VIERDE HOOFDSTUK.

De herstelling van de Christelijke Coalitie.—De verkiezingen van 1897.—Het ministerie Pierson.

Ternauwernood was de kieswet aangenomen, of Mr. Van Houten liet zich van de hoogte van de regeeringstafel dit totnutoe in Nederland ongehoorde woord uit den mond vallen: »Alle liberalen in het gelid tegen het clericalisme«. Deze oorlogskreet, uitgeroepen door een minister die pas de kiesrechthervorming had afgedaan, weerklonk langen tijd in het land. Door zijn magisch woord verdwenen de wolken, die het licht hadden beneveld, en de schikkingen kwamen nauwkeurig met verwonderlijke helderheid tevoorschijn; de opgezweepte wateren hernamen hun gewonen aanblik, en de partijen, die zich als in ontbinding bevonden, voegden zich weer tot hun ouden vorm en in dezelfde combinaties.

Toch waren de partijen in deze periode van zes jaren,dewelke door de geschillen over de legerwet en de broedertwisten over de kiesrechthervorming zoo verward was, veranderd.

Rechts bleven de Roomschen bijna dezelfden, behalve dat zij de eenheid terugvonden, die sedert langen tijd was verbroken.

Daarentegen waren de Antirevolutionairen in vele afdeelingen verdeeld en de scheuring was te groot dan dat ze geheeld kon worden. Het grootste getal bleef wel is waar onder de machtige leiding van Dr. Kuyper, maar van het oorspronkelijke bloc waren twee deelen afgegaan. Ter eener zijde hadden de vrije Antirevolutionairen het machtige gezag van den leider geschokt. Bijna allen waren het mannen van groot aanzien als De Savornin Lohman en de oud-minister Mackay; en zij onderscheidden zich van de Kuyperianen door aristocratische geaardheid, minder geneigd tot sociale hervormingen. Evenwel was de breuk niet voltooid, want zij waren één op het terrein van de Calvinistische beginselen, en over de klove, die temidden der kiesrechtgeschillen was gevormd, was een brug gelegd, die hen voortdurend verbond. Aan de andere zijde hadden de Christelijk-historischen zich geheel van de partij afgescheiden. De orthodoxe predikanten, die achter den driftigen Dr. Bronsveld aanliepen, hadden de laatste gemeenschap afgesneden en gingen gemeene zaak maken met de Liberalen.

Ter linkerzijde was de groote Liberale partij in verschillende stukken uitééngevallen, waarvan het uiterste aan het Socialisme paalde. Het voornaamste deel had zijn vaandel geplant op gelijken afstand van het midden en van de uiterste linkerzijde. Het bestond uit de progressisten van de »Liberale Unie”, die democratische maatregelen vroegen; de Unionisten in de richting van de Sociaal-democraten, voorafgegaan door de rumoerige groep, weinig in aantal, van Radicalen, en achter haar lieten zij de achterblijvers, de »oud-liberalen”, die trachtten naar vergeving voor hunne vadsigheid op sociaal gebied door hun vuur tegen het clericalisme.

Zoo was de politieke toestand op het oogenblik datde kieswet Van Houten voor het eerst zou toegepast worden. In Juni 1897 moest de belangrijke vernieuwing van de Staten Generaal plaatshebben. Van alle kanten bereidden zich de partijen voor tot den strijd. De verschillende programmen werden den volke voor oogen gesteld en men zocht de verbonden weer op.

De Antirevolutionairen van beide schakeeringen maakten openlijk gemeene zaak met de Roomschen. Voor het eerst stelde zich de Christelijke coalitie in het volle licht en zij werd bevestigd door een krachtige campagne. Hare hoofden, Dr. Kuyper en Dr. Schaepman, hoopten, dat deze hereeniging van twee groote machten, die zonder hun eigen gezag en karakter te verliezen zich verbonden voor een gemeenschappelijk doel, de massa kiezers mede zou voeren, om zoo de meerderheid aan de Christelijke partij van de natie te geven.

Ondertusschen had deze openlijke vereeniging tot onmiddellijk resultaat dat de Christelijk-historischen geheel in het zog van de Liberalen kwamen uit haat tegen de Roomschen en Dr. Kuyper. Dr. Bronsveld en Dr. Vosbrachtenden Christelijk-historischen Kiezersbond tot stand, die door hen gebruikt werd om de Liberalen te helpen. Vóór alles wilden zij den triomf van het »monsterverbond« verhinderen.

De Liberalen ontvingen hen met vreugde, want zij gevoelden zich niet zeker van de overwinning en zij hadden er belang bij, zich zooveel mogelijk hulp te verschaffen. Om die reden is het, dat zij de vereeniging van allen, die den wijdschen naam van Vrijzinnigen droegen, zich ten doel hadden gesteld, hoe verkleurd en ontaard hun Liberalisme ook mocht wezen: Radicalen, Unionisten, Oud-liberalen, allen bevonden zich momenteel voor den strijd vereenigd en zij voedden de geheime hoop, dat in geval van groot gevaar, de S. D. A. P., die de revolutionaire Socialisten van Domela Nieuwenhuis achter zich latende, van verlangen brandde weer op het politieke erf op te treden, hun onder meer of minder doorzichtigen sluier een werkdadige welwillendheid zouden aanbrengen.

Ter eener zijde dus de Christelijke Coalitie, aan welkeDr. Kuyper de strijdleuze gaf: »Vóór God en het Evangelie«; aan de andere zijde de liberale concentratie, krachtig ondersteund door de Christelijk-historischen en waarschijnlijk ook door de Vrijzinnig-democraten.

De eerste slag viel geheel in het voordeel van de Christelijke partijen uit: 22 Roomschen en 13 Antirevolutionairen kwamen als overwinnaars uit de stembus tegen 14 Liberalen en 1 Radicaal. Er bleven nog vijftig herstemmingen over en van dien uitslag hing de eindelijke overwinning af; maar alles deed voorzien, dat het succes van 15 Juni 1897 den 25 Juni d. a. v. zou bevestigd worden.

Dat ziende, speelden de Liberalen hun laatsten troef uit. Zij verdubbelden hunnen ijver en verspreidden in het land van die verkiezingsargumenten, altijd dezelfde, die men overal terugvindt, samengetrokken in formules, die er op gericht zijn om indruk op de groote massa kiezers te maken.

Deze wanhopige poging wierp alle voorspellingen van de eerste stembus omver; 9 Antirevolutionairen werden nog gekozen en geen enkel Roomsche. »Met Friesland,” zeide Dr. Kuyper, »was het geheele Noorden voor ons verloren en onze eerste zege veranderde in een smartelijke nederlaag. Op zichzelf was de mislukking voor ons niet pijnlijk, maar wel de zekerheid, dat belijders van het Evangelie met de mannen van de Revolutie gemeene zaak hadden gemaakt.«

De liberale concentratie was overwinnares. De meerderheid bestond uit 12 Oud-liberalen, 34 Unie-liberalen, 6 Radicalen, waarbij men 1 Christelijk-historische en 3 Sociaal-democraten moet voegen.

De Roomschen verloren drie zetels, de Antirevolutionairen wonnen er acht, de Vrij-antirevolutionairen verloren er een. Totaal telde de rechterzijde 44 tegen 56 stemmen. Maar die 56 stemmen van links waren ver van eenstemmig en standvastig. De verschillende tinten van het Liberalisme bezaten er wel de meerderheid, maar om te regeeren was hun de hulp van de Radicalen absoluut onmisbaar en zij hadden daarenboven in bizondere omstandighedenrekening te houden met de Socialisten, die na een afwezigheid van zes jaren talrijker op het tooneel van de Tweede Kamer verschenen en er een rol verstonden te spelen.

***

Het resultaat van de verkiezingen was van dien aard, dat alleen een kabinet van links mogelijk was. Het ministerie Van Houten voldeed aan deze voorwaarde en had, indien het dit gewild had, aan de regeering kunnen blijven. Maar het beschouwde zijn taak als geëindigd met de kiesrechthervorming en het had aan de Koningin-regentes zijn voornemen aangekondigd om dadelijk na de verkiezingen af te treden. Toen deze dan ook hadden plaats gehad, deed het dit onverwijld. Het liet een belangrijken wetgevenden arbeid achter zich en men moet erkennen, dat het parlementaire tijdperk, waarbij dit ministerie had voorgezeten, onder de vruchtbaarste perioden behoorde. De omstandigheden waren hem wel eenigszins gunstig, maar vooral de ijver, betoond sedert 1894 door Van Houten, minister van Binnenlandsche Zaken, en Sprenger van Eyck, minister van Financiën, waren er de oorzaak van.

Om minister Van Houten te vervangen, had men een talentvol man noodig, die de zegevierende liberale partij verpersoonlijkte en die haar in haar eigen ministerie kon vertegenwoordigen, vooruitstrevend genoeg om te worden ondersteund door de Liberale Unie en die de Radicalen niet te zeer afschrikte, en die genoeg gehecht was aan de oude leer om niet afkeerig te zijn van de gunst van Oud-liberalen. Men dacht dadelijk aan den heer Pierson, welonderlegd landbouwkundige en ervaren financier, die tevoren in het ministerie Tak van Poortvliet de portefeuille van Financiën had gehad. Men wist dat hij in de oogen der Haagsche Liberalen voor radikaal doorging, terwijl de Radikalen van Amsterdam hem voor conservatief hielden, en men achtte dat de waarheid tusschen beide uitersten in lag.

Wat er ook van aan was, de heer Pierson werd ermede belast een ministerie samen te stellen en hij deed het op oordeelkundige wijze. De liberale concentratie trad er geheel in op; de Liberale Unie met haar leider, Mr. Goeman Borgesius voor Binnenlandsche Zaken, Mr. Cort van der Linden voor Justitie, de heer CremervoorKoloniën, de heer Lely voor Waterstaat; deOud-liberalenwerden er vertegenwoordigd door den heer de Beaufort voor Buitenlandsche Zaken, en boven hen zweefde de verzoenende en beschermende glimlach van den minister van Financiën, den heer Pierson. In alles was er voor gezorgd om schokken en kneuzingen te voorkomen tusschen mannen, die allen van den eersten rang waren en onbetwistbare kennis op politiek gebied bezaten. De heer de Beaufort kon met zijne portefeuille met onverschillig oog de democratische strooming gadeslaan, die zijne collega's van de uiterste linkerzijde der Liberalen tot sociale hervormingen drong, en zonder eenigen strijd had de heer Pierson alle vrijheid het fiscale werk, dat hij voorheen was begonnen, voort te zetten.

En toch, dit samenstel van eminente mannen was in den grond niets anders dan het voorbijgaand resultaat van behendige vergelijken; het rustte op een onstandvastige meerderheid, wier ongelijksoortige beginselen bijna geen enkel program-artikel gemeen hadden. Ook kon het kabinet niet regeeren, dan met behulp van eindelooze beloften, temidden van voortdurende moeilijkheden.

Nauwelijks was het geformeerd of de Christelijk-historische afgevaardigde Dr. De Visser weigerde het zijn steun en voegde zich weder bij de rechterzijde. Terzelfder tijd brachten tusschentijdsche verkiezingen eenige lichte wijzigingen in de partijsterkten aan. De Sociaal-democraat Schaper werd gekozen te Veendam en twee Oud-liberalen namen de plaatsen van twee vooruitstrevenden in. De meerderheid, die in het geheel niet hecht was, werd het nog minder tengevolge van deze beweging en veranderingen. Bovendien stond het den heer Pierson tegen, bestendig op de Socialisten te steunen en hen een te grooten invloed in het bestuur der zaken te doen nemen. Zoo men echter een meerderheid van links wilde behouden, moest menwel rekening met hen houden. De minister kon daar niet toe komen, en in menige omstandigheid nam hij den steun der rechterzijde aan om zich te kunnen vrijmaken van woelige elementen van de uiterste linkerzijde; maar zijne politiek leidde hem er logisch toe slechts toevallige meerderheden te vereenigen, die zoodra men over beginselkwesties handelde, teloorging; en met dit resultaat, dat geen der partijen hem als de vertegenwoordiger van hare beginselen beschouwde.

In dien toestand had een sterke en geoefende oppositie het lot van het ministerie in handen; zij kon wanneer zij het wilde den val veroorzaken. Doch de verstandhouding was nog niet volkomen goed tusschen de Christelijke partijen. Er bestonden vooroordeelen, verschil van inzichten en taktiek, die op eenige bijkomstige punten somwijlen de onafgebroken krachtsaanwending en de eenvormigheid van actie benadeelde. Voorts leende de rechterzijde zich voor 't meerendeel niet tot dit spel van ministerieelen moord, dat in vele landen het vermaak was van de parlementaire oppositie, want wat zij zou hebben verwoest kon zij niet herstellen. De uitslag zou op niets dan op een onvruchtbare ministerieele crisis zijn uitgeloopen, in welk geval een Christelijke regeering niet anders had kunnen doen dan de Kamer onmiddellijk ontbinden. Zonder uit de rol eener sterke oppositie te treden, vergenoegde zij zich met toezicht op het ministerie te houden, en op zijne handelingen krachtige controle uit te oefenen. Deze houding raadde Mr. de Savornin Lohman voortdurend in zijn dagblad »de Nederlander« aan, en men moet erkennen dat het de verstandigste was.

***

Door dezen samenloop van omstandigheden en inzichten, vervolgde het ministerie Pierson zijn weg tusschen rechts en links door, en hield zich slechts door wonderen van bekwaamheid in evenwicht.

Het begon de uitvoering van zijn program met persoonlijkendienstplicht, die in 1890 troebelen en oneenigheid in de Christelijke Coalitie gebracht had. Het regeeringsontwerp, dat zich voordeed als een begin van een volkomen hervorming der militaire organisatie, ontmoette van de zijde der Roomschen denzelfden tegenstand als onder het ministerie Mackay het ontwerp Bergansius. Bij de andere partijen ontmoette het geen moeilijkheden. Ook kwam het er gemakkelijk den 2enJuli 1898 met 72 tegen 20 stemmen in de Tweede Kamer door. Alle Roomschen hadden tegengestemd behalve Dr.Schaepman, die, hoewel tegen persoonlijken dienstplicht, toegaf ten gunste van uitzonderingen, in de wet vervat in 't bizonder van die, welke in het eerste artikel was omschreven, namelijk van de onmisbare »kostwinners«. Deze aanneming door het hoofd, die zich zoodoende van zijne volgelingen onderscheidde, verwekte eenige verwondering en veel critiek in het Roomsche kamp; gelukkig strekte dit niet zoo ver, dat daardoor de zoo moeilijk verkregen eenheid der partij verbroken werd.

Daarna volgden elkander op de ongevallenwet, de gezondheidswet, de woningwet, die, gemaakt met de medewerking der rechterzijde, er het merk in verscheidene gedeelten van dragen. Maar het voornaamste werk van het ministerie was de leerplichtwet, reeds lang in het program der Liberalen opgenomen; op dit punt concentreerde zich de geheele strijd der partijen. Antirevolutionairen en Roomschen bestreden met kracht het regeeringsontwerp. Het scheen hun toe, dat het beginsel van leerplicht de vrijheid van den huisvader trof in de regeling van het onderwijs zijner kinderen, en deze vrijheid was de grondslag van hunne schooltheorie, zooals deze beschreven was geworden door Groen van Prinsterer; de bizondere school regel, de openbare school aanvulling. De bespreking duurde lang en de uitkomst van het ontwerp was langen tijd onzeker. Ten slotte werd het aangenomen met 50 tegen 49 stemmen, dank zij de afwezigheid van een Antirevolutionair afgevaardigde, den heer Schimmelpenninck, die van het paard was gevallen en daardoor ziek lag.

In den loop van deze »tragische wetgeving« zooals Dr. Kuyper haar noemde, waarbij het kabinet het Hollandsche patriottisme in erge mate misnoegd maakte, doordat het, ten aanzien der vredesconferentie, een wijkende houding aannam ten aanzien van Transvaal en Oranje-Vrijstaat, die toen gewapend stonden tegenover Engeland; waardoor het mede tengevolge van de scheuring der vrijzinnig-democraten gebeurde, dat het niet meer dan 40 stemmen ter linkerzijde bezat, deed zich eene gebeurtenis voor, waarbij de strijd der partijen en het gedruis der politiek wegstierf. De kleine koningin Wilhelmina had haar achttiende jaar bereikt. Het oogenblik was gekomen om den scepter van de voorvaderlijke stadhouders in haar zwakke hand als jonge vrouw te nemen en op haar hoofd de kroon van Oranje-Nassau. Den 30enAugustus 1898 legde de koningin-moeder haar regentschap, dat zij acht jaren met zeldzame bekwaamheid had uitgeoefend, neer. Den volgenden dag nam Wilhelmina de regeering op en den 6enSeptember d. a. v. legde zij den eed op de grondwet af in de Nieuwe Kerk te Amsterdam.

De leerplichtwet was een van de laatste daden van het ministerie Pierson. Bij de nadering der verkiezingen verdubbelde het zijn ijver en bood het vele wetsontwerpen aan, waardoor het een handige reclame maakte in de hoop de volksgunst te verwerven. Deze ontwerpen regelden het hooger beroep tegen ongevallen-verzekeringen, hadden betrekking op den openbaren onderstand, op de reglementeering van het arbeidscontract, op werkliedenpensioen, en besloten met een grootsch plan van de droogmaking der Zuiderzee.

De oppositie liet zich niet tot dit terrein verlokken en Dr. Kuyper wees in zijne rede op de Algemeene Deputatenvergadering der Antirevolutionaire partij de stelling, die zij te kiezen had. »De strijd,« zoo verklaarde hij,»moet gestreden worden buiten het kabinet om, wij moeten strijden zonder ons aan het ministerie te storen alsof het niet bestond. De eenige vraag, die zich voor het land in de maand Juni zal voordoen is deze: Zal de meerderheid der Staten-Generaal tot het Christelijk deel der natiebehooren of zal zij blijven aan onze medeburgers, die onophoudelijk in hun politieke beschouwing met den Christus Gods hebben gebroken?«

Van zijn kant opende Dr. Schaepman de campagne der Roomsche partij met een groote redevoering, waarin hij met alle kracht aanspoorde tot de »entente cordiale« met de Calvinistische partij, om zoo een einde te maken aan de liberale heerschappij.

De Christelijke coalitie had zich steviger en vollediger samengeknoopt dan tevoren. De nauwe verbintenis was bovendien bewonderenswaardig voorbereid door een reeks artikelen in de »Standaard« van de hand van Dr. Kuyper, aangaande de gemeenschappelijke beginselen bij alle geloovigen. Zij omvatte niet alleen de Roomschen en de Antirevolutionairen, maar ook nog de Vrij-antirevolutionairen, alsook vele Christelijk-historischen die Dr. Bronsveld niet getrouw bleven, en zij nam de verbondsleuze weder op, die zij bij de verkiezingen van 1897 had aangeheven: »Vóór God, vóór het Evangelie! tegen den leugengeest der Revolutie!«

Terzelfder tijd, om de poging van de verbonden partijen krachtdadiger te maken, beijverden Dr. Kuyper en Dr. Schaepman zich om de mededinging en verdeeldheid uit den weg te ruimen, waarvan de vijand te vaak profiteerde. Daartoe stelden zij een systeem van ruiling van stemmen in, dat hunne tegenstanders een systeem van koopmanschap noemden. Het was enkel een besluit van tucht en wijsheid, om verlies van macht te vermijden. Het bestond eigenlijk hierin, om de Liberale of Socialistische districten onder de verschillende Christelijke partijen in te deelen, ten einde ze toe te voegen aan degene, die den meesten kans had, door overal één candidaat te stellen, gesteund door alle »geloovigen«.

Er moest voor de rechtsche partijen een soort van evenredige volksvertegenwoordiging komen, waardoor zij in ruil voor de opoffering hunner afzonderlijke politiek en voor het aanbrengen van hunne stemmen in één district, het voorrecht ontvingen een candidaat elders te zien overwinnen, dank zij de stemmen der bondgenooten.Ofschoon het gezag der leiders niet sterk genoeg was om dit systeem in het geheele land te doen aannemen, en de te dien einde aangevangen onderhandelingen niet met volkomen succes werden bekroond, zij liepen niettemin er op uit, om van den eersten keer af—wat tot dien tijd toe nog niet gezien was—de stemmen van de Antirevolutionairen te verzekeren aan de Roomsche candidaten in de districten, waar de Calvinisten de overwinning op geenerlei manier konden behalen, bijvoorbeeld Beverwijk. In Friesland bracht het verdeeling der zetels aan tusschen de verschillende protestantsche fracties, waaronder de Friesche-Christelijk-historischen; en daar maakten zij een einde aan de ijverzucht, die de zaak der Liberalen zoo goed diende. De Christelijke Coalitie had zich dus, door nieuwe elementen bij haar linkervleugel in te lijven, uitgebreid; zij had zich aan tucht gewend en was een geduchte macht.

Ten aanzien van haar waren de Liberalen verdeeld. Het verschil van gevoelen tusschen de Oud-liberalen en de Unie-liberalen was niet weggenomen en bovendien was er tweedracht gekomen onder deze laatsten. De kwestie van urgentie van de grondwetsherziening, ten einde tot algemeen kiesrecht te komen, was er opgeworpen door het bestuur. Het had er zulk een onweder doen losbarsten, dat de banden, die de verschillende elementen verbonden, verbroken waren en dat de meest-geavanceerden zich hadden teruggetrokken achter de leden van het bestuur aan, om met de Radicalen de partij der Vrijzinnig-democraten te vormen. De »Liberale Unie« had zich zoo goed of kwaad als het ging gereformeerd, maar de verdeeldheid was niet verdwenen. In menige streek stelden de Vrijzinnig-democraten hun eigen candidaten tegen die der Unie-liberalen voor.

Ondanks die oorzaken van zwakheid werden de Liberalen niet ontmoedigd. Zij behielden heimelijk de hoop, dat de zaken zouden gaan als in 1897. De eerste keer zou men opnieuw een gedeeltelijke overwinning der Christelijken zien en later bij herstemming zou de linkerzijde, vereenigd door de bedreiging van »het clericale gevaar«,het verschil van gevoelen vergeten, front maken tegen den vijand en de eindelijke overwinning behalen of tenminste de rechterzijde zoodanig verslaan, dat het haar onmogelijk zou zijn te regeeren.

Maar deze keer was hunne verwachting ijdel. De resultaten bij de eerste stemming waren zoodanig, dat de zege aan de Christelijke partijen verzekerd was, hoe de herstemming ook liep. Bij den eersten keer hadden zij 47 zetels bemachtigd en van de 42 herstemmingen liepen er velen in hun voordeel uit.

Om hunne nederlaag minder gevoelig te doen worden, moesten de Liberalen hunne krachten vereenigen en hielpen zelfs de Socialisten in zekere districten; doch hun meest-pessimistische voorspellingen werden nog overtroffen en zij kwamen zeer verminderd in aantal en in aanzien uit den strijd.

De Socialisten inbegrepen telde de linkerzijde niet meer dan 42 vertegenwoordigers, waaronder 6 Oud-liberalen, 20 Unie-liberalen, 9 Vrijzinnig-democraten en 7 Sociaal-democraten. Alle liberale partijen waren min of meer verslagen, maar geene verloor meer uitmuntende mannen dan de scheuringspartij van de Liberale Unie, die den naam had aangenomen van Vrijzinnig-democratisch. De heer Van Gilse, een der leiders der beweging, door zijn eigen kiezers verloochend, had den moed gehad zich in Amsterdam IX candidaat te stellen tegen den Unie-liberaal Lely, minister van Waterstaat, en had er erbarmelijk schipbreuk geleden; een andere, de heer Veegens, werd te Hoogezand vervangen door een Socialist en de heer Heldt, voorzitter van het Algemeen Nederlandsch Werklieden-Verbond, werd om zijn Nieuw-Malthusianisme door de kiezers van Amsterdam VII verworpen, die Mr. Heemskerk, zoon van den conservatieven oud-minister en een der leiders van de Antirevolutionaire partij in de Tweede Kamer verkozen.

Wat de Socialisten betreft, al wonnen zij ook drie zetels, was toch hun aanvoerder Mr. Troelstra geslagen in de vijf districten, waar hij candidaat was gesteld, in 't bizonder in Tietjerksteradeel, welk district de predikant Dr. Talma na fellen strijd had veroverd.

De uitslag der algemeene verkiezingen van 14 en 27 Juni 1901 was dus ongunstig genoeg voor de liberalen. Het ministerie Pierson, dat het totaal der stemmen van links had opgemaakt, constateerde dat het onmogelijk was aan het bewind te blijven en legde zonder dralen zijn ambt neder.

De zege en de toekomst der Christelijke Coalitie.

Het ministerie Kuyper.

De nieuwe verkiezing had de richting der politiek veranderd. Dr. Kuyper kwam aan het bestuur. Het nieuwe kabinet, waarin hij minister van Binnenlandsche Zaken werd, bevatte vier Antirevolutionairen, drie Roomschen en den admiraal Kruys, die tot geen politieke partij behoorde.

De Antirevolutionairen, die aan de zijde van den premier stonden, waren Mr. Van Asch van Wijck, Koloniën, Mr. de Marez Oyens, Waterstaat, en Melvil van Lijnden, Buitenlandsche Zaken.

Door hunne waarde en door het gewicht der portefeuilles, die hun waren toebetrouwd, maakten de Roomsche leden van hun kant een goede figuur in het Christelijke Kabinet. Generaal Bergansius, wiens militaire bekwaamheid algemeen bekend was, die reeds zijne kracht had doen gevoelen in het ministerie-Mackay, nam Oorlog, de heer Harte van Tecklenburg, de leider der groep Protectionisten in de Kamer, ontving Financiën, en voor Justitie gaf zich een jong talentvol rechtsgeleerde, Mr. Loeff.

Het ministerie werd krachtig door eene meerderheid van rechts gesteund. In de Tweede Kamer beschikte het over 58 stemmen, waarvan 25 Roomschen en 23 Antirevolutionairen, die geheel te zijnen dienste waren. Bovendien schonken de acht Vrij-antirevolutionaren, die De Savornin Lohman en baron Mackay omringden, het kabinet een vertrouwen in beginsel, dat onvoorziene voorvallen alleen konden doen verdwijnen. Tot aan de Christelijk-historischen breidde zich dit niet uit, want de heeren De Visser en Schokking besloten niet het te steunen. De premier kon dus zonder vrees de politiek invoeren, waarvan hij de groote lijnen had afgeteekend toen hij leider der partij was.

De Eerste Kamer was echter in meerderheid liberaal gebleven en kon stelselmatig weigeren, haar stem te geven aan alle wetten, die haar toeschenen al te sterk tegen de beginselen, die tot dien tijd in de wetgeving des lands in eere waren, in te gaan. Maar deze hinderpaal bestond meer in schijn dan in werkelijkheid, want bij een eventueele ontbinding van de Eerste Kamer zou daar noodzakelijk de Liberale meerderheid in een onmachtige minderheid veranderen.

Inderdaad schonken reeds de eerste maanden van 1901 de Provinciale Staten, die de kiescolleges vormen voor de benoeming van leden der Eerste Kamer, eene meerderheid aan de Christelijke partijen.

Reeds lang waren vijf provincies hun getrouw, maar de zes andere bleven onder de liberale heerschappij.

Welnu in 1898 hadden de Roomschen, in vereeniging met de Antirevolutionairen in Zuid-Holland dertien zetels bemachtigd en de liberale meerderheid met tien stemmen verminderd. In 1901 waren zij zoo gelukkig om er de overwinning te voltooien en de Gedeputeerde Staten te veroveren.

Daardoor nu waren hun tien mandaten van de Eerste Kamer tebeurt gevallen en daarmee de zekere meerderheid in de Eerste Kamer. Maar naar den gewonen regel kwam deze omzetting niet dadelijk tot haar recht; daar de Eerste Kamer, zooals in Frankrijk, slechts bij een derdegedeelte tegelijk vernieuwd werd, moest men eenige jaren wachten om haar geheel vernieuwd te zien; doch zoo in dien tusschentijd eene ontbinding voorkwam, was de overgang vanzelf verkregen.

Ten slotte kon niets ernstiglijk het nieuwe ministerie in zijne handelingen tegenhouden.

In de troonrede van dat jaar werd het regeeringsprogram als volgt uiteengezet; zij stemde namelijk de noodzakelijkheid toe, den zedelijken en stoffelijken staat van het Nederlandsche volk te verbeteren, zich daartoe grondende op de Christelijke grondslagen van het nationale leven.

Daarna kwam de opsomming van voorgestelde verbeteringen, waaronder opgemerkt werden de grootere vrijmaking van onderwijs, de herziening van de wet op de Zondagsrust, de beteugeling der nationale zonden van spel en dronkenschap, de voltooiing van het ambachtsonderwijs en de reglementeering van den leertijd, de herziening van de wet op het arbeidscontract, de invoering van de verplichte verzekering tegen de gevolgen van ziekte, invaliditeit en ouderdom enz.....

Een buitengewoon-groot program. Tal van beloften van sociale verbeteringen. Zonder haar critiek te sparen, constateerde de liberale pers met voldoening, dat het program niet uitdrukkelijk een werk van reactie was tegen de aangenomen wetten van het voorgaande ministerie en oordeelde het de aandacht van het volk waardig. Het Handelsblad vroeg zich met zekere ongerustheid af, of het niet een nieuwe periode van de staatkundige geschiedenis van Nederland was, die begon; en de Nieuwe Rotterdammer Courant voegde er, zonder de waardij van deze eerste handeling van de ministerieele politiek te loochenen, met een sceptischen inval aan toe: »Het zijn niet de woorden, die van belang zijn, maar de daden!«

Het ministerie zette zich dadelijk met den ijver van een nieuweling aan het werk en de daden bleven niet uit om de woorden te staven. Bekwamelijk gesteund door zijne collega's en bijzonder door Mr. Loeff, minister van Justitie, werkte Dr. Kuyper een reeks wetsontwerpen uit en stelde ze voor, om zoo zijn program in werking testellen. En het werk in de Tweede Kamer begon ernstig en waardig.

De werkzaamheid was zoo groot, dat drie jaren later 24 November 1904, zijn leider Dr. Kuyper hun, die klaagden over de schraalheid van den wetsoogst, kon antwoorden met de lijst van wetsontwerpen, die in zijn program waren neergelegd. Er waren er meer dan dertig; verscheidene waren reeds door de Staten-Generaal goedgekeurd, en vele, die nog in wording waren, zooals het wetsontwerp op het werklieden-pensioen, dat ter herziening van het tarief van invoerrechten, en dat hetwelk het onderwijs in zijn verschillende graden regelde, waren van bizonder belang.

***

Aan het Christelijke ministerie echter waren de kritiek en de moeilijkheden niet bespaard gebleven bij de vervulling van de groote taak, die het op zich had genomen.

Na in het begin zich tot een verstandige afwachtende houding te hebben beperkt, hadden de Liberalen niet lang gedraald, zich tegen het ministerie te stellen.

Ieder jaar bracht de financieele begrooting, die door eene bespreking over de algemeene politiek voorafgegaan wordt, hunne verwijten met zich mede en wel bijna altijd dezelfde:

»Gij maakt voor uwe politiek aanspraak op de titel van Christelijk,« zeiden zij tegen Dr. Kuyper, »maar wat speciaal Christelijks is er in de wetten, die gij voorstelt? Waarom hebt gij recht op dat monopolie?« Hetgeen de leider van het kabinet terstond beantwoordde met: »Om te beoordeelen of de aangeboden wetsontwerpen de Christelijke beginselen bekrachtigen of verwerpen, moet men zich niet beroepen op het denkbeeld, dat sommige leden zich schijnen te maken van specifiek-Christelijk, maar alleen op het begrip, dat de Christelijke partijen zelve er van hebben. Het is niet het mystieke element van het Christendom, dat hier in het spel is, maar alleen de verplichtingen, die voortvloeien uit den Christelijkengodsdienst voor het burgerlijke leven en in 't bizonder voor het leven van den staat.«

En als zij er aan toe voegden: »Aan het einde van de hedendaagsche wetgevende periode zal er slechts een klein deel van de taak, aangewezen in het program van 1901, zijn verwezenlijkt, en dat, omdat het ministerie standvastigheid en vlugheid ontbreekt,” antwoordde Dr. Kuyper niet zonder ironie: »Ik heb nooit voorgewend de uitvoering van het ministerieele program in vier jaren te zullen voltooien. Ik heb daarentegen altijd gezegd, dat er eene periode van acht jaar noodig was om het in vervulling te brengen. Zoo gij op algeheele uitvoering staat, dan is er een eenvoudig goed middel, n.l. bij de verkiezingen van 1905 de meerderheid voor de Christelijke partij te laten en het ministerie aan het bewind te houden tot 1909”.

Natuurlijk verweet de linkerzijde het ministerie dat het een politiek van reactie, een politiek van godsdienstige verdeeldheid bleef volgen. Zij verweet het bits de natie vanéén te scheiden en tegenover de geloovigen de ongeloovigen, de atheisten, te stellen, terwijl in werkelijkheid deze verdeeling een onloochenbaar feit was, dat de regeering zich bepaalde te constateeren. Maar, waar de beschuldigingen het heftigste waren, dat was als er benoemingen voor openbare ambten en bizondere burgemeestersbenoemingen aan de orde waren. De Liberalen verweten het ministerie partijdig te zijn, door in het wilde voorstanders van zijn eigen politiek te benoemen en candidaten, verdacht van Liberalisme en vooral van Socialisme, van de voordracht te schrappen.

Dr. Kuyper had ook op dit punt geene moeite om zijn gedrag te rechtvaardigen. De vorige ministers, zeide hij, hebben bijna stelselmatig de leden der Christelijke partijen over 't hoofd gezien. Zij hebben dus een onrechtvaardigheid begaan, die ik zoek te herstellen, mij grondende op dit feit, dat voor de benoemingen van burgemeesters en nog anderen, men vóór alles moet nagaan of de aangeboden candidaten beantwoorden aan den staat van het algemeen gevoelen van de gemeente, die zij moeten besturen. Het kan in de gedachte van niemand opkomen, voegde hij eraan toe, om aan het hoofd van gemeentebesturen in Limburg Protestanten te willen plaatsen en in de provincie Groningen Roomschen. Zoo moet de regel zijn en zoo is de regel geweest, waarnaar door het ministerie gehandeld is. Bovendien, niemand kan ontkennen, dat verschillende leden van de oppositie tot hooge functies zijn benoemd. Dit dient om de aantijgingen, dat de voorstanders van de liberale leer stelselmatig terzijde zijn gelaten, te logenstraffen.

Op die manier vervolgde Dr. Kuyper, al strijdende tegen tegenstanders die hem trachtten af te matten, onvermoeid zijnen weg, front makende tegen zijne vijanden met een kracht, die geen oogenblik verminderde. Zijn altijd bekwame, somswijlen snijdende replieken volgden den aanval op den voet.

Men moet zeggen, dat in dezen onophoudelijken strijd de meerderheid het ministerie getrouw ondersteunde. Bewonderenswaardig was het, dat gedurende de vier jaren van het bewind nooit de rechterzijde verdeeld werd, nooit het christelijk verbond een oogenblik zelfs verslapte. Het vervolgde zijn weg met kracht, de oogen op het gemeenschappelijk, wèl-belijnd program en onder de leiding van den aanvoerder, gaf het bestendig blijk van de nauwst-verbonden vereeniging en van de verstandigste tucht.

***

Zonder dezen steun overigens was het onmogelijk voor het bewind geweest om de groote moeilijkheden, die het op zijn weg ontmoette, te overwinnen.

De eerste moeilijkheid was de algemeene werkstaking van de spoorwegmannen, die in het begin van het jaar1903oproerige gebeurtenissen veroorzaakte. Deze geweldige beroering had haar oorsprong in het feit, dat de werklieden van verscheidene expeditievereenigingen te Amsterdam hun werk in de maand Januari verlieten, onder het voorgeven dat deze vereenigingen geen leden van het machtige verbond van transportarbeiders in hun dienst wilden hebben. Uit solidariteit verbreidde zich de bewegingtot het personeel van de spoorwegmaatschappijen. Op bekwame wijze voorbereid brak de werkstaking den 31en Januari in dezen tak van vervoer uit, zoo plotseling, dat zij de geheele wereld verraste. De regeering ontbrak elk middel om te handelen tengevolge van de minimum-vermindering van het staande leger; de maatschappijen hadden niet het minste vermoeden van deze gebeurtenis; de leden der christelijke werkliedenvereenigingen waren behendig medegesleept door de socialistische leiders. In deze omstandigheden niet machtig genoeg, om de orde te handhaven, en te kunnen tusschenbeiden komen, onthield zich de regeering daarvan, en de maatschappijen gaven dadelijk op het gezicht van de algemeene wanorde, die hun tegenstand in den handel en de nijverheid des lands zou veroorzaakt hebben, toe.

Maar het ministerie, hoewel een oogenblik ontsteld, nam maatregelen om te verhinderen, dat gebeurtenissen van dezen aard, die Nederland aan een algeheele en langdurige verwarring konden prijsgeven, weder voorkwamen. Het diende onverwijld wetsontwerpen in tot krachtige bescherming van de vrijheid van arbeid tegen het geweld der werkstakers; tot militaire bewaking van de spoorwegen, opdat het onmogelijk zou zijn in de toekomst, dat beambten bij dezen openbaren dienst het werk zouden neerleggen; en tot instelling eener commissie van enquête om den toestand van de spoorwegbeambten te onderzoeken en de grieven, die rechtvaardig bleken, zooveel mogelijk weg te nemen.

Op de aankondiging van de regeeringsontwerpen, die, zeiden zij, dearbeidsklassenmoesten overweldigen, worgen en muilbanden, roerden zich de socialistische werklieden organisaties en bereiden zich voor op de grootste krachtsaanwending, die ooit is geschied. Den 19en Februari vereenigden zich te Utrecht 40 werklieden-organisaties om een Comité van verweer op te richten, waarin de S. D. A. P. en de Anarchistische socialisten hand aan hand gingen.

In 't openbaar waarschuwde dit Comité, dat, indien de Kamers niet onmiddellijk de aangeboden wetsontwerpenverwierpen, zij tot de uiterste maatregelen zouden overgaan; maar zijn geschreeuw en zijne bedreigingen konden het ministerie niet afschrikken en de bespreking ging bijna zonder onderbreking door. Ziende dat van deze zijde de gedane waarschuwing niets uitwerkte, besloot het Comité van verweer den 2denApril te Amsterdam op voorstel van Troelstra tot een algemeene werkstaking in de middelen van vervoer. Vier dagen daarna brak zij uit, namelijk in den nacht van 6 April, vier en twintig uren eerder dan men ze verwachtte.

Dr. Kuyper echter had dit alles voorzien. In overleg met generaal Bergansius had hij krachtige maatregelen genomen om deze politieke werkstaking tegen te gaan; de miliciëns werden onder de wapenen geroepen, een plan van organisatie werd tot in de fijnste détails uitgewerkt, en op den morgen zelf na den beruchten nacht, toen het wachtwoord van werkstaking tot alle revolutionaire werklieden-vereenigingen was doorgedrongen, vonden de werkstakers alle stations bezet met troepen, de lijnen bewaakt, de belangrijkste bruggen bezet met oorlogsschepen en de bediening der treinen goed verzorgd door Christelijke werklieden, die met behulp van militairen, leerling-ingenieurs of leerling-machinisten hun werk hadden terhand genomen.

De groote krachtsinspanning, door de Socialisten van allerlei soort aangewend, stuitte af op de energie der regeering.

Om de nederlaag te verkleinen, breidde het comité van verweer de werkstaking tot andere vakken uit, maar het werd spoedig verplicht zich overwonnen te verklaren en aan de ongelukkige arbeiders, die aan de algemeene werkstaking meegedaan hadden, order te geven tot hervatting van den arbeid.

Zoo eindigde met de aanneming van de wetsontwerpen deze woeling, die Dr. Kuyper »misdadig« noemde, en wier verwoestende gevolgen hij gelukkig afwendde door zijn volhardende ijver en vastheid van hand.

***

Deze storm was nauwelijks bedaard, toen een andere vangansch anderen aard opstak. De aanneming van de beteugelende voorzorgsmaatregelen was verkregen en het gevaar der werkstaking geweken, toen de Staten-Generaal op reces ging. Bij den terugkeer kwamen de wetsvoorstellen in behandeling, die moesten dienen om het onderwijs meer vrij te maken; in 't bizonder het ontwerp van het Hooger Onderwijs. De Tweede Kamer nam het zonder ernstigen tegenstand aan, maar bij de Eerste Kamer gelukte het niet. De liberale meerderheid verhief zich met kracht tegen de artikelen van het ontwerp en in 't bizonder tegen artikel 5, dat aan vrije universiteiten het recht om graden te verleenen toekende. In het voorloopig verslag drukte zij haar voornemen uit om aan de regeering hare medewerking voor de beoogde hervorming te ontzeggen, maar men wist nog niet of dit een volstrekte verwerping beteekende. Het ministerie volhardde van zijn kant om zijn wil door te zetten. Het stootte toen op een vaste oppositie van de liberalen, die bij monde van een hunner, Van Boneval Faure, eischten dat het ontwerp zou teruggetrokken worden en het kabinet zich in de neutrale zône zou bewegen. Misschien hoopten zij zoodoende Dr.Kuyperte doen aftreden en door den drang der omstandigheden zelf de macht in handen te krijgen. De redevoeringen van de sprekers van links, de verklaring van de meerderheid, die onafgebroken in hare weigering volhardde om het hooger onderwijs volgens de inzichten der Tweede Kamer te organiseeren, de stemming, die volgde en die de voorspelling van de verwerping bevestigde, dat alles maakte een groot bezwaar uit.

De toestand van de regeering was werkelijk critiek. Ze kon noch wilde van haar hervormingswet van het hooger onderwijs afstand doen, want dat beteekende een der belangrijkste deelen van haar program op te offeren. Van toen af bleef haar niets anders over dan keuze tusschen twee uitersten: aftreden of de Eerste Kamer ontbinden.

Zeker de aftreding van het ministerie zou de crisis wegnemen, maar zij zou niet definitief het conflict tusschen de beide Kamers uit den weg ruimen. De eerste daad der Liberalen, wanneer zij de macht weder in handenzouden nemen naar de gewone parlementaire beginselen, moest de ontbinding van de Tweede Kamer zijn; en men wist niet hoe het volk op dezen maatregel zou antwoorden... Het kon gebeuren, dat het wederom een meerderheid van rechts naar de Tweede Kamer zond. Bovendien zelfs wanneer men op een tegenovergestelde gebeurlijkheid rekende, was de Eerste Kamer toch niet de uitdrukking der denkbeelden van de lichamen, die haar afvaardigden, namelijk de Provinciale Staten, en de liberale leer moest noodzakelijk binnen korten tijd er in de minderheid zijn. De verkiezingen van 1905 moesten de Eerste Kamer op het doode punt brengen van 25 tegen 25, die van 1908 er een meerderheid voor de Christelijke Coalitie in verzekeren. Op dit oogenblik kon men wel alles op het spel zetten en hetzelfde conflict zou toch weder in een anderen vorm en in omgekeerde orde tevoorschijn komen.

Ter anderer zijde zou de ontbinding der Eerste Kamer niet geschieden zonder ernstige tegenwerpingen zelfs van de flinkste voorstanders van het ministerie. Zou het niet voor de Eerste Kamer eene schending zijn van haar traditioneel karakter als regelend lichaam, dat de zaken verstandig overweegt, zooals zij naar den wensch der grondwet is ingesteld buiten den al te levendigen strijd der partijen en hartstochtelijke incidenten? Zou het niet beteekenen ondermijning van haar gezag, wegneming bijna van de reden van bestaan van deze instelling, die geroepen is om bestendigheid aan den wetgevenden arbeid en aan de staatsmachine te schenken, en haar voor de toekomst onderwerpen door dit precedent aan alle politieke avonturen en aan alle wisselvalligheden van de veranderlijke meerderheid?

In één woord, zou de Eerste Kamer, die sedert 1848 op een soort van voetstuk was gezeten, niet daarvan afgetrokken worden om zich in den strijd te mengen, waar zij noodzakelijk in achting verminderd, misschien ten doode gedoemd, zou uitkomen?

Deze overwegingen, waarbij nog bij sommigen de vrees kwam, dat deze daad van gezag slechts een bedroevend effect op het volk zou hebben, kon de regeering echterniet tegenhouden. Dr. Kuyper dacht, dat het ontzag voor een gekozen lichaam nooit meer verzwakt wordt, dan wanneer de zekerheid is verkregen, dat het zijn politiek fondament in zijne lastgevers heeft verloren, en hij nam het besluit tot ontbinding van de Eerste Kamer. De verwerping van het wetsontwerp had plaats gevonden op den 14 Juli 1904; terwijl het koninklijk besluit van ontbinding den 19en Juli verscheen, en den 3en Augustus 1904 gaven de verkiezingen aan het kabinet een meerderheid van 31 tegen 19 stemmen.

Dezen keer nog had de geestkracht van den eersten minister den tegenstand verbroken. Het plan der Liberalen had gansch en al schipbreuk geleden en hun tegenstand had slechts gediend om de overwinning van hun geduchten vijand vollediger en gemakkelijker te maken. Maar deze staatsgreep, zooals zij deze eenige episode in de parlementaire geschiedenis van Nederland noemen, vermeerderde hunne vijandschap tegenover den man, die de teugels van het bewind hield.

De nadering van de verkiezingen maakte hen nog onverzoenlijker. De oppositie bereidde er zich lang en scherp op voor, zette alles op haren en snaren, en gaf aan den strijd een gewelddadig karakter, totnutoe ongekend in de Nederlandsche verkiezingen.

Temidden van de hitte van den strijd en van deze voorbereidingen voor de wraakneming, vertoonde zich het ministerie voor de kiezers met de handen vol van den wetgevenden oogst, die door den vierjarigen regeeringsarbeid was behaald, en met opgehoopte goede verwachtingen voor de toekomst. Het had de tenuitvoerbrenging van verschillende wetten verzekerd, die hoewel onder het voorgaand kabinet aangenomen, nog niet in toepassing waren gebracht; in 't bizonder: de ongevallenwet, de legerwet en de wet op de landweer, alsmede die op de volksgezondheid. Het had verschillende belangrijke wetsontwerpen beëindigd, zooals de vaststelling van het militaire strafrecht en de wettelijke regeling van de discipline in het leger, de beteugeling van werkstakingsmisdrijven, gedeeltelijke wijziging van het onderwijsregime, de procedurevan het hooger beroep op gebied van ongevallenverzekering, de herziening van de gemeentelijke en van de provinciale wet, de decentralisatie van de regeering van Nederlandsch Indië en de hervorming van de comptabiliteitswet, de wetgeving tegen het alcoholisme, enz... Het kon bijgevolg zijn werk onderwerpen aan het oordeel van het kiezerscorps zonder de systematische verdachtmaking van zijne tegenstanders te vreezen.


Back to IndexNext