1o. De Vrijzinnig-democratische Bond streeft naar de evolutie van onzen grondwettigen en parlementairen regeeringsvorm in democratischen zin en te dien einde naar het algemeen kiesrecht voor de verkiezing van de vertegenwoordigende vergaderingen en naar de gelijkheid van mannen en vrouwen, zelfs wat betreft de afgevaardiging naar deze vergaderingen.2o. De Vrijzinnig-democratische Bond stelt zich tot principe, dat men door middel van een krachtige sociale wetgeving moet trachten weg te nemen de sociale toestanden, die de ongelijkheid tusschen de leden van de natie in 't leven roepen of versterken, wat betreft voorwaarden van hunne ontwikkeling.Hij is van oordeel, dat om den maatschappelijken vooruitgang te verkrijgen, het noodzakelijk is den klassestrijd te verzachten en niet aan te wakkeren. Aan de eene zijde keurt hij het streven af om privaatbezit van de productiemiddelen op te heffen en aan de andere zijdeverwerpt hij de meening, dat de staat slechts gedwongen en tegen wil en dank in het huishoudelijk leven van de burgers mag ingrijpen.
1o. De Vrijzinnig-democratische Bond streeft naar de evolutie van onzen grondwettigen en parlementairen regeeringsvorm in democratischen zin en te dien einde naar het algemeen kiesrecht voor de verkiezing van de vertegenwoordigende vergaderingen en naar de gelijkheid van mannen en vrouwen, zelfs wat betreft de afgevaardiging naar deze vergaderingen.
2o. De Vrijzinnig-democratische Bond stelt zich tot principe, dat men door middel van een krachtige sociale wetgeving moet trachten weg te nemen de sociale toestanden, die de ongelijkheid tusschen de leden van de natie in 't leven roepen of versterken, wat betreft voorwaarden van hunne ontwikkeling.
Hij is van oordeel, dat om den maatschappelijken vooruitgang te verkrijgen, het noodzakelijk is den klassestrijd te verzachten en niet aan te wakkeren. Aan de eene zijde keurt hij het streven af om privaatbezit van de productiemiddelen op te heffen en aan de andere zijdeverwerpt hij de meening, dat de staat slechts gedwongen en tegen wil en dank in het huishoudelijk leven van de burgers mag ingrijpen.
Over het geheel was de Vrijzinnig-democratische Bond van dezelfde gezindheid als de oude Radicale Bond, wiens plaats hij had ingenomen. Zijn ontwerp van een verkiezingsprogram—aan het hoofd waarvan de onverwijlde en urgente eisch stond van algemeen kiesrecht met evenredige vertegenwoordiging voor de mannen en vrouwen, een voorwaarde van de eerste orde voor alle democratische hervormingen—ontplooide zich voornamelijk na de verkiezingen van 1901. Het werd uitgebreider en grooter in de twee algemeene vergaderingen van den 11en Januari 1902 en den 28en Mei 1904 door nieuwe bijgevoegde eischen, zoodat het een uitgebreid werkprogram werd, naast hetwelk was komen te staan een program van werkzaamheid op gemeentelijk gebied.
Maar, wat aangaat het werkprogram of het plan van werkzaamheid op gemeentelijk gebied, men vindt dezelfde leer er aan ten grondslag liggen, die de heer Treub, professor in de Staathuishoudkunde aan de gemeentelijke Universiteit van Amsterdam, zoo uitnemend heeft vertolkt, hij, de denker en de handelende leider der partij.
Uitgaande van deze dubbele bewering dat ieder genootschap is het product van het denken van hen, die ze opstelden, en dat de sociale begrippen over de moraal en de gerechtigheid zonder ophouden zich ontwikkelen tot vooruitgang, welzijn en gelijkheid, besloot de heer Treub, dat de staat zich niet mag ontslaan van zijne verplichting om de economische verhoudingen overeen te brengen met de prevalente begrippen van gerechtigheid, voordat men er den stempel van het recht op zet.
»Overal«, zegt hij, »waar de economische verhoudingen tegenover onze actueele begrippen van recht en billijkheid staan, is tusschenkomst noodig om ze te herstellen en ze overeenkomstig te maken met de hedendaagsche ideeën, die de stapelplaats vormen op den weg naar den vooruitgang.«En hij voegt er aan toe, terwijl hij zijnegedachten over den rol van den democratischen staat samentrekt: »In deze wettelijke regeling moet de heerschende gedachte deze zijn: De staat moet onze maatschappij er in behulpzaam zijn, dat zij zich meer begeeft op den weg naar gelijkheid van kansen in het maatschappelijke leven voor de individuen van beide seksen; naar vermindering van het sociale verschil tusschen sekse en stand; matiging van den klassestrijd.«
Alles bijeengenomen, de gelijkstelling voor al zijne leden van de voorwaarden der ontwikkeling, zoowel op stoffelijk als geestelijk terrein, dat is het principe en het doel van den modernen staat.
Gelijkheid van de kansen van het geluk, dat is de droom die de democratische leer najaagt en die het gezag van den staat meer en meer moet verwezenlijken. Zeker, er zijn reeds pogingen gedaan in dezen zin, en de sociale toestand van het meerendeel der werklieden heeft zich verbeterd. Maar er is nog veel te doen en de hervormingen, die nog tot stand moeten gebracht worden, zijn vele. De lijst, die de vrijzinnig-democraten er van opstellen, is lang. Men merkt er allereerst in op, alles wat aan de burgers een grootere gelijkheid kan verzekeren; algemeen kiesrecht voor de mannen en voor de vrouwen; democratiseering van de Eerste Kamer; bescherming van den werkman tegen het misbruik door den patroon; maatregelen om alle kinderen gelijkelijk instaat te stellen onderwezen te worden zonder ander onderscheid dan aanleg; opheffing van alle ongelijkheid, die in het burgerlijk recht bestaat tusschen mannen en vrouwen; herziening van het huwelijkscontract in dien zin; uitbreiding van de gronden voor echtscheiding; verbetering van den rechtstoestand van natuurlijke kinderen. Andere komen op den voorgrond door den drang van de omstandigheden van het oogenblik. Zoo is het met de verplichte verzekering tegen ziekte, invaliditeit en ouderdom; verzekering tegen werkloosheid; wettelijke bestrijding van het alcoholisme; voorzorg tegen vervalsching der voedingsmiddelen; vertegenwoordiging van landbouw, nijverheid en handel; hunne ontwikkeling door vermeerdering van de gemeenschapswegen;en steun voor den uitvoer van hunne artikelen; vereeniging van vermogens- en bedrijfsbelasting tot een enkelvoudige belasting op het inkomen, enz.
Al deze hervormingen, die het program uitmaken, zijn niet alle even slecht. Verre vandaar zijn zelfs velen zeer aannemelijk en enkele komen ook voor in de programmen van rechts. Maar wat wel te vreezen is, dat is dat de leer der vrijzinnig-democraten van den staat een despoot maakt, een tiran, die opbouwt en afbreekt naar zijn believen, die zelf het recht schept en vernietigt, mits het maar overeenstemt met de gedachten van de meerderheid, waardoor dat recht is gesteld, een majesteit meer te vreezen dan de absolute koningsmacht van den vroegeren tijd, alles bijeen genomen een autocratie, die niets heeft te eerbiedigen, ook niet eenige hoogere zedelijke wet, niets dan zijne eigene.
De erkenning van deze absolute macht van den staat wordt in de practijk gezien, wanneer de vrijzinnig-democraten voor hem een erfrecht eischen, in mededinging met sommige natuurlijke erfgenamen; wanneer zij aan de gemeenschap de bevoegdheid willen geven tot onteigening niet alleen op grond van het openbaar belang, maar zelfs om daardoor een grootere productieve of sociale waarde te verkrijgen, of wanneer zij hem de verplichting willen opleggen om die ondernemingen aan de private exploitatie teonttrekken, die van nature het karakter van monopolies vertoonen.
Ongetwijfeld toonen zich de vrijzinnig-democraten besliste voorstanders van den individueelen eigendom. Zij stemmen volledig toe, dat deze nooit volkomen zal verdwijnen, maar zij stellen de mogelijkheid dat deze eigendom aan de naasting der maatschappij zal onderworpen worden. Om de formule van de Fransche radicaal-socialen te gebruiken, met wie zij in Nederland overeenkomen met in allen gevalle ruimere ideeën en minder anticlericaal drijven, houden zij vol, dat de staat beslag moet leggen op al de industrieën, die in een monopolie zijn veranderd en die door hun aard het algemeen belang treffen.
Dat is men moet er toe overgaan om de groote productiemiddelen in dienst der gemeenschap te stellen, wanneer dit den staat nuttig blijkt.
Indien zij dan openlijk geen socialisten zijn, dan nemen zij toch in den grond een soort van theoretisch socialisme aan, dat aan staats-socialisme grenst, een socialisme zonder klassestrijd en zonder in theoriealleproductiemiddelen in dienst van het algemeen te stellen en dat van het collectivisme slechts door een zwakken muur is gescheiden.
Bovendien is het doel, dat zij beoogen, hetzelfde te weten: de zoo volkomen mogelijke gelijkheid van alle menschen voor de voorwaarden tot het maatschappelijk welslagen en gelijk het gansche democratische stelsel rust op de evolutie der begrippen van de meerderheid in die richting, zoo zal de staat, waar deze meerderheid op een gegeven oogenblik gelooft, dat deze gelijkheid niet dan door gemeen bezit van de productiemiddelen kan verkregen worden, verplicht worden om van het collectivisme werkelijkheid te maken.
De vrijzinnig-democraten, het is waar, wachten zich wel om deze verwantschap en deze logica toe te stemmen, die hen doet overhellen naar de sociaal-democratie en zij versterken zoo goed mogelijk den scheidsmuur. Daar mag men zich niet zoo over verwonderen, want de opkomende partijen hebben alle belang er bij om het gezag van hunne organisatie en hunne leer te handhaven, om te verhinderen dat men hen verwart met de naverwante vereenigingen; immers zouden zij anders hun reden van bestaan verliezen. Maar wanneer zij eens bevestigd zijn, dan verandert hunne manier wel en deze zelfde partijen verlagen den muur zooveel mogelijk, waarmee zij zich ingesloten hadden, om aan de leden van de naaste partijen toe te staan, hem gemakkelijk af te breken, nadat zij hen overtuigd hebben, dat de scheiding alleen in naam bestond.
Is dat de taktiek die de Vrijzinnig-democratische Bond in de meer of minder dichtbij zijnde toekomst zal aanwenden? En indien zij dat doet, wie zal er meer van profiteeren, zij of de Sociaal-democratie? Te vreezen is, dathet de laatste zijn zal. Maar voor het oogenblik is die vraag nog niet aan de orde. De Vrijzinnig-democratische Bond wordt al grooter en naar het schijnt iets ten koste van de Liberale Unie. In 1901 telde zij 22 afdeelingen met 1.585 aanhangers en 164 persoonlijke leden. In 1905 waren deze cijfers gestegen tot 44 afdeelingen met 2.630 aanhangers en 507 persoonlijke leden. Aan den anderen kant, tijdens de verkiezingen van 1901, had zij 30.000 stemmen behaald en 9 zetels veroverd; bij die van 1905 had zij 50.000 stemmen op haar program vereenigd en 11 afgevaardigden naar de Kamer gezonden. In 1909 is het cijfer der stemmen ongeveer hetzelfde gebleven, hetgeen niet heeft verhinderd dat ook zij deel had in de nederlaag van de linker-partijen en dat het aantal van hare afgevaardigden tot negen werd teruggebracht. Hare dagbladen »de Vrijzinnig-Democraat” en »Land en Volk” zijn van te nieuwen datum, vooral het laatste, om zeer grooten invloed uit te oefenen, maar hare leiders, de heer Drucker, president van de Vrijzinnig-democratischen Kamerclub, en de heer Treub, verzekeren haar door hunne waarde een belangrijke plaats temidden van de politieke partijen in Nederland.
De Socialistische partij.
De nabijheid van Duitschland, de bakermat van het Marxistisch Collectivisme, moest wel spoedig in Nederland de vorming en ontwikkeling van een sociaal-democratische vereeniging in de hand werken, echo en weerschijn van de machtige sociaal-democratische beweging in Duitschland.
Toen de ijzeren kanselier Bismarck door eene uitzonderingswet het opkomende Socialisme wilde onderdrukken in het keizerrijk, vertoonde zich een onrustige geest bij zekere leden van het Algemeen Nederlandsch Werkliedenverbond, dat toen een niet te versmaden invloed bezat in de wereld der werklieden. Afzonderlijke Socialisten onder de liberale massa, eenige oud-leden van de Internationale, eenige nieuwe bekeerlingen tot de Duitsche leer dachten dat het oogenblik gekomenwas omeen poging te wagen om onder de schaduw van deze degenen, die hunne ideeën deelden, te vereenigen en door een geleidelijke handeling een deel van het gezag er aan te ontleenen dat bij den dag grooter werd. Maar om dit handige plan uit te voeren, moest men eerst de deur halverwege openen, opdat de kameraden, die niet tot hetsoort van »werkman« behoorden, konden binnenkomen. Zij zochten derhalve »gemengde genoodschappen« te stichten, die, eens gevestigd, hunne vereeniging konden aanvragen met het »Werkliedenverbond«. Maar de liberale leiders zagen het gevaar en toen op den 9en Juli 1878 het eerste gemengde genootschap van die soort, in Amsterdam op het initiatief van de vereeniging van smidsgezellen »De Volharding« in het aanzijn was geroepen, weigerde het centrale bureau van den Bond, waarin de heer Heldt alles vermocht, het op te nemen. De drempel van het huis werd verboden en nu moesten zij er wel in berusten om buiten te blijven. Dit werd zonder drukte gedaan en den naam van Sociaal-democratische Vereeniging werd aangenomen. Aan het hoofd stond de kleermaker »Henri Gerhard«, een bekend vrijdenker en tevens een van de leiders der werklieden-beweging die had deel genomen van 1869-1872 aan den Internationalen Bond van Karel Marx. Dit was de eerste socialistische vereeniging in Nederland. Anderen volgden in den Haag, Haarlem en Rotterdam, in de groote handels- en industrieplaatsen van Nederland. Bijna altijd, zooals in Amsterdam, ging het initiatief uit van eene afdeeling van het liberale werkliedenverbond, en zelfs zijn orgaan was niet beveiligd voor de socialistische propaganda; want op dittijdstipschreef Domela Nieuwenhuis, die weldra zich zou vertoonen als een woelgeest van den eersten rang, er zijne »Sociale brieven” in.
Zoodra er drie socialistische vereenigingen waren, verbonden zij zich in 1880 om »den Sociaal-democratischen Bond” te vormen. Deze Bond vond onmiddellijk een orgaan in het Weekblad »Recht voor allen”, opgericht op het oogenblik, dat de »Werkmansbode” tengevolge van de overwinning van het besturend- en burgerlijk element werd onttrokken aan de socialistische propaganda. Het volgende jaar in 1882, hield de Sociaal-democratische Bond zijn eerste congres, ondanks het verbod van de politie, en nam zijn eerste program aan, dat geen ander was dan hetgeen door de Duitsche Socialisten te Gotha was opgesteld.
Toen begon voor het Nederlandsche Socialisme een snelle vooruitgang. De toestand in Nederland verschafte hieraan een gunstig terrein. De industrie en de landbouw hier te lande maakten een tijd van crisis door; talrijke werklieden waren zonder werk en in zekere streken was de ellende groot. Het Socialisme, met beloften van een betere maatschappij komende, trok onweerstaanbaar degenen aan, die leden door den maatschappelijken toestand. Zij geloofden dat een revolutie dadelijk een ander aanzien aan de dingen zou geven en zij volgden hen, die hun daarvan de boodschap brachten. Om ze te bereiken, bedienden de propagandisten zich van den strijd, die toen vóór het algemeene kiesrecht gestreden werd, en waarin zij samengingen met het Werkliedenverbond, dat toch voortdurend kleine gedeelten van zijne troepen tot de socialistische banier zag overgaan. Onvermoeid doorkruiste Domela Nieuwenhuis, die als predikant van de Luthersche kerk afgetreden was, het land en richtte tallooze vereenigingen op, waar hij met een kalme, sympathieke stem de revolutionaire leer voordroeg, die hij een godsdienstigen tint gaf en met bijbelsche spreuken opluisterde. Zonder ontmoedigd te worden, ongevoelig voor de toejuiching van de menigte zoowel voor haar scheldwoorden en slagen, ging hij van dorp tot dorp, overal, waar men hem riep, indruk makende op zijne hoorders door zijn heftige critiek op de maatschappij en door zijn eigenaardig gelaat, tegelijk zacht en energiek, hetwelk iets van een fanatiek maar ook iets van een wetenschappelijk persoon had; een ware volkstribuun met een indrukwekkenden kop en een machtige hoogheid, wiens strijd met het woord en de pen heel zijn leven bepaalde.
Zijne reizen hadden altijd succes en bizonder in Friesland, waar het Socialisme snel wortel schoot en voornamelijk op het platteland. Deze bizonderheid verklaart zich door een reeks van omstandigheden. De provincie heeft de rijkste gronden, maar de bewoners, die bijna nergens de eigenaars van den bodem zijn, waren arm; de belastingen, opgedreven door de eischen van de wet 1878 op schoolgebied, legdenaan de gemeenten lasten op, die niet evenredig waren aan hare inkomsten. De rijkste inwoners, die zich konden verplaatsen zonder hierdoor schade aan hunne inkomsten te veroorzaken, hadden dat land verlaten, om zich aan het steeds zwaarder wordende gewicht der belastingen teonttrekken, en er bleef daardoor niets anders over dan de kleine kapitalen en de groote armoede, waaruit door de huishoudelijke crisis de inkomsten getrokken werden en alzoo de kommer vermeerderde. Bovendien onder de veleProtestantschebelijdenissen, die in Friesland voorkomen, bevinden zich een zeker aantal Doopsgezinden, die voorliefde bezitten voor het collectivistisch ideaal; en eindelijk hadden in zekere streken de vrijzinnige predikanten een terrein bereid, dat uitnemend geschikt was voor het Socialisme.
De revolutionaire zaden, die er door den krachtigen ijveraar Domela Nieuwenhuis waren gestrooid, ontkiemden in korten tijd voldoende, zoodat in het vervolg van den veldtocht voor het algemeen kiesrecht de volksleider de vruchten kon plukken, doordat hij in 1887 met den steun der radicalen in het district Schoterland tot lid van de Tweede Kamer verkozen werd. Verder waren het grieven, die zich verspreidden als een doornenvuur, doorgaans schokkend en bitter, van tallooze werklieden aan het werk in de uitgestrekte veenderijen of van doodarme landarbeiders; grieven, somtijds opgeblazen door de socialistische sprekers, en die leidden tot vereenigingen, tezamen behoorende tot den Sociaal-Democratischen Bond. Deze oorlogzuchtige organisaties namen zulk een omvang, dat, nadat zij zich op een oogenblik met de radicalen hadden vereenigd, zij de Friesche afdeeling van den Bond voor algemeen kiesrecht, in een provinciale partij, »de Friesche Volkspartij”, vervormden, waarin de Socialisten het overwicht behielden en die in getalsterkte vooruitging, zoodat ze in 1891 niet minder dan 102 vereenigingen telde met 4980 leden. Maar na de nederlaag van Domela Nieuwenhuis bij de verkiezingen van datzelfde jaar, verdween deze volkspartij op bevel van het centrale comité van den Sociaal-Democratischen Bond aan de Socialisten om zich er aan te onttrekken teneinde verder alleen beginselpolitiek te voeren.
Terwijl nu de beweging in Friesland zich met groote kracht deed gevoelen, had zij de andere provinciën niet gespaard; maar daar maakte zij zich meer meester van de werkliedenbevolking der groote steden. Het Zuiden had, hoewel hardnekkiger staande tegenover de nieuwe ideeën, niet volledig kunnen ontkomen aan de actie der leiders, en er was geen enkele streek, die geen bezoek had ontvangen van de tallooze propagandisten, die rondom Domela Nieuwenhuis zich bevonden; onruststokers van natuur en van beroep, die nog geene bizondere belooning ontvingen, en die vol ijver van vereeniging tot vereeniging de socialistische leer gingen verspreiden, en een verzameling van plaatselijke blaadjes deden ontstaan, somwijlen van één dag levens, maar altijd gevaarlijk.
In 1893 stelde het congres te Groningen vast, dat de Sociaal-Democratische Bond 150 afdeelingen omvatte, wier leden ten getale van 5000 aan jaarlijksche contributie betaalden f 1657. De Socialistische partij begon dus een verontrustende kracht te worden. Deze zou nog grooter geweest zijn, indien zij niet in den beginne zich tegen den godsdienst had gekant en zij niet zoo diep door hunne vijandschap tegen het huis van Oranje het Hollandsche gevoel hadden beleedigd.
De leerstellingen, die zij in Nederland zocht in te voeren, waren dezelfde, die Karel Marx en zijne leerlingen in Duitschland hadden verspreid. Het was het wetenschappelijk materialisme, dat zij indroeg in de geschiedenis en ontwikkelde door hare theorie van de maatschappelijke waarde, hare wet op de opeenhooping der schatten, en de leer van den klassestrijd. Ziehier hoe een van hare aanhangers in Nederland, de typograaf-journalist Vliegen, ze samenvat. »Het Socialisme,” zegt hij, »heeft de productieve kracht van den rijkdom aan het werk gezien in de maatschappij en het heeft bemerkt, dat deze kracht op de manier, waarmee er mee gespeeld wordt, op de wijze, zooals de arbeid in de maatschappij plaatsheeft en die de verdeeling der maatschappelijke belangen teweegbrengt, de oorzaak is, dat het maatschappelijkegebouw zoodanig is als het is en niet anders. Zoo is de kapitalistische maatschappij niet een product van den vrijen wil des menschen, maar een noodzakelijk historisch feit. Maar, indien het waar is, dat de schikking van elke maatschappij is gegrond op het bestaande systeem van productie en op de organisatie van den arbeid, dan is het niet minder waar, dat zoodra het productiesysteem en de wijze van werken veranderd wordt, het gebouw der maatschappij moet verwisselen van gedaante. De veranderde wijze van productie brengt krachten tevoorschijn, die der maatschappij een ander aanzien moeten geven. Zoo komt het, dat de kapitalistische maatschappij met een regime, dat de grootindustrie en exploitatie meer en meer concentreert en ingesloten houdt, zonder ophouden het aanzijn heeft gegeven aan het proletariaat; aan dat proletariaat, dat uit kracht van zijn toestand tot taak heeft de regeling der maatschappij. Tegen de vervulling van deze taak verzetten zich zij, die de hedendaagsche maatschappij beheerschen, en de worsteling, die daaruit ontstaat, is de klassestrijd.”
In deze theorie moet de passage van het collectivistische regime, dat de hedendaagsche maatschappij zal vervangen, en waarin de menschen gelukkig zullen worden door het gemeenschappelijk bezit van de productiemiddelen op volkomen gelijke wijze, wel voor haarzelf noodlottig zijn. Al, wat het proletariaat kan doen, is de nadering van den toekomstigen staat bespoedigen, door tot den evolutiegang van de kapitalistische maatschappij aan te sporen, opdat zij daardoor des te spoediger op het punt kome, waarop zij topzwaar geworden zijnde, uit zichzelve zich zal omzetten in een collectivistische maatschappij. Den tegenstand van de patroons verbreken, die met ruwheid het kapitaal, dat is te zeggen, het privaatbezit verdedigen, en het volksgeweten ontwikkelen, hetwelk hen bekwaam moet maken om op den dag van de revolutie de hand op de productiemiddelen te leggen, dat is de eenige rol, die het proletariaat inderdaad kan vervullen.
Echter lieten op dit punt de nadere bepaling van de gedragslijn en de wijze van de dagelijksche actie nietna verwarring te stichten temidden van de Nederlandsche socialisten. Tot 1893 was de Sociaal-Democratische Bond van oordeel, in overeenstemming met de Duitsche Marxisten, dat alle middelen goed waren ter verbreking van den tegenstand van de patroons en in het bizonder de politieke agitatie. Maar Domela Nieuwenhuis was op het internationale congres van Brussel in oneenigheid gekomen met Liebknecht en had langzamerhand verschil ontdekt tusschen de Duitsche Sociaal-Democratie en het Nederlandsche Socialisme. Het geschil werd verderfelijk, sloeg over in den Sociaal-Democratischen Bond, waar Van der Goes, Troelstra en Van Kol krachtig de Duitschers verdedigden. En daar anderzijds de onbetwiste en almachtige leider der beweging, wien niemand in het aangezicht had durven weerstaan, een diepe wonde had ontvangen door zijne nederlaag bij de verkiezingen van 1891 in het district Schoterland, daar neigde hij er meer en meer toe over om het politiek terrein te verlaten en alleen zich te geven aan de openlijke revolutionaire daad.
Het Groningsche congres van 1893 schikte zich naar deze tactiek en met 47 tegen 40 stemmen besliste het, dat de partij zich uit de politiek zou terugtrekken. In de afdeelingen werd deze beslissing bevestigd met 1300 tegen 900 stemmen en de Sociaal-Democratische Bond begaf zich op een nieuwen weg.
Maar hij werd niet gevolgd door al de Socialisten in Nederland; de groep van hen, die men de parlementairen noemde, dewelke Domela Nieuwenhuis betitelde met de benaming van heerenclubje, en die vooraan bevatte Van der Goes, Troelstra en Van Kol, bleef op politiek gebied zich bewegen en richtte daartoe een afzonderlijke vereeniging op, de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij, minder hard van aanzien en meer ontvankelijk voor al de plooien en zelfs voor al de beloften van het nieuwerwetsche politieke leven.
Domela Nieuwenhuis had altijd met leede oogen gezien,dat er in de partij ook burgers werden opgenomen. Hij wist heel goed, dat het tengevolge van het genoten onderwijs en van den meerderen vrijen tijd voor den burger honderd maal gemakkelijker is zijn weg te vinden in de beweging, dan voor den bekwaamsten werkman. Hij had op dit punt slechts zijn persoonlijke ervaring te raadplegen; en hij vreesde, dat deze aanwas, uit de heerschende klasse voortkomende, het soort van dictatuur, dat hij uitoefende, zou gaan verzwakken in den Sociaal-Democratischen Bond. Hij had veel hinder van den rechtsgeleerde P. J. Troelstra, wiens propaganda in Friesland met den dag grooter werd, en van den ingenieur Van Kol, wiens gevoels-socialisme onder het volk weerklank vond. Hij wilde er zich wel van ontdoen, maar hij durfde hen niet maar zoo geheel uitsluiten; en dat was zeker een van de beweegredenen, die hem hebben gedrongen alsmede zijn onderbevelhebber Cornelissen om door middel van het Groningsche Congres te besluiten dat de politiek van nu voortaan beslist zou verlaten worden.
Evenwel ondanks hunne afkeuring van de revolutionaire tactiek, die ontwijfelbaar het strenge verzet van de autoriteiten moest tengevolge hebben, haddenTroelstraen Van Kol het voornemen niet de partij te verlaten. De sterke aandrang van Van der Goes en het voorbeeld van een der meest bekende propagandisten, Helsdingen, waren noodig om tot het besluit te komen, zich van den Sociaal-democratischen Bond te scheiden en een nieuwe vereeniging op te richten. Degenen, die zij meesleepen, waren weinigen; wanneer men ze goed telt, waren er acht. Het waren werklieden van den eersten rang zooals Fortuyn, Vliegen, Schaper, gemeenteraadslid van Groningen, Polak, de toekomstige organisator van de machtige Diamantslijpers-vereeniging, A. Gerhard, het roode schoolhoofd te Amsterdam, de typograaf Spiekman, de kleine winkelier L. Cohen, en de onderwijzer Van der Vegt. Totaal met de leiders zijn het twaalf. De twaalf apostelen zooals men ze weldra noemde, richtten tot de Socialisten een manifest, waarin zij de vorming van een nieuwe Sociaal-democratische partij aankondigden, die nietsgemeen had met de ultra-revolutionairen, en wier doel het was, zich op de hoogte houden van de eischen des tijds en te strijden voor de daadwerkelijke verbetering van den toestand van hetproletariaat. Vier en vijftig adhesiebetuigingen waren het antwoord op dezen oproep, en den 26en Augustus 1894 werd te Zwolle de Sociaal-democratische Arbeiderspartij in 't aanzijn geroepen, die bij hare geboorte bemoediging en geldelijken steun ontving van de Duitsche Socialisten.
Haar eerste optreden was hard en tegelijk ingetogen. De nieuwe vereeniging was er slechts in geslaagd eenige afzonderlijke personen aan de oude vereeniging te ontnemen en zij streed zonder ophouden in hare propaganda tegen de anathema's van de partijgenooten van Domela Nieuwenhuis, die haar voortdurend zonder genade slag leverden en hare vergaderingen, zoo noodig met geweld, verhinderden. Maar langzamerhand, dank zij de bekwaamheid en spankracht van hare leidslieden, kreeg zij voet en groeide. Het was de tijd niet meer, dat men zich de revolutie nabij dacht. De maatschappelijke toestand was iets verbeterd en het volk, dat op eene maatschappij wachtte die niet kwam, eischte directe vermeerdering van welvaart. De ideeën van de parlementaire socialisten wonnen terrein. Men bemerkte dit bij ieder jaarlijksch congres, men kon het vooral zien bij de verkiezingen van 1897, waar hunne candidaten 13.000 stemmen behaalden en in vier districten triomfeerden; Leeuwarden, Tietjerksteradeel, Winschoten en Enschede.
Dit ongedachte succes gaf aan de partij nieuwe vlucht.
Met één sprong ging het aantal van hare afdeelingen vooruit van 31 tot 51, en sedert dien tijd groeide de beweging voortdurend aan. Bij de verkiezingen van 1901 behaalde zij acht zetels in de Staten-Generaal, die van Van der Zwaag in Schoterland er in begrepen, en vereenigde 38.249 stemmen. De verkiezing van 1905 verlaagde wel het getal der afgevaardigden tot zeven, maar verhoogde het cijfer der stemmen tot 65.733. Wat betreft de verkiezingen van 1909 klom dit laatste cijfer nog met 20.000zonder meer volksvertegenwoordigers naar de Tweede Kamer te zenden.
***
De oorzaak van dezen snellen en onwedersprekelijken vooruitgang ligt voor het minst als partij in den toeloop, dien de Sociaal-democraten hebben verkregen bij elke nieuwe verkiezing, in de middenklasse, bij de kleine burgers en de kleine boeren, die zich aangetrokken gevoelden tot de gewijzigde leer en de beloften van dadelijke hervormingen. Van af den oorsprong der partij was deze wijziging gewild. De leiders achtten het tot een bekwame politiek te behooren om dit deel van het kiezerscorps tot zich te trekken en daarom is het, dat de veldtocht door hen werd voorgesteld als de strijd van den werkman samenverbonden met den kleinen burger tegen de groote kapitalisten; een strijd tegen de kleine salarissen voor het zware werk en tegen de groote renten voor het niets-doen.
Zonder twijfel waren de theorieën van Karel Marx de grondslag van het systeem en was de klassestrijd gelijkelijk geëerbiedigd als een leerstelling, doch het was niet de heftige, revolutionaire strijd, die verbeteringen in het kleine en twijfelachtige beloften versmaadt. De manier van doen was veranderd; men beriep zich niet meer alleen op de klasse van werklieden, men richtte zich tot al de slachtoffers van het kapitalisme.
Aan de kleine winkeliers en aan de kleine verkoopers legde men uit, dat zijgeruïneerdzouden worden door de groote magazijnen en de groote kapitalistische industrieën. Aan de boeren en aan de kleine landbouwers poogde men te bewijzen, dat het overbrengen van den bodem aan de gemeenschap niet zulk een verschrikkelijke zaak was als de meeste menschen geloofden; dat het het socialisme niet was, dat onteigende, maar in werkelijkheid de kapitalisten, bezitters van domeinen, die zonder ophouden zich uitbreiden, die onverzadelijke »slokoppen” van het zweet en van den arbeid der boeren; endat het veel verkieslijker voor hen was, hun eigen baas te zijn in de collectivistische gemeenschap, dan voort te worstelen voor eigen rekening als weinig-benijdenswaardige wezens, of als slaven op het veld van de grondeigenaars, dikwijls vreemdelingen van hun eigen land. Aan allen beloofden zij hervormingen. Zij eischten onder anderen sterk-progressieve belasting op het inkomen, op het vermogen en op de erfenissen, met vermindering voor de kleine inkomsten en vermogens; afschaffing van indirecte belastingen op de noodzakelijkste levensbehoeften; kosteloos recht; kosteloos onderwijs in al zijne geledingen; gratis geneeskundige hulp en begrafenis; werkliedenpensioen op kosten van den staat; algemeene wetgeving van den arbeid; den achturigen werkdag; de verantwoordelijkheid der patroons voor alle ongelukken in hun dienst voorkomende; theoretische en practische gelijkheid van de vrouw met den man; herziening van het pachtcontract van de boerderijen in dien zin, dat de prijs niet hooger mag zijn dan de zuivere rente van het goed, en dat ieder pachtcontract moet vermelden het minimum aantal werklieden, dat voortdurend moet worden gebruikt op de gehuurde goederen en de goedkeuring van een gemeentelijke commissie moet wegdragen, welke is samengesteld uit eigenaars, boeren en werklieden; afschaffing van heerlijkheidsrechten en van alle privilegies op het gebied van jacht, enz.
Zoo was het onmiddellijke doel, dat het sociaal-democratische program aanwees in den strijd voor welvaart en geluk. Degenen, die het hadden uitgewerkt, hadden niet vergeten er de verkrijging van het algemeene kiesrecht voor mannen en vrouwen aan toe te voegen; denkende met Karel Marx, dat de klassestrijd vóór elken politieken strijd gaat tenbehoeve van economische vrijmaking van het proletariaat. Zij plaatsten zelfs aan het hoofd van hunne eischen dit machtige wapen, dat volstrekt noodig is voor de werkliedenklasse om de politieke macht te veroveren, n.l. trapsgewijze den tegenstand te verbreken van de klasse der patroons, de wetgevende en de besturende macht van den staat en der gemeente te gebruikenvoor de onverbrekelijke organisatie van de werklieden.
Hun dringende eisch van algemeen kiesrecht gebruikten zij niet als een algemeen geneesmiddel en de éénige wijze van strijden. Zij voegen er de organisatie van werkliedenvereenigingen en de coöperatie aan toe; de eerste, een voorwaarde voor de onmiddellijke en direkte verbeteringen in het corps van ambachten, eene voorbereiding voor den politieken strijd; eene inroeping van het volksgeweten, dat om zich te ontplooien, de volle vrijheid van vereeniging en van drukpers vraagt; de tweede, de voorbereiding tot de socialistische gemeenschap van den arbeid, waarvan zij de vorm is en die bovendien het onberekenbare voordeel biedt om de strijdkas te vormen voor den klassestrijd en de fondsen te verzorgen, noodzakelijk voor de propaganda en de actie. Dat is zelfs, bevestigt Mr. Troelstra, het eigenlijke niet van de coöperatieve vereenigingen, maar zij verkrijgen eerst een socialistisch karakter, wanneer zij dit doel hebben.
Met behulp van al deze middelen zou men langzamerhand komen tot den toekomstigen staat. Voorloopige teekenen daarvan, zeggen de socialistische sprekers en schrijvers, vertoonen zich reeds, gelijkende op het morgenrood, dat den opgang der zon voorafgaat. Ze zijn: het meerdere gebruik van machines, de concentratie der kapitalen in de handen van een klein aantal individuen en de buitensporigheid van de trust, de vermenigvuldiging der werkstakingen, de veelvuldige oproeren en het bevoorrechten van menigen persoon door den staat. Dit alles moet noodzakelijk een noodlottige opeenhooping bevorderen. Het collectivisme, door den staat en de gemeenten vertegenwoordigd, zal geleidelijk uit de handen der opkoopers de monopolies samentrekken en zich er van meester maken in het algemeen belang en in 't bizonder in dat van den werkman. Gelijk onderwijs zal er aan allen gegeven worden en de staat zal aan de kinderen zelfs de stoffelijke middelen verzekeren, om het te ontvangen; hij zal de vader zijn voor degenen, wier ouders hen niet kunnen voorzien van voldoendevoeding; hij zal voor de uitvoering zorgen van alle diensten, die bestemd zijn ten behoeve van het algemeen der burgers, en zal dienaangaande geen concessie doen aan een particuliere onderneming; hij zal in de behoeften der armen voorzien; hij zal door uitbreiding van het onteigeningsrecht de beschikking verkrijgen over uitgestrekte gronden, die hij aan werklieden zal verhuren en voornamelijk aan landarbeiders tegen zoo laag mogelijken prijs, die laten ontginnen door werkeloozen en gebruiken voor het bouwen van arbeiderswoningen. Tegelijkertijd zal hij zich een erfrecht toekennen gezamenlijk met de natuurlijke erfgenamen, en door al deze voorgeziene hervormingen, die in het socialistische programma geëischt worden, zal hij den publieken rijkdom vermeerderen tot afbreuk van de private kapitalen en zoo zal hij het oogenblik nader brengen, waarop de hedendaagsche maatschappij zal overgaan, bijna zonder schok en op zekere en geregelde wijze, in een ideale maatschappij.
Het is derhalve geen bloedige revolutie meer, verlicht door het rampzalige afschijnsel van den eindstrijd, die de profeten van den socialistischen godsdienst ons aankondigen; het is heel eenvoudig eene evolutie, die zekerlijk de menschen in de lieflijkheden van het collectivistische paradijs moet overbrengen. En dat juist heeft veel kleine lieden verleid en veel werklieden meegesleept, minder door de hoop op een toekomstige maatschappij, die ze waarschijnlijk nooit zullen zien, dan door de verwachting van de naderende hervormingen, waar zij overtuigd zijn, dat zij er niets bij hebben te verliezen, maar alles te winnen.
***
Maar een partij leeft niet alleen van een program, haar kracht bestaat ook in hare organisatie en in hare bedrijvigheid.
En juist het Socialisme heeft zich in alle landen waar het kwam door zijn groote kracht van organisatie en door een krachtige propaganda altijd onderscheiden. De massa's werklieden in beweging brengen, hunne dikwijlsgewettigde ontevredenheid vergrooten, hun haat aanwakkeren en hen in te lijven in den klassestrijd, dat is het doel waarnaar het streeft met onverbroken kracht. Zonder dat het »groote kiezers-mechanisme«, wat de sociaal-democratie in Duitschland is, de volmaaktheid heeft bereikt, oefent de arbeiderspartij in Nederland, die afbeelding is van de Duitsche partij, toch een groote macht uit. De beweging komt van onderen op, van de socialistische vereenigingen onder verschillende benamingen, vereenigingen van allerlei soort, waaronder evengoed vereenigingen van jongelingen behooren en van vrouwen als van volwassen werklieden van de sociaal-democratische vereenigingen. Deze afdeelingen van de partij vaardigen ieder jaar een of meer personen af naar het algemeen congres, alsmede de voornaamste redacteurs van de erkende dagbladen. Het is op die congressen, dat de algemeene richting van de politiek wordt vastgesteld; dat het onderzoek plaats heeft naar de houding van de parlementaire kamerfractie; dat de moties, die de organisatie en de discipline raken, onderzocht worden; dat vier leden van het centrale bestuur gekozen worden. De drie anderen, de president, de secretaris en de penningmeester, die tezamen het bureau van de loopende zaken vormen, en die om deze reden een gemeenschappelijke woonplaats moeten hebben, worden gekozen door de Federatie van Amsterdam en wonen in de hoofdstad. Het werk van het Bestuur bestaat daarin, dat het zich bemoeit met al wat de partij aanbelangt: het nemen van het noodzakelijke initiatief; het volgen van de actie van de propagandisten en de pers; en zoo daalt dan, door een krachtige werkzaamheid aan ieder onderdeel van de partij op te leggen, het socialistische leven in de kleinste vertakkingen neder, tot in de nederigste dorpjes van Groningen en Friesland.
In iederen socialist, zou men kunnen zeggen schuilt een propagandist. Velen zijn er, die, zonder er hun beroep van te maken, dagbladen verspreiden en de leeringen in vergaderingen en werkplaatsen verbreiden. Bovendien heeft de partij zijn vaste propagandisten, die als zoodanig in hun levensbestaan voorzien, somwijlen verdienstelijkesprekers, die zich gedurende eenigen tijd in een zekere streek vestigen,deze in alle richtingen doorkruisen, publieke vergaderingen houden, plaatselijke vereenigingen oprichten en ieder jaar aan het centrale comité verslag uitbrengen van hunne werkzaamheden.
In den tijd van den Sociaal-democratischen Bond werden deze talrijke propagandisten, zooals Vliegen, Schaper en Van der Zwaag, niet betaald voor het werk, dat zij verrichtten. Zoo wilde het Domela Nieuwenhuis, die het belachelijk had gevonden, om een belooning uit de kas der partij te ontvangen voor een taak, waartoe allen, die het kunnen, zich moeten beschikbaar stellen. Van af hare stichting heeft de Sociaal-democratische Arbeiderspartij er anders over geoordeeld, en hare propagandisten verdienen jaarlijks tusschen de 300 en 500 gld. Zoo zou het haast niet kunnen voorkomen, dat de financiën buitengewoon ruim waren, en die van de Socialisten in Nederland zijn het blijkbaar niet bovenmate. Het budget van 1906 steeg tot f 9.600 en boven deze som waren f1.500bestemd voor het tractement van den secretaris-generaal, Van Kuijkhof en f 1100 voor de drie propagandisten, Helsdingen, Mendels en Hermans. Men moet er evenwel bijvoegen, dat dit de eenige voortplanters niet zijn van de socialistische denkbeelden; de partij beschikt over nog anderen, die door de politiek aan een voldoende betrekking zijn gekomen, en geen andere betaling noodig hebben dan reiskosten. Dat zijn in het bijzonder de socialistische afgevaardigden naar de Tweede Kamer, de redacteurs der socialistische dagbladen en de speciale afgevaardigden van het comité-generaal, die gaan waar ze geroepen worden, de grieven ondersteunen en kracht aan de verkiezingscampagne verleenen.
Gelijk in elke beweging van zekere uitgebreidheid, zoo neemt de pers meer en meer in de S. D. A. P. een belangrijke plaats in. Dat is te begrijpen, want het is de propaganda bij uitnemendheid; het geschreven woord, dat zich onophoudelijk tot duizenden lezers richt. Het officieele orgaan van de partij is het dagblad »Het Volk”,dat in Amsterdam gedrukt en uitgegeven wordt. Het wordt ter zijde gestaan in den lande, door een goed dozijn weekbladen, drie maandbladen, waaronder: »De proletarische Vrouw«, orgaan van de vrouwenvereeniging: de Sociaal-democratische Vrouwenclub, en een tijdschrift: »De Nieuwe Tijd«, dat de intellectueelen onder hen redigeeren: Van der Goes, Gorter en Mevrouw Henriette Roland Holst.
Bij de bladen komen nog populaire brochures en traktaten; en onder deze voortdurende actie heeft het Socialisme onrustbarende afmetingen aangenomen. Zoo is het, dat op het congres te Arnhem, den 19denApril 1908, de president Vliegen met zekeren trots kon verkondigen, dat de partij georganiseerd was in 83 van de 100 kiesdistricten, dat in den loop van 1907 het aantal afdeelingen van 167 tot 176 was geklommen en het totaal der leden van 400 tot 8.400.
***
Evenwel op ditzelfde congres, waar deze cijfers zoo triomfantelijk werden vermeld, erkende burger H. Meyer, dat de partij zich wel had ontwikkeld, maar niet zoo als het wel wezen moest; en hij gaf er als reden voor op, dat op het platteland bijna al de arbeiders kiezers waren, dat weinigen onder hen zich onder de vaan van het Socialisme wilden scharen en dat de beweging er in geen geval sterke wortels schoot. Dit was reeds geconstateerd aan den vooravond van de verkiezingen van 1905. Het verslag, door het algemeen Bestuur aangeboden aan het Congres van Utrecht in 1906, stelde vast, dat indien al in de groote steden het cijfer der socialistische stemmen was geklommen op bizondere wijze, ja zelfs in vier jaar tijds voor de negen kiesdistricten van Amsterdam van 12,5 tot 21,2 procent der stemmen was gestegen, het platteland een gevoeligen terugslag aanwees, die in het district Wijk bij Duurstede de verhouding van 8,2 op 2 per honderd had gebracht.
Om de kracht van deze cijfers te begrijpen, moet men zich herinneren, dat in Nederland het algemeen kiesrechtniet bestaat en dat de nu-van-kracht-zijnde kieswet, de wet Van Houten, hoewel ze vrij-gemakkelijke voorwaarden stelt om kiezer te worden, toch een goed deel der arbeiders van de groote steden van het recht om te stemmen berooft. De Socialisten hebben daardoor dus in het kiezerscorps geen invloed, die in verhouding staat met hun werkelijken aanhang. Maar in de boerenstreken is het anders; de boer is degelijker, spaarzamer en slaagt er daardoor meermalen zonder veel moeite in de f 50.— bij elkaar te krijgen en op de spaarbank te brengen, of om aan eene van de andere wetsvoorwaarden te voldoen, die hem het recht geven op de lijst te worden geplaatst. Men begrijpt bijgevolg, dat de hoofden van de Sociaal-democratie een soort van ontnuchtering gevoelen bij het zien van de verminderde resultaten van hunne propaganda onder deze landbouwklasse, die het meerendeel uitmaakt van de bevolking van Nederland. In Friesland heeft het Socialisme, dat zich tot 1890 krachtig onder de boeren had vertoond, opgehouden veld te winnen, tengevolge van de actie der Antirevolutionairen en ook eenigszins als gevolg van de terugkomst naar het platteland van verscheidene groote grondbezitters.
In de Roomsche industrieele streken in het zuiden van Noord-Braband en Limburg zijn de collectivistische denkbeelden bijna nog niet doorgedrongen. De landbouwstreken willen er heelemaal niets van weten, en al zijn in de centra der industrie de arbeidersvoorwaarden en andere werkelijk bestaande omstandigheden van dien aard, dat daardoor gemakkelijk de werklieden in de armen van de socialistische leiders kunnen geworpen worden, zij zijn toch niet toereikend om hen te doen vergeten, dat de gepredikte leer geheel tegenstrijdig is met hun godsdienst. Welnu, voor dit deel van Nederland, dat als het Oude-Vlaanderen zeer verknocht is gebleven aan den Roomschen godsdienst, is deze overweging beslissend. Overigens kan men in 't algemeen zeggen, dat de Nederlandsche werkman godsdienstig is gebleven en dit is een van de voornaamste beletselen, die het Socialisme bij zijne uitbreiding ondervindt.
De leiders hebben het wel begrepen, en daar zij weten, dat een frontaanval op hun eigen schade uitloopt, pogen zij de posities van den vijand om te trekken. In hunne redeneeringen bewijzen zij den grootsten eerbied aan de overtuiging en het geloof; zij verzekeren aan een ieder, die het hooren wil, dat godsdienst zuiver privaatzaak is, waarmee het Socialisme niets te maken heeft, en die het daarom ook niet te bestrijden heeft. De heer Van Kol, oud-afgevaardigde van Enschede, durft wel in het volle congres uitspreken, dat het in 't belang van de socialistische beweging is om te toonen dat zij niet anti-Roomsch is. »Ban dit godsdienstige gevoelen, dat bij velen onder u wordt gevonden, uit uw midden weg. Zoolang wij er niet in geslaagd zijn om de godsdienstige menschen in onze rijen mee te voeren, zullen wij de zege over het kapitalisme niet behalen”. Maar totnogtoe hebben deze belangrijke verklaringen in het geheel geen vat gehad op Roomsche werklieden. Zij herinneren zich terecht dat de vaders van het Socialisme in Nederland, Gerhard, Fortuijn, Domela Nieuwenhuis, enz., vrijdenkers waren. De Socialistische leden van de Tweede Kamer, die den oud-advokaat Mr. Troelstra volgen, een wegsleepend redenaar en geducht en bekwaam schrijver over de politiek, en waartoe Vliegen, de voornaamste redacteur van Het Volk, Van Kol, Schaper Ter Laan en anderen behooren, bewegen zich op de groote algemeene, weinig revolutionaire wegen. Zij zijn overtuigd geworden, dat de Sociale revolutie zich nog niet kon openbaren en toen hebben zij hunne methode veranderd en zijn gaan staan in een zeer praktische houding, werkende voor de onmiddellijke (nu te verkrijgen) hervormingen.
Ziedaar wat de intellectueelen der partij, die Troelstra op min of meer smadelijken toon noemt de groep van den den »Nieuwen Tijd”, niet zonder schijn van waarheid hun verwijten. Daartoe behooren personen van burgerlijke afkomst en met de Duitsche leeringen zeer goed bekend, Gorter, Mevrouw Roland Holst, Pannekoek, Loopuit, Mendels, en anderen, die zich om Van der Goes vereenigen en de anti-socialistische neigingen, welke de partij besmetten,zonder ophouden bestrijden. Zij komen er toe om steeds te herhalen, dat onder het hedendaagsche bestuur de Sociaal-democratie zich verburgert en dat weldra niets meer haar onderscheiden zal van de Vrijzinnig-democraten. Het zuivere Marxistische stelsel, zeiden zij, verdwijnt. Op alle belangrijke en actueele punten van het program is reeds iets opgeofferd, en er is reeds een schrede naar rechts gedaan voor het arbeidscontract, de verzekering tegen ziekte en invaliditeit, den achturigen dag, het militarisme, het stemrecht voor de vrouw, de scheiding van Kerk en Staat en ook voor de buitenlandsche politiek. Dat is de gelegenheidspolitiek, die overal regeert. Troelstra, zoo zeggen zij nog, is de eerste geweest in ons land om een algemeene rechtbank als een practisch feit te willen hebben, maar in een van zijne artikelen houdt hij het proletariaat terug van deze zelfde algemeene politieke rechtbank, die op het internationale Congres van Amsterdam door de Nederlandsche afgevaardigden werd verdedigd. Dezelfde taktiek, die zoo menigmaal beginselen vergeet, wordt vertoond, wanneer het socialistische bestuur door alle middelen de kleinhandelaars en de kleine boeren tot zich denkt te trekken wanneer zij den achturigen werkdag in de schaduw stellen, om dien van tien uren te verkrijgen en wanneer de Kamerfractie, ten koste van betreurenswaardige overeenkomsten, burgerlijke hervormingen najaagt, terwijl zij toch den klassestrijd in de Kamer zou hebben in te leiden zonder zich te weerhouden, om rechts en links vuistslagen uit te deelen. En de volgelingen van Van der Goes zijn van meening: »Wij ook willen hervormingen, maar wij zeggen altijd volgens de oude taktiek: de hervormingen moeten verworven worden op revolutionaire wijze en het Socialistische doel moet bovenaan staan. Maar zij willen het socialisme in een verre toekomst terugzetten en een partij van hervorming worden. Dat leidt tot concessies, tot overeenkomst met de democratische burgers en eindelijk tot deelneming aan een ministerie.
Zoo is dan de naam van Karel Marx een twistappel geworden in de Sociaal-democratische Arbeiderspartij en de echos van den strijd weerklonken sedert drie jarenreeds op de congressen der partij. In 1907, vooral op het congres van Haarlem, was de strijd tegen de revisionisten, tegen de hervormingsgezinden, aangebonden door Gorter, in naam van den onwraakbaren klassestrijd hevig. Tegen deze geweldige aanvallen, die Troelstra persoonlijk golden, verdedigde hij zich met bekwaamheid. Nu eens ironisch en vleiend, dan weer scherp en minachtend, rechtvaardigde hij zich, terwijl hij zijne tegenstanders veroordeelde; en hij eindigde zijn lange rede onder toejuichingen, terwijl hij de geheele partij bezwoer, dat zij verjongd zou opstaan vol vertrouwen en eenheid, om over het kapitalisme te triomfeeren. En het hevige debat, dat gedurende lange uren had plaatsgehad, kreeg vasten vorm in een dubbele bevestigende motie, aan de eene zijde, dat de beschuldigingen, tegen het bestuur gericht, niet waren gegrond, en aan de andere zijde, dat de vrijheid van kritiek een heilig en wettig recht bleef voor ieder lid. Al het geschreeuw, al de bedreigingen van scheuring gingen verloren in een nieuwe verzoening, en het blad »Het Volk” kondigde zegevierend voor de partij een nieuwen tijd aan, vrucht van de behaalde eenheid en gekenmerkt door nieuw vuur en nieuwe kracht.
De vreugde was van korten duur. Het conflict tusschen de beide stroomingen werd des te levendiger hervat met dagbladartikelen op vergaderingen en door brochures. Het te Arnhem gehouden congres op den 19en April 1908 leverde dezelfde oratorische voorstellingen als het vorige jaar dat van Haarlem.
De kritiek was even levendig tegen het bestuur, dat altijd hetzelfde opportunisme vertoonde, en tegen het officieele orgaan der beweging, dat de vrijheid van bespreking tegenging. Maar Troelstra was ziek en niet aanwezig om te kunnen antwoorden. Het waren Schaper en Vlieger, die hem vervingen, en men scheidde zonder veel verder te komen dan tevoren. Het eenige resultaat was, dat de muur van wantrouwen, die langzamerhand opgericht was tusschen de beide fracties, bestendigd werd. Men bemerkte het weldra. Het dagblad »de Tribune”, dat eenige maanden tevoren was opgericht door de onveranderlijkeMarxisten en welks opkomst reeds was veroorzaakt door het congres van Arnhem, vervolgde zijn aanvallen tegen de parlementaire fractie. Aan het hoofd deden Wijnkoop, Ceton en Van Ravesteijn zich kennen door hunne heftigheid. Troelstra en zijne vrienden, woedend over deze heftige bestrijding, die zonder ophouden doorging, besloten er een eind aan te maken en met dat doel riepen ze een buitengewoon congres op, dat in Deventer van den 12entot den 14enFebruari 1909 werd gehouden. Er was alleen maar kwestie over de middelen tot herstelling der eenheid, door de verdwijning van de »Tribune”. De redacteurs ontvingen een ultimatum om met de uitgave van hun blad op te houden en zich tevreden te stellen met de Marxistische ideeën door middel van een wekelijksch bijvoegsel van »het Volk” te verspreiden. Daar zij weigerden zich naar deze bevelen te schikken, sprak het congres met 209 van de 297 stemmen hun uitsluiting uit de partij uit. Buiten de deur van het socialistische huis gezet, ondernamen zij den bouw van een nieuw huis, ter zijde van het andere. Zij vergaderden hunne volgelingen in een nieuwe partij, die zij noemden: »de Sociaal-Democratische partij”, stelden een programontwerp op en bij de verkiezingen van 1909 hadden zij candidaten in vier districten, maar verkregen slechts een zwak stemmencijfer.
Hun uittocht heeft naar het schijnt niets of bijna niets veranderd in de kracht van de S. D. A. P. Niet zeer verwonderlijk, want de rechte hoofden van de Marxistische beweging zijn tegen de verwachtingen in, in de oude organisatie gebleven; en het congres van Rotterdam van 11, 12 en 13 April 1909 heeft getoond, dat zij niets van hunne beoordeelingen, niets van hunne eischen hadden afgelegd. Hetgeen hen terughoudt van het verlaten der partij dat is, de onzekerheid van gevolgd te zullen worden. Het oogenblik zal waarschijnlijk komen, waarop zij het socialistische huis onbewoonbaar verklaren, en waarop zij op hun beurt er uit zullen gaan.
»Wanneer een partij zich splitst”, zeide in 1904 de Italiaansche socialist Ferri op het internationaal congres van Amsterdam,»wordt ieder deel bijna altijd tot het uiterste van zijne ideeën gedrongen, en indien de eene het ideaal uit het oog schijnt te verliezen, vergeet de andere, geheel ingenomen door de beschouwing van zijne beginselen, de practische behoeften”. Dit woord werd bevestigd, door hetgeen in de socialistische beweging in Nederland plaats had.
Terwijl Troelstra en de gematigden langzamerhand iets van den onveranderden klassestrijd verzachtten en de strenge leer van Karel Marx veranderden in een hervormingsgezindheid naar omstandigheden, begaf zich Domela Nieuwenhuis geheel vervuld met het verlangen om de volksgunst te behouden en ongerust als alle menschen, die op het uiterste hunner gedachten gekomen zijn, meer en meer op de helling, die tot het meer of minder anarchistische geweld leidt. De volksleider ging tegenover hen staan, die hij ervan beschuldigde het collectivisme ten onder te brengen. Met snijdende woorden, die voor geen enkele beschouwing of argument terugschrikten, hoe kwetsend of persoonlijk zij ook mochten wezen, brandmerkte hij de concessies van de politieke menschen en hun wegzinken in de parlementaire kolk. Dat was overigens de overtuiging, dat de Tweede Kamer het revolutionaire zout niet dan smakeloos kon maken en de komst van den toekomstigen staat oneindig ver terug deed gaan. Daardoor was hij zelf met de hulp der omstandigheden er toe gekomen om geheel het politieke terrein te verlaten.
Zoo groot was zijn invloed in den Sociaal-Democratischen Bond, dat na de beslissing van het congres van Groningen en de scheiding der parlementairen, bijna al de socialistische troepen hem getrouw bleven. Van de 5000 volgelingen, die zich toen onder zijn bestuur vereenigden, verliet ternauwernood een honderdtal hem, om zich te verbinden aan de S. D. A. P. Door Christiaan Cornelissen geholpen, die met hem redacteur was van»Recht voor allen”, begaf Domela Nieuwenhuis zich aan de voortzetting van de Socialistische propaganda, door zuiver revolutionaire middelen.
Maar juist op het oogenblik van de scheuring, had hij zich ter eener zijde tegen de maatregelen der regeering ter verdedigen. Op het congres van Zwolle in 1892 had de Sociaal-Democratische Bond zijn program herzien en had er dezen zin bijgevoegd, dat de Bond zou voortgaan om met wettige of onwettige, vreedzame of gewelddadige middelen de vernietiging van de hedendaagsche sociale verhoudingen te zoeken.
Door deze verklaring kwam men in botsing met de wet op het vereenigingsrecht. De regeering zond afgevaardigden tot de socialistische hoofden om hen te verzoeken, zich tot de wettige middelen te bepalen; maar zij wilden er niets van hooren en noch minder er iets van afdoen. Vervolgingen werden tegen hen ingesteld en in April 1894 ging de rechtbank te Groningen er toe over om de ontbinding der revolutionaire organisatie te eischen, daar zij een aan de openbare orde vijandig doel beoogde. Het gerechtshof te Leeuwarden en de Hooge Raad bevestigden het vonnis, dat nog nimmer opgeschreven was in de annalen van rechtbank en regeering van Nederland; want men kende slechts dit eenige geval, dat eener vereeniging de erkenning bij de regeering geweigerd wordt, of ontbonden is geworden.
Maar alles was voorzien om deze verdwijning af te wenden en de asch van den Sociaal-Democratischen Bond, die op wettige wijze was vernield, gaf dadelijk een nieuwe vereeniging het aanzijn; de »Socialistenbond”, den 3en December 1894 op het congres van den Haag gesticht. En de strijd ging door op leven of dood tusschen parlementairen en revolutionairen. De eersten hadden met verontwaardiging geconstateerd, dat de socialistische kiezers meerendeels niet hadden deelgenomen aan de verkiezingen van 1893, waarvan de inleg was het behoud van het ministerie-Tak van Poortvliet en het quasi-algemeene kiesrecht, en zij spaarden hen niet, maar stelden hen in hun bijtende kritiek verantwoordelijk voor denederlaag. De anderen gaven hun slag voor slag terug en gebruikten uiterst scherpe bewoordingen. Domela Nieuwenhuis ging zoover, dat hij hen beschuldigde van zich te maken tot verdedigers der regeering en van te worden betaald door de Duitsche Sociaal-Democraten.
Vrijwillig teruggetrokken uit de politieke actie begaf hij zich eerst in de syndicaten-beweging en verbond zich met het Nationaal Arbeidssecretariaat, dat bijna al de werkliedenvereenigingen vertegenwoordigde en dat aan zijn invloed onderworpen was. Langzamerhand werkte hij de leerstellingen uit. Bij het begin van 1898 vatte hij ze te samen in het encyclopedische werk over »Nederland”. Met welk eenonstuimigheidkeerde hij zich toen niet tegen de revisionisten, die »het schoone socialistische strijdros slechts op bizonder-plechtige gelegenheden uit den stal haalden en het overige van den tijd er lieten staan, om het woord te laten aan het program van actie, waarmede zich ook de radicalen gerust kunnen vereenigen.” In welke bittere bewoordingen verweet hij hun niet hun aandeel direct of indirect aan de regeering. »Het parlement is het werktuig, waarvan zich de besturende klasse bedient om de klasse der proletariërs ten onder te houden. Door dit parlement is het, dat de hedendaagsche staat van zaken zijn zegel door wetgeving en bestuur ontvangt. Die derhalve aan de volksvertegenwoordiging meedoet, ondersteunt de burgerij, en daar de belangen der burgerij niet samengaan met die der proletarieërs en niet gepaard kunnen gaan met elkander, bevindt het zich dus tegenover de belangen van het lagere volk en steunt het en bevestigt het de staatsmachine, die er toe dient om hen te onderdrukken. Het vertrouwen op het stelsel der volksvertegenwoordiging is daarom met de revolutionaire idee niet overeen te brengen, want wanneer eene partij zich tot hervormingen begeeft, dan komt zij op den weg van het possibilisme, maar daarmede verlaat men het terrein van den klassestrijd, waar toch de beslissende kamp zal geleverd worden.”
De menschheid, gelukkig in een volkomen gelijkheid, geen God of meester meer hebbende, zoo zou volgenshem, het wezen van de toekomstige maatschappij zijn, en hij besloot dat om er toe te komen, alle revolutionaire middelen goed zijn, maar die alleen. Onder deze geweldige middelen is het eerste en niet het minst belangrijke middel de werkstaking en vooral de algemeene werkstaking. Elk van deze is een voorpostengevecht in den socialen oorlog. Zoo verklaart Domela Nieuwenhuis, die dan vervolgt: »Elke daad van opstand bewijst dat de slaaf van den arbeid gevoel van zijn persoonlijke waardigheid krijgt en een verlangen naar onafhankelijkheid, en ofschoon hij geen kans loopt zich van de boeien los te maken, die hem kwellen, begint hij aan deze te trekken, te schudden, en dat is het teeken van den vooruitgang.”
»De werkstakingen, zelfs die, welke niet aansluiten zouden aan elkander, hebben een weldadige uitwerking, omdat zij tot onderricht en oefening dienen voor de arbeidsklasse, die niet anders hare bevrijding zou weten te bereiken dan door den strijd en in den strijd; omdat deze de werklieden nog vrijwaren tegen slechter levensvoorwaarden, die zeker hun deel waren indien zij er eenvoudig in zouden berusten; omdat eindelijk deze hen leeren te zien, wat nog aan hunne organisatie ontbreekt om de overwinning te behalen”. In één woord, het is de heftige agitatie, die voortdurend de volksmenner predikt, om van de kleinere werkstakingen tot een totale en zoo mogelijk internationale werkstaking te komen in een tak van industrie en eindelijk na meer of minder talrijke pogingen tot één algemeene werkstaking te komen in alle landen van kapitalistische organisatie.
Naast deze gezamenlijke oppositiehandelingen komen individueele oproerige daden te staan. De weigering om den militairen dienstplicht te vervullen in het leger, dat opgeroepen was tegen het gepeupel, is er één van; maar opdat het zijne uitwerking niet zal missen is het noodig, dat het zorgvol tevoren is voorbereid door een krachtige propaganda tegen het leger.»Geen man en geen duit voor het militarisme«, dat is de korte formule, die Domela Nieuwenhuis met kracht omhoog houdt. Doch deze isnog niet geheel voldoende en hij voegt er aan toe de propaganda van de daad, de directe handeling, die niet terugdeinst voor oproer en bommen.
Wanneer al deze wapenen aan het proletariaat voldoende voordeelen zullen gegeven hebben, zal de beslissende eindstrijd tot het laatste algemeene stadium gevorderd zijn. «Elke revolutionaire periode», zegt hij,«is in de geschiedenis door een tijd van crisis voorafgegaan; de inbezitneming van de middelen van productie en verbruik door de arbeidsklasse kan niet totstandkomen dan na een critieken tijd op algemeen gebied en door alle landen in al de takken van industrie en na een periode, onmiddellijk voorafgegaan, van sluiting der fabrieken, scheepstimmerwerken en andere werkplaatsen, faillissementen van bankiers- en handelshuizen aan den eenen kant en anderzijds van werkloosheid met den somberen samenhang van honger en ellende. Temidden van deze smarten der kindsheid zal de socialistische maatschappij ontstaan door een periode van algemeene burgeroorlogen.»
Indien dit geen verkwikkende voorstelling is, toch heeft zij tenminste de verdienste van openlijk ons de toekomstige maatschappij te laten zien, waarin brood en vrijheid voor allen zal zijn, tengevolge van de afschaffing van alle gezag, en waarin de hervorming van de productiewijze op den voet van vrije en gelijke vereeniging van de personen, die ze voortbrengen, noodzakelijk de geheele staatsmachine op de plaats zal terugbrengen, die haar toekomt in het museum van oudheden, naast het spinnewiel van onze grootmoeders en de bijlen van het bronstijdperk. Doch ze kan ons den zekeren schrik niet wegnemen door de belofte van een twijfelachtig geluk.
Is het noodig naar een reden te zoeken, waarom het meerendeel der socialistische arbeiders, begeeriger naar positieve voordeelen dan naar schoone droomen, van welker verwezenlijking, die nog zoover verwijderd is, zij wisten dat ze slechts ten koste van zulke offers zou bereikt worden, niet de »Socialisten-Bond« volgde? Misschien, maar er waren ook anderen. Ter eener zijde na de politieke actie, de actie op het gebied van syndicaten.Uit vrees voor het zien vallen van deze macht in de handen van den vijand, van de S. D. A. P., die er voet dreigde te nemen, had zij zichzelve uitgesloten van het Nationaal Arbeiders-Secretariaat, door het besluit te doen nemen, dat alleen de ambachtsvereenigingen er zouden worden toegelaten. Zijne mannen behielden er het bestuur in, maar er waren geen directe betrekkingen meer met de syndicaten. De beweging, zoo noodzakelijk voor het bestaan van een politieke organisatie, werd bijgevolg tot kleine middelen herleid, tot weigering van het betalen van belasting of tot obstructie van den gerechtelijken verkoop, welke alle onvoldoende waren om de geestdrift voor de zaak te onderhouden.
Anderzijds hadden Domela Nieuwenhuis en vooral Cornelissen, geheel opgaande in de bestrijding van de S. D. A. P. en begeerig het grootst-mogelijke aantal aanhangers voor zich te behouden, niet kunnen besluiten een nauwkeurige gedragslijn aan te nemen. En door een uitslag, tegenovergesteld aan hetgeen zij zochten, hield de Socialistenbond niet op zich te verzwakken. In 1898 hadden ze niet meer dan 80 afdeelingen met 2,126 leden. De contributies waren gedaald tot ƒ 408. Behalve Amsterdam en Den Haag telde geen enkele afdeeling meer dan 50 leden. Het blad »Recht voor allen« had een schuld van ongeveer ƒ 1.000.
De toestand was dus ver van schitterend, toen plotseling eene verrassing zich voordeed. Hetzij Domela Nieuwenhuis ontmoedigd was door het succes van de parlementairen, bij de wettige verkiezingen van 1897, hetzij hij afstand wilde doen van zijne macht op het oogenblik, dat deze nog niet zonder beteekenis was, hetzij hij de twijfelachtige eer niet wilde hebben de machtige vereeniging die hij zelf had verwekt tot haar algemeene vernietiging te brengen, hij trok zich terug uit den Socialistenbond in Maart 1898, ondanks de smeekingen van zijne getrouwen, wierp zich in de armen van het anarchisme, waar hij naar overhelde sedert eenigen tijd en richtte een nieuw blad op: »De Vrije Socialist«, waarvan het eerste nummer 1 April 1898 verscheen.
Dat was het sein van de algemeene verwarring. Cornelissen ook verliet de partij om zich in Parijs te vestigen. Door hunne aanvoerders, en vooral door hem dien zij zoo langen tijd waren gevolgd, verlaten, verspreidden zich de leden van den Socialistenbond. De meesten trokken zich buiten alle organisatie en politieke actie.
De overigen trachtten den toestand te beheerschen. Op het congres van Zwolle in 1898 besloten de laatste strijders uit het revolutionaire leger tot de politieke beweging terug te keeren, maar zij vormden slechts het overschot van de groote socialistische bataillons; slechts acht afdeelingen waren vertegenwoordigd en zij maakten op, dat de partij ƒ 4.218 schuld had. Tot overloop van ironie belachte hun oude aanvoerder hun onvruchtbare pogingen en ried hun bij wijze van bittere scherts aan, zich met de parlementaire socialisten te vereenigen, jegens wie zijn haat niet was verminderd. Na eenigen tijd getracht te hebben zich voort te sleepen, moest de Socialistenbond er wel toe komen om dit besluit aan te nemen, hoe groot ook hun tegenzin was. Den 24en Juni 1900 ging het overschot van den ouden bond over in de S. D. A. P. Alleen Van der Zwaag, Pennink en eenige anderen gingen niet weer terug.
***
De revolutionaire-socialistische partij had bestaan. Maar zij was niet geheel dood. Zonder van talrijke Socialisten-anarchisten te spreken, die afzonderlijk stonden en beinvloed werden door Domela Nieuwenhuis, hebben hare beginselen hun prestige bewaard bij de syndicalisten, die zich hebben verbonden in het Nationaal Arbeids-Secretariaat.
Wij haasten ons om te zeggen, dat dit Nationaal Arbeidssecretariaat hetzelfde is als de »Confédération génerale du travail« in Frankrijk. In het verloop van het Internationaal-socialistischCongres te Brussel in 1891 geboren, was het dadelijk begonnen al de neutrale syndicaten te vereenigen en aan het hoofd daarvan een organisatie vanambachtslieden te plaatsen. Het aantal syndicaten of aanverwante vereenigingen was 52 in 1900 met 12.444 aanhangers; maar terwijl het cijfer der syndicaten steeds steeg, verminderde het aantal leden, want in 1895 was het 18.400 over 31 verbonden vereenigingen.
Het échec van de algemeen werkstaking der transportarbeiders in 1903, waartoe de socialisten-anarchisten krachtig mede hadden gewerkt, bracht de beweging achteruit. Ter eener zijde trokken zich de minst voorspoedige syndicaten terug, omdat zij de vereischte contributie niet meer konden betalen, en aan den anderen kant trokken de groote syndicaten, ontevreden over het geweld der leiders, partij van de stribbelingen, die zich langen tijd reeds in het Nederlandsche Arbeids-Secretariaat vertoonden, en van de oorlogsverklaring in 1904 tegen hen gericht in de afscheidingscirculaire. Zij stichtten een nieuwe partij, het Nederlandsche Verbond van vakvereenigingen, waar Henri Polak en de machtige Diamantwerkersvereeniging de voornaamste rol speelden. Het is een feit, dat de ervaring leert, dat wanneer de revolutionairen kapitalisten worden, de vurigsten onder hen verstandig worden. Zij vinden het leven minder hard en de maatschappij minder slecht; zij verzachten den toon van hunne eischen en zij ontdekken overeenkomst, die zij in den tijd van hunne armoede met verontwaardiging zouden hebben verworpen. De groote syndicaten in Nederland hebben dat doorgemaakt, terwijl het Nationaal Arbeids-Secretariaat, dat geen verbodsbepalingen genoeg voor hen heeft, doorgaat met zijne 9 vereenigingen, zijn 45 syndicaten en zijne 5.000 leden oorlog te voeren tegen het kapitaal en de reactie, zich van den politieken strijd ontdoet en de directe actie predikt, oproer, antimilitairisme en de algemeene rechtbank. Die tot haar behooren, dat zijn over het algemeen de magere syndicaten, begeleid door de verarmden, die geen aandeel kunnende krijgen aan de regeering, zoover mogelijk de logica van hunne beginselen doortrekken, en die, niets te verliezen hebbende, alles op het spel zetten; geduchte tegenstanders van de maatschappij, die tegelijk door hun anarchistischeleerstellingen en hun woesten haat waarmede zij de klassestrijd prediken, bedreigen. Het is eigenaardig te zien, dat in alle landen de socialistische beweging heen en weer schommelt tusschen de parlementairen en de libertijnen en dat zij slechts aan dezen ontkomt om onder den invloed van genen weder te geraken. In Nederland behalen de parlementairen de overwinning, maar de anderen, de mannen van geweld, zullen zij niet spoedig wraaknemen?