TWEEDE HOOFDSTUK.

De Protestantsche Partijen.

Nederland is het klassieke land van theologischen strijd. De geschiedenis heeft de herinnering bewaard van die botsingen, die in de 16e en 17e eeuw het land in verwarring gebracht en zooveel bloed gekost hebben.

Op 't oogenblik zijn er de godsdienstige conflicten nog niet uit verdwenen, ze zijn alleen niet bloedig, en zij vertoonen zich nog onder de protestantsche partijen met een noodlottige levenstaaiheid, die langer blijkt te duren dan de tijd, waarin Arminianen en Gomaristen elkaar betwistten de macht in den Staat en tegelijkertijd het hoogst gezag in het godsdienstige.

Van zijn oorsprong af oefende het Calvinisme in Nederland invloed op het openbare leven. Meer dan het Evangelisch Christendom van Luther in Duitschland, ontwikkelde het zich naar buiten door de beschermende en op alles beslag leggende macht van den Staat, terwijl het al meer de hulp van de wereldlijke overheid in dienst nam, om de scheuringen te beheerschen en onder de nationale Kerk een meer of minder gemaakte eenheid te handhaven.

Ook toen de nauwe banden van slaafsche onderwerping tusschen Kerk en Staat waren losgemaakt, en een parlementaire constitutie het land ging regeeren, vond het in zijn vroegere belangrijke levensmomenten, in zijn geschiedenis en in zijn beginselen, genoegzame innerlijkekracht om te streven naar werkzaamheid op parlementair gebied.

Alleenlijk, dit was niet het werk of de houding van de oude nationale Kerk, de Nederlandsche Hervormde Kerk in haar geheel. De ontwrichting van de elementen, die haar samenstelden en die naar de gemeenzame uitdrukking van een harer predikanten, »met elkander verbonden waren als droog zand”, was een belemmering, om zich als zoodanig om te zetten in een partij. Slechts een kleine groep, zich losmakende van de massa conservatieve Protestanten, ondernam het om op de calvinistische beginselen een politieke actie te stichten.

't Was de antirevolutionaire groep, die zich schaarde rondom Mr. Groen van Prinsterer, en die langzamerhand grooter werd, toen de strijd ontbrandde voor de volledige vrijheid van het Christelijk onderwijs.

Maar bij den dood van Groen van Prinsterer, toen Dr. Kuyper de troepen wilde leiden, organiseeren en aan tucht gewennen, die door den moedigen voorlooper van de antirevolutionaire idee bij elkander waren gebracht, begonnen er verdeeldheden aan den dag te treden, gevolg van de botsing van het theologisch onderwijs en van den strijd der politieke neigingen. Er is maar één schrede tusschen verschil in systeem en scheuring, vooral wanneer de leider een man van gezagshandhaving is, en hij met al zijn macht zich verzet tegen alles wat hij beschouwt als een bederf in de leer.

Op deze wijze vormden zich langzamerhand naast de antirevolutionaire partij, de Christelijk-Historische en de Vrij-antirevolutionaire partijen, gedeelten, op meer of minder gewelddadige wijze in moeilijke tijden van beslissing van het oorspronkelijk bloc afgegaan.

Intusschen het is een natuurwet, die geldt voor partijen zoowel als voor den enkelen persoon; wanneer zij zwak zijn, zoeken zij als vanzelf versterking van hun kracht, toenadering tot elkander, om den invloed te verkrijgen die hun ontbreekt. Er is wederkeerige aantrekking, die zich onvermijdelijk doet gelden, en die, dank zij de inschikkelijkheid door de openbare meening betoond,dikwijls uitloopt op onderlinge verstandhouding of ineensmelting. 't Is alzoo gegaan met de twee in verschil zijnde fracties; waarbij zich de Friesch-Christelijk-Historischen hebben gevoegd, die meer en meer de scherpte van hun geschillen in theorieën en tactiek verzacht hebben, om zich te vereenigen in ééne organisatie: de Christelijk Historische Unie. Het wonderlijkste van deze ontwikkeling is dat zij de vermindering, zoo niet de verzaking, meebracht van den traditioneelen haat van een groot getal Protestanten tegen het Roomsch Katholicisme, en dat zij in de christelijke politiek van de rechterzijde elementen vereenigt, die eertijds elkander vijandig waren.

Toch voor de meerdere duidelijkheid zullen wij vasthouden de verdeeling, die heden niet volstrekt juist meer is, van drie onderscheiden partijen, en wij zullen trachten aan te toonen in welke richting, vervolgens onder welke omstandigheden, en langs welk proces de ontwikkeling van deze laatste tijden plaatsgegrepen heeft.

Op het eerste gezicht schijnt de naam, door deze partij aangenomen, zonderling. Om er geheel de beteekenis van te weten, moet men zich houden aan de verklaringen die haar leider, Dr. Kuyper, daarvan gegeven heeft, voornamelijk in het korte overzicht, dat hij in 1898 schreef, in het encyclopedisch werk, dat de vreemdelingen, die in Nederland kwamen bij gelegenheid van de kroning van koningin Wilhelmina, Nederland moest doen kennen: »Het doel van de Anti-revolutionaire partij is, aan deideeëndie ons hebben geleid in de dagen van onze nationale grootheid, den invloed te verzekeren waarop zij recht hebben.”Dit feit volgt uit het eerste artikel van haar program van beginselen, dat saamgevat aldus luidt: »De Anti-revolutionaire of Christelijk-historische richting vertegenwoordigt voor zooveel ons land aangaat, den grondtoon van ons volkskarakter, zooals dat, door Oranje geleid, onder invloed der Hervorming omstreeks 1572 zijn stempel ontving.”

Maar om dezen ouden nationalen en godsdienstigen geest te doen herleven, is het noodig, te niete te doen wat zich voor haar in de plaats heeft gesteld: het stelsel van de Revolutie van 1789. Ook vervolgt Dr. Kuyper: »Innerlijk vertoont zich de Anti-revolutionaire partij als een politieke partij, die zich aansluit aan de calvinistische beweging van 1572. Uitwendig vertoont zij zich aan ons als de tegenstandster van het grondbeginsel van de Fransche Revolutie; en dat is de eenige reden waarom zij zich antirevolutionair noemt.” Met andere woorden: in den naam liggen twee gezichtspunten op hetzelfde doel: het eene meer positief, dat een terugkeer is naar de aloude nationale traditie's; het andere negatief, dat bestaat in het bestrijden van den geest der Revolutie.

Men moet hieruit niet besluiten dat de partij vijandig staat tegenover alle revolutie; dat zou een verkeerde conclusie doen maken. In den grond der zaak is het tegendeel veeleer waar. Want juist de gebeurtenis, waarop zij zich beroept, is een revolutionaire daad in de scherpste beteekenis van het woord: de vestiging van het Calvinisme in Nederland en de opstand van Nederland tegen de Spaansche overheersching. Overigens, historisch gesproken is het Protestantisme wezenlijk revolutionair in dezen zin, dat in alle landen, waar het zich geplant heeft, het heeft medegebracht een vaak hevige breuke met den bestaanden toestand en het een revolutie veroorzaakt heeft.

Zoo kan men dan zeggen, dat eigenlijk de partij, die »antirevolutionair” genoemd wordt, dit niet geheel is, tenminste niet in den volstrekten zin van het woord. Zij is alleen de onverzoenlijke tegenstandster van de beginselen der Fransche Revolutie en bestrijdt met haar uiterste kracht de formule van den neutralen of god-loozen staat: noch God, noch meester, die haar toeschijnt daarvan een gevolg te zijn.

Toch ontkent zij niet dat de Fransche Revolutie vele goede, wenschelijke hervormingen teweeggebracht heeft; integendeel zij erkent dat, en aanvaardt ze, maar doet ze niet voortkomen uit de beginselen die deze beweging geleid hebben, maar uit God en de eeuwige beginselen vanhet goddelijk woord, geopenbaard in de Heilige Schrift. Want de beteekenis van het Evangelie voor het maatschappelijk leven is de godsdienstige grondslag van het staatkundig stelsel, dat door de Antirevolutionairen is opgebouwd. Artikel 3 van hun program van beginselen verklaart het letterlijk: »Op staatkundig terrein belijdt de partij de eeuwige beginselen van het Woord Gods, zóó evenwel dat het staatsgezag noch rechtstreeks nòch door de uitspraak van eenige kerk, maar alleen in de conscientie der overheidspersonen aan de ordinantie Gods is gebonden.”

En dat is niet een van de minst-belangrijke karaktertrekken van deze partij, dat zij voor haar oogen ziende de resultaten van een misleidende wetenschap en de droevige werking van een publiek recht dat met God niet rekent, terugkeerde naar de beginselen die het Christendom in de wereld ingebracht heeft, om daarop te gronden een herstelling van het maatschappelijk leven.

Om juist te zijn, moet eraan toegevoegd worden, dat de Antirevolutionairen zich tegelijkertijd stellen tegen den geest van het Roomsch Katholicisme. En dit is te begrijpen: in 1572 was dit de vijand, evenzeer als de Spanjaarden die het in de oogen van de Geuzen vertegenwoordigen, en het blijft het in zooverre het in 't algemeen noch het vrije onderzoek, noch de volkomenvrijheidvan conscientie toestaat. Echter neemt die tegenstand bij hen niet den vorm aan van den wilden haat, dien de gevoelens van een groot getal Protestanten jegens de Roomsche kerk nog openbaren. Voor hen blijft de tegenstelling van belijdenis liever theoretisch, en zij gevoelen zich eens met de Katholieken in de erkenning van de noodzakelijkheid om een hervorming van het staatkundig en maatschappelijk leven te ontwerpen in christelijken geest.

Indien het nagestreefde doel de terugkeer is tot den ouden geest van 1572, zou men er soms logisch uit kunnen afleiden: dat de Antirevolutionairen moeten wenschen dat het Calvinisme als staatsgodsdienst hersteld worde. Dit is echter een dwaling, verzekert Dr. Kuyper: »De antirevolutionaire partij wil geenszins aan de GereformeerdeKerken haar officieel karakter hergeven.” Want »in de Fransche Revolutie, die een einde gemaakt heeft aan een in veel opzichten verouderden toestand, moet men het rechtvaardig oordeel Gods zien over zooveel schandelijk machtsmisbruik.”

Nog meer, de partij is geen verdedigster van een bizondere kerk of van een godsdienstige belijdenis; zij streeft eenvoudig een calvinistische staatkunde na; en, alzoo verzekert ons Dr. Kuyper nog, het Calvinisme is geen kerkelijke beweging: »Het woord Calvinisme,” schrijft hij, »is alleen een term van historische beteekenis, dienende om een algemeene geestesrichting aan te duiden, die in de zestiende eeuw, zoowel in Genève als in Frankrijk, en zoowel in Nederland als in Engeland, zich baan gebroken heeft op alle levensterreinen, en met name in het politieke leven. De Antirevolutionaire partij heeft zich ook nooit aangesloten aan eenige kerk, welke dan ook, maar zij heeft onder haar vaandel verzameld allen, die de gedachte van een calvinistische staatkunde voorstonden, hetzij zij leden waren van de Kerk die genoemd wordt de Hervormde Kerk, of leden van de Gereformeerde, de Luthersche of de Doopsgezinde Kerken.”

Intusschen worden de Antirevolutionairen feitelijk hoofdzakelijk gevonden onder hen die men noemt: »de Gereformeerden of ook de ultra-calvinisten”, degelijke en vurige Protestanten, die Dr. Kuyper om zich verzameld heeft voor een godsdienstige hervorming ter zelfder tijd als voor staatkundige actie.

Medegesleept door het genie van hun leider, zijn zij het vooral, die de lange en sterke menigten vormen, welke hem ondersteunen in zijn arbeid, die ten doel heeft de herstelling van het volk en de bestrijding van den geest der Revolutie.

***

De revolutionaire leerstellingen hadden ingang gekregen door de Fransche overheersching in Nederland, die tot stand gebracht was door de legers van de Republiek; en de regeering van Lodewijk Bonaparte, broeder van den keizer, was er de triomf van geweest. Maar toen zij viel,kwam er een historische opwaking. Sinds 1813 had de dichter Bilderdijk met heftigheid deze beginselen aangevallen, die in zijn oogen waren een droombeeld, dat uit den latijnschen geest voortvloeide, en had hij toegejuicht een opstand van Europa tegen Napoleon. Maar hij was alleen blijven staan.

Een andere dichter, Da Costa, hervatte den krijgszang en leidde het begin in van een openbaar verzet, van een »contra-revolutie.” Nog eenige jaren verliepen vóór zij van de litteratuur overging op de politiek; het optreden van Groen van Prinsterer was het begin van de antirevolutionaire beweging en gaf haar het eigenaardig karakter, dat zij sinds aldoor heeft gedragen.

Weinig talrijk in het begin, en geen overeenstemming van inzicht hebbende, ontbrak den Antirevolutionairen samenbinding. De strijd voor de school, die aan de Roomschen eenheid en bezieling gegeven had, verschafte ook hun aanhangers en eenheid. Reeds jaren vroeger dan de Roomschen eischten zij de algeheele vrijheid van onderwijs, met een volharding, die zich door niets ontmoedigen liet. Terwijl de strijd aan den gang was, werd hun groep grooter door de overblijfselen van de conservatieve protestantsche partij, welke zich door de beschouwingen en methoden van een anderen tijd ongeschikt maakte voor het moderne staatkundige leven. En bij den dood van Groen van Prinsterer bevond zich Dr. Kuyper, die den betreurden leider opvolgde, aan het hoofd van een menigte talrijk genoeg, dat het alleen de zaak was haar achter een positief program onder tucht en orde te doen optrekken.

Op zichzelfis niets leerzamer, is niets bemoedigender, dan deze vooruitgang (waarbij men meer nog door de kracht der beginselen en het ideaal ondersteund werd, dan door den samenloop der omstandigheden en het ontzag der leiders,) van een politieke partij, die uit allerlei deelen is samengesteld, en die na vijftig jaren krachtsinspanning zoover gekomen is, dat zij tot herhaalde malen toe het lot van het land zich in handen gelegd zag.

Het moet ook gezegd worden, dat deonvermoeidewerkzaamheid van Dr. Kuyper van niet geringe beteekenisgeweest is, om dit resultaat te bereiken. Weinig menschen hebben op degenen die hen omringden, grooteren invloed, een zoo volkomen overwicht gehad, en een macht die meer instaat was om ze ter overwinning te leiden.

Van eenvoudig predikant te Beesd in Gelderland heeft Dr. Kuyper door zijn verstand en werkzaamheid het gebracht tot den eersten rang van de staatslieden van het hedendaagsche Nederland. Zooals het Dr. Schaepman was, en wellicht nog meer dan deze, is hij vóór alles volksleider. Een man met een ruime gedachtenwereld, met breede en nieuwe gezichtskringen, van snellen oogopslag, met een tegelijk vaste en zachte hand, en daarbij een ijzeren wil door niets te buigen, onvermoeid, en gesterkt door het geestdriftig geloof in het van verre zichtbare ideaal. Zoodanig was hij in 1872 op het oogenblik, toen hij op vijf-en-dertig-jarigen leeftijd het redacteurschap van het dagblad de Standaard op zich nam, en zoo blijft hij, na een levensloop doorgemaakt te hebben, die verbazen moet.

Gelijk alle geesten van den eersten rang, heeft hij zijn vurige bewonderaars gehad en tevens zijn heftige bestrijders. Zijn tegenstanders noemen hem spottend: »den paus der Calvinisten«, en waarlijk: daargelaten in hoeverre zijn godsdienstig hervormingswerk in den boezem der volkskerk recht geeft hem alzoo te noemen, zijn voorkomen heeft iets ontzagwekkends, iets bisschoppelijks. Zijn Romeinsch gelaat, een weinig dik door de jaren, treft bij den eersten oogopslag door de scherpheid van trekken, den gekromden neus, het breede voorhoofd, en het vuur dat schittert in het levendig en doordringend oog. Zooals Dr. Schaepman de redenaarslip had, zoo heeft Dr. Kuyper de heerscherslip; en dit is een der merkwaardigste zijden van dit forsche en aantrekkende gelaat van dezen protestantschen leeraar, altijd in strijd, voortreffelijk en geducht schrijver, meeslepend en gewild redenaar, met bekwaamheid en diepen blik in het staatkundige, dat deze zucht naar gezag, velen zeggen deze geest van heerschzucht en dwingelandij, niet weinig bijgedragen heeft tot den warenhaat, die velen hem hebben toegedragen en toedragen. Want dat is juist het moeilijke, wanneer het betreft een talent dat aan het genie grenst, om te beoordeelen waar het natuurlijk overwicht eindigt en de overheersching begint.

In alle geval, deze man, die in zich alleen een partij en een staatkunde vertegenwoordigt, heeft blijk gegeven van een ongelooflijke werkzaamheid en heeft een buitengewone taak vervuld. Hernieuwer van de Nederlandsche Kerk, heeft hij talrijke werken van protestantsche theologie geschreven, en om zich heen een nieuwe kerk verzameld. Op staatkundig terrein heeft hij zijn partij geheel er boven op gebracht, haar een bewonderenswaardige organisatie en een volledig program gegeven. Hij stichtte een gymnasium en bekroonde zijn arbeid op schoolgebied door een Vrije Universiteit, waarvan hij de eerste rector was.

Wat wel te verwonderen is: de partijleider hield voor zichzelf niet van het parlementaire milieu. Hij zelf bleef liever buiten deze atmospheer, hoewel die toch in Nederland zuiverder en minder afmattend is dan in zekere andere landen; hij oordeelde het niet gunstig voor zijn plannen. »'t Is alleen voor het onderwijs dat wij iets zouden kunnen doen«, zeide hij in 1893 tot den heer Charles Benoist. Nauwelijks gekozen tot afgevaardigde van Gouda, in 1874, legde hij het volgend jaar door ziekte genoodzaakt zijn mandaat neer, om een jaar later zijn krachten te wijden aan het onderwijs in al zijn geledingen. Niettemin, schoon er buiten zijnde, gaf hij leiding aan de groep Antirevolutionaire Kamerleden, die in den parlementairen kring werkzaam waren. Niet eerder dan in 1893 besloot hij weer de Kamer binnen te treden; het was toen de tijd,dat de door den heer Tak van Poortvliet voorgestelde kiesrechthervorming er een waren storm deed opsteken. Hij bleef er als vertegenwoordiger van Sliedrecht tot in 1901, het jaar, dat hij geroepen werd, een ministerie te vormen.

En toen in 1905 tengevolge van de verkiezingen zijn ministerie viel, trok hij zich eenigen tijd terug in den buitensten omtrek van het staatkundig leven, maar weldra hernam hij zijn plaats aan het hoofd van de Antirevolutionairepartij, die hij voortgaat met vaste hand te besturen.

***

Wat bij den eersten aanblik in deze partij treft, is, behalve het godsdienstig voorkomen dat zij heeft, de eenheid en de tucht die onder hare leden heerschen. Men zou zeggen: het is een blok, hecht en sterk gebouwd, zonder scheur en zonder gebrek. Door het van naderbij te bezien, bemerkt men dat deze eenstemmigheid in leiding en actie veroorzaakt wordt door het bestaan van een »program van beginselen«, en wanneer de algemeene verkiezingen in 't zicht komen door programs van actie of van urgentie, en eindelijk door een uitnemende inwendige organisatie.

Het program van beginselen is in zijn geheel het werk van Dr. Kuyper, die het aanvaard zag door het Centraal Comité van de partij, en die het verklaarde in een serie artikelen, in 1879 in zijn dagblad de Standaard, verschenen. Het dagteekent van den 1sten Januari 1878 en vormt het eerste document van die soort in Nederland.

Na te hebben verklaard dat de Antirevolutionaire partij »den grondtoon van ons volkskarakter vertegenwoordigt, gelijk dat door Oranje geleid, onder invloed der hervorming, omstreeks 1572 zijn stempel ontving«,en dat zij dit»overeenkomstig den gewijzigden volkstoestand in een vorm die aan de behoefte van onzen tijd voldoet, wenscht te ontwikkelen«, spreekt het program plechtig uit, dat de »macht« niet opkomt uit den volkswil, noch uit de wet, maar dat zij eenig en alleen de bron van het souvereine gezag in God vindt. Zij verwerpt mitsdien met alle kracht het valsche beginsel van de volkssouvereiniteit, dat volgens haar de grondfout van de Fransche Revolutie is. Dit wil intusschen niet zeggen dat de Anti-revolutionairen tegenstanders zouden zijn van de benoeming van regeerders door het volk. Integendeel, zij stemmen toe dat God de souvereiniteit onder het volk kan doen besloten liggen, alleen met dit voorbehoud, dat verstaan worde, dat hetvolk de souvereiniteit niet bezit van zichzelf, maar alleen als die ontvangen hebbende van God. Met andere woorden, zij kennen aan het volk de uitoefening van het recht toe, niet het recht zelve. Wat de overheid betreft, zij regeert niet anders dan bij de gratie Gods, en het goddelijk Woord is de bron van de gehoorzaamheid, die de onderdanen haar moeten betoonen. Als dienaresse Gods in een Christelijke natie is de overheid diensvolgens gehouden tot verheerlijking van Gods naam, en tot eerbiediging van dezen naam, in al haar handelingen.

Diensvolgens behoort zij:

a.Uit bestuur en wetgeving alles te verwijderen, wat den vrijen invloed van het Evangelie op het volksleven belemmert;

b.Zichzelve, als daartoe in volstrekten zin onbevoegd, te onthouden van alle rechtstreeksche bemoeiing met de geestelijke ontwikkeling der natie;

c.Alle kerkgenootschappen, of godsdienstige vereenigingen, en voorts alle burgers, onverschillig welke hun denkwijze aangaande de eeuwige dingen is, te behandelen op voet van gelijkheid;

d.in de conscientie voorzoover die het vermoeden van achtbaarheid niet mist, een grens te erkennen van haar macht.

Want hier heeft de macht van den Staat haar grenzen en moet hij bedenken dat hij niet alles is, en niet alles kan.

Naast hem bestaan er andere kringen, die haar eigen rechten hebben en waarin een onafhankelijk gezag heerscht, dat is: de Christus in de Kerk, de vader in het huisgezin, en Dr. Kuyper voegt er aan toe, wel wat onvoorzien, ofschoon in den grond juist, de kapitein op zijn schip, de kunstenaar in den tempel der kunst, en de man der wetenschap in het rijk der letteren. De Staat kan dit onderscheiden gezag, dat niet uit het hare afgeleid is, niet tenietdoen, nòch met deze kringen zich vereenzelvigen.

Overigens, de Grondwet van 1848 behelst de regeling van rechten en plichten van den Nederlandschen Staat,en de Antirevolutionairen aanvaarden deze als uitgangspuntvan hun hervorming der instellingen in Christelijk-historische richting.

In de zaak van het onderwijs houden zij zeer hoog het devies: »het onderwijs zaak der ouders«, gelijk Groen van Prinsterer hun dit heeft nagelaten.

Zij verwerpen het beginsel van de openbare school, en kennen alleen in zooverre aan den Staat het recht toe als onderwijzer op te treden, als het particulier initiatief onvoldoende is; en zij willen dat de vrije ontwikkeling van het volk zich verwezenlijke langs den natuurlijken loop van leven, en dat die niet op werktuigelijke wijze van boven af op het volk gelegd worde.

Daarom eischen zij dezelfde rechten voor alle scholen, welk haar paedagogisch of belijdend karakter ook zij, en meenen zij dat het Hooger onderwijs zelfs het werk moet zijn van het vrije initiatief.

Aan deze theorie van de school, gegrond op de vrijheid van onderwijs, is verwant die, welke de Antirevolutionaire partij zeer voorzichtig en zeer mild staande houdt, aangaande de verhouding van den Staat tot de verschillende godsdiensten. In dezen gedachtengang beweegt zich de richting van haar wenschen voor de volle vrijheid der kerken,waarbij de begeerte wordt uitgesproken, dat alles ter zijde gelaten wordt, dat zweemt naar een inmenging van den Staat in de inwendige aangelegenheden van de kerken. Maar 't is niet de volstrekte scheiding, die zij zich voorstelt, niet het minachtend en stelselmatig »ik ken u niet«; zij meent dat een contractueel reglement voor beide partijen tegenover elkander de allerbeste waarborg levert, die mogelijk is voor de onafhankelijkheid van elk in het bizonder.

Ziedaar ons dan ver van de scheiding, zooals die in Frankrijk tot stand is gekomen, poging van den Staat om beslag te leggen op de kerken, welke Dr. Kuyper streng heeft veroordeeld.

Op het gebied van de rechtspraak wil het program dat door een onafhankelijke rechtspraak, volgens de wetten die op de eeuwige rechtsbeginselen rusten, beslissing uitga voor alle geschillen van partijen, zoowel van burger-rechtelijkenals van administratieven aard; dat voltrekking van straf aan den gevonnisde volge, niet slechts om de maatschappij te beschermen of den overtreder te verbeteren, maar allereerst tot herstel van de geschonden gerechtigheid: desnoods door de doodstraf, waartoe het recht in beginsel aan de overheid toekomt.

Wat de zaak van het kiesrecht aangaat, meent de partij dat geen kiesstelsel voor de wezenlijke natie kan in de plaats stellen een soort wettelijk en conventioneel land. Voorstaande de souvereiniteit van elk op zijn eigen terrein, vraagt de partij het kiesrecht voor alle hoofden van gezinnen, en voor alle hoofden van welken kring ook, op zoodanige wijze echter, dat dit recht niet individualistisch maar organisch geregeld zij.

En zoo gaat het program voort zich te ontplooien wijd en breed, als de rivieren van Nederland, die op hare wateren een gansche vloot van schepen dragen.

In 't voorbijgaan spreekt het van den vrijhandel, als in beginsel uitnemender, en de practische noodzakelijkheid van een protectionistisch stelsel; houdt zich lang op met in bizonderheden de maatregelen aan te geven, waardoor de openbare onzedelijkheid kan bestreden worden; spreekt zich uit ten gunste van de decentralisatie der provinciale en der gemeentelijke zelfregeering, »in zooverre zij geen schade doen aan het begrip van den Staat, en niet onverdedigd laten de onaantastbare rechten van den mensch«; vraagt voor de Koloniën dat de overheid ernstig de missie's bescherme, zonder dat zij daartoe zich heeft bezig te houden met de directe verbreiding van het Christendom; verzet zich tegen de exploitatie van de inlandsche bevolking en verklaart zich eindelijk nader over het maatschappelijk vraagstuk.

Wat dit punt aangaat tracht het te komen tot een algemeen-voldoende oplossing, door de eenheid van de verschillende klassen der maatschappij volgens den wil van het goddelijk woord. Om dit doel te bereiken, verwacht het van de tusschenkomst van den Staat zekere maatregelen, zooals het in 't leven roepen van Kamers van arbeid, de vaststelling van het maximum aantal werkuren,de bepaling van een rechtvaardig loon en van een billijk pensioen, zoowel voor den werkman als voor zijn weduwe en kinderen: maatregelen die voor den Staat niet zijn misbruik van macht, maar strenge plicht. Overigens, in dezen geleidelijken gedachtengang heeft Dr. Kuyper altijd verklaard, dat hij niets beters begeerde, daar de eene hand omlaag te mogen uitstrekken naar de proletariërs, en de andere hand omhoog naar de leden van de rijke of adellijke familiën, om alle klassen te vereenigen in een eenig leger voor den heiligen strijd. Maar allen hebben niet gedacht als hij, en hebben zijn sociale ideeën niet gedeeld. Hierdoor is de verdeeldheid verklaard, die in het vervolg onder de Antirevolutionairen geboren werd, en die tot het uitgaan van de Vrij-antirevolutionairen geleid heeft.

Zoodanig zijn, in 't kort de voornaamste punten van dit program van beginselen, een wezenlijke politieke geloofsbelijdenis, onder de bewerking van Dr. Kuyper ontstaan. Hij eindigt met de omschrijving van de tactiek, die voorts gevolgd zal worden, om tot inwilliging der eischen te komen, en die samengevat kan worden in twee woorden: dat op prijs gesteld wordt de handhaving van de volkomen zelfstandigheid van de partij, en tegelijk mogelijk geacht wordt vereeniging met andere groepen, op grond van een welomschreven plan van actie. 't Is op deze basis dat de verbintenis met de Roomschen tot stand kwam: de »Christelijke coalitie.«

Het is al dadelijk opmerkelijk, hoezeer de uitgebreidheid van het program en de afwezigheid van bekrompen of sectarischeideeëndie er in openbaar wordt, derwijze dat het bijna in zijn geheel door de Roomschen zou kunnen aangenomen zijn, een trouwe en vruchtbare medewerking vergemakkelijken moest; want het bepaalt er zich hoofdzakelijk toe, alles saamgenomen, boven alle discussie te stellen vaststaande zaken en beginselen, die in het belang van de gemeenschap geen schade mogen lijden.

***

Dit program van beginselen breidde zich nog uit en ontvingnog nauwkeuriger belijning naar gelang van de noodzakelijkheid, door den strijd der partijen en den drang der omstandigheden ontstaan. Aan den vooravond van de verkiezingen maakt de Antirevolutionaire partij een gedetailleerde lijst op van de onmiddellijk-dringende eischen, welker spoedige vervulling van aanbelang is.

Het eerste van deze programs van urgentie of van actie zag het licht in 1888.

Het vroeg de voorbereiding van een kieswet op den grondslag van verlaging van den census; Zondagsrust; arbeidsraden; wettelijke bescherming van de arbeiders; herziening van de handelsverdragen; verbetering van het kazerneleven en van de militairerechtspraak; schoolhervorming, en koloniale maatregelen. Daarop volgde een resolutie, betreurende het heengaan van eenige belijders van den Christus op het oogenblik zelf, dat de strijd tegen de »ongeloovigen” bijna zeker met goeden uitslag zou bekroond worden. Het waren de »orthodoxe predikanten”, op welke dit doelde. Later gingen zij zich om Dr. Bronsveld scharen ter vorming van de Christelijk-Historische partij, en al wachtende ontzagen zij zich niet, volgens het zeggen van Dr. Kuyper, zich door bizondere belangen of antipathieën te laten verleiden, om zelfs de Christelijke school, deze gave Gods aan ons vaderland, monument van Christelijke toewijding en volharding, als offer te vergen voor hun misnoegdheid.

De verkiezingen van 1891 brachten iets anders.

De Antirevolutionaire partij had gedurende drie jaren het land geregeerd. Het ministerie Mackay had de hervorming van het lager onderwijs tot stand gebracht. Het was van aanbelang dat de aandacht van de kiezers gevestigd was op wat onmiddellijk daarna te doen overbleef. Dit was het doel van het nieuwe program van actie, dat aangenomen werd door de algemeene vergadering der afgevaardigden van de Anti-revolutionaire kiesvereenigingen. Het behelsde herziening van de grondwet, met het oog op een verbeterde samenstelling van de Eerste Kamer en het doel om daadwerkelijk het recht der minderheden te waarborgen; kiesrecht voor degezinshoofden; bevestiging van den godsdienstigen vrede door organische wetten; meer-volledige vrijmaking van het onderwijs »door subsidies aan de bizondere lagere scholen en door wijziging van de wettelijke regelingen in betrekking tot de vrije Universiteiten; vorming van Kamers van Handel, van Nijverheid, van Landbouw, en van Arbeid; herziening van de Financieele wetgeving, in 't bizonder afschaffing van de Staatsloterijen en van de accijnsrechten, zooals ook wijziging van de patentwet, wijziging van de mutatierechten, sneller en goedkooper recht en eindelijk de invoering van een christelijke staatkunde in de koloniën.”Van de militaire kwestie, die het kabinet Mackay had gesteld, sprak het program niet, behalve dat het wenschte de verbetering van de rechtspositie van den soldaat en de verheffing van zijn zedelijk leven. De reden van dit zwijgen was vooral daarin gelegen, dat de ontwerpen die de financieele en militaire lasten verzwaarden bijna altijd impopulair maakten degenen die ze steunden, en dat de Anti-revolutionaire partij een neerlaag vermijden wilde. Zij slaagde er niet in, tengevolge van de geschillen die openbaar werden in den boezem der »Christelijke coalitie.”

Overigens bleef de kiesrecht-hervorming niet uit in het Parlement, en liet niet na wanorde teweeg te brengen in de geheele Kamer. De Anti-revolutionairen ontkwamen niet aan dezen algemeenen toestand, de democratische fractie onder aanvoering van Dr. Kuyper kwam hier nog in botsing met de conservatieve fractie onder Mr. De Savornin Lohman. Het resultaat was een splitsing tusschen »Kuyperianen” en »Vrijen”.

Bij het einde van deze critieke periode kwam de Antirevolutionaire partij, die getrouw was gebleven aan Dr. Kuyper, opnieuw met een program van actie voor den dag, ter voorbereiding van de verkiezingen van 1897.

Het nam in bizonderheden de eischen, in 1891 gesteld, weer op, en voegde eraan toe, behalve dringende maatregelen: de vorming, aan het ministerie van Handel en Nijverheid, van een bestuur van arbeid en landbouw; verplichtearbeidersverzekering; regeling van het arbeidscontract; Zondagsrust; wijziging van de douanetarieven; herstel van de belasting op de granen; wederinvoering van de doodstraf; wegneming van de beletselen voor het onderzoek naar het vaderschap; wettelijke tusschenkomst om de Neo-Malthusiaansche propaganda te stuiten; strijd tegen het misbruik van alcoholische dranken, en in de Koloniën tegen opium-misbruik.

Niettegenstaande de zorg aan de tactiek besteed en de pogingen, die in 't werk gesteld werden in den loop van den strijd, kwam de Antirevolutionaire partij ditmaal nog niet tot de overwinning. Ook van dit program werd tijdens de wetgevende periode niets verwerkelijkt, en het was hetzelfde, lichtelijk weer aangedikt, wat zij in 1901 onder den naam van program van urgentie aan de orde stelde. Alleen, er was geen sprake meer van verhooging van de rechten op de granen of van herziening van de grondwet. Men sprak in de eerste plaats van definitieve regeling van de schoolkwestie, en verplichte verzekering tegen ziekte, invaliditeit en ouderdom, mogelijk gemaakt door een algemeene verhooging van de douanetarieven. En dit zijn meer bepaald de groote lijnen van dit plan van actie, dat Dr. Kuyper na de verkiezingen van 1901 bij zijn komst aan het bewind ontwikkelde in het ministerieel program van 17 September 1901.

***

Dr. Kuyper gaf aan de Antirevolutionaire partij een organisatie op bewonderenswaardige wijze samengevat, tegelijk zacht en krachtig, in een viervoudig orgaan: het CentraalComité, het provinciaal Comité, de districtsvergadering en de plaatselijke kiesvereeniging. In elke stad en elk dorp, waar zich elementen van Calvinistische politiek bevinden, bestaat een kiesvereeniging, waarvan zelfs geestverwanten »niet-kiezers” lid kunnen zijn, een comité van propaganda, dat zich geheel zelfstandig bezighoudt met de verkiezingen voor de gemeenteraden, en zijn steun,werkzaamheid en invloed verleent bij de voorbereiding van de provinciale en generale verkiezingen.

Elk van deze plaatselijke kiesvereenigingen vaardigt een van zijn leden af, om de Centrale Kiesvereeniging te vormen, die zich niet noodzakelijk opsluit binnen de grenzen van een district; terwijl een andere organisatie, de Districtsvergadering, bestaande uit een zeker getal leden buiten de plaatselijke vereenigingen, zich daarnaast handhaaft. Deze organisaties bestrijden gezamenlijk de onkosten van de generale verkiezingen, voor zooveel noodig gesteund door de opbrengst van giften, welke door het Centraal Comité verzameld worden.

De afgevaardigden van de districtsvergadering en de centrale vereenigingen vormen het provinciaal comité, dat de bevoegdheid heeft te waken voor de provinciale organisatie, voor de propaganda van de antirevolutionaire ideeën, leiding te geven aan de verkiezingen voor de Provinciale Staten, en aan het Centraal Comité voorstellen aan te bieden, die betrekking hebben op de organisatie der partij.

Daarboven nu is gezaghebbend werkzaam het Centraal Comité, dat uit vijftien leden bestaat, van welke op zijn hoogst zes kamerleden mogen zijn, gekozen door de algemeene vergadering van de afgevaardigden van al de kiesvereenigingen, die instemming betuigd hebben met het program van beginselen. Zijn taak is het leiding te geven aan de politiek van de partij, terwijl het zooveel mogelijk eerbiedigt de vrijheid van beweging van de provinciale en plaatselijke vereenigingen. De voorzitter van dit Centraal Comité is Dr. Kuyper; die sinds 1877 aanhoudend de door hem gestichte partij heeft geleid; uitgezonderd de vier jaren van zijn ministerie, gedurende welke hij vervangen was door Dr. Bavinck, een andere professor aan de Vrije Universiteit te Amsterdam.

Deze machtige organisatie waarvan Dr. Kuyper in 1901 met geoorloofden trots sprak, en welke, in haar groote lijnen, het voorbeeld geweest is van die, welke door de Roomschen is aanvaard, verkrijgt haar volledigen omvang door de algemeene vergadering van de afgevaardigden derpartij, die gehouden wordt wanneer de omstandigheden van ernstigen aard zijn, en bizonder als de verkiezingen aanstaande zijn. 't Is deze vergadering die het programma vaststelt, waarmede de candidaten voor de kiezers verschijnen.

Om de waarheid te zeggen, zij doet niet anders dan goedkeuren en bekrachtigen, want aan deze indrukwekkende vergadering is altijd voorafgegaan een raadpleging van de kiesvereenigingen, en het program is feitelijk vastgesteld voordat zij plaatsvindt.

Op deze wijze vormt zij eerder een monstering van de troepen voor den strijd, terwijl Dr. Kuyper met zijn welsprekend woord bezieling en ijver voor de heilige zaak weet in te boezemen. Een vergadering van dezen aard heeft iets indrukwekkends, indien men bedenkt dat die, welke te Utrecht gehouden werd 13 April 1905 omstreeks 3900 afgevaardigden telde, die 650 kiesvereenigingen vertegenwoordigden verspreid over geheel Nederland; en het kan niet anders of zij is een sterke prikkel tot krachtige en vruchtbare actie.

't Is door deze organisatie, zooals Dr. Kuyper die heeft gevestigd, dat de kleine Antirevolutionaire groep groote kracht verkregen heeft, waarmede vrienden en vijanden hebben te rekenen, en dat zij zich ontwikkeld heeft tot een sterke eensgezinde partij, van populair en uitermate belangrijk aanzien.

Het is waar dat een afval van de partij meer of minder aan de verkiezingen van 1905 afbreuk is komen doen, namelijk die van de Christen-democraten, aan wier hoofd de heer Staalman stond, destijds afgevaardigde van den Helder, die zich losmaakten, een nieuwe partij trachtten te stichten, terwijl zij talrijke candidaten aanboden, en die meewerkten aan de volkomen neerlaag van hun semi-geestverwanten.

Deze poging werd eigenlijk weinig gevoeld. Zij deed weinig leden heengaan, en de oorzaak er van was hoofdzakelijk dat de heer Staalman op zekere punten een meer democratische gedragslijn wilde gevolgd zien, dan die door Dr. Kuyper in later tijd aangewezen wordt.

Niettegenstaande dit verlies bewaart de Antirevolutionaire partij haar prestige en haar invloed. Dank zij haar verbond met de Roomschen bezit zij drie en twintig vertegenwoordigers in de Tweede en tien vertegenwoordigers in de Eerste Kamer. Haar meest-naar-voren-tredende leiders, Mr. Th. Heemskerk, zoon van den ouden conservatieven minister van dien naam, die de politieke eigenschappen van zijn vader schijnt geërfd te hebben, en de heer Talma, de rechterarm van Dr. Kuyper, hebben in het bewind het liberaal ministerie van den heer De Meester vervangen.

Ten opzichte van de sociale vraagstukken, die van dag tot dag dringender worden, heeft zich in alle landen een dubbele strooming vertoond: de eene meer conservatief, die er naar streeft zooveel als mogelijk is in den tegenwoordigen maatschappelijken toestand te laten; de andere, die vooruitstrevend is en meer het belang van het volk ter harte wil nemen, en op die wijze verkeerde of oude toestanden wil herstellen en vernieuwen. Deze tegengestelde stroomingen openbaren zich hoofdzakelijk in de politiek van de parlementaire natiën, waarbij het niet zelden gebeurt dat de partijen daardoor verdeeld worden, en de eenheid van hun program en hun doeleinden verbroken wordt.

Dit is ook in Nederland met de Antirevolutionaire partij gebeurd. Dr. Kuyper had in zijn orthodox Calvinisme eenige nieuwere stellingen en eischen opgenomen; hij had zooals men het eigenaardig uitdrukte: »een weinig socialistisch elixer in den wijn van zijn theologie gedaan.«

Hij geloofde dat onder het volk, onder de arbeiders van stad en land, gezocht moesten worden de bronnen van het leven, en dat de Antirevolutionairen zonder op te houden mannen van orde en vooruitgang te zijn, van de socialisten moesten overnemen het gezonde en edele element in hun beschouwingen, waardoor zij de massamedesleepen en verleiden. In één woord, hij aanvaardde deideeëndie men gewoonlijk »democratisch« noemt, maar het waren ook deze ideeën en deze sympathieën, die niet degoedkeuringwegdroegen van allen, die hem volgden in den strijd voor de vrijheid van het onderwijs.

Naast de »democratische« groep was er inderdaad onder hen een conservatieve fractie. Zij bestond in 't algemeen uit mannen van stand, wier aristocratische natuur niet dezelfde sympathie voor de beweging ten gunste van het volk gevoelde. Aan hun hoofd bevond zich de heer De Savornin Lohman, het volmaakt type van een modern edelman, die door de voornaamheid van zijn manieren, zijn juridische en grondwettelijke kennis, zijn sierlijk woord, zijn fijne ironie, zijn strenge, meedoogenlooze, eenigszins hooghartige logica, naar het getuigenis van Dr. Kuyper was en blijft »het sieraad van het Parlement.« Zijn hoedanigheden waren er geheel niet op berekend om volksleider te zijn, en zijn fijnere persoonlijkheid was geheel het tegengestelde van de meer grove figuur van Dr. Kuyper.

Tusschen deze twee mannen, beide van groot talent maar van zoo verschillende geaardheid, moest het vroeger of later tot een breuk komen. Dit was onvermijdelijk, temeer daar evenals raspaarden die het gebit niet kunnen verdragen, de heer De Savornin Lohman en zijn vrienden zich verzetten tegen de discipline van de partij, die hen een gedragslijn oplegde, geheel tegengesteld aan hun gevoelens, en tegen de gebiedende gezagsoefening van Dr. Kuyper, die hun toescheen tirannie te zijn.

Zoolang de schoolstrijd duurde, handhaafde zich de eenheid meer of minder volkomen in de partij. Maar in 1891 kwam de breuk voor den dag bij gelegenheid van het wetsvoorstel tot kiesrechthervorming, ingediend door den heer Tak van Poortvliet. Juist bij de vaststelling van het kiesrecht gingen de twee fracties uiteen. Dr. Kuyper wilde het zooveel mogelijk uitbreiden als bestaanbaar was met de grondwet; Mr. De Savornin Lohman en de anderen, die mede van zijn gevoelen waren, verlangden dit niet. Want de »Vrij-antirevolutionairen«zooals men henbegon te noemen, hadden andere ideeën dan de »Kuyperianen« die door hen werden uitgemaakt voor »demagogen«, over den grondslag en de strekking van het kiesrecht; over het verband tusschen de afgevaardigden en de kiezers; over de meer of minder onmiddellijke deelname van de burgers aan de regeering van het land. Zij beriepen zich rechtstreeks op Groen van Prinsterer en zij zeiden: »De groote man, de heraut van de antirevolutionaire idee, was een wezenlijk-aristocratische natuur. Hij eerbiedigde ieders geweten in 't bizonder, maar hij was tegenstander van meer of minder algemeen kiesrecht. Volgens hem bestond de vrijheid van een volk niet in de bevoegdheid om zelf zijn regeerders te kiezen.Aan de andere zijde vond de meening, dat de intellectueelen als »uitgelezenen« van een volk, het recht hebben hun ideeën aan het volk op te dringen, in hem een onverzoenlijk tegenstander. Aanhanger van het koningschap wilde hij het persoonlijk gezag van den vorst niet onderdrukt of beperkt zien door kunstmiddelen. Beslist voorstander tegelijk van het recht van de Staten-Generaal, om de handelingen van de regeering te onderzoeken en te beoordeelen, stemde hij toe dat de gekozenen rekenschap moesten geven aan hun kiezers van hun doen, maar eischte hij daarentegen dat zij hun zelfstandigheid zouden handhaven, zoowel tegenover de kiezers als ten aanzien van de kroon, en zich niet laten beheerschen door den volkswil, maar door het recht en de gerechtigheid.«

En zij voegden er aan toe, niet zonder een toon van droefheid die in een hardnekkig-beslissende uitspraak veranderde: »Groen van Prinsterer wilde de vrije politieke discussie. Toen bij zijn sterven zijn volgelingen, die bestonden uit »Gereformeerden en de kinderen van het Reveil«, zich vereenigden om een gemeenschappelijk program te aanvaarden, namen zij als grondslag van actie den strijd voor de Christelijke school. In dezen tijd verlangden zij een zekere uitbreiding van het kiesrecht, die tot stand kwam in 1887. Maar zij begeerden nooit iets anders, dan hetgeen zij misten om de almacht te fnuiken van de voorstanders van de neutrale school. Dit resultaat is bereikt, daarom willen wij niet verder gaan”.

Tengevolge van de lange en hevige discussies, die bij het wetsontwerp Tak gevoerd werden, en die na zes jaren pogens leidden tot de wet Van Houten, die schijnbaar het kiesrecht uitbreidde, staken de Vrij-antirevolutionairen, die het antirevolutionaire schip verlaten hadden, af in zee en vormden zij een zelfstandige partij met volkomen vrijheid van gedachtenwisseling en volstrekte onafhankelijkheid van al hare leden in den politieken strijd, als wezenlijke beginselen.

Hare organisatie was niet zeer ingewikkeld. Zij bepaalde zich hoofdzakelijk tot een commissie van advies, samengesteld uit twintig leden. Aan het hoofd stonden de heeren De Savornin Lohman, Baron Schimmelpenninck van der Oye, Quarles van Ufford, Van Lennep, Graaf van Bylandt, bij wie zich daarna kwam voegen Baron Mackay, oud-minister. Dat was als een schitterende staf van mannen met schitterende titels, een hooge raad van mannen met bizondere ontwikkeling, die zich niet bemoeide met het aanwijzen van een gestrenge gedragslijn, maar zich beperkte tot het geven van een bescheiden en hoffelijk advies, ten nutte van de aanzienlijke mannen, die onder haar streden, terwijl niet verwaarloosd werd voor de bewaring van algeheele vrijheid van hun gedragingen zorg te dragen.

In November 1896 maakte de nieuwe partij een verklaring bekend, waardoor de breuk met de »Kuyperianen” officieel werd, en waardoor men te kennen gaf te willen verzamelen de Antirevolutionairen, die ontevreden waren met de tegenwoordige leiding van de partij; terwijl voorts, bij het naderen van de verkiezingen van 1897, een commissie van uitvoering ingesteld werd, die tot taak had door raadgevenden en daadwerkelijken steun ten gunste van de candidaten der Vrijen werkzaam te zijn, wier gedachte door het dagblad »de Nederlander” werden verbreid en verdedigd.

Toch duurde het tot 19 September 1898, voordat »de partij Lohman,” zooals men ze noemde, een program van beginselen aanvaardde.

Het was dan ook wel uitsluitend een program van beginselen,en in geenen deele een algemeen plan van actie. Daarvan wilde het niet weten, om een theoretische reden: Een program van dezen aard, beweerde het, bracht mede een verplaatsing van de macht, die dan overging van de Staten Generaal op de kiezers en langs den weg van gevolgtrekking alle wettige waarborg deed teloorgaan tegen de machtsmisbruiken van het Parlement, daar de Regeering dan bestaan zou bij de gratie van de meerderheid van de Tweede Kamer, en dat deze op haar beurt zou handelen op ingeven van de partijen van haar program, door de kiezers goedgekeurd. Dat was juist een van de gebreken, die de Vrijen ontdekten in de organisatie van de Anti-revolutionairen, zooals Dr. Kuyper haar had gemaakt, dat in de handen der kiezers gesteld werd de leiding van 's lands zaken, en zij wilden in geenen deele deze demagogie navolgen.

De in het program voorkomende anti-revolutionaire beginselen waren: alle macht, komende van God; het gezag van de Schriften voor het maatschappelijk leven; het streven om den ouden nationalen en godsdienstigen geest der Hervorming te doen herleven; het recht der ouders inzake het onderwijs; de roeping van den Staat om alle godsdienstig geloof te beschermen en te zorgen voor de openbare zedelijkheid. Het sprak bovendien uit: de vrijheid van gedachtewisseling in het staatkundig leven, en de volkomen zelfstandigheid tegenover de kiezers, van de afgevaardigden, die tot wezenlijke roeping hebben in volstrekte vrijheid te waken voor de algemeene en hoogere belangen van het land.

Door deze laatste twee punten werd de scheiding van de Vrij-antirevolutionairen volkomen, maar zij legden niet de minste vijandige gezindheid aan den dag tegen de partij die zij hadden verlaten. Zij beweerden zelfs, niet te zullen weigeren bij gelegenheid een candidaat van de richting »Kuyper” te zullen steunen. En inderdaad is dit gebleken. De Vrij-antirevolutionairen maakten voortdurend deel uit van den bond van de rechterzijde, en bij gelegenheid van de algemeene of provinciale verkiezingen brachten zij hun stemmen aan voor de Anti-revolutionairen,die overigens hen betaalden met wederkeerigen steun. Logisch moest het zóó gaan; de groote lijnen van het program bleven dezelfde, en terwijl zij zich tot een vrije partij vormden, hielden de staatslieden, die den heer De Savornin Lohman volgden, niet op »anti-revolutionair” te zijn.

***

Deze wantrouwende en ietwat twistzieke verhouding duurde tot na de verkiezingen van 1901, toen de Vrijen 8 leden in de Tweede Kamer brachten en ongeveer 15.000 stemmen verkregen.

Van dit oogenblik af vereenigden zij zich meer en meer met zekere Christelijk-historischen, die niet meer de onverzoenlijke politiek van Ds. Bronsveld konden steunen. Aan het hoofd van dezen, die toonden zich vrij te willen maken van eene voogdij die hun hinderlijk werd, bevond zich Dr. De Visser, predikant in de Nederlandsche Hervormde Kerk en geliefd discipel van den Utrechtschen leermeester.

In 1897 in Rotterdam I verkozen met de hulp van de liberalen en naar het program van de Bronsveldianen, keerde hij zich weldra naar de rechterzijde en gaf aan haar zijne medewerking. Van toen af zocht hij langzamerhand zich van de banden, die hem aan zijn ouden leermeester verbonden, te bevrijden, brak de brug achter zich af door de aanneming van de stemmen der Roomschen in 1901 in Amsterdam II en nam gaarne den behendigen voorslag van de Vrij-antirevolutonairen aan, die de Christelijk-historische beginselen in aanzien zouden brengen in een voor hen roemrijke toekomst, op voorwaarde, dat zij de hatelijke taktiek en de ergerlijke beleedigingen van Dr. Bronsveld zouden vaarwel zeggen.

De breuk kwam uit tijdens het ministerie Kuyper, toen de Christelijke politiek van rechts zegevierde. Toen zijn courant »het Nederlandsche Dagblad” ophield te bestaan en de meeste redacteurs tot »de Nederlander” overgingen voegde zich Dr. De Visser met een deel van de Christelijk-historischenbij de Vrij-antirevolutionaren, om met hen de Christelijk-historische partij te vormen.

De Vrij-antirevolutionaren namen hem met graagte op. Hun aantal werd vermeerderd met een staatsman van invloed, die hun partijgenooten aanbracht en hun terzelfder tijd een meer populair aanzien gaf door den socialen arbeid, die van hem uitging. Zij hadden genoeg van hunne afzondering en daarom vereenigden zij zich met andere elementen, die in meerdere of mindere mate conservatief waren, hetgeen zij ook in hunne politiek inbrachten. Daar zij niets van hun meest subtiele vrijheid van handelen bij deze samensmelting te vreezen hadden, was het voor hen enkel winst. Zij verkregen er een naam door, dat zij door een stoute revolutie in de taal der partijen manschappen en eene organisatie aan de groep van Bronsveld onttrokken.

Het program, dat zij bij deze gelegenheid bewerkten, kwam in hoofdzaak met dat overeen, wat zij bij hunne afscheiding van Dr. Kuyper hadden aangenomen.De geest van de 14 artikelen bleef dezelfde. Eenige bizonderheden meer en eenige kleine wijzigingen van omstandigheid, dat was alles. De antirevolutionaire denkbeelden hadden Dr. De Visser en de zijnen tot zich zien overkomen, zonder gevoelige veranderingen te moeten ondergaan, zonder aan een misvormende overeenkomst ten prooi te zijn; en dat verdient aandacht, want het toont ons dat de leer van Dr. Bronsveld in descrediet was gekomen.

Het belangrijkste was, dat de Vrij-antirevolutionairen bij deze vereeniging met hen een dergelijke organisatie aantroffen. Zonder twijfel was het altijd een commissie van advies, waartoe 42 leden behoorden, aan het hoofd waarvan een besturend comité stond, dat met de leiding der partij was belast. Zeker was er evenmin als eertijds een program van actie en de aangenomen discipline was lang niet zoo streng als bij de Kuyperianen. Maar toch, van een anderen kant beschouwd, dat de organisatie noodzakelijk was werd wel erkend en het »Algemeen Reglement” van 18 Januari 1904 riep kiesvereenigingen in het leven voor de gemeente, het district en de provincie.

Tot welk bepaald punt is deze organisatie gekomen? Dat is vrij moeilijk te zeggen. In allen gevalle heeft zij een groot deel der Christelijk-historische kiesvereenigingen met elkander verbonden, en richt zij voortdurend nieuwe kiesvereenigingen op.

Buitendien moet nog vermeld worden dat de Christelijk-historische partij 12 leden in de Tweede Kamer telt en dat zij hoop mag voeden dit aantal hooger op te voeren. Het schijnt wel dat zij er op uit is tot zich te trekken de onbestendige, onbesliste menigte van Protestanten uit het Nederlandsch Hervormd Kerkgenootschap, die tusschen rechts en links heen en weder dobbert en de leer van Bronsveld of van het rationalistisch liberalisme heeft laten varen, maar toch niet er aan denkt om zich aan de trotsche en meer gebiedende leiding van Dr. Kuyper te onderwerpen.

De heer De Savornin Lohman en Dr. de Visser zijn door handige diplomatie en diepzinnige politiek snellijk op dezen weg van veroveringen gevorderd. Zij hebben in 1909 nog vóór de verkiezingen de Friesch-Christelijk-Historischen met zich vereenigd, die langzaam en wantrouwend, langen tijd hebben geaarzeld vóór dat zij het voorbeeld van de Hollandsche fractie volgden. Het was niet zonder netelige onderhandelingen dat het gelukte deze zelfstandige partij, die grooten invloed in Friesland bezat, met de Christelijk-Historische partij te vereenigen. Maar ten slotte is het een feit, dat in Juni 1908 het accoord op de voornaamste punten is getroffen, en het blad »De Banier« heeft het program der »Christelijk-Historische Unie« gepubliceerd.

Inplaats van drie groepen, hebben wij dus thans één enkele partij »de Christelijk-Historische Unie,” die steeds van groot belang zal zijn en met afwisselende schakeeringen blijven wat vóór alle vereeniging de partij-Lohman was:»een meer aristocratisch, conservatief, onafhankelijk antirevolutionarisme”.

De Christelijk-Historische Kiezersbond was op het oogenblik, dat zij in het leven geroepen werd, de partijder orthodoxe predikanten in de Nederlandsche Hervormde Kerk. Ook behoeft het ons niet te verwonderen, dat wij op den bodem van deze breuk met de Antirevolutionairen een theologisch geschil vinden. Dit betrof de beteekenis van de Heilige Schrift voor het maatschappelijk leven die door dezen werd erkend, door genen geloochend. Dit geschil openbaarde zich dadelijk na den dood van Groen van Prinsterer, toen Dr. Kuyper de leiding der partij overnam. Zoo kwam er verdeeldheid in den schoot der partij als doortrekking van den strijd op kerkelijk gebied, die toen in de volkskerk plaatshad.

Het onmiddellijke gevolg was evenwel niet de formeering van een afzonderlijke partij. Alleen werden daardoor scheuringen veroorzaakt, die de eendracht verbraken en volhardende actie belemmerden, zoodat Dr. Kuyper meer dan eenmaal klaagde over het dubbelzinnige gedrag van die belijders van Christus, die zich volgens hem niet ontzagen het program van de heilige eischen aan persoonlijke eerzucht en tegenzin op te offeren.

De orthodoxen, die zich rondom den persoon van Dr. Bronsveld, predikant te Utrecht, schaarden, waren op zijn hoogst eene fractie, maar zij bestookten Dr. Kuyper met hun scherpe pijlen. Het tijdschrift »Stemmen voor Waarheid en Vrede« en »De Vaderlander« waren het voertuig voor hun nijdige aanvallen. Ja, meer nog, zij gaven er bestendig de voorkeur aan, om in den verkiezingstijd de liberalen te helpen. »Men kan rechtzinnig zijn op godsdienstig terrein en liberaal in de politiek” zoo spraken zij met Dr. Bronsveld; »en wij zijn het.”

De partij kwam eerst tot stand in 1897, even vóór de verkiezingen. De aanleiding en de voorgewende reden er toe was het openlijk verbond tusschen Antirevolutionairen en Roomschen.

De Christelijke coalitie scheen hun toe een monster-verbond te zijn. Als erfgenaam van de tradities der Protestanten en van hun haat tegen het Roomsche Katholicisme, zagen de predikanten er een aanslag in op den voorrang der Nederlandsche Hervormde Kerk. Zonder ophouden hadden zij zich blind getuurd op de schitterende aureoolwaarmee deze eertijds was getooid, en evenals de conservatieve Protestanten, wiens opvolgers zij waren, hadden zij gaarne gewild dat zij wederom het karakter van officieele volkskerk had herkregen.

In allen gevalle stelden zij zich met kracht tegen al wat haar de overwegende plaats, die zij nog in het land besloeg, zou kunnen ontnemen. Voor hen bleef het Roomsch Katholicisme de vijand en Rome de kwaadaardige gevangenis, aller haat en verachting waardig. In het verbond werd naar hun zeggen der geschiedenis een slag in 't aangezicht gegeven, en zonder de voordeelen op te merken, die de Protestanten zelven op politiek gebied uit deze taktiek trokken, zagen ze slechts op de grootere kracht, die de Roomschen daardoor konden ontwikkelen. Zulk eene handelwijze was naar hun meening overschrijding van de gestelde maat en op initiatief van Dr. Bronsveld vereenigden zich sommigen onder hen, en besloten vertegenwoordigers van alle streken van Nederland op te roepen om een generaal comité te verkiezen en een program van beginselen op te stellen. Zoo kwam het, dat in het begin van 1897 te Utrecht de Christelijk-historische Kiezersbond werd opgericht. Het centrale comité werd samengesteld uit 9 leden, en in 9 artikelen werd hunne leer in verkorten vorm vastgesteld. In het program was de invloed merkbaar van de mindere beteekenis, die door de predikanten aan de Heilige Schrift werd toegekend voor het staatkundig leven. Terwijl zij toestemmen, dat het Evangelie van Jezus Christus beginselen bevat, waarnaar ieder Christen, bijgevolg ook de staatsman zich heeft te richten; beginselen, die op alle terreinen des levens moeten geëerbiedigd worden; beweren zij dat God geen politiek stelsel heeft gegeven, en dat het godsdienstig geloof niet onvoorwaardelijk oplegt dat men zich op politiek gebied bij de een of andere partij moet voegen.

Uit dat beginsel volgt dat de Kiezersbond aanspraak maakte op het recht om zich van zijne broeders af te scheiden, en in de politiek eenzelfde richting in te slaan als zij, die in godsdienstig beginsel lijnrecht tegenover hen stonden.

Om een verklaring van den naam te geven, die zijn stichter hem gaf, voegde Dr. Bronsveld er aan toe: »Alles wat in tegenspraak is met de groote beginselen van het Evangelie van Christus, is overal verboden, dus ook in de politiek. Zoo is de grondslag van de Kiezersbond, die de naam Christelijk voor zich opeischt. Daar werd »Historisch” aan toegevoegd daar men overwoog, dat de toestand der hedendaagsche zaken en hare ontwikkeling niet van het verleden, waarin zij wortelen en waaruit zij zijn voortgekomen, mag losgemaakt worden”. En opdat ze gemakkelijker in de publieke opinie ingeburgerd zou worden, herinnerde hij aan den tijd van Groen van Prinsterer, toen verscheidene personen, zooals de dichter Da Costa, reeds de benaming van Christelijk-historisch verkozen boven die van Antirevolutionair.

Wat het program zelf betreft, nadat het zijn aanhankelijkheid aan het Oranjehuis heeft uitgesproken toont het zijne vijandschap tegen al wat de Hervormde Kerk zou kunnen benadeelen of de Roomsche kerk zou kunnen bevoordeelen; keurde het de overdreven bemoeiing van den staat in de sociale kwestie en zijne inmenging in de armenverzorging af; stond persoonlijken dienstplicht voor, maar stelde zich tegen hetprotectionisme; eischte goed volksonderwijs, in elk opzicht van den geest des Evangelies doortrokken, maar nam eene onzijdige houding in den schoolstrijd aan; en verklaarde eindelijk op koloniaal terrein de ideeën van de heeren Elout van Soeterwoude, Mackay, Van Ophemert en Groen van Prinsterer toegedaan te zijn, en derhalve een Christelijk bestuur te willen, een waardige en krachtige bescherming, een voortdurende opmerkzaamheid, inzake den arbeid der verschillende Zendingsgenootschappen, opdat zij elkander niet hinderen zouden.

In 't kort behalve de conservatieve trek, die men er in zag, was het program anti-Roomsch en anti-Kuyperiaansch.

Dat karakter werd niet verloochend, toen men in 1900 het program door scherpere belijning op enkele punten aanvulde. Toch had de ervaring getoond, dat deze negatievepolitiek niet in de gunst van het volk deelde, ook zelfs niet in die van al hare aanhangers.

Bij de verkiezing van 1897 had de »Christelijk-HistorischeKiezersbond” bijna 30,000 stemmen verkregen, en een vertegenwoordiger naar de Tweede Kamer gezonden. Maar deze afgevaardigde, Dr. De Visser, predikant te Amsterdam, vicepresident van het Centraal Comité der partij en geliefd leerling van Dr. Bronsveld, had ternauwernood zijn voet over den drempel van het Binnenhof gezet, of hij vereenigde zich met de rechterzijde en ging niet meer accoord met de onverzoenlijkheid van zijn meester. Dit gaf Dr. Kuyper de ondeugende ironie in den mond; »dat de Utrechtsche Kroniekschrijver door zijn eigen geesteskinderen werd opgegeten.”

Het resultaat van de algemeene verkiezingen van 1901, toen de fractie Bronsveld, zooals men ze toen noemde, minder dan 10.000 stemmen behaalde, geeft ons het bewijs dat ondanks een poging tot organisatie hun ideeën veel minder aanhangers telden. De kiezers keurden de sectarische houding, die de Kiezersbond had aangenomen, al minder en minder goed.

Toen achtte Dr. De Visser het oogenblik gekomen om zijn overgang te voltooien. Reeds bij de verkiezingen van 1901 had hij, ondanks het verontwaardigd protest van Dr. Bronsveld, de meerderheid der Christelijk-Historischen meegekregen, voornamelijk in Friesland, Rotterdam, Amsterdam en den Haag, om met de rechterzijde op te trekken. Onder het ministerie-Kuyper voegde hij zich in het openbaar naast de Antirevolutionairen, en bezorgde hun den steun van een groot deel van den Kiezersbond, die bij hun terugkeer den naam en de banier meenamen, waaronder zij gewoon waren te strijden. Terzelfder tijd lieten zij hunne vijandschap tegen de Antirevolutionairen en Roomschen varen, en zonder zich om het gezag van Dr. Bronsveld te bekommeren, weigerden zij niet langer hun plaats in de coalitie in te nemen.

Bij dit verval van zijn politiek bleef Dr. Bronsveld nog van enkele getrouwen omringd, die van dag tot dag minder talrijk werden. Bij de nadering der verkiezingen van1905 lieten verscheidenen hunner, die naar het voorbeeld van Ds. Buijtendijk, Dr. Kuyper met een vuur gelijk aan het zijne, hadden bestreden, dit na en verklaarden zich openlijk voor de rechterzijde.

De Christelijk-Historische Kiezersbond had zijn tijd gehad. Van de Hervormde Protestanten, die Dr. Bronsveld had willen organiseeren tegen het »Papisme” en het Kuyperianisme, waren de meesten naar den vijand overgeloopen; er bleef slechts een verwarde massa over, die doorging de liberalen te volgen, totdat zij, ontnuchterd, langzamerhand het aantal deden toenemen van degenen, die zich rekenschap gevende van de eischen van den politieken toestand, het voetspoor van Dr. De Visser hadden gevolgd, dat leidt naar de Christelijke coalitie en een besliste politiek.

***

Er bestond nog een andere Vereeniging van bijna dezelfde gevoelens als de Christelijk-Historische Kiezersbond, die tot bakermat had Friesland, waar ook haar voornaamste actie werd gevoerd. Daarvandaan komt de naam van Friesch-Christelijk-Historischen, die de leden droegen.

Het was in den eigenlijken zin des woords geene vertakking van de organisatie van Dr. Bronsveld, want de Friesch Christelijk-Historischen bedoelden een onafhankelijke plaats temidden der Nederlandsche politieke partijen in te nemen. Hunne werkzaamheid beperkte zich niet tot de provincie, waarvan zij den naam hadden aangenomen, en zij spraken den wensch uit zich over andere streken uit te breiden.

Evenwel stonden zij, door de beginselen waarop zij in hunne actie steunden en door het afgebakende terrein waarop zij zich stelden, wel in betrekking met den Christelijk-Historischen Kiezersbond. Het sociale program, dat zij in 1898 uitwerkten, toen zij onder den naam van Bond van kiesvereenigingen op Christelijk-Historischen grondslag in de provincie Friesland in het politieke levenoptraden, herinnerde aan de gevoelens der Nederlandsche Hervormde predikanten, door zijn vijandschap tegen de Roomsche kerk, en nam de meeste hunner aanspraken over.

Men behoeft er zich dus niet over te verwonderen dat het de overtuiging uitspreekt, dat de Staat ten nauwste met de Kerk verbonden, op zijn eigen terrein volgens zijn eigen oordeel de waarheid heeft toe te passen, die de Kerk belijdt, en allen valschen godsdienst en alle atheisme moet bannen; dat de School wederom confessioneel moet worden en hervormd. De regeering heeft in de Koloniën te waken, dat de missies en voornamelijk de Roomsche missie niet op boosaardige manier tot het gebied van andere doordringen.

Maar daarentegen kende het program op maatschappelijk gebied een gewichtige beteekenis aan de Heilige Schrift toe, want het stelde haar tot een regel waarnaar de overheid had te handelen. Daarin was er dus een belangrijk verschil met de andere Christelijk-historischen, alsmede in het feit, dat zij een politieke vertegenwoordiging ontoereikend achtten om de belangen van het land te verdedigen en daarom de noodzakelijkheid predikten van evenredige vertegenwoordiging.

In groote trekken gaf het program niettemin een bijna volledige copie te zien van den Christelijk-historischen Bond.

Deze gelijkenis werd nognauwkeurigerna de korte verklaring van opnieuw aangenomen beginselen, die door den president van den Frieschen Bond, den heer Schokking, Hervormd predikant te Koudum, in zijn orgaan: »de Gereformeerde Kerk” gegeven werd.

In allen gevalle, ondanks de niet verheelde vijandschap tegen de Roomsche kerk, begrepen zij spoediger dan de aanhangers van Dr. Bronsveld, dat de rechter coalitie van het oogenblik, dat men het ongeluk wil verhoeden van een »God-loozen staat”, noodzakelijk was en dat bij dit gevaar vergeleken, het Roomsche gevaar weinig beteekenend was.

Om die reden is het, dat zij van 1901 af tot overeenstemmingkwamen met de partijen van rechts om de candidaturen onder elkander te verdeelen, en dat in de Kamer de heer Schokking de politiek van Dr. Kuyper ondersteunde. In 1905 handelden zij zelf evenzoo, maar lieten zich tot een onvoorzichtige taktiek verlokken, die volgens sommigen de onmiddellijke oorzaak van de nederlaag der Christelijke partijen was. Zij wenschten een zetel meer in het Parlement te bezetten dan den eenigen die hun in 1901 toegestaan was, en dat werd hun door hun bondgenooten geweigerd. Hetzij uit ontevredenheid met de voorwaarden, die men hun had gesteld, of uit overmatig vertrouwen op het succes van rechts, richtten zij zich naar den raad van één hunner leiders, den heer Wagenaar, en weigerden bij de herstemming in twee of drie districten hun steun aan de Antirevolutionaire candidaten, die toen de nederlaag leden. Deze houding sloeg alle verwachting bij de stembus den bodem in en veroorzaakte den val van het ministerie Kuyper.

Wat er dan ook aan zij van de min of meer beslissende rol, die zij in deze omstandigheid hebben gespeeld, hadden de Friesch Christelijk-historischen niets van eene groote partij en schenen het ook niet te zullen worden. Eén afgevaardigde in de Kamer, iets minder dan 10000 stemmen in het land, zoo ver strekte zich hunne macht uit, maar hun steun was niet verwerpelijk, en van hunne houding kon het behoud of het verlies voor de rechterzijde van de provincie Friesland afhangen, waar zij een onbetwistbaren invloed onder de leden der Nederlandsche Hervormde Kerk hadden.

Dat hebben de heeren De Savornin Lohman en De Visser ingezien. Zij hebben begrepen dat deze groep met de partij, die door behendige samensmelting was aangegroeid, moest verbonden worden en zij hebben onderhandelingen aangeknoopt om tot dat doel te geraken.

Ten slotte werden de Friesch Christelijk-historischen met de Christelijk-historische partij verbonden. Het resultaat strekt hunne diplomatie tot eer, en voor de Friesche bond zelf verschaft het, al offert hij ook met zijne onafhankelijkheid de aanspraak op de openbare oppositie tegenhet »Papisme« op, ter vergoeding, de macht, die van een meer uitgebreide organisatie uitgaat en die tevens het gevolg is van een gedragslijn, die meer overeenkomt met de milde en verdraagzame denkbeelden, welke iederen dag meer de gunst van de vrije burgers van Nederland schijnen te winnen.


Back to IndexNext