[Inhoud]XVIII.NO EUSÉBIO.De voorzorgen, door den Arendskop genomen om zijn gang te verbergen, mochten goed zijn voor zulke blanken, wier oogen minder geoefend zijn dan die der partijgangers en jagers, en die weinig gewend aan de listen der Indianen, zich in deze uitgestrekte wildernissen zonder gids bijna niet weten te redden, maar voor mannen als Edelhart en Goedsmoeds waren zij onvoldoende. Zij verloren bijna geen oogenblik het spoor uit het oog. Gewoon aan de wendingen en bochten der Indiaansche krijgslieden, lieten zij zich niet misleiden door de plotselinge teruggangen, de omwendingen, de valsche halten, in een woord, door al die hindernissen, waarmede de Comanchen hun weg hadden bezaaid. En bovendien was er iets, waaraan de Indianen niet gedacht hadden, en dat even zeker de richting aanwees, die zij gevolgd waren, als wanneer zij zorg gedragen hadden, om die nauwkeurig af te bakenen. Wij hebben vroeger gezegd, dat de jagers bij de puinhoopen eener hut een speurhond[111]hadden gevonden, die aan een boom was vastgemaakt en dat deze, zoodra hij vrij was, na eenige liefkoozingen aan Goedsmoeds te hebben geschonken, het op een loopen had gezet, met den neus in den wind, om zijn meester te achterhalen, die geen ander was als de oude Spanjaard; en hij bereikte hem inderdaad. De sporen van den hond, die de Indianen verzuimden uit te wisschen, om de eenvoudige reden dat zij niet wisten dat hij hen volgde, waren overal te zien, en voor zulke behendige jagers als Edelhart en Goedsmoeds was dit een draad van Ariadne, dien niets kon breken. De jagers reden dus in stilte voort, met het geweer in den zadel vastgemaakt, gevolgd door hunnerastreros(spoorzoekers, hier de speurhonden) achter de Comanchen, die geenszins vermoedden, dat zij zulk een achterhoede hadden. Iederen avond hield Edelhart halt, juist op dezelfde plek, waar de Arendskop een dag te voren zijn bivouak had opgeslagen, want de haast waarmede de beide mannen voortgingen was zóó groot, dat de Indianen hun slechts eenige mijlen vooruit waren; zij zouden hen gemakkelijk hebben ingehaald, indien zulks in het plan der jagers gelegen had. Maar om zekere redenen wilde Edelhart hen liever nog eenigen tijd op den voet volgen.Nadat zij in den nacht in een opene plaats in het bosch, aan de oevers van een frissche beek, wier zacht gemurmel hen in slaap gewiegd had, hadden doorgebracht, maakten zich de jagers gereed om verder te gaan; hunne paarden waren gezadeld, en zij aten staande een stuk elandvleesch, toen Edelhart, die den geheelen morgen den mond niet geopend had, zich tot zijn makker wendde, met de woorden:»Laten wij een oogenblik gaan zitten; niets dringt ons, om ons te haasten, daar de Arendskop bij zijn stam is aangeland.”»Dat is waar,” antwoordde Goedsmoeds, terwijl hij zich op het gras nedervlijde; »wij kunnen wel wat praten.”»Nu, heb ik het niet geraden, dat die vervloekte Comanchen een krijgsbende in de nabijheid hadden? Wij kunnen er niet aan denken, om met ons tweeën ons meester te maken van een kamp, waarin zich vijfhonderd krijgslieden bevinden.”»Gij hebt gelijk,” zeide Goedsmoeds wijsgeerig, »daar zijn er heel veel; maar, gij weet, beste vriend, en anders zegt uw hart het u, wij kunnen er altijd de proef van nemen, men weet nooit wat er gebeuren kan.”»Dank u,” zeide Edelhart glimlachend, »maar ik geloof, dat het nutteloos zal zijn.”»Nu, zooals gij wilt.”»List alleen zal ons baten.”»Verzinnen wij dan een list, ik ben tot uw orders.”»Hebben wij geen vallen hier in de nabijheid?”»Hemel, ja, geen halve mijl hier van daan, bij den grooten bevervijver.”[112]»Juist, ik weet niet meer, waarover ik sinds eenige dagen denk; ziet gij, Goedsmoeds, die gevangenschap van mijne moeder maakt mij gek, ik moet haar bevrijden, het koste wat het wil.”»Dat is ook mijn gevoelen, Edelhart, en ik zal u met al mijne kracht bijstaan.”»Morgen, bij het aanbreken van den dag moet gij eens naar den Zwarten Eland gaan, en hem uit mijn naam verzoeken, zooveel blanke jagers bijeen te verzamelen als hij maar kan.”»Zeer goed.”»In dien tusschentijd zal ik naar het kamp der Comanchen gaan, om over den losprijs mijner moeder te spreken; zoo zij haar mij niet willen uitleveren, zullen wij onze toevlucht tot de wapenen nemen, en wij zullen eens zien, of een twintigtal van de beste karabijnen het niet winnen zullen van die vijfhonderd roovers der prairiën.”»En zoo zij u gevangen nemen?”»In dat geval zal ik u mijn hond zenden, die zich in de grot bij de rivier bij u zal voegen; als gij hem alleen ziet komen, dan weet gij wat het zeggen wil, en gij kunt dan dienovereenkomstig handelen.”De Canadees schudde bedenkelijk het hoofd.»Neen,” zeide hij, »dat zal ik niet doen.”»Hoe! zult gij dat niet doen?” riep de jager verbaasd uit.»Zeker niet; neen, ik zal het niet doen, Edelhart. Bij u vergeleken, die zoo dapper en verstandig zijt, beteeken ik heel weinig, dat weet ik, maar ik heb toch een goede eigenschap, die niemand mij ontnemen zal, en dat is mijne genegenheid voor u.”»Ik weet het, mijn vriend, gij hebt mij lief als een broeder.”»En gij wilt, dat ik u, gelijk men in mijn land zegt, aan gene zijde van de groote meren, onbekommerd den neus zal laten steken in het hol van den wolf, of nog erger, want mijne vergelijking is vernederend voor de wolven, de Indianen zijn duizendmaal bloeddorstiger! Neen, ik herhaal het u, ik zal het niet doen; het zou een slechte daad zijn, en als u iets overkwam, dan zou ik het mijzelven niet vergeven.”»Verklaar u, Goedsmoeds,” zeide Edelhart ongeduldig; »op mijn eer ik kan u onmogelijk begrijpen.”»O, dat is toch gemakkelijk genoeg,” antwoordde de Canadees; »al heb ik weinig geest en al ben ik geen groot redenaar, ik heb toch gezond verstand, en ik kan goed uit mijne oogen zien, als het iemand geldt, dien ik lief heb; ik heb niemand meer lief dan u, nu mijn vader dood is.”»Spreek, mijn vriend,” antwoordde Edelhart, »en vergeef mij de ongeduldige drift, waaraan ik een oogenblik geen weerstand kon bieden.”Goedsmoeds dacht even na, en hervatte toen:»Gij weet dat de grootste vijanden, die wij in de prairie hebben, de Comanchen zijn; door een onverklaarbaar toeval hebben wij[113]altijd met hen te strijden gehad, en nooit hebben zij zich kunnen beroemen het minste voordeel op ons behaald te hebben; van daar tusschen hen en ons een onverzoenlijke haat, die in de laatste dagen nog is toegenomen door onze geschillen met den Arendskop, wien gij zoo slim of zoo dom zijt geweest slechts een arm te breken, toen het u zoo gemakkelijk viel hem den kop te verpletteren, eene aardigheid, die, ik ben er zeker van, het Comanchenhoofd u zeer kwalijk genomen heeft, en hij u nooit zal vergeven; overigens beken ik, dat ik in zijne plaats volkomen dezelfde gevoelens zou hebben aangekleefd, en dat ik daarom niet op hem gebeten ben.”»Ter zake! ter zake!” viel Edelhart in.»De zaak is deze,” hernam Goedsmoeds zonder zich over het ongeduld van zijn vriend te verwonderen: »de Arendskop zoekt op alle mogelijke wijze uw hoofdhaar meester te worden; nu begrijpt gij, dat, zoo gij onvoorzichtig genoeg zijt om u aan hem over te geven, hij de gelegenheid zal te baat nemen om voor eens en voor altijd met u af te rekenen.”»Maar,” antwoordde Edelhart, »mijne moeder is in zijne handen.”»Ja,” zeide Goedsmoeds, »maar dat weet hij niet; gij weet, mijn vriend, dat de Indianen, enkele gevallen uitgezonderd, de vrouwen, die zij machtig worden, uitstekend behandelen, en dat zij haar gewoonlijk de grootste beleefdheden bewijzen.”»Dat is waar,” zeide de jager.»Nu dan, daar wel niemand aan den Arendskop zal zeggen dat zijne gevangene uwe moeder is, zoo is zij, als men de ongerustheid, waarin zij omtrent u verkeert, niet mederekent, onder de Roodhuiden even goed bezorgd, alsof zij zich op het groote plein van Quebec bevond. Het is dus onnoodig om eene roekeloosheid te begaan; laten wij een twintigtal goede makkers bijeenroepen, en daarmede de Indianen bewaken; bij de eerste gelegenheid, die zich zal aanbieden, zullen wij hen dapper op het lijf vallen, wij dooden er zooveel mogelijk, en bevrijden uwe moeder; ziedaar, geloof ik, de wijste partij, die wij kiezen kunnen; wat denkt gij er van?”»Ik denk, mijn vriend,” antwoordde Edelhart, hem de hand drukkende, »dat gij het beste schepsel zijt van de wereld, dat uw raad goed is, en dat ik hem zal opvolgen.”»Bravo!” riep Goedsmoeds verheugd; »dat noem ik taal.”»En nu …” zeide Edelhart opstaande.»Nu?” vroeg Goedsmoeds.»Bestijgen wij onze paarden, rijden om het indiaansche kamp heen, laten ons niet van het spoor brengen, en gaan naar dehattovan onzen braven vriend den Zwarten Eland, die een wijs man is, en ons zeker van dienst zal zijn in de uitvoering van ons plan.”»Zooals gezegd is!” zeide Goedsmoeds vroolijk, terwijl hij in den zadel sprong.De jagers verlieten de opene plaats en maakten een omweg, om[114]het indiaansche kamp te vermijden, waarvan men den rook op hoogstens twee mijlen afstand gewaar werd; zij richtten zich toen naar de plaats, waar, naar alle waarschijnlijkheid, de Zwarte Eland zich onledig hield met zoo behendig mogelijk zijne strikken te spannen voor de bevers, die merkwaardige dieren, waarvandoñaLuz zooveel hield. Zoo reden zij te naastenbij een uur lang, al lachend en pratend voort, want de redeneeringen van Goedsmoeds hadden eindelijk Edelhart overtuigd, die, de Indiaansche zeden grondig kennende, voor zijne moeder geen gevaar vreesde, toen de honden eensklaps teekenen van onrust gaven, en luid blaffend wegvlogen.»Wat scheelt er toch aan onzerastreros?” zeide Edelhart; »men zou denken, dat zij een vriend geroken hebben.”»Hemel! zij hebben den Zwarten Eland uitgevonden, wij zullen ze stellig in elkanders gezelschap vinden.”»’t Is mogelijk,” zeide de jager nadenkend, en zij reden voort.Na eenige oogenblikken bemerkten zij een ruiter, die zoo snel hij kon op hen afkwam, omringd van de honden, die hem luid blaffend nasprongen.»Het is de Zwarte Eland niet!” riep Goedsmoeds.»Neen!” zeide Edelhart, »het is Nô Eusébio. Wat beteekent dat? hij is alleen; zou er met mijne moeder iets gebeurd zijn?”»Laten wij ons reppen!” zeide Goedsmoeds, zijn paard de sporen gevende. De jager volgde hem, ten prooi aan een doodelijken angst.De drie ruiters waren weldra bijeen.»Helaas! helaas!” riep de grijsaard met eene treurige stem.»Wat is er gebeurd, Nô Eusébio? spreek, in Godsnaam, spreek!” zeide Edelhart.»Uw moeder! don Rafaël, uwe moeder!”»Nu, spreek!… spreek dan toch!” riep de jager angstig.»O, mijn God!” zeide de grijsaard, de armen ten hemel heffende, »het is te laat!”»Spreek dan, in Godsnaam! gij doet mij sterven.”De grijsaard wierp hem een troosteloozen blik toe.»Don Rafaël,” zeide hij, »wees moedig, wees een man.”»Goede God! welk vreeselijk nieuws komt gij ons brengen?”»Uwe moeder is de gevangene van den Arendskop.”»Dat weet ik.”»Zoo gij van daag, ja dezen morgen nog, u zelven niet aan het Comanchenhoofd hebt uitgeleverd.…”»Dan?”»Dan zal zij levend verbrand worden!”»O!” gilde de jager; met een hartverscheurenden kreet.Zijn vriend ondersteunde hem, anders zou hij van zijn paard gevallen zijn.»Maar,” vroeg Goedsmoeds, »zegt gij, dat zij van daag verbrand moet worden, goede grijsaard?”[115]»Van daag.”»Dus hebben wij nog den tijd?”»Helaas! bij zonsopgang zou het zijn, en zie eens,” zeide hij, naar de lucht wijzende.»O,” riep Edelhart uit, op een toon, die onmogelijk is weêr te geven, »ik zal mijne moeder redden!”En zich op zijn paard voorover buigende, verdween hij in duizelende vaart.De anderen volgden hem.Plotseling keerde hij zich om, en riep tot Goedsmoeds:»Waar gaat gij heen?”»U helpen om uwe moeder te redden, of met u sterven.”»Kom dan mede!” antwoordde Edelhart, zijne sporen in de bloedende zijden van zijn paard drukkende.Er was iets vreeselijks en verschrikkelijks in de dolle vaart van die drie mannen, die, allen op dezelfde lijn, met bleek voorhoofd, gesloten lippen en bliksemende oogen, over stroomen en diepten heen, geen hinderpalen ontziende, hunne paarden altijd bleven aanvuren, zonder zich een oogenblik rust te gunnen. Bij tusschenpoozen liet Edelhart het aan de MexicaanscheGineteneigenaardig geschreeuw hooren, en de verhitte paarden verdubbelden hun spoed.»Mijn God, mijn God!” herhaalde de jager, met een doffe stem, »red! red mijne moeder!”
[Inhoud]XVIII.NO EUSÉBIO.De voorzorgen, door den Arendskop genomen om zijn gang te verbergen, mochten goed zijn voor zulke blanken, wier oogen minder geoefend zijn dan die der partijgangers en jagers, en die weinig gewend aan de listen der Indianen, zich in deze uitgestrekte wildernissen zonder gids bijna niet weten te redden, maar voor mannen als Edelhart en Goedsmoeds waren zij onvoldoende. Zij verloren bijna geen oogenblik het spoor uit het oog. Gewoon aan de wendingen en bochten der Indiaansche krijgslieden, lieten zij zich niet misleiden door de plotselinge teruggangen, de omwendingen, de valsche halten, in een woord, door al die hindernissen, waarmede de Comanchen hun weg hadden bezaaid. En bovendien was er iets, waaraan de Indianen niet gedacht hadden, en dat even zeker de richting aanwees, die zij gevolgd waren, als wanneer zij zorg gedragen hadden, om die nauwkeurig af te bakenen. Wij hebben vroeger gezegd, dat de jagers bij de puinhoopen eener hut een speurhond[111]hadden gevonden, die aan een boom was vastgemaakt en dat deze, zoodra hij vrij was, na eenige liefkoozingen aan Goedsmoeds te hebben geschonken, het op een loopen had gezet, met den neus in den wind, om zijn meester te achterhalen, die geen ander was als de oude Spanjaard; en hij bereikte hem inderdaad. De sporen van den hond, die de Indianen verzuimden uit te wisschen, om de eenvoudige reden dat zij niet wisten dat hij hen volgde, waren overal te zien, en voor zulke behendige jagers als Edelhart en Goedsmoeds was dit een draad van Ariadne, dien niets kon breken. De jagers reden dus in stilte voort, met het geweer in den zadel vastgemaakt, gevolgd door hunnerastreros(spoorzoekers, hier de speurhonden) achter de Comanchen, die geenszins vermoedden, dat zij zulk een achterhoede hadden. Iederen avond hield Edelhart halt, juist op dezelfde plek, waar de Arendskop een dag te voren zijn bivouak had opgeslagen, want de haast waarmede de beide mannen voortgingen was zóó groot, dat de Indianen hun slechts eenige mijlen vooruit waren; zij zouden hen gemakkelijk hebben ingehaald, indien zulks in het plan der jagers gelegen had. Maar om zekere redenen wilde Edelhart hen liever nog eenigen tijd op den voet volgen.Nadat zij in den nacht in een opene plaats in het bosch, aan de oevers van een frissche beek, wier zacht gemurmel hen in slaap gewiegd had, hadden doorgebracht, maakten zich de jagers gereed om verder te gaan; hunne paarden waren gezadeld, en zij aten staande een stuk elandvleesch, toen Edelhart, die den geheelen morgen den mond niet geopend had, zich tot zijn makker wendde, met de woorden:»Laten wij een oogenblik gaan zitten; niets dringt ons, om ons te haasten, daar de Arendskop bij zijn stam is aangeland.”»Dat is waar,” antwoordde Goedsmoeds, terwijl hij zich op het gras nedervlijde; »wij kunnen wel wat praten.”»Nu, heb ik het niet geraden, dat die vervloekte Comanchen een krijgsbende in de nabijheid hadden? Wij kunnen er niet aan denken, om met ons tweeën ons meester te maken van een kamp, waarin zich vijfhonderd krijgslieden bevinden.”»Gij hebt gelijk,” zeide Goedsmoeds wijsgeerig, »daar zijn er heel veel; maar, gij weet, beste vriend, en anders zegt uw hart het u, wij kunnen er altijd de proef van nemen, men weet nooit wat er gebeuren kan.”»Dank u,” zeide Edelhart glimlachend, »maar ik geloof, dat het nutteloos zal zijn.”»Nu, zooals gij wilt.”»List alleen zal ons baten.”»Verzinnen wij dan een list, ik ben tot uw orders.”»Hebben wij geen vallen hier in de nabijheid?”»Hemel, ja, geen halve mijl hier van daan, bij den grooten bevervijver.”[112]»Juist, ik weet niet meer, waarover ik sinds eenige dagen denk; ziet gij, Goedsmoeds, die gevangenschap van mijne moeder maakt mij gek, ik moet haar bevrijden, het koste wat het wil.”»Dat is ook mijn gevoelen, Edelhart, en ik zal u met al mijne kracht bijstaan.”»Morgen, bij het aanbreken van den dag moet gij eens naar den Zwarten Eland gaan, en hem uit mijn naam verzoeken, zooveel blanke jagers bijeen te verzamelen als hij maar kan.”»Zeer goed.”»In dien tusschentijd zal ik naar het kamp der Comanchen gaan, om over den losprijs mijner moeder te spreken; zoo zij haar mij niet willen uitleveren, zullen wij onze toevlucht tot de wapenen nemen, en wij zullen eens zien, of een twintigtal van de beste karabijnen het niet winnen zullen van die vijfhonderd roovers der prairiën.”»En zoo zij u gevangen nemen?”»In dat geval zal ik u mijn hond zenden, die zich in de grot bij de rivier bij u zal voegen; als gij hem alleen ziet komen, dan weet gij wat het zeggen wil, en gij kunt dan dienovereenkomstig handelen.”De Canadees schudde bedenkelijk het hoofd.»Neen,” zeide hij, »dat zal ik niet doen.”»Hoe! zult gij dat niet doen?” riep de jager verbaasd uit.»Zeker niet; neen, ik zal het niet doen, Edelhart. Bij u vergeleken, die zoo dapper en verstandig zijt, beteeken ik heel weinig, dat weet ik, maar ik heb toch een goede eigenschap, die niemand mij ontnemen zal, en dat is mijne genegenheid voor u.”»Ik weet het, mijn vriend, gij hebt mij lief als een broeder.”»En gij wilt, dat ik u, gelijk men in mijn land zegt, aan gene zijde van de groote meren, onbekommerd den neus zal laten steken in het hol van den wolf, of nog erger, want mijne vergelijking is vernederend voor de wolven, de Indianen zijn duizendmaal bloeddorstiger! Neen, ik herhaal het u, ik zal het niet doen; het zou een slechte daad zijn, en als u iets overkwam, dan zou ik het mijzelven niet vergeven.”»Verklaar u, Goedsmoeds,” zeide Edelhart ongeduldig; »op mijn eer ik kan u onmogelijk begrijpen.”»O, dat is toch gemakkelijk genoeg,” antwoordde de Canadees; »al heb ik weinig geest en al ben ik geen groot redenaar, ik heb toch gezond verstand, en ik kan goed uit mijne oogen zien, als het iemand geldt, dien ik lief heb; ik heb niemand meer lief dan u, nu mijn vader dood is.”»Spreek, mijn vriend,” antwoordde Edelhart, »en vergeef mij de ongeduldige drift, waaraan ik een oogenblik geen weerstand kon bieden.”Goedsmoeds dacht even na, en hervatte toen:»Gij weet dat de grootste vijanden, die wij in de prairie hebben, de Comanchen zijn; door een onverklaarbaar toeval hebben wij[113]altijd met hen te strijden gehad, en nooit hebben zij zich kunnen beroemen het minste voordeel op ons behaald te hebben; van daar tusschen hen en ons een onverzoenlijke haat, die in de laatste dagen nog is toegenomen door onze geschillen met den Arendskop, wien gij zoo slim of zoo dom zijt geweest slechts een arm te breken, toen het u zoo gemakkelijk viel hem den kop te verpletteren, eene aardigheid, die, ik ben er zeker van, het Comanchenhoofd u zeer kwalijk genomen heeft, en hij u nooit zal vergeven; overigens beken ik, dat ik in zijne plaats volkomen dezelfde gevoelens zou hebben aangekleefd, en dat ik daarom niet op hem gebeten ben.”»Ter zake! ter zake!” viel Edelhart in.»De zaak is deze,” hernam Goedsmoeds zonder zich over het ongeduld van zijn vriend te verwonderen: »de Arendskop zoekt op alle mogelijke wijze uw hoofdhaar meester te worden; nu begrijpt gij, dat, zoo gij onvoorzichtig genoeg zijt om u aan hem over te geven, hij de gelegenheid zal te baat nemen om voor eens en voor altijd met u af te rekenen.”»Maar,” antwoordde Edelhart, »mijne moeder is in zijne handen.”»Ja,” zeide Goedsmoeds, »maar dat weet hij niet; gij weet, mijn vriend, dat de Indianen, enkele gevallen uitgezonderd, de vrouwen, die zij machtig worden, uitstekend behandelen, en dat zij haar gewoonlijk de grootste beleefdheden bewijzen.”»Dat is waar,” zeide de jager.»Nu dan, daar wel niemand aan den Arendskop zal zeggen dat zijne gevangene uwe moeder is, zoo is zij, als men de ongerustheid, waarin zij omtrent u verkeert, niet mederekent, onder de Roodhuiden even goed bezorgd, alsof zij zich op het groote plein van Quebec bevond. Het is dus onnoodig om eene roekeloosheid te begaan; laten wij een twintigtal goede makkers bijeenroepen, en daarmede de Indianen bewaken; bij de eerste gelegenheid, die zich zal aanbieden, zullen wij hen dapper op het lijf vallen, wij dooden er zooveel mogelijk, en bevrijden uwe moeder; ziedaar, geloof ik, de wijste partij, die wij kiezen kunnen; wat denkt gij er van?”»Ik denk, mijn vriend,” antwoordde Edelhart, hem de hand drukkende, »dat gij het beste schepsel zijt van de wereld, dat uw raad goed is, en dat ik hem zal opvolgen.”»Bravo!” riep Goedsmoeds verheugd; »dat noem ik taal.”»En nu …” zeide Edelhart opstaande.»Nu?” vroeg Goedsmoeds.»Bestijgen wij onze paarden, rijden om het indiaansche kamp heen, laten ons niet van het spoor brengen, en gaan naar dehattovan onzen braven vriend den Zwarten Eland, die een wijs man is, en ons zeker van dienst zal zijn in de uitvoering van ons plan.”»Zooals gezegd is!” zeide Goedsmoeds vroolijk, terwijl hij in den zadel sprong.De jagers verlieten de opene plaats en maakten een omweg, om[114]het indiaansche kamp te vermijden, waarvan men den rook op hoogstens twee mijlen afstand gewaar werd; zij richtten zich toen naar de plaats, waar, naar alle waarschijnlijkheid, de Zwarte Eland zich onledig hield met zoo behendig mogelijk zijne strikken te spannen voor de bevers, die merkwaardige dieren, waarvandoñaLuz zooveel hield. Zoo reden zij te naastenbij een uur lang, al lachend en pratend voort, want de redeneeringen van Goedsmoeds hadden eindelijk Edelhart overtuigd, die, de Indiaansche zeden grondig kennende, voor zijne moeder geen gevaar vreesde, toen de honden eensklaps teekenen van onrust gaven, en luid blaffend wegvlogen.»Wat scheelt er toch aan onzerastreros?” zeide Edelhart; »men zou denken, dat zij een vriend geroken hebben.”»Hemel! zij hebben den Zwarten Eland uitgevonden, wij zullen ze stellig in elkanders gezelschap vinden.”»’t Is mogelijk,” zeide de jager nadenkend, en zij reden voort.Na eenige oogenblikken bemerkten zij een ruiter, die zoo snel hij kon op hen afkwam, omringd van de honden, die hem luid blaffend nasprongen.»Het is de Zwarte Eland niet!” riep Goedsmoeds.»Neen!” zeide Edelhart, »het is Nô Eusébio. Wat beteekent dat? hij is alleen; zou er met mijne moeder iets gebeurd zijn?”»Laten wij ons reppen!” zeide Goedsmoeds, zijn paard de sporen gevende. De jager volgde hem, ten prooi aan een doodelijken angst.De drie ruiters waren weldra bijeen.»Helaas! helaas!” riep de grijsaard met eene treurige stem.»Wat is er gebeurd, Nô Eusébio? spreek, in Godsnaam, spreek!” zeide Edelhart.»Uw moeder! don Rafaël, uwe moeder!”»Nu, spreek!… spreek dan toch!” riep de jager angstig.»O, mijn God!” zeide de grijsaard, de armen ten hemel heffende, »het is te laat!”»Spreek dan, in Godsnaam! gij doet mij sterven.”De grijsaard wierp hem een troosteloozen blik toe.»Don Rafaël,” zeide hij, »wees moedig, wees een man.”»Goede God! welk vreeselijk nieuws komt gij ons brengen?”»Uwe moeder is de gevangene van den Arendskop.”»Dat weet ik.”»Zoo gij van daag, ja dezen morgen nog, u zelven niet aan het Comanchenhoofd hebt uitgeleverd.…”»Dan?”»Dan zal zij levend verbrand worden!”»O!” gilde de jager; met een hartverscheurenden kreet.Zijn vriend ondersteunde hem, anders zou hij van zijn paard gevallen zijn.»Maar,” vroeg Goedsmoeds, »zegt gij, dat zij van daag verbrand moet worden, goede grijsaard?”[115]»Van daag.”»Dus hebben wij nog den tijd?”»Helaas! bij zonsopgang zou het zijn, en zie eens,” zeide hij, naar de lucht wijzende.»O,” riep Edelhart uit, op een toon, die onmogelijk is weêr te geven, »ik zal mijne moeder redden!”En zich op zijn paard voorover buigende, verdween hij in duizelende vaart.De anderen volgden hem.Plotseling keerde hij zich om, en riep tot Goedsmoeds:»Waar gaat gij heen?”»U helpen om uwe moeder te redden, of met u sterven.”»Kom dan mede!” antwoordde Edelhart, zijne sporen in de bloedende zijden van zijn paard drukkende.Er was iets vreeselijks en verschrikkelijks in de dolle vaart van die drie mannen, die, allen op dezelfde lijn, met bleek voorhoofd, gesloten lippen en bliksemende oogen, over stroomen en diepten heen, geen hinderpalen ontziende, hunne paarden altijd bleven aanvuren, zonder zich een oogenblik rust te gunnen. Bij tusschenpoozen liet Edelhart het aan de MexicaanscheGineteneigenaardig geschreeuw hooren, en de verhitte paarden verdubbelden hun spoed.»Mijn God, mijn God!” herhaalde de jager, met een doffe stem, »red! red mijne moeder!”
[Inhoud]XVIII.NO EUSÉBIO.De voorzorgen, door den Arendskop genomen om zijn gang te verbergen, mochten goed zijn voor zulke blanken, wier oogen minder geoefend zijn dan die der partijgangers en jagers, en die weinig gewend aan de listen der Indianen, zich in deze uitgestrekte wildernissen zonder gids bijna niet weten te redden, maar voor mannen als Edelhart en Goedsmoeds waren zij onvoldoende. Zij verloren bijna geen oogenblik het spoor uit het oog. Gewoon aan de wendingen en bochten der Indiaansche krijgslieden, lieten zij zich niet misleiden door de plotselinge teruggangen, de omwendingen, de valsche halten, in een woord, door al die hindernissen, waarmede de Comanchen hun weg hadden bezaaid. En bovendien was er iets, waaraan de Indianen niet gedacht hadden, en dat even zeker de richting aanwees, die zij gevolgd waren, als wanneer zij zorg gedragen hadden, om die nauwkeurig af te bakenen. Wij hebben vroeger gezegd, dat de jagers bij de puinhoopen eener hut een speurhond[111]hadden gevonden, die aan een boom was vastgemaakt en dat deze, zoodra hij vrij was, na eenige liefkoozingen aan Goedsmoeds te hebben geschonken, het op een loopen had gezet, met den neus in den wind, om zijn meester te achterhalen, die geen ander was als de oude Spanjaard; en hij bereikte hem inderdaad. De sporen van den hond, die de Indianen verzuimden uit te wisschen, om de eenvoudige reden dat zij niet wisten dat hij hen volgde, waren overal te zien, en voor zulke behendige jagers als Edelhart en Goedsmoeds was dit een draad van Ariadne, dien niets kon breken. De jagers reden dus in stilte voort, met het geweer in den zadel vastgemaakt, gevolgd door hunnerastreros(spoorzoekers, hier de speurhonden) achter de Comanchen, die geenszins vermoedden, dat zij zulk een achterhoede hadden. Iederen avond hield Edelhart halt, juist op dezelfde plek, waar de Arendskop een dag te voren zijn bivouak had opgeslagen, want de haast waarmede de beide mannen voortgingen was zóó groot, dat de Indianen hun slechts eenige mijlen vooruit waren; zij zouden hen gemakkelijk hebben ingehaald, indien zulks in het plan der jagers gelegen had. Maar om zekere redenen wilde Edelhart hen liever nog eenigen tijd op den voet volgen.Nadat zij in den nacht in een opene plaats in het bosch, aan de oevers van een frissche beek, wier zacht gemurmel hen in slaap gewiegd had, hadden doorgebracht, maakten zich de jagers gereed om verder te gaan; hunne paarden waren gezadeld, en zij aten staande een stuk elandvleesch, toen Edelhart, die den geheelen morgen den mond niet geopend had, zich tot zijn makker wendde, met de woorden:»Laten wij een oogenblik gaan zitten; niets dringt ons, om ons te haasten, daar de Arendskop bij zijn stam is aangeland.”»Dat is waar,” antwoordde Goedsmoeds, terwijl hij zich op het gras nedervlijde; »wij kunnen wel wat praten.”»Nu, heb ik het niet geraden, dat die vervloekte Comanchen een krijgsbende in de nabijheid hadden? Wij kunnen er niet aan denken, om met ons tweeën ons meester te maken van een kamp, waarin zich vijfhonderd krijgslieden bevinden.”»Gij hebt gelijk,” zeide Goedsmoeds wijsgeerig, »daar zijn er heel veel; maar, gij weet, beste vriend, en anders zegt uw hart het u, wij kunnen er altijd de proef van nemen, men weet nooit wat er gebeuren kan.”»Dank u,” zeide Edelhart glimlachend, »maar ik geloof, dat het nutteloos zal zijn.”»Nu, zooals gij wilt.”»List alleen zal ons baten.”»Verzinnen wij dan een list, ik ben tot uw orders.”»Hebben wij geen vallen hier in de nabijheid?”»Hemel, ja, geen halve mijl hier van daan, bij den grooten bevervijver.”[112]»Juist, ik weet niet meer, waarover ik sinds eenige dagen denk; ziet gij, Goedsmoeds, die gevangenschap van mijne moeder maakt mij gek, ik moet haar bevrijden, het koste wat het wil.”»Dat is ook mijn gevoelen, Edelhart, en ik zal u met al mijne kracht bijstaan.”»Morgen, bij het aanbreken van den dag moet gij eens naar den Zwarten Eland gaan, en hem uit mijn naam verzoeken, zooveel blanke jagers bijeen te verzamelen als hij maar kan.”»Zeer goed.”»In dien tusschentijd zal ik naar het kamp der Comanchen gaan, om over den losprijs mijner moeder te spreken; zoo zij haar mij niet willen uitleveren, zullen wij onze toevlucht tot de wapenen nemen, en wij zullen eens zien, of een twintigtal van de beste karabijnen het niet winnen zullen van die vijfhonderd roovers der prairiën.”»En zoo zij u gevangen nemen?”»In dat geval zal ik u mijn hond zenden, die zich in de grot bij de rivier bij u zal voegen; als gij hem alleen ziet komen, dan weet gij wat het zeggen wil, en gij kunt dan dienovereenkomstig handelen.”De Canadees schudde bedenkelijk het hoofd.»Neen,” zeide hij, »dat zal ik niet doen.”»Hoe! zult gij dat niet doen?” riep de jager verbaasd uit.»Zeker niet; neen, ik zal het niet doen, Edelhart. Bij u vergeleken, die zoo dapper en verstandig zijt, beteeken ik heel weinig, dat weet ik, maar ik heb toch een goede eigenschap, die niemand mij ontnemen zal, en dat is mijne genegenheid voor u.”»Ik weet het, mijn vriend, gij hebt mij lief als een broeder.”»En gij wilt, dat ik u, gelijk men in mijn land zegt, aan gene zijde van de groote meren, onbekommerd den neus zal laten steken in het hol van den wolf, of nog erger, want mijne vergelijking is vernederend voor de wolven, de Indianen zijn duizendmaal bloeddorstiger! Neen, ik herhaal het u, ik zal het niet doen; het zou een slechte daad zijn, en als u iets overkwam, dan zou ik het mijzelven niet vergeven.”»Verklaar u, Goedsmoeds,” zeide Edelhart ongeduldig; »op mijn eer ik kan u onmogelijk begrijpen.”»O, dat is toch gemakkelijk genoeg,” antwoordde de Canadees; »al heb ik weinig geest en al ben ik geen groot redenaar, ik heb toch gezond verstand, en ik kan goed uit mijne oogen zien, als het iemand geldt, dien ik lief heb; ik heb niemand meer lief dan u, nu mijn vader dood is.”»Spreek, mijn vriend,” antwoordde Edelhart, »en vergeef mij de ongeduldige drift, waaraan ik een oogenblik geen weerstand kon bieden.”Goedsmoeds dacht even na, en hervatte toen:»Gij weet dat de grootste vijanden, die wij in de prairie hebben, de Comanchen zijn; door een onverklaarbaar toeval hebben wij[113]altijd met hen te strijden gehad, en nooit hebben zij zich kunnen beroemen het minste voordeel op ons behaald te hebben; van daar tusschen hen en ons een onverzoenlijke haat, die in de laatste dagen nog is toegenomen door onze geschillen met den Arendskop, wien gij zoo slim of zoo dom zijt geweest slechts een arm te breken, toen het u zoo gemakkelijk viel hem den kop te verpletteren, eene aardigheid, die, ik ben er zeker van, het Comanchenhoofd u zeer kwalijk genomen heeft, en hij u nooit zal vergeven; overigens beken ik, dat ik in zijne plaats volkomen dezelfde gevoelens zou hebben aangekleefd, en dat ik daarom niet op hem gebeten ben.”»Ter zake! ter zake!” viel Edelhart in.»De zaak is deze,” hernam Goedsmoeds zonder zich over het ongeduld van zijn vriend te verwonderen: »de Arendskop zoekt op alle mogelijke wijze uw hoofdhaar meester te worden; nu begrijpt gij, dat, zoo gij onvoorzichtig genoeg zijt om u aan hem over te geven, hij de gelegenheid zal te baat nemen om voor eens en voor altijd met u af te rekenen.”»Maar,” antwoordde Edelhart, »mijne moeder is in zijne handen.”»Ja,” zeide Goedsmoeds, »maar dat weet hij niet; gij weet, mijn vriend, dat de Indianen, enkele gevallen uitgezonderd, de vrouwen, die zij machtig worden, uitstekend behandelen, en dat zij haar gewoonlijk de grootste beleefdheden bewijzen.”»Dat is waar,” zeide de jager.»Nu dan, daar wel niemand aan den Arendskop zal zeggen dat zijne gevangene uwe moeder is, zoo is zij, als men de ongerustheid, waarin zij omtrent u verkeert, niet mederekent, onder de Roodhuiden even goed bezorgd, alsof zij zich op het groote plein van Quebec bevond. Het is dus onnoodig om eene roekeloosheid te begaan; laten wij een twintigtal goede makkers bijeenroepen, en daarmede de Indianen bewaken; bij de eerste gelegenheid, die zich zal aanbieden, zullen wij hen dapper op het lijf vallen, wij dooden er zooveel mogelijk, en bevrijden uwe moeder; ziedaar, geloof ik, de wijste partij, die wij kiezen kunnen; wat denkt gij er van?”»Ik denk, mijn vriend,” antwoordde Edelhart, hem de hand drukkende, »dat gij het beste schepsel zijt van de wereld, dat uw raad goed is, en dat ik hem zal opvolgen.”»Bravo!” riep Goedsmoeds verheugd; »dat noem ik taal.”»En nu …” zeide Edelhart opstaande.»Nu?” vroeg Goedsmoeds.»Bestijgen wij onze paarden, rijden om het indiaansche kamp heen, laten ons niet van het spoor brengen, en gaan naar dehattovan onzen braven vriend den Zwarten Eland, die een wijs man is, en ons zeker van dienst zal zijn in de uitvoering van ons plan.”»Zooals gezegd is!” zeide Goedsmoeds vroolijk, terwijl hij in den zadel sprong.De jagers verlieten de opene plaats en maakten een omweg, om[114]het indiaansche kamp te vermijden, waarvan men den rook op hoogstens twee mijlen afstand gewaar werd; zij richtten zich toen naar de plaats, waar, naar alle waarschijnlijkheid, de Zwarte Eland zich onledig hield met zoo behendig mogelijk zijne strikken te spannen voor de bevers, die merkwaardige dieren, waarvandoñaLuz zooveel hield. Zoo reden zij te naastenbij een uur lang, al lachend en pratend voort, want de redeneeringen van Goedsmoeds hadden eindelijk Edelhart overtuigd, die, de Indiaansche zeden grondig kennende, voor zijne moeder geen gevaar vreesde, toen de honden eensklaps teekenen van onrust gaven, en luid blaffend wegvlogen.»Wat scheelt er toch aan onzerastreros?” zeide Edelhart; »men zou denken, dat zij een vriend geroken hebben.”»Hemel! zij hebben den Zwarten Eland uitgevonden, wij zullen ze stellig in elkanders gezelschap vinden.”»’t Is mogelijk,” zeide de jager nadenkend, en zij reden voort.Na eenige oogenblikken bemerkten zij een ruiter, die zoo snel hij kon op hen afkwam, omringd van de honden, die hem luid blaffend nasprongen.»Het is de Zwarte Eland niet!” riep Goedsmoeds.»Neen!” zeide Edelhart, »het is Nô Eusébio. Wat beteekent dat? hij is alleen; zou er met mijne moeder iets gebeurd zijn?”»Laten wij ons reppen!” zeide Goedsmoeds, zijn paard de sporen gevende. De jager volgde hem, ten prooi aan een doodelijken angst.De drie ruiters waren weldra bijeen.»Helaas! helaas!” riep de grijsaard met eene treurige stem.»Wat is er gebeurd, Nô Eusébio? spreek, in Godsnaam, spreek!” zeide Edelhart.»Uw moeder! don Rafaël, uwe moeder!”»Nu, spreek!… spreek dan toch!” riep de jager angstig.»O, mijn God!” zeide de grijsaard, de armen ten hemel heffende, »het is te laat!”»Spreek dan, in Godsnaam! gij doet mij sterven.”De grijsaard wierp hem een troosteloozen blik toe.»Don Rafaël,” zeide hij, »wees moedig, wees een man.”»Goede God! welk vreeselijk nieuws komt gij ons brengen?”»Uwe moeder is de gevangene van den Arendskop.”»Dat weet ik.”»Zoo gij van daag, ja dezen morgen nog, u zelven niet aan het Comanchenhoofd hebt uitgeleverd.…”»Dan?”»Dan zal zij levend verbrand worden!”»O!” gilde de jager; met een hartverscheurenden kreet.Zijn vriend ondersteunde hem, anders zou hij van zijn paard gevallen zijn.»Maar,” vroeg Goedsmoeds, »zegt gij, dat zij van daag verbrand moet worden, goede grijsaard?”[115]»Van daag.”»Dus hebben wij nog den tijd?”»Helaas! bij zonsopgang zou het zijn, en zie eens,” zeide hij, naar de lucht wijzende.»O,” riep Edelhart uit, op een toon, die onmogelijk is weêr te geven, »ik zal mijne moeder redden!”En zich op zijn paard voorover buigende, verdween hij in duizelende vaart.De anderen volgden hem.Plotseling keerde hij zich om, en riep tot Goedsmoeds:»Waar gaat gij heen?”»U helpen om uwe moeder te redden, of met u sterven.”»Kom dan mede!” antwoordde Edelhart, zijne sporen in de bloedende zijden van zijn paard drukkende.Er was iets vreeselijks en verschrikkelijks in de dolle vaart van die drie mannen, die, allen op dezelfde lijn, met bleek voorhoofd, gesloten lippen en bliksemende oogen, over stroomen en diepten heen, geen hinderpalen ontziende, hunne paarden altijd bleven aanvuren, zonder zich een oogenblik rust te gunnen. Bij tusschenpoozen liet Edelhart het aan de MexicaanscheGineteneigenaardig geschreeuw hooren, en de verhitte paarden verdubbelden hun spoed.»Mijn God, mijn God!” herhaalde de jager, met een doffe stem, »red! red mijne moeder!”
XVIII.NO EUSÉBIO.
De voorzorgen, door den Arendskop genomen om zijn gang te verbergen, mochten goed zijn voor zulke blanken, wier oogen minder geoefend zijn dan die der partijgangers en jagers, en die weinig gewend aan de listen der Indianen, zich in deze uitgestrekte wildernissen zonder gids bijna niet weten te redden, maar voor mannen als Edelhart en Goedsmoeds waren zij onvoldoende. Zij verloren bijna geen oogenblik het spoor uit het oog. Gewoon aan de wendingen en bochten der Indiaansche krijgslieden, lieten zij zich niet misleiden door de plotselinge teruggangen, de omwendingen, de valsche halten, in een woord, door al die hindernissen, waarmede de Comanchen hun weg hadden bezaaid. En bovendien was er iets, waaraan de Indianen niet gedacht hadden, en dat even zeker de richting aanwees, die zij gevolgd waren, als wanneer zij zorg gedragen hadden, om die nauwkeurig af te bakenen. Wij hebben vroeger gezegd, dat de jagers bij de puinhoopen eener hut een speurhond[111]hadden gevonden, die aan een boom was vastgemaakt en dat deze, zoodra hij vrij was, na eenige liefkoozingen aan Goedsmoeds te hebben geschonken, het op een loopen had gezet, met den neus in den wind, om zijn meester te achterhalen, die geen ander was als de oude Spanjaard; en hij bereikte hem inderdaad. De sporen van den hond, die de Indianen verzuimden uit te wisschen, om de eenvoudige reden dat zij niet wisten dat hij hen volgde, waren overal te zien, en voor zulke behendige jagers als Edelhart en Goedsmoeds was dit een draad van Ariadne, dien niets kon breken. De jagers reden dus in stilte voort, met het geweer in den zadel vastgemaakt, gevolgd door hunnerastreros(spoorzoekers, hier de speurhonden) achter de Comanchen, die geenszins vermoedden, dat zij zulk een achterhoede hadden. Iederen avond hield Edelhart halt, juist op dezelfde plek, waar de Arendskop een dag te voren zijn bivouak had opgeslagen, want de haast waarmede de beide mannen voortgingen was zóó groot, dat de Indianen hun slechts eenige mijlen vooruit waren; zij zouden hen gemakkelijk hebben ingehaald, indien zulks in het plan der jagers gelegen had. Maar om zekere redenen wilde Edelhart hen liever nog eenigen tijd op den voet volgen.Nadat zij in den nacht in een opene plaats in het bosch, aan de oevers van een frissche beek, wier zacht gemurmel hen in slaap gewiegd had, hadden doorgebracht, maakten zich de jagers gereed om verder te gaan; hunne paarden waren gezadeld, en zij aten staande een stuk elandvleesch, toen Edelhart, die den geheelen morgen den mond niet geopend had, zich tot zijn makker wendde, met de woorden:»Laten wij een oogenblik gaan zitten; niets dringt ons, om ons te haasten, daar de Arendskop bij zijn stam is aangeland.”»Dat is waar,” antwoordde Goedsmoeds, terwijl hij zich op het gras nedervlijde; »wij kunnen wel wat praten.”»Nu, heb ik het niet geraden, dat die vervloekte Comanchen een krijgsbende in de nabijheid hadden? Wij kunnen er niet aan denken, om met ons tweeën ons meester te maken van een kamp, waarin zich vijfhonderd krijgslieden bevinden.”»Gij hebt gelijk,” zeide Goedsmoeds wijsgeerig, »daar zijn er heel veel; maar, gij weet, beste vriend, en anders zegt uw hart het u, wij kunnen er altijd de proef van nemen, men weet nooit wat er gebeuren kan.”»Dank u,” zeide Edelhart glimlachend, »maar ik geloof, dat het nutteloos zal zijn.”»Nu, zooals gij wilt.”»List alleen zal ons baten.”»Verzinnen wij dan een list, ik ben tot uw orders.”»Hebben wij geen vallen hier in de nabijheid?”»Hemel, ja, geen halve mijl hier van daan, bij den grooten bevervijver.”[112]»Juist, ik weet niet meer, waarover ik sinds eenige dagen denk; ziet gij, Goedsmoeds, die gevangenschap van mijne moeder maakt mij gek, ik moet haar bevrijden, het koste wat het wil.”»Dat is ook mijn gevoelen, Edelhart, en ik zal u met al mijne kracht bijstaan.”»Morgen, bij het aanbreken van den dag moet gij eens naar den Zwarten Eland gaan, en hem uit mijn naam verzoeken, zooveel blanke jagers bijeen te verzamelen als hij maar kan.”»Zeer goed.”»In dien tusschentijd zal ik naar het kamp der Comanchen gaan, om over den losprijs mijner moeder te spreken; zoo zij haar mij niet willen uitleveren, zullen wij onze toevlucht tot de wapenen nemen, en wij zullen eens zien, of een twintigtal van de beste karabijnen het niet winnen zullen van die vijfhonderd roovers der prairiën.”»En zoo zij u gevangen nemen?”»In dat geval zal ik u mijn hond zenden, die zich in de grot bij de rivier bij u zal voegen; als gij hem alleen ziet komen, dan weet gij wat het zeggen wil, en gij kunt dan dienovereenkomstig handelen.”De Canadees schudde bedenkelijk het hoofd.»Neen,” zeide hij, »dat zal ik niet doen.”»Hoe! zult gij dat niet doen?” riep de jager verbaasd uit.»Zeker niet; neen, ik zal het niet doen, Edelhart. Bij u vergeleken, die zoo dapper en verstandig zijt, beteeken ik heel weinig, dat weet ik, maar ik heb toch een goede eigenschap, die niemand mij ontnemen zal, en dat is mijne genegenheid voor u.”»Ik weet het, mijn vriend, gij hebt mij lief als een broeder.”»En gij wilt, dat ik u, gelijk men in mijn land zegt, aan gene zijde van de groote meren, onbekommerd den neus zal laten steken in het hol van den wolf, of nog erger, want mijne vergelijking is vernederend voor de wolven, de Indianen zijn duizendmaal bloeddorstiger! Neen, ik herhaal het u, ik zal het niet doen; het zou een slechte daad zijn, en als u iets overkwam, dan zou ik het mijzelven niet vergeven.”»Verklaar u, Goedsmoeds,” zeide Edelhart ongeduldig; »op mijn eer ik kan u onmogelijk begrijpen.”»O, dat is toch gemakkelijk genoeg,” antwoordde de Canadees; »al heb ik weinig geest en al ben ik geen groot redenaar, ik heb toch gezond verstand, en ik kan goed uit mijne oogen zien, als het iemand geldt, dien ik lief heb; ik heb niemand meer lief dan u, nu mijn vader dood is.”»Spreek, mijn vriend,” antwoordde Edelhart, »en vergeef mij de ongeduldige drift, waaraan ik een oogenblik geen weerstand kon bieden.”Goedsmoeds dacht even na, en hervatte toen:»Gij weet dat de grootste vijanden, die wij in de prairie hebben, de Comanchen zijn; door een onverklaarbaar toeval hebben wij[113]altijd met hen te strijden gehad, en nooit hebben zij zich kunnen beroemen het minste voordeel op ons behaald te hebben; van daar tusschen hen en ons een onverzoenlijke haat, die in de laatste dagen nog is toegenomen door onze geschillen met den Arendskop, wien gij zoo slim of zoo dom zijt geweest slechts een arm te breken, toen het u zoo gemakkelijk viel hem den kop te verpletteren, eene aardigheid, die, ik ben er zeker van, het Comanchenhoofd u zeer kwalijk genomen heeft, en hij u nooit zal vergeven; overigens beken ik, dat ik in zijne plaats volkomen dezelfde gevoelens zou hebben aangekleefd, en dat ik daarom niet op hem gebeten ben.”»Ter zake! ter zake!” viel Edelhart in.»De zaak is deze,” hernam Goedsmoeds zonder zich over het ongeduld van zijn vriend te verwonderen: »de Arendskop zoekt op alle mogelijke wijze uw hoofdhaar meester te worden; nu begrijpt gij, dat, zoo gij onvoorzichtig genoeg zijt om u aan hem over te geven, hij de gelegenheid zal te baat nemen om voor eens en voor altijd met u af te rekenen.”»Maar,” antwoordde Edelhart, »mijne moeder is in zijne handen.”»Ja,” zeide Goedsmoeds, »maar dat weet hij niet; gij weet, mijn vriend, dat de Indianen, enkele gevallen uitgezonderd, de vrouwen, die zij machtig worden, uitstekend behandelen, en dat zij haar gewoonlijk de grootste beleefdheden bewijzen.”»Dat is waar,” zeide de jager.»Nu dan, daar wel niemand aan den Arendskop zal zeggen dat zijne gevangene uwe moeder is, zoo is zij, als men de ongerustheid, waarin zij omtrent u verkeert, niet mederekent, onder de Roodhuiden even goed bezorgd, alsof zij zich op het groote plein van Quebec bevond. Het is dus onnoodig om eene roekeloosheid te begaan; laten wij een twintigtal goede makkers bijeenroepen, en daarmede de Indianen bewaken; bij de eerste gelegenheid, die zich zal aanbieden, zullen wij hen dapper op het lijf vallen, wij dooden er zooveel mogelijk, en bevrijden uwe moeder; ziedaar, geloof ik, de wijste partij, die wij kiezen kunnen; wat denkt gij er van?”»Ik denk, mijn vriend,” antwoordde Edelhart, hem de hand drukkende, »dat gij het beste schepsel zijt van de wereld, dat uw raad goed is, en dat ik hem zal opvolgen.”»Bravo!” riep Goedsmoeds verheugd; »dat noem ik taal.”»En nu …” zeide Edelhart opstaande.»Nu?” vroeg Goedsmoeds.»Bestijgen wij onze paarden, rijden om het indiaansche kamp heen, laten ons niet van het spoor brengen, en gaan naar dehattovan onzen braven vriend den Zwarten Eland, die een wijs man is, en ons zeker van dienst zal zijn in de uitvoering van ons plan.”»Zooals gezegd is!” zeide Goedsmoeds vroolijk, terwijl hij in den zadel sprong.De jagers verlieten de opene plaats en maakten een omweg, om[114]het indiaansche kamp te vermijden, waarvan men den rook op hoogstens twee mijlen afstand gewaar werd; zij richtten zich toen naar de plaats, waar, naar alle waarschijnlijkheid, de Zwarte Eland zich onledig hield met zoo behendig mogelijk zijne strikken te spannen voor de bevers, die merkwaardige dieren, waarvandoñaLuz zooveel hield. Zoo reden zij te naastenbij een uur lang, al lachend en pratend voort, want de redeneeringen van Goedsmoeds hadden eindelijk Edelhart overtuigd, die, de Indiaansche zeden grondig kennende, voor zijne moeder geen gevaar vreesde, toen de honden eensklaps teekenen van onrust gaven, en luid blaffend wegvlogen.»Wat scheelt er toch aan onzerastreros?” zeide Edelhart; »men zou denken, dat zij een vriend geroken hebben.”»Hemel! zij hebben den Zwarten Eland uitgevonden, wij zullen ze stellig in elkanders gezelschap vinden.”»’t Is mogelijk,” zeide de jager nadenkend, en zij reden voort.Na eenige oogenblikken bemerkten zij een ruiter, die zoo snel hij kon op hen afkwam, omringd van de honden, die hem luid blaffend nasprongen.»Het is de Zwarte Eland niet!” riep Goedsmoeds.»Neen!” zeide Edelhart, »het is Nô Eusébio. Wat beteekent dat? hij is alleen; zou er met mijne moeder iets gebeurd zijn?”»Laten wij ons reppen!” zeide Goedsmoeds, zijn paard de sporen gevende. De jager volgde hem, ten prooi aan een doodelijken angst.De drie ruiters waren weldra bijeen.»Helaas! helaas!” riep de grijsaard met eene treurige stem.»Wat is er gebeurd, Nô Eusébio? spreek, in Godsnaam, spreek!” zeide Edelhart.»Uw moeder! don Rafaël, uwe moeder!”»Nu, spreek!… spreek dan toch!” riep de jager angstig.»O, mijn God!” zeide de grijsaard, de armen ten hemel heffende, »het is te laat!”»Spreek dan, in Godsnaam! gij doet mij sterven.”De grijsaard wierp hem een troosteloozen blik toe.»Don Rafaël,” zeide hij, »wees moedig, wees een man.”»Goede God! welk vreeselijk nieuws komt gij ons brengen?”»Uwe moeder is de gevangene van den Arendskop.”»Dat weet ik.”»Zoo gij van daag, ja dezen morgen nog, u zelven niet aan het Comanchenhoofd hebt uitgeleverd.…”»Dan?”»Dan zal zij levend verbrand worden!”»O!” gilde de jager; met een hartverscheurenden kreet.Zijn vriend ondersteunde hem, anders zou hij van zijn paard gevallen zijn.»Maar,” vroeg Goedsmoeds, »zegt gij, dat zij van daag verbrand moet worden, goede grijsaard?”[115]»Van daag.”»Dus hebben wij nog den tijd?”»Helaas! bij zonsopgang zou het zijn, en zie eens,” zeide hij, naar de lucht wijzende.»O,” riep Edelhart uit, op een toon, die onmogelijk is weêr te geven, »ik zal mijne moeder redden!”En zich op zijn paard voorover buigende, verdween hij in duizelende vaart.De anderen volgden hem.Plotseling keerde hij zich om, en riep tot Goedsmoeds:»Waar gaat gij heen?”»U helpen om uwe moeder te redden, of met u sterven.”»Kom dan mede!” antwoordde Edelhart, zijne sporen in de bloedende zijden van zijn paard drukkende.Er was iets vreeselijks en verschrikkelijks in de dolle vaart van die drie mannen, die, allen op dezelfde lijn, met bleek voorhoofd, gesloten lippen en bliksemende oogen, over stroomen en diepten heen, geen hinderpalen ontziende, hunne paarden altijd bleven aanvuren, zonder zich een oogenblik rust te gunnen. Bij tusschenpoozen liet Edelhart het aan de MexicaanscheGineteneigenaardig geschreeuw hooren, en de verhitte paarden verdubbelden hun spoed.»Mijn God, mijn God!” herhaalde de jager, met een doffe stem, »red! red mijne moeder!”
De voorzorgen, door den Arendskop genomen om zijn gang te verbergen, mochten goed zijn voor zulke blanken, wier oogen minder geoefend zijn dan die der partijgangers en jagers, en die weinig gewend aan de listen der Indianen, zich in deze uitgestrekte wildernissen zonder gids bijna niet weten te redden, maar voor mannen als Edelhart en Goedsmoeds waren zij onvoldoende. Zij verloren bijna geen oogenblik het spoor uit het oog. Gewoon aan de wendingen en bochten der Indiaansche krijgslieden, lieten zij zich niet misleiden door de plotselinge teruggangen, de omwendingen, de valsche halten, in een woord, door al die hindernissen, waarmede de Comanchen hun weg hadden bezaaid. En bovendien was er iets, waaraan de Indianen niet gedacht hadden, en dat even zeker de richting aanwees, die zij gevolgd waren, als wanneer zij zorg gedragen hadden, om die nauwkeurig af te bakenen. Wij hebben vroeger gezegd, dat de jagers bij de puinhoopen eener hut een speurhond[111]hadden gevonden, die aan een boom was vastgemaakt en dat deze, zoodra hij vrij was, na eenige liefkoozingen aan Goedsmoeds te hebben geschonken, het op een loopen had gezet, met den neus in den wind, om zijn meester te achterhalen, die geen ander was als de oude Spanjaard; en hij bereikte hem inderdaad. De sporen van den hond, die de Indianen verzuimden uit te wisschen, om de eenvoudige reden dat zij niet wisten dat hij hen volgde, waren overal te zien, en voor zulke behendige jagers als Edelhart en Goedsmoeds was dit een draad van Ariadne, dien niets kon breken. De jagers reden dus in stilte voort, met het geweer in den zadel vastgemaakt, gevolgd door hunnerastreros(spoorzoekers, hier de speurhonden) achter de Comanchen, die geenszins vermoedden, dat zij zulk een achterhoede hadden. Iederen avond hield Edelhart halt, juist op dezelfde plek, waar de Arendskop een dag te voren zijn bivouak had opgeslagen, want de haast waarmede de beide mannen voortgingen was zóó groot, dat de Indianen hun slechts eenige mijlen vooruit waren; zij zouden hen gemakkelijk hebben ingehaald, indien zulks in het plan der jagers gelegen had. Maar om zekere redenen wilde Edelhart hen liever nog eenigen tijd op den voet volgen.
Nadat zij in den nacht in een opene plaats in het bosch, aan de oevers van een frissche beek, wier zacht gemurmel hen in slaap gewiegd had, hadden doorgebracht, maakten zich de jagers gereed om verder te gaan; hunne paarden waren gezadeld, en zij aten staande een stuk elandvleesch, toen Edelhart, die den geheelen morgen den mond niet geopend had, zich tot zijn makker wendde, met de woorden:
»Laten wij een oogenblik gaan zitten; niets dringt ons, om ons te haasten, daar de Arendskop bij zijn stam is aangeland.”
»Dat is waar,” antwoordde Goedsmoeds, terwijl hij zich op het gras nedervlijde; »wij kunnen wel wat praten.”
»Nu, heb ik het niet geraden, dat die vervloekte Comanchen een krijgsbende in de nabijheid hadden? Wij kunnen er niet aan denken, om met ons tweeën ons meester te maken van een kamp, waarin zich vijfhonderd krijgslieden bevinden.”
»Gij hebt gelijk,” zeide Goedsmoeds wijsgeerig, »daar zijn er heel veel; maar, gij weet, beste vriend, en anders zegt uw hart het u, wij kunnen er altijd de proef van nemen, men weet nooit wat er gebeuren kan.”
»Dank u,” zeide Edelhart glimlachend, »maar ik geloof, dat het nutteloos zal zijn.”
»Nu, zooals gij wilt.”
»List alleen zal ons baten.”
»Verzinnen wij dan een list, ik ben tot uw orders.”
»Hebben wij geen vallen hier in de nabijheid?”
»Hemel, ja, geen halve mijl hier van daan, bij den grooten bevervijver.”[112]
»Juist, ik weet niet meer, waarover ik sinds eenige dagen denk; ziet gij, Goedsmoeds, die gevangenschap van mijne moeder maakt mij gek, ik moet haar bevrijden, het koste wat het wil.”
»Dat is ook mijn gevoelen, Edelhart, en ik zal u met al mijne kracht bijstaan.”
»Morgen, bij het aanbreken van den dag moet gij eens naar den Zwarten Eland gaan, en hem uit mijn naam verzoeken, zooveel blanke jagers bijeen te verzamelen als hij maar kan.”
»Zeer goed.”
»In dien tusschentijd zal ik naar het kamp der Comanchen gaan, om over den losprijs mijner moeder te spreken; zoo zij haar mij niet willen uitleveren, zullen wij onze toevlucht tot de wapenen nemen, en wij zullen eens zien, of een twintigtal van de beste karabijnen het niet winnen zullen van die vijfhonderd roovers der prairiën.”
»En zoo zij u gevangen nemen?”
»In dat geval zal ik u mijn hond zenden, die zich in de grot bij de rivier bij u zal voegen; als gij hem alleen ziet komen, dan weet gij wat het zeggen wil, en gij kunt dan dienovereenkomstig handelen.”
De Canadees schudde bedenkelijk het hoofd.
»Neen,” zeide hij, »dat zal ik niet doen.”
»Hoe! zult gij dat niet doen?” riep de jager verbaasd uit.
»Zeker niet; neen, ik zal het niet doen, Edelhart. Bij u vergeleken, die zoo dapper en verstandig zijt, beteeken ik heel weinig, dat weet ik, maar ik heb toch een goede eigenschap, die niemand mij ontnemen zal, en dat is mijne genegenheid voor u.”
»Ik weet het, mijn vriend, gij hebt mij lief als een broeder.”
»En gij wilt, dat ik u, gelijk men in mijn land zegt, aan gene zijde van de groote meren, onbekommerd den neus zal laten steken in het hol van den wolf, of nog erger, want mijne vergelijking is vernederend voor de wolven, de Indianen zijn duizendmaal bloeddorstiger! Neen, ik herhaal het u, ik zal het niet doen; het zou een slechte daad zijn, en als u iets overkwam, dan zou ik het mijzelven niet vergeven.”
»Verklaar u, Goedsmoeds,” zeide Edelhart ongeduldig; »op mijn eer ik kan u onmogelijk begrijpen.”
»O, dat is toch gemakkelijk genoeg,” antwoordde de Canadees; »al heb ik weinig geest en al ben ik geen groot redenaar, ik heb toch gezond verstand, en ik kan goed uit mijne oogen zien, als het iemand geldt, dien ik lief heb; ik heb niemand meer lief dan u, nu mijn vader dood is.”
»Spreek, mijn vriend,” antwoordde Edelhart, »en vergeef mij de ongeduldige drift, waaraan ik een oogenblik geen weerstand kon bieden.”
Goedsmoeds dacht even na, en hervatte toen:
»Gij weet dat de grootste vijanden, die wij in de prairie hebben, de Comanchen zijn; door een onverklaarbaar toeval hebben wij[113]altijd met hen te strijden gehad, en nooit hebben zij zich kunnen beroemen het minste voordeel op ons behaald te hebben; van daar tusschen hen en ons een onverzoenlijke haat, die in de laatste dagen nog is toegenomen door onze geschillen met den Arendskop, wien gij zoo slim of zoo dom zijt geweest slechts een arm te breken, toen het u zoo gemakkelijk viel hem den kop te verpletteren, eene aardigheid, die, ik ben er zeker van, het Comanchenhoofd u zeer kwalijk genomen heeft, en hij u nooit zal vergeven; overigens beken ik, dat ik in zijne plaats volkomen dezelfde gevoelens zou hebben aangekleefd, en dat ik daarom niet op hem gebeten ben.”
»Ter zake! ter zake!” viel Edelhart in.
»De zaak is deze,” hernam Goedsmoeds zonder zich over het ongeduld van zijn vriend te verwonderen: »de Arendskop zoekt op alle mogelijke wijze uw hoofdhaar meester te worden; nu begrijpt gij, dat, zoo gij onvoorzichtig genoeg zijt om u aan hem over te geven, hij de gelegenheid zal te baat nemen om voor eens en voor altijd met u af te rekenen.”
»Maar,” antwoordde Edelhart, »mijne moeder is in zijne handen.”
»Ja,” zeide Goedsmoeds, »maar dat weet hij niet; gij weet, mijn vriend, dat de Indianen, enkele gevallen uitgezonderd, de vrouwen, die zij machtig worden, uitstekend behandelen, en dat zij haar gewoonlijk de grootste beleefdheden bewijzen.”
»Dat is waar,” zeide de jager.
»Nu dan, daar wel niemand aan den Arendskop zal zeggen dat zijne gevangene uwe moeder is, zoo is zij, als men de ongerustheid, waarin zij omtrent u verkeert, niet mederekent, onder de Roodhuiden even goed bezorgd, alsof zij zich op het groote plein van Quebec bevond. Het is dus onnoodig om eene roekeloosheid te begaan; laten wij een twintigtal goede makkers bijeenroepen, en daarmede de Indianen bewaken; bij de eerste gelegenheid, die zich zal aanbieden, zullen wij hen dapper op het lijf vallen, wij dooden er zooveel mogelijk, en bevrijden uwe moeder; ziedaar, geloof ik, de wijste partij, die wij kiezen kunnen; wat denkt gij er van?”
»Ik denk, mijn vriend,” antwoordde Edelhart, hem de hand drukkende, »dat gij het beste schepsel zijt van de wereld, dat uw raad goed is, en dat ik hem zal opvolgen.”
»Bravo!” riep Goedsmoeds verheugd; »dat noem ik taal.”
»En nu …” zeide Edelhart opstaande.
»Nu?” vroeg Goedsmoeds.
»Bestijgen wij onze paarden, rijden om het indiaansche kamp heen, laten ons niet van het spoor brengen, en gaan naar dehattovan onzen braven vriend den Zwarten Eland, die een wijs man is, en ons zeker van dienst zal zijn in de uitvoering van ons plan.”
»Zooals gezegd is!” zeide Goedsmoeds vroolijk, terwijl hij in den zadel sprong.
De jagers verlieten de opene plaats en maakten een omweg, om[114]het indiaansche kamp te vermijden, waarvan men den rook op hoogstens twee mijlen afstand gewaar werd; zij richtten zich toen naar de plaats, waar, naar alle waarschijnlijkheid, de Zwarte Eland zich onledig hield met zoo behendig mogelijk zijne strikken te spannen voor de bevers, die merkwaardige dieren, waarvandoñaLuz zooveel hield. Zoo reden zij te naastenbij een uur lang, al lachend en pratend voort, want de redeneeringen van Goedsmoeds hadden eindelijk Edelhart overtuigd, die, de Indiaansche zeden grondig kennende, voor zijne moeder geen gevaar vreesde, toen de honden eensklaps teekenen van onrust gaven, en luid blaffend wegvlogen.
»Wat scheelt er toch aan onzerastreros?” zeide Edelhart; »men zou denken, dat zij een vriend geroken hebben.”
»Hemel! zij hebben den Zwarten Eland uitgevonden, wij zullen ze stellig in elkanders gezelschap vinden.”
»’t Is mogelijk,” zeide de jager nadenkend, en zij reden voort.
Na eenige oogenblikken bemerkten zij een ruiter, die zoo snel hij kon op hen afkwam, omringd van de honden, die hem luid blaffend nasprongen.
»Het is de Zwarte Eland niet!” riep Goedsmoeds.
»Neen!” zeide Edelhart, »het is Nô Eusébio. Wat beteekent dat? hij is alleen; zou er met mijne moeder iets gebeurd zijn?”
»Laten wij ons reppen!” zeide Goedsmoeds, zijn paard de sporen gevende. De jager volgde hem, ten prooi aan een doodelijken angst.
De drie ruiters waren weldra bijeen.
»Helaas! helaas!” riep de grijsaard met eene treurige stem.
»Wat is er gebeurd, Nô Eusébio? spreek, in Godsnaam, spreek!” zeide Edelhart.
»Uw moeder! don Rafaël, uwe moeder!”
»Nu, spreek!… spreek dan toch!” riep de jager angstig.
»O, mijn God!” zeide de grijsaard, de armen ten hemel heffende, »het is te laat!”
»Spreek dan, in Godsnaam! gij doet mij sterven.”
De grijsaard wierp hem een troosteloozen blik toe.
»Don Rafaël,” zeide hij, »wees moedig, wees een man.”
»Goede God! welk vreeselijk nieuws komt gij ons brengen?”
»Uwe moeder is de gevangene van den Arendskop.”
»Dat weet ik.”
»Zoo gij van daag, ja dezen morgen nog, u zelven niet aan het Comanchenhoofd hebt uitgeleverd.…”
»Dan?”
»Dan zal zij levend verbrand worden!”
»O!” gilde de jager; met een hartverscheurenden kreet.
Zijn vriend ondersteunde hem, anders zou hij van zijn paard gevallen zijn.
»Maar,” vroeg Goedsmoeds, »zegt gij, dat zij van daag verbrand moet worden, goede grijsaard?”[115]
»Van daag.”
»Dus hebben wij nog den tijd?”
»Helaas! bij zonsopgang zou het zijn, en zie eens,” zeide hij, naar de lucht wijzende.
»O,” riep Edelhart uit, op een toon, die onmogelijk is weêr te geven, »ik zal mijne moeder redden!”
En zich op zijn paard voorover buigende, verdween hij in duizelende vaart.
De anderen volgden hem.
Plotseling keerde hij zich om, en riep tot Goedsmoeds:
»Waar gaat gij heen?”
»U helpen om uwe moeder te redden, of met u sterven.”
»Kom dan mede!” antwoordde Edelhart, zijne sporen in de bloedende zijden van zijn paard drukkende.
Er was iets vreeselijks en verschrikkelijks in de dolle vaart van die drie mannen, die, allen op dezelfde lijn, met bleek voorhoofd, gesloten lippen en bliksemende oogen, over stroomen en diepten heen, geen hinderpalen ontziende, hunne paarden altijd bleven aanvuren, zonder zich een oogenblik rust te gunnen. Bij tusschenpoozen liet Edelhart het aan de MexicaanscheGineteneigenaardig geschreeuw hooren, en de verhitte paarden verdubbelden hun spoed.
»Mijn God, mijn God!” herhaalde de jager, met een doffe stem, »red! red mijne moeder!”