De eerste pogingen en de eerste verbonden.
In de omstreken van den Moerdijk, tusschen Dordrecht en Breda, ontrolt zich een eigenaardig landschap.
De Maas, die pas zich verbonden heeft met den linkerarm van den Rijn, den Waal, omringt daar in een net van nauwe kanalen tal van kleine eilanden, welke er door een reuzenhand schijnen gestrooid te zijn. Maar een weinig verder, waar deze kleine kanalen de vele eilandjes verlaten, alwaar het water zich heeft opgehouden en tot in het oneindige zich heeft verdeeld, vermengen zij zich, om zich ten slotte door de monden van den Maas in de zee te werpen.
Dit is het beeld van de Nederlandsche politiek.
In Holland zijn de partijen zoo talrijk, zoo verdeeld, dat het onmogelijk is hunne werkzaamheden te brengen onder de eenvoudige voorstelling van twee homogene partijen van bijna gelijke kracht, die om beurt elkander opvolgen in de regeering, al naardat de meerderheid verwisselt. Doch, hoe verdeeld ze in werkelijkheid ook mogen zijn, vereenigen zij, onder den druk der omstandigheden en der politieke noodzakelijkheid, hun macht in verschillende breede stroomen, waardoor de golven van hunne werkzaamheden vloeien.
Zoo is de toestand, waarin zich de Nederlandsche Roomschen bij hun optreden in het politieke leven bevonden, waardoor zij verplicht werden den steun van andere parlementaire fracties op te zoeken, zoodra zij eenigen invloed wilden hebben en ook een rol wilden spelen. Als eenbelangrijke minderheid, die evenwel onmachtig was op zichzelve tegenover eene meerderheid, nu eens aaneengesloten, dan weer gescheiden, altijd desniettemin gereed om de rechten der tegenpartij door hun aantal te vertreden, moesten zij wel verbonden aangaan, die nu eens meer, dan weer minder oordeelkundig of degelijk waren.
En dikwijls, om niet te zeggen altijd, waren de duur en de resultaten van deze verbonden, overeenkomstig de beginselen, die er aan ten grondslag lagen. Het is beslist waar, dat het de beginselen zijn, die de wereld besturen, zelfs de politieke wereld, terwijl het evenwel schijnt, alsof zij van weinig gewicht en kracht zijn tegenover bekwaamheid.
Het is echter misschien tegen den wil van hen, die de gebeurtenissen en toestanden trachten te draaien naar eigen plannen en verlangens, dat dit zich aldus voordoet, en gewoonlijk bemerkt men het eerst na verloop van tijd.
Het Liberaal-Roomsch verbond.
Toen op den 3enNovember 1848 koning Willem II Nederland plechtig aankondigde, dat het een parlementaire staatsregeling was geschonken, begroetten de Liberalen en de Roomschen deze gebeurtenis als den dageraad van een nieuw politiek leven; de Conservatieven schudden bedenkelijk het hoofd, en de kleine groep van Antirevolutionairen zag er tot hun droefheid in den triomf van de beginselen der Fransche Revolutie.
Dadelijk bij de nadering van de eerste rechtstreeksche verkiezingen kwam het land in beroering. Twee stroomen werden gevormd rondom de nieuwe grondwet. Aan de eene zijde de Liberalen, krachtig gesteund door de Roomschen; zij vertegenwoordigden de jeugdige ideeën, die als het sap in den pas-geplanten boom van het parlementaire stelsel opstegen. Aan de andere zijde de Conservatieven, mannen van den verleden tijd, sterk door hun verkregen invloed, doch wier oude leer, nog wel krachtig,begon te verbleeken, en hier en daar in het gebladerte van den ouden olm werden de voorteekenen van den herfst gezien.
Ondertusschen bestond de antirevolutionaire groep uit weinige personen van geringen invloed op den strijd, die geleverd werd.
De grondwetsherziening was het werk der Liberalen, zij had wijding gegeven aan hunne beginselen. Ook deden zij zich aan het volk voor met den invloed, die het succes teweegbrengt en met de handen vol beloften voor de onbelemmerde toepassing van de grondwet.
Met de Liberalen hadden zich de Roomschen verbonden.
Voor het eerst zagen zij zich ontslagen van de gedeeltelijke onmacht, die sedert het begin der eeuw had plaats gemaakt voor de geheele onmacht van vóór de revolutie. Zij begroetten deze bevrijding met het gezicht van menschen, die een langen tijd van droefheid hebben doorleefd, en zij sloten zich zoo nauw aan bij hen, die hun een schoone toekomst ontsloten, dat men van hen geloofde en zei, dat ze in de Liberale partij waren opgegaan. Dat zij met heeler hart zich met de Liberalen verbonden, en dat zij hun zonder ze in rekening te brengen de niet te versmaden hulp aanbrachten van opnieuw ontwaakte energie. En niemand kon zich daarover verwonderen: zij hadden denzelfden vijand als de Liberalen te bestrijden, n.l. het conservatisme, dat hen onder onrechtvaardige voogdij had gehouden, en dat toen nog het succes van hun rechtvaardige heroveringen verhinderde, evenals de vlucht der liberale ideeën. Van den nieuwen geest, die opkwam, scheen het, dat zij niets te vreezen hadden, maar alles te hopen. »Men moet wel in 't oog houden«, schreef veertig jaar later Dr. Schaepman, »dat de liberale partij van dien tijd een partij van recht en vrijheid kon heeten. Zeker, ze was van revolutionairen stam, ze had hare wortels in de beginselen van 1798, maar temidden van reactie en contra-revolutie scheen het liberalisme heilrijk te zijn. Het werkte bevrijdend en moedgevend. Het had zijn stellingen nog niet ten volle ontvouwd en was nog ongedeeld. De Roomschen waren dankbaar voor hettegenwoordige en zij verwachtten veel van de toekomst.«
Hunne verwachtingen bleven niet lang onvervuld. Bij de verkiezingen van 30 November 1848 triumfeerde de Liberale-Roomsche coalitie met een groote meerderheid en de aanvoerders der beweging behaalden een schitterende overwinning. Thorbecke werd gekozen in vier districten, Storm in twee, Wichers in twee, Alberda in vier, en de macht was verzekerd aan de Liberalen: zoodanig was het succes van dien tijd, dewelke angstig wachtte om den koers van de nieuwe politiek en de plannen der nieuwe partij te kennen.
Tegenover deze uitspraak van den volkswil, werd het ministerie Donker Curtius na eenige ijdele pogingen tot wederstand tot vertrekken gedwongen. Thorbecke nam de teugels van het bewind in handen (1 November 1849). Een der voornaamste daden van zijn vruchtbaar ministerie was de belooning der Roomschen voor den trouwen steun, die aan zijne politiek gegeven werd, door de herstelling van de katholieke hierarchie in Nederland, van hem te ontvangen. Hij stemde er des te gereeder in toe, omdat deze inwilliging was overeenkomstig met zijn beginsel. Hij was van gedachte dat de verschillende godsdiensten dezelfde vrijheid moesten genieten, zonder dat een van hen boven de andere bevoorrecht werd, en dat de staat een onafhankelijke houding moest bewaren tegenover de verschillende leerstellingen en geloofsbelijdenissen. Bijgevolg wilde hij scheiding der beide machten toepassen en aan de Roomsche Kerk volle vrijheid laten voor de regeling van haar inwendige belangen. Maar hij had gerekend buiten den ouden wrok der Protestanten, waarvan de Nederlandsche grond nog doortrokken was.
Ternauwernood was de Pauselijke brief bekend, of de Conservatieven en de Antirevolutionairen traden in het strijdperk. Zij riepen luide dat het Protestantisme in gevaar was. Tengevolge van deze actie begon de oude zuurdeesem van godsdiensthaat te gisten en een krachtige agitatie bracht het land in beroering. De beweging kwam op in Utrecht, de universiteitstad, de plaats van antirevolutionaire aristocratie, van het antipapisme, dat Pius IXhad bestemd tot zetel van den aartsbisschop. De wind wakkerde spoedig aan tot storm. Tevergeefs poogde Thorbecke het onweder af te wenden en zijn rondschrijven aan de commissarissen der provincies vermocht niet de publieke opinie te kalmeeren.
De hevige en hartstochtelijke strijd keerde zich tegen het ministerie, dat men verantwoordelijk stelde voor de godsdienstige gebeurtenissen. De dagbladartikelen, geschriften en pamfletten vermenigvuldigden hunne aanvallen. Een algemeen petitionnement werd georganiseerd en op den 15denApril 1853 werd koning Willem III bij zijn jaarlijksch bezoek aan Amsterdam een adres aangeboden met 51000 handteekeningen van bewoners der hoofdstad.
Deze krachtige uiting van den volkswil dwong Thorbecke de regeeringstafel te verlaten. Dat begreep hij en hij trok zich terug, met zich trekkende drie van zijne collega's: de heeren Van Zuijlen van Nijevelt, Strens en Van Bosse.
Op den val van het ministerie volgde Kamerontbinding en nieuwe verkiezingen bevestigden de Aprilbeweging. De Liberale-Roomsche coalitie was geslagen; de Conservatieven en Antirevolutionairen kregen de macht in handen. De Liberalen verlieten gedecimeerd het slagveld. De nederlaag had bij voorkeur hen getroffen, die tot de eigenlijke partijgangers behoorden van Thorbecke, de »Thorbeckeanen«, zooals men ze noemde. De groote minister zelf was niet weder verkozen dan door de dankbaarheid der Roomschen, die hem de overwinning bezorgden in twee van hunne districten: Maastricht en Breda.
Door dit succes werden de hoofden dezer beweging aangevuurd. Het nieuwe ministerie: Van Hall-Donker Curtius gaf de wet op bescherming der eerediensten, een wet gericht tegen de Roomschen, die aan de eene zijde belemmerende maatregelen inhield tegen het brengen van kerksieraden buiten de gebouwen en besloten plaatsen, en aan de andere zijde de Oud-Bisschoppelijke secte verhief tot den rang van erkende kerk met een aartsbisschop van Utrecht, een bisschop van Haarlem en een van Deventer.
***
Al deze gebeurtenissen echter hadden het verbond van Roomschen en Liberalen versterkt. Men geloofde dat het niet kon ontbonden worden. De wet op het lager onderwijs van 13 Augustus 1857 toonde dat het minder sterk was dan men dacht.
Terwijl alle Liberalen deze wet, die het neutrale openbare onderwijs invoerde, ondersteunden, kwam er splitsing onder de Roomschen. Eenigen, bovenal in aanmerking nemende de bezegeling van de vrijheid van onderwijs, vervat in de wet, en vol vertrouwen in een oprechte onpartijdigheid, mengden hunne stemmen in het liberale concert; anderen, in getal gelijk, niets ziende dan de gevaren van de neutrale school en haar praktijk, verklaarden er zich sterk vijandig tegen.
De schoolkwestie was gesteld, zij zou op noodlottige wijze het verbond van de Roomschen met de Liberalen oplossen. Hunne beginselen op dit punt waren te veel tegenover elkander gesteld, om tot overeenstemming met elkander te komen.
Bovendien begonnen de Liberalen, in den aanvang zeer edelmoedig, een al te drijverige houding aan te nemen en zich te leenen tot partijdige handelingen. De vertegenwoordigers hielden er rekening mee te meer, dat rondom haar zich een ontzagwekkende meerderheid in het land vormde en de medewerking der Roomschen hun noch noodig noch zelfs nuttig meer toescheen. Waartoe zouden zij van toen af meer concessies doen aan bondgenooten, die nergens meer voor konden dienen?
Gedurende nog eenigen tijd geleek de bond veel op een vogel, die vleugellam geschoten door het doodelijk lood nog niet kan sterven. Maar andere grieven paarden zich bij de schoolkwestie en brachten dezen bond den genadeslag toe.
Het waren ten eerste de Pauselijke Encycliek en de Syllabus van 8 December 1864, waarin de onvereenigbaarheid van Roomsche met liberale beginselen uitblonk. De slotsom er van was, dat het moderne levensbegrip tegenover het Christelijke stond. De houding van de liberale pers, wier aanvallen met den dag levendiger werdenen drukker, toonde duidelijk dit fondamentale verschil, terwijl de toepassing der wet op het lager en middelbaar onderwijs hen ook in daden van elkander deed verschillen.
Aan de andere zijde volgde Nederland met een opmerkzaam oog de gebeurtenissen, die in Italië plaatshadden. Ook op dit punt bleek er scheiding te zijn tusschen de Liberalen en de Roomschen. Zij verzwegen inderdaad hunne goedkeuring niet voor de houding van Piemont en van de Liberalen in Italië. De Roomschen ondersteunden daartegen met kracht de heilige rechten van het Pausdom.
De breuk was onvermijdelijk en de scheiding, uit tegenovergestelde beginselen en neigingen voortkomende, was volkomen zelfs vóór den dood van Thorbecke, toen in Juni 1867 het eerste ministerie Heemskerk het bestuur der zaken in handen nam.
De Liberale-Katholieke bond had bijna achttien jaren geduurd. Zij had aan de Liberalen de macht bezorgd en aan de Roomschen zekere rechten en vrijheden, alsmede een zeker ontzag voor hen, als gevolg van het aandeel, dat zij zijdelings aan de regeering hadden gehad.
Het verbond der Conservatieven met de Roomschen.
Daar de Roomschen nu aan hun eigen macht waren overgelaten, en zij slechts ternauwernood een vijfde der bevolking uitmaakten en vijftien afgevaardigden naar de volksvertegenwoordiging van vijf-en-zeventig leden met moeite konden zenden, daar gevoelden zij hunne onmacht.
Zij onderzochten daarom den politieken toestand, zooals zij zich aan hun oog voordeed, met de verwachting om nog bondgenooten te vinden onder degenen, die hen omgaven.
Aan de eene zijde zagen zij hun oude vrienden de Liberalen, de geheele linkerzijde innemende, in overwegend aantal, die echter door innerlijke verschillen over eenkoloniale kwestie pas de macht voor het oogenblik hadden verloren.
Zij wachtten slechts op een gunstige gelegenheid, om er weder boven op te komen, want hun kwam de meerderheid in het Parlement toe.
Aan den anderen kant bevonden zich onder de rechterzijde meer of minder belangrijke fracties, de Conservatieven, de Roomschen en de Antirevolutionairen. Deze laatsten weinig talrijk, hadden geen gelijke inzichten op politiek terrein, het waren enkele leden, en het zou voor hen zeker te zwaar geweest zijn een partij op te richten.
De Conservatieven, of zooals men ze dikwijls noemde, de Liberaal-conservatieven telden in hun meer-gesloten rangen merkwaardige mannen van groote bekwaamheid: hun ontbrak eenheid en samenhang. Zij vormden niet meer de partij der aristocraten, de groote protestantsche partij, maar gematigd, gekalmeerd en gefnuikt, bestreden zij den vooruitgang niet meer, naar de mate dat zij van hun kracht en luister verloren. Zij waren alleen nog slechts de bleeke Liberalen. In het Parlement toonden zij zich tegenstanders van de politiek der getrouwe volgelingen van Thorbecke of Fransen van de Putte. En tegen dezen keerden zich ook de Roomschen, die evenzoo stelling innamen tegen hun voormalige bondgenooten, welke van hunne zijde zich van allen schijn ontdeden en zich meer en meer ontpopten als anticlericalen.
Het ministerie, dat aan de regeering was, hetwelk men, als het derde in één jaar, den naam gaf van »Kamerministerie« was de getrouwe weerschijn van de verschillende deelen der volksvertegenwoordiging; het was even bont als het kleed van harlekijn. Aan zijn hoofd stond minister Heemskerk, die zich betoond had een der uitnemendste mannen van de Tweede Kamer te zijn. Een der leden, de heer Borret, was Roomsch ter zijde van twee Antirevolutionairen, volgelingen van Groen van Prinsterer n.l. de minister van Buitenlandsche zaken Van Zuijlen en van Koloniën Mijer. De eenige band, die deze ongelijke elementen verbond, was de conservatieve neiging, die in allen in meerdere of mindere mate aanwezig was.
Het was een ministerie van overgang, tot stand gebracht door zeer eigenaardige omstandigheden, dat, als gevolg van de stelselmatige vijandelijkheid der Liberalen, de grootste moeilijkheden hadteoverwinnen. Wat nog nimmer in de parlementaire jaarboeken was opgeschreven, geschiedde nu; in een tijdsruimte van twee jaren werd twee maal de Kamer ontbonden en een beroep gedaan op de getrouwheid van het Nederlandsche volk.
Bij de verkiezingen, die op de eerste ontbinding volgden, vertoonde zich voor het eerst het verbond der Conservatieven met de Roomschen. Dit gaf aan het ministerie eenige stemmen meerderheid in den strijd, waarin het ging om deze voorname zaak, of men in Nederland een koninklijk, dan wel een parlementair ministerie zou hebben. Bij de Roomschen en Conservatieven hadden zich ook een aantal Antirevolutionairen gevoegd.
Het ministerie ontmoette denzelfden steun bij de tweede Kamerontbinding, maar deze herhaalde uitoefening van het grondwettig recht bracht het land in geweldige beroering. De liberalen vergaten hunne geschillen en vereenigden zich in heftige oppositie; zij noemden de ontbinding een niet-te-rechtvaardigen aanslag op de rechten van het volk, een misbruik van het koninklijk recht van ontbinding, een complot tegen het neutrale onderwijs, gesmeed door Roomschen, Antirevolutionairen en Conservatieven.
Tegen de verwachting van het gouvernement brachten de verkiezingen geen merkbare verandering in de sterkte der partijen.
Voor den tegenstand, die den minister ontmoette temidden van de onstuimige debatten der nieuwe Kamer, moest hij wel het veld ruimen. De geestkracht van den eersten minister en zijne bekwaamheid hadden den onverwrikbaren tegenstand niet kunnen overwinnen. En dit leverde tenslotte het schouwspel van een parlement zonder wezenlijke regeering gedurende bijna vijf maanden, als gevolg van politieke geschillen. Toch bracht het herhaald en wellicht verkeerd gebruik van het recht van ontbinding deze instelling door den slechten uitslag niet in mistrouwen,zoodat ze van nu aan veilig onder de merkwaardigheden van een vorige eeuw kon gerangschikt worden.
Gelijktijdig met den val van het ministerie, ging het verbond tusschen de Roomschen en de Conservatieven teniet. Dit verbond was een misslag geweest, want de Roomschen kregen er niet veel voordeel van, maar wel veel vijandschap. Wat meer is, het was sedert zijn begin ten doode verwezen, want het was een toenadering, door de omstandigheden bewerkt en geenszins op degelijke beginselen gegrond.
Zooals het wel gaat met oude verbroken vriendschapsbanden en met bedrogen liefde, hadden zij zich uit haat tegen de Liberalen, die hen bedrogen hadden in hunne verwachtingen, in de armen der Conservatieven geworpen zonder te bemerken, dat deze partij, waarmede zij zich verbonden, instaat van ontbinding verkeerde en dat zij niets hadden te winnen dan vijandschap en impopulariteit.
Zij hadden echter wel eenige verontschuldiging voor deze politiek van vergelijk. Velen onder hen deelden de meeningen van de Conservatieve partij, zoodat zij door hunne houding hunne bondgenooten niet van zich afstootten. Bovendien was het een woelige tijd en de partijen waren voor nieuwe groepeeringen te vinden; de Roomschen durfden niet, gewoon als zij waren door een verbond ondersteund te worden, in het parlementaire leven verder gaan zonder hulp en bescherming.
Het ergste was, dat zij de grondbeginselen vergaten en in 't bizonder de schoolkwestie uit het oog verloren; want zij wisten, dat de Conservatieven op dit punt hun geen voldoening konden of wilden geven.
De val van het ministerie en vooral de herderlijke brief van de gezamenlijke bisschoppen riepen hen terug tot de beginselpolitiek en gaven hun eenheid, moed en waardigheid in hun afzondering.
***
Een nieuw ministerie had de teugels in handen genomen,hetwelk Thorbecke een rechtschapen ministerienoemde; onvervalscht, geheel overeenkomstig de kleur van het land. Toen het den 9den Juni 1868 zich presenteerde aan de Kamer, verklaarde de minister van Buitenlandsche Zaken, Fock, dat de regeering elke herziening van de wet op het lager onderwijs volkomen weigerde.
Dadelijk verhieven de vijf bisschoppen hunne stem en in een gezamenlijk herderlijk schrijven, stelden zij plechtig de plichten der Roomsche ouders tegenover de neutrale school vast.
De ministerieele verklaring en het manifest der bisschoppen hadden een belangrijken terugslag op den politieken toestand, die nog zoo verward was; zij brachten er licht en regeling aan.
Het onmiddellijke resultaat was dat de schoolstrijd de spil werd van den strijd der partijen. Men scheidde zich van nu aan in het Parlement en in het land in voor- en tegenstanders van de neutrale school; sommigen wilden, dat de wet van 1857 gehandhaafd werd en zelfs nog verscherpt; anderen stelden voor als doel van hun strijd zoo al niet afschaffing van het openbare neutrale onderwijs dan toch de gelijkstelling van de vrije school met de openbare. De eersten waren alle Liberalen, de andere alle partijen met confessioneele kleur, de Roomschen en de Antirevolutionairen.
Deze nieuwe partijverdeeling bracht weldra den dood aan de Conservatieve partij. Deze oplossing begon zich dadelijk te vertoonen en duurde ternauwernood eenige jaren, onvermijdelijk als zij was vanaf het oogenblik, dat de schoolkwestie den grondslag vormde van de politieke beweging. Want juist over deze zaak hadden de Conservatieven geen vaste meening en, als alle partijen van het juiste midden, waren zij ten doode gedoemd, zoodra de omstandigheden hen dwongen zich uit te spreken. Deze noodzakelijkheid bracht hen voor eendilemma, dat zij niet konden overkomen, n.l.: òf zich te verklaren vóór de neutrale school en dan tot de Liberalen over te gaan;òfde herziening van de wet van 1857 te eischen en dan bij wijze van consequentie zich aansluiten aan deAntirevolutionairen. Geen andere uitweg bleef hun open.
Dadelijk bij het begin rangschikten zich een groot aantal Conservatieven onder de Antirevolutionaire banier, die Groen van Prinsterer met onuitblusschelijke geestkracht omhoog hield.
Zoo leverde dan bij het einde van het jaar 1868 het politieke slagveld dezen aanblik. Op de hoogten van de macht was het Liberale kamp gelegerd, waar van tijd tot tijd innerlijke geschillen rezen, maar de eenheid werd volkomen, zoodra het gold de verdediging van de bastions van de schoolwetgeving, waaromheen zij in gesloten rijen zich legerden. In de vlakte stonden de bataillons der Roomschen en de escadrons der Antirevolutionairen, die zonder verpoozing de vijandelijke stellingen aanvielen. Deze beide troepen handelden ieder op zichzelf en voerden elk voor zijne rekening den heiligen schoolstrijd.
Maar wie kon niet zien, dat deze actie tegen een zelfden vijand noodzakelijk moest uitloopen op meer of minder erkende samenwerking, op meer of minder nauwe verbinding? Inderdaad werd dit practisch, zoo door de langzame werking der omstandigheden, daarna ook openlijk op principieel terrein.
Tusschen beide in bewogen zich met bedachtzame langzaamheid eenige Conservatieven, een oud overblijfsel van een machtig verleden, of achterblijvers van het Liberale leger, die nu eens in het ééne, dan weder in het andere kamp het overschot van hun ervaring en de voorzichtige kracht van hun arm aanbrachten.
De Christelijke Coalitie.
De historische redenen voor de Christelijke Coalitie.—»De Schoolstrijd.«
De vijandelijkheden tusschen Liberalen en Anti-liberalen werden met veel afwisseling voortgezet en van beide zijden met onverminderde hevigheid.
Onder het derde ministerie Thorbecke stemde de Tweede Kamer na een heftig debat, dat drie geheele dagen duurde, op den 17en November 1871 met 39 stemmen tegen 34 stemmen voor de opheffing van het Nederlandsche gezantschap bij den Heiligen Stoel, omdat de paus de wereldlijke macht verloren had.
De Roomschen lieten een »Adres aan den Koning« in het land rondgaan, om hem te smeeken zijn gezantschap niet op te heffen.
Spoedig was het door 400,000 handteekeningen onderteekend, maar het bleef zonder resultaat; den 4en Februari 1872 werd de Hollandsche attaché bij den paus teruggeroepen.
Deze maatregel gaf den weg te zien, die de liberale ideeën sedert 1850 doorloopen hadden. In zijn eersteministerie had Thorbecke de Roomsche hiërarchie hersteld in Nederland, tengevolge waarvan hij zich had moeten terugtrekken voor de aanvallen van de Conservatieven en Antirevolutionairen. In zijn derde ministerie zag zich de oude staatsman gedwongen de opheffing van het Nederlandsche gezantschap bij den Heiligen Stoel te onderteekenen en alleen daardoor kon hij de macht behouden.
Meegesleept door de ontwikkeling van zijn eigen beginselen, eindigde hij zijn langdurige loopbaan met een daad van godsdienstige vijandelijkheid; een loopbaan, dien hij zoo welwillend voor de vrijheid der kerk begonnen was. De schoolstrijd werd er voor de Roomschen door verscherpt, maar het heftigst geschiedde dat door de wet van 1878.
Ondertusschen was Thorbecke gestorven en de liberale partij was, door haar voortdurend grootere verdeeldheid, onbekwaam geworden om het bestuur der zaken in handen te houden. Toen deed men beroep op een van die neutrale ministeries van het juiste midden, waardoor de heer Heemskerk zoo bekend was, en die niet steunden op een meerderheid in de volksvertegenwoordiging, maar alleen op de geschiktheid en alom erkende bekwaamheid van den eersten minister, diens groote werkkracht en rechtvaardige waardeering van zijne collega's.
Onderwijl vestigden de tegenstanders, zonder van hun aanvallen af te laten, hun blik op de handelingen van het ministerie. Heden toezicht houden, morgen regeeren; dat was het wachtwoord, hetwelk Kappeijne in die dagen de liberale troepen toeriep; zoo was de houding van zijne partij tegenover deze voorloopige regeeringen.
Ondertusschen had onder het ministerie Heemskerk de schoolkwestie zulk een plaats in de voorloopige besprekingen der volksvertegenwoordigers ingenomen, dat alle pogingen om haar weer te verbannen bij het tweede ontwerp hadden schipbreuk geleden.
In haar »adres van antwoord« op de troonrede verklaarde de Eerste Kamer eenstemmig den 19en September 1874, dat zij hoopte, dat de wet op het lager onderwijs ongeschonden en buiten alle bespreking zou blijven; doch het volk wilde herziening van de wet van 1857.
Aan den eenen kant vroegen de kerkelijken wetten en subsidie voor het vrije onderwijs; aan de andere zijde streden Volksonderwijs, het Nederlandsch Onderwijzersgenootschap en de Maatschappij tot 't Nut van 't Algemeen voor voltooiing van de schoolwet, heeling harer breuken en herstelling harer fouten.
Het ministerie bewaarde er het stilzwijgen over en wilde zich aan de kwestie onttrekken, maar door de omstandigheden werd het met geweld er toe gedrongen.
Den 21en Februari 1876 deed de afgevaardigde A. Moens, inspecteur van het lager onderwijs te Utrecht een voorstel voor de herziening van de wet van 1857, die niet aan de orde was.
Tegenover deze poging achtte zich het ministerie verplicht een wetsvoorstel in te dienen, waarin de bekwame eerste minister beproefde de verschillende meeningen te vereenigen en al de partijen tevreden te stellen. Maar, zooals het in den regel gaat met alle pogingen van die soort, ze stelde niemand tevreden.
Middelerwijl gaven de verkiezingen aan de Liberalen een overwegende meerderheid in de Kamer en een bijna volkomen eenstemmigheid in zekere deelen van het land. Bij de terugkeer der Kamer liet Kappeijne van de Coppello, de aanvoerder van de liberale oppositie, een motie van berisping in het antwoord op de troonrede insluiten over de houding der regeering in de schoolkwestie. Deze formeele oorlogsverklaring werd gevolgd door een heftige discussie, die eindigde met de aanneming van de motie en den val van het ministerie.
De Liberalen gevoelden zich sterk. Zij dachten het oogenblik om zelf de regeering in handen te nemen gekomen. Kappeijne nam den presidentshamer op in een geavanceerd liberaal kabinet, dat zelfs een radicalen tint bezat. Zijn doel was een besluit te nemen over de schoolkwestie in den geest van zijn radicale ideeën. Onverwijld zette hij zich aan het werk en was spoedig gereed.
De wet, brengende herziening van de wet van 13 Augustus 1857, werd aangenomen op den 18en Juli 1878 met 52 tegen 30 stemmen in de Tweede Kamer en den 10enAugustus daaropvolgende met 26 tegen 10 stemmen in de Eerste Kamer.
Daarin werd het beginsel van de wet van 1857 bewaard en tevens verscherpt, waardoor aan al de wenschen der Liberalen werd toegegeven, behalve op het punt van leerplicht. De rechten van het algemeen waren op het stuk van onderwijs verminderd in het belang van den staat; het toezicht op het onderwijs werd verscherpt; de leerstof vastgesteld.
De Roomschen en Anti-revolutionairen hadden met volharding gestreden tegen het totstandkomen dezer wet. Zij eischten eenstemmig dat de Staat bewilligde aan de vrije school subsidie te geven en de strengheid van zijn toezicht verminderde. En, inplaats van aan hun rechtvaardige eischen toe te geven, toonde de wetgever eerder zijne vijandigheid tegen het vrije onderwijs.
Nog deden zij, waar zij de aanneming dezer strenge wet niet konden verhinderen, een laatste poging vóór hare afkondiging. Zij namen de toevlucht tot het uiterste middel, dat in Nederland in al de politieke kwesties van veel gewicht wordt aangewend; zij deden een beroep op het volk bij wijze van een ontzaglijk volkspetitionement, waarin den koning gebeden werd om geen bindende kracht aan de wet te geven. Alras was dit geschrift met 300,000 handteekeningen van de Antirevolutionairen en meer dan 200,000 van de Roomschen onderteekend. Doch de koning verborg zich achter zijne hoedanigheid van constitutioneel vorst en aan de afgevaardigden, die de resultaten brachten van dit soort van raadgeving der natie, gaf hij een vriendelijk, maar ontwijkend antwoord.
Van toen af was alle hoop verloren. De wet werd den 17en Augustus 1878 onderteekend. Desniettemin werd zij, als gevolg van den tegenstand der antiliberalen en meer nog als gevolg van de moeilijkheid om de noodzakelijke hulpmiddelen voor hare toepassing te vinden, eerst den 1en November 1880 van kracht.
De Roomschen en de Antirevolutionairen hadden een volslagen nederlaag geleden, maar daar zij streden voor een beginsel, dat van de vrijheid van onderwijs en degelijkstelling der scholen voor de wet, was hun nederlaag voor hen geen oorzaak van val. Integendeel, gedurende dezen veldslag, dien zij hadden verloren, hadden zij zonder ophouden zijde aan zijde gestreden, hadden zij elkander wederkeerig aan het werk gezien. Uit deze gemeenschappelijke handeling was wederzijdsche achting geboren.
De tegenspoed bracht hen nog nader tot elkaar. Zij gaven elkander de hand voor den heiligen strijd en er kwam een verbond tusschen hen tot stand, eerst in 't geheim, om enkele jaren later openbaar te worden. De liberalen noemden dit het »monsterverbond«, welke naam zij tevoren reeds aan het verbond tusschen de Roomschen en de Conservatieven hadden gegeven. Dit was de Christelijke Coalitie.
De theoretische gronden voor de Christelijke Coalitie.—De godsdienstkwestie.
Het is zeker, dat deze Coalitie bij het eerste begin ontstemming bracht in een land, waar de godsdiensttwisten tusschen Protestanten en Roomschen zoo hevig waren en de dogmatische godgeleerdheid zooveel vat heeft op de gemoederen. Het scheen dat de poging om deze eeuwenoude tegenstelling weg te nemen en daarvoor een meer of minder nauwe vereeniging inplaats te stellen, niets minder was dan van het verledene geen partij te trekken, het onderwijs der geschiedenis te versmaden en zichzelf bijna zeker een ongelukkigen afloop op den hals te halen.
Ook betoonden zich onder de belanghebbenden velen groote twijfelaars aan deze vreemde samenkoppeling van machten, die anders vijandelijk en tot dien tijd onverzoenlijk tegenover elkander stonden.Zijgeloofden op z'n best aan een tijdelijken wapenstilstand, maar niet aan een duurzaam verbond, en zij vreesden, dat, wanneer de onvermijdelijke breuk eenmaal voltrokken was, op de periodevan vrede een vijandelijkheid in dubbele mate zou volgen. Hun leek het verbond, maar in wat minderen graad dan den Liberalen, tweeslachtig en monsterachtig toe.
Zij vergisten zich. De Christelijke coalitie was niet het gekunstelde werk van één mensch of van één dag. Geen geschreven oorkonde had officieel het in aanzijn geroepen. Het verbond verbeeldde zich niet een onmogelijke ineensmelting van zeer heterogene bestanddeelen teweeg te brengen. Het was slechts een samenkomen van onafhankelijke machten, die, zichzelf blijvende, hunne pogingen in het werk stelden in een bepaalde richting en naar een gemeenschappelijk doel. En bovendien was dit samenkomen het resultaat van de omstandigheden.
Het voorloopig verslag over de begrooting der Eerste Kamer van 1905 schetst den toenmaligen in verband met den tegenwoordigen toestand zeer juist in de volgende woorden.
»Vroeger ontmoette men ter eenerzijde de liberale staatslieden van verschillende schakeeringen en ter anderer zijde de conservatieve staatslieden van onderscheiden kleur op dezelfde manier beiden werkzaam. Maar naarmate dat de verschillende staatslieden hun eigenlijke punten hadden afgedaan en het godsdienstvraagstuk vooropgesteld werd, kwam er verandering in de groepeering der partijen en meer en meer kwamen degenen, die aan de bovennatuurlijke waarheden vasthielden in botsing met hen, die de onafhankelijkheid der rede erkenden. En zoo kwam het, dat de afdeelingen van positief Christelijk geloof, door den druk der omstandigheden tot wederkeerige achting en vertrouwen geleid, zich gezamenlijk hebben verstout tot gemeenschappelijke actie in het politieke leven, dewelke geen enkel partijleider kon bewerken door zijn eigen invloed en die geen oppositie onredelijk mag noemen.”
***
In een opmerkelijk artikel in 1869 in »De Gids” eindigde professor Buys zijne beschouwingen over de Conservatievepartij met deze woorden:»dat zij achter het verrotte en doorboorde vuurscherm van de conservatieve staatskunde slechts zeer moeilijk zich kon ontveinzen, dat weldra de groote strijd zou ontbranden, de worsteling tusschen de moderne en de antimoderne begrippen der wereld.”
Het woord van den grooten theoreticus van het Liberalisme in Nederland was volkomen waar; het waren werkelijk twee beginselen, die duidelijk op het oogenblik, dat hij schreef, met elkander handgemeen werden. Het was waarlijk de godsdienstige kwestie, die in den schoolstrijd uitgevochten moest worden.
De godsdienstkwestie is overal van zulk een gewicht, dat zij de staatkunde en de geschiedenis der volken beheerscht; want als omschrijving dient, dat de staatkunde tenslotte niet anders is dan het zoeken naar eigen middelen om het best het einddoel van een staat te verwezenlijken. Noodzakelijk is de bepaling van het doel, dat de menschen in een maatschappij levende, zich moeten voor oogen stellen, van grooten invloed op de stof; en naarmate men aan deze of aan gene zijde van het graf het hoogste doel van het menschelijke leven plaatst, neemt men theorieën aan, die volkomen tegenover elkander staan en inwerken op het denkbeeld, dat men zich van de staatkunde maakt, welkeideeënde politiek zelfs beheerschen. Men kan niet voorwenden, dat er een ernstige staatkunde kan bestaan, die niet op eenige moreele leerstelling is gegrond. De feiten toonen het elken dag aan. Het is van de allergrootste noodzakelijkheid, dat de partijen, indien ze willen blijven bestaan, hunne meening, hun systeem en hun program vestigen op een moraal, en de waarde van hun moraal geeft de waarde aan van hun politiek.
Daardoor wordt de staatkunde geheel beheerscht door het theoretisch antwoord op de vraag: Wat is goed en wat is kwaad? Daar vloeien de dagelijksche toepassingen op de veranderlijke omstandigheden van het leven uit voort.
Is dit recht of is dit onrechtvaardig? Dat is de vraag, die ieder oogenblik wordt gesteld.
En daar men geen goede moraal kan hebben zonder godsdienstigen grond, mag men besluiten, dat de godsdienst het innerlijke leven is van de staatkunde en dat verschil van grondstelling in den godsdienst noodzakelijk medebrengt verschil van program en gedragslijn in de staatkunde.
Welnu, men heeft zich in den nieuweren tijd op godsdienstig gebied twee gansch tegenovergestelde meeningen gevormd, n.l.: de erkenning van een Opperwezen, levensbeginsel van de wereld en richtsnoer der maatschappij; en de ontkenning daarvan door het spiritualisme en het materialisme. Dit zijn de beide theorieën, die, zelfs in de staatkunde van dit oogenblik een verwoeden strijd veroorzaken, en men kan er ten minste uit te weten komen of de staat officieel atheistisch moest zijn, of hij het bestaan van God moet loochenen, of dat hij zich ten minste moet gedragen, alsof God niet bestond.
In Nederland is die vraag in den eersten tijd niet met zulke nauwkeurigheid gesteld. Het liberalisme, dat ongeveer in alle landen van kracht was en nergens meer dan in Nederland, kenmerkte zich nog door een flauw spiritualisme; het erkende nog een soort van hoogere zedeleer, die niet uit een godsdienst werd afgeleid, maar die boven allen stond, zoo iets als een uittreksel van de verschillende godsdienstige zedekundige stelsels, ontdaan van alles wat op dogmatiek geleek. Maar om den godsdienst bekommerde het zich niet; dit was privaatzaak en de staatkunde mocht er zich niet mede bemoeien.
Nochtans werd deze onbestemde moraal, zoo zwevend als ze geworden was, krachteloos, omdat men, door haar van den positieven geopenbaarden godsdienst te scheiden, er schimmen zonder substantie had van gemaakt. Thans bleef niets anders over dan de stelling van de onfeilbaarheid der menschelijke rede, zich trotsch verheffende tegen de openbaring, en een leer, die in den naam van de vrijheid en van de wetenschap met hare vervolging doorgaat tegen den godsdienst.
Deze evolutie in de theorie doet zich gevoelen door onmetelijke gevolgtrekkingen voor de maatschappij, n.l.:verzwakking van den eerbied voor de overheid; aanvallen op het gezinsleven en het huwelijk, die met den dag scherper worden; de verschrikkelijke vermeerdering van onzedelijkheid en misdaad, allerlei bedrog en opstand.
Men moest wel erkennen, dat het liberalisme geen vast kenmerk had om goed en kwaad van elkander te kunnen onderscheiden en dat zijne zedeleer, ontbloot van alle vastigheid, niets was dan overdreven rationalisme of verkapt materialisme.
Toen kwam het helder aan den dag, dat de ware strijd in het gesloten kamp der staatkunde geleverd werd niet tusschen twee of meer afzonderlijke godsdiensten, maar tusschen den godsdienst en de godloochening; tusschen geloovigen en ongeloovigen; genen de Godheid van Christus erkennende, »het Woord werd vleesch«, wiens persoon is en blijft het middelpunt van het Christendom, en de openbaring van het geheele menschelijke leven beheerscht; dezen haar loochenend, die in Christus, indien al niet een boosdoener en verleider, slechts een wijs mensch van hoogen rang, evenals Boeddha en Socrates zien. Genen maken bij de oplossing van politieke vraagstukken gebruik van het verstand, door de Heilige Schrift verlicht en geleid en door de regelen van de geopenbaarde moraal; dezen van hun persoonlijke rede alleen, ontdaan van alle hoogere kennis, die in haarzelve als menschelijke rede de volledige waarheid en het volstrekte recht vindt.
De eersten eindelijk houden rekening met de gedachte van het toekomende leven en bijgevolg met de zedelijke behoeften der natie, de anderen, wier blik niet verder reikt dan tot aan het graf leeren dat een volk slechts stoffelijke belangen, slechts nuttigheden en geen behoeften op zedelijk gebied heeft.
Dat waren derhalve wel twee geheel tegenovergestelde opvattingen, die aanwezig waren en elkander de opperheerschappij betwistten in het bestuur der maatschappij, evengoed als in het gedrag van den enkelen mensch. Aan de eene zijde de opvatting door den negentien-eeuwen-ouden Christelijken godsdienst in de wereld gebracht, aan den anderen kant de vernieuwde opvatting der modernen vanhet paganisme, dat weer in eere is gekomen door de beginselen van de Fransche Revolutie.
***
Dat conflict der leeringen, dat antagonisme van godsdienst en godloochening in theorie, ligt in meerdere of mindere mate ten grondslag aan de staatkunde van alle landen van Europa.
Bijna overal hebben evenwel menschen van grooten geest, met uitnemende plannen bezield, gemeend dezen onvermijdelijken strijd binnen de grenzen te houden en hem door een rechtvaardige neutraliteit te kunnen beletten het politiek terrein binnen te dringen. Ze zijn van gedachte geweest de godsdienstkwestie uit de staatsregeering te kunnen verbannen, door de oogen er voor te sluiten; door ze niet in het aangezicht te zien. Zij hebben den verkeerden weg gevolgd en hun bekwame taktiek heeft het onverwachte gevolg gehad van hunne leeringen een onverstelbaar en verschrikkelijk verlies te bezorgen. Gelijk de heer S. Van Houten gaarne erkende, »de ijdele gedachte, dat deze gisting buiten het politieke kamp kon blijven of omgekeerd, dat de staatkunde buiten den invloed van deze gisting kon worden gezet, heeft zich reeds opgelost.”
De overtuiging met betrekking tot het leven in 't algemeen en tot zijn eigen leven is voor iedereen, geloovige of ongeloovige, de regel van het gedrag en terzelfder tijd de grond van de vereischten, die hij voor zich en voor anderen aan het denkbeeld van staat en maatschappij verbindt.
Bij dezen strijd van wezenlijk-bestaande begrippen, komen de andere kwesties op den achtergrond. De bestrijding van het Conservatisme door de progressisten was slechts een geschil over de aanpassing der beginselen aan de veranderende omstandigheden van het leven; zij raken de beginselen zelve niet en zij kunnen dikwijls teruggeleid worden tot eene kwestie van meer of minder.
Zelfs de klassestrijd is, om zoo te zeggen slechts een toevoegsel, de doortrekking van het antagonisme der verschillendebegrippen van het menschelijke leven en van de bestemming der wereld gaat verder en dieper. Zij is de logische gevolgtrekking van de moderne opvatting en streeft in het kort naar de verwezenlijking in de praktijk voor den staat van het theoretisch atheisme.
Eigenaardig verschijnsel: het aandeel, dat een steeds aangroeiend aantal burgers aan de politiek neemt, is niet geschikt om deze antithese te verzwakken, maar maakt haar gevoeliger, dieper en onvermijdelijker. Professor Buys kenschetste in 1869 deze bijzonderheid op duidelijke wijze: »Dat men”, zoo schrijft hij, »tot eene in zeker opzicht belangrijke en algemeene uitbreiding van kiesrecht komt, dat kan den tweestrijd slechts scherper en zwaarder maken, inplaats van hem te verminderen; want het is noodig dat de Conservatieven het goed weten dat naarmate men dieper in het volk graaft, men naar dezelfde mate de oorspronkelijke, dat is te zeggen absolute, eenvoudige beginselen aan allen overgang vreemd, terrein ziet winnen en die onbepaalde kleur, die, op de oppervlakte verspreid, voor de conservatieve oogen zulk een bekoring heeft, ziet verdwijnen.”
De schoolstrijd, dat wil zeggen, de strijd voor de opvoeding en vorming der jeugd heeft de godsdienstkwestie in de volksdroomen ingebracht, maar hij is slechts een van de vormen van het conflict, hetgeen professor Buys noemde een kenteeken van het conflict, dat de antithese ons doet gevoelen, haar uit de theoretische denkkring voert, maar met hare oplossing het einde van den strijd der beginselen niet medebrengt. Zelfs wanneer men de schoolkwestie onderstelt opgelost te zijn, dan is daarmede de antithese niet verdwenen, ze slaat dan over op een ander terrein en de strijd wordt met nieuwe scherpte hervat, totdat een van de beide begrippen van het leven de volkomen overwinning behaald heeft.
Tot dien tijd zijn alle maatregelen en elke bekwaamheid ijdel; zij kunnen tijdelijk een uitweg aanbrengen, de logische ontplooiing der beginselen voor een oogenblik beletten, maar als de kunstmatige hindernis uit den weg geruimd is, dan ontbrandt de strijd des te heviger. Volstrekt denkbeeldigis de scheiding van kerk en staat, die naar het zeggen van sommigen het vraagstuk op gelukkige wijze zou oplossen, door aan de tegenstanders een grens aan te geven, dewelke verboden was over te gaan, en door hen onderwijl tot de erkenning te brengen, dat de politiek neutraal terrein is. Buys tenminste aarzelt niet om het te erkennen: »De wet”, zegt hij, »mag kerk en staat van elkander scheiden, die beide blijven nauwer dan ooit vereenigd in de ziel van het volk.”
Deze verschillende gegevens hebben in Nederland van de godsdienstkwestie de leidende gedachte gemaakt van de verbonden en in zeker opzicht de scheidingslijn van de politieke wateren. Zij is het, die het aanzien heeft gegeven aan de beide groote stroomingen, die sedert ongeveer dertig jaren links en rechts de handeling der partijen met zich medebrengt. Door haar werden de Roomschen en geloovige Protestanten, de Antirevolutionairen of ultra-calvinisten, zooals men hen noemt, tot de noodzakelijkheid gedwongen, om hunne krachten te vereenigen ten einde het aan alle Christenen gemeenschappelijk goed te verdedigen. Zij zagen, dat de strijd niet meer, zooals in de zeventiende eeuw, ging tusschen het Roomsche Katholicisme en het Protestantisme, maar dat hij gevoerd werd tusschen den godsdienst en de godloochening. Meegesleept door de omstandigheden om op hetzelfde terrein en voor dezelfde beginselen te strijden, ontdekten zij, dat onder de verscheidenheid van neigingen en programmen zich een algemeene grondslag bevond, het erfgoed van den Christus, de voorschriften van het Evangelie en van de Christelijke moraal. Dit is hetgeen Dr. Schaepman aan de eene zijde en Dr. Kuyper aan de andere zijde, twee mannen, die grooten invloed hebben uitgeoefend van groot belang op de toekomst van hunne partij, steeds zonder ophouden hebben geleerd. Door hun volhardende onvermoeibare actie gelukte het hun, hunne medeburgers van het gevoel der noodzakelijkheid te doordringen om de vroegere vijandschap weg te doen en in een gemeenschappelijke overeenkomst de stammen van eenzelfden wortel, de takken, uit eenzelfden stam voortkomende, te omvatten.Zij hadden veel te doen om de vooroordeelen weg te nemen, de stille vijandschap dateerende uit den voorvaderlijken tijd, het wantrouwen bij den een, de onbuigzame stijfheid bij den ander, een geheel van overleveringen en vooroordeelen, die in de praktijk het gelukken van de gedachte eenheid verhinderden. Maar toen de overeenstemming over de wezenlijke beginselen eenmaal maar was vastgesteld, was de eenheid beklonken in een meer of minder nabijzijnde toekomst. Het was nu meer een kwestie van tijd en van gelegenheid.
Zeker, waar het verbond zoo was gesticht, daar had dit het verschil van programmen niet doen verdwijnen noch de partijen van hun bijzonder karakter beroofd. Zij, die zich er over verwonderen, en die er reden aan ontleenen om het punt van uitgang van de overeenkomst voor valsch te verklaren, vergeten dat, waar zij dezelfde beginselen bezitten, dit in geenen deele verhindert dat er verschil kan bestaan over de manier van toepassing. Nog sterker: het is onmogelijk, dat in het werk van iederen dag er zonder ophouden onder hen, die de fouten van de maatschappelijke organisatie erkennen, gelijkheid van gevoelens zou wezen over de middelen ter genezing.
Bovendien moet men niet uit het oog verliezen, dat de Hervorming een einde gemaakt heeft aan de zedelijke eenheid van Nederland en dat zelfs in de politiek dit feit gewichtige gevolgen heeft. Daarom is er nooit sprake van geweest, om één Christelijke partij op te richten, die waarschijnlijk onmogelijk en zeker ongelukkig zou zijn, maar eenvoudig een verbond van verscheidene partijen te vormen, die zichzelf blijven, hun eigen karakter en organisatie bewaren en zich vereenigen voor een bepaald doel, dat kan worden samengevat in deze woorden: de herstelling van de wetgeving des lands op christelijken grondslag en van ons volksleven.
Een verbond van dat soort heeft niets wanstaltigs, want het rust op de gemeenschap van grondbeginselen, en het beantwoordt aan den regel der politieke groepeeringen, zooals de heer Van Houten zelf het in 1893 uitsprak.Men moet niet uit het oog verliezen, dat er geen reden van afscheiding is dan daar, waar het doel verschilt.
Onder de hedendaagsche omstandigheden is er geen ander dan een vereeniging uit beginsel. Sommigen spreken wel sedert eenigen tijd van partijverwarring, gevolgd door een nieuwe, gezonde, redelijke rangschikking, die tot grondslag en voor resultaat zou hebben de Conservatieven aan de rechterzijde en de vooruitstrevenden aan de linkerzijde van de regeeringstafel in de Tweede Kamer te plaatsen.
Op welke grondbeginselen zou deze nieuwe rangschikking gegrond zijn? Men kan ze niet ontdekken, want het eenige gestelde vraagstuk zou ten slotte slechts zijn een kwestie van gelegenheid, van neiging, of van geaardheid, vereenigende voor een meer of minder langen tijd menschen, komende van alle punten van den horizon.
Toch is dat de eenige oplossing, waar men toe komt, indien men vooropstelt dat de godsdienstkwestie in theorie en in de praktijk vreemd is aan de politiek en dat deze bij wijze van consequentie niet meer is dan een handigheid of een uitweg. Maar wie zou dit nog durven beweren in den hedendaagschen tijd?
Daartegenover, indien men voor waar houdt, dat de politiek is een wetenschap en een kunst, die zich gronden op beginselen, en dat schijnt onwedersprekelijk, waar is meer dwaasheid, meer onredelijkheid bij eene vereeniging, die tegelijk conservatieven en vooruitstrevenden van eene zelfde overtuiging omvat, of bij eene vermenging van menschen alleen conservatief of uitsluitend vooruitstrevend, partijen van verschillende beginselen die tegenovergestelde oogmerken op het oog hebben?
Men vergeet te zeer de groote wet van de historie. De instellingen zijn niet duurzaam, tenzij zij in het verleden geworteld zijn. Evenzoo vorderen de natuur en de menschelijke maatschappij niet met sprongen, met slagen, maar door regelmatige ontwikkeling; dat is te zeggen, dat zij op verstandige wijze vooruitgaan.
Indien de geavanceerden van alle partijen er toe geraken om de moeilijkheid van zich op een gemeenschappelijkprogram te verstaan, te overwinnen en dank zij de samenwerking, zij de macht in handen kregen, zou er dan geen reden zijn om te vreezen, dat de al te haastige hervormingen, te weinig gematigd, aangebracht worden op te onnatuurlijke wijze en met te grooten haast? Welnu slechts welingerichte hervormingen zijn duurzaam en slechts duurzame hervormingen zijn gunstig voor de algemeene welvaart.
Daar, waar het conservatieve element fout gaat, ontbreekt een regelaar, noodzakelijk voor den goeden gang der maatschappij. Ziedaar de rol, die het wel-begrepen conservatisme heeft te spelen tegenover jongere beginselen, welke hun loop willen verhaasten met de onstuimigheid aan jeugdige overtuigingen eigen, en met een vervoering van jeugdig vuur.
Indien het conservatisme deze rol vervult, zal het gelukken, dat de vernieuwing zich beter zal aanpassen aan het voorafgaande, dat zij er de regelmatige ontwikkeling van zal zijn.
Het is dus wenschelijk dat er tegelijkertijd conservatieven en vooruitstrevenden in dezelfde groep zijn. Want hunne pogingen zijn gewoonlijk noodzakelijk voor de toepassing der beginselen aan de wezenlijk levende en samengestelde feiten van het leven.
Maar, opdat het zoo zij, moeten de conservatieven zich niet opsluiten in blinde en onverzettelijke verachting en moet de teugel, dien zij gewoonlijk bij een al te snellen gang gebruiken, niet zonder ophouden belemmerend werken om zoo elke beweging te verhinderen.
Dan, wanneer de conservatieve fractie van eene partij of een verbond feitelijk de algemeene actie tot volledige onmacht terugleidt, dan alleen zou het verstandig kunnen zijn het terrein der beginselen te verlaten om een ander minder-sterke positie, steeds van lageren rang, aangewezen door de omstandigheden, op te zoeken, omdat op het program, dat men met de hulp van meer of minder geschikte bouwstoffen zou kunnen opstellen, altijd de ziel er aan zou ontbreken, die de eenheid en het leven aan er geeft.
***
Overigens, door nog van hoogere zijde de zaken te bezien, bemerkt men, dat het verbond der geloovigen, inplaats van onredelijk te zijn, aan een zeer gezonde opvatting van de plaats, die de staat in de moderne maatschappij heeft in te nemen, beantwoordt.
Indien het waar is dat God bestaat, heeft de staat niet het recht zich te gedragen alsof Hij niet bestond; hij kan dan officieel het atheïsme niet belijden. Indien hij bij geval deze houding aannam, zou hij zichzelven veroordeelen tot de anarchie, die elke maatschappij afbreekt.
Waarlijk, de voor de sociale orde noodzakelijke macht, die wezenlijk eenig recht bezit,n.l. het recht van bevelen, vindt haar eenigen waren grond in God.
Deze macht is niet onwettig: zij bestaat in evenredigheid met het doel van den staat; zij is gegeven voor het algemeen welzijn. Daaruit volgt dat de staat niet zou mogen opleggen wat volstrekt kwaad is; want hij zou het zedelijk kwaad niet kunnen aanwenden tot het welzijn van allen.
De staat moet derhalve onderscheid maken tusschen goed en kwaad. Daarvoor is een criterium noodig, een leer, een moraal. Waar zal men ze vinden? Tenminste indien hij niet in de lucht wil bouwen, zal hij ze zoeken in den godsdienst. Er is geen ware moraal zonder godsdienst, men kan nog verder gaan en zeggen: zonder Christelijken godsdienst, want die is de meest-vaste en zuiverste moraal, de beste wijsbegeerte, de eenvoudigste en tevens diepst-gaande wetenschap.
De staat mag zich niet ontslagen denken van den godsdienst, God mag niet vreemd blijven aan de staatkunde, omdat de staat voor de menschen is ingesteld en de politiek, die de kunst is om de maatschappij te regeeren, voor hen van het hoogste belang is.
Moet men daaruit besluiten, dat de staat officieel een godsdienst moet belijden en dat de godsdienst, dien hij belijdt, de eenige ware is? Moet hij dezen beschermen en er een soort van wereldlijken arm van worden?
Een ernstige en moeilijke kwestie voorwaar, waarbij men tegelijk moet vermijden om naar het verleden deverhoudingen van den tegenwoordigen tijd in te richten, en in den tegenwoordigen tijd weder de zaken van den verleden tijd in te brengen.
Een feit moet vooral niet uit het oog verloren worden, dat in zekere landen de Hervorming, in andere de Fransche Revolutie, de eenheid van godsdienst en moraal verbroken heeft. Een diepgaand verschil is er ingekomen en men is niet meer eenstemmig in de beantwoording van de vraag, wat dan waarheid is; en het verschil van geloof brengt mee een noodzakelijke groote verdraagzaamheid, het eenige middel om onder de burgers orde en vrede te bewaren, die onmisbaar zijn voor het algemeen welzijn.
Uit deze voorname zaak volgt, dat in het meerendeel der hedendaagsche volken de staat geen partij mag trekken vóór of tegen een bijzonderen godsdienst, diens zaak aan zijn eigen zaak niet officieel mag verbinden, maar zich moet beperken tot de taak, dat de vrijheid van alle deze verzekerd wordt.
Dat wil niet zeggen, dat de staat verplicht is tot onzijdigheid. Wanneer hij deze valsche houding aanneemt, dewelke slechts een bedekte loochening is, bedriegt hij zichzelven. Want indien hij al niet onder de verschillende godsdiensten bepalen mag, wat de eenige ware is, moet hij toch den godsdienst, het godsdienstig gevoelen, beschermen, zoo hij niet zijn eigen verderf wil najagen.
Evenzeer als de wetgever, om zijn wetboek op te stellen, zijne keuze moet doen uit tegenover elkander staande denkwijzen en degenen straft, die de instellingen, welke hij heeft bekrachtigd, trachten te ondermijnen, evenzeer heeft de staat zich ten gunste van de godsdiensten uit te spreken, indien hij zich niet wil leenen tot het bevorderen van zijn eigen val.
Het staatsatheïsme en practisch materialisme, dat eruit tevoorschijn komt, zijn de verdervers van de orde in de maatschappij. Zij vermogen geen moraal of orde te scheppen. Door de loochening van God en van plicht, verdienste en onsterflijkheid, die er uit voortkomen, sturen zij recht op de anarchie aan.
Waar is het, dat weinig materialisten tot aan het einde toe hun stelsel durven doortrekken. Er zijn zekere grenzen, die ze in de praktijk vreezen over te trekken, en bijna allen stemmen nog in meerdere of mindere mate in een wetgeving, en in een maatschappelijke organisatie voor de maatschappij waarin zij leven, terwijl hun stelsel hen logisch tot de opheffing daarvan zou brengen. Maar deze grenzen gaan iederen dag meer en meer terug door den onwederstaanbaren druk van de beginselen. De grondbegrippen van de maatschappij zijn reeds langzamerhand ondermijnd door dien allengs sterker wordenden golf van Godloochening. Eertijds zeide men, dat de godsdienst, het eigendomsrecht en het gezin den grondslag vormden van de maatschappij. De materialistische strooming heeft bijna overal den eerste weggevoerd en daardoor zullen de beide anderen van hun steun beroofd, op hun beurt wegzinken.
Daarom hebben zich de geloovigen uit verschillende partijen, Roomschen en Protestanten, vereenigd rondom de Christelijke moraal, die haar middelpunt in den persoon van Christus heeft en hare ontplooiing in zijn onderwijs. Zij zijn van oordeel, dat deze leer, ondanks alle bestrijding nog in wezen altijd even krachtig en jong, temidden van deruïnen, die zich ophoopen zoover het oog reikt, de eenige krachtige schutsmuur is tegen het steeds sterker wordende atheisme; de eenige grondslag, die de vastheid der maatschappij kan verzekeren en groote rampen kan voorkomen.