[Inhoud]XVII.DE ARENDSKOP.De Arendskop was een even voorzichtig als moedig opperhoofd; hij wist, dat hij alles van de Amerikanen te vreezen had, zoo hij zijn spoor niet geheel kon doen verdwijnen. Hij verzuimde dan ook niets om, na den gelukkigen aanslag tegen de nieuwe ontginning der blanken, aan de oevers der groote Canadasche rivier, zijn troep in veiligheid te stellen tegen de geduchte weêrwraak, die hem wachtte.Men kan zich geen denkbeeld maken van het door de Indianen ontwikkelde talent, als het hun te doen is om hun spoor te verbergen. Twintig malen komen zij op dezelfde plaats terug, en verwarren de sporen van hun doortocht zoodanig onder elkander, dat zij eindelijk onherkenbaar worden; geen bijzonderheid ontgaat hun; zij loopen in elkanders voetstappen om hun aantal te verbergen; dagen achtereen volgen zij den stroom van eene beek, terwijl het water hun soms tot de heupen reikt; ja, zij drijven hunne voorzichtigheid en hun geduld vaak zoo ver, dat zij met de hand, en als[106]het ware stap voor stap, de schreden uitwisschen, die hen aan de helderziende en belangstellende oogen hunner vijanden zouden kunnen verraden.De Slangen-stam, waartoe de krijgslieden, onder het bevel van den Arendskop, behoorden, was ten getale van ongeveer vijf honderd man in de prairiën doorgedrongen, hetzij om op bisons te jagen of om slag te leveren aan de Pawnies en Sious, tegen welke zij onophoudelijk krijg voerden.Het deel van den Arendskop, zoodra de veldtocht was afgeloopen, was om zich onmiddellijk bij zijne broeders aan te sluiten, ten einde den buit door hem bij de verovering van het dorp gemaakt, in veiligheid te brengen en zich aan het hoofd te stellen van een groote krijgsonderneming, die zijn stam in den zin had tegen de in de prairiën verstrooide blanke jagers en mestiezen, die door de Indianen met reden als hunne onverzoenlijke vijanden werden beschouwd.Ondanks de menigte voorzorgen, door het opperhoofd aangewend, ging de troep snel vooruit. Op den avond van den zesden dag na de verwoesting van het fort, hielden de Comanchen halt aan de oevers van een kleine rivier zonder naam, gelijk er in deze streken vele zijn, en maakten zij zich gereed om aldaar des nachts te kampeeren. Niets is eenvoudiger dan een Indiaansch kamp op den voet van oorlog. De paarden worden vastgebonden, zoodat zij niet kunnen wegloopen; als men geen aanval vreest, steekt men vuur aan; in het tegenovergestelde geval, schikt ieder zich zoo goed hij kan om te eten en te slapen.Na hun vertrek van het fort, had niets bij de Comanchen het vermoeden opgewekt, dat zij achtervolgd of bespied werden, hunne spionnen hadden geen enkel verdacht spoor ontdekt. Zij bevonden zich op geringen afstand van het kamp van hun stam, hunne veiligheid liet dus niets te wenschen over. De Arendskop liet vuur aanleggen, en plaatste zelf de schildwachten, om voor allen te waken.Toen hij deze maatregelen genomen had, zette de hoofdman zich tegen een ebbenboom, nam zijn calumet en beval dat de grijsaard en de Spaansche vrouw zouden worden voorgebracht. Toen zij voor hem stonden, groette de Arendskop den grijsaard hartelijk en bood hem zijn calumet aan, een teeken van welwillendheid, dat de grijsaard aannam; zich tevens gereed houdende, om de vragen te beantwoorden, die de Indiaan zonder twijfel tot hem richten zou. Na eenige oogenblikken stilte nam deze werkelijk het woord:»Heeft mijn broeder het goed bij de Roodhuiden?” vroeg hij.»Ik heb geen reden tot klagen, hoofdman!” antwoordde de Spanjaard; »zoolang ik bij u was ben ik goed behandeld.”»Mijn broeder is een vriend,” zeide de Comanch plechtstatig.De grijsaard maakte een buiging.»Wij zijn eindelijk op onzen jachtgrond,” hernam het opperhoofd; »mijn broeder Grijshoofd is vermoeid van een lang leven; hij past[107]beter bij het vuur van den raad, dan op een paard om op elands en bisons te jagen: wat begeert mijn broeder?”»Hoofdman,” antwoordde de Spanjaard, »uwe woorden zijn waar; er was een tijd toen ik, evenals ieder andere zoon der prairiën, dagen lang op de jacht doorbracht, gezeten op een vurig en onstuimig ros, maar mijne krachten zijn verdwenen, mijne ledematen hebben hunne buigzaamheid, en mijne oogen hunne onfeilbaarheid verloren, ik deug niet meer voor eene expeditie, hoe kort zij ook wezen moge.”»Goed,” zeide de Indiaan bedaard, dikke rookwolken uit neus en mond blazende, »mijn broeder zegge aan zijn vriend, wat hij verlangt, en het zal geschieden.”»Ik dank u, hoofdman, en ik zal van uw welwillend aanbod gebruik maken; ik zou gelukkig zijn, zoo gij mij de middelen wildet verschaffen, om mij ongehinderd naar eene plaats te begeven, waar zich menschen van mijne kleur gevestigd hebben, en waar ik in vrede de weinige levensdagen, die mij nog overblijven, kan doorbrengen.”»En waarom zou ik dat niet doen? niets is gemakkelijker; zoodra wij bij onzen stam zullen gekomen zijn, zal aan het verlangen van mijn broeder worden voldaan, aangezien hij niet bij zijn roode vrienden verkiest te blijven.”Er volgde een oogenblik van stilte. De grijsaard, meenende dat het onderhoud afgeloopen was, wilde zich verwijderen; de hoofdman gaf hem een teeken, om te blijven.Na eenige oogenblikken schudde de Indiaan de asch uit zijne pijp, hing haar aan zijn gordel, en op den Spanjaard een zonderlingen blik slaande, zeide hij op droevigen toon:»Mijn broeder is gelukkig; ofschoon reeds vele winters oud, bewandelt hij toch niet alleen het levenspad.”»Wat bedoelt de hoofdman?” vroeg de grijsaard; »ik begrijp hem niet.”»Mijn broeder heeft een huisgezin,” hernam de Comanch.»Helaas, mijn broeder bedriegt zich, ik sta alleen op de wereld.”»Wat zegt mijn broeder daar? heeft hij niet zijne gezellin bij zich?”Een treurige glimlach teekende zich op de dunne lippen van den grijsaard.»Neen,” zeide hij, »ik heb geen levensgezellin.”»Wat is dan deze vrouw voor hem?” zeide de hoofdman met geveinsde bewondering op de Spaansche dame wijzende, die stil en droevig naast den grijsaard stond.»Die vrouw is mijne meesteres.”»Ooah!zou mijn broeder een slaaf zijn?” zeide de Comanch grijnzend.»Neen,” antwoordde de grijsaard fier, »ik ben niet de slaaf van deze vrouw; ik ben haar trouwe dienaar.”[108]»Ooah!” zeide de hoofdman, het hoofd schuddende, en hij begon over dit antwoord na te denken.Maar de woorden van den Spanjaard kwamen den Indiaan geheel onbegrijpelijk voor; de onderscheiding was hem al te fijn, hij kon haar niet vatten. Na twee of drie minuten zwijgens, gaf hij zijne pogingen, om dit voor hem onverklaarbare raadsel op te lossen, op.»Goed,” zeide hij, terwijl zich een spottende glimlach op zijn gelaat vertoonde, »de vrouw zal met mijn broeder vertrekken.”»Dat heb ik altijd zoo begrepen,” antwoordde de Spanjaard.De reeds bejaarde vrouw, die tot hiertoe het stilzwijgen bewaard had, meende nu dat het tijd was, om zich in het gesprek te mengen.»Ik bedank den hoofdman,” zeide zij, »doch daar hij zoo goed is, om zich ter onzer beschikking te stellen, zou ik hem wel eene gunst willen vragen.”»Mijne moeder spreke, mijne ooren zijn geopend.”»Ik heb een zoon, die een groot blank jager is; hij moet zich op dit oogenblik in de prairie bevinden; als mijn broeder goed vond ons nog eenige dagen bij zich te houden, dan zou het ons mogelijk zijn hem te ontmoeten; onder zijne bescherming zouden wij niets te vreezen hebben.”Bij deze onvoorzichtige woorden maakte de Spanjaard eene beweging van schrik.»Señorita,” zeide hij in zijne moedertaal, »pas op, dat.…”»Stilte!” gebood de Indiaan. »Waarom spreekt mijn broeder voor mij in een vreemde taal? is hij bang dat ik zijne woorden verstaan zal?”»O, hoofdman!” zeide de Spanjaard met een gebaar van ontkenning.»Dat mijn broeder dan mijne moeder met het bleeke gezicht niet verhindere te spreken; zij spreekt tot het opperhoofd.”De grijsaard zweeg, maar een droevig voorgevoel beklemde zijne borst.Het Comanchenhoofd wist heel goed, met wie hij te doen had: hij speelde met de twee Spanjaarden, gelijk de kat met de muis; maar zonder iets van hetgeen er in hem omging te laten blijken, wendde hij zich tot de vrouw en zich buigende met die instinctmatige beleefdheid, waardoor de Indianen zich onderscheiden zeide hij:»Ooah!de zoon mijner moeder is een groot jager: des te beter.”Het hart der arme vrouw sprong op van vreugde.»Ja,” zeide zij verrukt, »het is een der dapperste pelsjagers uit de prairiën van het westen.”»Ooah!” riep het opperhoofd, hoe langer hoe vriendelijker wordende; »die beroemde krijgsman moet een geëerbiedigden naam hebben in de prairiën?”De Spanjaard lag op de pijnbank; bedwongen door het oog van den Comanch, wist hij geen middel om zijne meesteres te waarschuwen, dat zij den naam van haar zoon niet zou uitspreken.[109]»Zijn naam is wel bekend,” zeide de dame.»Och,” riep de grijsaard uit, »alle moeders zijn zoo; hare zonen zijn altijd helden! Die, waarvan zij spreekt, ofschoon een uitmuntend jong mensch, is niets meer dan een ander, zijn naam is stellig mijn broeder nooit ter oore gekomen.”»Hoe weet mijn broeder dat?” zeide de Indiaan op hatelijken toon.»Ik vooronderstel het maar,” antwoordde de grijsaard; »of zoo mijn broeder hem toevallig eens heeft hooren uitspreken, zal hij hem reeds lang uit het geheugen zijn gegaan, en is het niet de moeite waard, dat hij zich dien weder herinnere. Zoo mijn broeder het goed vindt, zullen wij ons verwijderen; de dag is vermoeiend geweest, het uur der rust is gekomen.”»Oogenblikkelijk,” zeide de Comanch zoetsappig, en zich tot de vrouw wendende, vroeg hij haar met nadruk: »hoe heet de krijgsman der bleekgezichten?”Maar de oude dame, bang geworden door de tusschenkomst van haar dienaar, wiens trouw en voorzichtigheid zij kende, antwoordde niet, inwendig gevoelende, dat zij een fout begaan had, en niet wetende, hoe die te herstellen.»Hoort mijne moeder niet?” hernam het opperhoofd.»Waartoe u een naam gezegd, die naar alle waarschijnlijkheid u onbekend is, en die in ieder geval u geen belang kan inboezemen? Zoo mijn broeder het goed vindt, zal ik mij verwijderen.”»Neen, niet voor dat mijne moeder mij den naam gezegd heeft van haren zoon den grooten krijgsman,” zeide de Comanch, de wenkbrauwen fronsende en met kwalijk bedwongen toorn stampvoetende. De jager zag dat het misliep; zijne partij was oogenblikkelijk gekozen.»Mijn broeder is een groot opperhoofd,” zeide hij, »al is zijn haar bruin, zijne wijsheid is onmetelijk; ik ben zijn vriend, hij zal geen misbruik willen maken van het toeval, dat de moeder van zijn vijand in zijne handen geleverd heeft; de zoon van deze vrouw heet Edelhart.”»Ooah!” riep de Arendskop weder onheilspellend glimlachende, »dat wist ik wel; waarom hebben de bleekmuilen twee tongen en twee harten en zoeken zij altijd de Roodhuiden te bedriegen?”»Wij hebben niet gepoogd u te bedriegen, hoofdman.”»Dat gij, zoolang gij bij ons zijt, als kinderen van onzen stam behandeld zijt geworden, is door mijn toedoen; ik ben het, die u het leven heb gered.”»Dat is waar.”»Welnu, ik wil u toonen dat de Indianen niet vergeten; en dat zij goed voor kwaad weten te vergelden. Deze wonden, die gij hier ziet, wie heeft ze mij toegebracht? Edelhart. Wij zijn vijanden, zijne moeder is in mijne macht, ik zou haar terstond aan den folterpaal kunnen binden, dat zou mijn recht zijn.”[110]De twee Spanjaarden bogen het hoofd.»De wet der prairiën zegt: Oog om oog, tand om tand! Luister goed naar mij,Oude Eik: gedachtig aan onze oude vriendschap, sta ik u een uitstel toe. Morgen met zonsopgang zult gij Edelhart gaan zoeken; zoo hij binnen vier dagen zich niet in mijne handen is komen uitleveren, zal zijne moeder sterven: mijne manschappen zullen haar levend aan den folterpaal verbranden, en mijne broeders zullen zich oorlogfluitjes snijden uit hare beenderen. Gaat, ik heb niets meer te zeggen.”De grijsaard viel voor het opperhoofd op de knieën, maar de wraakzuchtige Indiaan schopte hem van zich en ging weg.»O, mevrouw,” mompelde de grijsaard wanhopig; »gij zijt verloren.”»Eén ding verzoek ik u, Eusébio,” zeide de moeder met tranen in de oogen en een geroerde stem, »breng mijn zoon niet hier! Wat zegt het, of ik sterf? heeft mijn leven helaas al niet lang genoeg geduurd?”De oude dienaar wierp een blik van bewondering op zijne meesteres.»Altijd dezelfde,” zeide hij met aandoening.»Het leven eener moeder behoort immers aan haar kind?” riep zij uit.De twee oude lieden vielen van smart overstelpt aan den voet van een boom neder, en brachten den nacht door in het gebed tot God.De Arendskop scheen geen begrip te hebben van hunne wanhoop.
[Inhoud]XVII.DE ARENDSKOP.De Arendskop was een even voorzichtig als moedig opperhoofd; hij wist, dat hij alles van de Amerikanen te vreezen had, zoo hij zijn spoor niet geheel kon doen verdwijnen. Hij verzuimde dan ook niets om, na den gelukkigen aanslag tegen de nieuwe ontginning der blanken, aan de oevers der groote Canadasche rivier, zijn troep in veiligheid te stellen tegen de geduchte weêrwraak, die hem wachtte.Men kan zich geen denkbeeld maken van het door de Indianen ontwikkelde talent, als het hun te doen is om hun spoor te verbergen. Twintig malen komen zij op dezelfde plaats terug, en verwarren de sporen van hun doortocht zoodanig onder elkander, dat zij eindelijk onherkenbaar worden; geen bijzonderheid ontgaat hun; zij loopen in elkanders voetstappen om hun aantal te verbergen; dagen achtereen volgen zij den stroom van eene beek, terwijl het water hun soms tot de heupen reikt; ja, zij drijven hunne voorzichtigheid en hun geduld vaak zoo ver, dat zij met de hand, en als[106]het ware stap voor stap, de schreden uitwisschen, die hen aan de helderziende en belangstellende oogen hunner vijanden zouden kunnen verraden.De Slangen-stam, waartoe de krijgslieden, onder het bevel van den Arendskop, behoorden, was ten getale van ongeveer vijf honderd man in de prairiën doorgedrongen, hetzij om op bisons te jagen of om slag te leveren aan de Pawnies en Sious, tegen welke zij onophoudelijk krijg voerden.Het deel van den Arendskop, zoodra de veldtocht was afgeloopen, was om zich onmiddellijk bij zijne broeders aan te sluiten, ten einde den buit door hem bij de verovering van het dorp gemaakt, in veiligheid te brengen en zich aan het hoofd te stellen van een groote krijgsonderneming, die zijn stam in den zin had tegen de in de prairiën verstrooide blanke jagers en mestiezen, die door de Indianen met reden als hunne onverzoenlijke vijanden werden beschouwd.Ondanks de menigte voorzorgen, door het opperhoofd aangewend, ging de troep snel vooruit. Op den avond van den zesden dag na de verwoesting van het fort, hielden de Comanchen halt aan de oevers van een kleine rivier zonder naam, gelijk er in deze streken vele zijn, en maakten zij zich gereed om aldaar des nachts te kampeeren. Niets is eenvoudiger dan een Indiaansch kamp op den voet van oorlog. De paarden worden vastgebonden, zoodat zij niet kunnen wegloopen; als men geen aanval vreest, steekt men vuur aan; in het tegenovergestelde geval, schikt ieder zich zoo goed hij kan om te eten en te slapen.Na hun vertrek van het fort, had niets bij de Comanchen het vermoeden opgewekt, dat zij achtervolgd of bespied werden, hunne spionnen hadden geen enkel verdacht spoor ontdekt. Zij bevonden zich op geringen afstand van het kamp van hun stam, hunne veiligheid liet dus niets te wenschen over. De Arendskop liet vuur aanleggen, en plaatste zelf de schildwachten, om voor allen te waken.Toen hij deze maatregelen genomen had, zette de hoofdman zich tegen een ebbenboom, nam zijn calumet en beval dat de grijsaard en de Spaansche vrouw zouden worden voorgebracht. Toen zij voor hem stonden, groette de Arendskop den grijsaard hartelijk en bood hem zijn calumet aan, een teeken van welwillendheid, dat de grijsaard aannam; zich tevens gereed houdende, om de vragen te beantwoorden, die de Indiaan zonder twijfel tot hem richten zou. Na eenige oogenblikken stilte nam deze werkelijk het woord:»Heeft mijn broeder het goed bij de Roodhuiden?” vroeg hij.»Ik heb geen reden tot klagen, hoofdman!” antwoordde de Spanjaard; »zoolang ik bij u was ben ik goed behandeld.”»Mijn broeder is een vriend,” zeide de Comanch plechtstatig.De grijsaard maakte een buiging.»Wij zijn eindelijk op onzen jachtgrond,” hernam het opperhoofd; »mijn broeder Grijshoofd is vermoeid van een lang leven; hij past[107]beter bij het vuur van den raad, dan op een paard om op elands en bisons te jagen: wat begeert mijn broeder?”»Hoofdman,” antwoordde de Spanjaard, »uwe woorden zijn waar; er was een tijd toen ik, evenals ieder andere zoon der prairiën, dagen lang op de jacht doorbracht, gezeten op een vurig en onstuimig ros, maar mijne krachten zijn verdwenen, mijne ledematen hebben hunne buigzaamheid, en mijne oogen hunne onfeilbaarheid verloren, ik deug niet meer voor eene expeditie, hoe kort zij ook wezen moge.”»Goed,” zeide de Indiaan bedaard, dikke rookwolken uit neus en mond blazende, »mijn broeder zegge aan zijn vriend, wat hij verlangt, en het zal geschieden.”»Ik dank u, hoofdman, en ik zal van uw welwillend aanbod gebruik maken; ik zou gelukkig zijn, zoo gij mij de middelen wildet verschaffen, om mij ongehinderd naar eene plaats te begeven, waar zich menschen van mijne kleur gevestigd hebben, en waar ik in vrede de weinige levensdagen, die mij nog overblijven, kan doorbrengen.”»En waarom zou ik dat niet doen? niets is gemakkelijker; zoodra wij bij onzen stam zullen gekomen zijn, zal aan het verlangen van mijn broeder worden voldaan, aangezien hij niet bij zijn roode vrienden verkiest te blijven.”Er volgde een oogenblik van stilte. De grijsaard, meenende dat het onderhoud afgeloopen was, wilde zich verwijderen; de hoofdman gaf hem een teeken, om te blijven.Na eenige oogenblikken schudde de Indiaan de asch uit zijne pijp, hing haar aan zijn gordel, en op den Spanjaard een zonderlingen blik slaande, zeide hij op droevigen toon:»Mijn broeder is gelukkig; ofschoon reeds vele winters oud, bewandelt hij toch niet alleen het levenspad.”»Wat bedoelt de hoofdman?” vroeg de grijsaard; »ik begrijp hem niet.”»Mijn broeder heeft een huisgezin,” hernam de Comanch.»Helaas, mijn broeder bedriegt zich, ik sta alleen op de wereld.”»Wat zegt mijn broeder daar? heeft hij niet zijne gezellin bij zich?”Een treurige glimlach teekende zich op de dunne lippen van den grijsaard.»Neen,” zeide hij, »ik heb geen levensgezellin.”»Wat is dan deze vrouw voor hem?” zeide de hoofdman met geveinsde bewondering op de Spaansche dame wijzende, die stil en droevig naast den grijsaard stond.»Die vrouw is mijne meesteres.”»Ooah!zou mijn broeder een slaaf zijn?” zeide de Comanch grijnzend.»Neen,” antwoordde de grijsaard fier, »ik ben niet de slaaf van deze vrouw; ik ben haar trouwe dienaar.”[108]»Ooah!” zeide de hoofdman, het hoofd schuddende, en hij begon over dit antwoord na te denken.Maar de woorden van den Spanjaard kwamen den Indiaan geheel onbegrijpelijk voor; de onderscheiding was hem al te fijn, hij kon haar niet vatten. Na twee of drie minuten zwijgens, gaf hij zijne pogingen, om dit voor hem onverklaarbare raadsel op te lossen, op.»Goed,” zeide hij, terwijl zich een spottende glimlach op zijn gelaat vertoonde, »de vrouw zal met mijn broeder vertrekken.”»Dat heb ik altijd zoo begrepen,” antwoordde de Spanjaard.De reeds bejaarde vrouw, die tot hiertoe het stilzwijgen bewaard had, meende nu dat het tijd was, om zich in het gesprek te mengen.»Ik bedank den hoofdman,” zeide zij, »doch daar hij zoo goed is, om zich ter onzer beschikking te stellen, zou ik hem wel eene gunst willen vragen.”»Mijne moeder spreke, mijne ooren zijn geopend.”»Ik heb een zoon, die een groot blank jager is; hij moet zich op dit oogenblik in de prairie bevinden; als mijn broeder goed vond ons nog eenige dagen bij zich te houden, dan zou het ons mogelijk zijn hem te ontmoeten; onder zijne bescherming zouden wij niets te vreezen hebben.”Bij deze onvoorzichtige woorden maakte de Spanjaard eene beweging van schrik.»Señorita,” zeide hij in zijne moedertaal, »pas op, dat.…”»Stilte!” gebood de Indiaan. »Waarom spreekt mijn broeder voor mij in een vreemde taal? is hij bang dat ik zijne woorden verstaan zal?”»O, hoofdman!” zeide de Spanjaard met een gebaar van ontkenning.»Dat mijn broeder dan mijne moeder met het bleeke gezicht niet verhindere te spreken; zij spreekt tot het opperhoofd.”De grijsaard zweeg, maar een droevig voorgevoel beklemde zijne borst.Het Comanchenhoofd wist heel goed, met wie hij te doen had: hij speelde met de twee Spanjaarden, gelijk de kat met de muis; maar zonder iets van hetgeen er in hem omging te laten blijken, wendde hij zich tot de vrouw en zich buigende met die instinctmatige beleefdheid, waardoor de Indianen zich onderscheiden zeide hij:»Ooah!de zoon mijner moeder is een groot jager: des te beter.”Het hart der arme vrouw sprong op van vreugde.»Ja,” zeide zij verrukt, »het is een der dapperste pelsjagers uit de prairiën van het westen.”»Ooah!” riep het opperhoofd, hoe langer hoe vriendelijker wordende; »die beroemde krijgsman moet een geëerbiedigden naam hebben in de prairiën?”De Spanjaard lag op de pijnbank; bedwongen door het oog van den Comanch, wist hij geen middel om zijne meesteres te waarschuwen, dat zij den naam van haar zoon niet zou uitspreken.[109]»Zijn naam is wel bekend,” zeide de dame.»Och,” riep de grijsaard uit, »alle moeders zijn zoo; hare zonen zijn altijd helden! Die, waarvan zij spreekt, ofschoon een uitmuntend jong mensch, is niets meer dan een ander, zijn naam is stellig mijn broeder nooit ter oore gekomen.”»Hoe weet mijn broeder dat?” zeide de Indiaan op hatelijken toon.»Ik vooronderstel het maar,” antwoordde de grijsaard; »of zoo mijn broeder hem toevallig eens heeft hooren uitspreken, zal hij hem reeds lang uit het geheugen zijn gegaan, en is het niet de moeite waard, dat hij zich dien weder herinnere. Zoo mijn broeder het goed vindt, zullen wij ons verwijderen; de dag is vermoeiend geweest, het uur der rust is gekomen.”»Oogenblikkelijk,” zeide de Comanch zoetsappig, en zich tot de vrouw wendende, vroeg hij haar met nadruk: »hoe heet de krijgsman der bleekgezichten?”Maar de oude dame, bang geworden door de tusschenkomst van haar dienaar, wiens trouw en voorzichtigheid zij kende, antwoordde niet, inwendig gevoelende, dat zij een fout begaan had, en niet wetende, hoe die te herstellen.»Hoort mijne moeder niet?” hernam het opperhoofd.»Waartoe u een naam gezegd, die naar alle waarschijnlijkheid u onbekend is, en die in ieder geval u geen belang kan inboezemen? Zoo mijn broeder het goed vindt, zal ik mij verwijderen.”»Neen, niet voor dat mijne moeder mij den naam gezegd heeft van haren zoon den grooten krijgsman,” zeide de Comanch, de wenkbrauwen fronsende en met kwalijk bedwongen toorn stampvoetende. De jager zag dat het misliep; zijne partij was oogenblikkelijk gekozen.»Mijn broeder is een groot opperhoofd,” zeide hij, »al is zijn haar bruin, zijne wijsheid is onmetelijk; ik ben zijn vriend, hij zal geen misbruik willen maken van het toeval, dat de moeder van zijn vijand in zijne handen geleverd heeft; de zoon van deze vrouw heet Edelhart.”»Ooah!” riep de Arendskop weder onheilspellend glimlachende, »dat wist ik wel; waarom hebben de bleekmuilen twee tongen en twee harten en zoeken zij altijd de Roodhuiden te bedriegen?”»Wij hebben niet gepoogd u te bedriegen, hoofdman.”»Dat gij, zoolang gij bij ons zijt, als kinderen van onzen stam behandeld zijt geworden, is door mijn toedoen; ik ben het, die u het leven heb gered.”»Dat is waar.”»Welnu, ik wil u toonen dat de Indianen niet vergeten; en dat zij goed voor kwaad weten te vergelden. Deze wonden, die gij hier ziet, wie heeft ze mij toegebracht? Edelhart. Wij zijn vijanden, zijne moeder is in mijne macht, ik zou haar terstond aan den folterpaal kunnen binden, dat zou mijn recht zijn.”[110]De twee Spanjaarden bogen het hoofd.»De wet der prairiën zegt: Oog om oog, tand om tand! Luister goed naar mij,Oude Eik: gedachtig aan onze oude vriendschap, sta ik u een uitstel toe. Morgen met zonsopgang zult gij Edelhart gaan zoeken; zoo hij binnen vier dagen zich niet in mijne handen is komen uitleveren, zal zijne moeder sterven: mijne manschappen zullen haar levend aan den folterpaal verbranden, en mijne broeders zullen zich oorlogfluitjes snijden uit hare beenderen. Gaat, ik heb niets meer te zeggen.”De grijsaard viel voor het opperhoofd op de knieën, maar de wraakzuchtige Indiaan schopte hem van zich en ging weg.»O, mevrouw,” mompelde de grijsaard wanhopig; »gij zijt verloren.”»Eén ding verzoek ik u, Eusébio,” zeide de moeder met tranen in de oogen en een geroerde stem, »breng mijn zoon niet hier! Wat zegt het, of ik sterf? heeft mijn leven helaas al niet lang genoeg geduurd?”De oude dienaar wierp een blik van bewondering op zijne meesteres.»Altijd dezelfde,” zeide hij met aandoening.»Het leven eener moeder behoort immers aan haar kind?” riep zij uit.De twee oude lieden vielen van smart overstelpt aan den voet van een boom neder, en brachten den nacht door in het gebed tot God.De Arendskop scheen geen begrip te hebben van hunne wanhoop.
[Inhoud]XVII.DE ARENDSKOP.De Arendskop was een even voorzichtig als moedig opperhoofd; hij wist, dat hij alles van de Amerikanen te vreezen had, zoo hij zijn spoor niet geheel kon doen verdwijnen. Hij verzuimde dan ook niets om, na den gelukkigen aanslag tegen de nieuwe ontginning der blanken, aan de oevers der groote Canadasche rivier, zijn troep in veiligheid te stellen tegen de geduchte weêrwraak, die hem wachtte.Men kan zich geen denkbeeld maken van het door de Indianen ontwikkelde talent, als het hun te doen is om hun spoor te verbergen. Twintig malen komen zij op dezelfde plaats terug, en verwarren de sporen van hun doortocht zoodanig onder elkander, dat zij eindelijk onherkenbaar worden; geen bijzonderheid ontgaat hun; zij loopen in elkanders voetstappen om hun aantal te verbergen; dagen achtereen volgen zij den stroom van eene beek, terwijl het water hun soms tot de heupen reikt; ja, zij drijven hunne voorzichtigheid en hun geduld vaak zoo ver, dat zij met de hand, en als[106]het ware stap voor stap, de schreden uitwisschen, die hen aan de helderziende en belangstellende oogen hunner vijanden zouden kunnen verraden.De Slangen-stam, waartoe de krijgslieden, onder het bevel van den Arendskop, behoorden, was ten getale van ongeveer vijf honderd man in de prairiën doorgedrongen, hetzij om op bisons te jagen of om slag te leveren aan de Pawnies en Sious, tegen welke zij onophoudelijk krijg voerden.Het deel van den Arendskop, zoodra de veldtocht was afgeloopen, was om zich onmiddellijk bij zijne broeders aan te sluiten, ten einde den buit door hem bij de verovering van het dorp gemaakt, in veiligheid te brengen en zich aan het hoofd te stellen van een groote krijgsonderneming, die zijn stam in den zin had tegen de in de prairiën verstrooide blanke jagers en mestiezen, die door de Indianen met reden als hunne onverzoenlijke vijanden werden beschouwd.Ondanks de menigte voorzorgen, door het opperhoofd aangewend, ging de troep snel vooruit. Op den avond van den zesden dag na de verwoesting van het fort, hielden de Comanchen halt aan de oevers van een kleine rivier zonder naam, gelijk er in deze streken vele zijn, en maakten zij zich gereed om aldaar des nachts te kampeeren. Niets is eenvoudiger dan een Indiaansch kamp op den voet van oorlog. De paarden worden vastgebonden, zoodat zij niet kunnen wegloopen; als men geen aanval vreest, steekt men vuur aan; in het tegenovergestelde geval, schikt ieder zich zoo goed hij kan om te eten en te slapen.Na hun vertrek van het fort, had niets bij de Comanchen het vermoeden opgewekt, dat zij achtervolgd of bespied werden, hunne spionnen hadden geen enkel verdacht spoor ontdekt. Zij bevonden zich op geringen afstand van het kamp van hun stam, hunne veiligheid liet dus niets te wenschen over. De Arendskop liet vuur aanleggen, en plaatste zelf de schildwachten, om voor allen te waken.Toen hij deze maatregelen genomen had, zette de hoofdman zich tegen een ebbenboom, nam zijn calumet en beval dat de grijsaard en de Spaansche vrouw zouden worden voorgebracht. Toen zij voor hem stonden, groette de Arendskop den grijsaard hartelijk en bood hem zijn calumet aan, een teeken van welwillendheid, dat de grijsaard aannam; zich tevens gereed houdende, om de vragen te beantwoorden, die de Indiaan zonder twijfel tot hem richten zou. Na eenige oogenblikken stilte nam deze werkelijk het woord:»Heeft mijn broeder het goed bij de Roodhuiden?” vroeg hij.»Ik heb geen reden tot klagen, hoofdman!” antwoordde de Spanjaard; »zoolang ik bij u was ben ik goed behandeld.”»Mijn broeder is een vriend,” zeide de Comanch plechtstatig.De grijsaard maakte een buiging.»Wij zijn eindelijk op onzen jachtgrond,” hernam het opperhoofd; »mijn broeder Grijshoofd is vermoeid van een lang leven; hij past[107]beter bij het vuur van den raad, dan op een paard om op elands en bisons te jagen: wat begeert mijn broeder?”»Hoofdman,” antwoordde de Spanjaard, »uwe woorden zijn waar; er was een tijd toen ik, evenals ieder andere zoon der prairiën, dagen lang op de jacht doorbracht, gezeten op een vurig en onstuimig ros, maar mijne krachten zijn verdwenen, mijne ledematen hebben hunne buigzaamheid, en mijne oogen hunne onfeilbaarheid verloren, ik deug niet meer voor eene expeditie, hoe kort zij ook wezen moge.”»Goed,” zeide de Indiaan bedaard, dikke rookwolken uit neus en mond blazende, »mijn broeder zegge aan zijn vriend, wat hij verlangt, en het zal geschieden.”»Ik dank u, hoofdman, en ik zal van uw welwillend aanbod gebruik maken; ik zou gelukkig zijn, zoo gij mij de middelen wildet verschaffen, om mij ongehinderd naar eene plaats te begeven, waar zich menschen van mijne kleur gevestigd hebben, en waar ik in vrede de weinige levensdagen, die mij nog overblijven, kan doorbrengen.”»En waarom zou ik dat niet doen? niets is gemakkelijker; zoodra wij bij onzen stam zullen gekomen zijn, zal aan het verlangen van mijn broeder worden voldaan, aangezien hij niet bij zijn roode vrienden verkiest te blijven.”Er volgde een oogenblik van stilte. De grijsaard, meenende dat het onderhoud afgeloopen was, wilde zich verwijderen; de hoofdman gaf hem een teeken, om te blijven.Na eenige oogenblikken schudde de Indiaan de asch uit zijne pijp, hing haar aan zijn gordel, en op den Spanjaard een zonderlingen blik slaande, zeide hij op droevigen toon:»Mijn broeder is gelukkig; ofschoon reeds vele winters oud, bewandelt hij toch niet alleen het levenspad.”»Wat bedoelt de hoofdman?” vroeg de grijsaard; »ik begrijp hem niet.”»Mijn broeder heeft een huisgezin,” hernam de Comanch.»Helaas, mijn broeder bedriegt zich, ik sta alleen op de wereld.”»Wat zegt mijn broeder daar? heeft hij niet zijne gezellin bij zich?”Een treurige glimlach teekende zich op de dunne lippen van den grijsaard.»Neen,” zeide hij, »ik heb geen levensgezellin.”»Wat is dan deze vrouw voor hem?” zeide de hoofdman met geveinsde bewondering op de Spaansche dame wijzende, die stil en droevig naast den grijsaard stond.»Die vrouw is mijne meesteres.”»Ooah!zou mijn broeder een slaaf zijn?” zeide de Comanch grijnzend.»Neen,” antwoordde de grijsaard fier, »ik ben niet de slaaf van deze vrouw; ik ben haar trouwe dienaar.”[108]»Ooah!” zeide de hoofdman, het hoofd schuddende, en hij begon over dit antwoord na te denken.Maar de woorden van den Spanjaard kwamen den Indiaan geheel onbegrijpelijk voor; de onderscheiding was hem al te fijn, hij kon haar niet vatten. Na twee of drie minuten zwijgens, gaf hij zijne pogingen, om dit voor hem onverklaarbare raadsel op te lossen, op.»Goed,” zeide hij, terwijl zich een spottende glimlach op zijn gelaat vertoonde, »de vrouw zal met mijn broeder vertrekken.”»Dat heb ik altijd zoo begrepen,” antwoordde de Spanjaard.De reeds bejaarde vrouw, die tot hiertoe het stilzwijgen bewaard had, meende nu dat het tijd was, om zich in het gesprek te mengen.»Ik bedank den hoofdman,” zeide zij, »doch daar hij zoo goed is, om zich ter onzer beschikking te stellen, zou ik hem wel eene gunst willen vragen.”»Mijne moeder spreke, mijne ooren zijn geopend.”»Ik heb een zoon, die een groot blank jager is; hij moet zich op dit oogenblik in de prairie bevinden; als mijn broeder goed vond ons nog eenige dagen bij zich te houden, dan zou het ons mogelijk zijn hem te ontmoeten; onder zijne bescherming zouden wij niets te vreezen hebben.”Bij deze onvoorzichtige woorden maakte de Spanjaard eene beweging van schrik.»Señorita,” zeide hij in zijne moedertaal, »pas op, dat.…”»Stilte!” gebood de Indiaan. »Waarom spreekt mijn broeder voor mij in een vreemde taal? is hij bang dat ik zijne woorden verstaan zal?”»O, hoofdman!” zeide de Spanjaard met een gebaar van ontkenning.»Dat mijn broeder dan mijne moeder met het bleeke gezicht niet verhindere te spreken; zij spreekt tot het opperhoofd.”De grijsaard zweeg, maar een droevig voorgevoel beklemde zijne borst.Het Comanchenhoofd wist heel goed, met wie hij te doen had: hij speelde met de twee Spanjaarden, gelijk de kat met de muis; maar zonder iets van hetgeen er in hem omging te laten blijken, wendde hij zich tot de vrouw en zich buigende met die instinctmatige beleefdheid, waardoor de Indianen zich onderscheiden zeide hij:»Ooah!de zoon mijner moeder is een groot jager: des te beter.”Het hart der arme vrouw sprong op van vreugde.»Ja,” zeide zij verrukt, »het is een der dapperste pelsjagers uit de prairiën van het westen.”»Ooah!” riep het opperhoofd, hoe langer hoe vriendelijker wordende; »die beroemde krijgsman moet een geëerbiedigden naam hebben in de prairiën?”De Spanjaard lag op de pijnbank; bedwongen door het oog van den Comanch, wist hij geen middel om zijne meesteres te waarschuwen, dat zij den naam van haar zoon niet zou uitspreken.[109]»Zijn naam is wel bekend,” zeide de dame.»Och,” riep de grijsaard uit, »alle moeders zijn zoo; hare zonen zijn altijd helden! Die, waarvan zij spreekt, ofschoon een uitmuntend jong mensch, is niets meer dan een ander, zijn naam is stellig mijn broeder nooit ter oore gekomen.”»Hoe weet mijn broeder dat?” zeide de Indiaan op hatelijken toon.»Ik vooronderstel het maar,” antwoordde de grijsaard; »of zoo mijn broeder hem toevallig eens heeft hooren uitspreken, zal hij hem reeds lang uit het geheugen zijn gegaan, en is het niet de moeite waard, dat hij zich dien weder herinnere. Zoo mijn broeder het goed vindt, zullen wij ons verwijderen; de dag is vermoeiend geweest, het uur der rust is gekomen.”»Oogenblikkelijk,” zeide de Comanch zoetsappig, en zich tot de vrouw wendende, vroeg hij haar met nadruk: »hoe heet de krijgsman der bleekgezichten?”Maar de oude dame, bang geworden door de tusschenkomst van haar dienaar, wiens trouw en voorzichtigheid zij kende, antwoordde niet, inwendig gevoelende, dat zij een fout begaan had, en niet wetende, hoe die te herstellen.»Hoort mijne moeder niet?” hernam het opperhoofd.»Waartoe u een naam gezegd, die naar alle waarschijnlijkheid u onbekend is, en die in ieder geval u geen belang kan inboezemen? Zoo mijn broeder het goed vindt, zal ik mij verwijderen.”»Neen, niet voor dat mijne moeder mij den naam gezegd heeft van haren zoon den grooten krijgsman,” zeide de Comanch, de wenkbrauwen fronsende en met kwalijk bedwongen toorn stampvoetende. De jager zag dat het misliep; zijne partij was oogenblikkelijk gekozen.»Mijn broeder is een groot opperhoofd,” zeide hij, »al is zijn haar bruin, zijne wijsheid is onmetelijk; ik ben zijn vriend, hij zal geen misbruik willen maken van het toeval, dat de moeder van zijn vijand in zijne handen geleverd heeft; de zoon van deze vrouw heet Edelhart.”»Ooah!” riep de Arendskop weder onheilspellend glimlachende, »dat wist ik wel; waarom hebben de bleekmuilen twee tongen en twee harten en zoeken zij altijd de Roodhuiden te bedriegen?”»Wij hebben niet gepoogd u te bedriegen, hoofdman.”»Dat gij, zoolang gij bij ons zijt, als kinderen van onzen stam behandeld zijt geworden, is door mijn toedoen; ik ben het, die u het leven heb gered.”»Dat is waar.”»Welnu, ik wil u toonen dat de Indianen niet vergeten; en dat zij goed voor kwaad weten te vergelden. Deze wonden, die gij hier ziet, wie heeft ze mij toegebracht? Edelhart. Wij zijn vijanden, zijne moeder is in mijne macht, ik zou haar terstond aan den folterpaal kunnen binden, dat zou mijn recht zijn.”[110]De twee Spanjaarden bogen het hoofd.»De wet der prairiën zegt: Oog om oog, tand om tand! Luister goed naar mij,Oude Eik: gedachtig aan onze oude vriendschap, sta ik u een uitstel toe. Morgen met zonsopgang zult gij Edelhart gaan zoeken; zoo hij binnen vier dagen zich niet in mijne handen is komen uitleveren, zal zijne moeder sterven: mijne manschappen zullen haar levend aan den folterpaal verbranden, en mijne broeders zullen zich oorlogfluitjes snijden uit hare beenderen. Gaat, ik heb niets meer te zeggen.”De grijsaard viel voor het opperhoofd op de knieën, maar de wraakzuchtige Indiaan schopte hem van zich en ging weg.»O, mevrouw,” mompelde de grijsaard wanhopig; »gij zijt verloren.”»Eén ding verzoek ik u, Eusébio,” zeide de moeder met tranen in de oogen en een geroerde stem, »breng mijn zoon niet hier! Wat zegt het, of ik sterf? heeft mijn leven helaas al niet lang genoeg geduurd?”De oude dienaar wierp een blik van bewondering op zijne meesteres.»Altijd dezelfde,” zeide hij met aandoening.»Het leven eener moeder behoort immers aan haar kind?” riep zij uit.De twee oude lieden vielen van smart overstelpt aan den voet van een boom neder, en brachten den nacht door in het gebed tot God.De Arendskop scheen geen begrip te hebben van hunne wanhoop.
XVII.DE ARENDSKOP.
De Arendskop was een even voorzichtig als moedig opperhoofd; hij wist, dat hij alles van de Amerikanen te vreezen had, zoo hij zijn spoor niet geheel kon doen verdwijnen. Hij verzuimde dan ook niets om, na den gelukkigen aanslag tegen de nieuwe ontginning der blanken, aan de oevers der groote Canadasche rivier, zijn troep in veiligheid te stellen tegen de geduchte weêrwraak, die hem wachtte.Men kan zich geen denkbeeld maken van het door de Indianen ontwikkelde talent, als het hun te doen is om hun spoor te verbergen. Twintig malen komen zij op dezelfde plaats terug, en verwarren de sporen van hun doortocht zoodanig onder elkander, dat zij eindelijk onherkenbaar worden; geen bijzonderheid ontgaat hun; zij loopen in elkanders voetstappen om hun aantal te verbergen; dagen achtereen volgen zij den stroom van eene beek, terwijl het water hun soms tot de heupen reikt; ja, zij drijven hunne voorzichtigheid en hun geduld vaak zoo ver, dat zij met de hand, en als[106]het ware stap voor stap, de schreden uitwisschen, die hen aan de helderziende en belangstellende oogen hunner vijanden zouden kunnen verraden.De Slangen-stam, waartoe de krijgslieden, onder het bevel van den Arendskop, behoorden, was ten getale van ongeveer vijf honderd man in de prairiën doorgedrongen, hetzij om op bisons te jagen of om slag te leveren aan de Pawnies en Sious, tegen welke zij onophoudelijk krijg voerden.Het deel van den Arendskop, zoodra de veldtocht was afgeloopen, was om zich onmiddellijk bij zijne broeders aan te sluiten, ten einde den buit door hem bij de verovering van het dorp gemaakt, in veiligheid te brengen en zich aan het hoofd te stellen van een groote krijgsonderneming, die zijn stam in den zin had tegen de in de prairiën verstrooide blanke jagers en mestiezen, die door de Indianen met reden als hunne onverzoenlijke vijanden werden beschouwd.Ondanks de menigte voorzorgen, door het opperhoofd aangewend, ging de troep snel vooruit. Op den avond van den zesden dag na de verwoesting van het fort, hielden de Comanchen halt aan de oevers van een kleine rivier zonder naam, gelijk er in deze streken vele zijn, en maakten zij zich gereed om aldaar des nachts te kampeeren. Niets is eenvoudiger dan een Indiaansch kamp op den voet van oorlog. De paarden worden vastgebonden, zoodat zij niet kunnen wegloopen; als men geen aanval vreest, steekt men vuur aan; in het tegenovergestelde geval, schikt ieder zich zoo goed hij kan om te eten en te slapen.Na hun vertrek van het fort, had niets bij de Comanchen het vermoeden opgewekt, dat zij achtervolgd of bespied werden, hunne spionnen hadden geen enkel verdacht spoor ontdekt. Zij bevonden zich op geringen afstand van het kamp van hun stam, hunne veiligheid liet dus niets te wenschen over. De Arendskop liet vuur aanleggen, en plaatste zelf de schildwachten, om voor allen te waken.Toen hij deze maatregelen genomen had, zette de hoofdman zich tegen een ebbenboom, nam zijn calumet en beval dat de grijsaard en de Spaansche vrouw zouden worden voorgebracht. Toen zij voor hem stonden, groette de Arendskop den grijsaard hartelijk en bood hem zijn calumet aan, een teeken van welwillendheid, dat de grijsaard aannam; zich tevens gereed houdende, om de vragen te beantwoorden, die de Indiaan zonder twijfel tot hem richten zou. Na eenige oogenblikken stilte nam deze werkelijk het woord:»Heeft mijn broeder het goed bij de Roodhuiden?” vroeg hij.»Ik heb geen reden tot klagen, hoofdman!” antwoordde de Spanjaard; »zoolang ik bij u was ben ik goed behandeld.”»Mijn broeder is een vriend,” zeide de Comanch plechtstatig.De grijsaard maakte een buiging.»Wij zijn eindelijk op onzen jachtgrond,” hernam het opperhoofd; »mijn broeder Grijshoofd is vermoeid van een lang leven; hij past[107]beter bij het vuur van den raad, dan op een paard om op elands en bisons te jagen: wat begeert mijn broeder?”»Hoofdman,” antwoordde de Spanjaard, »uwe woorden zijn waar; er was een tijd toen ik, evenals ieder andere zoon der prairiën, dagen lang op de jacht doorbracht, gezeten op een vurig en onstuimig ros, maar mijne krachten zijn verdwenen, mijne ledematen hebben hunne buigzaamheid, en mijne oogen hunne onfeilbaarheid verloren, ik deug niet meer voor eene expeditie, hoe kort zij ook wezen moge.”»Goed,” zeide de Indiaan bedaard, dikke rookwolken uit neus en mond blazende, »mijn broeder zegge aan zijn vriend, wat hij verlangt, en het zal geschieden.”»Ik dank u, hoofdman, en ik zal van uw welwillend aanbod gebruik maken; ik zou gelukkig zijn, zoo gij mij de middelen wildet verschaffen, om mij ongehinderd naar eene plaats te begeven, waar zich menschen van mijne kleur gevestigd hebben, en waar ik in vrede de weinige levensdagen, die mij nog overblijven, kan doorbrengen.”»En waarom zou ik dat niet doen? niets is gemakkelijker; zoodra wij bij onzen stam zullen gekomen zijn, zal aan het verlangen van mijn broeder worden voldaan, aangezien hij niet bij zijn roode vrienden verkiest te blijven.”Er volgde een oogenblik van stilte. De grijsaard, meenende dat het onderhoud afgeloopen was, wilde zich verwijderen; de hoofdman gaf hem een teeken, om te blijven.Na eenige oogenblikken schudde de Indiaan de asch uit zijne pijp, hing haar aan zijn gordel, en op den Spanjaard een zonderlingen blik slaande, zeide hij op droevigen toon:»Mijn broeder is gelukkig; ofschoon reeds vele winters oud, bewandelt hij toch niet alleen het levenspad.”»Wat bedoelt de hoofdman?” vroeg de grijsaard; »ik begrijp hem niet.”»Mijn broeder heeft een huisgezin,” hernam de Comanch.»Helaas, mijn broeder bedriegt zich, ik sta alleen op de wereld.”»Wat zegt mijn broeder daar? heeft hij niet zijne gezellin bij zich?”Een treurige glimlach teekende zich op de dunne lippen van den grijsaard.»Neen,” zeide hij, »ik heb geen levensgezellin.”»Wat is dan deze vrouw voor hem?” zeide de hoofdman met geveinsde bewondering op de Spaansche dame wijzende, die stil en droevig naast den grijsaard stond.»Die vrouw is mijne meesteres.”»Ooah!zou mijn broeder een slaaf zijn?” zeide de Comanch grijnzend.»Neen,” antwoordde de grijsaard fier, »ik ben niet de slaaf van deze vrouw; ik ben haar trouwe dienaar.”[108]»Ooah!” zeide de hoofdman, het hoofd schuddende, en hij begon over dit antwoord na te denken.Maar de woorden van den Spanjaard kwamen den Indiaan geheel onbegrijpelijk voor; de onderscheiding was hem al te fijn, hij kon haar niet vatten. Na twee of drie minuten zwijgens, gaf hij zijne pogingen, om dit voor hem onverklaarbare raadsel op te lossen, op.»Goed,” zeide hij, terwijl zich een spottende glimlach op zijn gelaat vertoonde, »de vrouw zal met mijn broeder vertrekken.”»Dat heb ik altijd zoo begrepen,” antwoordde de Spanjaard.De reeds bejaarde vrouw, die tot hiertoe het stilzwijgen bewaard had, meende nu dat het tijd was, om zich in het gesprek te mengen.»Ik bedank den hoofdman,” zeide zij, »doch daar hij zoo goed is, om zich ter onzer beschikking te stellen, zou ik hem wel eene gunst willen vragen.”»Mijne moeder spreke, mijne ooren zijn geopend.”»Ik heb een zoon, die een groot blank jager is; hij moet zich op dit oogenblik in de prairie bevinden; als mijn broeder goed vond ons nog eenige dagen bij zich te houden, dan zou het ons mogelijk zijn hem te ontmoeten; onder zijne bescherming zouden wij niets te vreezen hebben.”Bij deze onvoorzichtige woorden maakte de Spanjaard eene beweging van schrik.»Señorita,” zeide hij in zijne moedertaal, »pas op, dat.…”»Stilte!” gebood de Indiaan. »Waarom spreekt mijn broeder voor mij in een vreemde taal? is hij bang dat ik zijne woorden verstaan zal?”»O, hoofdman!” zeide de Spanjaard met een gebaar van ontkenning.»Dat mijn broeder dan mijne moeder met het bleeke gezicht niet verhindere te spreken; zij spreekt tot het opperhoofd.”De grijsaard zweeg, maar een droevig voorgevoel beklemde zijne borst.Het Comanchenhoofd wist heel goed, met wie hij te doen had: hij speelde met de twee Spanjaarden, gelijk de kat met de muis; maar zonder iets van hetgeen er in hem omging te laten blijken, wendde hij zich tot de vrouw en zich buigende met die instinctmatige beleefdheid, waardoor de Indianen zich onderscheiden zeide hij:»Ooah!de zoon mijner moeder is een groot jager: des te beter.”Het hart der arme vrouw sprong op van vreugde.»Ja,” zeide zij verrukt, »het is een der dapperste pelsjagers uit de prairiën van het westen.”»Ooah!” riep het opperhoofd, hoe langer hoe vriendelijker wordende; »die beroemde krijgsman moet een geëerbiedigden naam hebben in de prairiën?”De Spanjaard lag op de pijnbank; bedwongen door het oog van den Comanch, wist hij geen middel om zijne meesteres te waarschuwen, dat zij den naam van haar zoon niet zou uitspreken.[109]»Zijn naam is wel bekend,” zeide de dame.»Och,” riep de grijsaard uit, »alle moeders zijn zoo; hare zonen zijn altijd helden! Die, waarvan zij spreekt, ofschoon een uitmuntend jong mensch, is niets meer dan een ander, zijn naam is stellig mijn broeder nooit ter oore gekomen.”»Hoe weet mijn broeder dat?” zeide de Indiaan op hatelijken toon.»Ik vooronderstel het maar,” antwoordde de grijsaard; »of zoo mijn broeder hem toevallig eens heeft hooren uitspreken, zal hij hem reeds lang uit het geheugen zijn gegaan, en is het niet de moeite waard, dat hij zich dien weder herinnere. Zoo mijn broeder het goed vindt, zullen wij ons verwijderen; de dag is vermoeiend geweest, het uur der rust is gekomen.”»Oogenblikkelijk,” zeide de Comanch zoetsappig, en zich tot de vrouw wendende, vroeg hij haar met nadruk: »hoe heet de krijgsman der bleekgezichten?”Maar de oude dame, bang geworden door de tusschenkomst van haar dienaar, wiens trouw en voorzichtigheid zij kende, antwoordde niet, inwendig gevoelende, dat zij een fout begaan had, en niet wetende, hoe die te herstellen.»Hoort mijne moeder niet?” hernam het opperhoofd.»Waartoe u een naam gezegd, die naar alle waarschijnlijkheid u onbekend is, en die in ieder geval u geen belang kan inboezemen? Zoo mijn broeder het goed vindt, zal ik mij verwijderen.”»Neen, niet voor dat mijne moeder mij den naam gezegd heeft van haren zoon den grooten krijgsman,” zeide de Comanch, de wenkbrauwen fronsende en met kwalijk bedwongen toorn stampvoetende. De jager zag dat het misliep; zijne partij was oogenblikkelijk gekozen.»Mijn broeder is een groot opperhoofd,” zeide hij, »al is zijn haar bruin, zijne wijsheid is onmetelijk; ik ben zijn vriend, hij zal geen misbruik willen maken van het toeval, dat de moeder van zijn vijand in zijne handen geleverd heeft; de zoon van deze vrouw heet Edelhart.”»Ooah!” riep de Arendskop weder onheilspellend glimlachende, »dat wist ik wel; waarom hebben de bleekmuilen twee tongen en twee harten en zoeken zij altijd de Roodhuiden te bedriegen?”»Wij hebben niet gepoogd u te bedriegen, hoofdman.”»Dat gij, zoolang gij bij ons zijt, als kinderen van onzen stam behandeld zijt geworden, is door mijn toedoen; ik ben het, die u het leven heb gered.”»Dat is waar.”»Welnu, ik wil u toonen dat de Indianen niet vergeten; en dat zij goed voor kwaad weten te vergelden. Deze wonden, die gij hier ziet, wie heeft ze mij toegebracht? Edelhart. Wij zijn vijanden, zijne moeder is in mijne macht, ik zou haar terstond aan den folterpaal kunnen binden, dat zou mijn recht zijn.”[110]De twee Spanjaarden bogen het hoofd.»De wet der prairiën zegt: Oog om oog, tand om tand! Luister goed naar mij,Oude Eik: gedachtig aan onze oude vriendschap, sta ik u een uitstel toe. Morgen met zonsopgang zult gij Edelhart gaan zoeken; zoo hij binnen vier dagen zich niet in mijne handen is komen uitleveren, zal zijne moeder sterven: mijne manschappen zullen haar levend aan den folterpaal verbranden, en mijne broeders zullen zich oorlogfluitjes snijden uit hare beenderen. Gaat, ik heb niets meer te zeggen.”De grijsaard viel voor het opperhoofd op de knieën, maar de wraakzuchtige Indiaan schopte hem van zich en ging weg.»O, mevrouw,” mompelde de grijsaard wanhopig; »gij zijt verloren.”»Eén ding verzoek ik u, Eusébio,” zeide de moeder met tranen in de oogen en een geroerde stem, »breng mijn zoon niet hier! Wat zegt het, of ik sterf? heeft mijn leven helaas al niet lang genoeg geduurd?”De oude dienaar wierp een blik van bewondering op zijne meesteres.»Altijd dezelfde,” zeide hij met aandoening.»Het leven eener moeder behoort immers aan haar kind?” riep zij uit.De twee oude lieden vielen van smart overstelpt aan den voet van een boom neder, en brachten den nacht door in het gebed tot God.De Arendskop scheen geen begrip te hebben van hunne wanhoop.
De Arendskop was een even voorzichtig als moedig opperhoofd; hij wist, dat hij alles van de Amerikanen te vreezen had, zoo hij zijn spoor niet geheel kon doen verdwijnen. Hij verzuimde dan ook niets om, na den gelukkigen aanslag tegen de nieuwe ontginning der blanken, aan de oevers der groote Canadasche rivier, zijn troep in veiligheid te stellen tegen de geduchte weêrwraak, die hem wachtte.
Men kan zich geen denkbeeld maken van het door de Indianen ontwikkelde talent, als het hun te doen is om hun spoor te verbergen. Twintig malen komen zij op dezelfde plaats terug, en verwarren de sporen van hun doortocht zoodanig onder elkander, dat zij eindelijk onherkenbaar worden; geen bijzonderheid ontgaat hun; zij loopen in elkanders voetstappen om hun aantal te verbergen; dagen achtereen volgen zij den stroom van eene beek, terwijl het water hun soms tot de heupen reikt; ja, zij drijven hunne voorzichtigheid en hun geduld vaak zoo ver, dat zij met de hand, en als[106]het ware stap voor stap, de schreden uitwisschen, die hen aan de helderziende en belangstellende oogen hunner vijanden zouden kunnen verraden.
De Slangen-stam, waartoe de krijgslieden, onder het bevel van den Arendskop, behoorden, was ten getale van ongeveer vijf honderd man in de prairiën doorgedrongen, hetzij om op bisons te jagen of om slag te leveren aan de Pawnies en Sious, tegen welke zij onophoudelijk krijg voerden.
Het deel van den Arendskop, zoodra de veldtocht was afgeloopen, was om zich onmiddellijk bij zijne broeders aan te sluiten, ten einde den buit door hem bij de verovering van het dorp gemaakt, in veiligheid te brengen en zich aan het hoofd te stellen van een groote krijgsonderneming, die zijn stam in den zin had tegen de in de prairiën verstrooide blanke jagers en mestiezen, die door de Indianen met reden als hunne onverzoenlijke vijanden werden beschouwd.
Ondanks de menigte voorzorgen, door het opperhoofd aangewend, ging de troep snel vooruit. Op den avond van den zesden dag na de verwoesting van het fort, hielden de Comanchen halt aan de oevers van een kleine rivier zonder naam, gelijk er in deze streken vele zijn, en maakten zij zich gereed om aldaar des nachts te kampeeren. Niets is eenvoudiger dan een Indiaansch kamp op den voet van oorlog. De paarden worden vastgebonden, zoodat zij niet kunnen wegloopen; als men geen aanval vreest, steekt men vuur aan; in het tegenovergestelde geval, schikt ieder zich zoo goed hij kan om te eten en te slapen.
Na hun vertrek van het fort, had niets bij de Comanchen het vermoeden opgewekt, dat zij achtervolgd of bespied werden, hunne spionnen hadden geen enkel verdacht spoor ontdekt. Zij bevonden zich op geringen afstand van het kamp van hun stam, hunne veiligheid liet dus niets te wenschen over. De Arendskop liet vuur aanleggen, en plaatste zelf de schildwachten, om voor allen te waken.
Toen hij deze maatregelen genomen had, zette de hoofdman zich tegen een ebbenboom, nam zijn calumet en beval dat de grijsaard en de Spaansche vrouw zouden worden voorgebracht. Toen zij voor hem stonden, groette de Arendskop den grijsaard hartelijk en bood hem zijn calumet aan, een teeken van welwillendheid, dat de grijsaard aannam; zich tevens gereed houdende, om de vragen te beantwoorden, die de Indiaan zonder twijfel tot hem richten zou. Na eenige oogenblikken stilte nam deze werkelijk het woord:
»Heeft mijn broeder het goed bij de Roodhuiden?” vroeg hij.
»Ik heb geen reden tot klagen, hoofdman!” antwoordde de Spanjaard; »zoolang ik bij u was ben ik goed behandeld.”
»Mijn broeder is een vriend,” zeide de Comanch plechtstatig.
De grijsaard maakte een buiging.
»Wij zijn eindelijk op onzen jachtgrond,” hernam het opperhoofd; »mijn broeder Grijshoofd is vermoeid van een lang leven; hij past[107]beter bij het vuur van den raad, dan op een paard om op elands en bisons te jagen: wat begeert mijn broeder?”
»Hoofdman,” antwoordde de Spanjaard, »uwe woorden zijn waar; er was een tijd toen ik, evenals ieder andere zoon der prairiën, dagen lang op de jacht doorbracht, gezeten op een vurig en onstuimig ros, maar mijne krachten zijn verdwenen, mijne ledematen hebben hunne buigzaamheid, en mijne oogen hunne onfeilbaarheid verloren, ik deug niet meer voor eene expeditie, hoe kort zij ook wezen moge.”
»Goed,” zeide de Indiaan bedaard, dikke rookwolken uit neus en mond blazende, »mijn broeder zegge aan zijn vriend, wat hij verlangt, en het zal geschieden.”
»Ik dank u, hoofdman, en ik zal van uw welwillend aanbod gebruik maken; ik zou gelukkig zijn, zoo gij mij de middelen wildet verschaffen, om mij ongehinderd naar eene plaats te begeven, waar zich menschen van mijne kleur gevestigd hebben, en waar ik in vrede de weinige levensdagen, die mij nog overblijven, kan doorbrengen.”
»En waarom zou ik dat niet doen? niets is gemakkelijker; zoodra wij bij onzen stam zullen gekomen zijn, zal aan het verlangen van mijn broeder worden voldaan, aangezien hij niet bij zijn roode vrienden verkiest te blijven.”
Er volgde een oogenblik van stilte. De grijsaard, meenende dat het onderhoud afgeloopen was, wilde zich verwijderen; de hoofdman gaf hem een teeken, om te blijven.
Na eenige oogenblikken schudde de Indiaan de asch uit zijne pijp, hing haar aan zijn gordel, en op den Spanjaard een zonderlingen blik slaande, zeide hij op droevigen toon:
»Mijn broeder is gelukkig; ofschoon reeds vele winters oud, bewandelt hij toch niet alleen het levenspad.”
»Wat bedoelt de hoofdman?” vroeg de grijsaard; »ik begrijp hem niet.”
»Mijn broeder heeft een huisgezin,” hernam de Comanch.
»Helaas, mijn broeder bedriegt zich, ik sta alleen op de wereld.”
»Wat zegt mijn broeder daar? heeft hij niet zijne gezellin bij zich?”
Een treurige glimlach teekende zich op de dunne lippen van den grijsaard.
»Neen,” zeide hij, »ik heb geen levensgezellin.”
»Wat is dan deze vrouw voor hem?” zeide de hoofdman met geveinsde bewondering op de Spaansche dame wijzende, die stil en droevig naast den grijsaard stond.
»Die vrouw is mijne meesteres.”
»Ooah!zou mijn broeder een slaaf zijn?” zeide de Comanch grijnzend.
»Neen,” antwoordde de grijsaard fier, »ik ben niet de slaaf van deze vrouw; ik ben haar trouwe dienaar.”[108]
»Ooah!” zeide de hoofdman, het hoofd schuddende, en hij begon over dit antwoord na te denken.
Maar de woorden van den Spanjaard kwamen den Indiaan geheel onbegrijpelijk voor; de onderscheiding was hem al te fijn, hij kon haar niet vatten. Na twee of drie minuten zwijgens, gaf hij zijne pogingen, om dit voor hem onverklaarbare raadsel op te lossen, op.
»Goed,” zeide hij, terwijl zich een spottende glimlach op zijn gelaat vertoonde, »de vrouw zal met mijn broeder vertrekken.”
»Dat heb ik altijd zoo begrepen,” antwoordde de Spanjaard.
De reeds bejaarde vrouw, die tot hiertoe het stilzwijgen bewaard had, meende nu dat het tijd was, om zich in het gesprek te mengen.
»Ik bedank den hoofdman,” zeide zij, »doch daar hij zoo goed is, om zich ter onzer beschikking te stellen, zou ik hem wel eene gunst willen vragen.”
»Mijne moeder spreke, mijne ooren zijn geopend.”
»Ik heb een zoon, die een groot blank jager is; hij moet zich op dit oogenblik in de prairie bevinden; als mijn broeder goed vond ons nog eenige dagen bij zich te houden, dan zou het ons mogelijk zijn hem te ontmoeten; onder zijne bescherming zouden wij niets te vreezen hebben.”
Bij deze onvoorzichtige woorden maakte de Spanjaard eene beweging van schrik.
»Señorita,” zeide hij in zijne moedertaal, »pas op, dat.…”
»Stilte!” gebood de Indiaan. »Waarom spreekt mijn broeder voor mij in een vreemde taal? is hij bang dat ik zijne woorden verstaan zal?”
»O, hoofdman!” zeide de Spanjaard met een gebaar van ontkenning.
»Dat mijn broeder dan mijne moeder met het bleeke gezicht niet verhindere te spreken; zij spreekt tot het opperhoofd.”
De grijsaard zweeg, maar een droevig voorgevoel beklemde zijne borst.
Het Comanchenhoofd wist heel goed, met wie hij te doen had: hij speelde met de twee Spanjaarden, gelijk de kat met de muis; maar zonder iets van hetgeen er in hem omging te laten blijken, wendde hij zich tot de vrouw en zich buigende met die instinctmatige beleefdheid, waardoor de Indianen zich onderscheiden zeide hij:
»Ooah!de zoon mijner moeder is een groot jager: des te beter.”
Het hart der arme vrouw sprong op van vreugde.
»Ja,” zeide zij verrukt, »het is een der dapperste pelsjagers uit de prairiën van het westen.”
»Ooah!” riep het opperhoofd, hoe langer hoe vriendelijker wordende; »die beroemde krijgsman moet een geëerbiedigden naam hebben in de prairiën?”
De Spanjaard lag op de pijnbank; bedwongen door het oog van den Comanch, wist hij geen middel om zijne meesteres te waarschuwen, dat zij den naam van haar zoon niet zou uitspreken.[109]
»Zijn naam is wel bekend,” zeide de dame.
»Och,” riep de grijsaard uit, »alle moeders zijn zoo; hare zonen zijn altijd helden! Die, waarvan zij spreekt, ofschoon een uitmuntend jong mensch, is niets meer dan een ander, zijn naam is stellig mijn broeder nooit ter oore gekomen.”
»Hoe weet mijn broeder dat?” zeide de Indiaan op hatelijken toon.
»Ik vooronderstel het maar,” antwoordde de grijsaard; »of zoo mijn broeder hem toevallig eens heeft hooren uitspreken, zal hij hem reeds lang uit het geheugen zijn gegaan, en is het niet de moeite waard, dat hij zich dien weder herinnere. Zoo mijn broeder het goed vindt, zullen wij ons verwijderen; de dag is vermoeiend geweest, het uur der rust is gekomen.”
»Oogenblikkelijk,” zeide de Comanch zoetsappig, en zich tot de vrouw wendende, vroeg hij haar met nadruk: »hoe heet de krijgsman der bleekgezichten?”
Maar de oude dame, bang geworden door de tusschenkomst van haar dienaar, wiens trouw en voorzichtigheid zij kende, antwoordde niet, inwendig gevoelende, dat zij een fout begaan had, en niet wetende, hoe die te herstellen.
»Hoort mijne moeder niet?” hernam het opperhoofd.
»Waartoe u een naam gezegd, die naar alle waarschijnlijkheid u onbekend is, en die in ieder geval u geen belang kan inboezemen? Zoo mijn broeder het goed vindt, zal ik mij verwijderen.”
»Neen, niet voor dat mijne moeder mij den naam gezegd heeft van haren zoon den grooten krijgsman,” zeide de Comanch, de wenkbrauwen fronsende en met kwalijk bedwongen toorn stampvoetende. De jager zag dat het misliep; zijne partij was oogenblikkelijk gekozen.
»Mijn broeder is een groot opperhoofd,” zeide hij, »al is zijn haar bruin, zijne wijsheid is onmetelijk; ik ben zijn vriend, hij zal geen misbruik willen maken van het toeval, dat de moeder van zijn vijand in zijne handen geleverd heeft; de zoon van deze vrouw heet Edelhart.”
»Ooah!” riep de Arendskop weder onheilspellend glimlachende, »dat wist ik wel; waarom hebben de bleekmuilen twee tongen en twee harten en zoeken zij altijd de Roodhuiden te bedriegen?”
»Wij hebben niet gepoogd u te bedriegen, hoofdman.”
»Dat gij, zoolang gij bij ons zijt, als kinderen van onzen stam behandeld zijt geworden, is door mijn toedoen; ik ben het, die u het leven heb gered.”
»Dat is waar.”
»Welnu, ik wil u toonen dat de Indianen niet vergeten; en dat zij goed voor kwaad weten te vergelden. Deze wonden, die gij hier ziet, wie heeft ze mij toegebracht? Edelhart. Wij zijn vijanden, zijne moeder is in mijne macht, ik zou haar terstond aan den folterpaal kunnen binden, dat zou mijn recht zijn.”[110]
De twee Spanjaarden bogen het hoofd.
»De wet der prairiën zegt: Oog om oog, tand om tand! Luister goed naar mij,Oude Eik: gedachtig aan onze oude vriendschap, sta ik u een uitstel toe. Morgen met zonsopgang zult gij Edelhart gaan zoeken; zoo hij binnen vier dagen zich niet in mijne handen is komen uitleveren, zal zijne moeder sterven: mijne manschappen zullen haar levend aan den folterpaal verbranden, en mijne broeders zullen zich oorlogfluitjes snijden uit hare beenderen. Gaat, ik heb niets meer te zeggen.”
De grijsaard viel voor het opperhoofd op de knieën, maar de wraakzuchtige Indiaan schopte hem van zich en ging weg.
»O, mevrouw,” mompelde de grijsaard wanhopig; »gij zijt verloren.”
»Eén ding verzoek ik u, Eusébio,” zeide de moeder met tranen in de oogen en een geroerde stem, »breng mijn zoon niet hier! Wat zegt het, of ik sterf? heeft mijn leven helaas al niet lang genoeg geduurd?”
De oude dienaar wierp een blik van bewondering op zijne meesteres.
»Altijd dezelfde,” zeide hij met aandoening.
»Het leven eener moeder behoort immers aan haar kind?” riep zij uit.
De twee oude lieden vielen van smart overstelpt aan den voet van een boom neder, en brachten den nacht door in het gebed tot God.
De Arendskop scheen geen begrip te hebben van hunne wanhoop.