DERDE HOOFDSTUK.

De Liberale Partijen.

Het is nu vier jaren geleden, dat de leider der Nederlandsche Socialisten, Mr. Troelstra, een overzicht gevende van de verschillende groepen der Tweede Kamer, aan het adres der liberalen met een zeker genoegen de volgende woorden richtte: »Er blijft mij een tweede taak over, en dat is een blik te werpen op de linkerzijde, een blik op.... wat zeg ik? op de liberale partij? dat kan men niet zeggen; op de liberale partijen? dat kan men niet meer zeggen. Een van de geachte sprekers heeft gezegd, »ongeorganiseerde liberalen«, ik moet dus zeggen een blik op de verschillende personen en de verschillende groepen, die onder den naam van liberalen zijn gezeten aan die zijde der Kamer.«

Dit strenge oordeel is niet van billijkheid en grond ontbloot. De groote liberale partij van 1850 bestond niet meer en bij het gezicht van de verschillende brokstukken, verstrooid op deruïnevan haar staathuishoudkundige leer, is het niet dan met zekeren weemoed dat men denkt aan den tijd, toen minister Thorbecke bij de aanvaarding der regeering in stoute taal Groen van Prinsterer, die hem naar zijn program vroeg antwoordde: »Wacht onze daden af.«

Op dat oogenblik was de herziening van de grondwet juist gereed, waardoor het parlementaire stelsel voor Nederlandvastgesteld en het nationale leven met een nieuwen geest bezield werd.

Zij was voltooid door de gezamenlijke pogingen van liberalen en Roomschen. Een liberaal ministerie kwam aan het bewind, terwijl in het land een liberale partij werd gevormd.

Het trotsche woord van den eersten minister was geen ijdel woord. Hij begon de wetgeving en het bestuur van den staat in te richten naar de beginselen van het liberalisme en hij slaagde er in, een tijd van voorspoed en grootheid voor de natie te scheppen. »In die dagen«, schreef Mr. Schaepman, »welke Mr. Heemskerk haar heldentijdperk noemde,—had de liberale partij, hoewel later met welwillende medewerking van Mr. Heemskerk zelf, de wetten en reglementen tot een vruchtbaar einde gebracht, zoodat zij diep hadden wortel geschoten in het volksleven.”

Met groote werkkracht voorzien, toegerust met groote kennis en macht, gaf zij er proeven van op alle gebied.

Dat was de »gouden tijd« van de liberale partij. Met al haar jeugdige kracht streed zij met edelmoedige geestdrift tegen de conservatieve partij voor gelijke rechten van allen en voor gezonde ontwikkeling van de staatsinstellingen. Overeenkomstig deze orde van zaken, wilde zij de volledige en algeheele toepassing van de liberale beginselen der grondwet n.l. de erfelijke monarchie van het regeerend Oranjehuis, in overeenstemming met de volksvertegenwoordiging, door middel van verantwoordelijke ministers, benoemd door de kroon en ondersteund door de volksvertegenwoordigers. Verder wilde zij zelfbestuur van provinciën en gemeenten, van dijken en waterschappen volgens het algemeen belang; vrijheid van godsdienst en vrijheid van de afdeelingen der verschillende broederschappen; absolute vrijheid der kerkgenootschappen zonder aan één harer de voorkeur te geven en met volkomen onafhankelijkheid van den staat tegenover de verschillende dogma's en godsdienstige meeningen; vrijheid van onderwijs, van drukpers en vergaderingen; verzorging van het openbaar onderwijs enpublieken onderstand; vrijheid van handel en industrie en van geldsomloop, waartoe het aanwenden van eigen middelen zou aangemoedigd worden; streng toezicht op het financieel beheer; openbare bespreking van de publieke zaak; autonomie van de rechtelijke macht.

Dank zij Thorbecke en zijn vrienden werden vele van deze wenschen verwezenlijkt. Tal van organische wetten en menigvuldige reglementen van inwendig beheer stelden de nieuwe grondwet in werking.

Door hunne zorgen werd de arme bevolking der koloniën beschermd, de indirecte belasting op de noodzakelijkste levensbehoeften opgeheven en het beginsel van progressie in de directe belastingen vastgesteld.

Gedurende bijna vijf-en-twintig jaren speelde Thorbecke aan het hoofd van de liberale partij een eenige rol in de Nederlandsche politiek. »Velen beschouwden hem als het ideaal van een staatsman«, zegt Dr.Nuyens, »hij bezat den sleutel van de politieke kwesties, die toen aan de orde waren«. Drie malen minister zijnde, regeerde hij vaker nog door zijne volgelingen, door de ministeries »Thorbecke zonder Thorbecke« of zooals men zeide, om de uitdrukking over te nemen uit de Arnhemsche Courant, de »ministeries hazepeper zonder haas«. De reden daarvan was, dat Thorbecke slecht gezien was bij het hof, om zijn meesterachtige manieren, en dat dit hem slechts aan het bewind riep omdat het niet anders kon. Bovendien had zijne openhartigheid en zijne standvastigheid op stuk van beginselen hem veel persoonlijke vijanden bezorgd. Hij was een man uit één stuk, van groot verstand en van onwrikbaar karakter, met groot plichtbesef, vurig en vol zorg om al zijne kennis en wetenschap aan den voorspoed en het welzijn van zijn vaderland dienstbaar te maken. Zijn lang en vruchtbaar leven, alsmede zijn ongelooflijke werkkracht had een bizonderen stempel gezet op de Nederlandsche geschiedenis. Zoo teekent de heer G. Douwes in zijne staatkundige geschiedenis hem ons. Zijne tegenstanders noemden hem echter ietwat verachtelijk: den burger, den democraat, die met de traditie en met al wat eerbiedwaardig was in hunne oogen wilde breken; ten eindedit te vervangen door de een of andere nieuwe en ongehoorde zaak, waarvan nog niet de proef was genomen.

En bij het einde van zijn loopbaan moest hij bedroefd worden door zekere oude vrienden van zich te zien heengaan, die hem te leerstellig vonden, niet meer op de hoogte van zijn tijd. Dit kwam, doordat de ideeën zich terzelfdertijd hadden ontwikkeld, dat hij was oud geworden en zijn invloed met zijne krachten verminderd.

Maar bij zijn dood, die hem tijdens zijn derde ministerie verraste op den 4en Juni 1872, werd de dankbaarheid des volks openbaar en zijne verdiensten werden algemeen erkend en uitgeroepen. Zijn dood had een nationalen rouw tengevolge. Om hulde te bewijzen aan zijn buitengewone hoedanigheden en zijne toewijding aan de publieke zaak, werd een wet van »dotatie«, geldelijke beschikking, aangenomen met op vier na algemeene stemmen in de Tweede Kamer, en op één na in de Eerste, waarin aan zijn beide dochters een jaargeld van f 4000 overeenkomstig het pensioen dat hun vader zou hebben ontvangen, werd toegekend. Van andere zijde werd in enkele maanden een inschrijving volteekend om voor »den meester« een standbeeld op te richten, dat den 18en Mei 1876 onthuld werd te Amsterdam.

Volgens de erkenning van allen was een groot man, een der grootste, van het wereldtooneel verdwenen, een diep denker, bekwaam staatsman, voor velen een trouwe gids.

Hij had nog de eerste verschillen gezien onder de liberale partij, waarvan hij totnogtoe de kracht en de eenheidsband was geweest. Tengevolge van hunne hardnekkigheid had voor een laatste maal de »staatsman met grijze haren« het ministerieele harnas aangetrokken in 1871.

Na het verlies van hun aanvoerder verdeelden zich de liberalen meer en meer, maar daar zij zonder ophouden front hadden te maken tegen den gemeenschappelijken vijand, bleven zij onoverwinnelijk en kommandeerden als heeren het volk. Toch verzwakten zij voortdurend en werden minder in aantal, naarmate hunne leer zich ontwikkeldeen elken dag tegenover de werkelijkheid van haar invloed en onfeilbaarheid verloor.

***

De liberale partij was voortgesproten uit de Fransche Revolutie. Zij had tot grondslag de souvereiniteit van het volk en het stelsel van de staathuishoudkunde der liberalen. Zij vond behagen in de afgetrokken begrippen naar de wijze van de Fransche Revolutie-beginselen. Deze hadden den mensch genomen, losgemaakt van alle traditie en van elke gemeenschap en vrijgemaakt van alle hooger gezag, terwijl de volstrekte heerschappij der rede uitgeroepen werd. Vervolgens werden de rechten geproclameerd van den idealen mensch, die evenwel tot een nul werd verlaagd tegenover een staat, die almachtig was door de brute macht van meerderheid. Het staatsliberalisme was zóó doorgegaan; het had in den mensch slechts een middel gezien om zijn rijkdom voort te brengen, zonder zich over iets anders te verontrusten; zonder in te zien dat de arbeider niet alleen mechanische, maar ook zedelijke en maatschappelijke waarde bezit, en dat deze niet van elkander te scheiden zijn. De liberale partij verzamelde deze ideeën en zij voegde er op staatkundig terrein nog een en ander aan toe; zij bevrijdde den staat, evenals de individuen die hem vormden, van elke beslommering op godsdienstig of zedelijk gebied, daar zij beweerde, dat de menschen in de samenleving daarmede niet te maken hadden, maar dat godsdienst privaatzaak was.

De liberalen beminden de vrijheid met sterken, overdreven hartstocht en daarin pasten zij wel bij hun tijd. Zij beschouwden haar als het hoogste doel, als het heerlijkste goed dat op aarde bestond, en opdat zij meer ten volle en volkomen heerschen zou in al hare openbaring, moest de staat zich in een stelselmatige neutraliteit persen, zich vergenoegen met de bescherming van de individueele vrijheid.

»Een eerste eisch voor den staat is«, zooschreefThorbecke in zijn politiek testament, »zich van alles te onthouden, dat niet aan haar als wetgevend lichaam onderworpen is.«

»Laat maar gaan, laat maar loopen!” daarop kwam practisch het program neer van de liberale partij in de twee vraagstukken, die volgens den heer De Mun nauw met elkander saamhangen en de geheele politiek beheerschen: de sociale en de godsdienstige kwestie.

Overeenkomstig dit geheele systeem had het liberalisme een bizondere opvatting van de rol der regeering, en deze opvatting leed geheel en al aan dwaling en zwakheid. Die dwaling werd gezien op het gebied van den godsdienst. Aangezien de staat zich vóór geen andere moraal of rechtsleer mocht verklaren, dan die hij zelf proclameerde, kwam hij er toe zich op een even zachte als noodlottige helling te begeven ten opzichte van de godsdiensten, die hij tevoren had geïgnoreerd. De volstrekte neutraliteit, die de regeering beleed, was reeds een begin van verloochening. En ziehier nu, hoe hij langzamerhand door de vreemde doortrekking van die valsche leer verleid werd, om zijn houding, die vreemd was aan de werkelijkheid en het gezond verstand, te laten varen en zich te begeven op het erf van het geweten; een Credo of liever een tegen-Credo te bepalen, dit met geweld op te dringen en de persoonlijke vrijheid te vernietigen in naam zelfs van de vrijheid.

Daar moet men zich niet over verwonderen. Want het beginsel van de volkssouvereiniteit, welke de oorsprong van de macht in de volksmeerderheid liet rusten, wettigde elke buitensporigheid, daar hierdoor de staat in de meening kwam, dat hij zelf het recht aangeven kon, indien hij maar de meerderheid voor zich had.

De zwakheid kwam uit op sociaal terrein. Van de volstrekte vrijheid, door het liberalisme gepredikt, kon geen zedelijkheid of harmonie uitgaan. »De vrijheidsleer”, zegt Bucher, »stelt vast, dat ieder mensch tegenover de anderen geheel vrij is, en hierin slechts door de vrijheid van zijn evenmensch wordt begrensd. Hieruit moet men besluiten, dat de mensch geen andere wet heeft om zijn lust te breidelen, dan de tegenstand van de lusten der andere menschen; dat hij geen andere kracht heeft te overwinnen dan die van zijns gelijken; hieruit vloeit deze gevolgtrekking voort, dat de samenleving voor allen schadelijkis, die er geen genotmiddel van weten te maken«. De regeering, volkomen onverschillig tegenover deze botsing van de belangen en den strijd om het bestaan tusschen sterken en zwakken, kwam er alleen bij om zich te beijveren de soort van anarchie, die hieruit geboren werd, te doen eerbiedigen, welke met den schoonen naam van maatschappelijke orde werd gesierd. Deze onthouding onder schijn van edelmoedigheid was op haar pas geweest, zoo de mensch, volgens de zoo geliefde theorie van Rousseau, van nature goed was; maar nu had zij het grofste egoisme, de verkrachting van de rechten der natuur, de verdrukking van de zwakken door de sterken, tengevolge.

Naarmate het liberale systeem in beoefening werd gebracht, moesten de sociale nooden meer tevoorschijn komen. Nooden van maatschappelijke orde, van regeering, van maatschappelijke banden, van wederkeerige waarborgen, van gemeenschappelijke geloofsbelijdenissen, van de bewaring van gezinnen en hunne goederen in een toestand meer overeenkomstig hunne welvaart, van groepeering der cellen van den bijenkorf onderling buiten het bereik van de tirannie der regeering. Dat alles werd door de liberale partij miskend, of liever het wilde ze niet kennen. Zij sloot de oogen voor de werkelijkheid, en dat is altijd een teeken van zwakheid en verval.

Bovendien was een leerstelsel opgekomen, dat gevolgtrekking was van de liberale leer en tevens tegen haar in werkte, het socialisme n.l., dat de beginselen, die het liberalisme had gemaakt tot het hoogste goed van de bourgeoisie, ten nutte aanwendde voor den vierden stand.

Dit socialisme beweerde het geneesmiddel te bezitten voor al de kwalen der maatschappij. Zijne aanvallen alsmede die der orthodoxen, die de herstelling begeerden van het beschermend werk van den christenstaat—over een christenvolk—slaagden er in om den liberalen kolossus van het voetstuk af te werpen, waarop de volksgunst hem had geplaatst, en zoo het bankroet van hun systeem volkomen te maken.

Onder den druk, die zich deed gevoelen in de richting van de socialistische pool, begonnen de liberalen inNederland te begrijpen, dat het gevaarlijk is voor een partij om niets te willen, wanneer de volksmenners alles willen en het volk iets wil. Na eerst lijdelijk weerstand geboden te hebben, begaven zij zich schroomvallig in de richting van de sociale hervormingen. Hun verouderde beginselen verlatende, trachtten zij een nieuw denkbeeld te vinden en voor het meerendeel neigden zij zich meer of minder naar het socialistische denkbeeld, hetwelk aan hunne beginselen als logische consequentie, hoe verschillend anders ook, ten grondslag lag.

Degenen, die het meest gehecht zijn aan de oude leer, moeten deze karakteristieke ontwikkeling erkennen. Zoo schreef de heer Van der Kaay, oud-minister van justitie in het kabinet Van Houten: »De Staat werd met geweld in aanraking gebracht met de sociale belangen, zooals de wettelijke regeling van de handenarbeid en de verzending der koopmansgoederen. Van alle kanten werd hij besprongen door personen, die hem om zijn hulp meer dan om de vrijheid verzochten. Daardoor was het voor de regeering bijna onmogelijk zich te onthouden. De wetgeving is niet zonder invloed op deze belangen en waar het op de liberale regeering rustte, de vereenigingen en de particuliere personen aan te moedigen tot de ontwikkeling van hun eigen krachten, door algemeene voorwaarden te scheppen, die deze ontwikkeling mogelijk maakten, daar kwamen er moeilijke kwesties voor de regeering voor, die opgelost moesten worden, vooral wanneer men zich herinnert dat deze algemeene voorwaarden ook moesten gelden voor armen en de verwaarloosden”.

En hij voegt er bijna berustend aan toe: »Men kon zich niet onttrekken aan den invloed van degenen, die hem omringden, noch aan de eischen van den tegenwoordigen tijd.”

Zie ons daar ver verwijderd van de theorieën van Thorbecke! De liberalen hebben ze òf ten deele òf geheel laten varen. Zij hebben in de tusschenkomst der regeering toegestemd en uit het program der socialisten enkele hervormingen overgenomen, varieerend in getal en gewicht naar hunne genegenheid en geaardheid. Terzelfder tijdhebben zij hun onverschillige houding laten varen, om meer en meer tegen de kerkelijken op te trekken. Dat was het einde van eene neutraliteit, die in de werkelijkheid niet kon bestaan, en het was toch natuurlijk dat zij zich onbewust wellicht door de logica van hunne grondstelling lieten meesleepen naar het socialisme.

Maar deze verschuiving in de linkerzijde heeft niet ineens plaatsgehad. Zij had vijftig jaar geduurd, en was eerst onmerkbaar; in de laatste jaren echter had zij haar loop versneld en, meer of minder langdurig door de hinderpalen van den weg opgehouden, had zij de overblijfselen van de groote liberale partij achter zich gelaten.

***

Van den tijd vanThorbeckeaf was er eene beweging onder de troepen van het liberalisme. Ongeveer in 1866, bij gelegenheid van het koloniale vraagstuk, begon men van gematigden en geavanceerden te spreken, genen bleven den »Meester” getrouw, dezen verlieten hem om de radicale beginselen van Fransen van der Putte te volgen. De scheiding werd eerst voltrokken, toen de regeering haar stelsel om zich aan alles te onthouden meer en meer varen liet.

Sedert 1872 worden ons door Opzoomer—in zijn boek: »Grenzen van de staatsmacht”—de volgende regels aangegeven voor staatsbemoeiing:

1o. Men moet in zijn geheele uitgebreidheid het beginsel van gelijkheid van allen handhaven, zelfs van vreemdelingen tegenover de justitie en de politieverordeningen.

2o. Men moet erkennen, dat elk ander regeeringswerk het voorwerp der besprekingen mag zijn. Het is van belang, dat in de debatten van dat soort een goede toon bewaard blijft en geen bij- of scheldnamen van socialist of individualist gebruikt worden.

3o. Het is noodig, dat men iedere nieuwe taak weigert, tenzij het onderzoek heeft aangetoond, dat het belang van de natie de daadwerkelijke tusschenkomst vanden staat vordert en dat zonder dat de taak niet of slecht wordt vervuld.

4o. Men moet zonder vooringenomenheid onderzoeken, of een gedeelte van de taak niet nuttiger zou kunnen worden vervuld door bijzondere vereenigingen of door particulieren.

5o. Men moet de geworden veranderingen aanbrengen, noodzakelijk door de wijziging der publieke opinie.

De tusschenkomst van den staat onder regels brengen, dat is reeds: ze toestaan. En de »Grenzen” van Opzoomer laten ons een staat zien, door het verstand beheerscht. Zij wettigen de gedeeltelijke verlating van het leerstelsel, waartoe de laatste verplicht werd, om zich te veranderen in een verstandelijk opportunisme en door hunne termen bewijzen zij dat er reeds een levendige oppositie gevoerd werd tusschen de beide tegenovergestelde groepen.

Deze oppositie werd grooter, daar de een zonder ophouden de tusschenkomst van den Staat niet ver genoeg vond, en de andere steeds vreesde haar verder zich te zien uitstrekken. De grondwetsherziening en de hervorming van het kiesrecht, twee vraagstukken, die in Nederland nauw met elkander verbonden zijn, waar het kiesrecht is bepaald bij de grondwet, en waarvan men weldra in politieke kringen begon te spreken, brachten deze oppositie op een critiek punt. Onder den invloed van de hartstochtelijke twistgesprekken werd de scheiding zoo groot onder de liberalen, dat zij momenteel de meerderheid verloren in de Tweede Kamer.

Om de partij voor volkomen nederlaag te bewaren, beproefden vele leden het grootst-mogelijke aantal partijgenooten in de organisatie »de Liberale Unie” te vereenigen. Maar deze organisatie, naar zij zeide, die de overeenstemming wilde herstellen, tusschen de liberalen van verschillende schakeering, om den politieken invloed tegen te gaan der confessioneele partij, slaagde er slechts in, den voortgang der ontbinding tegen te gaan.

De verdediging van de schoolwet, een werk van deliberale regeering, behield nog gedurende eenigen tijd een kunstmatige eenheid, maar in 1889 ontnam de wet-Mackay haar veel van hare belangrijkheid en men moest besluiten de sociale kwesties onder de oogen te zien.

Te dien einde begon de »Liberale Unie” het hervormingsprogram uit te werken. Maar dit wekte ernstige ontevredenheid onder de geavanceerden, die zich over de beslissende verklaringen beklaagden, welke grenzen trokken te nauw voor de persoonlijke meeningen, met betrekking tot eenige wetsvraagstukken, waarvan men het onmisbare onderzoek ter nauwernood begonnen was. De heer Pierson onthield zich niet van critiek. Een manifest verscheen met 33 handteekeningen en proclameerde tot plicht van den staat »de tusschenkomst ten gunste der misdeelden door middel van wettelijke maatregelen.« De geestelijke verwijdering was te zeer verscherpt om elkander te kunnen verstaan in een gemeenschappelijk program.

Onderwijl werd met het ontwerp-Tak van Poortvliet, het vraagstuk van de regeling van het kiesrecht opnieuw gesteld. Dit was de aanleiding tot de breuk. Eenigen met Kerdijk en de leden van het ministerie Tak zich noemende Progessisten of zelfs radicalen, spraken zich ten gunste van een groote uitbreiding van kiezers uit, door de opheffing van alle census en vaststelling van een soort van algemeen kiesrecht. Anderen met Mr. Roëll en Van Houten, die zich bij hem had gevoegd, toonden zich conservatief en trachtten er naar, dat de minst-mogelijke verandering werd verkregen in het stuk van den census. Het parlementaire steekspel duurde vier jaren, nam de krachten van twee ministeries in beslag en eindigde met een voorloopig besluit, een soort van overgang, waarin de gematigden de overwinning behaalden.

Alle partijen verlieten den strijd in groote beroering; de liberale partij meer dan een der andere. Gedurende een oogenblik van stilstand der twisten, gelukte het bij de verkiezingen van 1897, om de krachten der linkerzijde tegen het clericale gevaar te vereenigen, maar deze wapenstilstand was misleidend. Niet alleen was de breuk tusschen gematigden en progessisten volkomen, maar de verdeeldheiddrong ook door zelfs in de rijen van de »Liberale Unie”. Het bestuur had het plan om in 1900, de kwestie van herziening der grondwet aan de orde te stellen, als middel ter invoering van het algemeen kiesrecht, maar verkreeg de afkeuring van de algemeene vergadering, die weigerde hem op dien weg te volgen. Het gevolg er van was een sterke splitsing. Het besturend comité trad af en trok zich terug, gevolgd door zijne getrouwen. De ontevredenen besloten in overleg met de radicalen, nadat zij bij hun vertrek de deur achter zich hadden dichtgeslagen, een nieuwe partij te vormen. Te dien einde kwamen zij dichter bij de socialistische partij te staan en zij ontplooiden er de vlag van den Vrijzinnig-democratischen Bond.

Dientengevolge is de liberale partij, eertijds zoo machtig, dat men geloofde dat zij voor altijd meester was van de toekomst van Nederland, op dezen tijd geheel gedesorganiseerd. In 1898 antwoordde op de vraag of er in Nederland nog een groote liberale partij is, de heer Van der Kaay bevestigend, terwijl hij echter toestemde dat enkele liberalen daarop een ontkennend antwoord zouden geven. Heden is geen twijfel meer mogelijk; zij bestaat niet meer, zooals de heer Troelstra zeide, want er is onder de verschillende brokstukken geen eenheid van doel of van handeling. De zuivere liberalen, de mannen van »laat maar gaan”, zooals men ze noemde, zijn bijna geheel verdwenen. Overigens, terwijl eenigen zich zoo getrouw mogelijk hielden aan het oorspronkelijke leerstelsel, hebben anderen een vasten vorm aan hun »vooruitgang” gegeven door zich »progressisten” te noemen. Nog anderen hebben zich op de grenzen van het socialisme geposteerd, waarvan zij slechts gescheiden zijn door een denkbeeldigen muur, die bij het minste zuchtje omvergeworpen wordt. Alzoo vinden wij ter rechterzijde de oud-liberalen, ter linkerzijde de vrijzinnig-democraten, en de vooruitstrevende liberalen in 't midden.

Naar alle waarschijnlijkheid groeide de verbrokkeling aan, naarmate de politieke invloed van deze partijen minder werd. Van het ideaal ontdaan, voeren zij meer en meerin het zog van het socialisme of sloten zij zich in een soort van onmachtig isolement op. Zij zouden nog wel eenigen tijd voort kunnen leven en een bijzondere rol spelen, maar sedert het bankroet van het stelsel, dat aan het liberalisme ten grondslag lag, hebben ze nog slechts eenige beteekenis als de partij van het juiste midden, wier invloed en kracht met elke gebeurtenis bij den dag minder wordt.

Deze zijn het meest aan de liberale tradities getrouw gebleven. Toen anderen ze verlaten hadden om de vrijheid van het individu aan het absolutisme van den staat op te offeren, hebben de oud-liberalen zich sterk gemaakt om in de oude positie te blijven staan.

Zij weken zeer langzaam er van af; verlieten duim voor duim het terrein, toen het hun onmogelijk was er langer te blijven. Indien zij ook al niet de volkomen onthouding van den Staat predikten en indien zij al niet tegenstanders van hervormingen waren, zij wilden ze toch zoo min mogelijk. Ook noemt men ze nog de gematigd-liberalen, want dat zijn ze, zoowel in hun wenschen als in hun taal. »Gelijk overvoeding noodlottig is, voor het menschelijke lichaam,” zoo spreken zij, »zoo kan de maatschappij niet te veel hervormingen tegelijk verdragen.” Maar zij begrepen niet dat, door al te matig te zijn, zij gevaar liepen haar te doen sterven aan verzwakking en uittering. Conservatief van principe even goed als van methode hadden zij een groote vrees voor al wat hun avontuurlijk toescheen. »Bezint eer gij begint!” herhaalden zij in alle toonaarden, en daarin was hunne voorzichtigheid verstandig. Maar zij bezonnen zich zoo lang en zoo goed, dat zij insliepen op hunne stellingen en niet zagen, dat de wassende stroom van het socialisme hen geheel dreigde in te sluiten.

Het socialisme, waarvoor zij bevreesd waren en dat zijdachten te beperken door hun lijdelijk verzet, is niet het eenige gevaar, dat hen verschrikt. Er is een ander, dat hun meer aan de orde van den dag en verschrikkelijker toeschijnt, het is n.l. wat Gambetta in deze woorden omschreef: »Het maatschappelijk gevaar, dat is het clericalisme”. Dat is de formuleering, die in het bizonder de heer Van Houten tot de zijne gemaakt heeft en die hij ontwikkelde met voortdurende vijandschap.

Tusschen deze beide gevaren heen en weder bewogen, namelijk tusschen het socialisme en het clericalisme, slaagden de oud-liberalen, die door een voorzichtige gelegenheidspolitiek het liberale stelsel met de eischen des tijds trachtten overeen te brengen, er slechts in een nuttigheidspolitiek te voeren. Niet, dat het hun aan wijsheid en beleid ontbrak. In hunne rijen waren mannen van naam in grooten getale aanwezig. Er waren rechtsgeleerden en wijsgeeren bij, zooals de heeren Van der Kaaij en Van Houten, redenaars als de heeren De Beaufort en Roëll, eminente hoogleeraren als de heer Van der Vlugt, diplomaten als Van Karnebeek en Tets van Goudriaan, oud-ministers als bijna deze allen zijn, wier namen genoemd zijn. Het zijn echter niet dan uitnemende personen, naar wier schoone taal men met eerbied luistert, zonder een oogenblik te denken ze in werkelijkheid om te zetten; die de beweging niet meer beheerschen, maar zich tevreden stellen met ze van verre te volgen, en wien het niet dan met groote moeite gelukt, dat hun liberale, meer-geavanceerde broeders de langzaamheid van hun gang hun vergeven terwille van hun ijver tegen het clericalisme.

***

In een land van ware vrijheid zooals Nederland loopt zoodanige houding, die zoo antigodsdienstig is, gevaar niet de goedkeuring van de publieke opinie weg te dragen, zelfs niet van al de volgelingen der conservatief-liberale politiek. Zoo gaf ter gelegenheid van de algemeene verkiezingen in 1905 de heer Holwerda, professoraan de Leidsche Universiteit twee brochures in 't licht,2)moedig wijzende op de gevaren van het liberale sectarisme. Hij noemde haar het clericalisme van den tegenovergestelden zin; constateerde dat de liberale partij zonder blikken of blozen de partij van het ongeloof was geworden, en vroeg zich af, zonder zich nu veel van het antwoord in te beelden, òf niet een liberalisme mogelijk was dat beter zorgde voor de godsdienstvrijheid dan die treurige en verbasterde vrijheid door de modernen gesteld.

Dat voorbeeld bleef niet zonder gevolg. Anderen, onder wie er velen waren die hooge regeeringsambten bekleedden, ondernamen op hetzelfde tijdstip een daad van protest, door een nieuwe gematigde partij te formeeren. In een vergadering van de leiders dezer beweging te 's Gravenhage werd den 7en October 1904 het besluit daartoe genomen. Zij werkten een program van beginselen uit met een verklarend bijschrift, verkozen een voorloopig bestuur en noemden zich de Nationaal-historische Partij. Weldra werden er provinciale comite's in Zuid-Holland en Overijsel opgericht terzelfder tijd, dat de kiesvereeniging »Vaderland en Koning” uit den Haag zich bij haar voegde, welke eertijds een belangrijke rol had gespeeld in de verwikkelingen tusschen conservatieven en liberalen. In hun beginselprogram plaatsten zij zich op het terrein van het publieke recht, zooals zich dat in de historie voordeed, om naar een ontwikkeling van staat en maatschappij op historischen grondslag te streven; hielden rekening met »het godsdienstig karakter van het nationale leven”, om zich openlijk te verklaren voor methodischen vooruitgang, naar de eischen des tijds; voor de onderwerping aan de vastgestelde bepalingen en der eerbiediging van de verkregen rechten; en erkenden uitdrukkelijk »als plicht van de overheid, de vrije uitoefening van den godsdienst te begunstigen, te ondersteunen en te beschermen”. Uit al deze uitdrukkingen blijkt het verschil van temperament, dat hen van de oud-liberalenscheidde, wier conservatieve tendensen zij daarenboven behielden.

Zonder twijfel was de bedoeling van de Nationaal-historischen om een zelfstandige partij te vormen, die zoomin bij rechts als bij links behoorde en den rol van scheidsrechter zou kunnen vervullen tusschen de Christelijke coalitie en het anticlericale blok, wier krachten op weinig na tegen elkander opwogen. Het wekelijksche orgaan »de Nederlandsche Stemmen”, dat zij hadden opgericht, liet ons daarover in het duister en publiceerde in zijn nummer van den 27en Januari 1905 een verklaring van het voorloopig bestuur, waarin ter eener zijde de rangschikking der partijen naar het criterium door de confessioneele partijen vastgesteld werd verworpen en aan den anderen kant elke medewerking aan het program van de zich noemende liberale concentratie werd geweigerd.

Denzelfden geest ademt eene beslissing den 12en Mei 1905 door de partij genomen aan den vooravond der algemeene verkiezingen, waarin zij haar diepe droefheid uitsprak, over den overgang van vele oud-liberalen naar de liberale concentratie en haar plan mededeelde om met eigen candidaten uit te komen. Maar dit besluit werd slechts in het derde district van Den Haag ten uitvoer gebracht, waar het hun eigen secretaris, Baron van Vredeburch, gelukte bij afwezigheid van een rechtschen candidaat 2572 stemmen op zich te vereenigen en in herstemming te komen met den Unie-liberaal Jansen.

Daartoe bepaalden zich de resultaten van deze taktiek en zoo was een proef genomen van den gematigden invloed van de nieuwe partij. Het bleek op dat oogenblik dat de titel »Nationaal-Historische Partij” slechts gegeven was aan een »generale staf zonder troepen, die gansch geen invloed had op de liberale kiezers.«

Zullen zij, waar zij in hunne poging van volstrekte neutraliteit hebben gefaald, zooals de »Nederlander” hoopte, naar de conservatieve elementen van rechts zich wenden, inzonderheid tot de Christelijk-Historischen? Dat is het geheim der toekomst; maar zeker is het mogelijk endit schijnt tot het wel-beraamde plan te behooren van den heer De Savornin Lohman.

***

Of de oorzaak lag in de houding der Nationaal-Historischen dan wel in de noodzakelijkheid om zich tegenover het kiezerscorps aangaande hun verbond met de democratische fracties van links te verklaren, zeker is het, dat bij de nadering van de wettelijke verkiezingen van 1905, de oud-liberalen een manifest aan de liberale kiezers openbaar maakten, onderteekend door 75 bekende politieke personen. Er kon eigenlijk niet van een program gesproken worden, want het miste nauwkeurige belijning en autoriteit. Het manifest der 75, zooals men dat toen noemde, drukte alleen de noodzakelijkheid uit van in het belang van het land front te maken tegen de regeeringsmeerderheid, door de liberale candidaten te steunen, ook zelfs, wanneer men hunne ideeën niet deelde. Het sprak ook in vrij vage bewoordingen eenige punten van beginsel uit om algeheele verwarring met andere partijen te voorkomen. Daarin werd bepaald, dat het de plicht van den liberalen staat was op onpartijdige wijze aan al de burgers de grootst mogelijke vrijheid te verzekeren, de politieke vrijheid, gewaarborgd door een gezonde wetgeving, en de maatschappelijke vrijheid als onmisbare voorwaarde van voorspoed en beschaving. Het sprak zich over de herziening van het kiesrecht uit, dat zij dit niet aan de orde achtte, en besloot met het oog op den verkiezingstrijd tot de oprichting van een commissie van advies, bestaande uit zeven leden,die belast was met de leiding van het werk der kiesvereenigingen.

Daar zat een begin van organisatie in. De meest verharde individualisten als de heer S. Van Houten, die naar het zeggen van den heer Treub niets anders zijn dan inconsequente anarchisten, hadden er het zegel hunner goedkeuring aangehecht, en het is wel te verwonderen, dat dit zoo is. Na de wettelijke verkiezingen, waardoor de oud-liberalen, die de hulp zelfs van de socialisten aannamen,het van acht tot elf vertegenwoordigers in de Kamer brachten, geloofden zij, dat het oogenblik gekomen was om deze schets te voltooien. Het was hun president, de heer Tydeman, afgevaardigde van Tiel en verdienstelijk redenaar, die op het congres, dat den 23en Juni 1906 gehouden werd, verklaarde dat hun oogwerk was zich een huis te bouwen met de uitgesproken verwachting daarin een deel van de leden van de Liberale Unie tot zich te trekken. Bijzonder eigenaardig was het, dat deze nieuwe vereeniging zich aandiende als vrij en dit was op het oogenblik, dat hare leden iets van hunne vrijheid inboetten in de handen van een vereeniging, die naar hun oordeel van plan was dezen titel aan te nemen. Misschien vonden zij dat de naam »Oud-liberaal« te veel naar schimmel rook, en dat Vrij-liberalen beter in de ooren klonk dan Oud-liberalen. In allen gevalle bleef de radicale drukpers niet in gebreke deze inconsequentie aan te toonen en daar zij steeds weinig sympathie betoonde aan de achterblijvers, deed zij dit met zelfvoldane ironie.

Nadat de bond van Vrije liberalen geconstitueerd was, had zij aan haar hoofd een commissie van advies gehouden van ten minste zeven leden en districtsbesturen in 't leven geroepen, overal waar meer dan ééne afdeeling van den bond was; maar zij had nog geen program.

Dit was juist de moeilijkheid, want de overeenstemming van inzichten onder de aanhangers was verre van volmaakt, en men had daarbij noodig een werkplan vast te stellen zoo wijd, dat niemand afgeschrikt werd, en tochnauwkeuriggenoeg om van eenige beteekenis te zijn.Menhad wel het manifest der 75, maar dat was te onbestemd en naar hunne gedachte al te zeer geinspireerd door de verkiezingsdrukte om een blijvend program van beginsel te zijn. Ook had de algemeene vergadering besloten er een ander uit samen te stellen en dit werk toevertrouwd aan een speciale commissie van vijf leden. Maar wij mogen gelooven dat de arbeid, die aan haar was opgedragen, ernstige beletselen ontmoette, want eerst het volgende jaar werd een ontwerp aan de voltallige vergadering der partij voorgelegd. Over het geheel washet vervat in weloverwogen termen, die herinnerden aan de vage algemeenheden van het manifest. De geest was eveneens flauw alsook het meerendeel van de voorstellen zooals: constitutioneel koningschap, krachtig gezag, vrijmaking van alle confessioneelen invloed in het openbare leven, ontwikkeling van het particulier initiatief, versterking van het openbaar onderwijs, een snel en zuinig recht, vrijhandel; daarin bestaan voornamelijk de tien artikelen. Er was geen belangrijk verschil behalve over de verkiezingskwestie, waar de mogelijkheid gelaten werd van gedachtenwisseling of men het kiesrecht niet zou kunnen uitbreiden tot de mannen, die in bepaalde voorwaarden vallen, en tot zekere categorieën van vrouwen, door den wetgever aangewezen.

Van dit program van beginselen werden alleen de drie eerste artikelen aangenomen in 1907 en eerst in de maand Juni van 1908 kon Tydeman verkondigen dat de bond de periode was ingetreden, waarin de voorbereidende werkzaamheden van het tweede deel van het programma waren geëindigd en dat het in aanbouw zijnde huis een dak had verkregen. Wat betreft de organisatie zelve, constateerde hij, terzelfder tijd dat de bond, zonder vooruitstrevend te zijn als de Vrij-liberalen hadden gewenscht, zich ontwikkelde door middel van de instelling van plaatselijke kiesvereenigingen, in het bijzonder in het district Leeuwarden, dat den vurigen kapitein Thomson afvaardigde.

***

Maar de partijformeering van de verstrooide Oud-liberalen had gansch niet kunnen behagen aan de andere partijen van links; nog minder aan de Unie liberalen dan aan de Vrijzinnig-democraten, daar genen zich meer rechtstreeks daardoor zagen bedreigd met desorganisatie. Dat die partij reden had te vreezen, loochende zij en werkelijk heeft zij er totnogtoe weinig van te lijden gehad, maar toch was zij op hare hoede, gereed om zoo noodig de tanden te laten zien. Het verschil van neiging op sociaal gebied en in de kwestie van herziening der kieswet wasniet geschikt om deze slecht-verholen vijandigheid te verzachten. Ja, wat meer is, de vooruitstrevenden verweten aan enkele gematigden van hen, zooals Van Karnebeek en Van Houten, het ministerie De Meester niet genoegzaam gesteund te hebben, voornamelijk inzake het militaire vraagstuk, dat tot zijn val leidde. De houding ten slotte van de oud-liberalen in Amsterdam, waar zij als wethouder van onderwijs een antirevolutionair als Mr. de Vries hielpen verkiezen boven den vrijzinnig-democraat Ketelaar, was de oorzaak van de volkomen-slechte gezindheid van de democratische partijen, die dreigden de Vrij-liberalen uit het liberale blok te werpen en hen aan hun isolement over te laten.

En daar van den anderen kant de rechtsche partij haar reglementen niet zoo mild wist te maken dat zij deze gematigden van links opnemen kon, die waarschijnlijk erin zouden toegestemd hebben om uit hun programontwerp het anticlericalisme te verbannen en tot een opportunistisch samengaan met de conservatieve elementen van rechts te besluiten—zoo had deOud-liberalepartij gevaar geloopen zonder hulp en steun te blijven, indien deze bedreigingen werkelijkheid waren geworden.

Maar er was herstelling mogelijk: haar steun had men al te zeer voor de liberale concentratie noodig, hare dagbladen, de Nieuwe Rotterdamsche Courant, het Handelsblad, de Nieuwe Courant, welke, vooral de eerste, de machtigste in Nederland waren, bezaten al te veel invloed, dan dat de scheidsmuur, waarmede men in een driftig oogenblik had gedreigd, in waarheid werd opgetrokken. En uit dit alles was te voorzien dat de Vrij-liberalen ook nog bij de verkiezingen in 1909, schoon waarschijnlijk minder geestdriftig, het blok van links te hulp zouden komen. Daartoe werden zij door hunne beginselen geleid en dit deden zij dan ook werkelijk, zonder dezen keer de socialisten te steunen. Maar deze gedwongen samenwerking had de nederlaag van het liberalisme noch de verplettering van hun eigen partij kunnen verhoeden. Bij de eerste stemming hebben zij, als georganiseerde partij, bijna al hunne afgevaardigden verloren en nog wel devoornaamsten onder hen. Vier van de elf zetels, die zij in 1905 hadden behouden, hielden zij in de nieuwe Kamer slechts over. En deze vernedering is een genoegzaam bewijs van het discrediet der beginselen, die door de persoonlijke verdienste niet meer kunnen worden gered.

2)„Wie zijn wij zelf?” en „Kunnen wij niet anders worden?”

Meer links dan de Oud-liberalen staan de vooruitstrevende liberalen of wel Unie-liberalen, die hun lijdelijke houding hebben vaarwel gezegd. De vooruitstrevende partij, zoo verklaart een der leiders, Mr. J. A. Levy, heeft zich gedrongen gezien, tengevolge van de trage houding van haar oudste zuster in het liberalisme, de banier voor haar te ontplooien. Het waren minder beginselkwesties dan kwesties der praktijk, die haar onafhankelijke houding wettigden en verklaarden. Feitelijk heeft zij, al onderscheidde zij zich van de liberale partij, nooit zich ervan afgescheiden. Ja, integendeel, heeft zij iedere keer, wanneer het betrof de verdediging van de liberale grondbeginselen, zich vooraan in den strijd geschaard. Maar zij acht haar taak daarmede niet volbracht, want zij meent, dat de aarzelingen en uitvluchten der Oud-liberalen met betrekking tot de draagkracht en den inhoud van de door den staat gegeven rechten der burgers, evenzeer is te vreezen.

Aan deze liberalen van andere geaardheid scheen de theorie van de natuurlijke staathuishoudkundige vrijheden op zijn minst ouderwetsch. Zij gevoelden de noodzakelijkheid zich naar de behoeften des tijds en de eischen van den vooruitgang te schikken. Om dit streven beter te karakteriseeren, tooiden zij zich met den naam van »vooruitstrevenden«, hetwelk de ooren van de tijdgenooten aangenaam streelt en op zichzelf vaag genoeg is om niets te beloven. Zij hielden daartoe niet op zich op de liberale leer te beroepen; ja zij proclameerden hunne getrouwheid aan deze met des te meer kracht; opdat men toch niet met recht zou kunnen denken dat men zich, al was het maar een weinig, ervanverwijderde.

Inderdaad echter verwijderden zij zich er van, toen zij de noodzakelijkheid erkenden het onthoudingsstandpunt der regeering te laten varen, de misdeelden te ondersteunen, het openbare leven te regelen, de solidariteit voor te staan, de verantwoordelijkheid van den staat uit te breiden en een meer uitgebreid kiesrecht toe te staan. Tegenover het non-interventie systeem der regeering, dat dikwijls niet anders is dan een welkom bedeksel voor de traagheid van de bewindslieden, stelden zij het beginsel van krachtige actie. Zij wierpen de liberale traditie omver, en merkten op dat de arbeid en de arbeider om hunne rechten riepen. De proletariërs, de arbeiders, moeten gevoelen, dat zij een deel van het groote geheel uitmaken, dat eenerzijds op aller hulp rekent, anderzijds het recht van allen eerbiedigt. Het voornaamste werk van de vooruitstrevende partij is allen, kleinen of grooten, in te boezemen, dat de staat een moreele vereeniging is, die verplichtingen heeft volkomen overeenkomstig haar oorsprong.

Evenwelconstitueerden de »vooruitstrevenden« zich niet dadelijk als partij. Gedurende lange jaren was de verdediging van de neutrale school de spil, waarom de politiek van de liberalen draaide, en de »omgang met dit gezichtspunt« bracht al de andere kwesties op den achtergrond. Nadat door de wet Mackay, het lager onderwijs was gereorganiseerd, kwamen zij tot de gedachte, dat het noodig was kennis te nemen van de volksbeweging op sociaal gebied. Het streven der geavanceerde liberalen kwam nauwkeuriger uit en de Liberale Unie, die in 1884 was opgericht, besloot een program van hervormingen samen te stellen. In 1891 gaf zij een manifest aan de kiezers in 't licht, waarbij het meerendeel der liberale kiesvereenigingen zich aansloot. Men kan eigenlijk niet spreken van een program, maar van een leiddraad voor de verkiezingen; en ook werd deze niet getrokken zonder moeilijkheden en slingeringen.

Het program kwam pas in 1896. Het bestuur had in Juni 1895 zijn taak hernomen om een hervormingsprogram op te stellen met het doel uitdrukking te geven aan debeweging, die in de naaste toekomst de politiek moest leiden. De kiezers gingen leven voor de politiek; daarom moest men trachten hen tot zich te trekken. Alle partijen maakten er gebruik van en zooals ook de anderen, sprak de Liberale Unie de begeerte uit een program te hebben, dat haar de gunst der kiezers bezorgde. Maar welk zou dat zijn? Dat was de knoop van de kwestie. Zou het zich eensluidend verklaren met de liberale traditie en zich op het standpunt stellen van zoo min mogelijke staatstusschenkomst? Of zou men dat geheel verlaten, om zich op den weg te begeven van de democratische eischen?

Nu zoo het vraagstuk gesteld werd, veroorzaakte het lange debatten en levendige bespreking. In Januari 1896 waren twee ontwerpen gereed, waarvan mededeeling geschiedde aan al de afdeelingen van de Liberale Unie, en om deze beide ontwerpen werd de beslissende strijd gestreden tusschen conservatieven en progressisten op de algemeene vergadering van 14 November 1896. Ondanks den tegenstand van een belangrijke minderheid werd het hervormingsprogram door het bestuur als eerste gesteld, aangenomen. Na een discussie, die een heftige wending nam, werd daarna een verkiezingsprogram vastgesteld. Beide ademden een democratischen geest. De jonge liberalen of vooruitstrevenden zegevierden over de geheele linie.

Langzamerhand trokken zich de conservatieve elementen uit de Liberale Unie terug, waar hun verstandige adviezen geen weerklank meer vonden, en de vereeniging, die naar haar oorsprong alle liberalen moest vereenigen zonder uitzondering of onderscheid, werd de verkiezingsorganisatie van de vooruitstrevende partij.

Het hervormingsprogram kondigde, zooals de naam reeds uitdrukt, de noodzakelijkheid aan om hervormingen te ondernemen, in het bizonder op sociaal terrein, tot bevordering van het geestelijk welzijn van de gansche natie, binnen de grenzen van het ontzag, verplicht aan de staatsinstellingen en aan het publieke recht in Nederland. Het stelde vooral tot plicht voor den staat, om op wettigewijze door de opheffing van voorrechten van het kapitaal meer billijkheid te brengen in de verdeeling van den nationalen rijkdom.

Zonder andere theoretische beschouwingen tot de practijk overgaande, stelde de Liberale Unie een lange lijst van hervormingen op, die zij voorstond:

1o. Op verkiezingsterrein, de grootst mogelijke uitbreiding van het kiesrecht.

2o. Op sociaal gebied: kamers van arbeid met gelijke rechten van werkman en patroon; wettelijke regeling van contracten van arbeid en huur tot beteren waarborg van elkanders belangen; wettelijke regeling van den arbeid, zelfs voor volwassen werklieden; verplichte verzekering tegen ongelukken met zoo noodig staatshulp uit de kas voor invaliditeit en ouderdom; herziening van de wetten op de onteigening; verbetering van de arbeiderswoningen; maatregelen voor de openbare gezondheid en bestrijding van het alcoholmisbruik; herziening van de armenwet op zulk een wijze dat samenwerking wordt verzekerd van de organisaties van weldadigheid en het recht vastgesteld van den staat om zich met de armen te bemoeien en den vloed van het pauperisme tegen te gaan.

3o. In de contracten, door den Staat aangegaan, te zorgen, dat men van de krachten der arbeiders geen misbruik maakt, en vast te stellen een minimumloon en een maximum van arbeidsduur.

4o. Wat betreft de opvoeding van het volk: leerplicht; tractementverhooging van de onderwijzers; uitbreiding van het ambachtsonderwijs en dit meer practisch te doen worden; de zaak van de zedelijk-verwaarloosde kinderen onder de oogen te nemen, voor wie algeheele en gedeeltelijke ontheffing van de vaderlijke macht noodzakelijk is.

5o. Wat betreft het familieleven: herziening van het erfrecht en het persoonsrecht zooals:

Verbetering van den toestand der natuurlijke kinderen, in 't bizonder door toelating van het onderzoek naar het vaderschap.

Verbetering van de rechtstoestand der vrouw, doorhaar vrijheid van handelen te geven, evengoed voor hetgeen overeenkomstig hare bekwaamheid is, als hetgeen met hare persoonlijkheid overeenstemt, terwijl aan de gehuwde vrouw met name de vrije beschikking over de vruchten van haar arbeid wordt gelaten. Uitbreiding van het erfrecht van de in leven blijvende echtgenoote.

Verhinderen dat een erfenis wettelijk aan verre bloedverwanten tebeurtvalt.

6o. Wat den landbouw betreft, verbetering van den veestapel, van handel en nijverheid; aanmoediging en bescherming, niet door de instelling van beschermende rechten, maar door andere middelen, zooals bv. verbetering van den omloop van het geld en van verkeersmiddelen, de bevordering van het landbouwonderwijs, enz.

7o. Wat betreft onze nationale verdediging—waar men ter eener zijde rekening moet houden met de internationale gebeurtenissen, die men redelijker wijze kan voorzien, en ter anderer zijde met de finantieele lasten, die men zooveel mogelijk moet verlichten—organisatie van het staande leger op den voet van persoonlijken dienstplicht; opheffing van de schutterij onder haar tegenwoordigen vorm; hervorming van den rechtstoestand van den soldaat.

8o. Wat betreft de rechtspraak: instelling van het administratieve recht; vereenvoudiging van de procedure, opdat deze snel en weinig kostbaar zij.

9o. Herziening van de gemeentewet om daarmede een sterke samenwerking der gemeenten te verzekeren, vooral met betrekking tot de sociale maatregelen en de volksgezondheid.

10o. Op het gebied der financiën: uitbreiding van de macht om belasting te heffen, toegekend aan de gemeenten; voeling houden met de landsbelastingen. Zuinig beheer van de financiën van den staat, om daardoor verzwaring van belasting te vermijden en in geval van nieuwe uitgaven, door de sociale hervormingen noodzakelijk geworden, indirecte belasting, niet op de noodzakelijkste levensbehoeften, maar op voorwerpen van weelde, zooals op goederen in de doode hand; hervorming van het belastingsysteemom door verlichting van de belasting op de minstgegoeden tot vollediger toepassing van het beginsel van progressie te komen, zelfs met betrekking tot het successierecht.

11o. Op het terrein van de koloniale politiek: aanmoediging van de vrije ontwikkeling van private industrie onder de machtige bescherming van de rechten en de belangen der inboorlingen; hervorming van de administratie van de Nederlandsche bezittingen in Indië; verbetering van de volkswelvaart van de West-Indische bezittingen.

***

Zoo was de schilderij van de eischen, door de Liberale Unie voorgesteld. Men merkte er niet de zedelijke voorbereiding in op, waardoor de programmen der rechtsche partijen zich kenmerken. Hervormingen zonder logischen band onderling uit de stoffelijke belangen des lands voortkomende en het verlangen om door hare toepassing bij tijd en wijle de volksgunst voor zich te verwerven, werd er geen systeem van sociale organisatie in vastgesteld. Op zekere punten waren de liberale beginselen verlaten en in andere punten waren zij toegepast. Zoo bijvoorbeeld bewaarde de staat de schijn van onafhankelijkheid der weldadigheidsinstellingen, terzelfder tijd dat hij uitging van de stelling van »laat maar gaan« terwijl hij op gebied van vrijhandel aan deze stelling getrouw bleef.

Uit dit program, dat uit zulke onderscheidene stukken was samengesteld, nam de Liberale Unie zonder dralen de hervormingen, die haar het dringendst toeschenen, en vormde hieruit met het oog op de verkiezingen van 1897 een verkiezingsprogram. De eischen, in het eerste ontwerp voorkomende, waren bij voorkeur dezulke, die het welzijn van het volk en de verbetering van de sociale verhoudingen betroffen. De Uniecandidaten verbonden zich daarvan de urgentie te erkennen en, eens gekozen, te werken aan hunne onverwijlde verwezenlijking. Het waren voornamelijk de wettige regeling van het sociale contracten de Zondagsrust; de verplichte verzekering tegen ongevallen, ziekten, invaliditeit en ouderdom; de verbetering der werkmanswoningen; de herziening van de wet op onderstand; de leerplicht; de emancipatie der vrouw; de bevordering van landbouw, handel en nijverheid; persoonlijke dienstplicht en opheffing van de schutterij.

Vooraan in dit program van urgentie figureerde voor het oogenblik niet de kieswethervorming, en de Liberale Unie gaf er deze verklaring van. De zorg voor een goede politiek gebiedt ons opnieuw de kwestie onder de oogen te zien zoolang als wij nog niet de resultaten van de herziening kunnen vaststellen, die hare voltooiing nadert.

Maar toch verborg zij niet, dat deze voorloopige oplossing haar geen voldoening gaf, en het vraagstuk bleef lang in het halfduister. Het verscheen wederom bij de nadering van de verkiezingen van 1901, en, opgeblazen door de omstandigheden, bracht het tweedracht in de liberale Unie. In Januari 1900 achtte het besturend comité het oogenblik gunstig om grondwetsherziening voor te stellen ten einde daardoor tot algemeen kiesrecht te komen. Het wilde ongetwijfeld de voorgestelde eischen met betrekking tot de kieswet als verkiezingsleuze gebruiken voor het volgende jaar. Met dit doel stelde het een rondschrijven op, waarin het mededeelde, van plan te zijn het eerste artikel van het hervormingsprogram te voltooien en aan het hoofd te stellen van het program van urgentie. Dit ontwerp hield in:

1o. Kiesrecht voor alle bewoners van Nederland met uitzondering van:

die hun kiesrecht verloren hebben door een rechterlijke uitspraak; de gevangenen; zij die in een krankzinnigengesticht opgesloten zijn; die onder curatele gesteld zijn door een rechterlijk vonnis; terwijl, wat betreft de bedeelden, wij oordeelen, dat dit het verlies van het kiesrecht niet mag tengevolge hebben, onder welke omstandigheden ook.

2o. Wat betreft de vrouwen, zullen wij het aan den wetgever overlaten, haar het kiesrecht te geven of niet.

Toen de generale vergadering van 2 Juni 1900 geroepenover dit voorstel te beraadslagen, nam zij eerst het volgende besluit: »De Liberale Unie, handhavende hare meening, die zij herhaaldelijk uitgedrukt heeft, aangaande de noodzakelijkheid van de herziening van het kiesrecht in den zin van wegneming van allen maatstaf naar de belasting, is van oordeel, dat, om daartoe te geraken, het noodzakelijk is, de artikelen 80, 127 en 143 van de grondwet te herzien, met de bedoeling om daardoor het algemeen kiesrecht voor mannen en vrouwen mogelijk te maken«.

De meerderheid richtte zich in beginsel naar de gedachte van het bestuur. Nu bleef nog de kwestie van urgentie over. Hier vertoonde zich een sterke oppositie. Vele progressisten vonden dat het zuiver onzin was deze kwestie voorop te stellen. Zij herinnerden zich de groote verdeeldheden, die het gevolg waren van de ontwerpen van Tak en Van Houten en zij maanden tot herziening dezer kwestie. Zij begrepen de stijfhoofdigheid van het bestuur niet en verdachten het ervan gedreven te worden door de leiders van de kleine groep van radicalen, alsmede door de hoop den socialisten de gunst des volks te onttrekken. In allen gevalle achtten zij het oogenblik slecht gekozen; want om een grondwetsherziening inderdaad mogelijk te maken, moet men op twee derden der stemmen van de Generale Staten daarvoor kunnen rekenen en de linkerzijde bezat in de Tweede Kamer slechts 54 van de 100 en in de Eerste Kamer 31 van de 50, zonder te mogen hopen dat spoedig het vereischte aantal verkregen werd.

Ook nam hare vergadering van 26Januari1901 niet zonder verwondering kennis van de motie, tegen aller zin in door het bestuur ondersteund. Zij hield de gelofte in, dat bij de algemeene verkiezingen van 1901 de grondwetsherziening, vervat in het eerste artikel van het program, voorop zou worden gesteld en dat de candidaten van de Liberale Unie niet alleen hun instemming moesten betuigen met het geheele hervormingsprogram maar evenzeer van de urgentie der kwestie in het eerste artikel gesteld, overtuigd waren.

Dit voorstel, dat in ondubbelzinnige termen was opgesteld, deed den storm opsteken. Na heftige debatten weigerde de Liberale Unie met 44 tegen 33 stemmen zijne aanvoerders te volgen op den gevaarlijken weg. Het onweder sleepte de motie van urgentie en degenen, die haar gesteld hadden, mee. Het bestuur trad af, met zich nemende de radicale groep, om met haar een nieuwe vereeniging te stichten, nl. de Vrijzinnig-democratische bond.

De Liberale Unie, voor een oogenblik ontmoedigd, herstelde en hervormde zich. Uit hen, die gebleven waren, koos zij een nieuw bestuur en om te toonen, dat zij haar oorspronkelijk program niet had verlaten, publiceerde zij dit opnieuw. Niets was er in veranderd dan het eerste artikel, dat aangevuld door de motie van 2 Juni 1900, het algemeene kiesrecht ook voor de vrouwen eischte. Want de urgentie alleen van dezen eisch was er uit verwijderd. Maar toch ook waren er punten uit genomen, die onder de liberale ministeries Van Houten en Pierson werkelijkheid waren geworden.

***

Evenwel was de Liberale Unie verzwakt temidden van deze geschillen. In 1898 bezat zij 79 kiesvereenigingen met ongeveer 10.000 aanhangers en was vertegenwoordigd in 110 plaatsen in Nederland, terwijl deze weer samengevoegd werden in verschillende centrale afdeelingen. Na de breuk met de Vrijzinnig-democraten behield zij slechts in 1901, 49 kiesvereenigingen met 7218 aanhangers en 360 buitengewone en beschermende leden. Die achteruitgang werd gevoeld. Terzelfdertijd onderging het aantal hunner afgevaardigden eenzelfde lot; van de 32 van 1897 bleven er slechts 20 in 1901 over. De verkiezingen in 1905 brachten dit cijfer tot 23, terwijl in 1909 dit getal opnieuw slonk tot 20.

Desondanks behoudt de Liberale Unie een niet te versmaden invloed. Ofschoon zij voor 't meerendeel uit elementen is samengesteld, die veel van elkander verschillenen slechts bijeen worden gehouden door de positieve band van politieke bekwaamheid, profiteert ze van haar eigenaardige ligging in de linkerzijde, van middenpartij. Zij is de spil van de linker concentratie; de as, waarom de oud-liberalen en de uiterste linkerzijde zich bewegen. Het zijn mannen, die gedurende ruim vijftien jaren het grootste gedeelte van de liberale ministeries hebben uitgemaakt.

Het is hun program, dat tot grondslag gediend heeft van hunne regeeringsdaden en gelijk er in elk liberaal een godsdienstig drijven is, zoo is zij het ook, die den juisten toon aangeeft van het anticlericalisme voor de linkerzijde, gelijkend op de Fransche radicalen, die het clericale spook vertoonen om zich uit moeilijke omstandigheden te redden. De aanvoerder, de heer Goeman Borgesius, afgevaardigde van Rotterdam, is de groote kracht van links. Deze journalist, die met zijn groote bekwaamheid als schrijver een wezenlijk talent als redenaar vereenigt, heeft den naam, zooals eertijds de conservatieve minister Heemskerk, een wonderkind te zijn en meer dan één snaar op zijn viool te hebben. In allen gevalle heeft de fortuin hem voortdurend toegelachen. Hetzij dat hij het dagblad »Het Vaderland« redigeerde, of in »Vragen des Tijds« schreef; hetzij dat hij, als president van de liberale kamerclub, geroepen werd deel uit te maken van het kabinet Pierson; hetzij dat hij een gedragslijn opmaakte voor de Liberale Unie, altijd gaf hij proef van eene bekwaamheid, die met de beletselen den spot drijft.

Maar juist in de politiek is bekwaamheid niet genoeg en geschiktheid niet alles. Er zijn nog beginselen noodig om de handeling vruchtbaar en van duur te doen zijn. Zal de heer Borgesius, waar hij den overwegenden invloed van de Liberale Unie heeft gehandhaafd, niet zien dat de elementen, die hij voor het oogenblik behoudt onder zijn bestuur nog meer naar links afglijden, of zal hij zeggen: er zijn geen vijanden? Totnogtoe schijnt de propaganda van de oud-liberalen zijne troepen weinig te hebben gedund, maar in den grond is dit ook de minstgevaarlijke en die van Vrijzinnig democraten dreigt meer; want van die zijde drukt de logica van de leer en de kracht der gebeurtenissen.

Toen de vooruitstrevende revisionisten op luidruchtige wijze de Liberale Unie verlieten, vonden zij aan hun linkerkant den Radicalen Bond. Deze was tevoorschijn gekomen uit de scheuring van Januari 1888 in de liberale partij van Amsterdam. Volgens eenigen was herziening van het politiek program van de machtige kiesvereeniging »Burgerplicht« er de oorzaak van; volgens anderen was zij het gevolg van een verschil van meening over den gang der zaken in de hoofdstad. In allen gevalle gaf dit de gelegenheid aan ongeduldigen, die de evolutie van de liberale beginselen te langzaam dachten, om een jongere partij op te richten. Zij maakten er gebruik van en zij trachten de ontevredenen, voornamelijk in Amsterdam, te vereenigen, en ook in Groningen, waar het liberalisme van meer-geavanceerden aard was. Maar hunne pogingen werden slechts halverwege met goeden uitslag bekroond. In de afdeelingen, die zij oprichtten, ontbraken eenheid, partijgeest en discipline. Er waren te veel leiders en daardoor was het bestuur niet krachtig. Wat meer is, er was geen wèl-afgerond program, er waren geen vaste beginselen; en zoo bevond zich de opkomende radicale partij ingesloten tusschen de vooruitstrevende liberalen en de sociaal-democraten, zonder eigen leerstelsel. Ze gaven eenigermate den voorkeur aan de eersten, terwijl zij het privaatbezit zacht verdedigden tegen de laatsten.

Ook hadden de verdeeldheden en de twisten er vrijen loop. Na er evenveel aan geleden te hebben als andere plaatselijke organisaties, moest de voornaamste van de radicale kiesvereenigingen, n.l. »Amsterdam«, in den loop van 1894 ontbonden worden.

Het was op het oogenblik, dat de Radicale Bond werd opgericht met het doel om te bevorderen dat degenen, die den staat wilden hervormen in democratischen zin,aan de regeering zouden komen. Haar program, den 24en Juli 1895 aangenomen, gaf de regels aan, waarnaar zij deze democratische hervorming dacht ter hand te nemen:

1o. Gelijkheid van alle meerderjarige Nederlanders in burgerlijke en politieke rechten.

2o. Strijd tegen de maatschappelijke afhankelijkheid van den een van den ander en vermeerdering van het stoffelijk en zedelijk welzijn van hen die niets of weinig bezitten:

a.afschaffing van wettelijke regelingen, die opeenhooping van het kapitaal in de handen van enkelen begunstigen.

b.uitvaardiging van wetten die 1o. zonder gezamenlijk bezit van de productiemiddelen te bedoelen, er toe strekken om de voordeelen uit het privaat bezit voortkomende, te beperken binnen engere grenzen en een betere verdeeling te verzekeren van de rijkdommen der gemeenschap, ten 2o. zooveel mogelijk de ongelukkige gevolgen van de wet op vraag en aanbod van de markt voor den arbeid tegen te gaan.

Zooals men ziet, nam de Radicale Bond een politiek aan, rechtstreeks inloopende tegen het liberale beginsel van onthouding van den staat en hij eischte talrijke hervormingen.

Deze somde hij op in een program, dat in een tegenovergesteld uiterste vervalt en staatsbescherming en staatsvoorzorg stelt.

Zoo deed hij zich voor bij de verkiezingen van 1897 en gelukte het hem vijf afgevaardigden verkozen te zien. Maar volgens de verklaringen van den voorzitter uit dien tijd, de heer C. V. Gerritsen, was de invloed van den Bond grooter dan zijne vertegenwoordiging; die was groot vooral in den gemeenteraad van Amsterdam. Over het gansche land, bezat de Bond 34 afdeelingen met een totaal van 2.300 leden, meerendeels kleine burgers en werklieden.

Doch de verkiezingen van 1897 waren voor den Bond noodlottig. Hoewel verkiezingen in Nederland veel minderkosten dan Frankrijk, werd de kas der partij daardoor uitgeput. De leden bedankten in menigte, om niet hun omslag te behoeven te betalen en, als overal, is het geld de ziel van den oorlog en de radicale propaganda hield op bij gebrek aan hulpmiddelen.

Men kan derhalve begrijpen, dat de leiders van de radicalen met opmerkzaamheid de gebeurtenissen volgden, die er temidden van de Liberale Unie plaats hadden. De leden van de meest-geavanceerde groep waren er bijna voortdurend in strijd met hunne broeders, over meer conservatieve inzichten, en zij spraken gedachten uit, waarvan men niet kon zeggen of zij meer radicaal dan progressistisch zijn, of meer progressistisch dan radicaal.

Overigens hadden de vrijzinnig-democraten en de radicalen elkander wederkeerig ondersteund bij de verkiezingen van 1897; zou dan geen nauwere verbinding van langeren duur dan deze tijdelijke samenwerking kunnen plaatshebben? De radicalen antwoordden hierop bevestigend en zij riepen deze gebeurlijkheid in met al het ongeduld van hunne verlangens; want zij hoopten op die manier nieuw bloed en nieuwe finantieele kracht aan hun bloedarme partij te schenken.

Dat is ook de reden, waarom ze met zooveel kracht verzekeren, dat zij den steun noodig hebben van hen, met wie zij overeenkomen in leerstelsel, om eenmaal hun liefste wenschen, hun hoogste begeerten te kunnen verwezenlijken.

De kwestie van urgentie van de grondwetsherziening met het oog op het algemeen kiesrecht was een geschikte gelegenheid voor de begeerde breuk. De actie van de radicale leiders was misschien niet vreemd aan het ontstaan van het conflict en zeker niet aan de scheiding. Ternauwernood hadden het bestuur en zijne volgelingen gebroken met de Liberale Unie of zij vereenigden zich met het overschot van den radicalen Bond om een nieuwe partij te vormen, onder den naam van Vrijzinnig-democratischen Bond.

Op zichzelf was de benaming teekenend, het toevoegsel »liberaal« liet men voor goed varen, om het tevervangen door den soortnaam vrijzinnig. Die diende derhalve meer om verwarring met de sociaal-democraten te voorkomen, dan om weder een aanknoopingspunt aan te geven met de liberalen. Feitelijk had men de liberale leer volkomen losgelaten; men erkende hare verkeerdheid en men bestreed openlijk de gevolgtrekkingen.

***

Den 17en Maart 1901 te Utrecht gesticht, hield de Vrijzinnig-democratische Bond den 4en Mei d. a. v. zijn eerste algemeene vergadering. Hij benoemde er een bureau, gaf er eene verklaring van beginselen aan en een ontwerp van een verkiezingsprogram.

De beginselverklaring luidde als volgt:

De Vrijzinnig-democratische Bond geeft als haar doel te kennen om te bevorderen de opkomst van al de vereenigingen en al de personen, die met een democratischen geest bezield zijn en die zich vereenigen met de volgende beginselen:


Back to IndexNext