemakken des levens gewoon was, de wisselingen kunnen doorstaan van een leven vol van ontberingen? Dit denkbeeld verdubbelde zijn lijden.
De kapitein was verschrikt over den toestand, waarin hij hem vond.
»Kom, generaal,” zeide hij, »schep moed, voor den duivel! De kansen verkeeren vaak, daar weet ik van meê te praten.Caraï, men moet niet wanhopen, niemand kan weten, wat de dag van morgen voor hem heeft weggelegd! Geef mij uw woord van eer, dat gij niet zult pogen te ontsnappen, en ik maak oogenblikkelijk uwe banden los.”
»Dat woord kan ik u niet geven,” antwoordde de generaal, »ik zou een valschen eed doen, ik zweer u integendeel, dat ik al het mogelijke in het werk zal stellen om te ontkomen.”
»Bravo! goed geantwoord,” zeide de roover lachend; »in uwe plaats zou ik hetzelfde zeggen; maar ik geloof dat het u op dit oogenblik, met den besten wil van de wereld, onmogelijk zou zijn, om een stap te doen; daarom, ondanks al wat gij zegt, zal ik u en uwen bediende de vrijheid geven, gij moogt er mede doen, wat gij wilt.”
En hij sneed de touwen door, waarmede de armen van den generaal gebonden waren; vervolgens bewees hij dezelfde dienst aan den neger Jupiter.
Deze, zoodra hij zich vrij gevoelde, begon te springen en te lachen, en vertoonde twee rijen groote schitterende tanden.
»Kom, houd u stil, vagebond,” zeide de roover; »gij moet hier bedaard zijn, als gij niet wilt dat ik u een kogel door den kop jaag.”
»Ik zal niet weggaan zonder mijn meester,” antwoordde Jupiter, een paar groote oogen opzettende.
»Akkoord, zwarte nikker!” hernam de roover; »dat blijft afgesproken; die zelfverloochening doet u eer aan.”
En zich weder tot den generaal wendende, bette de kapitein diens wonden met koud water, en verbond hem met de meeste zorg; vervolgens aan de gevangenen spijzen voorgezet hebbende, aan welke de neger alleen de noodige eer bewees, verwijderde hij zich omstreeks[180]den middag, en verzamelde de voornaamsten der bende om zich heen.
»Caballeros!” zeide hij, »wij kunnen het niet ontkennen; wij hebben de eerste partij verloren: de gevangenen, die wij hebben veroverd, kunnen onmogelijk onze kosten goed maken; wij mogen niet in een nederlaag berusten, die ons onteert en belachelijk maakt. Ik ga een tweeden aanval ondernemen; zoo mij die niet gelukt, zal het slecht met mij afloopen; houdt een waakzaam oog over de gevangenen, terwijl ik afwezig ben. Let vooral op hetgeen ik u nu ga zeggen: zoo ik morgen te middernacht niet heelhuids onder u ben weêrgekeerd, morgen om vijftien minuten over twaalven, schiet dan de beide gevangenen zonder genade dood; gij hebt mij begrepen, niet waar? zonder genade.”
»Wees gerust, kapitein,” antwoordde Frank in aller naam, »gij kunt gaan, uwe bevelen zullen worden ten uitvoer gebracht.”
»Daar reken ik op; maar schiet hen vooral geen minuut vroeger of later dood.”
»Precies op het uur.”
»Dat is afgesproken; nu, vaart wel; wordt niet al te ongeduldig, als gij mij niet spoedig terugziet.”
En de kapitein verliet de grot, om zich naar Edelhart te begeven.
Wij hebben reeds gezien wat de bandiet bij den jager was gaan doen.