[Inhoud]X.TWEESTRIJD.DoñaLuz en Edelhart stonden in een zonderlinge verhouding tegenover elkander. Beide jong, beide schoon, beminden zij elkander zonder het zich zelven te willen bekennen, zonder er zich bijna van bewust te zijn. Beide, hoewel hun vorig leven hemelsbreed van elkander[171]verschilde, bezaten een gelijke frischheid van gevoelens, een gelijke onschuld des harten.De kindsheid van het meisje was eentonig en stil voorbij gegaan onder overdreven godsdienstige oefeningen, in dat land, waar het christendom veeleer eene soort van fetischdienst is, dan wel dat zuivere, edele, eenvoudige geloof van onze gewesten. Nooit had zij haar hart hooger voelen kloppen. Zij was onbekend met de liefde, onbekend met de smart. Zij leefde als de vogelen des hemels, den dag van gisteren vergetende, aan den dag van morgen niet denkende. Maar de reis, die zij ondernomen had, had een geheele verandering in haar bestaan teweeg gebracht. Het gezicht van den onmetelijken horizon, die zich voor haar in de prairie uitstrekte, van de prachtige rivieren, die zij overtrok, van de hooge bergen, waar zij vaak langs moest, en wier toppen den hemel schenen aan te raken, had den kring van hare denkbeelden grooter gemaakt, een blinddoek was haar als het ware van de oogen gevallen, zij had begrepen dat God haar voor iets anders geschapen had, als om in een klooster haar leven voort te slepen.De verschijning van Edelhart, in de buitengewone omstandigheden, waarin hij zich aan haar voorstelde, had haren voor elken indruk vatbaren geest verleid. In zijne tegenwoordigheid voelde zij zich haars ondanks bewogen. Onbewust had haar hart het hart ontmoet, dat het zocht. Teeder en zwak als zij was, had zij behoefte aan dien krachtigen man, met dien doordringenden blik, met dien leeuwenmoed, met dien ijzeren wil, om haar staande te houden in het leven, en om haar onder zijne machtige bescherming te nemen.Ook had zij zich van het eerste oogenblik af aan met onbeschrijfelijk zoet gevoel langs de helling, die haar naar Edelhart voerde, laten afglijden, en de liefde had zich in hare ziel gevestigd, eer zij het wist, en eer zij op tegenstand bedacht was. De laatste gebeurtenissen hadden met vernieuwde kracht dien hartstocht, die op den bodem haars harten sluimerde, opgewekt. Nu, terwijl zij bij hem was, terwijl zij ieder oogenblik uit den mond zijner moeder en van zijne vrienden zijn lof hoorde verkondigen, was zij er toe gekomen om hare liefde te beschouwen als een deel uitmakende van haar bestaan; zij begreep niet, hoe zij zóólang had kunnen leven, zonder dien man te beminnen, dien zij van hare geboorte af scheen gekend te hebben.Zij leefde slechts voor hem en door hem, gelukkig als zij een blik of een glimlach van hem kon opvangen, vroolijk als zij hem zag, treurig als hij lang wegbleef.Edelhart was langs een gansch anderen weg tot hetzelfde einddoel gekomen. Opgevoed in de prairiën, om zoo te zeggen, van aangezicht tot aangezicht tegenover God, dien hij zich gewend had te vereeren in de grootsche werken, die hij altijd voor oogen had, hadden de verhevene natuurtafereelen, de gedurige worstelingen met de Indianen[172]of met de wilde dieren, zijnen geest zoowel als zijn lichaam buitengemeen ontwikkeld. Evenals hij door zijne spierkracht en zijne behendigheid in het hanteeren der wapenen alle hinderpalen, die hem in den weg stonden, wist te overwinnen, was hij ook door den rijkdom zijner denkbeelden en door de fijnheid van zijn gevoel, in staat om alle dingen te begrijpen. Niets wat goed en groot was, was hem onbekend. Gelijk meestal het geval is met zulke uitgelezen karakters, wanneer zij reeds vroeg met tegenspoed te worstelen hebben, en zonder andere verdedigers als zich zelven aan de vreeselijkste omstandigheden des levens zijn blootgesteld, had ook zijne ziel zich op buitengewone wijze ontwikkeld, maar tevens een zonderlinge naïveteit bewaard met betrekking tot zekere gevoelens, die hem altijd onbekend waren gebleven, en die hem, uit hoofde van zijne levenswijze, eeuwig onbekend zouden gebleven zijn, zoo niet een toeval hem te hulp ware gekomen. De dagelijksche behoeften van het veelbewogen en onzekere leven, dat hij leidde, hadden in hem de kiem van den hartstocht onderdrukt, zijne eenzaamheid had hem onbewust tot een meer beschouwend leven gevoerd.Daar hij geen andere vrouwen kende als zijne moeder, want de Indiaansche vrouwen hadden hem nooit iets anders als afkeer ingeboezemd, was hij zes en dertig jaren oud geworden, zonder aan liefde te denken, zonder te weten wat het was, en, wat meer zegt, zonder zelfs ooit dat veelbeteekenend woord, dat de bron is van zooveel verhevene opofferingen en van zooveel verschrikkelijke misdaden, te hebben hooren uitspreken. Als na een lange dagreize door bosschen en langs rotsachtige wegen, na een vermoeiende beverjacht, van vijftien tot zestien uren, Edelhart en Goedsmoeds zich in de prairie bij het wachtvuur vereenigden, liep hun gesprek natuurlijk over niets anders als over de gebeurtenissen van den dag. Zoo gingen er weken, maanden, jaren voorbij, zonder dat er eenige verandering in zijn toestand kwam, behalve dat zich een onbestemd gevoel van hem meester maakte, een verlangen naar hij wist niet wat, een ongerustheid waarvan hij de oorzaak niet kende, die hem langzaam ondermijnde, zonder dat hij er zich rekenschap van geven kon.Want de natuur heeft hare onverbiddelijke rechten, waaraan ieder, willens of onwillens, in welken toestand hij zich ook bevinde, zich moet onderwerpen.Toen dan ook het toeval hem metdoñaLuz in aanraking bracht, vloog zijn hart tot haar met hetzelfde gevoel van natuurlijke en onweerstaanbare aanhankelijkheid en eenstemmigheid, dat ook het meisje beheerschte. Zelf verbaasd over die plotselinge belangstelling voor eene vreemde, welke hij waarschijnlijk nooit weder zou zien, werd hij bijna wrevelig over dat in hem opkomend gevoel, en openbaarde hij in zijn omgang met haar eene gedwongenheid, die niet in zijn karakter lag. Evenals alle groote geesten, die steeds allen zonder tegenstand voor zich hebben zien buigen, hinderde hem het bewustzijn[173]van door een meisje beheerscht te worden, en onder een invloed te staan, waaraan hij zich reeds niet meer onttrekken kon.Doch toen hij na den brand der prairie het kamp der Mexicanen verliet, had hij, ondanks zijn haastig vertrek, de herinnering der vreemde in zijn hart medegenomen. Dat beeld was verder uitgewerkt door hare afwezigheid. Altijd meende hij in zijne ooren den zoeten, welluidenden toon van hare stem te hooren ruischen; altijd, hetzij hij waakte, hetzij hij sliep, stond zij voor hem, met een glimlach op de lippen, en met den blik op hem geslagen.De strijd was zwaar om te strijden. Edelhart, niettegenstaande den hartstocht die hem verteerde, wist welk een onoverkomelijke afstand hem vandoñaLuz scheidde. Hoe zinneloos zijne liefde was, hoe onmogelijk hare bevrediging. Alle tegenwerpingen, die in zulke gevallen slechts gemaakt kunnen worden, maakte hij, om zich zelven het bewijs te leveren, dat hij een dwaas was.Vervolgens, toen hij er in geslaagd was om zich zelven te overtuigen, dat er tusschen hem en haar, die hij liefhad, een diepe klove bestond, toen hij overwonnen was in den vreeselijken strijd, dien hij met zich zelven had aangegaan, en alleen de hoop, die den sterke nooit verlaat, hem misschien nog staande hield, was hij nog verre van zijne nederlaag te willen erkennen of zich weerloos over te geven aan dien hartstocht, die voortaan zijn eenig genot, zijn eenig geluk uitmaakte, en ging hij steeds voort met hem in het geheim te bestrijden, medelijden hebbende met zich zelven om die duizend kleine lafheden, die zijne liefde hem dagelijks deed begaan.Hij vermeed met eene standvastigheid, die het meisje zou hebben kunnen hinderen, elke gelegenheid om haar te ontmoeten; als het toeval hem dwong zich met haar samen te bevinden, werd hij stil en vervelend; op de vragen die zij tot hem richtte, antwoordde hij slechts met moeite en met die onhandigheid, die meestal de eerstbeginnenden in het vak der liefde kenmerkt; de eerste gelegenheid, die zich aanbood, nam hij waar, om haar te verlaten.Het meisje volgde hem treurig met hare oogen, zuchtte in stilte, en voelde soms een vochtige parel langs hare blozende wangen rollen, als zij dat afscheid zag, dat haar een bewijs zijner onverschilligheid toescheen, en dat toch een gevolg was van zijne liefde. Maar gedurende de weinige dagen, die er na de inneming van het kamp verloopen waren, waren de jongelieden onbewust eene groote schrede vooruitgegaan, te meer daar Edelharts moeder, met dien scherpen blik, welken alleen eene moeder bezit, zoo zij waarlijk dien naam verdient, den hartstocht van haren zoon geraden, zijn inwendigen strijd gezien, en zich zelve de geheime vertrouwde gemaakt had van die liefde, die zij buiten hun weten wilde bevorderen en tot een gelukkig einde brengen, terwijl zij beide voor zich zelven overtuigd waren, dat hunne liefde in de diepste diepte hunner ziel begraven lag.[174]Zoo stonden de zaken, twee dagen na dien, waarop de kapitein aandoñaLuz zijn voorstel gedaan had.Edelhart scheen droeviger gestemd dan gewoonlijk; hij wandelde met groote schreden in de grot op en neder, gaf met duidelijke teekenen zijn levendig ongeduld te kennen, en wierp nu en dan onrustige blikken om zich heen. Eindelijk leunde hij zich tegen een der wanden, liet zijn hoofd op zijne borst nederzinken en bleef in gedachten staan.Zoo stond hij een tijdlang, toen een zachte stem hem in het oor fluisterde:»Wat schort u toch, mijn zoon? van waar die droefheid, die uw gelaat bewolkt? Hebt gij slechte tijding ontvangen?”Edelhart hief het hoofd op, als iemand die eensklaps wordt wakker gemaakt. Zijne moeder endoñaLuz stonden voor hem, arm in arm op elkander leunende. Hij wierp een treurigen blik om zich heen, en antwoordde op doffen toon:»Helaas, moeder, morgen is het de laatste dag! ik heb nog niets kunnen bedenken, omdoñaLuz te redden, en haar haren oom terug te geven.”De twee vrouwen sidderden.»Morgen!” preveldedoñaLuz, »dat is waar, morgen moet die man komen.”»Wat zult gij doen, mijn zoon?”»Weet ik het, moeder?” antwoordde hij ongeduldig; »o, die man is sterker dan ik! hij heeft al mijne plannen verijdeld! Tot heden toe is het ons onmogelijk geweest zijne schuilplaats te ontdekken; al onze nasporingen hebben niet de minste vrucht opgeleverd.”»Edelhart,” zeide het meisje zachtjes, »zult gij mij dan aan de genade van dien bandiet overgeven? Waarom hebt gij mij dan gered?”»O,” zeide de jager, »dat verwijt zal mij dooden!”»Ik verwijt u niets, Edelhart,” zeide zij levendig, »maar ik ben zoo ongelukkig. Als ik blijf, dan ben ik oorzaak van den dood van den eenigen bloedverwant, dien ik ter wereld bezit; als ik ga, ben ik onteerd.”»O, en niets te kunnen doen!” riep hij bewogen uit, »u te zien schreien, u ongelukkig te weten, en niets te kunnen doen! O, om u een angst te besparen, zou ik gaarne mijn leven willen opofferen! God alleen weet, hoe mijne onmacht mij ter neder drukt.”»Hoop, mijn zoon!” zeide de oude dame op een toon van overtuiging. »God is goed, hij zal u niet verlaten.”»Hopen! wat zegt gij daar, moeder? Twee dagen lang hebben mijne vrienden en ik het onmogelijke beproefd, maar alles te vergeefs. Hopen! en binnen weinige uren zal die ellendeling zijn prooi komen opeischen! Ik wil liever sterven, dan zulk een misdaad te zien volbrengen.”DoñaLuz zag hem met een zonderlinge uitdrukking aan; een droevige glimlach plooide hare lippen, en hem zachtjes hare fijne[175]mollige hand op de schouders leggende, zeide zij met een welluidende stem:»Edelhart, bemint gij mij?”De jongeling sidderde; een rilling voer hem door de leden.»Waartoe die vraag?” vroeg hij bevend.»Antwoord mij, zonder aarzelen, en even vrij als ik het u vraag,” hernam zij: »het oogenblik is plechtig, ik heb u een gunst te verzoeken.”»O, spreek, mevrouw! gij weet, dat ik u niets kan weigeren.”»Antwoord mij dan eerst,” hernam zij huiverend, »bemint gij mij?”»Zoo u te beminnen, mevrouw, hetzelfde is als zijn leven voor u te willen opofferen; zoo u te beminnen hetzelfde is als de grootste marteling te ondergaan, wanneer ik een traan op uwe wangen zie biggelen; zoo u te beminnen hetzelfde is als den moed te hebben, om u morgen het offer te laten volbrengen, dat uw oom redden zal, ja, mevrouw, dan bemin ik u met al de liefde mijner ziel! spreek dus, spreek onbevreesd, wat gij mij vragen zult, ik zal het met vreugde doen.”»Goed, mijn vriend,” zeide zij; »ik reken op uw woord; morgen zal ik er u aan herinneren, als die man komt; maar eerst moet mijn oom gered worden, al moest ik mijn leven opofferen. Helaas! hij is mij tot een vader geweest, hij bemint mij als zijne dochter, om mijnentwil is hij den bandieten in handen gevallen. O, zweer mij, Edelhart, dat gij hem verlossen zult,” voegde zij er bij, met eene stem, die trilde van aandoening.Edelhart wilde juist antwoorden, toen Goedsmoeds en de Zwarte Eland de grot binnentraden.»Eindelijk!” riep hij uit, op hen toeschietende.De drie mannen bleven eenige oogenblikken met elkander staan fluisteren; vervolgens kwam de jager in aller ijl bij de twee vrouwen terug, zijn gelaat schitterde van vreugd.»Gij hebt gelijk, moeder,” riep hij uit; »God is goed, hij verlaat niet wie op hem vertrouwen. Nu ben ik het, die u zegt: hoop,doñaLuz, weldra zal ik uw oom wedergeven!”»O,” juichte zij, »zou het mogelijk zijn?”»Hoop, zeg ik u! vaarwel moeder! bid God, dat hij mij helpe! meer dan ooit zal ik zijne hulp van noode hebben.”Zonder meer te zeggen vloog hij de grot uit, door de meeste zijner makkers gevolgd.»Wat bedoelde hij toch?” preveldedoñaLuz angstig.»Kom, mijne dochter,” antwoordde de oude dame treurig, »laat ons voor hem bidden.”Zij trok haar zachtjes mede, naar het afzonderlijk vertrek, dat zij bewoonden.Er bleven slechts tien mannen in de grot, om de vrouwen te verdedigen.[176]
[Inhoud]X.TWEESTRIJD.DoñaLuz en Edelhart stonden in een zonderlinge verhouding tegenover elkander. Beide jong, beide schoon, beminden zij elkander zonder het zich zelven te willen bekennen, zonder er zich bijna van bewust te zijn. Beide, hoewel hun vorig leven hemelsbreed van elkander[171]verschilde, bezaten een gelijke frischheid van gevoelens, een gelijke onschuld des harten.De kindsheid van het meisje was eentonig en stil voorbij gegaan onder overdreven godsdienstige oefeningen, in dat land, waar het christendom veeleer eene soort van fetischdienst is, dan wel dat zuivere, edele, eenvoudige geloof van onze gewesten. Nooit had zij haar hart hooger voelen kloppen. Zij was onbekend met de liefde, onbekend met de smart. Zij leefde als de vogelen des hemels, den dag van gisteren vergetende, aan den dag van morgen niet denkende. Maar de reis, die zij ondernomen had, had een geheele verandering in haar bestaan teweeg gebracht. Het gezicht van den onmetelijken horizon, die zich voor haar in de prairie uitstrekte, van de prachtige rivieren, die zij overtrok, van de hooge bergen, waar zij vaak langs moest, en wier toppen den hemel schenen aan te raken, had den kring van hare denkbeelden grooter gemaakt, een blinddoek was haar als het ware van de oogen gevallen, zij had begrepen dat God haar voor iets anders geschapen had, als om in een klooster haar leven voort te slepen.De verschijning van Edelhart, in de buitengewone omstandigheden, waarin hij zich aan haar voorstelde, had haren voor elken indruk vatbaren geest verleid. In zijne tegenwoordigheid voelde zij zich haars ondanks bewogen. Onbewust had haar hart het hart ontmoet, dat het zocht. Teeder en zwak als zij was, had zij behoefte aan dien krachtigen man, met dien doordringenden blik, met dien leeuwenmoed, met dien ijzeren wil, om haar staande te houden in het leven, en om haar onder zijne machtige bescherming te nemen.Ook had zij zich van het eerste oogenblik af aan met onbeschrijfelijk zoet gevoel langs de helling, die haar naar Edelhart voerde, laten afglijden, en de liefde had zich in hare ziel gevestigd, eer zij het wist, en eer zij op tegenstand bedacht was. De laatste gebeurtenissen hadden met vernieuwde kracht dien hartstocht, die op den bodem haars harten sluimerde, opgewekt. Nu, terwijl zij bij hem was, terwijl zij ieder oogenblik uit den mond zijner moeder en van zijne vrienden zijn lof hoorde verkondigen, was zij er toe gekomen om hare liefde te beschouwen als een deel uitmakende van haar bestaan; zij begreep niet, hoe zij zóólang had kunnen leven, zonder dien man te beminnen, dien zij van hare geboorte af scheen gekend te hebben.Zij leefde slechts voor hem en door hem, gelukkig als zij een blik of een glimlach van hem kon opvangen, vroolijk als zij hem zag, treurig als hij lang wegbleef.Edelhart was langs een gansch anderen weg tot hetzelfde einddoel gekomen. Opgevoed in de prairiën, om zoo te zeggen, van aangezicht tot aangezicht tegenover God, dien hij zich gewend had te vereeren in de grootsche werken, die hij altijd voor oogen had, hadden de verhevene natuurtafereelen, de gedurige worstelingen met de Indianen[172]of met de wilde dieren, zijnen geest zoowel als zijn lichaam buitengemeen ontwikkeld. Evenals hij door zijne spierkracht en zijne behendigheid in het hanteeren der wapenen alle hinderpalen, die hem in den weg stonden, wist te overwinnen, was hij ook door den rijkdom zijner denkbeelden en door de fijnheid van zijn gevoel, in staat om alle dingen te begrijpen. Niets wat goed en groot was, was hem onbekend. Gelijk meestal het geval is met zulke uitgelezen karakters, wanneer zij reeds vroeg met tegenspoed te worstelen hebben, en zonder andere verdedigers als zich zelven aan de vreeselijkste omstandigheden des levens zijn blootgesteld, had ook zijne ziel zich op buitengewone wijze ontwikkeld, maar tevens een zonderlinge naïveteit bewaard met betrekking tot zekere gevoelens, die hem altijd onbekend waren gebleven, en die hem, uit hoofde van zijne levenswijze, eeuwig onbekend zouden gebleven zijn, zoo niet een toeval hem te hulp ware gekomen. De dagelijksche behoeften van het veelbewogen en onzekere leven, dat hij leidde, hadden in hem de kiem van den hartstocht onderdrukt, zijne eenzaamheid had hem onbewust tot een meer beschouwend leven gevoerd.Daar hij geen andere vrouwen kende als zijne moeder, want de Indiaansche vrouwen hadden hem nooit iets anders als afkeer ingeboezemd, was hij zes en dertig jaren oud geworden, zonder aan liefde te denken, zonder te weten wat het was, en, wat meer zegt, zonder zelfs ooit dat veelbeteekenend woord, dat de bron is van zooveel verhevene opofferingen en van zooveel verschrikkelijke misdaden, te hebben hooren uitspreken. Als na een lange dagreize door bosschen en langs rotsachtige wegen, na een vermoeiende beverjacht, van vijftien tot zestien uren, Edelhart en Goedsmoeds zich in de prairie bij het wachtvuur vereenigden, liep hun gesprek natuurlijk over niets anders als over de gebeurtenissen van den dag. Zoo gingen er weken, maanden, jaren voorbij, zonder dat er eenige verandering in zijn toestand kwam, behalve dat zich een onbestemd gevoel van hem meester maakte, een verlangen naar hij wist niet wat, een ongerustheid waarvan hij de oorzaak niet kende, die hem langzaam ondermijnde, zonder dat hij er zich rekenschap van geven kon.Want de natuur heeft hare onverbiddelijke rechten, waaraan ieder, willens of onwillens, in welken toestand hij zich ook bevinde, zich moet onderwerpen.Toen dan ook het toeval hem metdoñaLuz in aanraking bracht, vloog zijn hart tot haar met hetzelfde gevoel van natuurlijke en onweerstaanbare aanhankelijkheid en eenstemmigheid, dat ook het meisje beheerschte. Zelf verbaasd over die plotselinge belangstelling voor eene vreemde, welke hij waarschijnlijk nooit weder zou zien, werd hij bijna wrevelig over dat in hem opkomend gevoel, en openbaarde hij in zijn omgang met haar eene gedwongenheid, die niet in zijn karakter lag. Evenals alle groote geesten, die steeds allen zonder tegenstand voor zich hebben zien buigen, hinderde hem het bewustzijn[173]van door een meisje beheerscht te worden, en onder een invloed te staan, waaraan hij zich reeds niet meer onttrekken kon.Doch toen hij na den brand der prairie het kamp der Mexicanen verliet, had hij, ondanks zijn haastig vertrek, de herinnering der vreemde in zijn hart medegenomen. Dat beeld was verder uitgewerkt door hare afwezigheid. Altijd meende hij in zijne ooren den zoeten, welluidenden toon van hare stem te hooren ruischen; altijd, hetzij hij waakte, hetzij hij sliep, stond zij voor hem, met een glimlach op de lippen, en met den blik op hem geslagen.De strijd was zwaar om te strijden. Edelhart, niettegenstaande den hartstocht die hem verteerde, wist welk een onoverkomelijke afstand hem vandoñaLuz scheidde. Hoe zinneloos zijne liefde was, hoe onmogelijk hare bevrediging. Alle tegenwerpingen, die in zulke gevallen slechts gemaakt kunnen worden, maakte hij, om zich zelven het bewijs te leveren, dat hij een dwaas was.Vervolgens, toen hij er in geslaagd was om zich zelven te overtuigen, dat er tusschen hem en haar, die hij liefhad, een diepe klove bestond, toen hij overwonnen was in den vreeselijken strijd, dien hij met zich zelven had aangegaan, en alleen de hoop, die den sterke nooit verlaat, hem misschien nog staande hield, was hij nog verre van zijne nederlaag te willen erkennen of zich weerloos over te geven aan dien hartstocht, die voortaan zijn eenig genot, zijn eenig geluk uitmaakte, en ging hij steeds voort met hem in het geheim te bestrijden, medelijden hebbende met zich zelven om die duizend kleine lafheden, die zijne liefde hem dagelijks deed begaan.Hij vermeed met eene standvastigheid, die het meisje zou hebben kunnen hinderen, elke gelegenheid om haar te ontmoeten; als het toeval hem dwong zich met haar samen te bevinden, werd hij stil en vervelend; op de vragen die zij tot hem richtte, antwoordde hij slechts met moeite en met die onhandigheid, die meestal de eerstbeginnenden in het vak der liefde kenmerkt; de eerste gelegenheid, die zich aanbood, nam hij waar, om haar te verlaten.Het meisje volgde hem treurig met hare oogen, zuchtte in stilte, en voelde soms een vochtige parel langs hare blozende wangen rollen, als zij dat afscheid zag, dat haar een bewijs zijner onverschilligheid toescheen, en dat toch een gevolg was van zijne liefde. Maar gedurende de weinige dagen, die er na de inneming van het kamp verloopen waren, waren de jongelieden onbewust eene groote schrede vooruitgegaan, te meer daar Edelharts moeder, met dien scherpen blik, welken alleen eene moeder bezit, zoo zij waarlijk dien naam verdient, den hartstocht van haren zoon geraden, zijn inwendigen strijd gezien, en zich zelve de geheime vertrouwde gemaakt had van die liefde, die zij buiten hun weten wilde bevorderen en tot een gelukkig einde brengen, terwijl zij beide voor zich zelven overtuigd waren, dat hunne liefde in de diepste diepte hunner ziel begraven lag.[174]Zoo stonden de zaken, twee dagen na dien, waarop de kapitein aandoñaLuz zijn voorstel gedaan had.Edelhart scheen droeviger gestemd dan gewoonlijk; hij wandelde met groote schreden in de grot op en neder, gaf met duidelijke teekenen zijn levendig ongeduld te kennen, en wierp nu en dan onrustige blikken om zich heen. Eindelijk leunde hij zich tegen een der wanden, liet zijn hoofd op zijne borst nederzinken en bleef in gedachten staan.Zoo stond hij een tijdlang, toen een zachte stem hem in het oor fluisterde:»Wat schort u toch, mijn zoon? van waar die droefheid, die uw gelaat bewolkt? Hebt gij slechte tijding ontvangen?”Edelhart hief het hoofd op, als iemand die eensklaps wordt wakker gemaakt. Zijne moeder endoñaLuz stonden voor hem, arm in arm op elkander leunende. Hij wierp een treurigen blik om zich heen, en antwoordde op doffen toon:»Helaas, moeder, morgen is het de laatste dag! ik heb nog niets kunnen bedenken, omdoñaLuz te redden, en haar haren oom terug te geven.”De twee vrouwen sidderden.»Morgen!” preveldedoñaLuz, »dat is waar, morgen moet die man komen.”»Wat zult gij doen, mijn zoon?”»Weet ik het, moeder?” antwoordde hij ongeduldig; »o, die man is sterker dan ik! hij heeft al mijne plannen verijdeld! Tot heden toe is het ons onmogelijk geweest zijne schuilplaats te ontdekken; al onze nasporingen hebben niet de minste vrucht opgeleverd.”»Edelhart,” zeide het meisje zachtjes, »zult gij mij dan aan de genade van dien bandiet overgeven? Waarom hebt gij mij dan gered?”»O,” zeide de jager, »dat verwijt zal mij dooden!”»Ik verwijt u niets, Edelhart,” zeide zij levendig, »maar ik ben zoo ongelukkig. Als ik blijf, dan ben ik oorzaak van den dood van den eenigen bloedverwant, dien ik ter wereld bezit; als ik ga, ben ik onteerd.”»O, en niets te kunnen doen!” riep hij bewogen uit, »u te zien schreien, u ongelukkig te weten, en niets te kunnen doen! O, om u een angst te besparen, zou ik gaarne mijn leven willen opofferen! God alleen weet, hoe mijne onmacht mij ter neder drukt.”»Hoop, mijn zoon!” zeide de oude dame op een toon van overtuiging. »God is goed, hij zal u niet verlaten.”»Hopen! wat zegt gij daar, moeder? Twee dagen lang hebben mijne vrienden en ik het onmogelijke beproefd, maar alles te vergeefs. Hopen! en binnen weinige uren zal die ellendeling zijn prooi komen opeischen! Ik wil liever sterven, dan zulk een misdaad te zien volbrengen.”DoñaLuz zag hem met een zonderlinge uitdrukking aan; een droevige glimlach plooide hare lippen, en hem zachtjes hare fijne[175]mollige hand op de schouders leggende, zeide zij met een welluidende stem:»Edelhart, bemint gij mij?”De jongeling sidderde; een rilling voer hem door de leden.»Waartoe die vraag?” vroeg hij bevend.»Antwoord mij, zonder aarzelen, en even vrij als ik het u vraag,” hernam zij: »het oogenblik is plechtig, ik heb u een gunst te verzoeken.”»O, spreek, mevrouw! gij weet, dat ik u niets kan weigeren.”»Antwoord mij dan eerst,” hernam zij huiverend, »bemint gij mij?”»Zoo u te beminnen, mevrouw, hetzelfde is als zijn leven voor u te willen opofferen; zoo u te beminnen hetzelfde is als de grootste marteling te ondergaan, wanneer ik een traan op uwe wangen zie biggelen; zoo u te beminnen hetzelfde is als den moed te hebben, om u morgen het offer te laten volbrengen, dat uw oom redden zal, ja, mevrouw, dan bemin ik u met al de liefde mijner ziel! spreek dus, spreek onbevreesd, wat gij mij vragen zult, ik zal het met vreugde doen.”»Goed, mijn vriend,” zeide zij; »ik reken op uw woord; morgen zal ik er u aan herinneren, als die man komt; maar eerst moet mijn oom gered worden, al moest ik mijn leven opofferen. Helaas! hij is mij tot een vader geweest, hij bemint mij als zijne dochter, om mijnentwil is hij den bandieten in handen gevallen. O, zweer mij, Edelhart, dat gij hem verlossen zult,” voegde zij er bij, met eene stem, die trilde van aandoening.Edelhart wilde juist antwoorden, toen Goedsmoeds en de Zwarte Eland de grot binnentraden.»Eindelijk!” riep hij uit, op hen toeschietende.De drie mannen bleven eenige oogenblikken met elkander staan fluisteren; vervolgens kwam de jager in aller ijl bij de twee vrouwen terug, zijn gelaat schitterde van vreugd.»Gij hebt gelijk, moeder,” riep hij uit; »God is goed, hij verlaat niet wie op hem vertrouwen. Nu ben ik het, die u zegt: hoop,doñaLuz, weldra zal ik uw oom wedergeven!”»O,” juichte zij, »zou het mogelijk zijn?”»Hoop, zeg ik u! vaarwel moeder! bid God, dat hij mij helpe! meer dan ooit zal ik zijne hulp van noode hebben.”Zonder meer te zeggen vloog hij de grot uit, door de meeste zijner makkers gevolgd.»Wat bedoelde hij toch?” preveldedoñaLuz angstig.»Kom, mijne dochter,” antwoordde de oude dame treurig, »laat ons voor hem bidden.”Zij trok haar zachtjes mede, naar het afzonderlijk vertrek, dat zij bewoonden.Er bleven slechts tien mannen in de grot, om de vrouwen te verdedigen.[176]
[Inhoud]X.TWEESTRIJD.DoñaLuz en Edelhart stonden in een zonderlinge verhouding tegenover elkander. Beide jong, beide schoon, beminden zij elkander zonder het zich zelven te willen bekennen, zonder er zich bijna van bewust te zijn. Beide, hoewel hun vorig leven hemelsbreed van elkander[171]verschilde, bezaten een gelijke frischheid van gevoelens, een gelijke onschuld des harten.De kindsheid van het meisje was eentonig en stil voorbij gegaan onder overdreven godsdienstige oefeningen, in dat land, waar het christendom veeleer eene soort van fetischdienst is, dan wel dat zuivere, edele, eenvoudige geloof van onze gewesten. Nooit had zij haar hart hooger voelen kloppen. Zij was onbekend met de liefde, onbekend met de smart. Zij leefde als de vogelen des hemels, den dag van gisteren vergetende, aan den dag van morgen niet denkende. Maar de reis, die zij ondernomen had, had een geheele verandering in haar bestaan teweeg gebracht. Het gezicht van den onmetelijken horizon, die zich voor haar in de prairie uitstrekte, van de prachtige rivieren, die zij overtrok, van de hooge bergen, waar zij vaak langs moest, en wier toppen den hemel schenen aan te raken, had den kring van hare denkbeelden grooter gemaakt, een blinddoek was haar als het ware van de oogen gevallen, zij had begrepen dat God haar voor iets anders geschapen had, als om in een klooster haar leven voort te slepen.De verschijning van Edelhart, in de buitengewone omstandigheden, waarin hij zich aan haar voorstelde, had haren voor elken indruk vatbaren geest verleid. In zijne tegenwoordigheid voelde zij zich haars ondanks bewogen. Onbewust had haar hart het hart ontmoet, dat het zocht. Teeder en zwak als zij was, had zij behoefte aan dien krachtigen man, met dien doordringenden blik, met dien leeuwenmoed, met dien ijzeren wil, om haar staande te houden in het leven, en om haar onder zijne machtige bescherming te nemen.Ook had zij zich van het eerste oogenblik af aan met onbeschrijfelijk zoet gevoel langs de helling, die haar naar Edelhart voerde, laten afglijden, en de liefde had zich in hare ziel gevestigd, eer zij het wist, en eer zij op tegenstand bedacht was. De laatste gebeurtenissen hadden met vernieuwde kracht dien hartstocht, die op den bodem haars harten sluimerde, opgewekt. Nu, terwijl zij bij hem was, terwijl zij ieder oogenblik uit den mond zijner moeder en van zijne vrienden zijn lof hoorde verkondigen, was zij er toe gekomen om hare liefde te beschouwen als een deel uitmakende van haar bestaan; zij begreep niet, hoe zij zóólang had kunnen leven, zonder dien man te beminnen, dien zij van hare geboorte af scheen gekend te hebben.Zij leefde slechts voor hem en door hem, gelukkig als zij een blik of een glimlach van hem kon opvangen, vroolijk als zij hem zag, treurig als hij lang wegbleef.Edelhart was langs een gansch anderen weg tot hetzelfde einddoel gekomen. Opgevoed in de prairiën, om zoo te zeggen, van aangezicht tot aangezicht tegenover God, dien hij zich gewend had te vereeren in de grootsche werken, die hij altijd voor oogen had, hadden de verhevene natuurtafereelen, de gedurige worstelingen met de Indianen[172]of met de wilde dieren, zijnen geest zoowel als zijn lichaam buitengemeen ontwikkeld. Evenals hij door zijne spierkracht en zijne behendigheid in het hanteeren der wapenen alle hinderpalen, die hem in den weg stonden, wist te overwinnen, was hij ook door den rijkdom zijner denkbeelden en door de fijnheid van zijn gevoel, in staat om alle dingen te begrijpen. Niets wat goed en groot was, was hem onbekend. Gelijk meestal het geval is met zulke uitgelezen karakters, wanneer zij reeds vroeg met tegenspoed te worstelen hebben, en zonder andere verdedigers als zich zelven aan de vreeselijkste omstandigheden des levens zijn blootgesteld, had ook zijne ziel zich op buitengewone wijze ontwikkeld, maar tevens een zonderlinge naïveteit bewaard met betrekking tot zekere gevoelens, die hem altijd onbekend waren gebleven, en die hem, uit hoofde van zijne levenswijze, eeuwig onbekend zouden gebleven zijn, zoo niet een toeval hem te hulp ware gekomen. De dagelijksche behoeften van het veelbewogen en onzekere leven, dat hij leidde, hadden in hem de kiem van den hartstocht onderdrukt, zijne eenzaamheid had hem onbewust tot een meer beschouwend leven gevoerd.Daar hij geen andere vrouwen kende als zijne moeder, want de Indiaansche vrouwen hadden hem nooit iets anders als afkeer ingeboezemd, was hij zes en dertig jaren oud geworden, zonder aan liefde te denken, zonder te weten wat het was, en, wat meer zegt, zonder zelfs ooit dat veelbeteekenend woord, dat de bron is van zooveel verhevene opofferingen en van zooveel verschrikkelijke misdaden, te hebben hooren uitspreken. Als na een lange dagreize door bosschen en langs rotsachtige wegen, na een vermoeiende beverjacht, van vijftien tot zestien uren, Edelhart en Goedsmoeds zich in de prairie bij het wachtvuur vereenigden, liep hun gesprek natuurlijk over niets anders als over de gebeurtenissen van den dag. Zoo gingen er weken, maanden, jaren voorbij, zonder dat er eenige verandering in zijn toestand kwam, behalve dat zich een onbestemd gevoel van hem meester maakte, een verlangen naar hij wist niet wat, een ongerustheid waarvan hij de oorzaak niet kende, die hem langzaam ondermijnde, zonder dat hij er zich rekenschap van geven kon.Want de natuur heeft hare onverbiddelijke rechten, waaraan ieder, willens of onwillens, in welken toestand hij zich ook bevinde, zich moet onderwerpen.Toen dan ook het toeval hem metdoñaLuz in aanraking bracht, vloog zijn hart tot haar met hetzelfde gevoel van natuurlijke en onweerstaanbare aanhankelijkheid en eenstemmigheid, dat ook het meisje beheerschte. Zelf verbaasd over die plotselinge belangstelling voor eene vreemde, welke hij waarschijnlijk nooit weder zou zien, werd hij bijna wrevelig over dat in hem opkomend gevoel, en openbaarde hij in zijn omgang met haar eene gedwongenheid, die niet in zijn karakter lag. Evenals alle groote geesten, die steeds allen zonder tegenstand voor zich hebben zien buigen, hinderde hem het bewustzijn[173]van door een meisje beheerscht te worden, en onder een invloed te staan, waaraan hij zich reeds niet meer onttrekken kon.Doch toen hij na den brand der prairie het kamp der Mexicanen verliet, had hij, ondanks zijn haastig vertrek, de herinnering der vreemde in zijn hart medegenomen. Dat beeld was verder uitgewerkt door hare afwezigheid. Altijd meende hij in zijne ooren den zoeten, welluidenden toon van hare stem te hooren ruischen; altijd, hetzij hij waakte, hetzij hij sliep, stond zij voor hem, met een glimlach op de lippen, en met den blik op hem geslagen.De strijd was zwaar om te strijden. Edelhart, niettegenstaande den hartstocht die hem verteerde, wist welk een onoverkomelijke afstand hem vandoñaLuz scheidde. Hoe zinneloos zijne liefde was, hoe onmogelijk hare bevrediging. Alle tegenwerpingen, die in zulke gevallen slechts gemaakt kunnen worden, maakte hij, om zich zelven het bewijs te leveren, dat hij een dwaas was.Vervolgens, toen hij er in geslaagd was om zich zelven te overtuigen, dat er tusschen hem en haar, die hij liefhad, een diepe klove bestond, toen hij overwonnen was in den vreeselijken strijd, dien hij met zich zelven had aangegaan, en alleen de hoop, die den sterke nooit verlaat, hem misschien nog staande hield, was hij nog verre van zijne nederlaag te willen erkennen of zich weerloos over te geven aan dien hartstocht, die voortaan zijn eenig genot, zijn eenig geluk uitmaakte, en ging hij steeds voort met hem in het geheim te bestrijden, medelijden hebbende met zich zelven om die duizend kleine lafheden, die zijne liefde hem dagelijks deed begaan.Hij vermeed met eene standvastigheid, die het meisje zou hebben kunnen hinderen, elke gelegenheid om haar te ontmoeten; als het toeval hem dwong zich met haar samen te bevinden, werd hij stil en vervelend; op de vragen die zij tot hem richtte, antwoordde hij slechts met moeite en met die onhandigheid, die meestal de eerstbeginnenden in het vak der liefde kenmerkt; de eerste gelegenheid, die zich aanbood, nam hij waar, om haar te verlaten.Het meisje volgde hem treurig met hare oogen, zuchtte in stilte, en voelde soms een vochtige parel langs hare blozende wangen rollen, als zij dat afscheid zag, dat haar een bewijs zijner onverschilligheid toescheen, en dat toch een gevolg was van zijne liefde. Maar gedurende de weinige dagen, die er na de inneming van het kamp verloopen waren, waren de jongelieden onbewust eene groote schrede vooruitgegaan, te meer daar Edelharts moeder, met dien scherpen blik, welken alleen eene moeder bezit, zoo zij waarlijk dien naam verdient, den hartstocht van haren zoon geraden, zijn inwendigen strijd gezien, en zich zelve de geheime vertrouwde gemaakt had van die liefde, die zij buiten hun weten wilde bevorderen en tot een gelukkig einde brengen, terwijl zij beide voor zich zelven overtuigd waren, dat hunne liefde in de diepste diepte hunner ziel begraven lag.[174]Zoo stonden de zaken, twee dagen na dien, waarop de kapitein aandoñaLuz zijn voorstel gedaan had.Edelhart scheen droeviger gestemd dan gewoonlijk; hij wandelde met groote schreden in de grot op en neder, gaf met duidelijke teekenen zijn levendig ongeduld te kennen, en wierp nu en dan onrustige blikken om zich heen. Eindelijk leunde hij zich tegen een der wanden, liet zijn hoofd op zijne borst nederzinken en bleef in gedachten staan.Zoo stond hij een tijdlang, toen een zachte stem hem in het oor fluisterde:»Wat schort u toch, mijn zoon? van waar die droefheid, die uw gelaat bewolkt? Hebt gij slechte tijding ontvangen?”Edelhart hief het hoofd op, als iemand die eensklaps wordt wakker gemaakt. Zijne moeder endoñaLuz stonden voor hem, arm in arm op elkander leunende. Hij wierp een treurigen blik om zich heen, en antwoordde op doffen toon:»Helaas, moeder, morgen is het de laatste dag! ik heb nog niets kunnen bedenken, omdoñaLuz te redden, en haar haren oom terug te geven.”De twee vrouwen sidderden.»Morgen!” preveldedoñaLuz, »dat is waar, morgen moet die man komen.”»Wat zult gij doen, mijn zoon?”»Weet ik het, moeder?” antwoordde hij ongeduldig; »o, die man is sterker dan ik! hij heeft al mijne plannen verijdeld! Tot heden toe is het ons onmogelijk geweest zijne schuilplaats te ontdekken; al onze nasporingen hebben niet de minste vrucht opgeleverd.”»Edelhart,” zeide het meisje zachtjes, »zult gij mij dan aan de genade van dien bandiet overgeven? Waarom hebt gij mij dan gered?”»O,” zeide de jager, »dat verwijt zal mij dooden!”»Ik verwijt u niets, Edelhart,” zeide zij levendig, »maar ik ben zoo ongelukkig. Als ik blijf, dan ben ik oorzaak van den dood van den eenigen bloedverwant, dien ik ter wereld bezit; als ik ga, ben ik onteerd.”»O, en niets te kunnen doen!” riep hij bewogen uit, »u te zien schreien, u ongelukkig te weten, en niets te kunnen doen! O, om u een angst te besparen, zou ik gaarne mijn leven willen opofferen! God alleen weet, hoe mijne onmacht mij ter neder drukt.”»Hoop, mijn zoon!” zeide de oude dame op een toon van overtuiging. »God is goed, hij zal u niet verlaten.”»Hopen! wat zegt gij daar, moeder? Twee dagen lang hebben mijne vrienden en ik het onmogelijke beproefd, maar alles te vergeefs. Hopen! en binnen weinige uren zal die ellendeling zijn prooi komen opeischen! Ik wil liever sterven, dan zulk een misdaad te zien volbrengen.”DoñaLuz zag hem met een zonderlinge uitdrukking aan; een droevige glimlach plooide hare lippen, en hem zachtjes hare fijne[175]mollige hand op de schouders leggende, zeide zij met een welluidende stem:»Edelhart, bemint gij mij?”De jongeling sidderde; een rilling voer hem door de leden.»Waartoe die vraag?” vroeg hij bevend.»Antwoord mij, zonder aarzelen, en even vrij als ik het u vraag,” hernam zij: »het oogenblik is plechtig, ik heb u een gunst te verzoeken.”»O, spreek, mevrouw! gij weet, dat ik u niets kan weigeren.”»Antwoord mij dan eerst,” hernam zij huiverend, »bemint gij mij?”»Zoo u te beminnen, mevrouw, hetzelfde is als zijn leven voor u te willen opofferen; zoo u te beminnen hetzelfde is als de grootste marteling te ondergaan, wanneer ik een traan op uwe wangen zie biggelen; zoo u te beminnen hetzelfde is als den moed te hebben, om u morgen het offer te laten volbrengen, dat uw oom redden zal, ja, mevrouw, dan bemin ik u met al de liefde mijner ziel! spreek dus, spreek onbevreesd, wat gij mij vragen zult, ik zal het met vreugde doen.”»Goed, mijn vriend,” zeide zij; »ik reken op uw woord; morgen zal ik er u aan herinneren, als die man komt; maar eerst moet mijn oom gered worden, al moest ik mijn leven opofferen. Helaas! hij is mij tot een vader geweest, hij bemint mij als zijne dochter, om mijnentwil is hij den bandieten in handen gevallen. O, zweer mij, Edelhart, dat gij hem verlossen zult,” voegde zij er bij, met eene stem, die trilde van aandoening.Edelhart wilde juist antwoorden, toen Goedsmoeds en de Zwarte Eland de grot binnentraden.»Eindelijk!” riep hij uit, op hen toeschietende.De drie mannen bleven eenige oogenblikken met elkander staan fluisteren; vervolgens kwam de jager in aller ijl bij de twee vrouwen terug, zijn gelaat schitterde van vreugd.»Gij hebt gelijk, moeder,” riep hij uit; »God is goed, hij verlaat niet wie op hem vertrouwen. Nu ben ik het, die u zegt: hoop,doñaLuz, weldra zal ik uw oom wedergeven!”»O,” juichte zij, »zou het mogelijk zijn?”»Hoop, zeg ik u! vaarwel moeder! bid God, dat hij mij helpe! meer dan ooit zal ik zijne hulp van noode hebben.”Zonder meer te zeggen vloog hij de grot uit, door de meeste zijner makkers gevolgd.»Wat bedoelde hij toch?” preveldedoñaLuz angstig.»Kom, mijne dochter,” antwoordde de oude dame treurig, »laat ons voor hem bidden.”Zij trok haar zachtjes mede, naar het afzonderlijk vertrek, dat zij bewoonden.Er bleven slechts tien mannen in de grot, om de vrouwen te verdedigen.[176]
X.TWEESTRIJD.
DoñaLuz en Edelhart stonden in een zonderlinge verhouding tegenover elkander. Beide jong, beide schoon, beminden zij elkander zonder het zich zelven te willen bekennen, zonder er zich bijna van bewust te zijn. Beide, hoewel hun vorig leven hemelsbreed van elkander[171]verschilde, bezaten een gelijke frischheid van gevoelens, een gelijke onschuld des harten.De kindsheid van het meisje was eentonig en stil voorbij gegaan onder overdreven godsdienstige oefeningen, in dat land, waar het christendom veeleer eene soort van fetischdienst is, dan wel dat zuivere, edele, eenvoudige geloof van onze gewesten. Nooit had zij haar hart hooger voelen kloppen. Zij was onbekend met de liefde, onbekend met de smart. Zij leefde als de vogelen des hemels, den dag van gisteren vergetende, aan den dag van morgen niet denkende. Maar de reis, die zij ondernomen had, had een geheele verandering in haar bestaan teweeg gebracht. Het gezicht van den onmetelijken horizon, die zich voor haar in de prairie uitstrekte, van de prachtige rivieren, die zij overtrok, van de hooge bergen, waar zij vaak langs moest, en wier toppen den hemel schenen aan te raken, had den kring van hare denkbeelden grooter gemaakt, een blinddoek was haar als het ware van de oogen gevallen, zij had begrepen dat God haar voor iets anders geschapen had, als om in een klooster haar leven voort te slepen.De verschijning van Edelhart, in de buitengewone omstandigheden, waarin hij zich aan haar voorstelde, had haren voor elken indruk vatbaren geest verleid. In zijne tegenwoordigheid voelde zij zich haars ondanks bewogen. Onbewust had haar hart het hart ontmoet, dat het zocht. Teeder en zwak als zij was, had zij behoefte aan dien krachtigen man, met dien doordringenden blik, met dien leeuwenmoed, met dien ijzeren wil, om haar staande te houden in het leven, en om haar onder zijne machtige bescherming te nemen.Ook had zij zich van het eerste oogenblik af aan met onbeschrijfelijk zoet gevoel langs de helling, die haar naar Edelhart voerde, laten afglijden, en de liefde had zich in hare ziel gevestigd, eer zij het wist, en eer zij op tegenstand bedacht was. De laatste gebeurtenissen hadden met vernieuwde kracht dien hartstocht, die op den bodem haars harten sluimerde, opgewekt. Nu, terwijl zij bij hem was, terwijl zij ieder oogenblik uit den mond zijner moeder en van zijne vrienden zijn lof hoorde verkondigen, was zij er toe gekomen om hare liefde te beschouwen als een deel uitmakende van haar bestaan; zij begreep niet, hoe zij zóólang had kunnen leven, zonder dien man te beminnen, dien zij van hare geboorte af scheen gekend te hebben.Zij leefde slechts voor hem en door hem, gelukkig als zij een blik of een glimlach van hem kon opvangen, vroolijk als zij hem zag, treurig als hij lang wegbleef.Edelhart was langs een gansch anderen weg tot hetzelfde einddoel gekomen. Opgevoed in de prairiën, om zoo te zeggen, van aangezicht tot aangezicht tegenover God, dien hij zich gewend had te vereeren in de grootsche werken, die hij altijd voor oogen had, hadden de verhevene natuurtafereelen, de gedurige worstelingen met de Indianen[172]of met de wilde dieren, zijnen geest zoowel als zijn lichaam buitengemeen ontwikkeld. Evenals hij door zijne spierkracht en zijne behendigheid in het hanteeren der wapenen alle hinderpalen, die hem in den weg stonden, wist te overwinnen, was hij ook door den rijkdom zijner denkbeelden en door de fijnheid van zijn gevoel, in staat om alle dingen te begrijpen. Niets wat goed en groot was, was hem onbekend. Gelijk meestal het geval is met zulke uitgelezen karakters, wanneer zij reeds vroeg met tegenspoed te worstelen hebben, en zonder andere verdedigers als zich zelven aan de vreeselijkste omstandigheden des levens zijn blootgesteld, had ook zijne ziel zich op buitengewone wijze ontwikkeld, maar tevens een zonderlinge naïveteit bewaard met betrekking tot zekere gevoelens, die hem altijd onbekend waren gebleven, en die hem, uit hoofde van zijne levenswijze, eeuwig onbekend zouden gebleven zijn, zoo niet een toeval hem te hulp ware gekomen. De dagelijksche behoeften van het veelbewogen en onzekere leven, dat hij leidde, hadden in hem de kiem van den hartstocht onderdrukt, zijne eenzaamheid had hem onbewust tot een meer beschouwend leven gevoerd.Daar hij geen andere vrouwen kende als zijne moeder, want de Indiaansche vrouwen hadden hem nooit iets anders als afkeer ingeboezemd, was hij zes en dertig jaren oud geworden, zonder aan liefde te denken, zonder te weten wat het was, en, wat meer zegt, zonder zelfs ooit dat veelbeteekenend woord, dat de bron is van zooveel verhevene opofferingen en van zooveel verschrikkelijke misdaden, te hebben hooren uitspreken. Als na een lange dagreize door bosschen en langs rotsachtige wegen, na een vermoeiende beverjacht, van vijftien tot zestien uren, Edelhart en Goedsmoeds zich in de prairie bij het wachtvuur vereenigden, liep hun gesprek natuurlijk over niets anders als over de gebeurtenissen van den dag. Zoo gingen er weken, maanden, jaren voorbij, zonder dat er eenige verandering in zijn toestand kwam, behalve dat zich een onbestemd gevoel van hem meester maakte, een verlangen naar hij wist niet wat, een ongerustheid waarvan hij de oorzaak niet kende, die hem langzaam ondermijnde, zonder dat hij er zich rekenschap van geven kon.Want de natuur heeft hare onverbiddelijke rechten, waaraan ieder, willens of onwillens, in welken toestand hij zich ook bevinde, zich moet onderwerpen.Toen dan ook het toeval hem metdoñaLuz in aanraking bracht, vloog zijn hart tot haar met hetzelfde gevoel van natuurlijke en onweerstaanbare aanhankelijkheid en eenstemmigheid, dat ook het meisje beheerschte. Zelf verbaasd over die plotselinge belangstelling voor eene vreemde, welke hij waarschijnlijk nooit weder zou zien, werd hij bijna wrevelig over dat in hem opkomend gevoel, en openbaarde hij in zijn omgang met haar eene gedwongenheid, die niet in zijn karakter lag. Evenals alle groote geesten, die steeds allen zonder tegenstand voor zich hebben zien buigen, hinderde hem het bewustzijn[173]van door een meisje beheerscht te worden, en onder een invloed te staan, waaraan hij zich reeds niet meer onttrekken kon.Doch toen hij na den brand der prairie het kamp der Mexicanen verliet, had hij, ondanks zijn haastig vertrek, de herinnering der vreemde in zijn hart medegenomen. Dat beeld was verder uitgewerkt door hare afwezigheid. Altijd meende hij in zijne ooren den zoeten, welluidenden toon van hare stem te hooren ruischen; altijd, hetzij hij waakte, hetzij hij sliep, stond zij voor hem, met een glimlach op de lippen, en met den blik op hem geslagen.De strijd was zwaar om te strijden. Edelhart, niettegenstaande den hartstocht die hem verteerde, wist welk een onoverkomelijke afstand hem vandoñaLuz scheidde. Hoe zinneloos zijne liefde was, hoe onmogelijk hare bevrediging. Alle tegenwerpingen, die in zulke gevallen slechts gemaakt kunnen worden, maakte hij, om zich zelven het bewijs te leveren, dat hij een dwaas was.Vervolgens, toen hij er in geslaagd was om zich zelven te overtuigen, dat er tusschen hem en haar, die hij liefhad, een diepe klove bestond, toen hij overwonnen was in den vreeselijken strijd, dien hij met zich zelven had aangegaan, en alleen de hoop, die den sterke nooit verlaat, hem misschien nog staande hield, was hij nog verre van zijne nederlaag te willen erkennen of zich weerloos over te geven aan dien hartstocht, die voortaan zijn eenig genot, zijn eenig geluk uitmaakte, en ging hij steeds voort met hem in het geheim te bestrijden, medelijden hebbende met zich zelven om die duizend kleine lafheden, die zijne liefde hem dagelijks deed begaan.Hij vermeed met eene standvastigheid, die het meisje zou hebben kunnen hinderen, elke gelegenheid om haar te ontmoeten; als het toeval hem dwong zich met haar samen te bevinden, werd hij stil en vervelend; op de vragen die zij tot hem richtte, antwoordde hij slechts met moeite en met die onhandigheid, die meestal de eerstbeginnenden in het vak der liefde kenmerkt; de eerste gelegenheid, die zich aanbood, nam hij waar, om haar te verlaten.Het meisje volgde hem treurig met hare oogen, zuchtte in stilte, en voelde soms een vochtige parel langs hare blozende wangen rollen, als zij dat afscheid zag, dat haar een bewijs zijner onverschilligheid toescheen, en dat toch een gevolg was van zijne liefde. Maar gedurende de weinige dagen, die er na de inneming van het kamp verloopen waren, waren de jongelieden onbewust eene groote schrede vooruitgegaan, te meer daar Edelharts moeder, met dien scherpen blik, welken alleen eene moeder bezit, zoo zij waarlijk dien naam verdient, den hartstocht van haren zoon geraden, zijn inwendigen strijd gezien, en zich zelve de geheime vertrouwde gemaakt had van die liefde, die zij buiten hun weten wilde bevorderen en tot een gelukkig einde brengen, terwijl zij beide voor zich zelven overtuigd waren, dat hunne liefde in de diepste diepte hunner ziel begraven lag.[174]Zoo stonden de zaken, twee dagen na dien, waarop de kapitein aandoñaLuz zijn voorstel gedaan had.Edelhart scheen droeviger gestemd dan gewoonlijk; hij wandelde met groote schreden in de grot op en neder, gaf met duidelijke teekenen zijn levendig ongeduld te kennen, en wierp nu en dan onrustige blikken om zich heen. Eindelijk leunde hij zich tegen een der wanden, liet zijn hoofd op zijne borst nederzinken en bleef in gedachten staan.Zoo stond hij een tijdlang, toen een zachte stem hem in het oor fluisterde:»Wat schort u toch, mijn zoon? van waar die droefheid, die uw gelaat bewolkt? Hebt gij slechte tijding ontvangen?”Edelhart hief het hoofd op, als iemand die eensklaps wordt wakker gemaakt. Zijne moeder endoñaLuz stonden voor hem, arm in arm op elkander leunende. Hij wierp een treurigen blik om zich heen, en antwoordde op doffen toon:»Helaas, moeder, morgen is het de laatste dag! ik heb nog niets kunnen bedenken, omdoñaLuz te redden, en haar haren oom terug te geven.”De twee vrouwen sidderden.»Morgen!” preveldedoñaLuz, »dat is waar, morgen moet die man komen.”»Wat zult gij doen, mijn zoon?”»Weet ik het, moeder?” antwoordde hij ongeduldig; »o, die man is sterker dan ik! hij heeft al mijne plannen verijdeld! Tot heden toe is het ons onmogelijk geweest zijne schuilplaats te ontdekken; al onze nasporingen hebben niet de minste vrucht opgeleverd.”»Edelhart,” zeide het meisje zachtjes, »zult gij mij dan aan de genade van dien bandiet overgeven? Waarom hebt gij mij dan gered?”»O,” zeide de jager, »dat verwijt zal mij dooden!”»Ik verwijt u niets, Edelhart,” zeide zij levendig, »maar ik ben zoo ongelukkig. Als ik blijf, dan ben ik oorzaak van den dood van den eenigen bloedverwant, dien ik ter wereld bezit; als ik ga, ben ik onteerd.”»O, en niets te kunnen doen!” riep hij bewogen uit, »u te zien schreien, u ongelukkig te weten, en niets te kunnen doen! O, om u een angst te besparen, zou ik gaarne mijn leven willen opofferen! God alleen weet, hoe mijne onmacht mij ter neder drukt.”»Hoop, mijn zoon!” zeide de oude dame op een toon van overtuiging. »God is goed, hij zal u niet verlaten.”»Hopen! wat zegt gij daar, moeder? Twee dagen lang hebben mijne vrienden en ik het onmogelijke beproefd, maar alles te vergeefs. Hopen! en binnen weinige uren zal die ellendeling zijn prooi komen opeischen! Ik wil liever sterven, dan zulk een misdaad te zien volbrengen.”DoñaLuz zag hem met een zonderlinge uitdrukking aan; een droevige glimlach plooide hare lippen, en hem zachtjes hare fijne[175]mollige hand op de schouders leggende, zeide zij met een welluidende stem:»Edelhart, bemint gij mij?”De jongeling sidderde; een rilling voer hem door de leden.»Waartoe die vraag?” vroeg hij bevend.»Antwoord mij, zonder aarzelen, en even vrij als ik het u vraag,” hernam zij: »het oogenblik is plechtig, ik heb u een gunst te verzoeken.”»O, spreek, mevrouw! gij weet, dat ik u niets kan weigeren.”»Antwoord mij dan eerst,” hernam zij huiverend, »bemint gij mij?”»Zoo u te beminnen, mevrouw, hetzelfde is als zijn leven voor u te willen opofferen; zoo u te beminnen hetzelfde is als de grootste marteling te ondergaan, wanneer ik een traan op uwe wangen zie biggelen; zoo u te beminnen hetzelfde is als den moed te hebben, om u morgen het offer te laten volbrengen, dat uw oom redden zal, ja, mevrouw, dan bemin ik u met al de liefde mijner ziel! spreek dus, spreek onbevreesd, wat gij mij vragen zult, ik zal het met vreugde doen.”»Goed, mijn vriend,” zeide zij; »ik reken op uw woord; morgen zal ik er u aan herinneren, als die man komt; maar eerst moet mijn oom gered worden, al moest ik mijn leven opofferen. Helaas! hij is mij tot een vader geweest, hij bemint mij als zijne dochter, om mijnentwil is hij den bandieten in handen gevallen. O, zweer mij, Edelhart, dat gij hem verlossen zult,” voegde zij er bij, met eene stem, die trilde van aandoening.Edelhart wilde juist antwoorden, toen Goedsmoeds en de Zwarte Eland de grot binnentraden.»Eindelijk!” riep hij uit, op hen toeschietende.De drie mannen bleven eenige oogenblikken met elkander staan fluisteren; vervolgens kwam de jager in aller ijl bij de twee vrouwen terug, zijn gelaat schitterde van vreugd.»Gij hebt gelijk, moeder,” riep hij uit; »God is goed, hij verlaat niet wie op hem vertrouwen. Nu ben ik het, die u zegt: hoop,doñaLuz, weldra zal ik uw oom wedergeven!”»O,” juichte zij, »zou het mogelijk zijn?”»Hoop, zeg ik u! vaarwel moeder! bid God, dat hij mij helpe! meer dan ooit zal ik zijne hulp van noode hebben.”Zonder meer te zeggen vloog hij de grot uit, door de meeste zijner makkers gevolgd.»Wat bedoelde hij toch?” preveldedoñaLuz angstig.»Kom, mijne dochter,” antwoordde de oude dame treurig, »laat ons voor hem bidden.”Zij trok haar zachtjes mede, naar het afzonderlijk vertrek, dat zij bewoonden.Er bleven slechts tien mannen in de grot, om de vrouwen te verdedigen.[176]
DoñaLuz en Edelhart stonden in een zonderlinge verhouding tegenover elkander. Beide jong, beide schoon, beminden zij elkander zonder het zich zelven te willen bekennen, zonder er zich bijna van bewust te zijn. Beide, hoewel hun vorig leven hemelsbreed van elkander[171]verschilde, bezaten een gelijke frischheid van gevoelens, een gelijke onschuld des harten.
De kindsheid van het meisje was eentonig en stil voorbij gegaan onder overdreven godsdienstige oefeningen, in dat land, waar het christendom veeleer eene soort van fetischdienst is, dan wel dat zuivere, edele, eenvoudige geloof van onze gewesten. Nooit had zij haar hart hooger voelen kloppen. Zij was onbekend met de liefde, onbekend met de smart. Zij leefde als de vogelen des hemels, den dag van gisteren vergetende, aan den dag van morgen niet denkende. Maar de reis, die zij ondernomen had, had een geheele verandering in haar bestaan teweeg gebracht. Het gezicht van den onmetelijken horizon, die zich voor haar in de prairie uitstrekte, van de prachtige rivieren, die zij overtrok, van de hooge bergen, waar zij vaak langs moest, en wier toppen den hemel schenen aan te raken, had den kring van hare denkbeelden grooter gemaakt, een blinddoek was haar als het ware van de oogen gevallen, zij had begrepen dat God haar voor iets anders geschapen had, als om in een klooster haar leven voort te slepen.
De verschijning van Edelhart, in de buitengewone omstandigheden, waarin hij zich aan haar voorstelde, had haren voor elken indruk vatbaren geest verleid. In zijne tegenwoordigheid voelde zij zich haars ondanks bewogen. Onbewust had haar hart het hart ontmoet, dat het zocht. Teeder en zwak als zij was, had zij behoefte aan dien krachtigen man, met dien doordringenden blik, met dien leeuwenmoed, met dien ijzeren wil, om haar staande te houden in het leven, en om haar onder zijne machtige bescherming te nemen.
Ook had zij zich van het eerste oogenblik af aan met onbeschrijfelijk zoet gevoel langs de helling, die haar naar Edelhart voerde, laten afglijden, en de liefde had zich in hare ziel gevestigd, eer zij het wist, en eer zij op tegenstand bedacht was. De laatste gebeurtenissen hadden met vernieuwde kracht dien hartstocht, die op den bodem haars harten sluimerde, opgewekt. Nu, terwijl zij bij hem was, terwijl zij ieder oogenblik uit den mond zijner moeder en van zijne vrienden zijn lof hoorde verkondigen, was zij er toe gekomen om hare liefde te beschouwen als een deel uitmakende van haar bestaan; zij begreep niet, hoe zij zóólang had kunnen leven, zonder dien man te beminnen, dien zij van hare geboorte af scheen gekend te hebben.
Zij leefde slechts voor hem en door hem, gelukkig als zij een blik of een glimlach van hem kon opvangen, vroolijk als zij hem zag, treurig als hij lang wegbleef.
Edelhart was langs een gansch anderen weg tot hetzelfde einddoel gekomen. Opgevoed in de prairiën, om zoo te zeggen, van aangezicht tot aangezicht tegenover God, dien hij zich gewend had te vereeren in de grootsche werken, die hij altijd voor oogen had, hadden de verhevene natuurtafereelen, de gedurige worstelingen met de Indianen[172]of met de wilde dieren, zijnen geest zoowel als zijn lichaam buitengemeen ontwikkeld. Evenals hij door zijne spierkracht en zijne behendigheid in het hanteeren der wapenen alle hinderpalen, die hem in den weg stonden, wist te overwinnen, was hij ook door den rijkdom zijner denkbeelden en door de fijnheid van zijn gevoel, in staat om alle dingen te begrijpen. Niets wat goed en groot was, was hem onbekend. Gelijk meestal het geval is met zulke uitgelezen karakters, wanneer zij reeds vroeg met tegenspoed te worstelen hebben, en zonder andere verdedigers als zich zelven aan de vreeselijkste omstandigheden des levens zijn blootgesteld, had ook zijne ziel zich op buitengewone wijze ontwikkeld, maar tevens een zonderlinge naïveteit bewaard met betrekking tot zekere gevoelens, die hem altijd onbekend waren gebleven, en die hem, uit hoofde van zijne levenswijze, eeuwig onbekend zouden gebleven zijn, zoo niet een toeval hem te hulp ware gekomen. De dagelijksche behoeften van het veelbewogen en onzekere leven, dat hij leidde, hadden in hem de kiem van den hartstocht onderdrukt, zijne eenzaamheid had hem onbewust tot een meer beschouwend leven gevoerd.
Daar hij geen andere vrouwen kende als zijne moeder, want de Indiaansche vrouwen hadden hem nooit iets anders als afkeer ingeboezemd, was hij zes en dertig jaren oud geworden, zonder aan liefde te denken, zonder te weten wat het was, en, wat meer zegt, zonder zelfs ooit dat veelbeteekenend woord, dat de bron is van zooveel verhevene opofferingen en van zooveel verschrikkelijke misdaden, te hebben hooren uitspreken. Als na een lange dagreize door bosschen en langs rotsachtige wegen, na een vermoeiende beverjacht, van vijftien tot zestien uren, Edelhart en Goedsmoeds zich in de prairie bij het wachtvuur vereenigden, liep hun gesprek natuurlijk over niets anders als over de gebeurtenissen van den dag. Zoo gingen er weken, maanden, jaren voorbij, zonder dat er eenige verandering in zijn toestand kwam, behalve dat zich een onbestemd gevoel van hem meester maakte, een verlangen naar hij wist niet wat, een ongerustheid waarvan hij de oorzaak niet kende, die hem langzaam ondermijnde, zonder dat hij er zich rekenschap van geven kon.
Want de natuur heeft hare onverbiddelijke rechten, waaraan ieder, willens of onwillens, in welken toestand hij zich ook bevinde, zich moet onderwerpen.
Toen dan ook het toeval hem metdoñaLuz in aanraking bracht, vloog zijn hart tot haar met hetzelfde gevoel van natuurlijke en onweerstaanbare aanhankelijkheid en eenstemmigheid, dat ook het meisje beheerschte. Zelf verbaasd over die plotselinge belangstelling voor eene vreemde, welke hij waarschijnlijk nooit weder zou zien, werd hij bijna wrevelig over dat in hem opkomend gevoel, en openbaarde hij in zijn omgang met haar eene gedwongenheid, die niet in zijn karakter lag. Evenals alle groote geesten, die steeds allen zonder tegenstand voor zich hebben zien buigen, hinderde hem het bewustzijn[173]van door een meisje beheerscht te worden, en onder een invloed te staan, waaraan hij zich reeds niet meer onttrekken kon.
Doch toen hij na den brand der prairie het kamp der Mexicanen verliet, had hij, ondanks zijn haastig vertrek, de herinnering der vreemde in zijn hart medegenomen. Dat beeld was verder uitgewerkt door hare afwezigheid. Altijd meende hij in zijne ooren den zoeten, welluidenden toon van hare stem te hooren ruischen; altijd, hetzij hij waakte, hetzij hij sliep, stond zij voor hem, met een glimlach op de lippen, en met den blik op hem geslagen.
De strijd was zwaar om te strijden. Edelhart, niettegenstaande den hartstocht die hem verteerde, wist welk een onoverkomelijke afstand hem vandoñaLuz scheidde. Hoe zinneloos zijne liefde was, hoe onmogelijk hare bevrediging. Alle tegenwerpingen, die in zulke gevallen slechts gemaakt kunnen worden, maakte hij, om zich zelven het bewijs te leveren, dat hij een dwaas was.
Vervolgens, toen hij er in geslaagd was om zich zelven te overtuigen, dat er tusschen hem en haar, die hij liefhad, een diepe klove bestond, toen hij overwonnen was in den vreeselijken strijd, dien hij met zich zelven had aangegaan, en alleen de hoop, die den sterke nooit verlaat, hem misschien nog staande hield, was hij nog verre van zijne nederlaag te willen erkennen of zich weerloos over te geven aan dien hartstocht, die voortaan zijn eenig genot, zijn eenig geluk uitmaakte, en ging hij steeds voort met hem in het geheim te bestrijden, medelijden hebbende met zich zelven om die duizend kleine lafheden, die zijne liefde hem dagelijks deed begaan.
Hij vermeed met eene standvastigheid, die het meisje zou hebben kunnen hinderen, elke gelegenheid om haar te ontmoeten; als het toeval hem dwong zich met haar samen te bevinden, werd hij stil en vervelend; op de vragen die zij tot hem richtte, antwoordde hij slechts met moeite en met die onhandigheid, die meestal de eerstbeginnenden in het vak der liefde kenmerkt; de eerste gelegenheid, die zich aanbood, nam hij waar, om haar te verlaten.
Het meisje volgde hem treurig met hare oogen, zuchtte in stilte, en voelde soms een vochtige parel langs hare blozende wangen rollen, als zij dat afscheid zag, dat haar een bewijs zijner onverschilligheid toescheen, en dat toch een gevolg was van zijne liefde. Maar gedurende de weinige dagen, die er na de inneming van het kamp verloopen waren, waren de jongelieden onbewust eene groote schrede vooruitgegaan, te meer daar Edelharts moeder, met dien scherpen blik, welken alleen eene moeder bezit, zoo zij waarlijk dien naam verdient, den hartstocht van haren zoon geraden, zijn inwendigen strijd gezien, en zich zelve de geheime vertrouwde gemaakt had van die liefde, die zij buiten hun weten wilde bevorderen en tot een gelukkig einde brengen, terwijl zij beide voor zich zelven overtuigd waren, dat hunne liefde in de diepste diepte hunner ziel begraven lag.[174]
Zoo stonden de zaken, twee dagen na dien, waarop de kapitein aandoñaLuz zijn voorstel gedaan had.
Edelhart scheen droeviger gestemd dan gewoonlijk; hij wandelde met groote schreden in de grot op en neder, gaf met duidelijke teekenen zijn levendig ongeduld te kennen, en wierp nu en dan onrustige blikken om zich heen. Eindelijk leunde hij zich tegen een der wanden, liet zijn hoofd op zijne borst nederzinken en bleef in gedachten staan.
Zoo stond hij een tijdlang, toen een zachte stem hem in het oor fluisterde:
»Wat schort u toch, mijn zoon? van waar die droefheid, die uw gelaat bewolkt? Hebt gij slechte tijding ontvangen?”
Edelhart hief het hoofd op, als iemand die eensklaps wordt wakker gemaakt. Zijne moeder endoñaLuz stonden voor hem, arm in arm op elkander leunende. Hij wierp een treurigen blik om zich heen, en antwoordde op doffen toon:
»Helaas, moeder, morgen is het de laatste dag! ik heb nog niets kunnen bedenken, omdoñaLuz te redden, en haar haren oom terug te geven.”
De twee vrouwen sidderden.
»Morgen!” preveldedoñaLuz, »dat is waar, morgen moet die man komen.”
»Wat zult gij doen, mijn zoon?”
»Weet ik het, moeder?” antwoordde hij ongeduldig; »o, die man is sterker dan ik! hij heeft al mijne plannen verijdeld! Tot heden toe is het ons onmogelijk geweest zijne schuilplaats te ontdekken; al onze nasporingen hebben niet de minste vrucht opgeleverd.”
»Edelhart,” zeide het meisje zachtjes, »zult gij mij dan aan de genade van dien bandiet overgeven? Waarom hebt gij mij dan gered?”
»O,” zeide de jager, »dat verwijt zal mij dooden!”
»Ik verwijt u niets, Edelhart,” zeide zij levendig, »maar ik ben zoo ongelukkig. Als ik blijf, dan ben ik oorzaak van den dood van den eenigen bloedverwant, dien ik ter wereld bezit; als ik ga, ben ik onteerd.”
»O, en niets te kunnen doen!” riep hij bewogen uit, »u te zien schreien, u ongelukkig te weten, en niets te kunnen doen! O, om u een angst te besparen, zou ik gaarne mijn leven willen opofferen! God alleen weet, hoe mijne onmacht mij ter neder drukt.”
»Hoop, mijn zoon!” zeide de oude dame op een toon van overtuiging. »God is goed, hij zal u niet verlaten.”
»Hopen! wat zegt gij daar, moeder? Twee dagen lang hebben mijne vrienden en ik het onmogelijke beproefd, maar alles te vergeefs. Hopen! en binnen weinige uren zal die ellendeling zijn prooi komen opeischen! Ik wil liever sterven, dan zulk een misdaad te zien volbrengen.”
DoñaLuz zag hem met een zonderlinge uitdrukking aan; een droevige glimlach plooide hare lippen, en hem zachtjes hare fijne[175]mollige hand op de schouders leggende, zeide zij met een welluidende stem:
»Edelhart, bemint gij mij?”
De jongeling sidderde; een rilling voer hem door de leden.
»Waartoe die vraag?” vroeg hij bevend.
»Antwoord mij, zonder aarzelen, en even vrij als ik het u vraag,” hernam zij: »het oogenblik is plechtig, ik heb u een gunst te verzoeken.”
»O, spreek, mevrouw! gij weet, dat ik u niets kan weigeren.”
»Antwoord mij dan eerst,” hernam zij huiverend, »bemint gij mij?”
»Zoo u te beminnen, mevrouw, hetzelfde is als zijn leven voor u te willen opofferen; zoo u te beminnen hetzelfde is als de grootste marteling te ondergaan, wanneer ik een traan op uwe wangen zie biggelen; zoo u te beminnen hetzelfde is als den moed te hebben, om u morgen het offer te laten volbrengen, dat uw oom redden zal, ja, mevrouw, dan bemin ik u met al de liefde mijner ziel! spreek dus, spreek onbevreesd, wat gij mij vragen zult, ik zal het met vreugde doen.”
»Goed, mijn vriend,” zeide zij; »ik reken op uw woord; morgen zal ik er u aan herinneren, als die man komt; maar eerst moet mijn oom gered worden, al moest ik mijn leven opofferen. Helaas! hij is mij tot een vader geweest, hij bemint mij als zijne dochter, om mijnentwil is hij den bandieten in handen gevallen. O, zweer mij, Edelhart, dat gij hem verlossen zult,” voegde zij er bij, met eene stem, die trilde van aandoening.
Edelhart wilde juist antwoorden, toen Goedsmoeds en de Zwarte Eland de grot binnentraden.
»Eindelijk!” riep hij uit, op hen toeschietende.
De drie mannen bleven eenige oogenblikken met elkander staan fluisteren; vervolgens kwam de jager in aller ijl bij de twee vrouwen terug, zijn gelaat schitterde van vreugd.
»Gij hebt gelijk, moeder,” riep hij uit; »God is goed, hij verlaat niet wie op hem vertrouwen. Nu ben ik het, die u zegt: hoop,doñaLuz, weldra zal ik uw oom wedergeven!”
»O,” juichte zij, »zou het mogelijk zijn?”
»Hoop, zeg ik u! vaarwel moeder! bid God, dat hij mij helpe! meer dan ooit zal ik zijne hulp van noode hebben.”
Zonder meer te zeggen vloog hij de grot uit, door de meeste zijner makkers gevolgd.
»Wat bedoelde hij toch?” preveldedoñaLuz angstig.
»Kom, mijne dochter,” antwoordde de oude dame treurig, »laat ons voor hem bidden.”
Zij trok haar zachtjes mede, naar het afzonderlijk vertrek, dat zij bewoonden.
Er bleven slechts tien mannen in de grot, om de vrouwen te verdedigen.[176]