I.

Twintig jaren van strijd.

De grondwetsherziening.

De Liberalen hadden zich vereenigd rondom de wet van 1878. Alle pogingen waren er op gericht om een beslissende overwinning te behalen.

Maar toen de overwinning eens was verkregen, kwam des te grootere wanorde en oneenigheid in het liberale kamp. Kappeyne sleepte in zijn gevolg een deel van de Liberalen mede naar een radicalisme, dat met den dag zich scherper belijnde; terwijl Gleichman, zoo goed of kwaad als het ging de achterblijvers verzamelde, die deze evolutie teleurstelde en verschrikte. Geen van de beide deelen had een program en op alle andere kwesties dan die der Schoolwet, dewelke de Liberalen voor afgedaan en onveranderlijk hielden, was groote verwarring van begrippen.

En deze tweedracht sloeg over op het ministerie. De eerste minister Kappeyne in overleg met Tak van Poortvliet eischte grondwetsherziening en in 't bizonder, uitbreiding van kiesrecht; de minister van financiën Gleichman en verscheidenen zijner collega's oordeelden deze tenminste nu niet aan de orde. Dit verschil van gevoelen was voor het ministerie Kappeyne noodlottig. Het viel weldra tengevolgevan inwendige geschillen, waarmede in onmacht een tijd van een-en-twintig maanden afgesloten werd, die begonnen was met de krachtige voorbereiding en spoedige aanneming van een schoolwet, welke blijken zou te zijn de zwanenzang van de liberale macht.

Een ministerie Van Lijnden trad thans op; een ministerie, tweeslachtig, noch liberaal noch conservatief in den gewonen zin van het woord, liever een politiek voerende van gematigd liberalisme, dat zich in de regeering handhaafde tengevolge van de verschillen der liberale partij en dat in de oogen van de anti-liberalen een zakenkabinet was.

Toen het zich terugtrok, poogden de Liberalen zelf het bestuur en de regeering in handen te nemen. Koning Willem III benoemde Tak van Poortvliet om een nieuw ministerie samen te stellen, maar deze staatsman, radikaal in zijn gedachten en handelingen, stelde als voorwaarde de belofte, dat de koning het initiatief van een grondwetsherziening zou nemen. De koning weigerde en men had het bijzonder geval, dat afgetreden ministers na vier maanden crisis hunne portefeuilles wederom opnamen om ze weldra opnieuw over te geven ter wille van uitbreiding van kiesrecht.

Bij dezen tweeden val van het ministerie wendden de Liberalen nieuwe pogingen aan, eveneens onvruchtbaar. De innerlijke verdeeldheid was zoo sterk, dat de verschillende deelen niet tot overeenstemming konden komen. Deze keer had de koning, die weigerde onder het Caudynsche juk van de Radikalen door te gaan, zich tot de gematigden gericht. Verscheidene malen hadden Van Rees en Gleichman beproefd een liberale combinatie te vormen. Maar zij hadden treurig gefaald.

Den strijd moede keerde zich Willem III tot den man, die de toevlucht in menigen wanhopenden toestand voor de regeering was geweest, Heemskerk, wiens groote hoedanigheden en bekwaamheid de gevaarlijke hinderpalen overwonnen. Deze waarlijk buitengewone staatsman regeerde op wonderbare wijze zonder flinke meerderheid in de Kamer en behield het gezag ondanks de wisselingenvan de meerderheid, ondanks zelfs de wijzigingen in zijn eigen ministerie. Hij aarzelde niet de Kamer te ontbinden, wanneer hij een hardnekkige oppositie wilde verbreken, en zonder vastgesteld program slaagde hij er in zijne regeering langdurig en vruchtbaar te doen zijn.

Zijn derde ministerie duurde vijf jaren en verkreeg het record van duurzaamheid in Nederland. Evenwel zag het twee verwisselingen van de meerderheid in de Tweede Kamer en een ongewone opvolging van ministers: vier van Marine, twee voor Buitenlandsche zaken, twee voor Financiën, twee voor Koloniën en twee voor Waterstaat.

Temidden van deze wijzigingen bleef de eerste minister onbewegelijk en behield de teugels met vaste handen. Ondanks alle moeilijkheden, bracht hij hervormingen aan.

***

Op het oogenblik, dat Mr. Heemskerk opnieuw aan de regeering kwam, was de kwestie van grondwetsherziening gesteld. Het was onmogelijk zich er van te bevrijden. Het bleek meer en meer, dat de grondwet van 1848 in vele punten niet meer aan de behoeften van den tijd beantwoordde. Zij bevatte veel bedenkelijks en gebreken, voornamelijk vele beslissingen, die uit de nieuwe grondwet moesten genomen worden en in een afzonderlijke, gemakkelijk te wijzigen wet moesten worden opgenomen. Vóór alles verweet men haar, dat zij het kiesrecht voor de benoeming van de leden van verschillende hooge colleges verbond aan een bepaalden aanslag in 's rijks belastingen. Het opkomen van den vierden stand tengevolge van verbeterd onderwijs en toenemende welvaart, was oorzaak, dat van verschillende zijden stemmen oprezen voor algemeen kiesrecht. De democratische stroom, die in andere landen uitbreiding van kiesrecht medebracht, begon zich met kracht te doen gevoelen; hij dreigde de perken van de grondwet over te gaan; men moest de bedding verruimen, indien men niet wilde dat de stijgende vloed buiten zijn oevers trad en de vlakte overstroomde.

Minister Heemskerk begreep het en hij spande zichvoor deze taak in, na de goedkeuring van den koning verkregen te hebben, wien het bevorderen van nieuweideeënniet behaagde.

Toch was deze beweging voor Grondwetsherziening niet diep doorgedrongen in het volk, dat zich meer onverschillig toonde. De hervorming was vooral gewild door de Liberalen, en ofschoon zij zeer verdeeld waren over de wijze van behandeling, trachtten zij toch niettemin het volk van de noodzakelijkheid te overtuigen.

Tegenover de Liberalen hadden de Roomschen en Antirevolutionairen op dit punt een speciale taktiek. Zij stonden niet vijandig tegenover deze herziening, integendeel, velen onder hen, vooral bij de Antirevolutionairen keurden haar goed, maar zij maakten haar ondergeschikt aan de herziening der schoolwetten, die voor hen het voorwerp bleef, waartoe ze sedert 1878 bijzonderlijk alle krachten inspanden. Dat men beginne met herziening van artikel 194 van de grondwet en met de toestemming van gelijkheid in beginsel van vrije scholen en openbare scholen; vervolgens zullen wij de andere zaken, die men zal willen, herzien. Zoo spraken en besloten ze: Grondwetsherziening is goed, maar vóór alle dingen eischen wij recht.

Toen de minister zijn voornemen aankondigde om over te gaan tot de herziening en eene Staatscommissie benoemde om ze voor te bereiden, behoorde de meerderheid in de Kamers aan de Liberalen. Op hun steun dan ook rekende hij om de groote voorgestelde hervorming tot stand te brengen. Evenwel had ternauwernood de bijzondere commissie van onderzoek haar taak voleindigd, of de meerderheid verplaatste zich en de Kamer ging om.

Den 28enOctober 1884 hadden de algemeene verkiezingen voor de Tweede Kamer plaats gehad. De anti-liberalen, Roomschen en Antirevolutionairen, hadden door een gemeenschappelijken aanval en een gezamenlijke actie, waaraan de schoolkwestie ten grondslag lag, de overwinning behaald. Bevreesd voor het streven van zekere Liberalen, hadden zich de Conservatieven bij hen gevoegd. Dekrachtige samenwerking van deze verdubbelde groepen, gevoegd bij de zwakheid van de Liberale partij, had den triomf aan de Christelijke Coalitie geschonken. Den eersten keer had zij verscheidene zetels veroverd en bij de herstemming van 11 November was hare overwinning voltooid.

Bijgevolg bevatte de linker, de liberale, zijde in de Tweede Kamer niet meer dan 42 leden, terwijl men rechts 44 telde, en wel 23 Antirevolutionairen, 18 Roomschen en 3 Conservatieven. Voor het eerst verkregen de confessioneele partijen de meerderheid, maar om deze te handhaven was de steun der Conservatieven noodig.

Daarentegen bleven zij in groote minderheid in de Eerste Kamer. Acht Roomschen stonden daartegenover 26 Liberalen en de Antirevolutionairen hadden er niet in kunnen slagen een van hunne vertegenwoordigers er binnen te brengen.

Hoewel overwinnaars konden de verbondenen toch alle voordeelen niet plukken van hunne overwinning, zooals zij wel zouden willen. De Eerste Kamer stelde tegenover hunne pogingen een formeel veto, in de veronderstelling dat deze buiten de perken van de Tweede Kamer gingen. Bijgevolg was het onmogelijk voor hen om met succes een positieve politiek te voeren; zij moesten dus zich bij de verdediging houden en trachten de samenbinding hunner tegenstanders te verhinderen. De omstandigheden kwamen weldra zelfs de kracht van deze houding verstoren.

Bij de bespreking van de financiënwet van 1885, werd een van de leden van de rechterzijde ziek en kon bij de zittingen van de Kamer niet tegenwoordig zijn. Hierdoor werd de oogenblikkelijke sterkte der partijen van 43 op 42; en bovendien bevond zich onder de Conservatieven, die aan de meerderheid een noodzakelijken steun aanbrachten, een van die eigenaardige mannen, die geen discipline kunnen verdragen en toch op hun eigen wonderlijke wijze de zaken wenschen te ontwikkelen. Wintgens, zoo is zijn naam, was dus de man van het evenwicht, waarop het aankwam in dezen toestand: hij vermocht door vóór of tegen de ontwerpen of de amendementen te stemmen, deze te laten aannemen of verwerpen. Zijne meening, diein andere omstandigheden onopgemerkt zou voorbijgegaan zijn, had evenveel gewicht, zoo niet meer, dan die van al zijne collega's tezamen en gelijk een souverein zijne macht kent, maakte hij er een ruim gebruik van en somwijlen onvoorziens.

Natuurlijk werd daardoor de zaak van zijne vrienden van rechts niet altijd gebaat, die hem zijn onregelmatigheid en grillen verweten. Als protest tegen deze verwijten, die volstrekt niet bedoelden om zijne vrijheid van beweging aan banden te leggen, en om terzelfdertijd aan de bestraffingen te ontkomen, deed hij afstand van zijne macht en verliet de Tweede Kamer.

In zijne plaats werd een Liberaal gekozen en daardoor werd de minderheid met één vermeerderd en werd bijgevolg gelijk aan de meerderheid: 43 tegenover 43. De Kamer was op het doode punt gekomen.

Toen begon een tijd van eenige maanden, beroemd gebleven in de parlementaire jaarboeken van Nederland. Alle beslissingen hingen af van het noodlot. Als een lid van de partijen ziek werd of tijdelijk verhinderd was, hèlde dadelijk de evenaar naar de tegenpartij over. En wanneer men aan beide zijden voltallig was, was men niet instaat iets uit te werken of een meerderheid te verkrijgen.

In dezen toestand werd de strijd geleverd, waarvan de inleg was de grondwetsherziening. Als gevolg van het verslag van de Staatscommissie had minister Heemskerk elf wetsontwerpen voorgesteld, die dienen moesten tot het in overweging nemen van de voorstellen voor grondwetsherziening. Den 17enMaart 1886 begon hij met de bespreking er van in de Tweede Kamer.

Getrouw aan hunne taktiek weigerden de anti-liberalen zich tot elke herziening te leenen, voordat men voldoening had ontvangen op hoofdstuk X van de grondwet, dát het onderwijs behandelde en het voornaamste artikel voor deze kwestie bevatte, n.l. artikel 194. Door den vrij-onverwachten steun van Mr. Van Houten, die op dat tijdstip onder de geavanceerd liberalen had plaats genomen, besloten 44 tegen 40 leden de wenschen van de rechterzijde in te willigen, zoodat de bespreking van Hfdst. X geopend werd.

Na lange dagen van beraadslaging; na een kruisvuur van amendementen, waarvan verscheidene werden verworpen door staking van stemmen; na debatten, zoo afgerond dat men zou meenen dat de zaak uitgeput was; werd eindelijk een besluit genomen op het hoofdstuk van onderwijs, maar geheel en al negatief.

Het voorstel van de rechterzijde was verworpen met 43 tegen 42 omdat Mr. Keuchenius zich onthouden had, daar hij weigerde tot de coalitie van Roomschen en Antirevolutionairen toe te treden; de twee moties van de linkerzijde met 64 tegen 22 en met 68 tegen 18; de redactie van de regeering leed de nederlaag met 56 tegen 30 stemmen.

Er bleef niets meer over. Als een gek op den schoorsteen draaide de Kamer al te zeer in evenwicht, in een voortdurende cirkelloop om zijn as, zonder tot een vast besluit te komen.

***

De toestand was voor het ministerie Heemskerk onhoudbaar geworden; het trad den 13enApril af.

Dadelijk werd baron Mackay door den koning geroepen, een van de uitnemendste mannen van de Antirevolutionaire partij; maar deze wees de dringende aanbiedingen van de regeering af om deze besliste reden, dat het onmogelijk voor het oogenblik was om de schoolkwestie weer aan de orde te stellen en dat daarom de rechterzijde de verantwoordelijkheid van de regeering weigerde.

Temidden van de onzekerheid van de ministerieele crisis, op het oogenblik dat allen uitzagen naar den «minister bij uitnemendheid», die er in slagen zou een ministerie te vormen, bij wijze van verrassing, trok het ministerie Heemskerk zijn ontslagaanvrage in, hernam het bestuur der zaken en ontbond de Kamer (11 Mei 1886).

Den 15enJuni volgden de algemeene verkiezingen; zij brachten den Liberalen de zege. Hunne tegenstanders verloren vier zetels en zagen hunne krachten afnemen tot 39 stemmen inplaats van 43, waarover zij tevoren beschikten.

Uit vrees evenwel om het werk van de grondwetsherzieningte verhinderen dat het ministerie wederom beloofde op te nemen, zochten de Liberalen niet de regeering weer in handen te krijgen en schikten zich voor het oogenblik in neutrale regeering.

Heemskerk ging derhalve voort het roer van staat in handen te houden en nam tot eenige taak de grondwetsherziening tot een goed einde te brengen.

De verworpen wetsontwerpen werden nu wederom aan de orde gesteld, de besprekingen werden heropend op den 8enFebruari 1887, vaak «bruisend en woelend», zooals de verslagen het noemden.

Eindelijk begon men met het onderzoek der wetsontwerpen zelve. Zij werden ten slotte aangenomen alsmede ook eenige amendementen over artikel 194, dat nu artikel 192 was geworden, maar deze amendementen werden niet van kracht tengevolge van de halsstarrigheid der Eerste Kamer.

Bij het begin van November 1887 was alles beëindigd; den 6envan die maand verscheen de herziene grondwet in het Staatsblad, en den 30enbij den laatsten slag van 12 uur des middags van de klokken, werd zij plechtig afgekondigd op het voorplein van de groote gerechtshoven, en bij de deuren van alle Nederlandsche gemeentehuizen.

De bewerkte herziening was lang niet zoo uitgebreid als men had gehoopt. Vele artikelen, waar wijziging noodzakelijk was, bleven onveranderd. Niettemin waren de aangebrachte veranderingen wel van belang, want zij brachten verscheidene punten in nauwe betrekking met het openbare nationale leven.

Het kiesrecht ontving een breederen grondslag en bevond zich nu tusschen beter uit te zetten grenzen. Artikel 80 hief de uitdrukkelijke voorwaarde op van een betrekkelijk-hoogen aanslag in de belasting, zooals dat door het oude artikel 76 geëischt was van iederen Nederlander van 23 jaren om als kiezer te worden toegelaten door de wet.

Het aantal leden van de te verkiezen lichamen was voor de Tweede Kamer op 100 onveranderlijk vastgesteld en op 50 voor de Eerste Kamer (art. 8 en 82).De verplichte parlementaire eed werd afgeschaft (art. 87).

Voor de Eerste Kamer werden verkiesbaar gesteld niet alleen de hoogst-aangeslagenen in de directe belastingen, maar ook zij die het eene of andere hooge ambt bekleedden, of bekleed hadden; in de wet opgenoemd (art.90).

De dienaren in de verschillende eerediensten waren in beginsel niet meer uitgesloten van de Generale Staten (art. 96).

Deze uitsluiting was sedert 1880 niet meer gehandhaafd, maar geestelijken waren verplicht bij hun zitting-nemen in de Kamer hun ambt neder te leggen. Die bepaling werd afgeschaft.

Het recht vanenquêtewerd verleend aan elk van de beide afzonderlijke Kamers en zelfs aan de Vereenigde zitting, en het recht van amendement van de Tweede Kamer was uitgebreid tot de vereenigde zitting der Staten Generaal zonder aan de Eerste Kamer afzonderlijk toebedeeld te zijn. (art. 112 en 95)

Verkiesbaar voor de gemeenteraden en voor de provinciale Staten waren dezelfden als voor de Tweede Kamer. (art.127 en 143)

De gewone wetgever ontving grootere vrijheid om nuttige maatregelen te nemen voor de nationale defensie. (art. 181)

Zoo waren de voornaamste herzieningen in de nieuwe grondwet, die door middel van elf wetten voor herziening daarin gekomen waren den 6enNovember 1887. Additioneele artikelen bepaalden de kiesdistricten, waarvan 79 enkelvoudig en 5 meervoudig waren. Zij stelden tevens een overgangsbepaling van het kiesrecht vast, vooreerst nog een census aangevende, maar met een verlaging tot op de helft.

Zoodoende werd het aantal kiezers verdubbeld. Op een bevolking van vier en een half millioen inwoners werd dit van 138.000 op 290.000 gebracht. Het politieke leven schoot wortel in den minderen stand, waartoe een voornaam deel der bevolking behoorde. Dat was het onmiddellijk gewichtige resultaat van de grondwetsherziening. Toch was het nog verre van het algemeen kiesrecht, dat de radicalen,de Socialisten en de leden van den «Nederlandschen Bond van Algemeen Kies- en Stemrecht» eischen.

De eerste triomf van de Christelijke Coalitie.—Het ministerie Mackay.—De Pacificatie-wet.

Dadelijk begonnen de partijen zich te weren voor de algemeene verkiezingen van het volgende jaar. Het kwam er nu maar op aan om het grootst-mogelijk aantal nieuwe kiezers zoo spoedig mogelijk voor zich te veroveren, ten einde zoo de macht in handen te krijgen. Dat was het doel van de politieke vereenigingen.

Reeds na de nederlaag van 1884 hadden de Liberalen begrepen, dat hun inwendige verdeeldheid een begin van zwakheid, onmacht en ondergang voor hen zou zijn. Zij hadden bemerkt, dat hun partij op weg naar de ontbinding was; en om daar een eind aan te maken hadden zij een Liberale Unie in 't leven geroepen teneinde, zoo zij zeiden, den politieken invloed van de confessioneele partijen tegen te gaan, en de toepassing der liberale beginselen te verzekeren. De Liberale Unie had voor het oogenblik de verspreide troepen vereenigd en had krachtig gewerkt om tot de grondwetsherziening te geraken.

De Liberalen waren op het gebied van vereeniging reeds voorgegaan door de Antirevolutionaire partij, die in 1879 uit de handen van haar leider, Dr. Kuyper, een volledige organisatie en een nauwkeurig-belijnd program had ontvangen.

Alleen deze twee partijen waren goed georganiseerd, en het oogenblik was dus gekomen tot een proef van hunne kracht.

Bovendien was Dr. Kuyper meer en meer de Roomschen genaderd. Doch hunne samenwerking bij de verkiezingen was niet zonder horten en stooten.

De Roomschen beklaagden zich menigmaal over de strakheid van de orthodoxe Calvinisten, die zonder ophouden spraken alsof het land hun onvervreemdbaar goed was en die hunne medewerkers beschouwden met een wantrouwenden minachtend oog. Vooroordeelen, onbillijkheden, handelingen van een twijfelachtig wederkeerig vertrouwen kwamen bij oogenblikken op en al de welwillendheid van de leiders was noodig om deze verdrietelijkheden weg te nemen, zoo goed en zoo kwaad als het ging.

Niettemin waren de verbonden partijen in de Tweede Kamer eensgezind genoeg om een sterke oppositie te vormen. Zij waren er zelfs toe gekomen om alle nieuwe credieten aan de regeering te weigeren, indien hun op het stuk van onderwijs geen voldoening werd gegeven. «Geen herstel van grieven, dan ook geen nieuw crediet», zoo was hun onveranderlijke leus.

Bij de nadering der verkiezingen achtten de verbonden partijen den tijd nog niet gekomen om de geheime overeenkomst, die bij hunne actie vooropstond, openbaar te maken. Het volk was naar hun meening nog niet rijp voor zulk een mededeeling en niets was gemakkelijker dan een krachtige samenwerking zonder openbaar verbond. Het was voldoende voor iedere partij om eigen candidaten te stellen en in geval van herstemming hare stemmen op den bevrienden candidaat, die den meesten kans van slagen had, uit te brengen.

Zoo gewapend tot den strijd wachtte men de verkiezingen af. Roomschen en Antirevolutionairen werkten ieder afzonderlijk, maar zij hadden afgesproken, dat men bij herstemming de krachten zou samentrekken. Het punt van uitgang, door hen gekozen, was de schoolkwestie, die sedert dertig jaar het eerste artikel in hun beider program uitmaakte.

Op dezen grondslag begon de verkiezingsstrijd met kracht. Hij eindigde met de overwinning der verbondenen, in zekere streken begunstigd door Radicalen en op enkele plaatsen door de Socialisten.

In de nieuwe Kamer telde de Liberale partij 45 zetels, het »monsterverbond” verkreeg 53, waarvan de Antirevolutionairen 27 en de Roomschen 26 zetels. Een Conservatief, graaf Schimmelpenninck, vertegenwoordigde er de onveranderlijke traditie, en het Socialisme verscheen er voor het eerst in den persoon van Domela Nieuwenhuis, afgevaardigde van Schoterland.

Het was een schoon succes, een resultaat van dertig jaren harden strijd. Voor het eerst genoten de aan het Liberalisme tegenovergestelde beginselen de gunst van het volk. De lange bijna nooit onderbroken tijd van de Liberale ministeries of van een zakenkabinet in Liberalen geest was geëindigd. Een Christelijke politiek deed hare intrede in Nederland.

De gebeurtenis was van het grootste gewicht en ieder wachtte met groote nieuwsgierigheid en eenige vrees af, wat de gevolgen voor het land zouden zijn van een politiek, lijnrecht tegenovergesteld aan die, welke men sedert veertig jaren gevolgd had.

De algemeene verwachting werd niet beschaamd. Daags na de verkiezingen ontving baron Mackay de opdracht een ministerie samen te stellen. Als man van groot aanzien en onbetwiste waarde, had hij door zijne gematigdheid en hoffelijkheid de sympathie zelfs van zijne tegenstanders weten te winnen. Hij omringde zich met medewerkers, wie bekwaamheid bekend was. Het meerendeel behoorde tot de Antirevolutionaire partij, twee Roomschen ontvingen er belangrijke portefeuilles in, namelijk de heer Ruys van Beerenbrouck die van Justitie, en generaal Bergansius die van Oorlog.

Daar het nieuwe ministerie door de schoolkwestie op het kussen was gekomen, deed het ook zooveel mogelijk om haar ten einde te brengen. In het regeeringsprogram, hetwelk talrijke hervormingen aankondigde, verklaarde het zich over dat punt op duidelijke wijze: »Het resultaat der verkiezingen”, zeide het, »doet ons het vurig verlangen des lands kennen naar hetgeen volgens de regeling van het onderwijs is voorgeschreven, dat er rekening gehouden wordt met de Christelijke overtuigingen des volks. Daarom zal de regeering, het openbare onderwijs als het voorwerp van haar bizondere zorg beschouwend, met inachtneming van de grenzen door de grondwet gesteld, zooveel mogelijk de beletselen opruimen, die totnutoe deontwikkelingvan het bijzonder onderwijs tegenstaan”.

Om de bedoeling van deze verklaring te begrijpen, moet men zich de wanhopige pogingen herinneren, diede Christelijke partijen hadden gedaan bij de behandelingvande grondwetsherziening om een wijziging van artikel 194 te verkrijgen, dat men als hinderpaal beschouwde voor elke begunstiging en hulp van den Staat voor het bizonder onderwijs. Hun pogingen mislukten: artikel 194 bleef als artikel 192 in de nieuwe grondwet onveranderd. In den loop van de bespreking hadden echter de Liberalen zich laten ontglippen, dat aan dit wetsartikel tot dusver een verkeerde uitlegging was gegeven en dat, wanneer men het letterlijk opvatte, het niet verbood, dat de staat zich met het vrije onderwijs bezighield, ja zelfs dat dit onderwijs een godsdienstigen tint aannam. Professor Buys had deze nieuwe verklaring der wet ondersteund en zijn boek; »Toelichting en kritiek van de Grondwet”, gaf hieraan eenig gezag.

Daarom sprak baron Mackay niet meer van wijziging van het grondwetsartikel, maar van de hervorming van onderwijs, totstand te brengen binnen de vastgestelde perken van de grondwet.

Dadelijk begaf hij zich aan den arbeid en stelde weldra een ontwerp voor ter herziening van de wet van 17 Augustus 1878. Het was een gematigd ontwerp, en vele Liberalen erkenden, dat het in den grond der zaak niet meer dan billijk was.

Deze beide hoedanigheden, gematigdheid en billijkheid, waren buitendien noodzakelijk om te kunnen slagen. Want de Eerste Kamer behield een enorme meerderheid van Liberalen, die er 36 zetels hadden tegen 10 van de Roomschen, 2 Antirevolutionairen en 2 Conservatieven, en deze oppositie kon dus altijd de wet nog doen mislukken. Elk conflict zou haar noodlottig geweest zijn. Maar de Liberalen gevoelden, dat het volk naar bevrediging verlangde, in de oplossing van de schoolkwestie bestaande, en men maakte er geen gebruik van behalve in kleine bizondere punten.

Na lange levendige bespreking werd het ontwerp-Mackay aangenomen in de Tweede Kamer op den 2enSeptember 1889 met 71 tegen 27 stemmen. Bij de stemmen van rechts hadden zich 17 Liberalen gevoegd.

Men zou een oogenblik hebben kunnen vreezen, dat de Eerste Kamer niet denzelfden weg zou volgen en dat destemeer, omdat vele petities van zekere groepen en bonden door haar waren ontvangen, die haar aanraadden het ontwerp te verwerpen. IJdele vrees echter, want de wind van bevrediging, die er nu eenmaal woei, nam de laatste bezwaren weg van de Liberale meerderheid en den 5enDecember 1889 werd het ontwerp ook daar aangenomen met 31 tegen 18 stemmen. Alleen de onverzettelijken hadden niet gewild.

Den 8enDecember d.a.v. werd de wet afgekondigd en zij ontving in de geschiedenis den naam van de wet van pacificatie, die zij tegelijk draagt met die van de wet-Mackay.

Zij schonk eindelijk dan voldoening aan de wenschen van Roomschen en Antirevolutionaren; want zij bezegelde het beginsel van gelijkheid van openbaar en bizonder onderwijs voor de wet. De openbare scholen bleven neutraal, maar de staat ontving bovendien de vrijheid vrije scholen te ondersteunen, zonder dat deze neutraal behoefden te zijn.

De rechten der ouders werden beter geëerbiedigd. In het voorschrift van den bouw der bizondere scholen werd wat toegegeven; het beginsel van schoolgeldheffing werd ook op de openbare scholen toegepast, de omslag van de noodzakelijke kosten voor het onderwijs werd gewijzigd.

In den grond der zaak bracht de wet belangrijke verandering in de onderwijswetgeving aan, zij maakte een einde aan het monopolie, dat vooral sedert 1878 het openbare onderwijs begunstigde. Een nieuw en volstrekt tegenovergesteld beginsel kwam in de wetgeving; het recht namelijk van de huisvaders tegenover het recht van den Staat, welk laatste streng en buitensporig was in de meeste moderne wetgevingen.

***

Terzelfder tijd, dat de hervorming van het onderwijs,het groote werk van het ministerie Mackay, bekrachtigd werd, deed zich een gebeurtenis voor, die gedurende eenige maanden Nederland in angstige spanning bracht, namelijk de ziekte en de dood van Willem III. Sedert langen tijd door een chronische ziekte aangetast, werd zijn toestand zoo verergerd, dat het bij zijn leven zelfs noodig was een regentschap in te stellen en dit aan koningin Emma, zijn tweede echtgenoote, op te dragen. Eenige dagen later, op den 23enNovember 1890, stierf hij in den ouderdom van drie en zeventig jaren, na een regeering van een en veertig jaren opgevolgd door zijn tienjarige dochter Wilhelmina onder regentschap der koningin-weduwe.

De crisis van de Christelijke Coalitie.—Hervorming van het kiesrecht.

Dadelijk na de aanneming van de pacificatiewet, waren de moeilijkheden voor het kabinet-Mackay begonnen. Het voornaamste punt van zijn regeeringsprogram was uitgevoerd, maar over de verdere zaken wisten de verbonden partijen elkander niet meer te verstaan. Nadat het kabinet aan het land de eerste sociale hervorming gegeven had, namelijk matiging van den te zwaren arbeid van vrouwen en kinderen, had het een wijziging van de militaire wet voorgesteld. Opheffing van het remplaçantenstelsel, persoonlijke dienstplicht, langere diensttijd en een grooter jaarlijksch contingent, dat waren de voornaamste lijnen van het wetsvoorstel van generaal Bergansius. De Roomschen waren tegen den aangroei der militaire sterkte en persoonlijken dienstplicht, hetgeen daarentegen de Antirevolutionairen vroegen.

De overeenstemming was verbroken. Elke poging om het gevaar weg te nemen, ten minste tot na de verkiezingen van 1891, mislukte en de verdeeldheid der bondgenooten werd in den loop van de langdurige besprekingvan dit ontwerp gezien, dewelke nog niet was geëindigd toen de tijd van een nieuwe verkiezings-campagne begon.

***

De overwinning was voor de Christelijke partijen noodlottig geweest. Zij was wel dienstig geweest voor de verwezenlijking van het voornaamste doel, waarvoor de vereeniging was tot stand gebracht, maar momenteel niettemin bleef er, toen de schoolkwestie aanvankelijk geregeld was, geen ander artikel meer over op het gezamenlijk program. De oppositie van de Roomschen tegen het legerwetsontwerp, de slagen die men elkander bij deze gelegenheid had toegebracht, de vijandschap van sommigen, de weerzin van anderen, dat alles openbaarde zich spoedig in een heftige campagne tegen het »monsterverbond”, zijne leiders en hunne volgelingen. Men begon te spreken over de noodzakelijkheid van echtscheiding door de onverdraaglijkheid van humeur, en, zooals het in een twistzieke huishouding gaat, werden de krenkingen en het misverstand talrijker, zoodat men noodzakelijk wel tot scheiding moest komen. Zoowel aan deze als aan gene zijde, schreef Dr. Schaepman, bij de Antirevolutionaren als bij de Roomschen, hier minder, daar meer, alles werd gedaan en niets werd nagelaten wat noodig was om de samenwerking weg te nemen en eene scheiding en definitieve splitsing te veroorzaken.

Zeker, de Antirevolutionairen waren Antiliberaal, maar in de gegeven omstandigheden herinnerden zij zich, wat de schoolstrijd hen uit het oog had doen verliezen, dat zij vóór alles protestantsche Calvinisten waren en bijgevolg antiroomsch. Het antipapisme werd opgewekt en de oude vijandschap aangewakkerd door het vuur der discussies in het hart van deze afstammelingen der Geuzen.

Tevergeefs trachtte Dr. Kuyper, die verder zag, de woede te kalmeeren en voor het minst te vermijden dat de breuk onherstelbaar werd; zijne volgelingen gaven hierin geen gehoor.

De Roomschen van hun kant vonden, dat hun Antiliberalismehun anticalvinisme tijdelijk had doen vergeten en ook zij keerden tot hun historische lijn terug.

Niet allen dachten zoo, maar op het punt van beginsel zoowel als op het punt van politieke leiding in den bestaanden toestand, heerschte de grootste verdeeldheid in de partij. Men moet er het gevolg van uiteenloopende denkbeelden en neigingen inzien, die van eenige jaren her dateerden. Zij waren opgekomen bij de nadering van de grondwetsherziening, toen er sprake was van uitbreiding van kiesrecht, en deze waren niets minder te achten dan de democratische strooming, die op het einde van de negentiende eeuw in alle landen en in alle partijen doorbrak en de conservatieve richting bestreed.

Ds. Schaepman, met Dr. Kuyper de vader van de Christelijke coalitie, welke tot dien tijd was gehouden voor het hoofd van de Katholieke partij, stond nu aan het hoofd van een groep, die men de democratische noemde, terwijl de heer Bahlmann, afgevaardigde van Tilburg, om zich heen de »dissidenten” vereenigden, die het talrijkst waren. Tusschen de fractie-Schaepman en de fractie-Bahlmann heerschte misverstand op alle punten; op het punt van militaire wet, waar de eerste een overeenkomst met de rechtsche Protestanten zocht en de onveranderlijke houding van de andere afkeurde; op het punt van een verbond met de Antirevolutionairen, hetwelk de dissidenten wilden vervangen door de politiek van de vrije hand en in zekere streken door een hereeniging met de Liberalen; op het punt van sociale wetgeving enz....

Inderdaad waren de wanorde en de verwarring verschrikkelijk bij de bondgenooten van gisteren, die hunne wapenen tegen elkander keerden en elkander hevige slagen toebrachten.

Temidden van deze verdeeldheid en aanvallen had de verkiezingscampagne plaats. Roomschen en Antirevolutionairen waren meer gezind om elkander te bestrijden dan om front te maken tegen hunne tegenstanders van links.

Niet alleen streed elk bij de stembus afzonderlijk, maar men had ook nog te rekenen met den afval en de vijandigheidvan een minder of meer groot deel der troepen. De mannen van Utrecht maakten gemeene zaak met de Liberalen volgens het principe van Ds. Bronsveld; men kan orthodox zijn op godsdienstig en liberaal op politiek gebied. De fractie Bahlmann bestreed de volgelingen van Dr. Schaepman met verwoedheid en om hun de nederlaag te bezorgen, aarzelde zij niet de liberale candidaten in bepaalde districten te ondersteunen.

Het resultaat van de verkiezingen was ongelukkig; de slag, die onder zulke omstandigheden werd begonnen, was vooruit verspeeld. Zoo behaalden de Liberalen gemakkelijk de meerderheid in de Tweede Kamer en zij wonnen tien zetels. De linker zijde bevatte nu 55 leden, waarbij één radikaal, gekozen in de plaats van Domela Nieuwenhuis, die zich met zijne partij uit den politieken strijd had teruggetrokken.

De rechtsche partij behield 45 van de 55 zetels. De Roomschen verloren slechts één, maar het was juist dien van Dr. Schaepman, die in Wijk bij Duurstede verslagen werd tengevolge van de houding der fractie-Bahlmann. Het meest geteisterd waren de Antirevolutionairen, die van 28 tot 20 zetels in de Tweede Kamer waren teruggedrongen. De nederlaag was volkomen.

***

De ramp, die op de Christenpartijen neerkwam en die slechts het gevolg van hunne tweedracht was, had hen niet zoo verstandig gemaakt, dat zij de vereeniging terug verlangden. Integendeel, hunne twisten gingen door; zij sloegen zelfs over tot de Liberale partij en men trad toen een periode van verwarring en beroering in, waarin de verschillende fracties elkander stootten en hinderden, zonder dat men eigenlijk wist tot welke partij zij behoorden.

Het ministerie-Mackay had plaats gemaakt voor het ministerie Van Tienhoven-Tak van Poortvliet, waar voornamelijk Tak, een zeer radikaal liberaal, den boventoon voerde. Het kwam aan de regeering met een program,waarvan het eerste punt de kiesrechthervorming was, »die hoeksteen van het staatsgebouw, die noodzakelijke voorwaarde tot eene duurzame verbetering”, zooals hij zeide.

Als gevolg van de grondwetsherziening van 1887 was een provisioneel reglement op het kiesrecht van kracht geworden. Dat had vier jaren geduurd en zagin dientijd twee generale verkiezingen gehouden. De heer Tak achtte het oogenblik gekomen om een einde te maken aan dit provisioneel reglement en tot vaste bepalingen hierin te geraken. Hij stelde daarom ook een ontwerp voor, dat het kiesrecht zooveel mogelijk binnen de grenzen van de grondwet uitbreidde, het ontwerp-Tak; een soort van algemeen kiesrecht, gematigd door de uitsluiting van analphabeten en degenen, die ondersteuning hadden ontvangen.

De vermenging der partijen werd door dit ontwerp bevorderd, dat van zijn auteur twee achtereenvolgende redacties ontving en dat een ware regen van amendementen en tegenvoorstellen tengevolge had. Het vraagstuk, dat zich hier voordeed, was van groot gewicht. Zou men bij een meer of minder beperkt kiesrecht blijven staan, of zou men tot een zoo goed als algemeen kiesrecht overgaan? In den grond der zaak ging het hier om dequestion brûlante, die gedurende de laatste helft van de negentiende eeuw bijna al de staten van Europa in beroering bracht: Moet men de volksmassa's tot het politieke leven inroepen en tengevolge van hun aantal in hunne handen het lot der natie stellen?

Twee stroomingen vormden zich tegenover elkander; de eene conservatief, achtende dat de tijd voor de hervorming nog niet gekomen was, weigerde indien het niet mogelijk was om den toestand te laten zooals hij was, de onverstandige en al te milde verleening van het kiesrecht; de andere, democratisch, eenstemmig met minister Tak, wilde het kiesrecht uitbreiden zóó ver als de grondwet het toeliet. Deze beide stroomingen omvatten elk meer of minder belangrijke fracties van de partijen. Er was geen rechts meer of links, maar groepen van rechts bestreden onder éénzelfde banier als van links hetvoorstel-Tak, terwijl anderen zich naast de meest-geavanceerde liberalen onder de verdedigers bevonden. De democratische Antirevolutionairen van Dr. Kuyper en de Roomsche volgelingen van Schaepman, verstonden zich met de Radicalen en de vooruitstrevende Liberalen, terwijl de oppositie gevormd werd door de groote meerderheid der Roomschen, de groep aristocratische Antirevolutionairen onder Mr. De Savornin Lohman, en de Conservatieven, de volgelingen van de heerenRoëll, Van Houten en Van der Kaay.

Gedurende achttien maanden was de strijd hevig en hij eindigde in de ontbinding van de Kamer op den 17enMaart 1894. Een heftige beroering verspreidde zich toen over het gansche land. De verkiezings-campagne was langdurig en bitter. De candidaten werden niet meer naar hunne partijen en programmen onderscheiden, maar geheel door elkaar verward deelden zij zich in als voor- en tegenstanders van Tak, in Takkianen en anti-Takkianen. De tegenstanders behaalden bij de herstemming de overwinning en verkregen eene meerderheid van tien stemmen. Het doel der ontbinding werd niet bereikt, en Tak van Poortvliet trad af en werd vervangen door den heer Van Houten.

Door den heer Roëll uitgenoodigd om het ministerie van Binnenlandsche Zaken op zich te nemen, vormde de heer Van Houten met hem een conservatief-liberaal kabinet. Hij nam de zware taak op zich om de kiesrechtkwestie, die door zijn voorganger onbeslist was achtergelaten, tot een goed einde te brengen. Hij kwam aan het bewind op een oogenblik dat de verhouding der partijen zoo verward mogelijk was. Zij handelden blindelings, als in den mist verdeeld, gedesorganiseerd, slechts vage vormen afteekenende. Om de waarheid te zeggen, waren het groepen zonder bestand, en om een oude Hollandsche uitdrukking te gebruiken: »Een ieder stuurt zijns weegs en niemand weet waarheen....«

In de volksvertegenwoordiging kon men duidelijk bij de hervatting der werkzaamheden opmaken, dat het èn aan een vaste meerderheid èn aan eenstemmige enkrachtigeoppositiefaalde. Bij elke trede werd men door nieuwe en toevallige meerderheden gehinderd, en niets wees meer op de verwarring der geesten dan deze besluiteloosheid in eene Kamer, waar gewoonlijk de opinies wèl belijnd en de partijen stevig waren en de gelegenheidspolitiek weinig in de gunst was. Het scheen, dat het volk, van de kiesrechthervorming doordrongen, in den cirkel rondliep zonder een uitweg te vinden.

Mr. van Houten beproefde dien toovercirkel te verbreken en met dit voornemen, waarin hij standvastig bleef, stelde hij zijn wetsontwerp voor en ondersteunde het met volharding. De debatten duurden een geheel jaar. In den loop der bespreking had het kabinet verklaard, dat zijn wet in haar geheel aangenomen of verworpen moest worden. Dat was een fier en klinkend woord, maar verbazingwekkend van de zijde van een staatsman, die geen vaste meerderheid achter zich had en die, om te slagen, moest rekenen op de hulp van zekere afgevaardigden van rechts. Doch hij wist wat hij wilde en dat, volgens de theorieën van zijn geliefden leermeester Schopenhauer, de wereld nergens anders uit bestaat dan uit vertooning en wilskracht, en dat de wilskracht de verwarde beelden der gebeurtenissen en omstandigheden beheerscht.

De kieswet Van Houten werd door de Tweede Kamer den 19en Juni 1896 met 56 tegen 43 stemmen aangenomen. Zij werd dadelijk in de Eerste Kamer behandeld en insgelijks aangenomen op den 5en September 1896 met 34 tegen 12 stemmen.

Onder de tegenstanders der wet bevonden zich tegelijk geavanceerden van links, die achtten dat zij niet ver genoeg ging en die haar armelijk, spaarzaam en willekeurig noemden, en de Conservatieven, die haar te wijd en te mild achtten. In werkelijkheid was het een wet van het juiste midden, die niemand voldeed. De Roomschen en de Antirevolutionairen hadden gehoopt in het verloop der behandeling amendementen aangenomen te zien, waardoor in 't bizonder het kiesrecht van den huisvader was vastgesteld, maar hunne hoop werd niet vervuld. Een groot deel van rechts was dus ontevreden.De uiterste linkerzijde was het niet minder, want het kiesrecht was verbonden gebleven aan den census, een stelsel, dat zij volkomen wilde afschaffen. Op zichzelf was de wet niet boven alle kritiek verheven. Haar eerste fout was zeer ingewikkeld te zijn en willekeurig de kiezers in talrijke klassen in te deelen, naar de kenmerken om kiezer te kunnen worden. Er waren:

1ebelastingkiezers, waartoe al de Nederlanders van 25 jaren, die in een directe belasting vielen, behoorden;2ewoningkiezers, gevormd uit degenen, die geen belasting betalende op den 1enFebruari sedert zes maanden hetzelfde huis hadden bewoond en die daardoor een wekelijksche huur betaalden, waarvan het minimum varieerde naar de plaatselijke gesteldheden van f —.80 tot f 2.—; of die een woonschip bezaten voor het minst van 24 kubieke meters grootte;3eloonkiezers, waaronder gerekend werden zij, die niet behoorden tot de beide voorgaande klassen, en die gedurende tenminste drie maanden in hetzelfde huis hadden gediend, en een jaarlijksch loon ontvingen naar de verschillende plaatselijke gesteldheden varieerende van ten minste f 275–f 550 of van f 100–f 200 indien zij in dezelfde woning kost en huisvesting hadden;4epensioenkiezers, welke categorie allen omvat, die een jaarlijks pensioen trekken, gelijk aan het loon, dat de loonkiezers moeten ontvangen;5espaarbankkiezers, waaronder zich rangschikken degenen, die tenminste f 100 op het grootboek hebben of f 50 in de spaarbank.6eExamenkiezers, een groep samengesteld uit zulken, die tengevolge van een examen, bij de wet vastgesteld, in bezit zijn van een diploma, waaruit geschiktheid tot een ambt blijkt of krachtens hetwelk de uitoefening van een beroep of de volvoering van een opdracht werd veroorloofd.

1ebelastingkiezers, waartoe al de Nederlanders van 25 jaren, die in een directe belasting vielen, behoorden;

2ewoningkiezers, gevormd uit degenen, die geen belasting betalende op den 1enFebruari sedert zes maanden hetzelfde huis hadden bewoond en die daardoor een wekelijksche huur betaalden, waarvan het minimum varieerde naar de plaatselijke gesteldheden van f —.80 tot f 2.—; of die een woonschip bezaten voor het minst van 24 kubieke meters grootte;

3eloonkiezers, waaronder gerekend werden zij, die niet behoorden tot de beide voorgaande klassen, en die gedurende tenminste drie maanden in hetzelfde huis hadden gediend, en een jaarlijksch loon ontvingen naar de verschillende plaatselijke gesteldheden varieerende van ten minste f 275–f 550 of van f 100–f 200 indien zij in dezelfde woning kost en huisvesting hadden;

4epensioenkiezers, welke categorie allen omvat, die een jaarlijks pensioen trekken, gelijk aan het loon, dat de loonkiezers moeten ontvangen;

5espaarbankkiezers, waaronder zich rangschikken degenen, die tenminste f 100 op het grootboek hebben of f 50 in de spaarbank.

6eExamenkiezers, een groep samengesteld uit zulken, die tengevolge van een examen, bij de wet vastgesteld, in bezit zijn van een diploma, waaruit geschiktheid tot een ambt blijkt of krachtens hetwelk de uitoefening van een beroep of de volvoering van een opdracht werd veroorloofd.

Dat waren de verschillende categorieën, waarin het kiezerscorps werd verdeeld. Eén afgevaardigde, de heerHeldt, sprak minachtend over deze »wanorde, waarop zich ten langen leste de werklieden vermoeien, ingedeeld als zij zijn en gescheiden op zeer willekeurige wijze.«

Overigens berustte het stelsel geheel op den census, nog van kracht. Wanneer de wetgever er iets in zou gaan veranderen, dan werd de kieswet daardoor dadelijk verdraaid, en het was een verwijt te meer, dat men hem deed, dat nu een herziening van de kiezerslijst bij iedere wijziging der belastingen noodzakelijk was gemaakt.

Niettemin werd met een soort van verlichting de kieswet ontvangen; voorloopig tenminste was de nachtmerrie, die sedert vijf jaren het volk had gedrukt, weg; was het onweder, dat de partijen omver had geworpen, bedaard envoordateen nieuwe hervormingswind van het kiesrecht zou waaien, konden verscheidene jaren voorbijgegaan zijn, die gebruikt konden worden om een weldadige politiek te oefenen naar de wenschen van de 300.000 nieuwe kiezers, die in het verbreede kiezerscorps deel zouden nemen aan de regeering des lands.


Back to IndexNext