XVI.

[Inhoud]XVI.VERRAAD.De terugtocht was niet vroolijk. De generaal was nog geheel vervuld van het onderhoud, dat hij met den jager gehad had.DoñaLuz dacht aan de waarschuwing die haar gegeven was. De gids, gebelgd over de afzonderlijke gesprekken van den Zwarten Eland met het meisje en met den generaal, had een geheim voorgevoel, dat hem tot voorzichtigheid aanspoorde. De twee Lanceros alleen liepen onbekommerd voort; zij kenden het drama niet dat om hen gespeeld werd, en dachten aan niets, als aan de rust die hen in het kamp wachtte.De Babbelaar wierp gedurig onrustige blikken om zich heen, als zocht hij hulp en versterking te midden der dichte struiken, door welke de kleine troep zich zwijgend een weg baande.De dag liep ten einde; de zon zou weldra ondergaan; de geheimzinnige gasten van het woud lieten reeds van tijd tot tijd hun dof gebrul hooren.[100]»Zijn wij nog ver van het kamp?” vroeg de generaal eensklaps.»Neen,” antwoordde de gids, »nauwelijks een uur.”»Verhaasten wij onze schreden dan; ik wil in dit donkere bosch niet door den nacht overvallen worden.”De troep nam een versnelden pas aan, die hen in minder dan een half uur, bij de voorste wallen van het kamp bracht. Kapitein Aguilar en de doctor kwamen de reizigers bij hunne aankomst te gemoet. Het avondmaal was gereed gemaakt, en wachtte reeds lang op hen. Men zette zich aan tafel. Maar de treurigheid, die zich sedert eenige uren van den generaal en zijne nicht scheen te hebben meester gemaakt, nam eer toe dan af. Het tafelgesprek leed er onder; ieder at haastig zonder een woord te zeggen. Toen men gedaan had, ging men onder voorwendsel van vermoeid te zijn uiteen, schijnbaar om zich aan de rust over te geven, maar in werkelijkheid om alleen te zijn en na te denken over de gebeurtenissen van den dag.De gids van zijn kant was niet veel beter op zijn gemak; een slecht geweten is, zooals een wijs man gezegd heeft, de verdrietigste slaapkameraad dien men hebben kan, de Babbelaar nu had het slechtste van alle slechte gewetens; ook gevoelde hij volstrekt geen lust om te slapen. Hij wandelde in het kamp op en neder, en zocht te vergeefs in zijn onrustig gemoed naar eenig middel, om zich uit de moeielijkheid te redden waarin hij zich gewikkeld zag. Maar hoe hij zijn best deed om zijne verbeeldingskracht op te wekken, niets bracht zijn argwaan tot rust.Het was intusschen geheel nacht geworden; de maan was ondergegaan; een dikke duisternis overdekte het kamp. Iedereen sliep of scheen te slapen; de gids alleen, die de eerste wacht op zich had genomen, zat wakend op de bagage; de armen over de borst gekruist, en strak voor zich uitziende, verdiepte hij zich hoe langer hoe meer in sombere droomerijen. Eensklaps werd er een hand op zijn schouders gelegd, en prevelde eene stem dit ééne woord in zijn oor:»Kennedy!”De gids, rijkelijk voorzien van die tegenwoordigheid van geest en die onverstoorbare koelbloedigheid, die den Indianen en mestiezen nooit begeven, wierp een wantrouwenden blik om zich heen, ten einde zich te verzekeren, dat hij niet bespied werd; vervolgens greep hij de hand die nog altijd op zijn schouder rustte, en voerde den persoon, die hem had toegesproken, en die hem zonder tegenspraak volgde, met zich in een afgelegen hoek, waar hij zeker meende te kunnen zijn tegen elken overval.Op het oogenblik dat de twee mannen de tent voorbij gingen, werden de gordijnen zachtkens opgeslagen, om een schaduw door te laten, die hen zwijgend begon te volgen.Toen zij zich achter de bagage verscholen en naast elkander geplaatst[101]hadden, om fluisterend te kunnen spreken, mompelde de gids:»Goddank! ik wachtte uw bezoek met ongeduld, Kennedy.”»Wist gij dan, dat ik komen moest?” antwoordde deze argwanend.»Neen, maar ik hoopte het.”»Is er nieuws?”»Ja, veel!”»Spreek en haast u.”»Dat zal ik doen. Alles is verloren.”»Zoo! wat meent gij?”»Van daag is de generaal, onder mijn geleide, naar.…”»Ik weet het, ik heb u gezien.”»Vervloekt! waarom hebt gij ons niet aangevallen?”»Wij waren met ons beiden.”»Ik zou de derde geweest zijn; het had dus gelijk gestaan, daar de generaal slechts twee lanceros bij zich had.”»Ja, daar heb ik niet aan gedacht.”»Dat was verkeerd van u; het had alles afgeloopen kunnen zijn, terwijl nu waarschijnlijk alles verloren is.”»Hoe dat?”»Wel,Caraï, dat is duidelijk; de generaal en zijn nicht hebben een tijdlang met dien schijnheiligen Zwarten Eland staan praten; gij weet, hij kent mij sinds lang, hij heeft hen zeker geraden, om mij te wantrouwen.”»Waarom hebt gij ze ook naar den bevervijver gebracht?”»Kon ik weten, dat ik daar dien vervloekten jager tegen ’t lijf zou loopen?”»In ons vak moet men op alles rekenen.”»Gij hebt gelijk, ik heb een fout begaan. Maar hoe het zij, het kwaad is nu niet meer te herstellen, want ik heb een voorgevoel dat de Zwarte Eland den generaal omtrent mij heeft ingelicht.”»Hm, dat is wel waarschijnlijk.Wat moeten wij dan doen?”»Zoodra mogelijk handelen, zoodat zij geen tijd hebben om op hun hoede te zijn.”»Ik verlang niets anders, dat weet gij.”»Ja. Waar is de kapitein? Is hij terug?”»Van avond gekomen. Al onze manschappen zijn in de grot, wij zijn met ons veertigen.”»Bravo! ach, waarom zijt gij niet met u allen gekomen, in plaats van gij alleen; zie eens, welk een schoone gelegenheid gij hadt. Zij slapen als rotten. Wij zouden hen in minder dan tien minuten in handen hebben gehad.”»Gij hebt gelijk, maar men kan niet alles voorzien; bovendien, dat is het niet, wat gij met den kapitein hebt afgesproken.”»Neen, dat beken ik. Maar waarom komt gij dan?”[102]»Om u te waarschuwen, dat wij gereed zijn, en dat wij slechts op een teeken van u wachten, om te handelen.”»Maar wat moet ik doen? Geef mij toch raad.”»Hoe, voor den duivel, wilt gij, dat ik u raden zal? weet ik wat er hier omgaat, en moet ik u zeggen, hoe gij het moet aanleggen?”De gids dacht een oogenblik na, vervolgens hief hij het hoofd op en keek strak in de lucht.»Luister,” hernam hij, »het is nog geen twee uur.”»Neen.”»Gij gaat weder naar de grot.”»Terstond?”»Ja.”»Goed. En dan?”»Gij zult aan den kapitein zeggen, dat, als hij het verlangt, ik hem het meisje nog dezen nacht zal uitleveren.”»Hm, dat zal dunkt mij niet gemakkelijk zijn.”»Gij zijt een domoor.”»’t Is mogelijk; maar ik zie niet in waarom.”»Wacht dan maar. De wacht over het kamp is aldus verdeeld: over dag staan de soldaten bij de borstweringen; maar daar zij aan het leven in de prairiën niet gewoon zijn, en hunne hulp in den nacht meer kwaad dan goed zou doen, zoo is aan mij en de andere gidsen de wacht opgedragen, terwijl de soldaten rust nemen.”»Dat is zeer vernuftig uitgedacht,” zeide Kennedy lachend.»Niet waar? Gij klimt dus te paard; beneden aan den heuvel gekomen, zullen zes der stoutmoedigste mannen zich bij mij voegen; met hunne hulp neem ik de taak op mij, om, terwijl zij slapen, den generaal en al de soldaten te binden.”»Dat is een heerlijk denkbeeld.”»Vindt gij?”»Ja zeker.”»Goed. Zijn die schelmen eens goed gekneveld, dan fluit ik, en de kapitein komt met de rest van den troep. Laat hij het dan met het meisje zien te vinden, dat gaat hem aan, ik bemoei er mij niet mede. Hoe vindt gij dat?”»Uitmuntend.”»Op die wijze vermijden wij het vergieten van bloed en wij zelven komen er ongedeerd af.”»Gij zijt voorzichtig.”»Ja, maar, mijn beste vriend, als men dergelijke zaken doet, die bij welslagen groote voordeden aanbrengen, moet men het altijd zoo zien te schikken, dat men alle kansen voor zich heeft.”»Goed gesproken, en bovendien, uw plan bevalt mij, en ik ga het zonder dralen ten uitvoer brengen; maar laat ons eerst goed afspreken, om elk misverstand te voorkomen.”»Daar heb ik niets tegen.”[103]»Als de kapitein, gelijk ik wel denk, uw heerlijk en onfeilbaar plan goedkeurt, dan zal ik, zoodra wij aan den voet van den heuvel zijn, met zes onverschrokken kerels, die ik zelf zal uitkiezen, naar boven gaan. Van welken kant zal ik het kamp binnen dringen?”»Wel, van denzelfden kant, waarvan gij nu gekomen zijt.”»En gij, waar zult gij zijn?”»Bij den ingang; gereed om u te helpen.”»Goed. Nu is alles afgesproken. Hebt gij mij niets meer te zeggen?”»Neen, niets.”»Dan ga ik weg.”»Ja, hoe eer hoe beter.”»Gij hebt altijd gelijk. Geleid mij tot aan de plaats, waar ik uit het kamp kan komen, het is zoo donker dat, als ik alleen ga, ik licht zou kunnen verdwalen, en in aanraking komen met een slapenden soldaat, hetgeen ons minder goed zou dienen.”»Geef mij de hand.”»Zie daar.”De twee mannen stonden op en wilden heengaan; maar op hetzelfde oogenblik plaatste zich een schaduw tusschen hen beiden, en riep een krachtige stem hun toe:»Verraders, gij zult sterven!”Ondanks al hunne zelfbeheersching, bleven de beide mannen een oogenblik versteend van schrik staan. Zonder hun den tijd te geven om hunne tegenwoordigheid van geest terug te erlangen, schoot de persoon, die gesproken had twee pistolen op hen af. De ongelukkigen gaven een luiden gil; de een viel, de andere sprong op als een tijgerkat, klom tegen de borstwering op, en verdween, eer men den tijd had om ten tweedemale op hem los te branden.De generaal en kapitein Aguilar verschenen het eerst op de plaats, waar het bovenvermelde tooneel had plaats gehad. Zij vondendoñaLuz met twee pistolen in de hand, terwijl aan hare voeten een man zich krampachtig rondwentelde.»Wat beteekent dat, lieve nicht? Wat is er gebeurd? in Gods naam, zijt gij gewond?” vroeg de generaal beangst.»Herstel u, oom; ik ben niet gewond,” antwoordde het meisje, »maar ik heb een verrader gestraft. Twee ellendelingen smeedden in het donker eene samenzwering tegen onze gemeenschappelijke veiligheid; de een is ontsnapt, maar ik geloof dat deze er minder goed afgekomen is.”De generaal boog zich over den schelm heen. Bij het licht der toorts, die hij in de hand droeg, herkende hij Kennedy, denzelfden gids, die volgens den Babbelaar, levend verbrand zou zijn, bij gelegenheid van den brand der prairie.»O, o!” zeide hij, »wat beteekent dat?”»Dat beteekent, oom,” antwoordde het meisje, »dat zoo God ons[104]niet te hulp ware gekomen, wij dezen nacht door een troep bandieten, die niet ver van hier in hinderlaag ligt, zouden overvallen zijn.”»Laat ons dan geen tijd verliezen.”De generaal, geholpen door kapitein Aguilar, haastte zich nu om alles tot een geduchten tegenstand gereed te maken, ingeval men een aanval wagen mocht.De Babbelaar was gevlucht, maar een breed spoor van bloed bewees, dat hij zwaar gekwetst was. Zoo het dag ware geweest, zou men gepoogd hebben hem te vervolgen, en misschien zou men hem hebben kunnen inhalen; maar te midden der duisternis, en zonder te weten of de vijand niet in de nabijheid in hinderlaag lag, wilde de generaal niet dat zijne soldaten zich buiten het kamp waagden. Hij liet liever den Babbelaar deze kans op redding behouden. Wat Kennedy betrof, die was dood.Zoodra het eerste oogenblik voorbij was, gevoeldedoñaLuz, thans niet meer door het dreigend gevaar staande gehouden, dat zij eene vrouw was. Hare geestkracht verflauwde, hare oogen vielen toe, eene zenuwachtige trilling ging haar door al de leden, zij wankelde, en zij zou zeker gevallen zijn, zoo de doctor haar niet in zijne armen had opgevangen.Hij bracht haar half in zwijm onder de tent, en bewees haar al de zorgen, die haar toestand vereischte. Het meisje kwam langzamerhand bij, hare kalmte keerde terug, en er kwam weder orde in den gang van hare denkbeelden. Zich den raad herinnerende, dien de Zwarte Eland haar dienzelfden dag gegeven had, dacht zij, dat nu het oogenblik daar was, om hem zijne belofte in het geheugen te roepen, en zij gaf den doctor een teeken om naderbij te komen.»Beste doctor,” zeide zij met een zachte stem, »wilt gij mij een groote dienst bewijzen?”»Beschik over mij,Señorita.”»Kent gij een pelsjager, de Zwarte Eland geheeten?”»Ja, zijne hut staat niet ver van hier, bij een bevervijver.”»Juist; welnu doctor, dien moest gij eens, zoodra het dag is, uit mijn naam gaan opzoeken.”»Waarom,Señorita?”»Ik bid er u om,” zeide zij vleiend.»O, dan kunt gij gerust zijn, dan zal ik gaan,” antwoordde hij.»Ik dank u.”»Wat zal ik hem zeggen?”»Gij zult hem vertellen, wat hier van nacht is voorgevallen.”»Sakkerloot!”»En dan zult gij er bijvoegen, onthoud die woorden goed, want gij moet ze letterlijk herhalen.…”»Ik ben geheel gehoor, ik zal ze in mijn geheugen opschrijven.”»Zwarte Eland, het uur is gekomen.Gij hebt mij begrepen, niet waar?”[105]»Volkomen,Señorita.”»Zweert gij, te zullen doen wat ik u vraag?”»Ik zweer het u,” zeide hij plechtig, »bij zonsopgang zal ik den jager opzoeken, hem verhalen, wat er van nacht is voorgevallen, en er bijvoegen: Zwarte Eland, het uur is gekomen. Is dat al wat gij van mij verlangt?”»Ja. alles, beste doctor.”»Welnu, slaap dan maar gerust,Señorita, ik zweer u bij mijn eer, dat het geschieden zal.”»Ik dank u,” fluisterde het meisje, hem met een glimlach de hand drukkende.En overstelpt door de vreeselijke aandoeningen van dien nacht viel zij op haar bed, waar zij weldra een rustigen en verkwikkenden slaap genoot.Bij het aanbreken van den dag, in weerwil van de aanmerkingen van den generaal, die hem te vergeefs trachtte te beletten om heen te gaan, uithoofde van de gevaren waaraan hij zich zou blootstellen, verliet de waardige geleerde, die al wat zijn vriend tot hem zeide met een ontkennend hoofdschudden beantwoordde, en zonder eenige reden voor zijne hardnekkigheid op te geven, het kamp, en reed zoo hard hij kon van den heuvel naar beneden. Zoodra hij in het woud was, gaf hij zijn paard nogmaals de sporen en wendde zich in galop naar de hut van den Zwarten Eland.

[Inhoud]XVI.VERRAAD.De terugtocht was niet vroolijk. De generaal was nog geheel vervuld van het onderhoud, dat hij met den jager gehad had.DoñaLuz dacht aan de waarschuwing die haar gegeven was. De gids, gebelgd over de afzonderlijke gesprekken van den Zwarten Eland met het meisje en met den generaal, had een geheim voorgevoel, dat hem tot voorzichtigheid aanspoorde. De twee Lanceros alleen liepen onbekommerd voort; zij kenden het drama niet dat om hen gespeeld werd, en dachten aan niets, als aan de rust die hen in het kamp wachtte.De Babbelaar wierp gedurig onrustige blikken om zich heen, als zocht hij hulp en versterking te midden der dichte struiken, door welke de kleine troep zich zwijgend een weg baande.De dag liep ten einde; de zon zou weldra ondergaan; de geheimzinnige gasten van het woud lieten reeds van tijd tot tijd hun dof gebrul hooren.[100]»Zijn wij nog ver van het kamp?” vroeg de generaal eensklaps.»Neen,” antwoordde de gids, »nauwelijks een uur.”»Verhaasten wij onze schreden dan; ik wil in dit donkere bosch niet door den nacht overvallen worden.”De troep nam een versnelden pas aan, die hen in minder dan een half uur, bij de voorste wallen van het kamp bracht. Kapitein Aguilar en de doctor kwamen de reizigers bij hunne aankomst te gemoet. Het avondmaal was gereed gemaakt, en wachtte reeds lang op hen. Men zette zich aan tafel. Maar de treurigheid, die zich sedert eenige uren van den generaal en zijne nicht scheen te hebben meester gemaakt, nam eer toe dan af. Het tafelgesprek leed er onder; ieder at haastig zonder een woord te zeggen. Toen men gedaan had, ging men onder voorwendsel van vermoeid te zijn uiteen, schijnbaar om zich aan de rust over te geven, maar in werkelijkheid om alleen te zijn en na te denken over de gebeurtenissen van den dag.De gids van zijn kant was niet veel beter op zijn gemak; een slecht geweten is, zooals een wijs man gezegd heeft, de verdrietigste slaapkameraad dien men hebben kan, de Babbelaar nu had het slechtste van alle slechte gewetens; ook gevoelde hij volstrekt geen lust om te slapen. Hij wandelde in het kamp op en neder, en zocht te vergeefs in zijn onrustig gemoed naar eenig middel, om zich uit de moeielijkheid te redden waarin hij zich gewikkeld zag. Maar hoe hij zijn best deed om zijne verbeeldingskracht op te wekken, niets bracht zijn argwaan tot rust.Het was intusschen geheel nacht geworden; de maan was ondergegaan; een dikke duisternis overdekte het kamp. Iedereen sliep of scheen te slapen; de gids alleen, die de eerste wacht op zich had genomen, zat wakend op de bagage; de armen over de borst gekruist, en strak voor zich uitziende, verdiepte hij zich hoe langer hoe meer in sombere droomerijen. Eensklaps werd er een hand op zijn schouders gelegd, en prevelde eene stem dit ééne woord in zijn oor:»Kennedy!”De gids, rijkelijk voorzien van die tegenwoordigheid van geest en die onverstoorbare koelbloedigheid, die den Indianen en mestiezen nooit begeven, wierp een wantrouwenden blik om zich heen, ten einde zich te verzekeren, dat hij niet bespied werd; vervolgens greep hij de hand die nog altijd op zijn schouder rustte, en voerde den persoon, die hem had toegesproken, en die hem zonder tegenspraak volgde, met zich in een afgelegen hoek, waar hij zeker meende te kunnen zijn tegen elken overval.Op het oogenblik dat de twee mannen de tent voorbij gingen, werden de gordijnen zachtkens opgeslagen, om een schaduw door te laten, die hen zwijgend begon te volgen.Toen zij zich achter de bagage verscholen en naast elkander geplaatst[101]hadden, om fluisterend te kunnen spreken, mompelde de gids:»Goddank! ik wachtte uw bezoek met ongeduld, Kennedy.”»Wist gij dan, dat ik komen moest?” antwoordde deze argwanend.»Neen, maar ik hoopte het.”»Is er nieuws?”»Ja, veel!”»Spreek en haast u.”»Dat zal ik doen. Alles is verloren.”»Zoo! wat meent gij?”»Van daag is de generaal, onder mijn geleide, naar.…”»Ik weet het, ik heb u gezien.”»Vervloekt! waarom hebt gij ons niet aangevallen?”»Wij waren met ons beiden.”»Ik zou de derde geweest zijn; het had dus gelijk gestaan, daar de generaal slechts twee lanceros bij zich had.”»Ja, daar heb ik niet aan gedacht.”»Dat was verkeerd van u; het had alles afgeloopen kunnen zijn, terwijl nu waarschijnlijk alles verloren is.”»Hoe dat?”»Wel,Caraï, dat is duidelijk; de generaal en zijn nicht hebben een tijdlang met dien schijnheiligen Zwarten Eland staan praten; gij weet, hij kent mij sinds lang, hij heeft hen zeker geraden, om mij te wantrouwen.”»Waarom hebt gij ze ook naar den bevervijver gebracht?”»Kon ik weten, dat ik daar dien vervloekten jager tegen ’t lijf zou loopen?”»In ons vak moet men op alles rekenen.”»Gij hebt gelijk, ik heb een fout begaan. Maar hoe het zij, het kwaad is nu niet meer te herstellen, want ik heb een voorgevoel dat de Zwarte Eland den generaal omtrent mij heeft ingelicht.”»Hm, dat is wel waarschijnlijk.Wat moeten wij dan doen?”»Zoodra mogelijk handelen, zoodat zij geen tijd hebben om op hun hoede te zijn.”»Ik verlang niets anders, dat weet gij.”»Ja. Waar is de kapitein? Is hij terug?”»Van avond gekomen. Al onze manschappen zijn in de grot, wij zijn met ons veertigen.”»Bravo! ach, waarom zijt gij niet met u allen gekomen, in plaats van gij alleen; zie eens, welk een schoone gelegenheid gij hadt. Zij slapen als rotten. Wij zouden hen in minder dan tien minuten in handen hebben gehad.”»Gij hebt gelijk, maar men kan niet alles voorzien; bovendien, dat is het niet, wat gij met den kapitein hebt afgesproken.”»Neen, dat beken ik. Maar waarom komt gij dan?”[102]»Om u te waarschuwen, dat wij gereed zijn, en dat wij slechts op een teeken van u wachten, om te handelen.”»Maar wat moet ik doen? Geef mij toch raad.”»Hoe, voor den duivel, wilt gij, dat ik u raden zal? weet ik wat er hier omgaat, en moet ik u zeggen, hoe gij het moet aanleggen?”De gids dacht een oogenblik na, vervolgens hief hij het hoofd op en keek strak in de lucht.»Luister,” hernam hij, »het is nog geen twee uur.”»Neen.”»Gij gaat weder naar de grot.”»Terstond?”»Ja.”»Goed. En dan?”»Gij zult aan den kapitein zeggen, dat, als hij het verlangt, ik hem het meisje nog dezen nacht zal uitleveren.”»Hm, dat zal dunkt mij niet gemakkelijk zijn.”»Gij zijt een domoor.”»’t Is mogelijk; maar ik zie niet in waarom.”»Wacht dan maar. De wacht over het kamp is aldus verdeeld: over dag staan de soldaten bij de borstweringen; maar daar zij aan het leven in de prairiën niet gewoon zijn, en hunne hulp in den nacht meer kwaad dan goed zou doen, zoo is aan mij en de andere gidsen de wacht opgedragen, terwijl de soldaten rust nemen.”»Dat is zeer vernuftig uitgedacht,” zeide Kennedy lachend.»Niet waar? Gij klimt dus te paard; beneden aan den heuvel gekomen, zullen zes der stoutmoedigste mannen zich bij mij voegen; met hunne hulp neem ik de taak op mij, om, terwijl zij slapen, den generaal en al de soldaten te binden.”»Dat is een heerlijk denkbeeld.”»Vindt gij?”»Ja zeker.”»Goed. Zijn die schelmen eens goed gekneveld, dan fluit ik, en de kapitein komt met de rest van den troep. Laat hij het dan met het meisje zien te vinden, dat gaat hem aan, ik bemoei er mij niet mede. Hoe vindt gij dat?”»Uitmuntend.”»Op die wijze vermijden wij het vergieten van bloed en wij zelven komen er ongedeerd af.”»Gij zijt voorzichtig.”»Ja, maar, mijn beste vriend, als men dergelijke zaken doet, die bij welslagen groote voordeden aanbrengen, moet men het altijd zoo zien te schikken, dat men alle kansen voor zich heeft.”»Goed gesproken, en bovendien, uw plan bevalt mij, en ik ga het zonder dralen ten uitvoer brengen; maar laat ons eerst goed afspreken, om elk misverstand te voorkomen.”»Daar heb ik niets tegen.”[103]»Als de kapitein, gelijk ik wel denk, uw heerlijk en onfeilbaar plan goedkeurt, dan zal ik, zoodra wij aan den voet van den heuvel zijn, met zes onverschrokken kerels, die ik zelf zal uitkiezen, naar boven gaan. Van welken kant zal ik het kamp binnen dringen?”»Wel, van denzelfden kant, waarvan gij nu gekomen zijt.”»En gij, waar zult gij zijn?”»Bij den ingang; gereed om u te helpen.”»Goed. Nu is alles afgesproken. Hebt gij mij niets meer te zeggen?”»Neen, niets.”»Dan ga ik weg.”»Ja, hoe eer hoe beter.”»Gij hebt altijd gelijk. Geleid mij tot aan de plaats, waar ik uit het kamp kan komen, het is zoo donker dat, als ik alleen ga, ik licht zou kunnen verdwalen, en in aanraking komen met een slapenden soldaat, hetgeen ons minder goed zou dienen.”»Geef mij de hand.”»Zie daar.”De twee mannen stonden op en wilden heengaan; maar op hetzelfde oogenblik plaatste zich een schaduw tusschen hen beiden, en riep een krachtige stem hun toe:»Verraders, gij zult sterven!”Ondanks al hunne zelfbeheersching, bleven de beide mannen een oogenblik versteend van schrik staan. Zonder hun den tijd te geven om hunne tegenwoordigheid van geest terug te erlangen, schoot de persoon, die gesproken had twee pistolen op hen af. De ongelukkigen gaven een luiden gil; de een viel, de andere sprong op als een tijgerkat, klom tegen de borstwering op, en verdween, eer men den tijd had om ten tweedemale op hem los te branden.De generaal en kapitein Aguilar verschenen het eerst op de plaats, waar het bovenvermelde tooneel had plaats gehad. Zij vondendoñaLuz met twee pistolen in de hand, terwijl aan hare voeten een man zich krampachtig rondwentelde.»Wat beteekent dat, lieve nicht? Wat is er gebeurd? in Gods naam, zijt gij gewond?” vroeg de generaal beangst.»Herstel u, oom; ik ben niet gewond,” antwoordde het meisje, »maar ik heb een verrader gestraft. Twee ellendelingen smeedden in het donker eene samenzwering tegen onze gemeenschappelijke veiligheid; de een is ontsnapt, maar ik geloof dat deze er minder goed afgekomen is.”De generaal boog zich over den schelm heen. Bij het licht der toorts, die hij in de hand droeg, herkende hij Kennedy, denzelfden gids, die volgens den Babbelaar, levend verbrand zou zijn, bij gelegenheid van den brand der prairie.»O, o!” zeide hij, »wat beteekent dat?”»Dat beteekent, oom,” antwoordde het meisje, »dat zoo God ons[104]niet te hulp ware gekomen, wij dezen nacht door een troep bandieten, die niet ver van hier in hinderlaag ligt, zouden overvallen zijn.”»Laat ons dan geen tijd verliezen.”De generaal, geholpen door kapitein Aguilar, haastte zich nu om alles tot een geduchten tegenstand gereed te maken, ingeval men een aanval wagen mocht.De Babbelaar was gevlucht, maar een breed spoor van bloed bewees, dat hij zwaar gekwetst was. Zoo het dag ware geweest, zou men gepoogd hebben hem te vervolgen, en misschien zou men hem hebben kunnen inhalen; maar te midden der duisternis, en zonder te weten of de vijand niet in de nabijheid in hinderlaag lag, wilde de generaal niet dat zijne soldaten zich buiten het kamp waagden. Hij liet liever den Babbelaar deze kans op redding behouden. Wat Kennedy betrof, die was dood.Zoodra het eerste oogenblik voorbij was, gevoeldedoñaLuz, thans niet meer door het dreigend gevaar staande gehouden, dat zij eene vrouw was. Hare geestkracht verflauwde, hare oogen vielen toe, eene zenuwachtige trilling ging haar door al de leden, zij wankelde, en zij zou zeker gevallen zijn, zoo de doctor haar niet in zijne armen had opgevangen.Hij bracht haar half in zwijm onder de tent, en bewees haar al de zorgen, die haar toestand vereischte. Het meisje kwam langzamerhand bij, hare kalmte keerde terug, en er kwam weder orde in den gang van hare denkbeelden. Zich den raad herinnerende, dien de Zwarte Eland haar dienzelfden dag gegeven had, dacht zij, dat nu het oogenblik daar was, om hem zijne belofte in het geheugen te roepen, en zij gaf den doctor een teeken om naderbij te komen.»Beste doctor,” zeide zij met een zachte stem, »wilt gij mij een groote dienst bewijzen?”»Beschik over mij,Señorita.”»Kent gij een pelsjager, de Zwarte Eland geheeten?”»Ja, zijne hut staat niet ver van hier, bij een bevervijver.”»Juist; welnu doctor, dien moest gij eens, zoodra het dag is, uit mijn naam gaan opzoeken.”»Waarom,Señorita?”»Ik bid er u om,” zeide zij vleiend.»O, dan kunt gij gerust zijn, dan zal ik gaan,” antwoordde hij.»Ik dank u.”»Wat zal ik hem zeggen?”»Gij zult hem vertellen, wat hier van nacht is voorgevallen.”»Sakkerloot!”»En dan zult gij er bijvoegen, onthoud die woorden goed, want gij moet ze letterlijk herhalen.…”»Ik ben geheel gehoor, ik zal ze in mijn geheugen opschrijven.”»Zwarte Eland, het uur is gekomen.Gij hebt mij begrepen, niet waar?”[105]»Volkomen,Señorita.”»Zweert gij, te zullen doen wat ik u vraag?”»Ik zweer het u,” zeide hij plechtig, »bij zonsopgang zal ik den jager opzoeken, hem verhalen, wat er van nacht is voorgevallen, en er bijvoegen: Zwarte Eland, het uur is gekomen. Is dat al wat gij van mij verlangt?”»Ja. alles, beste doctor.”»Welnu, slaap dan maar gerust,Señorita, ik zweer u bij mijn eer, dat het geschieden zal.”»Ik dank u,” fluisterde het meisje, hem met een glimlach de hand drukkende.En overstelpt door de vreeselijke aandoeningen van dien nacht viel zij op haar bed, waar zij weldra een rustigen en verkwikkenden slaap genoot.Bij het aanbreken van den dag, in weerwil van de aanmerkingen van den generaal, die hem te vergeefs trachtte te beletten om heen te gaan, uithoofde van de gevaren waaraan hij zich zou blootstellen, verliet de waardige geleerde, die al wat zijn vriend tot hem zeide met een ontkennend hoofdschudden beantwoordde, en zonder eenige reden voor zijne hardnekkigheid op te geven, het kamp, en reed zoo hard hij kon van den heuvel naar beneden. Zoodra hij in het woud was, gaf hij zijn paard nogmaals de sporen en wendde zich in galop naar de hut van den Zwarten Eland.

[Inhoud]XVI.VERRAAD.De terugtocht was niet vroolijk. De generaal was nog geheel vervuld van het onderhoud, dat hij met den jager gehad had.DoñaLuz dacht aan de waarschuwing die haar gegeven was. De gids, gebelgd over de afzonderlijke gesprekken van den Zwarten Eland met het meisje en met den generaal, had een geheim voorgevoel, dat hem tot voorzichtigheid aanspoorde. De twee Lanceros alleen liepen onbekommerd voort; zij kenden het drama niet dat om hen gespeeld werd, en dachten aan niets, als aan de rust die hen in het kamp wachtte.De Babbelaar wierp gedurig onrustige blikken om zich heen, als zocht hij hulp en versterking te midden der dichte struiken, door welke de kleine troep zich zwijgend een weg baande.De dag liep ten einde; de zon zou weldra ondergaan; de geheimzinnige gasten van het woud lieten reeds van tijd tot tijd hun dof gebrul hooren.[100]»Zijn wij nog ver van het kamp?” vroeg de generaal eensklaps.»Neen,” antwoordde de gids, »nauwelijks een uur.”»Verhaasten wij onze schreden dan; ik wil in dit donkere bosch niet door den nacht overvallen worden.”De troep nam een versnelden pas aan, die hen in minder dan een half uur, bij de voorste wallen van het kamp bracht. Kapitein Aguilar en de doctor kwamen de reizigers bij hunne aankomst te gemoet. Het avondmaal was gereed gemaakt, en wachtte reeds lang op hen. Men zette zich aan tafel. Maar de treurigheid, die zich sedert eenige uren van den generaal en zijne nicht scheen te hebben meester gemaakt, nam eer toe dan af. Het tafelgesprek leed er onder; ieder at haastig zonder een woord te zeggen. Toen men gedaan had, ging men onder voorwendsel van vermoeid te zijn uiteen, schijnbaar om zich aan de rust over te geven, maar in werkelijkheid om alleen te zijn en na te denken over de gebeurtenissen van den dag.De gids van zijn kant was niet veel beter op zijn gemak; een slecht geweten is, zooals een wijs man gezegd heeft, de verdrietigste slaapkameraad dien men hebben kan, de Babbelaar nu had het slechtste van alle slechte gewetens; ook gevoelde hij volstrekt geen lust om te slapen. Hij wandelde in het kamp op en neder, en zocht te vergeefs in zijn onrustig gemoed naar eenig middel, om zich uit de moeielijkheid te redden waarin hij zich gewikkeld zag. Maar hoe hij zijn best deed om zijne verbeeldingskracht op te wekken, niets bracht zijn argwaan tot rust.Het was intusschen geheel nacht geworden; de maan was ondergegaan; een dikke duisternis overdekte het kamp. Iedereen sliep of scheen te slapen; de gids alleen, die de eerste wacht op zich had genomen, zat wakend op de bagage; de armen over de borst gekruist, en strak voor zich uitziende, verdiepte hij zich hoe langer hoe meer in sombere droomerijen. Eensklaps werd er een hand op zijn schouders gelegd, en prevelde eene stem dit ééne woord in zijn oor:»Kennedy!”De gids, rijkelijk voorzien van die tegenwoordigheid van geest en die onverstoorbare koelbloedigheid, die den Indianen en mestiezen nooit begeven, wierp een wantrouwenden blik om zich heen, ten einde zich te verzekeren, dat hij niet bespied werd; vervolgens greep hij de hand die nog altijd op zijn schouder rustte, en voerde den persoon, die hem had toegesproken, en die hem zonder tegenspraak volgde, met zich in een afgelegen hoek, waar hij zeker meende te kunnen zijn tegen elken overval.Op het oogenblik dat de twee mannen de tent voorbij gingen, werden de gordijnen zachtkens opgeslagen, om een schaduw door te laten, die hen zwijgend begon te volgen.Toen zij zich achter de bagage verscholen en naast elkander geplaatst[101]hadden, om fluisterend te kunnen spreken, mompelde de gids:»Goddank! ik wachtte uw bezoek met ongeduld, Kennedy.”»Wist gij dan, dat ik komen moest?” antwoordde deze argwanend.»Neen, maar ik hoopte het.”»Is er nieuws?”»Ja, veel!”»Spreek en haast u.”»Dat zal ik doen. Alles is verloren.”»Zoo! wat meent gij?”»Van daag is de generaal, onder mijn geleide, naar.…”»Ik weet het, ik heb u gezien.”»Vervloekt! waarom hebt gij ons niet aangevallen?”»Wij waren met ons beiden.”»Ik zou de derde geweest zijn; het had dus gelijk gestaan, daar de generaal slechts twee lanceros bij zich had.”»Ja, daar heb ik niet aan gedacht.”»Dat was verkeerd van u; het had alles afgeloopen kunnen zijn, terwijl nu waarschijnlijk alles verloren is.”»Hoe dat?”»Wel,Caraï, dat is duidelijk; de generaal en zijn nicht hebben een tijdlang met dien schijnheiligen Zwarten Eland staan praten; gij weet, hij kent mij sinds lang, hij heeft hen zeker geraden, om mij te wantrouwen.”»Waarom hebt gij ze ook naar den bevervijver gebracht?”»Kon ik weten, dat ik daar dien vervloekten jager tegen ’t lijf zou loopen?”»In ons vak moet men op alles rekenen.”»Gij hebt gelijk, ik heb een fout begaan. Maar hoe het zij, het kwaad is nu niet meer te herstellen, want ik heb een voorgevoel dat de Zwarte Eland den generaal omtrent mij heeft ingelicht.”»Hm, dat is wel waarschijnlijk.Wat moeten wij dan doen?”»Zoodra mogelijk handelen, zoodat zij geen tijd hebben om op hun hoede te zijn.”»Ik verlang niets anders, dat weet gij.”»Ja. Waar is de kapitein? Is hij terug?”»Van avond gekomen. Al onze manschappen zijn in de grot, wij zijn met ons veertigen.”»Bravo! ach, waarom zijt gij niet met u allen gekomen, in plaats van gij alleen; zie eens, welk een schoone gelegenheid gij hadt. Zij slapen als rotten. Wij zouden hen in minder dan tien minuten in handen hebben gehad.”»Gij hebt gelijk, maar men kan niet alles voorzien; bovendien, dat is het niet, wat gij met den kapitein hebt afgesproken.”»Neen, dat beken ik. Maar waarom komt gij dan?”[102]»Om u te waarschuwen, dat wij gereed zijn, en dat wij slechts op een teeken van u wachten, om te handelen.”»Maar wat moet ik doen? Geef mij toch raad.”»Hoe, voor den duivel, wilt gij, dat ik u raden zal? weet ik wat er hier omgaat, en moet ik u zeggen, hoe gij het moet aanleggen?”De gids dacht een oogenblik na, vervolgens hief hij het hoofd op en keek strak in de lucht.»Luister,” hernam hij, »het is nog geen twee uur.”»Neen.”»Gij gaat weder naar de grot.”»Terstond?”»Ja.”»Goed. En dan?”»Gij zult aan den kapitein zeggen, dat, als hij het verlangt, ik hem het meisje nog dezen nacht zal uitleveren.”»Hm, dat zal dunkt mij niet gemakkelijk zijn.”»Gij zijt een domoor.”»’t Is mogelijk; maar ik zie niet in waarom.”»Wacht dan maar. De wacht over het kamp is aldus verdeeld: over dag staan de soldaten bij de borstweringen; maar daar zij aan het leven in de prairiën niet gewoon zijn, en hunne hulp in den nacht meer kwaad dan goed zou doen, zoo is aan mij en de andere gidsen de wacht opgedragen, terwijl de soldaten rust nemen.”»Dat is zeer vernuftig uitgedacht,” zeide Kennedy lachend.»Niet waar? Gij klimt dus te paard; beneden aan den heuvel gekomen, zullen zes der stoutmoedigste mannen zich bij mij voegen; met hunne hulp neem ik de taak op mij, om, terwijl zij slapen, den generaal en al de soldaten te binden.”»Dat is een heerlijk denkbeeld.”»Vindt gij?”»Ja zeker.”»Goed. Zijn die schelmen eens goed gekneveld, dan fluit ik, en de kapitein komt met de rest van den troep. Laat hij het dan met het meisje zien te vinden, dat gaat hem aan, ik bemoei er mij niet mede. Hoe vindt gij dat?”»Uitmuntend.”»Op die wijze vermijden wij het vergieten van bloed en wij zelven komen er ongedeerd af.”»Gij zijt voorzichtig.”»Ja, maar, mijn beste vriend, als men dergelijke zaken doet, die bij welslagen groote voordeden aanbrengen, moet men het altijd zoo zien te schikken, dat men alle kansen voor zich heeft.”»Goed gesproken, en bovendien, uw plan bevalt mij, en ik ga het zonder dralen ten uitvoer brengen; maar laat ons eerst goed afspreken, om elk misverstand te voorkomen.”»Daar heb ik niets tegen.”[103]»Als de kapitein, gelijk ik wel denk, uw heerlijk en onfeilbaar plan goedkeurt, dan zal ik, zoodra wij aan den voet van den heuvel zijn, met zes onverschrokken kerels, die ik zelf zal uitkiezen, naar boven gaan. Van welken kant zal ik het kamp binnen dringen?”»Wel, van denzelfden kant, waarvan gij nu gekomen zijt.”»En gij, waar zult gij zijn?”»Bij den ingang; gereed om u te helpen.”»Goed. Nu is alles afgesproken. Hebt gij mij niets meer te zeggen?”»Neen, niets.”»Dan ga ik weg.”»Ja, hoe eer hoe beter.”»Gij hebt altijd gelijk. Geleid mij tot aan de plaats, waar ik uit het kamp kan komen, het is zoo donker dat, als ik alleen ga, ik licht zou kunnen verdwalen, en in aanraking komen met een slapenden soldaat, hetgeen ons minder goed zou dienen.”»Geef mij de hand.”»Zie daar.”De twee mannen stonden op en wilden heengaan; maar op hetzelfde oogenblik plaatste zich een schaduw tusschen hen beiden, en riep een krachtige stem hun toe:»Verraders, gij zult sterven!”Ondanks al hunne zelfbeheersching, bleven de beide mannen een oogenblik versteend van schrik staan. Zonder hun den tijd te geven om hunne tegenwoordigheid van geest terug te erlangen, schoot de persoon, die gesproken had twee pistolen op hen af. De ongelukkigen gaven een luiden gil; de een viel, de andere sprong op als een tijgerkat, klom tegen de borstwering op, en verdween, eer men den tijd had om ten tweedemale op hem los te branden.De generaal en kapitein Aguilar verschenen het eerst op de plaats, waar het bovenvermelde tooneel had plaats gehad. Zij vondendoñaLuz met twee pistolen in de hand, terwijl aan hare voeten een man zich krampachtig rondwentelde.»Wat beteekent dat, lieve nicht? Wat is er gebeurd? in Gods naam, zijt gij gewond?” vroeg de generaal beangst.»Herstel u, oom; ik ben niet gewond,” antwoordde het meisje, »maar ik heb een verrader gestraft. Twee ellendelingen smeedden in het donker eene samenzwering tegen onze gemeenschappelijke veiligheid; de een is ontsnapt, maar ik geloof dat deze er minder goed afgekomen is.”De generaal boog zich over den schelm heen. Bij het licht der toorts, die hij in de hand droeg, herkende hij Kennedy, denzelfden gids, die volgens den Babbelaar, levend verbrand zou zijn, bij gelegenheid van den brand der prairie.»O, o!” zeide hij, »wat beteekent dat?”»Dat beteekent, oom,” antwoordde het meisje, »dat zoo God ons[104]niet te hulp ware gekomen, wij dezen nacht door een troep bandieten, die niet ver van hier in hinderlaag ligt, zouden overvallen zijn.”»Laat ons dan geen tijd verliezen.”De generaal, geholpen door kapitein Aguilar, haastte zich nu om alles tot een geduchten tegenstand gereed te maken, ingeval men een aanval wagen mocht.De Babbelaar was gevlucht, maar een breed spoor van bloed bewees, dat hij zwaar gekwetst was. Zoo het dag ware geweest, zou men gepoogd hebben hem te vervolgen, en misschien zou men hem hebben kunnen inhalen; maar te midden der duisternis, en zonder te weten of de vijand niet in de nabijheid in hinderlaag lag, wilde de generaal niet dat zijne soldaten zich buiten het kamp waagden. Hij liet liever den Babbelaar deze kans op redding behouden. Wat Kennedy betrof, die was dood.Zoodra het eerste oogenblik voorbij was, gevoeldedoñaLuz, thans niet meer door het dreigend gevaar staande gehouden, dat zij eene vrouw was. Hare geestkracht verflauwde, hare oogen vielen toe, eene zenuwachtige trilling ging haar door al de leden, zij wankelde, en zij zou zeker gevallen zijn, zoo de doctor haar niet in zijne armen had opgevangen.Hij bracht haar half in zwijm onder de tent, en bewees haar al de zorgen, die haar toestand vereischte. Het meisje kwam langzamerhand bij, hare kalmte keerde terug, en er kwam weder orde in den gang van hare denkbeelden. Zich den raad herinnerende, dien de Zwarte Eland haar dienzelfden dag gegeven had, dacht zij, dat nu het oogenblik daar was, om hem zijne belofte in het geheugen te roepen, en zij gaf den doctor een teeken om naderbij te komen.»Beste doctor,” zeide zij met een zachte stem, »wilt gij mij een groote dienst bewijzen?”»Beschik over mij,Señorita.”»Kent gij een pelsjager, de Zwarte Eland geheeten?”»Ja, zijne hut staat niet ver van hier, bij een bevervijver.”»Juist; welnu doctor, dien moest gij eens, zoodra het dag is, uit mijn naam gaan opzoeken.”»Waarom,Señorita?”»Ik bid er u om,” zeide zij vleiend.»O, dan kunt gij gerust zijn, dan zal ik gaan,” antwoordde hij.»Ik dank u.”»Wat zal ik hem zeggen?”»Gij zult hem vertellen, wat hier van nacht is voorgevallen.”»Sakkerloot!”»En dan zult gij er bijvoegen, onthoud die woorden goed, want gij moet ze letterlijk herhalen.…”»Ik ben geheel gehoor, ik zal ze in mijn geheugen opschrijven.”»Zwarte Eland, het uur is gekomen.Gij hebt mij begrepen, niet waar?”[105]»Volkomen,Señorita.”»Zweert gij, te zullen doen wat ik u vraag?”»Ik zweer het u,” zeide hij plechtig, »bij zonsopgang zal ik den jager opzoeken, hem verhalen, wat er van nacht is voorgevallen, en er bijvoegen: Zwarte Eland, het uur is gekomen. Is dat al wat gij van mij verlangt?”»Ja. alles, beste doctor.”»Welnu, slaap dan maar gerust,Señorita, ik zweer u bij mijn eer, dat het geschieden zal.”»Ik dank u,” fluisterde het meisje, hem met een glimlach de hand drukkende.En overstelpt door de vreeselijke aandoeningen van dien nacht viel zij op haar bed, waar zij weldra een rustigen en verkwikkenden slaap genoot.Bij het aanbreken van den dag, in weerwil van de aanmerkingen van den generaal, die hem te vergeefs trachtte te beletten om heen te gaan, uithoofde van de gevaren waaraan hij zich zou blootstellen, verliet de waardige geleerde, die al wat zijn vriend tot hem zeide met een ontkennend hoofdschudden beantwoordde, en zonder eenige reden voor zijne hardnekkigheid op te geven, het kamp, en reed zoo hard hij kon van den heuvel naar beneden. Zoodra hij in het woud was, gaf hij zijn paard nogmaals de sporen en wendde zich in galop naar de hut van den Zwarten Eland.

XVI.VERRAAD.

De terugtocht was niet vroolijk. De generaal was nog geheel vervuld van het onderhoud, dat hij met den jager gehad had.DoñaLuz dacht aan de waarschuwing die haar gegeven was. De gids, gebelgd over de afzonderlijke gesprekken van den Zwarten Eland met het meisje en met den generaal, had een geheim voorgevoel, dat hem tot voorzichtigheid aanspoorde. De twee Lanceros alleen liepen onbekommerd voort; zij kenden het drama niet dat om hen gespeeld werd, en dachten aan niets, als aan de rust die hen in het kamp wachtte.De Babbelaar wierp gedurig onrustige blikken om zich heen, als zocht hij hulp en versterking te midden der dichte struiken, door welke de kleine troep zich zwijgend een weg baande.De dag liep ten einde; de zon zou weldra ondergaan; de geheimzinnige gasten van het woud lieten reeds van tijd tot tijd hun dof gebrul hooren.[100]»Zijn wij nog ver van het kamp?” vroeg de generaal eensklaps.»Neen,” antwoordde de gids, »nauwelijks een uur.”»Verhaasten wij onze schreden dan; ik wil in dit donkere bosch niet door den nacht overvallen worden.”De troep nam een versnelden pas aan, die hen in minder dan een half uur, bij de voorste wallen van het kamp bracht. Kapitein Aguilar en de doctor kwamen de reizigers bij hunne aankomst te gemoet. Het avondmaal was gereed gemaakt, en wachtte reeds lang op hen. Men zette zich aan tafel. Maar de treurigheid, die zich sedert eenige uren van den generaal en zijne nicht scheen te hebben meester gemaakt, nam eer toe dan af. Het tafelgesprek leed er onder; ieder at haastig zonder een woord te zeggen. Toen men gedaan had, ging men onder voorwendsel van vermoeid te zijn uiteen, schijnbaar om zich aan de rust over te geven, maar in werkelijkheid om alleen te zijn en na te denken over de gebeurtenissen van den dag.De gids van zijn kant was niet veel beter op zijn gemak; een slecht geweten is, zooals een wijs man gezegd heeft, de verdrietigste slaapkameraad dien men hebben kan, de Babbelaar nu had het slechtste van alle slechte gewetens; ook gevoelde hij volstrekt geen lust om te slapen. Hij wandelde in het kamp op en neder, en zocht te vergeefs in zijn onrustig gemoed naar eenig middel, om zich uit de moeielijkheid te redden waarin hij zich gewikkeld zag. Maar hoe hij zijn best deed om zijne verbeeldingskracht op te wekken, niets bracht zijn argwaan tot rust.Het was intusschen geheel nacht geworden; de maan was ondergegaan; een dikke duisternis overdekte het kamp. Iedereen sliep of scheen te slapen; de gids alleen, die de eerste wacht op zich had genomen, zat wakend op de bagage; de armen over de borst gekruist, en strak voor zich uitziende, verdiepte hij zich hoe langer hoe meer in sombere droomerijen. Eensklaps werd er een hand op zijn schouders gelegd, en prevelde eene stem dit ééne woord in zijn oor:»Kennedy!”De gids, rijkelijk voorzien van die tegenwoordigheid van geest en die onverstoorbare koelbloedigheid, die den Indianen en mestiezen nooit begeven, wierp een wantrouwenden blik om zich heen, ten einde zich te verzekeren, dat hij niet bespied werd; vervolgens greep hij de hand die nog altijd op zijn schouder rustte, en voerde den persoon, die hem had toegesproken, en die hem zonder tegenspraak volgde, met zich in een afgelegen hoek, waar hij zeker meende te kunnen zijn tegen elken overval.Op het oogenblik dat de twee mannen de tent voorbij gingen, werden de gordijnen zachtkens opgeslagen, om een schaduw door te laten, die hen zwijgend begon te volgen.Toen zij zich achter de bagage verscholen en naast elkander geplaatst[101]hadden, om fluisterend te kunnen spreken, mompelde de gids:»Goddank! ik wachtte uw bezoek met ongeduld, Kennedy.”»Wist gij dan, dat ik komen moest?” antwoordde deze argwanend.»Neen, maar ik hoopte het.”»Is er nieuws?”»Ja, veel!”»Spreek en haast u.”»Dat zal ik doen. Alles is verloren.”»Zoo! wat meent gij?”»Van daag is de generaal, onder mijn geleide, naar.…”»Ik weet het, ik heb u gezien.”»Vervloekt! waarom hebt gij ons niet aangevallen?”»Wij waren met ons beiden.”»Ik zou de derde geweest zijn; het had dus gelijk gestaan, daar de generaal slechts twee lanceros bij zich had.”»Ja, daar heb ik niet aan gedacht.”»Dat was verkeerd van u; het had alles afgeloopen kunnen zijn, terwijl nu waarschijnlijk alles verloren is.”»Hoe dat?”»Wel,Caraï, dat is duidelijk; de generaal en zijn nicht hebben een tijdlang met dien schijnheiligen Zwarten Eland staan praten; gij weet, hij kent mij sinds lang, hij heeft hen zeker geraden, om mij te wantrouwen.”»Waarom hebt gij ze ook naar den bevervijver gebracht?”»Kon ik weten, dat ik daar dien vervloekten jager tegen ’t lijf zou loopen?”»In ons vak moet men op alles rekenen.”»Gij hebt gelijk, ik heb een fout begaan. Maar hoe het zij, het kwaad is nu niet meer te herstellen, want ik heb een voorgevoel dat de Zwarte Eland den generaal omtrent mij heeft ingelicht.”»Hm, dat is wel waarschijnlijk.Wat moeten wij dan doen?”»Zoodra mogelijk handelen, zoodat zij geen tijd hebben om op hun hoede te zijn.”»Ik verlang niets anders, dat weet gij.”»Ja. Waar is de kapitein? Is hij terug?”»Van avond gekomen. Al onze manschappen zijn in de grot, wij zijn met ons veertigen.”»Bravo! ach, waarom zijt gij niet met u allen gekomen, in plaats van gij alleen; zie eens, welk een schoone gelegenheid gij hadt. Zij slapen als rotten. Wij zouden hen in minder dan tien minuten in handen hebben gehad.”»Gij hebt gelijk, maar men kan niet alles voorzien; bovendien, dat is het niet, wat gij met den kapitein hebt afgesproken.”»Neen, dat beken ik. Maar waarom komt gij dan?”[102]»Om u te waarschuwen, dat wij gereed zijn, en dat wij slechts op een teeken van u wachten, om te handelen.”»Maar wat moet ik doen? Geef mij toch raad.”»Hoe, voor den duivel, wilt gij, dat ik u raden zal? weet ik wat er hier omgaat, en moet ik u zeggen, hoe gij het moet aanleggen?”De gids dacht een oogenblik na, vervolgens hief hij het hoofd op en keek strak in de lucht.»Luister,” hernam hij, »het is nog geen twee uur.”»Neen.”»Gij gaat weder naar de grot.”»Terstond?”»Ja.”»Goed. En dan?”»Gij zult aan den kapitein zeggen, dat, als hij het verlangt, ik hem het meisje nog dezen nacht zal uitleveren.”»Hm, dat zal dunkt mij niet gemakkelijk zijn.”»Gij zijt een domoor.”»’t Is mogelijk; maar ik zie niet in waarom.”»Wacht dan maar. De wacht over het kamp is aldus verdeeld: over dag staan de soldaten bij de borstweringen; maar daar zij aan het leven in de prairiën niet gewoon zijn, en hunne hulp in den nacht meer kwaad dan goed zou doen, zoo is aan mij en de andere gidsen de wacht opgedragen, terwijl de soldaten rust nemen.”»Dat is zeer vernuftig uitgedacht,” zeide Kennedy lachend.»Niet waar? Gij klimt dus te paard; beneden aan den heuvel gekomen, zullen zes der stoutmoedigste mannen zich bij mij voegen; met hunne hulp neem ik de taak op mij, om, terwijl zij slapen, den generaal en al de soldaten te binden.”»Dat is een heerlijk denkbeeld.”»Vindt gij?”»Ja zeker.”»Goed. Zijn die schelmen eens goed gekneveld, dan fluit ik, en de kapitein komt met de rest van den troep. Laat hij het dan met het meisje zien te vinden, dat gaat hem aan, ik bemoei er mij niet mede. Hoe vindt gij dat?”»Uitmuntend.”»Op die wijze vermijden wij het vergieten van bloed en wij zelven komen er ongedeerd af.”»Gij zijt voorzichtig.”»Ja, maar, mijn beste vriend, als men dergelijke zaken doet, die bij welslagen groote voordeden aanbrengen, moet men het altijd zoo zien te schikken, dat men alle kansen voor zich heeft.”»Goed gesproken, en bovendien, uw plan bevalt mij, en ik ga het zonder dralen ten uitvoer brengen; maar laat ons eerst goed afspreken, om elk misverstand te voorkomen.”»Daar heb ik niets tegen.”[103]»Als de kapitein, gelijk ik wel denk, uw heerlijk en onfeilbaar plan goedkeurt, dan zal ik, zoodra wij aan den voet van den heuvel zijn, met zes onverschrokken kerels, die ik zelf zal uitkiezen, naar boven gaan. Van welken kant zal ik het kamp binnen dringen?”»Wel, van denzelfden kant, waarvan gij nu gekomen zijt.”»En gij, waar zult gij zijn?”»Bij den ingang; gereed om u te helpen.”»Goed. Nu is alles afgesproken. Hebt gij mij niets meer te zeggen?”»Neen, niets.”»Dan ga ik weg.”»Ja, hoe eer hoe beter.”»Gij hebt altijd gelijk. Geleid mij tot aan de plaats, waar ik uit het kamp kan komen, het is zoo donker dat, als ik alleen ga, ik licht zou kunnen verdwalen, en in aanraking komen met een slapenden soldaat, hetgeen ons minder goed zou dienen.”»Geef mij de hand.”»Zie daar.”De twee mannen stonden op en wilden heengaan; maar op hetzelfde oogenblik plaatste zich een schaduw tusschen hen beiden, en riep een krachtige stem hun toe:»Verraders, gij zult sterven!”Ondanks al hunne zelfbeheersching, bleven de beide mannen een oogenblik versteend van schrik staan. Zonder hun den tijd te geven om hunne tegenwoordigheid van geest terug te erlangen, schoot de persoon, die gesproken had twee pistolen op hen af. De ongelukkigen gaven een luiden gil; de een viel, de andere sprong op als een tijgerkat, klom tegen de borstwering op, en verdween, eer men den tijd had om ten tweedemale op hem los te branden.De generaal en kapitein Aguilar verschenen het eerst op de plaats, waar het bovenvermelde tooneel had plaats gehad. Zij vondendoñaLuz met twee pistolen in de hand, terwijl aan hare voeten een man zich krampachtig rondwentelde.»Wat beteekent dat, lieve nicht? Wat is er gebeurd? in Gods naam, zijt gij gewond?” vroeg de generaal beangst.»Herstel u, oom; ik ben niet gewond,” antwoordde het meisje, »maar ik heb een verrader gestraft. Twee ellendelingen smeedden in het donker eene samenzwering tegen onze gemeenschappelijke veiligheid; de een is ontsnapt, maar ik geloof dat deze er minder goed afgekomen is.”De generaal boog zich over den schelm heen. Bij het licht der toorts, die hij in de hand droeg, herkende hij Kennedy, denzelfden gids, die volgens den Babbelaar, levend verbrand zou zijn, bij gelegenheid van den brand der prairie.»O, o!” zeide hij, »wat beteekent dat?”»Dat beteekent, oom,” antwoordde het meisje, »dat zoo God ons[104]niet te hulp ware gekomen, wij dezen nacht door een troep bandieten, die niet ver van hier in hinderlaag ligt, zouden overvallen zijn.”»Laat ons dan geen tijd verliezen.”De generaal, geholpen door kapitein Aguilar, haastte zich nu om alles tot een geduchten tegenstand gereed te maken, ingeval men een aanval wagen mocht.De Babbelaar was gevlucht, maar een breed spoor van bloed bewees, dat hij zwaar gekwetst was. Zoo het dag ware geweest, zou men gepoogd hebben hem te vervolgen, en misschien zou men hem hebben kunnen inhalen; maar te midden der duisternis, en zonder te weten of de vijand niet in de nabijheid in hinderlaag lag, wilde de generaal niet dat zijne soldaten zich buiten het kamp waagden. Hij liet liever den Babbelaar deze kans op redding behouden. Wat Kennedy betrof, die was dood.Zoodra het eerste oogenblik voorbij was, gevoeldedoñaLuz, thans niet meer door het dreigend gevaar staande gehouden, dat zij eene vrouw was. Hare geestkracht verflauwde, hare oogen vielen toe, eene zenuwachtige trilling ging haar door al de leden, zij wankelde, en zij zou zeker gevallen zijn, zoo de doctor haar niet in zijne armen had opgevangen.Hij bracht haar half in zwijm onder de tent, en bewees haar al de zorgen, die haar toestand vereischte. Het meisje kwam langzamerhand bij, hare kalmte keerde terug, en er kwam weder orde in den gang van hare denkbeelden. Zich den raad herinnerende, dien de Zwarte Eland haar dienzelfden dag gegeven had, dacht zij, dat nu het oogenblik daar was, om hem zijne belofte in het geheugen te roepen, en zij gaf den doctor een teeken om naderbij te komen.»Beste doctor,” zeide zij met een zachte stem, »wilt gij mij een groote dienst bewijzen?”»Beschik over mij,Señorita.”»Kent gij een pelsjager, de Zwarte Eland geheeten?”»Ja, zijne hut staat niet ver van hier, bij een bevervijver.”»Juist; welnu doctor, dien moest gij eens, zoodra het dag is, uit mijn naam gaan opzoeken.”»Waarom,Señorita?”»Ik bid er u om,” zeide zij vleiend.»O, dan kunt gij gerust zijn, dan zal ik gaan,” antwoordde hij.»Ik dank u.”»Wat zal ik hem zeggen?”»Gij zult hem vertellen, wat hier van nacht is voorgevallen.”»Sakkerloot!”»En dan zult gij er bijvoegen, onthoud die woorden goed, want gij moet ze letterlijk herhalen.…”»Ik ben geheel gehoor, ik zal ze in mijn geheugen opschrijven.”»Zwarte Eland, het uur is gekomen.Gij hebt mij begrepen, niet waar?”[105]»Volkomen,Señorita.”»Zweert gij, te zullen doen wat ik u vraag?”»Ik zweer het u,” zeide hij plechtig, »bij zonsopgang zal ik den jager opzoeken, hem verhalen, wat er van nacht is voorgevallen, en er bijvoegen: Zwarte Eland, het uur is gekomen. Is dat al wat gij van mij verlangt?”»Ja. alles, beste doctor.”»Welnu, slaap dan maar gerust,Señorita, ik zweer u bij mijn eer, dat het geschieden zal.”»Ik dank u,” fluisterde het meisje, hem met een glimlach de hand drukkende.En overstelpt door de vreeselijke aandoeningen van dien nacht viel zij op haar bed, waar zij weldra een rustigen en verkwikkenden slaap genoot.Bij het aanbreken van den dag, in weerwil van de aanmerkingen van den generaal, die hem te vergeefs trachtte te beletten om heen te gaan, uithoofde van de gevaren waaraan hij zich zou blootstellen, verliet de waardige geleerde, die al wat zijn vriend tot hem zeide met een ontkennend hoofdschudden beantwoordde, en zonder eenige reden voor zijne hardnekkigheid op te geven, het kamp, en reed zoo hard hij kon van den heuvel naar beneden. Zoodra hij in het woud was, gaf hij zijn paard nogmaals de sporen en wendde zich in galop naar de hut van den Zwarten Eland.

De terugtocht was niet vroolijk. De generaal was nog geheel vervuld van het onderhoud, dat hij met den jager gehad had.DoñaLuz dacht aan de waarschuwing die haar gegeven was. De gids, gebelgd over de afzonderlijke gesprekken van den Zwarten Eland met het meisje en met den generaal, had een geheim voorgevoel, dat hem tot voorzichtigheid aanspoorde. De twee Lanceros alleen liepen onbekommerd voort; zij kenden het drama niet dat om hen gespeeld werd, en dachten aan niets, als aan de rust die hen in het kamp wachtte.

De Babbelaar wierp gedurig onrustige blikken om zich heen, als zocht hij hulp en versterking te midden der dichte struiken, door welke de kleine troep zich zwijgend een weg baande.

De dag liep ten einde; de zon zou weldra ondergaan; de geheimzinnige gasten van het woud lieten reeds van tijd tot tijd hun dof gebrul hooren.[100]

»Zijn wij nog ver van het kamp?” vroeg de generaal eensklaps.

»Neen,” antwoordde de gids, »nauwelijks een uur.”

»Verhaasten wij onze schreden dan; ik wil in dit donkere bosch niet door den nacht overvallen worden.”

De troep nam een versnelden pas aan, die hen in minder dan een half uur, bij de voorste wallen van het kamp bracht. Kapitein Aguilar en de doctor kwamen de reizigers bij hunne aankomst te gemoet. Het avondmaal was gereed gemaakt, en wachtte reeds lang op hen. Men zette zich aan tafel. Maar de treurigheid, die zich sedert eenige uren van den generaal en zijne nicht scheen te hebben meester gemaakt, nam eer toe dan af. Het tafelgesprek leed er onder; ieder at haastig zonder een woord te zeggen. Toen men gedaan had, ging men onder voorwendsel van vermoeid te zijn uiteen, schijnbaar om zich aan de rust over te geven, maar in werkelijkheid om alleen te zijn en na te denken over de gebeurtenissen van den dag.

De gids van zijn kant was niet veel beter op zijn gemak; een slecht geweten is, zooals een wijs man gezegd heeft, de verdrietigste slaapkameraad dien men hebben kan, de Babbelaar nu had het slechtste van alle slechte gewetens; ook gevoelde hij volstrekt geen lust om te slapen. Hij wandelde in het kamp op en neder, en zocht te vergeefs in zijn onrustig gemoed naar eenig middel, om zich uit de moeielijkheid te redden waarin hij zich gewikkeld zag. Maar hoe hij zijn best deed om zijne verbeeldingskracht op te wekken, niets bracht zijn argwaan tot rust.

Het was intusschen geheel nacht geworden; de maan was ondergegaan; een dikke duisternis overdekte het kamp. Iedereen sliep of scheen te slapen; de gids alleen, die de eerste wacht op zich had genomen, zat wakend op de bagage; de armen over de borst gekruist, en strak voor zich uitziende, verdiepte hij zich hoe langer hoe meer in sombere droomerijen. Eensklaps werd er een hand op zijn schouders gelegd, en prevelde eene stem dit ééne woord in zijn oor:

»Kennedy!”

De gids, rijkelijk voorzien van die tegenwoordigheid van geest en die onverstoorbare koelbloedigheid, die den Indianen en mestiezen nooit begeven, wierp een wantrouwenden blik om zich heen, ten einde zich te verzekeren, dat hij niet bespied werd; vervolgens greep hij de hand die nog altijd op zijn schouder rustte, en voerde den persoon, die hem had toegesproken, en die hem zonder tegenspraak volgde, met zich in een afgelegen hoek, waar hij zeker meende te kunnen zijn tegen elken overval.

Op het oogenblik dat de twee mannen de tent voorbij gingen, werden de gordijnen zachtkens opgeslagen, om een schaduw door te laten, die hen zwijgend begon te volgen.

Toen zij zich achter de bagage verscholen en naast elkander geplaatst[101]hadden, om fluisterend te kunnen spreken, mompelde de gids:

»Goddank! ik wachtte uw bezoek met ongeduld, Kennedy.”

»Wist gij dan, dat ik komen moest?” antwoordde deze argwanend.

»Neen, maar ik hoopte het.”

»Is er nieuws?”

»Ja, veel!”

»Spreek en haast u.”

»Dat zal ik doen. Alles is verloren.”

»Zoo! wat meent gij?”

»Van daag is de generaal, onder mijn geleide, naar.…”

»Ik weet het, ik heb u gezien.”

»Vervloekt! waarom hebt gij ons niet aangevallen?”

»Wij waren met ons beiden.”

»Ik zou de derde geweest zijn; het had dus gelijk gestaan, daar de generaal slechts twee lanceros bij zich had.”

»Ja, daar heb ik niet aan gedacht.”

»Dat was verkeerd van u; het had alles afgeloopen kunnen zijn, terwijl nu waarschijnlijk alles verloren is.”

»Hoe dat?”

»Wel,Caraï, dat is duidelijk; de generaal en zijn nicht hebben een tijdlang met dien schijnheiligen Zwarten Eland staan praten; gij weet, hij kent mij sinds lang, hij heeft hen zeker geraden, om mij te wantrouwen.”

»Waarom hebt gij ze ook naar den bevervijver gebracht?”

»Kon ik weten, dat ik daar dien vervloekten jager tegen ’t lijf zou loopen?”

»In ons vak moet men op alles rekenen.”

»Gij hebt gelijk, ik heb een fout begaan. Maar hoe het zij, het kwaad is nu niet meer te herstellen, want ik heb een voorgevoel dat de Zwarte Eland den generaal omtrent mij heeft ingelicht.”

»Hm, dat is wel waarschijnlijk.Wat moeten wij dan doen?”

»Zoodra mogelijk handelen, zoodat zij geen tijd hebben om op hun hoede te zijn.”

»Ik verlang niets anders, dat weet gij.”

»Ja. Waar is de kapitein? Is hij terug?”

»Van avond gekomen. Al onze manschappen zijn in de grot, wij zijn met ons veertigen.”

»Bravo! ach, waarom zijt gij niet met u allen gekomen, in plaats van gij alleen; zie eens, welk een schoone gelegenheid gij hadt. Zij slapen als rotten. Wij zouden hen in minder dan tien minuten in handen hebben gehad.”

»Gij hebt gelijk, maar men kan niet alles voorzien; bovendien, dat is het niet, wat gij met den kapitein hebt afgesproken.”

»Neen, dat beken ik. Maar waarom komt gij dan?”[102]

»Om u te waarschuwen, dat wij gereed zijn, en dat wij slechts op een teeken van u wachten, om te handelen.”

»Maar wat moet ik doen? Geef mij toch raad.”

»Hoe, voor den duivel, wilt gij, dat ik u raden zal? weet ik wat er hier omgaat, en moet ik u zeggen, hoe gij het moet aanleggen?”

De gids dacht een oogenblik na, vervolgens hief hij het hoofd op en keek strak in de lucht.

»Luister,” hernam hij, »het is nog geen twee uur.”

»Neen.”

»Gij gaat weder naar de grot.”

»Terstond?”

»Ja.”

»Goed. En dan?”

»Gij zult aan den kapitein zeggen, dat, als hij het verlangt, ik hem het meisje nog dezen nacht zal uitleveren.”

»Hm, dat zal dunkt mij niet gemakkelijk zijn.”

»Gij zijt een domoor.”

»’t Is mogelijk; maar ik zie niet in waarom.”

»Wacht dan maar. De wacht over het kamp is aldus verdeeld: over dag staan de soldaten bij de borstweringen; maar daar zij aan het leven in de prairiën niet gewoon zijn, en hunne hulp in den nacht meer kwaad dan goed zou doen, zoo is aan mij en de andere gidsen de wacht opgedragen, terwijl de soldaten rust nemen.”

»Dat is zeer vernuftig uitgedacht,” zeide Kennedy lachend.

»Niet waar? Gij klimt dus te paard; beneden aan den heuvel gekomen, zullen zes der stoutmoedigste mannen zich bij mij voegen; met hunne hulp neem ik de taak op mij, om, terwijl zij slapen, den generaal en al de soldaten te binden.”

»Dat is een heerlijk denkbeeld.”

»Vindt gij?”

»Ja zeker.”

»Goed. Zijn die schelmen eens goed gekneveld, dan fluit ik, en de kapitein komt met de rest van den troep. Laat hij het dan met het meisje zien te vinden, dat gaat hem aan, ik bemoei er mij niet mede. Hoe vindt gij dat?”

»Uitmuntend.”

»Op die wijze vermijden wij het vergieten van bloed en wij zelven komen er ongedeerd af.”

»Gij zijt voorzichtig.”

»Ja, maar, mijn beste vriend, als men dergelijke zaken doet, die bij welslagen groote voordeden aanbrengen, moet men het altijd zoo zien te schikken, dat men alle kansen voor zich heeft.”

»Goed gesproken, en bovendien, uw plan bevalt mij, en ik ga het zonder dralen ten uitvoer brengen; maar laat ons eerst goed afspreken, om elk misverstand te voorkomen.”

»Daar heb ik niets tegen.”[103]

»Als de kapitein, gelijk ik wel denk, uw heerlijk en onfeilbaar plan goedkeurt, dan zal ik, zoodra wij aan den voet van den heuvel zijn, met zes onverschrokken kerels, die ik zelf zal uitkiezen, naar boven gaan. Van welken kant zal ik het kamp binnen dringen?”

»Wel, van denzelfden kant, waarvan gij nu gekomen zijt.”

»En gij, waar zult gij zijn?”

»Bij den ingang; gereed om u te helpen.”

»Goed. Nu is alles afgesproken. Hebt gij mij niets meer te zeggen?”

»Neen, niets.”

»Dan ga ik weg.”

»Ja, hoe eer hoe beter.”

»Gij hebt altijd gelijk. Geleid mij tot aan de plaats, waar ik uit het kamp kan komen, het is zoo donker dat, als ik alleen ga, ik licht zou kunnen verdwalen, en in aanraking komen met een slapenden soldaat, hetgeen ons minder goed zou dienen.”

»Geef mij de hand.”

»Zie daar.”

De twee mannen stonden op en wilden heengaan; maar op hetzelfde oogenblik plaatste zich een schaduw tusschen hen beiden, en riep een krachtige stem hun toe:

»Verraders, gij zult sterven!”

Ondanks al hunne zelfbeheersching, bleven de beide mannen een oogenblik versteend van schrik staan. Zonder hun den tijd te geven om hunne tegenwoordigheid van geest terug te erlangen, schoot de persoon, die gesproken had twee pistolen op hen af. De ongelukkigen gaven een luiden gil; de een viel, de andere sprong op als een tijgerkat, klom tegen de borstwering op, en verdween, eer men den tijd had om ten tweedemale op hem los te branden.

De generaal en kapitein Aguilar verschenen het eerst op de plaats, waar het bovenvermelde tooneel had plaats gehad. Zij vondendoñaLuz met twee pistolen in de hand, terwijl aan hare voeten een man zich krampachtig rondwentelde.

»Wat beteekent dat, lieve nicht? Wat is er gebeurd? in Gods naam, zijt gij gewond?” vroeg de generaal beangst.

»Herstel u, oom; ik ben niet gewond,” antwoordde het meisje, »maar ik heb een verrader gestraft. Twee ellendelingen smeedden in het donker eene samenzwering tegen onze gemeenschappelijke veiligheid; de een is ontsnapt, maar ik geloof dat deze er minder goed afgekomen is.”

De generaal boog zich over den schelm heen. Bij het licht der toorts, die hij in de hand droeg, herkende hij Kennedy, denzelfden gids, die volgens den Babbelaar, levend verbrand zou zijn, bij gelegenheid van den brand der prairie.

»O, o!” zeide hij, »wat beteekent dat?”

»Dat beteekent, oom,” antwoordde het meisje, »dat zoo God ons[104]niet te hulp ware gekomen, wij dezen nacht door een troep bandieten, die niet ver van hier in hinderlaag ligt, zouden overvallen zijn.”

»Laat ons dan geen tijd verliezen.”

De generaal, geholpen door kapitein Aguilar, haastte zich nu om alles tot een geduchten tegenstand gereed te maken, ingeval men een aanval wagen mocht.

De Babbelaar was gevlucht, maar een breed spoor van bloed bewees, dat hij zwaar gekwetst was. Zoo het dag ware geweest, zou men gepoogd hebben hem te vervolgen, en misschien zou men hem hebben kunnen inhalen; maar te midden der duisternis, en zonder te weten of de vijand niet in de nabijheid in hinderlaag lag, wilde de generaal niet dat zijne soldaten zich buiten het kamp waagden. Hij liet liever den Babbelaar deze kans op redding behouden. Wat Kennedy betrof, die was dood.

Zoodra het eerste oogenblik voorbij was, gevoeldedoñaLuz, thans niet meer door het dreigend gevaar staande gehouden, dat zij eene vrouw was. Hare geestkracht verflauwde, hare oogen vielen toe, eene zenuwachtige trilling ging haar door al de leden, zij wankelde, en zij zou zeker gevallen zijn, zoo de doctor haar niet in zijne armen had opgevangen.

Hij bracht haar half in zwijm onder de tent, en bewees haar al de zorgen, die haar toestand vereischte. Het meisje kwam langzamerhand bij, hare kalmte keerde terug, en er kwam weder orde in den gang van hare denkbeelden. Zich den raad herinnerende, dien de Zwarte Eland haar dienzelfden dag gegeven had, dacht zij, dat nu het oogenblik daar was, om hem zijne belofte in het geheugen te roepen, en zij gaf den doctor een teeken om naderbij te komen.

»Beste doctor,” zeide zij met een zachte stem, »wilt gij mij een groote dienst bewijzen?”

»Beschik over mij,Señorita.”

»Kent gij een pelsjager, de Zwarte Eland geheeten?”

»Ja, zijne hut staat niet ver van hier, bij een bevervijver.”

»Juist; welnu doctor, dien moest gij eens, zoodra het dag is, uit mijn naam gaan opzoeken.”

»Waarom,Señorita?”

»Ik bid er u om,” zeide zij vleiend.

»O, dan kunt gij gerust zijn, dan zal ik gaan,” antwoordde hij.

»Ik dank u.”

»Wat zal ik hem zeggen?”

»Gij zult hem vertellen, wat hier van nacht is voorgevallen.”

»Sakkerloot!”

»En dan zult gij er bijvoegen, onthoud die woorden goed, want gij moet ze letterlijk herhalen.…”

»Ik ben geheel gehoor, ik zal ze in mijn geheugen opschrijven.”

»Zwarte Eland, het uur is gekomen.Gij hebt mij begrepen, niet waar?”[105]

»Volkomen,Señorita.”

»Zweert gij, te zullen doen wat ik u vraag?”

»Ik zweer het u,” zeide hij plechtig, »bij zonsopgang zal ik den jager opzoeken, hem verhalen, wat er van nacht is voorgevallen, en er bijvoegen: Zwarte Eland, het uur is gekomen. Is dat al wat gij van mij verlangt?”

»Ja. alles, beste doctor.”

»Welnu, slaap dan maar gerust,Señorita, ik zweer u bij mijn eer, dat het geschieden zal.”

»Ik dank u,” fluisterde het meisje, hem met een glimlach de hand drukkende.

En overstelpt door de vreeselijke aandoeningen van dien nacht viel zij op haar bed, waar zij weldra een rustigen en verkwikkenden slaap genoot.

Bij het aanbreken van den dag, in weerwil van de aanmerkingen van den generaal, die hem te vergeefs trachtte te beletten om heen te gaan, uithoofde van de gevaren waaraan hij zich zou blootstellen, verliet de waardige geleerde, die al wat zijn vriend tot hem zeide met een ontkennend hoofdschudden beantwoordde, en zonder eenige reden voor zijne hardnekkigheid op te geven, het kamp, en reed zoo hard hij kon van den heuvel naar beneden. Zoodra hij in het woud was, gaf hij zijn paard nogmaals de sporen en wendde zich in galop naar de hut van den Zwarten Eland.


Back to IndexNext